Posts tonen met het label schrijversportretten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schrijversportretten. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

De ondernemer-auteur Clark Accord

Waarom schreef Clark Accord niet over
homoseksualiteit?
door Christine F. Samsom

Afgelopen zondag, elf mei, was het alweer drie jaar geleden dat Clark Accord, de schrijver van een aantal spraakmakende boeken, op vijftigjarige leeftijd overleed. De stichting met zijn naam, de Clark Accord Foundation (CAF), die ongeveer een jaar na zijn dood onder voorzitterschap van zijn zus Mavis Accord werd opgericht, heeft de herinnering aan Clark levend gehouden en in die korte tijd veel werk verzet. Dat kwam tot uiting tijdens de lezing die de neerlandicus Jerry Dewnarain onlangs hield tijdens de ondernemersavond van de KKF en tijdens de Clark Accord-lezing door de zakenvrouw Karin Refos vier dagen later in Tori Oso.

Elke dinsdagavond worden in het KKF-gebouw lezingen georganiseerd die interessant kunnen zijn voor ondernemers. Jerry Dewnarain, secretaris van de CAF, heeft op zes mei met een powerpoint-presentatie duidelijk gemaakt dat het schrijven en publiceren van een boek of het opzetten van een stichting als de CAF net zo’n onderneming kan zijn als het opzetten van een bedrijf. Hij noemt de doelstellingen van de CAF: aandacht geven aan de literaire erfenis van Clark Accord en jongeren stimuleren om te gaan schrijven. Via de Clark Accord-lezingen, werkt de CAF aan het eerste doel. Het tweede doel probeert de foundation te bereiken door het organiseren van workshops creatief schrijven, presentaties op scholen, lesbrieven, literaire tours voor leerlingen en het houden van de ‘Clark Accord Sori Yu Talenti’-schrijfwedstrijd voor jongeren tussen vijftien en dertig jaar. De eerste wedstrijd resulteerde in 2013 in de bundel Het geheim van Ston Oso en andere verhalen, de titel ontleend aan het winnende verhaal van Hetty Amatodja die onlangs met nieuwe publicaties uitkwam.

Jerry Dewnarain. Foto © Michiel van Kempen

Jerry Dewnarain laat dan het leven van Accord de revue passeren: Als Clark na de middelbare school naar Nederland vertrekt, gaat hij verpleegkunde studeren en daarna visagie, een vak dat zich bezighoudt ‘met het accentueren van de sterke kanten van een gezicht en het camoufleren of corrigeren van de minder sterke kanten’, zegt de vrije encyclopedie ‘Wikipedia’. Is dat niet wat hij ook als schrijver zal toepassen en waaruit zijn ondernemerszin al blijkt? Jarenlang maakt hij als visagist furore in Wenen, de charmante hoofdstad van Oostenrijk en komt de modewereld hem tegen in vooraanstaande bladen als Marie Claire, Elle en Vogue. De koningin van Paramaribo, intussen vertaald in het Engels, Duits, Spaans en Fins, waarvan in 2011 de 31ste druk verschijnt. Dewnarain legt de nadruk op de keuze van Accord voor taboedoorbrekende en maatschappijkritische thema’s in zijn boeken: prostitutie in een preutse, schijnheilige samenleving in zijn eerste roman, een onmogelijk liefdesverhaal in het bos in Tussen Apoera en Oreala (2005) en gokverslaving in Bingo!, zijn derde roman (2007). Het kiezen van herkenbare, boeiende, uit het leven gegrepen thema’s en het gebruik van een eenvoudige, beeldende schrijfstijl verhoogt volgens Dewnarain het leesplezier, het aantal lezers en daarmee de verkoopcijfers, en is dat niet waar het ondernemers om gaat? Blijft één vraag bij mij hangen: waarom schreef Clark Accord - zelf gay - niet over homoseksualiteit om een ander taboe in onze samenleving te noemen?
Terug in Amsterdam legt hij zich via cursussen toe op de schrijfkunst en na veel onderzoek komt hij in 1999 uit met zijn debuutroman die al snel een groot succes wordt:


