Posts tonen met het label blackness. Alle posts tonen
Posts tonen met het label blackness. Alle posts tonen

vrijdag 9 mei 2014

De zwarte Lord herlezen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De zwarte Lord uit 2009 van Rihana Jamaludin.


door Egmond Codfried

Een zeer verdienstelijke debuutroman van Rihana Jamaludin (Paramaribo 1959) van 525 bladzijden, inclusief bijlage en verklarende woorden- en begrippenlijst. Deze uitbundige historische roman die zich deels in Nederland en voor de rest in Suriname voltrekt, speelt rond het revolutionaire jaar van 1848. Door zijn benadering vormt dit werk een aanzet tot een vernieuwende en eigen postkoloniale, Surinaamse historische roman. Ondanks de titel gaat het boek over Regina Winter, een Brabantse gouvernante die naar Suriname gaat om een jonge plantage eigenaar, die als bijnaam heeft De Zwarte Lord, onderricht te geven. In een jaar maakt Regina zoveel mee, ze is deel van of getuige van zoveel bewegingen en incidenten die verbonden zijn met de Surinaamse geschiedenis, dat zij totaal veranderd is. Van een wat nuffig, kleurloos en benepen Nederlandse is ze een warmbloedige, levenslustige Surinaamse geworden. Ze heeft in zekere zin haar roots gevonden, of eerder bevochten, om de persoon te worden die ze moest zijn. Dit is een heel goed doordacht werk want op een metaniveau personifieert Regina Winter Suriname.

Het betreft ook een veelomvattend werk, Jamaludin heeft veel over te dragen. Ze richt zich, als product van de diaspora, niet tot de Surinaamse lezer, maar tracht de Nederlanders een beeld te geven van de Surinaamse geschiedenis, de overweldigende natuur, de Surinaamse beschaving, de kleurrijke cultuur, de vele talen, religies en de vele etniciteiten die samen met elkaar Suriname vormen. Misschien dat Nederlanders kunnen begrijpen hoe vreemd en uiterst negatief en nutteloos hun huidige xenofobische campagne op Surinamers overkomt. Hoewel Nederland als koloniserende entiteit en geoliede veroveringsmachine niet met Suriname te vergelijken is. Het boek vormt daartoe een mix van reisgids, geschiedenis boek, filosofische gesprekken, een verhandeling over flora en fauna, een liefdesverhaal en een aanklacht tegen koloniale onderdrukking en exploitatie van slaven en arbeiders. De revolutionaire gebeurtenissen, de neergang van de adel en de volksopstanden in het roerige Europa vinden hoe dan ook hun weerslag in Suriname, wat zeer tegen de wensen van de koloniale overheerser ingaat volgens Jamaludin’s gepresenteerde visie op Suriname. Deze benadering is in mijn persoonlijke beleving, als historische onderzoeker en schrijver, de grootste verdienste van Jamaludin en schept een band met een leeftijdsgenoot. Ze gebruikt veel verhaallijnen met veel bijpersonages die op het eind krachtig en dynamisch samenkomen in een toneelstuk en een rechtszaak tegen de toneelgroep. Het einde van de roman is pure virtuositeit van de schrijfster en deed mij denken aan de ademloos spannende boeken over solidariteit ondanks levensgevaar, onderduiken en vluchten tijdens de periode 1940-1945 die ik las als bronnen voor mijn essay Komt er weer een Holocaust? (2010).

Jan Vos

Ik moest dit boek lezen, dus dwong ik mezelf door het kleurloze begin te ploeteren, welke op geen enkele manier een voorspelling inhield van het mooie wat zou komen. Intensieve research maakt een Surinaamse nog niet tot een Nederlandse, dus is Jamaludin in het begin niet erg overtuigend, maar geforceerd. Pas in Suriname is zij in haar element en krijgt zij vleugels en raakt duidelijk opgewonden door haar materiaal, waar door er een functioneel contrast optreedt met de koudheid, de benepen ambities, het obsessieve standsbewustzijn, de verstikkende seksuele moraal en berekening van Regina in Nederland. Helaas is de schrijfster te vaak aan het vertellen, in plaats van door handeling haar verhaal door de lezer zelf te laten verbeelden. Show, don’t tell of ‘t doen gaat voor het zeggen, zoals de 17e eeuwse zwarte schouwburg regent Jan Vos (1610-1667) de gouden regel verwoordde. Verder gebruikt ze te veel abstracties die de vertelling als een beoogde continue droom in de gedachte van de lezer verstoren. Hierdoor blijkt dat ze zich soms onvoldoende in details of teveel in de onnodige details heeft ingeleefd. Details die daarom verder ook niet ter zake doen en even goed geschrapt kunnen worden omdat er ook weinig bruikbare informatie uit volgt. Enkele clichés zoals weerbarstige krullen, hoewel deze soms verkiesbaar zijn boven vreemde vondsten die door hun geforceerdheid weer kunnen afleiden. Regina is de verteller, maar ze weet dingen die de eerste persoon verteller niet kan weten, waardoor de verteller soms als een geschiedenisboek en toeristische gids klinkt. Deze informatie, zoals een uitgebreid verslag over de zeeschildpadden van Galibi, is vaak losgekoppeld van de handeling en draagt niet bij aan de plot. Verder stoor ik mij altijd aan schrijfsters die wat ik de vrouwelijke seksuele mystiekdoctrine noem, aanhangen. Ook omdat ik vermoed dat de schrijfsters zich teveel zorgen maken om hun eigen seksuele reputatie. Alsof zij, ondanks hun intellectualiteit zich niet hebben vrijgemaakt van hun tweederangspositie als vrouw en dus kuis moeten zijn. Zij lijken juist hun lezers te bevestigen in de algemene sociale hypocrisie en de onderworpenheid van vrouwen aan de dubbele moraal propageren. Wat ik wel erg mooi vond is de verandering in stijl als andere personages hun eigen verhaal in monoloogvorm afsteken, waardoor het perspectief voor even verandert en monotonie wordt vermeden. Ook de theaterteksten vind ik prachtig in hun subtiliteit en zeer effectief toegepast.
...seksuele mystiekdoctrine...
Foto Annette Lamothe Ramos

De plot is opgehangen aan de mysterieuze zwarte lord, maar de intrige rond deze zwarte slavenhouder is niet altijd geloofwaardig of doorleefd en soms zelf potsierlijk. Ook omdat de echte belangrijke gebeurtenissen die het verhaal voortjagen spelen rond de bijpersonages en niet de hoofdfiguren. Die blijven toeschouwers die de keus hebben om weg te lopen. Dit ervaar ik als het grootste gebrek aan dit zeer waardevol werk. Het is erg jammer dat het politieke verzet en het experimenteren met nieuwe sociale en politieke verhoudingen niet centraal staan in de ontwikkelingen van het hoofdpersonage. Regina Winters spuit revolutionaire ideeën, maar leeft ze niet uit. Ze kan zich zodoende steeds onttrekken aan de gevolgen, claimt soms dronkenschap als verklaring voor een uitspatting, waardoor haar uiteindelijke marginale verandering voor de kritische lezer onbevredigend is. Ze heeft zich aangepast aan een ongewenste situatie en een ongewenst economisch systeem van slavernij. Dus in feite een pessimistische boodschap, omdat ze zover heeft gereisd en zoveel meemaakt en zoveel tranen vergoten zonder een wezenlijke verandering te ondergaan. Regina als de personificatie van de geschiedenis van Suriname?

Koloniaal Suriname. Foto © Michiel van Kempen

Wij kijken echter naar een aanzet tot een nieuwe soort van Surinaamse roman die zich minder houdt aan de smalle kaders van de opgelegde, kolonialistische historiografie en laat zien dat Suriname minder geïsoleerd en ongeïnformeerd zou zijn als de vroegere schrijvers beweren. Een feit dat mijn historische onderzoeken bevestigen. Ook de Nederlandse commentaren op dit werk illustreren dat de Nederlanders een remmende werking uitoefenen op de ontwikkeling van de Surinaamse literatuur. Zij zijn nog steeds Suriname aan het ontdekken en zijn zich nog steeds aan het verwonderen over de zaken over zichzelf die Surinamers alle in geuren en kleuren kennen of dat Surinamers ook zelf romans schrijven. De nieuwe Surinaamse auteur gebruikt het verleden om iets over vandaag, iets dat Surinamers aangaat, te verklaren. En als een virtueel laboratorium om een gewenste verandering te visualiseren. Waarom Surinaamse schrijvers en schrijvers in het verleden en heden gehaat worden door plaatselijke en buitenlandse politieke elites.

