Posts tonen met het label Vaders Hans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vaders Hans. Alle posts tonen

woensdag 23 oktober 2013

Banneling tussen sterrengruis: nog een gedicht voor Boeli van Leeuwen

door Klaas de Groot

Over 'De banneling', een gedicht van Hans Vaders. 

In 2011 publiceerden Hans Vaders en Herman van Bergen een opvallende dichtbundel: Kate Moss in Mahaai. Bijzonder omdat de gedichten van Vaders niet zozeer omlijst werden door het beeldend werk van Van Bergen, maar omdat de afbeeldingen zo nadrukkelijk aanwezig zijn. Ze zijn structureel bedoeld. De gedachte is niet geweest: laten we er ook eens een plaatje bij doen.

Zo staat eer op p.24 een prent van Boeli van Leeuwen waarop de schrijver te zien is in de laatste periode van zijn leven. Dat kan iedereen concluderen die de foto’s van Ken Wong, gemaakt op 10 oktober 2007, gezien heeft. Wong schoot ze op de dag dat Van Leeuwen een oeuvregeld werd toegekend door het Nederlandse Fonds voor de Letteren. Op 28 november van dat jaar overleed de schrijver. Het beeld dat Van Bergen hier geeft, sluit goed aan bij het thema van het verval en de teloorgang, het grote thema van Kate Moss in Mahaai. Op de voorzijde van de afbeelding, p.23, staat het gedicht van Vaders dat hij opdraagt aan Van Leeuwen ‘De banneling’ [zie bericht hieronder - red. CU]. Gedicht en beeld op één blad papier.

Angel Rengell - Magdalene in love


Het gedicht geeft de indruk uit twee delen te bestaan. Strofe I, II, III en VI zijn dan de gedachten van een ik. Strofe IV en V gaan over een hij, die geïntroduceerd wordt als ‘oude banneling’. De ballingschap wordt gepreciseerd als een ‘exil’ waarin een ‘verlosser’ de woorden van de laatste strofe ‘stamelt’. Die woorden zijn ‘in staccato’ een erotisch getinte herinnering. De erotiek  wordt vermengd met Christelijke elementen. De aangesproken vrouw heet Maria en het lichamelijk samenzijn  vond plaats ‘onder het mij zo dierbaar bloedend hout’. Waarmee de lezer terug is bij de eerste strofe, waarin de ik zegt zich ooit gezien te hebben  als ‘de jonge Jezus’. Die ik leeft in de tweede strofe in het besef te bestaan buiten het paradijs, dat ‘ontluisterd’ is. De zondeval heeft plaatsgevonden, misschien is dat de verklaring voor de krachtterm, de vloek in de wending ‘Maar christus wat is / mij nu gebleven’.

Met strofe drie is iets bijzonders aan de hand. De eerste drie versregels passen heel wel bij de tweede strofe: de ik is terecht gekomen tussen kosmisch ‘sterrengruis’; de laatste drie regels sluiten heel goed aan bij de vierde strofe. Terwijl de banneling rust in ‘naaldpulp’, misschien wel dood is, danst de ‘zondebok’. Maar strofe III kan net zo goed als één geheel gelezen worden, zoals gepresenteerd door de dichter. De laatste drie regels tonen een hels beeld, in een surrealistische  zinswending. Die doet denken aan misschien wel de bekendste zin van het automatisch schrijven: 'Le cadavre exquis boira le vin nouveau’. En met dat automatisch schrijven zit de lezer bij het surrealischt element dat aan Kate Moss in Mahaai niet vreemd is.
 
Hans Vaders en Herman van Bergen
Over de opvallende beelden in dit gedicht valt  nog wel meer te zeggen,net als over de manier waarop Van Leeuwen in het gedicht aanwezig is. Bijvoorbeeld in hoeverre het beeld van de het banneling zijn Van Leeuwen aankleeft. Zelf gebruikte hij het in  het verhaal ’Onkel Patrice’, dat teruggaat naar 1947. Ook de overeenkomsten met drie gedichten voor Van Leeuwen, respectievelijk van Helen Lashley, Coco Rais en Shrinivási, zijn  interessant. Die gedichten zijn hier eerder besproken op Caraïbisch uitzicht. Vaders geeft in 'De banneling' zijn beeld van Boeli van Leeuwen. Hun samenwerking in de tijd van het ontstaan van Geniale anarchie moet tot heel wat inzicht geleid hebben. ‘Kijken naar is registreren,  zien is begrijpen’. Die zin uit ‘Door sterren verblind’ in De taal van de aarde,  en één van de adagia van Van Leeuwen, is door Vaders niet over het hoofd gezien.

Hans Vaders - De banneling

Voor Boeli van Leeuwen

Soms dacht ik, dat ik
de jonge Jezus was.

Maar christus, wat is
mij nu gebleven
na het ontluisterd paradijs,
eens het mijne, enig bewijs en
middel van bestaan?

Ogenschijnlijk wijzigt zich niets,
in een hemel bezaaid met
vers gestrooid sterrengruis
en voor niemendal
danst de zondebok met de zwarte
clerus in vers gekerstende velden.

Wanneer de oude banneling rust
in naaldpulp zo kil en koud,
paren bange bosdieren schielijk,
balkend en licht ontstemd,

en kan hij, de wezenlijke,
de echte verlosser in exil,
slechts in staccato stamelen,
de gezwollen liefdeslippen praalziek
getuit van smart en koortsig paars:

María, ik had je lief, zo lief was je;
omarmden toch je roomblanke dijen
mijn naaktheid, mijn schuldig lichaam niet
onder het mij zo dierbaar bloedend hout?