Op vrijdag negen mei herinnert de voorzitter van de CAF in haar inleiding het vooral jonge gehoor aan de lijfspreuk van haar broertje: ‘Kan niet bestaat niet!’ Osje Braumuller, bigiman fu Tori Oso, geeft aan, hoe Clark, als liefhebber van een bourgondische levensstijl én als ondernemer, heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van het culinair toerisme in Suriname. De monoloog, De gevallen vrouw bestaat niet, door Clark zelf geschreven en ooit uitgevoerd door Helen Kamperveen, wordt in Tori Oso prachtig vertolkt door Renate Galdij onder regie van Michael Austin. Zelfverzekerd, zakelijk, verleidelijk, leidt zij het publiek naar de keynote speech van Karin Refos die onder de titel ‘Jong ondernemerschap in relatie tot vrouwelijk leiderschap’ de Clark Accord-lezing verzorgt (in een outfit die Clark zeker zou zijn bevallen, als hij erbij was geweest). Met verve brengt Karin drie uitgangspunten naar voren voor de jonge schrijvers-in-spe die in spanning de uitslag van de ‘Sori yu Talenti’-wedstrijd nog even moeten afwachten. Voor succesvol ondernemerschap, ... en schrijven is ondernemen..., moet je een aantal zaken goed in de gaten houden: je moet ambitie hebben, de juiste attitude in de omgang met mensen en een goed financieel beheer. Daarnaast moet je maatschappelijk betrokken zijn en je ondernemerschap kunnen combineren met creativiteit. Je moet vasthouden aan je droom, spaarzaam zijn, discipline hebben, je kennis willen vergroten en vooral’... je moet hard werken! KAN NIET BESTAAT NIET! 

woensdag 2 april 2014

Leven en werk van Guillermo Rosario (3)

Libèrta Rosario.
Foto © Michiel van Kempen
Op vrijdag 14 maart j.l. gaf Libèrta Rosario aan de Universiteit van Amsterdam een college in de reeks Caraïbische Dromen van prof. Michiel van Kempen. Haar college ging over het leven en het werrk van haar vader, dichter en prozaschrijver Guillermo Rosario, van wie Libèrta vorig jaar een Nederlandse vertaling uitbracht van diens Papiamentu roman E Rais ku no ke muri. Vandaag deel 3 van haar uitgewerkte collegetekst.





Nr. 12  Guillermo heeft veel geschreven over de opstand van 30 mei 1969. Hij heeft zelfs een nummer van zijn tijdschrift Opinyon daaraan gewijd.
In de jaren zestig was het slecht gesteld met de economie op Curaςao. De prijzen stegen, maar de lonen niet. Hierdoor nam de koopkracht van de bevolking af. Het zware en vuile werk werd voornamelijk door de zwarte bevolking gedaan, vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Veel blanken woonden in afgesloten luxe woonoorden, waar de zwarte bevolking amper mocht komen. Het Papiaments was verboden in de Statenraad. Er waren amper zwarten in de politiek.


Een langdurig arbeidersconflict tussen de directie van Wescar, die verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van de CAO’s, en de Curaςaose Federatie van Werknemers, escaleerde en leidde tot een staking van veel Shell-arbeiders. In de nacht van 29 mei op 30 mei kwamen ongeveer 4000 arbeiders  samen onder leiding van onder andere Wilson ‘Papa’ Godett, Amador Nita en Stanley Brown. Om druk op de Staten uit te oefenen, vertrok de stoet richting Fort Amsterdam. Onderweg begonnen de arbeiders te plunderen en sloten meer mensen zich bij hen aan. Vanaf dat moment was de staking geen arbeidersconflict meer, maar een volksopstand die de politie niet meer in staat was in goede banen te leiden. Toen Wilson ‘Papa’ Godett, leider van de havenarbeiders,  zwaar gewond raakte en twee betogers door politiekogels werden gedood, sloeg de vlam in de pan. Willemstad stond in brand. Er werden op verzoek van het kabinet van gouverneur Nicolaas ‘Cola’ Debrot Nederlandse mariniers ingezet die alles na 24 uur onder controle kregen. Er vielen tientallen gewonden.