Rihana Jamaludin
De historische romanvorm leent zich meer voor ongebreidelde, realistische politieke fantasie dan een verhaal dat zich in het heden afspeelt. Het heden is beter bekend bij de lezer, dus is de schrijver beperkt in zijn uitwerking van ideeën. Een historische evaluatie kan pas achteraf, maar kan ook als een vorm van een kritiek of een satire opgevat worden van wat vandaag gebeurt. De onderdrukkende staat houdt daarom graag een monopoly op de historiografie en behoudende krachten haasten zich om het publiek te waarschuwen voor fictie. Een roman is per definitie fictie, maar vaak onmisbaar om de lacunes tussen de historische bronnen te vullen om historische personen tot leven te brengen, om hun innerlijke motieven te kunnen onderzoeken. Zelf autobiografieën kunnen een vervalst beeld geven van deze personen.

Bij Jamaludin bespeur ik toch een tweestrijd om twee meesters te dienen, in plaats van onbevreesd te kiezen voor een helemaal vrije en anti-kolonialistische benadering. Omdat ik mij verdiept heb in de eerste, oorspronkelijke Cabale, wat in feite een RepublikeinseSurinaamse beweging was die tussen 1743-1753 Suriname onafhankelijk probeerde te maken, en er een studie, een romanmanuscript en een toneelstuk over schreef, begrijp ik niet waarom de auteur de Cabale als iets afzonderlijks en iets negatiefs beschreef. Ik herken een bron die zij letterlijk citeert wanneer Regina stelt dat latere, opeenvolgende gouverneurs ook geconfronteerd werden met een Cabale. Dat betreft overigens één van de beweringen waar de ik-verteller, correct toegepast, geen weet van kon hebben zonder een glazen bol. De protestbewegingen in haar boek zouden de Cabale moeten vormen, een beweging binnen de rijkste en gesurinamiseerde families, in plaats als een korte verwijzing naar een negatieve beweging. Hiermee speelt zij in tegenstelling tot haar eerdere stellingneming juist de koloniale beeldvorming onterecht in de kaart.

Plantagedirecteur
Tekening van Théodore Bray

Storend vond ik het verkeerde gebruik van de titel Gran Masra, Grootmeester voor een nederige directeur, terwijl dit de grandioze aanspreektitel was van de schatrijke Administrateurs, de machtige politici die naast hun eigen extensief plantagebezit, ook meerdere plantages en slavenmachten beheerden. Ik had graag meer details over 19e-eeuwse kleding en gebruiksvoorwerpen of meubels gezien, omdat ‘vroeger’ voor veel Surinamers slechts één brei is zonder kennis van ideeën, stijlen en neostijlen. Dat Jamaludin zich nationalistisch toont maar de slaven geen stem geeft, is conform de kolonialistische geschiedvervalsing. Terwijl ze wel een stem hadden. Arme, ongeletterde mensen kunnen hun situatie heel goed verwoorden, hoewel niet altijd gehoord door hun onderdrukkers. Alsof de schrijfster zich opnieuw niet voldoende heeft ingeleefd. Dit is extra pijnlijk omdat tot vandaag Surinamers, de afstammelingen van slaven en contractarbeiders, in Nederland nog steeds geen stem hebben. Surinaamse schrijvers worden op neokolonialistische wijze door Nederland geselecteerd, kostenbesparend uitgegeven, besproken en beperkt gepromoot als tweederangs literatuur. Daarom zijn Marokkaanse en Pakistaanse auteurs in Nederland vrijwel alleen die jonge, knappe vrouwen die schrijven hoe verschrikkelijk de Marokkaanse of Pakistaanse cultuur is. Precies wat de Nederlanders over moslims willen horen.

Het bedenken van een plot en intrige zijn moeilijke dingen en men moet soms zijn toevlucht nemen tot haast onmogelijke zaken. Dat geef ik toe en ik bewonder Jamaludins prestaties. Maar om een kleurlinge op te voeren die niet te onderscheiden zou zijn van andere witten, gaat mij toch te ver. Het klinkt als de rechtszaken rond de overtreding van Amerikaanse one-drop-rule waar zwarten zich uitgeven voor witten en trouwen met witten waar hen dat expliciet is verboden. Waar rechtsjury’s zich moesten buigen over het probleem of deze persoon zwart is, en of de ‘bedrogen’ partner dat had kunnen weten, of een schadevergoeding verdient. Een veronderstelde zwarte wetsovertreder moest zelf haar geslachtsdelen aan de jury tonen, want daar blijft bij gemengde zwarten de zwarte kleur het langst. Dat soort drama’s zijn allang ontmaskerd als pogingen om zwarten en witten in het gareel te houden en zwartheid als een ernstige besmettelijke aandoening te presenteren. Wat mij daarom ook erg stoort in deze roman is de suggestie dat zwarten pas mooi zijn als ze gemengd zijn en witte voorouders hebben. Tegelijk praat de schrijfster ook een beetje over Black History, dat zwarten wel degelijk een hoge beschaving hadden vóór de Europeanen Afrika aandeden. Het lijkt mij dat het vooral over Black History zou moeten gaan, als wij een eigen, postkoloniale Surinaamse literatuur nastreven.

Blackamoor. Frans schilderij


De actrice die in 2000 in mijn historisch toneelstuk speelde was een blonde, witte Nederlandse. Intussen beschouw ik het personage van Maria Susanna Du Plessis (1739-1795) als een zwarte Surinaams Europese. Ook vanwege een portret van haar neefje met sterke Afrikaanse gelaatstrekken en het feit dat haar tweede echtgenoot gekleurd was. Het betrof kolonisten die vanwege hun zwarte en gekleurde etniciteit tot de Europese elite behoorden. Blauw bloed is zwart bloed (1500-1789), en was de identiteit van de Europeanen die afstamden van de oorspronkelijke Europeanen, die uit Afrika kwamen en onderling huwden, ter behoud van kleur. In 1500-1789 heerste het Ancien Régime, welke zich identificeerde met de Moor, een klassieke Afrikaan, op adellijke portretten, in familiewapens, familie- en geografische namen. Ze waren ook in hun uiterlijk herkenbaar als afstammelingen van de blauwe mannen, de benaming van Europese zwarten in de middeleeuwen. De adel ontstond aan het eind van de Middeleeuwen en introduceerde afbeeldingen van de centrale zwarte koning bij de geboorte van Jezus rond 1100-1200. Rond 1500 was dit motief in heel Europa aangenomen, en markeert het begin van de Renaissance. Europa zoals wij haar vandaag kennen is het resultaat van de Renaissance. De Franse Revolutie (1789-1795) was het einde van de zwarte overheersing welke de vorm had van Omgekeerde Apartheid. Er is dus wel degelijk een oorzaak van racisme tegen zwarten aan te wijzen en een datum te noemen. Nadien waren er verschillende restoraties, maar vanaf 1848 was het voorgoed gedaan met de macht van de zwarte en gekleurde adel. Eurocentrisme en rassenleer zijn bedacht om deze episode te verbergen, en daarom lijkt het alsof zwarten, de eerste Mens, geen deel van de geschiedenis vormen. Dat vanwege de revisionistische mythe van witte superioriteit alle ontdekkingen en beschaving van witte mensen komt, terwijl witten albino’s zijn, afgeleide van zwarten. Dus niet superieur aan zwarten.