[uit Kate Moss in Mahaai, Haarlem / Curaçao 2011, In de Knipscheer & Mon Art Productions
p. 23]

Milo Manara - De aanbidding van het kruis



vrijdag 16 augustus 2013

Geniale onzin

Boeli van Leeuwen
door Hans Vaders

Op het toneel in het WTC staat een man in een wit kostuum in het spotlight. Hij draagt een strooien hoed. De man doet, door mij beloerd vanaf de achterste rij in het theater, denken aan iemand die ik in het verleden goed heb gekend, zelf met hem nauw heb samengewerkt aan een verhalenbundel die zeer succesvol bleek te zijn.

Verrek, zou wijlen Boeli van Leeuwen hier niet verbeeld worden? En hield hij eigenlijk wel van dansen? Van halve musicals die over niets en niemendal gaan? Bij mijn weten niet. Boeli van Leeuwen, de auteur van Geniale anarchie, hield meer van Mozart en Bach, van staatsrecht, filosofie en theologische knelpunten. Met Kerstmis werd bij hem thuis in Van Engelen Bing Cosby en Frank Sinatra gedraaid.

John Leerdam voor de cast van Geniale Anarchie in het Amsterdamse Paradiso. Foto: Suzanne Koelega

De man in het witte kostuum en de hoed staat op van zijn stoel en leest iets voor van een papiertje, want het is per slot een zogenoemde reading georganiseerd door de heer Leerdam, wie kent hem niet. Wat leest de man die vaag van enige afstand op de schrijver Boeli van Leeuwen lijkt eigenlijk tot tweemaal toe voor?

In ieder geval iets dat niet van zijn hand is en niets maar dan ook niets te maken heeft met enige geniale anarchie. Maar ja, Cola Debrot met zijn ‘30 mei ‘69’ mag er ook wel zijn met zijn trieste eiland dat na rellen en brandstichting in een kolkende maalstroom belandde.

Intussen roeren de andere deelnemers aan de reading zich vol ijver en overgave: een ‘isla inutil’ wordt geïntroduceerd (zie de achterflap, niet door Boeli geschreven), een penshonado waant zich een echte yu di Kòrsou maar is bijzonder bang voor het vileine volk en zijn vrouw wil terug naar de Gooise dreven; een paar Chinezen met nasi goreng in de aanbieding worden uiteraard als domme koeterwaals sprekende allochtonen weggezet – de zaal reageert spontaan met gelach en warme herkenning.

Een zangeres speelt onderwijl Sandie Shaw op haar blote voeten. Politici maken zoals gewoonlijk ruzie en gezien de actualiteit heeft een van hen een kale kop. Boeli van Leeuwen heeft bij leven en welzijn Wiels nooit gekend weet ik. Maar de show must go on. Zo verwachtte ik bijvoorbeeld nog komiek Eligio Melfor met een mooie grol en gekleed in carnavalspak achter de coulissen vandaan te zien komen. Helaas.

Nee, de man die gezien zijn hoed enige gelijkenis vertoont met de scribent Boeli van Leeuwen is alweer opgestaan en neemt het woord.

Hij verhaalt over zijn eiland. Geniale anarchie is de verhelderende visie van Van Leeuwen op zijn geboorte-eiland, dat sinds wic-directeur Johan van Walbeeck er in 1634 voet aan wal zette, volgens insiders ‘permanent naar de bliksem dreigt te gaan’. Wie daar niet aan kan wennen, hij repatriëre ten spoedigste of verhuize naar Aruba! De zaal reageert met gelach en gegiechel. Een gevoel van herkenning – ook voor mij – is altijd handig, vooral wanneer hier de laatste regels uit het voorwoord van Geniale anarchie worden aangehaald. En wat staat daar dan onder?

Hans J. Vaders, Hoofdredacteur Curaçaosche Courant. Daar, in een klein rommelig stoffig kantoor in de Theaterstraat werd in 1989 wekelijks de basis gelegd voor wat later Geniale anarchie zou worden. Boeli was uiterst zorgvuldig, ik was uiterst zorgvuldig. We wilden geen mensen kwetsen met stereotiepe beelden, niet voor open doel inspelen op de droefenis van onze marginalen op het eiland. Dat dit nu wel aan de orde is, vind ik ronduit spijtig. Spijtig, meer niet. Zalig zijn nu eenmaal de simpelen van geest. Ze weten niet beter.

De cast van Geniale anarchie op Curaçao


Kort voor zijn dood kwam een herdruk uit van zijn roman De eerste Adam. Boeli schreef er voor mij met zijn kenmerkende handschrift een opdracht in: Voor Hans, één van de geniale anarchisten, Boeli, Kòrsou, maart 2007.

Dat is wel andere koek dan de geniale onzin van regisseur Leerdam, die Boeli van Leeuwen en zijn geniale boek als reclamezuil gebruikt om nietsvermoedende eilandgenoten onder valse noemer naar zijn eigen persoonlijke theatershow te lokken.

[uit Amigoe, 12 augustus 2013]


zondag 4 november 2012

3 x 'In de Knip'

Drie literaire boekpresentaties in drie weken achter elkaar
Elodie Heloise

Hoe relatief. In het ene land verschijnen er dagelijks boeken, in het andere misschien twee per maand. In de landstaal of landstalen, er zal zo gauw in Hong Kong niet een Groenlands literair boek worden gepresenteerd.
Dit is ook bijzonder en mag niet ongemerkt voorbij gaan:
Op drie achtereenvolgende zaterdagen zijn er op Curaçao nieuwe titels verschenen. En misschien wel nog unieker: alle drie van uitgeverij In de Knipscheer. Geschreven in het ene autonome, zelfstandige rijksdeel, geproduceerd in het grootste deel van het koninkrijk, in een van de landstalen. In Nederland zijn ze alle drie op dezelfde middag gepresenteerd, op Curaçao nemen we hier de tijd voor, elk weekend één, op zaterdag 27 oktober van Bernadette Heiligers: Pierre Lauffer, Het bewogen leven van een bevlogen dichter, gisteren (3 november) van Hans Vaders: Terug tot Tovar en komende zaterdag (10 november) Woestijnzand geschreven door Elodie Heloise.
Hulde aan de schrijvers en vooral aan 'Knip'.


donderdag 25 oktober 2012

‘Vergeefsheid en teloorgang’

door Koos van den Kerkhof

Met de verschijning van Tropische Winters in 2001 drukte Hans Vaders meteen een stempel op de Caribische literatuur. Zijn hoofdpersoon, de journalist Horace Lee, was getuige van de bloedige wraakacties op de tontons macoute na het vertrek van Baby Doc Duvalier uit Haïti. In Otrobanda portretteerde de schrijver Willemstads bruisende volkswijk waarvoor hij werd gelauwerd met de Caribbean Tourism Media Award. Tegenover Otrobanda stelde hij vervolgens zijn poëziebundel Kate Moss in Mahaai. Samen met beeldend kunstenaar Herman van Bergen bracht hij fotomodel Kate Moss en de betere stadswijk Mahaai samen in passievolle poëzie.