Naar aanleiding van de opstand richtten Wilson ‘Papa’ Godett, Amador Nita en Stanley Brown de politieke partij Frente Obrero Liberashon 30 di Mei op. Guillermo is ook lid geweest van die partij. Volgens hem is die opstand erg belangrijk geweest: er vond een mentaliteitsverandering plaats. Vóór 30 mei 1969 waren de beste banen in handen van de blanken, bijna alle hoofden van dienst waren blank en protestant. Daarna zag je overal gekleurde mensen. De wijken, waar vroeger alleen blanken woonden, werden steeds meer bewoond door gekleurde Curaçaoënaars.  

Dat was anders in de tijd dat Guillermo samen met anderen in 1944 de Democratische Partij (DP) had opgericht. De leiding was toen blank. In die periode begon Guillermo serieus te schrijven, voornamelijk in het Papiaments. Eerst voor het partijblad en later ook romans en gedichten. Hij was bezig met zijn roman Pa motibu di mi koló (Door mijn huidskleur) toen hij daarover ruzie kreeg met de DP. Later veranderde hij de titel in E Angel pretu (De zwarte engel).

In de jaren 60 stapte Guillermo uit de DP, die nog erg machtig was. Na de breuk met de DP begon Guillermo met UnPoko. Het was eerst een politiek orgaan en werd daarna een krant. Niemand wilde het drukken. Men was bang voor represailles van de DP. Als je tegen de DP was kon je van alles verwachten, van gevangenisstraf tot werkeloosheid. Guillermo kocht toen een stencilmachine en gaf de krant als stencil uit. Hij onderhield zijn gezin ermee en dertig andere gezinnen leefden van het krantje. Ik kan me herinneren dat wij, de oudste kinderen thuis, elke week moesten helpen met het stencilen, sorteren, nieten en vouwen van de krant. Elke maandag kwam de krant uit in een oplage van 5000 exemplaren. Guillermo verspreidde de krant zelf over het eiland.

Later stopte Guillermo met UnPoko om bij de overheid te gaan werken. Dezelfde overheid die hem jaren had tegengewerkt en twee keer onterecht in de gevangenis had laten belanden. Volgens Guillermo had men hem die baan bij de overheid niet aangeboden om hem tot zwijgen te brengen. Hij heeft 16 jaar in het casino gewerkt, eerst als controleur en daarna als hoofcontroleur van alle casino’s.



Nr13 Respect was een woord dat erg belangrijk was voor Guillermo. Hij was altijd bereid dat te geven, maar wilde dat ook van een ander krijgen. Hij dwong met zijn verschijning veel respect af. Ook wist hij jongeren uit de buurt enthousiast te maken voor zijn projecten. Hij was een soort buurtvader en werd door veel jongeren ook ‘tata’ genoemd. Hij gaf een keer samen met een buurjongen uitleg van zijn spel ‘Ninichibol’ (Knikkerspel) aan de toenmalige gouverneur Ben Leito.


Nr 14 Guillermo was lid van veel commissies en verenigingen zoals van de Commissie Spelling van het Papiaments, mede-schrijver en voorzitter Commissie Vlag van Curaçao, voorzitter Vereniging van Curaçaose Schrijvers, lid van de Stuurgroep ‘Nieuw Beleid’ Eilandgebied Curaçao, vice-voorzitter Comité Herdenking 30 mei 1969.



Nr 15 In 1943 schreef Guillermo zijn eerste roman Un drama den hanchi Punda (Een drama in een steeg in Punda). Hij kwam in conflict met de kerk omdat de twee hoofdpersonen in het boek, een broer en een zus, verliefd waren op elkaar. In 1963 schreef hij E Rosa di mas bunita (De mooiste roos) ter ere van de afschaffing van 100 jaar slavernij (vertaald in het Engels als The most precious rose). Hij droeg het gedicht op aan Tula. Andere titels van zijn boeken zijn : De arbeider uit Klip, Vier Azen, En God heeft jouw kleur, Mijn negerin Papiaments, Liefde en Opoffering (vertaald in het Engels als Sacrifice and Love), Macho, Avonturen van Geinchi, Ik houd van Curaçao.