Racisme kan daarom gedefinieerd worden als een overdreven bevrijdingsideologie om witten te bevrijden van zwarte adel en koningen, welke in de aanloop naar de Franse Revolutie werd bedacht. Hoewel de Franse Revolutie in de eerste plaats het werk was van de hogere, gestudeerde burgerij als Hume, Voltaire en Rousseau en progressieve adel die zwart en gekleurd was. Slavernij van Afrikanen ontstond onder deze gekleurde Europeanen en is geen uiting van racisme, maar van hebzucht en ongenadige uitbuiting. Het woord blanke moet opgevat worden als een Europeaan en niet dat deze personen perse ook wit waren. Mogelijk lichter dan sommige Afrikanen, maar vaak zal er geen verschil in kleur en trekken zijn geweest. De gekleurde Europeanen oogden als een gefixeerd mulattenras, waarvan sommigen meer Afrikaans, Aziatisch of wit oogden. Hun hoge status hing samen met hun gekleurde uiterlijk, wat de reden was om uitsluitend onderling te huwen.

De Surinaamse planters waren tot in de 19e eeuw zwarte en gekleurde mensen, even als de gouverneurs. Dat is de reden waarom wij hen zelden te zien krijgen. De kleindochter van gouverneur Cornelis van Aerssen wordt door haar neef James Boswell beschreven als zwart als een schoorsteen en haar man, Aarnoud Joos van der Duyn, een baron van de oudste en hoogste adellijke familie als schoorsteenveger. Boswell, een Schotse baron met een Nederlandse grootmoeder, beschrijft zichzelf als zwart. Hij beschrijft Rousseau als een zwarte man. Rousseau beschrijft zijn weldoener Pierre-Alexander Du Peyrou, een Surinamer, schrijver en rijke plantagehouder als donkerbruin. Componist Van Beethoven werd De zwarte Spanjaard genoemd en zijn leermeester Haydn The Blackemoor. Charles II Stuart (1633-1685) was de Engelse koning die Willoughby een vergunning verleende om in Suriname een kolonie te beginnen, stond bekend als The Black Boy vanwege zijn zwart uiterlijk. Deze feiten worden voor ons verborgen doordat men ons uitsluitend de gewitte, propagandistische portretten toont. Er was blijkbaar een traditie bij de zwarte elite om zich als witten af te laten beelden, maar ook als zwarten. De witte portretten vormden een soort legitimatie en deferentie aan de witte ondergeschikten. Echter bestaan er kostbare boeken uit adellijke collecties die met mensenhuid zijn gekaft, wat een betere indicatie vormt van de waardering van de adellijke elite voor hun witte onderdanen. Nederland bracht de archieven tot 1795, van het zwarte Ancien Régime naar Nederland, zodat Surinamers een zwarte en gekleurde natie, deze feiten niet zouden kennen. Noch dat de Surinaamse planters beschaafde en gestudeerde mensen waren die al twintig jaar vóór de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd in opstand tegen Nederland waren gekomen.

Veel Surinaamse bronnen zijn openbaar, maar een deel is nog in privé bezit en dient door zwarte en gekleurde onderzoekers nageplozen te worden. Nicolaas Beets bijvoorbeeld schrijft over een koloniale familie met een ‘West Indisch’ uiterlijk. De naam Beets komt ook voor in 18e-eeuws Suriname, een schoonzuster van Maria Susanna Du Plessis. Verder correspondeerde Beets met nakomelingen van gouverneur Crommelin. Een kleindochter van de gouverneur was getrouwd met een zoon van de schilder Jean-Etienne Liotard, die heel afrocentrische zelfportretten van zichzelf maakte. Dit is dus het dilemma welke speelt bij het schrijven van mijn roman Maria Susanna Du Plessis welke uitsluitend zwarte en gekleurde Europese en Afrikaanse personen betreft. Daarom moet ik de historische visie van Jamaludin en haar zorgvuldig uitgewerkt kleurschema ook op dit punt afwijzen en besef tegelijk dat mijn werk daarom nooit door een Nederlandse uitgever zal worden uitgegeven.

Den Haag, 28 maart 2010

[van freethinker.nl]

woensdag 7 mei 2014

Mannequin, 19 ans et atteinte de vitiligo: Michael Jackson, lui, n'assumait pas la maladie

par Marc Azoulay, Dermatologue

 Chantelle Brown Young est une jeune mannequin de 19 ans née au Canada. Sa particularité ? Elle est atteinte de vitiligo, cette maladie qui entraîne une dépigmentation de la peau de manière inégale, sur tout le corps. Que sait-on sur cette affection ? Peut-on la soigner ? Les réponses de Marc Azoulay, dermatologue.
Édité et parrainé par Hélène Decommer

Photo de Chantelle Brown Young, alias Chantelle Winnie, tirée de son compte Twitter (twitter.com/winnieharlow)


Le vitiligo est une maladie auto-immune, c'est-à-dire que le système immunitaire de la personne touchée se retourne contre ses propres cellules mélanocytaires, responsables de la pigmentation et du bronzage. C'est une maladie du soi contre soi.

On ne connaît pas l'origine du vitiligo. Pour des raisons inconnues, le système immunitaire commence à s'en prendre aux cellules et transforme des zones de peau en plaques blanches laiteuses, qui brûlent au soleil.

La dépigmentation touche d'abord et surtout les parties situées autour des orifices du visage (yeux, bouche, nez) et les zones articulaires (coudes, genoux). Elle peut s'arrêter là ou se développer de manière plus large, atteignant notamment les seins et la zone pubienne.

Les adultes sont plus touchés par cette maladie que les enfants, même si elle ne les épargne pas. Hommes et femmes peuvent être atteints, et on note une prépondérance du vitiligo autour de la tranche d'âges 30-40 ans.

Au total, cette maladie affecte moins de 1% de la population mondiale.

Des traitements quasi-inexistants

Nous sommes assez démunis en traitements face au vitiligo. Il n'en existe aucun, à ce jour, de réellement efficace. Les médicaments psoralènes sont bien employés de temps à autre, couplés à des séances de puvathérapie (exposition générale ou locale à un rayonnement d'ultraviolets de type A), mais les résultats sont médiocres.

Le corps médical expérimente en ce moment la greffe mélanocytaire, pour repigmenter les zones atteintes. Cependant, il est encore trop tôt pour dire si cette méthode peut porter ses fruits.

C'est la différence qui fait sortir du rang

Bien que le vitiligo puisse être qualifié de maladie inesthétique, il n'est pas surprenant que la jeune mannequin Chantelle Brown Young rencontre un certain succès. En effet, c'est la différence qui fait sortir du rang. L'originalité peut être une ressource précieuse.

La plus célèbre personnalité atteinte de vitiligo reste à ce jour Michael Jackson. Sauf que lui ne l'assumait pas et a eu recours à bien des méthodes pour s'en cacher…


Propos recueillis par Hélène Decommer.

[de Le Plus, 06-05-2014]


vrijdag 11 april 2014

Bolo ta di pueblo (7 en slot)

Fred de Haas over Frantz Fanon

Geweld en ‘Nation Building’
Frantz Fanon was geen gewelddadig persoon, geen voorstander van geweld. De toon in Les damnés de la terre kan soms oorlogszuchtig klinken, maar we moeten begrijpen dat Fanon de eerste was die begreep dat een vorm van geweld genezend kan werken voor mensen die onderdrukt zijn.

De Franse filosoof Jean-Paul Sartre, die het Voorwoord schreef van  Les damnés de la Terre in de uitgave van 1961, drukte zich in dit opzicht wel heel fel uit:
‘Je moet doden: met het elimineren van een Europeaan sla je twee vliegen in één klap’.
Zo’n uitspraak is verontrustend. Fanon zelf maakte geen propaganda voor het gebruik van geweld en zag het hoogstens als een tussenstadium. Immers, Fanon leefde in een gekoloniseerde wereld waar mensen werden onderdrukt, vernederd, bedreigd, veracht, uitgebuit en dienstbaar gemaakt. De enige mogelijkheid die de gekoloniseerde had was in opstand te komen. Net zoals vroeger de slaven in opstand kwamen.

Tula - Edsel Selberie
Foto © Michiel van Kempen
Op Curaçao begon het met de opstand van Tula in 1795 en werd pas veel later voortgezet met de gewelddadigheden van 1969.

Ook de Curaçaose Partido Soberano heeft een periode gekend waarin gewelddadige taal aan de orde van de dag was. De leider van de partij, Helmin Magno Wiels, heeft dit soort taal vaak gebezigd, totdat hij, strateeg als hij was, besloot dat het genoeg was en tijd om zich meer als staatsman op te stellen. Het is zeker zijn bedoeling niet geweest dat zijn opvolgers weer hun toevlucht zouden nemen tot beledigende en bedreigende taal. Degenen die zich binnen de PS hier nog aan schuldig maken kunnen moeilijk worden beschouwd als waardige opvolgers van een leider die zijn leven heeft moeten geven in de strijd om zijn volk te verheffen en te bevrijden van kwalijke invloeden.