In zijn nu verschenen novelle Terug tot Tovar kruisen de levens van zijn personages elkaar op raadselachtige wijze. Aan het begin van zijn verhaal zet Hans Vaders zo’n moment welhaast terloops neer: “Het is nu al wat later op deze eentonige dag, zo rond twee uur in de middag. En gedurende een ogenblik meent Ilse, zittend aan haar vaste tafeltje in restaurant Bierstube vanuit een zijraam met uitzicht op de smalle, modderige Calle Bolívar, een lotgenoot te herkennen die ze kortgeleden in een glimp had zien lopen op het marktplein van een Noord-Hollandse provinciestad, de stad van haar zo vroeg overleden moeder.
Een verloren broer, die deze middag tegen het einde van december, langzaam, met slepende stap in zijn plompe zwarte sandalen, zwaar hijgend door de ijle lucht, langsloopt over het steile voetpad in de richting van de begraafplaats van het dorp.”
En als het raadselachtige in het brandpunt staat belanden we in het domein van de Latijns-Amerikaanse fictie. Het lijkt bijna alsof de personages oplossen in vergetelheid, dat hun passage onopgemerkt voorbijgaat zoals de wind in de sparren van een Venezolaans bergwoud.

Muurschildering Kura Hulanda, Otrabanda

Vertellers
Terug tot Tovar is het verhaal van meerdere vertellers. Een conventionele derdepersoonsverteller doet het verhaal van een ex-danseres op een eenzame hotelkamer in het Venezolaanse dorp Colonia Tovar die ten onder dreigt te gaan aan drankzucht.
Ook vertelt deze verteller het verhaal van een universitair docent die in Alkmaar de oorlogsgeschiedenis uitpluist en op zoek gaat naar zijn wortels in datzelfde Tovar: “Onwillekeurig kijkt de historicus met een schuin oog op van zijn werktafel, waarop een paar dikke gevlekte archiefmappen liggen en een stapeltje hagelwit papier militair wacht naast een aftandse tikmachine. [...]
Links, op de met zware folianten gevulde eikenhouten boekenkast een foto in een zilveren lijst, de enige foto die hij van zijn vader bezit. Een merkwaardige foto, althans voor de enkeling die alles heeft overleefd en de personages herkent.
Liebknecht weet dat iedereen op deze scherpe zwart-witfoto al ruim vijfenzestig jaar geleden is gestorven - opgeknoopt, neergeschoten, vermist - de hoofdpersonen op de overzichtsfoto in ieder geval, maar de meeste figuranten in uniform ook.”
Dit verhaal wordt afgewisseld met een ik-verteller, ene Ramón Romero de las Rosas, een oude man die wordt verzorgd door nonnen en met stramme vingers schrijft aan zijn levensverhaal: “Ik ben Ramón Romero de las Rosas. Men zegt de enige zoon van een arme vaquero, een ongeletterde veehoeder die meestal ver van huis en vrouw zijn paard tot bloedens toe voortranselde over de uitgestrekte llano’s en zijn schaarse vrije tijd doorbracht met bier, veel rum en geroosterde hompen vet druipend vlees.” En deze zoon van een veehoeder maakt notitie van zijn lotgevallen in dienst van een Reichsauslandsdeutsche die ronselde voor de nazi’s.

Werk van Marie-Joubert Henning
Tussendoor lezen we fragmenten uit het proefschrift van de docent die al schrijvend op zoek is naar sporen van zijn vader. “Hij was slechts een vrijwilliger met een Duits en een Venezolaans identiteitsbewijs, een militair geschoolde arbeider in den vreemde. Mijn vader was overigens een fervent aanhanger van het Nederlandse koningshuis en hij haatte vanuit de grond van zijn hart de rode arbeidersbeweging die volgens hem met steun van de schadelijke Sowjets Europa geleidelijk aan in een neergaande spiraal van chaos, anarchie en nihilisme deed belanden.”
En terwijl diezelfde hij-verteller het verhaal van de op Curaçao opgegroeide Venezolaan Socrates León vertelt citeert hij op zijn beurt uitvoerig diezelfde León weer als ik-verteller die verslag doet van zijn werk in de bouw, op zee en hoe hij uiteindelijk zanger wordt in de band van een bareigenaar en orkestleider.