Curaçao is het stadium van politiek geweld voorbij. Ondanks allerlei misstanden is het land nog steeds democratisch en wordt er gestreden via het woord. En wie aperte leugens vertelt, kan er zeker van zijn dat hij/zij vandaag of morgen wordt ontmaskerd en aan de kant geschoven.

Fanon leefde in het door de Fransen gekoloniseerde Algerije en we weten allemaal dat de Fransen alleen met veel geweld uit de kolonie verdreven konden worden. Dat verklaart de felheid waarmee Sartre het kolonialisme met woorden bestreed en min of meer opriep tot het gebruik van geweld. Zo hebben Kaapverdië, Guinee-Bissau, Mozambique en Angola zich met geweld bevrijd van het Portugese kolonialisme dat van geen wijken wilde weten.

Obama ontvangt de Nobelprijs voor de Vrede.
Foto © Harry Wad
Toen de Amerikaanse President Obama in 2009 – een beetje vroeg -  de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, zei hij: ‘Het kwaad in de wereld bestaat. Een vredelievende beweging zou de legers van Hitler niet hebben kunnen tegenhouden. Geen enkele vorm van onderhandelen zou de leiders van Al-Qaida ervan kunnen overtuigen hun wapens neer te leggen. Zeggen dat oorlog noodzakelijk is, betekent nog niet dat je cynisch bent, maar het betekent veelal dat je inzicht hebt in de Geschiedenis, in de onvolmaaktheden van de mens en de grenzen van het verstand’. Zijn woorden zouden zonder meer ook van toepassing zijn geweest op het kolonialisme.

Er is moed voor nodig om af te rekenen met de resten van het kolonialisme. En niet alleen moed, maar ook verbeeldingskracht, overtuiging en zeker ook een grote mate van edelmoedigheid, een eigenschap waarvan de onlangs overleden Nelson Mandela de belichaming was. Hij heeft het voorbeeld gegeven hoe je op basis van gelijkwaardigheid met een oude kolonisator kon omgaan.

De politieke rol van ‘het volk’
We betreden nu een moeilijk terrein. We zijn het eens met Fanon als hij pleit voor een directe democratie waarbij de vertegenwoordigers van de politieke partij(en) – natuurlijk op basis van weldoordachte programma’s -  de uitvoerders zijn van de volkswil. Hoe beter een volk is opgeleid hoe beter het de consequenties van bepaalde beslissingen zou kunnen overzien. Hoe minder een volk is opgeleid des te vatbaarder is het voor politieke manipulatie en des te gevaarlijker is het om het volk beslissingen te laten nemen op belangrijke terreinen. De ene keer zal het een politieke partij goed uitkomen als er een referendum zou worden gehouden, maar een andere keer zou dat wel eens minder goed kunnen uitkomen, namelijk wanneer vermoed wordt dat de wens van het volk niet in overeenstemming is met wat een bepaalde politieke partij graag zou willen.

Voor Curaçao zou deze kwestie wel eens kunnen gaan spelen wanneer in 2015 de situatie van de afgelopen vijf jaar door de Rijksministerraad geëvalueerd gaat worden en er besluiten moeten worden genomen over de (consensus) Rijkswetten van het Koninkrijk. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de wensen van de Curaçaose politieke partijen, maar het minste wat ik hen tegen die tijd zou willen toewensen is wijsheid en onbaatzuchtigheid waarbij het welzijn van het volk voorop zou moeten staan. De rijkdom van het land - de taart - mag niet worden opgegeten door graaiende bestuurders, nee, de taart is van het volk. In andere - Papiamentse -  woorden die ik hoorde in een van de uitzendingen van de Partido Soberano: ‘Bolo ta di pueblo’.

En de leden van de PS die dit niet zouden hebben begrepen zou ik willen verwijzen naar hun eigen site en naar de uitzending van hun eigen Ingrid Sánchez van 27-06-2013 getiteld ‘Palabra’.

De oude globalisering
Mentaliteitsverandering
De mentaliteit van de mensen wordt nu in hoge mate beïnvloed door een ander soort vervreemding dan die welke werd gecreëerd door het kolonialisme. Die andersoortige  vervreemding wordt in de hand gewerkt door de invloed van de globalisering en het Internet. De jeugd ziet wat er allemaal te koop is in de wereld aan luxe, pornografie, spelletjes en wat al niet meer. Logisch dat de gedachte bij hen opkomt dat dit het ideaal is waarnaar moet worden gestreefd. Die gedachte wordt nog gevoed door het spook van de werkloosheid, functioneel analfabetisme, gebrek aan sociale controle, gebrek aan scholing, de aanwezigheid van armoedige leefomstandigheden enz. Afleiding en valse zekerheden worden gezocht bij de telenovelas, de Zuid-Amerikaanse soaps die ervoor zorgen dat de kritische geest afgestompt raakt en niet in de gaten heeft dat het land op een incompetente manier wordt bestuurd. En bij gebrek aan werk wordt er do0r sommigen geld verdiend door het uitoefenen van misdadige praktijken.

Samenwerking, geen imitatie
Fanon heeft duidelijk aangegeven hoe dekoloniserende landen een nieuwe maatschappij zouden moeten inrichten. Dat moet een maatschappij zijn met eigen waarden en met behoud van zaken die goed zijn en hun nut hebben bewezen. Van belang is het streven naar goede sociale omstandigheden, verdraagzaamheid, solidariteit en democratie. Voor het bouwen aan een nieuwe maatschappij is intelligentie nodig, vernieuwend denken en zelfvertrouwen.

Er moet vooral niet worden geprobeerd om Europa of Amerika na te doen of een pathologische bewondering te koesteren voor een Europa dat zijn succes mede te danken heeft aan de schoffering van de gewoonste menselijke waarden. Denk daarbij aan de uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking van de Amerika’s, de slavernij en de apartheid. Maar laten we, aldus Fanon, verder geen tijd daaraan besteden: ‘Kom op, broeders, we hebben veel te veel werk te doen om ons te amuseren met achterhoedespelletjes. Europa heeft gedaan wat het moest doen en achteraf beschouwd heeft Europa dat goed gedaan; laten we ophouden met Europa te beschuldigen maar wel duidelijk zeggen dat het moet stoppen met een grote mond op te zetten. We hoeven geen angst meer te hebben voor Europa en laten we ophouden met het te benijden (Les damnés de la terre, p. 231/232)’.

Stagiaire in het Surinaamse binnenland
Samenwerken met Europa c.q. Amerika kan altijd, maar dat mag nooit leiden tot neokolonialisme en het opdringen van Europese of Amerikaanse modellen. Het is beter om jezelf dwars door alle fouten en moeilijkheden heen te worstelen en te zoeken naar een eigen oplossing. Als je een Europese staat van je land wil maken kan je beter het lot van je land toevertrouwen aan Europeanen, want, zegt Fanon letterlijk: ‘die kunnen dat beter dan de meest begaafde onder jullie (Les damnés… p. 232)’. Natuurlijk mogen er best Europeanen in hun voormalige kolonie aanwezig zijn, maar wel op andere voorwaarden dan voorheen en zeker niet in de gedaante van superieure betweters.
Fanon laat overigens duidelijk merken dat er voor hem ook geen sprake kan zijn van het voortdurend terugkruipen en beschutting zoeken in een slachtofferrol of je terug te trekken  binnen de eigen – veilige – groep. Je moet de moed kunnen opbrengen om dat station achter je te laten en gewoon aan het werk te gaan.

Overigens moeten we wel een kanttekening maken bij de situatie van de mensen in de oude Afrikaanse koloniën. Als de bewoners van die arme landen zien hoe de eigen megalomane dictators en hun kliek zich verrijken ten koste van hun land, is het moeilijk voor hen om Europa niet te zien als het paradijs waar ze graag naartoe zouden gaan. Vandaar die al tientallen jaren durende  ‘illegale’ oversteek van Afrika naar Europa in wrakke bootjes, omgebouwde auto’s of zelfs achter het landingsgestel van een vliegtuig. Met de bekende, fatale gevolgen, waaronder het vluchtelingendrama van Lampedusa.

Afrikaanse vluchtelingen op een gammele boot voor de kust van Lampedusa.
Foto © Telegraph

Het is niet de bedoeling van Fanon dat de voormalige gekoloniseerde volken de Europeanen gaan haten: ‘Nee, de Derde Wereld verwacht dat ze de Derde Wereld helpen om de mens te rehabiliteren, om overal eens en voor al de mens te laten zegevieren (Les damnés… p. 230)’.

Laten we blijven luisteren naar Fanon. Aimé Césaire zei in een interview met Daniel Maximin in het tijdschrift Présence Africaine (no 126): ‘[…] teruggrijpen op Fanon is nuttig omdat dit uiteindelijk een teruggrijpen is naar de visie die veel verder ziet dan de gewone blik…’. Fanon was een humanist. Fanon was voor samenwerking en niet voor een zwart nationalisme of afrocentrisme. Het zou absurd zijn om onder de vlag van Fanon haatzaaiende redevoeringen te houden, oude wrokgevoelens op te poken of je terug te trekken op het gepasseerde station van een al te benauwde eigen identiteit. Dan zou je Fanon pas echt niet hebben begrepen.



Tenslotte
In bovenstaand betoog zijn genoeg elementen aanwezig die bouwstenen kunnen leveren voor het denken over een nieuwe samenleving voor de Benedenwindse eilanden. Er moet  in dit proces ook een belangrijke rol zijn weggelegd voor mensen die hebben gestudeerd en die in staat moeten worden geacht de vaardigheden die ze hebben verworven toe te passen in de praktijk. Ik heb het over de Curaçaose intellectuelen. Die zouden ervan moeten afzien hun kennis en kunde in dienst te stellen van regeringen die ondemocratisch zijn en voor een deel bestaan uit mensen die alleen hun eigen belang of een bepaald groepsbelang dienen in plaats van het landsbelang. Bursalen zouden moeten gaan studeren in het Caribisch gebied en door de regering van hun land verplicht worden om na hun studie voor vijf of tien jaar naar hun land terug te keren om mee te helpen aan de opbouw van de nieuwe samenleving.

IJsverkoper op Aruba
Niemand weet hoe de ABC (ei)landen er over 50 jaar uit zullen zien. Zal op Bonaire het eigen eilandsbestuur een doekje voor het bloeden zijn en zal het eiland (als het nog een bijzondere gemeente van Nederland is) alleen nog worden bestuurd door autochtone Nederlanders? Volgens Fanon zou dit laatste best het geval kunnen zijn. Als je van je eiland een Europees eiland wil maken kan je het bestuur volgens hem het beste aan Europeanen overlaten. Die weten hoe dat moet. En Aruba? Zal het nog zo hecht samenwerken met Nederland? Zal de Nederlandse taal nog zo worden beschermd en gecontinueerd omdat de Arubaanse jongeren in Nederland gaan studeren? Zullen er over 100 jaar nog wel Arubanen zijn? Als je de migrantenaantallen bekijkt en ziet hoeveel Latijns-Amerikanen er elk jaar definitief op het eiland achterblijven dan zouden er wel eens geen Arubanen meer kunnen zijn.

School op Curaçao
Curaçao zal, denk ik, een eigen koers gaan varen, in de geest van Fanon. Het land is gewikkeld in een langdurig proces dat zich uitstrekt over enkele decennia. Zolang duurt het voordat de kinderen van nu volwassen zijn. Drastische beslissingen lijken me in dit verband roekeloos en niet zinvol. Er is niets mis met het streven naar steeds grotere onafhankelijkheid van Nederland, maar daarvoor is het nodig om nog geruime tijd te werken aan de bewustwording van het volk, het inrichten van een op de mogelijkheden van het individu toegesneden onderwijssysteem met ruime aandacht voor het leren van een ambacht en de verbetering van de leef- en werkomstandigheden. Het land moet veilig zijn, een goedwerkend justitieel apparaat hebben met mensen die niet onder druk gezet kunnen worden of bedreigd, een politiekorps dat adequaat kan functioneren en een regering die bestaat uit intelligente, integere personen die door elke screening komen. Wanneer er op een gegeven ogenblik een voldoende groot aantal Curaçaoënaars te vinden is dat niet bang is om Procureur-Generaal of rechter te worden, is Curaçao al een stuk opgeschoten. Pas dan kan je echt spreken van een Dushi Kòrsou!

Het is ook van het grootste belang dat er definitief wordt gekozen voor een (wereld)taal waarin, behalve in de moedertaal, vervolgonderwijs moet worden gegeven.

Fanon is een moeilijke auteur, maar hij verdient het om gelezen en herlezen te worden door politici, leraren en elke geïnteresseerde. Hij was een jonge, briljante, non-conformistische denker die het welzijn van de mens centraal had staan en gekant was tegen elke vorm van duister nationalisme of weerzinwekkend blank of zwart racisme. Hij stond voor onderling respect, nadenken over jezelf in betrekking tot de Ander, solidariteit, het bestrijden van onderdrukking, manipulatie en anti-democratische krachten.

donderdag 10 april 2014

Bolo ta di pueblo (6)

Frantz Fanon
Fred de Haas over Frantz Fanon

Fanon tegen de ‘négritude’ en folklore als culturele basis
Fanon was tegen de ideeën van de ‘uitvinders’ en aanhangers van de ‘négritude’, de door de Martinikaanse schrijver Aimé Césaire gepropageerde beweging die – als reactie op de opgedrongen koloniale cultuur -  in bewondering wilde teruggrijpen op oude Afrikaanse beschavingen.
Natuurlijk, het was een alleszins begrijpelijke reactie op de leugenachtige opvattingen van de racistische kolonialen die van de zwarte mens een wezen zonder cultuur maakten, een mens zonder geschiedenis, een primitief verschijnsel. Maar Fanon verweet Césaire en de eerste president van Senegal, de dichter Léopold Sédar Senghor, dat ze teveel oog hadden voor de ‘zwarte identiteit’ van vóór de slavernij en het kolonialisme en te weinig voor de geestelijke bevrijding van het volk na die periode. Om zijn punt te illustreren gaf Fanon als voorbeeld de vroegere beschaving van de Afrikaanse Songhaï waar Césaire en Senghor graag naar verwezen. Fanon: ‘alle bewijzen die zouden kunnen worden geleverd voor het bestaan van een wonderbaarlijke Songhaï beschaving veranderen niets aan het feit dat de Songhaï van tegenwoordig ondervoed zijn en analfabeet’.

Fanon vond het een slecht idee om alle zwarten van de wereld te verenigen onder de vlag van een ‘zwarte’ of Afrikaanse cultuur. De zwarte bevolking van de Amerika’s had, vond hij, andere problemen dan de zwarte bevolking in Afrika. Het enige dat hen verbond was de discriminatie door de blanken. En dat was nu eenmaal niet voldoende om een nieuwe cultuur op te bouwen.

Curaçaose folklore: Grupo Serenada

Ook waarschuwt hij dat cultuur niet moet worden verward met folklore (zingen, dansen, verhalen vertellen, klederdrachten, enz.): ‘de nationale cultuur is niet de folklore waarin volgens een populaire opvatting de ‘werkelijkheid van het volk’ ligt besloten. Die werkelijkheid is niet hetzelfde als die hoop traditionele, loze folkloristische gebaren die je hoe langer hoe minder kan verbinden met de actuele werkelijkheid van het volk’ (Les damnés de la terre, p. 150). Folklore is verstarde cultuur.

Een nationale cultuur
Geen cultus van het verleden, dus, maar de blik gericht op de toekomst. Niet praten over een Afrikaanse of ‘zwarte’ cultuur, maar meer over een dynamische, nationale cultuur, dat wil zeggen een cultuur die echt wordt gevoeld en beleefd. En de strijd voor de nationale cultuur, de strijd voor de vooruitgang, betekent in de eerste plaats een strijd tegen de vervreemding en een strijd tegen de globalisering die – onder de machtige invloed van de Westerse culturen – van alle culturen een eenheidsworst probeert te maken. We worden immers gebombardeerd met beelden, klanken en kleding die alle mensen cultureel aan elkaar gelijk maken en de mensen gauw uit hun evenwicht brengen.  Via het Internet vindt er een vorm van herkolonisatie plaats en krijgen jongeren uit de Derde Wereld helden, heldinnen en ‘sterren’ voorgeschoteld met wie ze zich identificeren, maar die afkomstig zijn uit een totaal andere cultuur.
 