Ola

Strengenkoord
Qua structuur zijn de verhalen als het ware met elkaar vervlochten - Curaçaoser kan haast niet - als de strengen van een koord. De onderscheiden vertellers brengen aan het licht dat personages op een geheimzinnige manier met elkaar zijn verbonden.
De Nederlander op zoek naar zijn voorgeslacht passeert het hotel waar de ex-danseres bivakkeert. Ze schrijft in een schoolschrift fantasieverhalen voor haar speelgoedbeesten. “Alles moet worden beschreven. Niemand is vrij van zonden, ook mijn dieren niet. Eenieder staat bij zijn geboorte, zonder dit op die leeftijd reeds te beseffen, al met zijn rug tegen de muur, op de voor hem of haar uitgekozen plaats van executie. Al mijn dieren zijn mij even lief als mijzelf, maar sommige dieren, zoals de aasgier met zijn vlijmscherpe klauwen en de varaan met zijn dodelijke beet, zijn mij het liefst.”
De voormalige bandleider doorkruiste, in een vorig leven, aan het stuur van een Studebaker de Andes met een latere SS-kolonel die sneuvelde in de Russische sneeuw. “Wolf Liebknecht lag in koud grondwater in zijn nest, een krater van zo’n twee meter diep, geslagen door een zware mortiergranaat. Een krater die daarvoor nog een provisorische commandobunker was. Hij was niet meer dan een log lichaam dat in horten en stoten ademde en wentelde en zich langzaam met zijn verbrijzelde arm en been probeerde op te richten.”
De kantante León toerde in het verleden langs Zuid-Amerikaanse steden. Naast hem zat de danseres met een speelgoedegel op schoot. Nu bezoekt hij zijn oude werkgever in het nonnenklooster en vertelt smakelijke verhalen van de eilanden.


Milo Manara, A sacerdotisa
Curaçao
Met Terug tot Tovar heeft Hans Vaders een web van verhalen geweven dat lijkt samen te komen op Curaçao. Een web dat een lezer maar al te graag wil ontwarren. Maar is het wel zo goed als dit verhaal al zijn geheimen blootlegt? Juist in het mysterie schuilt de kracht als de parel in een schelp. Of is het toch beter de overweging van de oude Ramón met zijn perkamenten vingers te volgen: “Een oude man behoort hier eigenlijk over te zwijgen, maar de waarheid mag niet worden verbloemd.”
Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in Latijns-Amerika en Europa, herinneringen aan een jeugd zonder vader, herinneringen aan een gestrand huwelijk, beelden van een auto scheurend over de schaars begroeide vlakten, bezoeken aan chaotische steden.
In zijn vergeefsheid en teloorgang sluit het verhaal aan bij de twintigste eeuwse romantici in de Nederlandse literatuur, bij Slauerhoff en Terborgh. In zijn raadselachtigheid, wreedheid en vertelkunst is het een Caribische roman die past in de lijn van een Boeli van Leeuwen en Tip Marugg. De ondraaglijkheid van het menselijk lot lijkt onverbiddelijk en laat de lezer achter in dromen en melancholie.
Terug tot Tovar is vanaf begin november verkrijgbaar bij de Curaçaose boekhandels.

Hans Vaders, Terug tot Tovar, Uitgeverij In de Knipscheer, 2012, ISBN 978 90 6265 697 4 NUR 301.

[uit Amigoe, zaterdag 13 oktober 2012]

zaterdag 8 september 2012

Curaçao door de ogen van Pierre Lauffer


Uitgeverij In de Knipscheer en Fundashon Pierre Lauffer nodigen u van harte uit aanwezig te zijn op zondagmiddag 16 september 2012, 15.00 uur bij de feestelijke boekpresentatie van Pierre Lauffer. Het bewogen leven van een bevlogen dichter Biografie door Bernadette Heiligers alsmede van Na final di kaminda speciale bundel met de laatste acht gedichten van Pierre Lauffer in 5 talen door verschillende vertalers, onder wie August Willemsen (†).

Tevens worden gepresenteerd Woestijnzand, het prozadebuut van Elodie Heloïse en Terug tot Tovar, de nieuwe novelle van Hans Vaders m.m.v. de auteurs Bernadette Heiligers, Elodie Heloïse, de vertalers Lucille Berry-Haseth, Fred de Haas en met Robin Akkerman, Sidney Joubert, Franc Knipscheer, Wim Rutgers, Peter de Rijk.

Muziek van Alma Latina [o.a. 3 liedjes van Pierre Lauffer!]

Na afloop signeren de auteurs voor belangstellenden hun boeken.

Podium Mozaïek Bos en Lommerweg 191 1055 DT Amsterdam.
Klik: Route & bereikbaarheid
 Datum: zondag 16 september 2012, zaal open 14.30 uur; programma 15.00 tot 17.00 uur signeren en napraat in de foyer
Toegang gratis, reserveren noodzakelijk: http://www.podiummozaiek.nl/ 020-580 0381 [++ 3120 580 0381] of via e-mail aan indeknipscheer@planet.nl De kaarten liggen dan voor u klaar op de dag van de voorstelling vanaf 14.00 uur bij Podium Mozaïek. Op zondag is het in de directe omgeving van Podium Mozaïek gratis parkeren.

Foto © David Short

zaterdag 25 augustus 2012

De geboorte van een drieling: een kostbaar bezit

door Quito Nicolaas

Op 16 september a.s. vindt om 15.00 in Podium Mozaiek (Bos en Lommerweg, Amsterdam) de boekpresentatie van een drietal boeken: Het bewogen leven van een bevlogen dichter/ Na final di kaminda (speciale bundel met de laatste acht gedichten van Pierre Lauffer in 5 talen). Het tweede boek is Woestijnzand, het prozadebuut van Elodie Heloïse. En tenslotte Terug tot Tovar, de nieuwe novelle van Hans Vaders. Het programma is onder auspiciën van Uitgeverij In de Knipscheer opgezet m.m.v. de auteurs Bernadette Heiligers, Elodie Heloïse, de vertalers Lucille Berry-Haseth, Fred de Haas en met Robin Akkerman, Sidney Joubert, Franc Knipscheer, Wim Rutgers, Peter de Rijk. Muziek van Alma Latina [o.a. 3 liedjes van Pierre Lauffer!]

Woestijnzand

 Een van de boektitels die meteen je aandacht trekt is die van Woestijnzand, een bundel korte verhalen van Elodie Heloise. De auteur is geen onbekende en schrijft al jaren voor het AD op Curaçao. Haar schrijfstijl is anders dan we gewend zijn en als een 'insider' schetst ze een profiel van de gemeenschap en de dagelijkse beslommeringen. En dat doet ze op een eigenwijze manier die de lezer actief betrekt bij het lezen. Bij het lezen van de verhalen heb je niet langer de indruk dat je op afstand zit, maar middenin op het eiland.  