Curaçao. Foto © Mineke de Vries
Het is beter om een eigen weg te kiezen. Voor Curaçao betekent dit dat men het multiculturele ideaal zou moeten nastreven, een eigen multicultureel ideaal. Het land mag zich gelukkig prijzen met de aanwezigheid van inwoners die sterk verschillen van aard en cultuur, maar met elkaar verbonden zijn door hun liefde voor het land. Op Curaçao vind je Afro-Curaçaoënaars, al of niet op Curaçao geboren blanke Nederlanders, migranten uit Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, Protestanten, Katholieken, Sefardische en Asjkenazische Joden, blanke en zwarte mensen en alle kleuren daartussen, kortom genoeg elementen om een levensvatbare, krachtige samenleving op te bouwen. Op voorwaarde dat iedereen als gelijke wordt beschouwd en positief mee wil doen om iets van het land te maken.
Maar als je positief wil meewerken kan het geen kwaad als je eerst even over de grens kijkt en te weten probeert te komen hoe je een land NIET moet opbouwen.

Hoe het niet moet
Voor landen die de totale onafhankelijkheid nastreven is het raadzaam om kennis te nemen van ervaringen van andere landen die het machtsvacuüm na het vertrek van de koloniale machthebbers moesten opvullen. Hoe ging dat in de Afrikaanse staten?
Na de overdracht van het koloniale bestuur aan lokale Afrikaanse machthebbers zagen we hoe de lokale ‘bestuurders’ onmiddellijk de vrijgekomen banen innamen zonder zich te bekommeren om de nationale eenheid en zonder aan ‘nation building’ te doen. Ze dachten alleen aan zichzelf en aan manieren om zoveel mogelijk te profiteren van de macht en zichzelf te verrijken. De belangen van het volk deden er niet toe.
Het verblijf van Robert Mugabe (Zimbabwe)

Afrikaanse staatshoofden maakten zich meester van de opbrengsten uit de olie, cacao, hout, goud, diamanten en uranium en lieten fraaie herenhuizen voor zichzelf bouwen in Europa. In Nigeria deden de lokale machthebbers niets voor de bewoners van de Nigerdelta terwijl ze barstten van de oliedollars.

Omdat de landelijke bestuurders jammerlijk faalden ging het volk weer beschutting zoeken bij de eigen stam en legde op deze wijze de kiem voor de verwoestende stammenoorlogen waarvan de wereld getuige was en is. Regeringspersonen benoemden mensen van hun eigen stam en zelfs familieleden werden in hoge functies benoemd al waren ze zo stom als het achtereind van een varken. Zo kweekte men domme ministers, domme ambassadeurs en domme gedeputeerden. Fanon schreef hierover: ‘we hebben hier niet meer te maken met een burgerlijke dictatuur maar men een stammendictatuur’. Iedereen weet waar dat toe heeft geleid. Het voorbeeld van de genocide in Ruanda onder Hutu’s en Tutsi’s staan ons nog steeds voor ogen. Er was geen steek veranderd sinds de tijd van Fanon die al vroeg inzag wat er aan het gebeuren was. Hij voelde ‘[…] geen woede maar schaamte over die domheid, dat bedrog, die intellectuele en geestelijke ellende (Les damnés de la terre, p. 122).

Fanon schrijft dat het een heilige plicht had moeten zijn voor de lokale machthebbers om ‘het intellectuele en technische kapitaal dat ze aan de koloniale universiteiten hadden opgedaan ter beschikking te stellen van het volk (Les damnés de la terre, p. 96/97)’. Maar men ging gewoon op de oude, koloniale voet verder en daardoor komt het dat de meeste Afrikaanse landen nog dezelfde economische structuur hebben als in de koloniale tijd: inkomsten uit de export van grondstoffen.

Curaçao
Hoewel we op geen enkele wijze de gebeurtenissen in het Caribisch gebied gelijk kunnen stellen met wat er zich voltrok en voltrekt in de jonge Afrikaanse staten, zijn er toch bepaalde overeenkomsten met landen in het Caribisch gebied.
Curaçao schrok pas 15 jaar na het Statuut wakker, in 1969, toen de arbeiders van Wescar in opstand kwamen tegen hun onrechtvaardige behandeling door Shell Curaçao. De nieuwe volkspartij die uit die opstand ontstond, de Frente Obrero, begon onder leiding van Wilson (Papa) Godett tastend en onzeker aan een nieuw tijdvak waarin er eindelijk enige aandacht zou komen voor de onderklasse. Het stokje van de Frente is nu overgenomen door de Partido Soberano die de bewustwording, opvoeding en scholing van het (gewone) volk terecht hoog in het vaandel heeft staan. Het volk moet zodanig worden opgevoed dat het weet wie de uitbuiters en de profiteurs zijn, wie de politieke oplichters en dieven.

De PS is zich ervan bewust dat er nog een lange weg is te gaan en kan ook de sportiviteit opbrengen om gemaakte fouten te erkennen en hiervan te leren. In de partij bevinden zich mensen met grote vaardigheden, zoals de heer Sidney Provence die op intelligente en duidelijke wijze in het bewustmakingsprogramma van de partij, Konsenshi Sivil, uitlegt hoe het arbeidsrecht in elkaar zit en de arbeiders niet alleen wijst op hun rechten, maar ook op hun plichten. Ook de heer Leonora weet van wanten. En zo zijn er meer vrouwen en mannen die baanbrekend werk verrichten.
De partij heeft te maken met een achterban die voor een groot deel nog geschoold en ‘opgevoed’ moet worden en dat maakt het werk voor de leiders niet makkelijk. Ook heeft de partij leden en sprekers die het imago van de partij door hun met luide stem verkondigde niet door de feiten gesteunde opvattingen veel schade toebrengen.
Maar naarmate de tijd verstrijkt en de (geschoolde) kinderen groot worden zal de mentaliteit van de achterban veranderen en zullen de leiders van de partij beter in staat zijn een verstandige politiek door te voeren zonder concessies te hoeven doen aan mensen die het fijn vinden dat er vaak en hard wordt gescholden op individuen en bevolkingsgroepen.

[wordt vervolgd]

woensdag 9 april 2014

Bolo ta di pueblo (5)

Frantz Fanon
Fred de Haas over Frantz Fanon


Schuldgevoel: niet nodig
Bijna niemand onder de weldenkende mensen in de zwarte/gekleurde gemeenschappen binnen en buiten Afrika zit erop te wachten dat degenen die zich in het verleden schuldig hebben gemaakt aan kolonisatie en slavenhandel snikkend op de knieën vallen en berouwvol om vergiffenis smeken. Van belang is alleen dat nu en in de toekomst iedereen met hetzelfde respect wordt behandeld, dat de historische waarheid niet wordt verdoezeld en dat nieuwe generaties zich bewust blijven van wat er in het verleden is gebeurd.

Op bladzij 185 van Peau noire, masques blancs zegt Fanon zelf: ‘Ik, gekleurde mens, heb niet het recht om de blanke man een schuldgevoel tegenover mijn ras op te dringen. Ik, gekleurde mens, heb niet het recht om na te denken over middelen die het mij mogelijk zouden maken om het gevoel van eigenwaarde van de oude Baas te vertrappen […]. Moet ik soms van de blanke man van vandaag vragen zich schuldig te voelen over de slavenhandel van de 17e eeuw?’
 
Oorlogsmisdaden in Algerije
In hetzelfde essay waarschuwt hij blank en zwart (‘Peau noire…’ p. 187) ‘à s’écarter des voies inhumaines qui furent celles de leurs ancêtres afin que naisse une communication authentique’ ( = om de onmenselijke wegen van hun voorouders te verlaten zodat er echte communicatie kan ontstaan).