Flaptekst

Curaçao zou zijn naam ontlenen aan het Portugese woord coração, dat letterlijk ‘hart’ betekent. Elodie Heloise doet die etymologie eer aan door haar éígen hart aan het eiland te verpanden. En het klopt warmbloedig. In de bundel Woestijnzand meet Heloise zich weliswaar een overwegend ‘observatoire’ schrijfstijl aan, maar zij weet daarin ook precíés op de juiste momenten ‘te falen’. Het resultaat: proza met prik maar zonder preek.

De uiteenlopende karakters in Woestijnzand ondergaan hun klein en groot leed met een vreemd soort luciditeit die soms jaloersmakend, dan weer meelijwekkend is. Toch schemert er elke ochtend weer een hoopvol ‘mañana!’ aan de Caribische horizon.
Elodie Heloise, foto @ Marloes Voogsgeerd

In Woestijnzand ontpopt Elodie Heloise zich als een chroniqueur van het alledaagse Curaçao. Van een junk die zijn oude straat beweent tot de weduwe die haar gestorven man thuis koel houdt. Van het gezin dat zich op een cycloon voorbereidt tot de kunstenares die denkt een ‘dodelijk’ schilderij te hebben verkocht. En als Heloises sporadisch opgevoerde alter ego op Schiphol staat: ‘Twee marechaussees met neutraal correcte gezichten vangen mij op. Ik moet mijn armen en benen spreiden. Een elektronische staaf glijdt langs mijn lijf. “Bent u ongesteld, mevrouw?” Ik voel dat ik knik en daarop lopen de mannen door naar het volgende slachtoffer dat door de hond uitverkoren is. Verbijsterd kijk ik ze na.

Op het werk spreken we van “bezoek”. Mijn collega’s, de vrouwelijke dan, zien het aan me. “Ach, dushi, heb je bezoek? Geeft niet, doe rustig aan vandaag. We weten allemaal hoe het is.” Ik krijg dan een knipoog die druipt van het medeleven.’

 [uit Caribe Magazine, 22 augustus 2012]

vrijdag 10 augustus 2012

Curaçao op de grens van het surrealisme

door Klaas de Groot

Bij God en op Curaçao is alles mogelijk, zegt men op het eiland. Zelfs dat Koningin Beatrix een hoed draagt met een beeltenis van Che Guevara erop, in een soort Andy Warholrepetitie. Of dat Echnaton, de Egyptische farao, zijn wagens laat dwalen op de vlakte van Hato, begeleid door zumbi-muziek. Onze koningin is aldus te bewonderen op p. 20 van het boek van dichter Hans Vaders en beeldend kunstenaar Herman van Bergen: Kate Moss in Mahaai. Ook deze titel laat zien dat in deze bundel gedichten bijzondere combinaties niet geschuwd worden. Zo bijzonder in sommige gedichten en illustraties dat het surrealisme niet ver weg is.

De presentatie van het boek, 14 oktober 2011


Het boek is een echt Curaçaos werk. Vaders en Van Bergen wonen en werken al zeer lang op het eiland. Vaders als journalist en auteur van onder andere de roman Tropische winters en Van Bergen is immers de maker van het allerlei lusten opwekkende Snèkboek. In de inleiding wordt het boek een poëziebundel genoemd, maar door de combinatie van woord en beeld is een boek ontstaan dat meer is dan een verzameling gedichten. Het resultaat van de samenwerking is zeer verzorgd uitgegeven door In de Knipscheer, de uitgeverij in Haarlem die zoveel Caribiana in haar fonds heeft en Mon Art Poductions / Mon Art Gallery op Curaçao. Een instelling die nu alweer jaren heel wat kunst op het eiland heeft laten zien.

Hans Vaders

De vierentwintig gedichten zijn verdeeld over drie reeksen: Otrobanda telt negen gedichten, Kate Moss in Mahaai krijgt er drie en de derde groep omvat twaalf gedichten. Het middelste en kortste deel werkt een beetje als scharnier, van Curaçao en de Cariben wordt de lezer verplaatst naar plaatsen buiten het eiland.
De drie gedichten hebben een opdracht, ze zijn ‘voor Ana’. Het onderwerp is het verlies van een liefde en de herinnering aan het verlies. Het derde gedicht Guayaquil eindigt met de schrijnende en overtuigende strofe: ‘Een berusting over je bestemming / blijft branden als de vrees / van de kaars voor de vlam / als verspilde honing bij een korf’. Het eerste gedicht valt op omdat daarin een specifieke Kate wordt aangesproken. Terwijl in de tamelijk filosofische inleiding de makers juist schrijven dat iedere vrouw ‘Kate Moss in Mahaai’ mag zijn. Maar misschien komt het wel doordat de algemene Kate, een soort vrouwelijke Elckerlyc, hier een eigen gestalte krijgt dat deze drie gedichten zo duidelijk spreken.

Het eerste deel, Otrobanda, laat het meest van Curaçao zien, niet alleen door het noemen van locaties. Interessant zijn vooral twee gedichten die opgedragen zijn aan auteurs die onlosmakelijk aan het eiland verbonden zijn. Zowel Boeli van Leeuwen als Tip Marugg krijgen ieder een gedicht. Tegelijkertijd is in nog andere gedichten hun stem hoorbaar, doordat Vaders elementen uit hun werk laat opduiken. Opvallend bij deze gedichten is het feit dat Marugg door Van Bergen actief schrijvend en denkend wordt afgebeeld, tegen een kleurrijke achtergrond met de bekende vogels uit De morgen loeit weer aan. Van Leeuwen wordt daarentegen afgebeeld in de laatste fase van zijn leven. Deze afbeelding sluit goed aan bij het thema van het verval en de teloorgang, het grote thema van dit boek.