Het is een groot misverstand om uit het werk van Fanon te willen begrijpen dat hij de blanke zou haten. Nee, het enige dat Fanon verafschuwde was het kolonialisme, de onderdrukking, de onrechtvaardigheid en de uitbuiting. In het begin van zijn boek zegt hij al op bladzij 10: ‘ik wil mijn broeder, Zwarte of Blanke, ertoe brengen om op krachtige wijze het betreurenswaardige kleed af te schudden dat is geweven door eeuwen van onbegrip’.
Voor alle duidelijkheid: Fanon had nooit een hekel aan de Fransen, maar wel aan het Frankrijk dat, bevrijd van het nazidom, na de Tweede Wereldoorlog bloedbaden aanrichtte in Sétif (1945) of Madagascar (1974) en dat, na bewezen diensten, de Senegalese en Marokkaanse soldaten in de kou liet staan.

Fanon was een humanist. Fanon was een halve eeuw geleden wijzer dan vele anderen nu. En hij was pas 36 jaar toen hij stierf!
 
Generaal De Gaulle spreekt met Senegalse soldaten

Geweld in de oude koloniën na de onafhankelijkheid
Na het vertrek van de koloniale machthebbers zijn er vreselijke dingen gebeurd in Afrika. In Mauritanië heeft de slavernij zijn kop opgestoken, in Zuid-Afrika zijn Zimbabwaanse migranten levend verbrand en aan stukken gehakt, migranten uit Bénin zijn uit Guinea verdreven, in Ruanda heeft er genocide plaatsgevonden, in Mali staan Christenen en Moslims elkaar naar het leven, in Egypte worden de Kopten vervolgd, in Centraal Afrika wordt er gemoord, in Zuid-Soedan dreigt er een burgeroorlog, in Libië discrimineert men zwarten uit Centraal- en West-Afrika.

Een paar krantenkoppen en berichten uit de Volkskrant van het afgelopen jaar:

11/01/2013: Frankrijk begint militaire interventie in Mali.
28/03/2013: Veiligheidsraad sanctioneert militaire interventiemacht in Congo.
22/04/2013: 185 doden bij gevechten in Baga, Nigeria.
15/12/2013: etnisch geweld in Zuid-Soedan.
27/12/2013: Massagraven in Zuid-Soedan
28/12/2013: Chaos in Centraal Afrikaanse Republiek. Land balanceert op de rand van burgeroorlog.


Al dat geweld en die intolerantie die zijn losgebarsten na de onafhankelijkheid, zijn te wijten aan de heersende inheemse klasse die de koloniale bestuurders is opgevolgd. Fanon heeft in zijn tijd herhaaldelijk gewaarschuwd voor de machtswellust, het egoïsme, de inhaligheid en de schijnheiligheid van die regerende klasse.

In vergelijking met wat er in Afrika gebeurt is Curaçao een beschaafd land, maar het ontbreekt het merendeel van de bevolking nog steeds aan de juiste scholing en aan politiek inzicht. Daardoor laten de mensen zich voorlopig helaas nog makkelijk meeslepen door loze beloftes van schijnheilige politici.

Behoud van de eigen cultuur: Afrika en Curaçao
In de Afrikaanse gebieden werden de stamculturen ter plekke door de koloniale onderdrukkers ontkend, verstikt of vernietigd.
De Afrikanen die via de slavenhandel op Curaçao en elders in het Caribisch gebied arriveerden behielden slechts flarden van eigen culturen, omdat het heterogene groepen mensen betrof die uit verschillende Afrikaanse gebieden afkomstig waren. En zelfs die paar restanten van eigen (taal en) cultuur werden door de kolonisator zoveel mogelijk ontkend en vernederd. De Curaçaose cultuur werd op die manier een dubbele slag toegebracht.

McDonald's Curaçao

De intellectuelen die door studie aan de Nederlandse Universiteiten voortkwamen uit de groep kleurlingen werden – noodgedwongen - beklagenswaardige imitators van de Westerse cultuur waarvan ze niet schroomden zelfs de leugens over te nemen. Maar gedane zaken nemen geen keer en Fanon heeft in Les damnés de la terre hiervoor de waarschuwende vinger opgeheven: ‘laten we geen tijd verdoen met […] weerzinwekkend kopieergedrag’. En om de weg te wijzen naar een authentiek cultureel leven voegt hij eraan toe (p. 163): ‘vechten voor de nationale cultuur betekent op de eerste plaats vechten voor de bevrijding van het land, de fysieke baarmoeder waaruit de cultuur kan ontstaan. Er is geen culturele strijd die zich zou kunnen ontwikkelen los van de strijd van het volk’.

Dat betekent dus dat er geen culturele strijd kan zijn die losstaat van de politieke strijd. Pas als er geen sprake meer is van achterstelling kan er sprake zijn van een van een nationale cultuur en van nieuwe perspectieven. De verwezenlijking van dit alles is echter een langdurig proces. Deelname aan dit proces is daarom vaak ontmoedigend.

[wordt vervolgd]


dinsdag 8 april 2014

Bolo ta di pueblo (4)

Frantz Fanon
Fred de Haas over Frantz Fanon

Op een Nederlands forum voor Creolen vond ik de volgende twee uitspraken uit 2011:

- ‘Ik vindt het triest dat sommige creoolse of hindoestaanse vrouwen hun gezicht bleken. Soms zie ik dames die ik nog ken uit mijn schooltijd en ik weet dat ze van nature donker waren. Maar plotseling zie je ze na jaren met een lichtere tint in hun gezicht terwijl de rest van hun lichaam nog donker is. Of ze bleken hun hele lichaam. Hebben deze mensen een complex of zo? Waarom kan je niet mooi zijn als je donker bent? Weten ze niet dat het bleken van je huid heel gevaarlijk is? Nep om te zien man!’
- ‘de media maakt ons nog steeds wijs dat je niet mooi ben als je donker ben’

Fanon was het hiermee eens en vond dit soort gedrag (zoals het gladmaken van kroeshaar en bleken van de zwarte huid) ook ongelofelijk dom.

Julian Coco
Julian Coco en Helmin Wiels
Ik herinner mij in dit verband (nooit ontkennen dat je zwart bent) de gewoonte van Julian Coco, de onlangs overleden zwarte meestergitarist uit Curaçao, om een kamer vol blanken binnen te komen met de woorden: ‘wie wil er een kus van deze zwarte lippen?’ Julian wist dat de mensen hem erg zwart vonden en, geestig als hij was, nam hij altijd de vlucht naar voren. Hij was iedereen vóór door de aandacht te vestigen op zijn kleur en kreeg altijd de lachers op zijn hand. Dat had, vond ik, altijd iets tragisch. Maar zo deed Coco het nu eenmaal en, in zekere zin, was dat een effectieve zelfbescherming. Julian Coco had trouwens helemaal geen hekel aan de Hollanders. ‘Ik heb een zwak voor die Makamba’s, ’ zei ie altijd. Hij was trouwens met een getrouwd.

Helmin Wiels
Iemand die ook zijn kleur niet onder stoelen of banken stak was Helmin Magno Wiels, de leider van de Curaçaose volkspartij, de Partido Soberano. Herinnert u zich nog dat Helmin een video-opname had laten maken waarin hij achter tralies een banaan zat te eten? Hij deed dit om op een meedogenloze - maar geestige - manier te laten zien hoe blanken over zwarten konden denken. Dat tafereel (ik heb er verschrikkelijk om moeten lachen) was duidelijk geïnspireerd door wat Fanon schreef op bladzij 90 van Peau noire, masques blancs (een boek dat Helmin Wiels waarschijnlijk in een Nederlandse of Engelse vertaling  onder zijn hoofdkussen had liggen):

‘Ik wierp een objectieve blik op mezelf, ontdekte mijn zwartheid, mijn etnische eigenschappen en op mijn schedel voelde ik woorden beuken als: kannibalisme, achterlijkheid, fetisjisme, raciale gebreken, slavenhalers en vooral, vooral de reclameboodschap ‘Y’a bon Banania!’

Y’a bon Banania
Toen ik in mijn jonge jaren veelvuldig gebruik maakte van de Parijse metro viel me altijd één affiche op dat op elk station minstens één keer voorbijflitste. Dat affiche was banaangeel en er stond een forse, zwarte soldaat op die lachend de boodschap ‘Y’a bon Banania’ ( = wat is die Banania toch lekker!) verkondigde. Het feit dat ik me dat nu nog steeds herinner betekent dat de reclamejongens van 1912 – zo oud is het merk Banania al -  voortreffelijk werk hadden gedaan.
Drie jaar lang heeft er op het Banania affiche uit 1912 een Antilliaanse vrouw gestaan, maar in 1915 werd ze vervangen door een zwarte Senegalese soldaat. Dat was de man die ik steeds had gezien in de ondergrondse. De slogan ‘Y’a bon Banania’ was een verzonnen soort pidgin-Frans dat Afrikanen en Antillianen geacht werden te spreken als ze hun Creoolse taal gebruikten. Het product Banania was een chocoladedrank in poedervorm van cacao, bananenmeel, tarwe, honing en suiker. Wel lekker. Je kon het met melk koken en het was in tien minuten klaar. Het was voedzaam en prima geschikt voor het leger.

De soldaat op de affiche beantwoordde volledig aan het beeld dat de gemiddelde blanke zich toen maakte van de ‘neger’: een vriendelijke maar domme Afrikaan met dikke lippen en een grote mond die nogal onnozel lachte en eruitzag als een groot soort kind. En hij sprak natuurlijk (!) geen algemeen beschaafd Frans. Kortom, hij was het perfecte symbool van de Creools sprekende onderdaan uit de Franse koloniën. De tekening wekte de lachlust op en zorgde ervoor dat het product Banania gretig aftrek vond bij het grote publiek.


De firma heeft die reclame lang weten te handhaven en pas in 2011 vaardigde de rechtbank van Versailles op verzoek van de  ‘Beweging  tegen het racisme en voor de vriendschap tussen de volken’ het verbod uit
om het product Banania nog langer te verkopen met de slogan ‘Y’a bon’. Op straffe van 20.000 euro per overtreding per dag.

Fanon merkte al op dat de zwarte man op die affiche eigenlijk gereduceerd was tot een voorwerp temidden van andere voorwerpen.

Wie het Banania-effect wil vergelijken met de Zwarte Piet discussie in Nederland is ver van huis. Zolang er nog niet op elk treinstation in Nederland 24 uur per dag een Zwarte Piet en een Sinterklaas te zien is valt het allemaal nogal mee in onze gebieden.

Racisme en intolerantie
Vreemdelingenhaat, racisme en intolerantie zijn verwante zaken die meestal moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden. Tegenwoordig schuilen ze nog wel eens onder de vlag van ‘strijd tegen het terrorisme’. Die camouflage werkt goed, want niemand wil natuurlijk terrorisme, behalve de terroristen zelf.

Kopvoddentax?
Foto Annette Lamothe-Ramos
In Nederland zijn velen bang voor ‘geestelijke terreur’ van de kant van fanatieke Moslims en zijn daarom gauw bereid beledigende opmerkingen aan het adres van moslims te vergoelijken. De Nederlandse PVV politicus Wilders heeft ooit voorgesteld belasting te heffen op het dragen van Islamitische hoofddoekjes onder de naam ‘Kopvoddentax’. Met dit verbaal nogal beledigende voorstel heeft hij de vrije meningsuiting wel erg hoog in het vaandel geheven. Vanwege dit soort uitspraken wordt hij dag en nacht bewaakt. Obsessie, ijdelheid en moed gaan bij hem hand in hand. Opvallend is ook zijn laatste politieke streek: een anti-islamsticker die je bij hem kan bestellen. De sticker stelt de vlag van Saoedi-Arabië voor met daarop een Arabische tekst die o.a. de volgende inhoud heeft: “De Islam is een leugen. Mohammed is een boef’.
Dit lijkt me niet de juiste manier om geesten rijp te maken voor een open discussie. Wat zou hij ervan zeggen als ze in Saoedi-Arabië gingen rondlopen met de Nederlandse vlag waarop stond: ‘Jezus is een oplichter en de Paus is zijn profeet’?
De anti-islamsticker van Wilders
Het vervelende bij Wilders is dat ie ook wel eens gelijk heeft met zijn uitspraken. Zo is hij van opvatting dat je niet zó tolerant moet zijn dat je anderen de volledige vrijheid moet geven om intolerant gedrag te vertonen.
Geen speld tussen te krijgen…

Frantz Fanon stelde in zijn tijd dus al vast dat racisme, intolerantie en geweld overal aanwezig waren. In zijn tijd kreeg de Franse schrijfster Simone de Beauvoir nog een officiële waarschuwing omdat ze gearmd met de zwarte schrijver Richard Wright over straat liep.
Simone de Beauvoir met Ellen en Richard Wright, New York, 1947


Europa en Amerika blijven ook heden ten dage gewelddadig en racistisch. Denk aan de massamoord in het voormalige Joegoslavië. Denk aan de Verenigde Staten waar nog altijd stadswijken zijn waar alleen zwarten, Spaanssprekende Latijns-Amerikanen of Aziaten wonen. En nog niet zo lang geleden, in 1991, speelde de zaak Rodney King, de zwarte jongeman die op sadistische wijze werd afgeranseld door blanke politieagenten die hiervoor niet werden veroordeeld…
Een donkere president Obama helpt wel een beetje en de woorden die hij in 2008 als presidentskandidaat richtte tot de Afro-Amerikaanse gemeenschap waren ongetwijfeld oprecht gemeend:

‘[…] in feite hebben we geen keus als we willen voortgaan op de weg van een betere saamhorigheid. Voor de Afro-Amerikaanse gemeenschap betekent dit dat we de last van ons verleden moeten accepteren zonder er slachtoffer van te worden, dat wil zeggen dat we echte rechtvaardigheid moeten blijven eisen in alle aspecten van het Amerikaanse leven’.

Meer dan vijftig jaar geleden zei Frantz Fanon hetzelfde en de omstandigheden waarin hij toen verkeerde waren heel wat slechter. Nog steeds heeft zijn boodschap niets aan kracht ingeboet en die boodschap geldt ook voor Latijns-Amerika waar de zwarte, gekleurde en Indiaanse gemeenschappen nog altijd zwaar worden gediscrimineerd (o.a. in Brazilië, Colombia, Perú enz.).

[wordt vervolgd]


"Mixing ethnicities is degeneration"

Human Barbie Tells GQ She's Repulsed by Kids, Says Mixed Races Have Ruined Beauty Standards



Valeria Lukyanova has transformed herself to look like a spitting image of a real-life Barbie doll.
And while this wouldn't be the first time that someone emulated the famous toy, this is the first time that GQ magazine has taken readers inside the mind of the controversial 28-year-old.
Lukyanova proudly admits to being obsessed with all things Barbie and claims that "Everyone wants a slim figure. Everyone gets breasts done. Everyone fixes up their face if it's not ideal, you know? Everyone strives for the golden mean. It's global now."
And while the only surgery that Lukyanova will admit to having is breast implants, it's fairly clear by her appearance that she's Barbified herself in other ways.
It's quite possible that the only thing bigger than Lukyanova's bust size is her ambition.


The blonde has her sights set on grabbing the world's attention and told the magazine's Russian editor in chief that she cringes at the thought settling down with a family of her own in the future.
"It's unacceptable to me," she explained. "The very idea of children brings out this deep revulsion in me…I'd rather die from torture because the worst thing in the world is to have a family lifestyle."
And just to drive the point home, Lukyanova added, "I'm against feminism…what would you keep the children for? So they can get you a glass of water when you're on your deathbed?"
Her opinionated views didn't end there, unfortunately.


Lukyanova slammed people of mixed races, calling them a "degeneration" of beauty.
"For example, a Russian marries an Armenian, they have a kid, a cute girl, but she has her dad's nose. She goes and files it down a little, and it's all good. Ethnicities are mixing now, so there's degeneration, and it didn't used to be like that," she told the publication.
"Remember how many beautiful women there were in the 1950s and 1960s, without any surgery? And now, thanks to degeneration, we have this. I love this Nordic image of myself. I have white skin; I am a Nordic type—perhaps a little Eastern Baltic, but closer to Nordic."


[from uk.eonline.com]