Herman van Bergen


In het derde deel valt iets heel eigens van de bundel op: het surrealisme dat vooral in onverwachte combinaties schuilt, maar ook in zinnen als: ’Uit de broze avondhemel valt / een grote, overbelichte filmrol. / Agfa Kodak, de beruchte Peeping Tom’, uit het gedicht De techniek van de zoeker. Het surreële element speelt tenslotte ook een prominente rol in sommige illustraties. Deze illustraties zijn immers vaak collage-achtige voorstellingen, zoals die op de omslag, die bij het gedicht Warwouw in vlucht en de voorstelling van Echnaton op de vlakte van Hato (pp.56-57). De collage is immers gedemocratiseerd surrealisme, merkte W.F. Hermans ooit op. Het surrealisme mag dan op zichzelf voor vervreemding zorgen, op Curaçao is het nooit ver weg. Denk maar aan de gedichten van Marugg en Chris Engels, om bij de poëzie te blijven. Hierbij valt ook nog te denken aan een recent verschenen bundeltje surrealistische poëzie van Bastiaan van der Velden: De automatiek gevolgd door Brua van Curaçao. Met die vervreemding zijn we bij de laatste alinea van de inleiding: ‘Maar let wel, er zit een speciale afgeleide wereld in onze wereld. In deze poëziebundel trachten een beeldend kunstenaar en een dichter dit innerlijk denkbare behang vorm en inhoud te geven. Wellicht noemen we dit kunst, dat voortdurend verversen van verwondering en vervreemding.’ 


Aardig in dit citaat is de verwijzing naar de poëziebundel Het innerlijk behang van Hans Lodeizen. Niet de minste om in je gezelschap te hebben, als je een bijzonder boek wilt maken. En daarin zijn Van Bergen en Vaders geslaagd.
 

Hans Vaders & Herman van Bergen, Kate Moss in Mahaai. Haarlem, In de Knipscheer, 2011. 62 p., isbn 978 90 6265 681 3, prijs  €19, 90.  

[uit Oso, 2012, nr. 1]


maandag 27 februari 2012

Vreemdelingen in het paradijs (8)

door Willem van Lit

Dit is het 8e deel van het vierde hoofdstuk van mijn nieuwe boek over de Nederlands Caribische eilanden. Ironie. Spot. Dat is ook een mechanisme voor de poging afstand te nemen van de tragedie van de herinnering, het verleden waar men maar niet van los kan komen.


De tragedie van de herinnering (vervolg)

Marcha en Verweel vinden – oh, ironie – op één van de aspecten van de apathie toch nog een positief punt en dit is – wat zij zelf noemen – de paradox van het zwijgen. Dit – het zwijgen – is een vorm van protest. Het zwijgen wordt gebruikt als “wapen tegen de veroorzakers van angst” .1) Ze beschrijven dit als een manier van afstand nemen zodat ze als het ware boven de dingen van de dagelijkse ellende staan; het is een poging onaanraakbaar te worden, onaantastbaar. Zo houdt de Curaçaoënaar zijn eigenheid en trots, waardoor hij in staat is de dingen op zijn eigen manier te doen. Het is volgens de schrijvers een bron van vitaliteit; de Curaçaoënaar kan zichzelf zo handhaven, sterker nog: uitgroeien tot een persoonlijkheid. En dit is – zoals Sloterdijk opmerkt – de positieve kant van de thymos, de energie die de puls tot leven op gang houdt, de andere kant van de destructieve woede.2) Bij dat afstand kunnen nemen komt ook onmiddellijk de kracht van de ironie naar voren. Marcha zegt: “Een eiland waar men met gevoel voor zelfspot zegt dat men kampioen is in het ten onder gaan”. 3)

Ironie als middel om van mensen zelfdenkers te maken. Zoals Socrates dat bedoeld heeft schreef Kierkegaard, waarbij men zichzelf leert kennen. Niet alleen de zwaar-op-de-hand-liggende-dreiging, de afschrikking in het priemend vragen stellen, maar juist ook de luchtige spot is het middel om de ellende op het voetstuk te laten bewegen, de ernst die onder de aandacht is, te laten verschuiven op het plateau. Juist degenen die in zuur gedrenkt blijven zitten en die niet in staat zijn zichzelf en hun eigen opvattingen te relativeren, zijn verdacht. Ook als we anderen in hun overtuigingen en positie onder elke omstandigheid ernstig nemen, zijn we niet in staat helder en klaar naar hun verrichtingen te kijken. Spot is een oefening in zelfrelativering, zoals Kierkegaard heeft opgemerkt (zie mijn hoofdstuk 3). Men zal niet vreemd opkijken dat ironie ook gevonden wordt bij het Antilliaanse en Curaçaose onbehagen; de tragedie wordt op zijn kant gezet. Hij wordt anders niet meer hanteerbaar. Dit vinden we regelmatig terug in de kranten. Zo staat in de Antilliaanse krant Amigoe regelmatig een stuk van Vaders, die in ernstige verwijzingen nogal eens de spot drijft met de gang van zaken. Ook Reinoud van den Berkhof legt in zijn columns in het Antilliaans Dagblad of bij Radio Nederland Wereldomroep veelal lichte ironie in zijn commentaar. Het tilt de zwaarte van de Antilliaanse dagelijksheden even over hun ernst heen.

Curaçao: de entree van Campo Alegre. Foto © Michiel van Kempen
“De zonen van het Noorderstrand leven vanuit een schuldcultuur; wij vanuit de schaamtecultuur. Niet wat we doen of laten is goed of slecht, maar wat anderen van ons te weten komen maakt iets goed of slecht. Het woord ‘alibi’ betekent ‘ergens anders’. De kunst is nu om altijd een alibi te hebben, en ergens anders te zijn geweest. Bij de dokter en niet in Campo Alegre, bij de apotheker en niet in Hotel Venezuela, bij je zieke moeder en niet in je bootje aan de blauwe rand”. 4)

Boeli van Leeuwen noemt zijn Curaçaoënaars geniale anarchisten. In dit stukje doet hij dat op humoristische wijze uit de doeken. Hij zegt dat je je pas hoeft te schamen als je betrapt wordt; eerder niet. Niet dát je iets verkeerd doet, is goed of fout. Je moet ervoor zorgen dat het niet bekend wordt. Je moet de schaamte te lijf gaan bij heterdaad. Hij schrijft dat de Curaçaoënaar een “strategische retraite als nobele onderneming” ziet, “die tot de Schone Kunsten gerekend dient te worden”. Hij noemt een aantal excuses:

“’Ze hebben mijn houten been gestolen’.

‘Mijn grootmoeder heeft een speelgoedtrein, waar ze op zat te sabbelen, ingeslikt’”. 5)


Maar het kan ook inktzwart zijn. Ironie die tot walging drijft en waarbij mensen in hun extreme spot geen grens meer lijken te kennen en het ijzingwekkend cynisme aan het oppervlak komt. Nadat Paul Rosenmüller en Cees Maas in september 2011 een kort onderzoek naar integriteit van bewindspersonen op Curaçao hadden afgesloten, werd op Facebook een aantal gemanipuleerde foto’s van o.a. Rosenmüller, minister Donner en de PVV-politicus Wilders geplaatst in Wehrmacht- of SS-uniformen of afgebeeld als nazibons. 6) In het Antilliaans Dagblad verscheen hierover een artikel met bijbehorende foto’s. De verwijzing en de boodschap zijn duidelijk. Zelfs Rosenmüller, die in Nederland zo ongeveer als de verpersoonlijking wordt gezien van politiek correct gedrag, is als nazi en racist afgebeeld. Onontkoombaar en ongenaakbaar brandmerkt men hem op een ontluisterende manier met de grote R van racist. Het is gitzwarte ironie, gemaakt door zelfgenoegzame nihilisten, die geen grens meer kennen. Men drijft de beschaming door tot troebele verwijzing tot het niveau van persoonlijk geweld.

We kunnen de redenering ook omdraaien. In de sfeer van het multicultureel samenleven zijn we in het Europese deel van het koninkrijk kennelijk iets vergeten: dat er ergens in de Caribische zee nog zo’n zes eilanden liggen die tot dit rijk behoren. Misschien hebben we iets over het hoofd gezien toen we aan de Noordzeekant druk waren met vechten voor gelijkwaardigheid en tegen racisme en discriminatie, anders zouden de huidige verhoudingen minder zwaar belast zijn met ruzies, waarbij een deel van onze rijksgenoten aan de overkant verwijzen naar (neo)kolonialisme, geschiedvervalsing, slavernij, onderdrukking en minachting. Een hele serie Nederlandse politici van toch onbesproken correct gedrag (zoals Roger van Boxtel, Thom de Graaf, Alexander Pechtold en Ank Bijleveld) heeft in hun verantwoordelijk voor koninkrijkszaken (een portefeuille zonder groot prestige zoals Miriam Sluis terloops wel eens opgemerkt heeft) mogelijk niet altijd overtuigend kunnen zijn in goede bedoelingen.

[vervolg klik hier]



1) Marcha en Verweel, De cultuur van de angst, pag. 117.

2) In hoofdstuk 1 van dit boek wordt dit door mij vermeld. Het komt uit Woede en Tijd van Sloterdijk, pag. 19.

3) V. Marcha, Emancipatie, beeldvorming en etniciteit, Nieuw leven op oude ruïnes, pag.

4) Boeli van Leeuwen, Geniale anarchie, pag. 78.

5) Boeli van Leeuwen, Geniale anarchie, pag. 79.

6) Rosenmüller, Maas en Hillebrink, Doe het zelf, rapport van de Commissie Onderzoek Curaçao, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 8 augustus 2011, 30 september 2011.


Klik hier voor deel 1 , 2, 3, 4, 5, 6 en deel 7.

maandag 21 november 2011

Zoals voorheen en altijd in roes

In de Knipscheer blijft een onvermoeibare pleitbezorger van de Caribische literatuur en dat levert regelmatig mooie uitgaven op. De bundel die dichter Hans Vaders en kunstenaar Herman van Bergen maakten is er zo een. (…) Lezers, help Vaders nu het nog kan, koop die bundel. Hij stort je midden in de andere wereld die Curaçao is en verloochent de Nederlandse wortels niet. Het levert een boeiende synthese op.

Lees verder, klik hier in Meander Magazine

Hans Vaders
Kate Moss in Mahaai
Uitgever: In de Knipscheer
Jaar: 2011
ISBN: 9789062656912
Prijs: € 19,90
64 blz.




Kate Moss op Curaçao

donderdag 17 juni 2010

Yeah yeah Snèk Book!

Na 30 jaar dromen en ruim drie jaar hard werken, publiceerde kunstenaar Herman van Bergen in december 2008 het Snèk Book; het eerste boek over de snèkcultuur op Curaçao. De tweede druk van het Snèk Book is ook in Nederland te koop.

Het Snèk Book is een kleurrijke publicatie met honderden foto’s en prachtige teksten van bekende Curaçaose schrijvers als Elis Juliana, Erich Zielinski, Hans Vaders en Fifi Rademaker. Het bundelt de vrolijke, ontroerende en grimmige verhalen over de snèks en toont een Curaçao, dat herkenbaar is voor iedereen die is geboren op het eiland, iedereen die er woont of heeft gewoond en iedereen die tijdens een vakantie verliefd werd op het eiland. Achter in het boek zit ook nog een verrassende CD>

Op Curaçao is het Snèk Book verkrijgbaar in Mon Art Gallery, in Mensing’s Caminada en in Bruna. In Nederland is het Snèk Book ook verkrijgbaar; de Nederlandse uitgave via uitgeverij In de Knipscheer en de Papiamentstalige versie via de webwinkel www.books.an.

Herman van Bergen en anderen, Snèk Book. Mon Art Productions. Met CD Musica para el snek.
ISBN 978-99904-0-934-5

Klik hier voor de website van Herman van Bergen

donderdag 21 januari 2010

De graftombe van Papa Doc

De verschrikkelijke aardbeving van ruim een week geleden heeft Haïti nogmaals op treuruige manier in het wereldnieuws gebracht. De geschiedenis van het land wordt gekenschetst door rampen, staatsgrepen en machtswisselingeni. O.a. de Cubaanse schrijver Alejo Carpentier en de Curaçaose auteur Hans Vaders schreven erover. Carpentiers fascinerende roman Het koninkrijk van deze wereld gaat over de slavenopstand in het begin van de 19de eeuw. De bloedige rellen in het Haïti ten tijde van Baby Doc Duvalier worden tegelijk beklemmend en hilarisch beschreven in een ooggetuigenverslag van de hoofdpersoon in Tropische winters van Hans Vaders (1949).
.


Hieronder hoofdstuk 8 van het boek:


Op het prominentenkerkhof bij de Rue Guilloux wordt de majestueuze graftombe van Papa Doc, de vader van Duvalier, volledig gesloopt. Het imposante mausoleum blijkt een immens lege, holle ruimte. De teleurgestelde, razende menigte opent vervolgens de laatste rustplaats van generaal Gracia Jacques, bij leven een fervent aanhanger van François Duvalier. Uitzinnig brullend sleept de ontketende volksmassa de geopende kist met het gebalsemde, in gala-uniform gestoken lijk van de legeraanvoerder door de straten van Port-au-Prince. Winkeliers verdelen gratis flessen rum.
Gracia Jacques wordt bespuwd, geschopt en met machetes doorstoken. Daarna wordt het lichaam met petroleum overgoten en in brand gestoken.
De eerste berichten sijpelen binnen dat huizen van beruchte tontons macoutes worden omsingeld.
Ik loop naar de Roxy Bar aan de haven, maar die is gesloten. Rond twaalf uur, in het zenit van de zon, vallen de eerste doden van de dag. In de Rue Pavér wordt een magazijn met auto-onderdelen geplunderd. Vijftig meter van mij vandaan zie ik een soldaat zijn M-16 geweer schouderen. Twee mannen verlaten overhaast het gebouw. De één kiest ongelukkigerwijs het midden van de weg. De ander komt snel op mij toerennen met iets blinkends in de vuist. Hij kijkt mij recht in het gezicht. Blijft mij onafgebroken recht in de ogen kijken. Hij struikelt, struikelt opnieuw, valt, staat op. Een schot. De man valt nogmaals, een halve meter van mij verwijderd. Uit zijn opengereten borstkast bloesemt een fragiele, prachtige rood-witte vlinder. Een Haïtiaanse Rembrandt van Rijn. De anatomische les van prof. Tulp in optima forma tot leven gebracht. Ik sta er verbijsterd naar te staren. De man ademt niet meer. Hij is dood, morsdood. In zijn rechterhand houdt hij nog steeds een kleine autolamp geklemd. Zijn kameraad ligt, de benen wijduit in zijn eigen urine met een kogel door het hoofd terzijde van een open riool. Een klein straaltje bloed vloeit uit zijn verwrongen mond. Ik vloek.
Konjo bo mama, had ik mijn camera maar meegenomen. Goede, mooie kleurenfotos make the real money.
Verderop in dezelfde straat wordt het marmeren kantoor van Haïti Air, troetelkind van de Duvalier-familie, op grondige wijze van iedere luister ontdaan. Rekeningen en tickets liggen verspreid over straat.
.


Ik bereik, via een moeilijke omweg, het regeringsgebouw voor Telecommunicatie in het centrum om te telefoneren met de redactie in Nederland. Alleen vanuit dit kantoor bereikt Haïti de buitenwereld en het buitenland Haïti. Andere verbindingen zijn er niet meer. Het contact komt onwaarschijnlijk snel tot stand, ondanks het feit dat er slechts één operator op haar post is gebleven. Vlug bel ik mijn verslag door. Een compleet oproer, Duvalier weg, generaal Henri Namphy aan de macht, de laatste week zon 300 doden, aantal gewonden niet meer te tellen, de beer is werkelijk los. In Amsterdam is men bijzonder blij met het beknopte bericht. Er is immers op dat moment geen andere Nederlandstalige journalist in het land. Vervolgens weet ik met grote moeite de krant op Curaçao te bereiken. Oh, leuk dat je belt Alex, een goede vakantie? Ja, er waren geloof ik wel wat kleine problemen. Maar die zijn nu toch opgelost? We kregen juist een ANP-bericht binnen. Wist je al dat Duvalier weg is? We brengen het op pagina drie. Verder alles rustig. Niets aan de hand dus, alles normaal. Je moet de groeten hebben van... Wat...? Henri Namphy...? Wie is die klootzak...? Slechte verbinding zeg. Anyway, ik heb je kinderen nog gezien. Wat...? Nee, nee, dat kan niet, dat kan ik niet geloven, want het ANP zegt... Ome Henk, schreeuw ik in de kakofonie van geluid om mij heen door een krakende lijn. Het is hier een complete revolutie, ze knallen ze als ratten af, luister..., en ik houd de hoorn van het telefoontoestel buiten de cel. Op het voorplein van het communicatiegebouw ratelt een machinegeweer. Drie mensen liggen stuiptrekkend in het stof; anderen duiken in de smerige riolen om aan de ricochetterende kogels te ontkomen. Ja, er zal misschien nog wat geschoten worden of is het misschien al carnaval? Het Algemeen Nederlands Persbureau zegt... Ik smijt de hoorn op de haak, want op deze manier laat ik de dollars onverantwoord rollen en die dollars denk ik de komende dagen nog hard nodig te hebben.
.

Hans Vaders, Tropische Winters. Haarlem: In de Knipscheer, 2001. ISBN 9789062 655205