Guillermo schreef ook toneelstukken: Waarde van een cent, Dit is mijn moeder, Wat een ‘Yaya’(Voedster), De straatveger.  De onlangs overleden ontwerper Oscar Ravelo heeft de meeste omslagtekeningen gemaakt van de boeken van Guillermo. 













[Klik hier voor deel 1 en deel 2 en deel 4]

maandag 31 maart 2014

Leven en werk van Guillermo Rosario (1)

Libèrta Rosario. Foto © Michiel van Kempen
Op vrijdag 14 maart j.l. gaf Libèrta Rosario aan de Universiteit van Amsterdam een college in de reeks Caraïbische Dromen van prof. Michiel van Kempen. Haar college ging over het leven en het werrk van haar vader, dichter en prozaschrijver Guillermo Rosario, van wie Libèrta vorig jaar een Nederlandse vertaling uitbracht van diens Papiamentu roman E Rais ku no ke muri. Vandaag deel 1 van haar uitgewerkte collegetekst.


door Libèrta Rosario


Goedemiddag allemaal,

Leuk dat jullie gekomen zijn bij dit college over Onsterfelijk, mijn vertaling van het boek E Rais ku no ke muri van mijn vader Guillermo E. Rosario en over de persoon Guillermo Rosario.
Ik zal jullie aan de hand van foto’s en verhalen meenemen op een reis door het leven van mijn vader Guillermo met de vraag: Wie was Guillermo Rosario?



Nr. 1 Het beeld dat ik als klein kind van mijn vader had, was dat van een strenge man, die bijna altijd achter zijn typemachine zat te schrijven en die nooit zomaar gestoord wilde worden. De eetkamer was vaak verboden terrein voor ons, zijn kinderen, wanneer hij thuis was. En als je het toch waagde langs te lopen en hem te storen dan moest je hem in ieder geval met drie woorden aanspreken, bijvoorbeeld ‘bon dia tata’, goedemorgen pappa. Ik kan me niet herinneren dat hij ooit hoorbaar iets terugzei. Maar het kon ook zijn dat ik zo snel voorbij liep dat ik geen tijd had om daar echt op te letten.



Nr. 2 Naarmate ik ouder werd, vond ik dat mijn vader toegankelijker werd. Hij had zijn territorium toen ook uitgebreid naar de ‘sala’, de zitkamer. Daar ontving hij zijn bezoek en werd hij ook vaak geïnterviewd. Op zulke momenten en als hij aan de telefoon was, leek hij erg ontspannen en hoorde ik hem soms zelfs hard lachen. De gesprekken gingen meestal over een door hem geschreven artikel, sport of politiek.



Nr. 3 In zijn jonge jaren was mijn vader een goede sporter. Toen hij op Aruba als timmerman bij de Lago werkte, was hij in zijn vrije tijd de ster van de voetbalclub RCA, waarvan hij de mede-oprichter was.


 

Nr. 4 Terug op Curaçao, wist hij als speler met verschillende clubs kampioen te worden, zoals met sportclub Ajax.



 Nr. 5 Ook zijn organisatorisch talent kwam toen steeds meer tot uiting. Zo was hij mede-oprichter van de sportclub Ajax Curaçao en van de sportclubs Curaçao Deportivo en Independiente. Bij de laatste club leerde hij mijn moeder Elsa kennen. Ze vormden samen met Luis Daal, in het midden zittend op de foto, links van mijn vader en Rafael, broer van mijn vader, links staande op de foto, het eerste bestuur van Independiente Sporting Club. Mijn moeder was de eerste vrouw in het bestuur.

[Klik voor deel 2]

zaterdag 29 maart 2014

‘Anansitori zijn niet bedoeld voor kinderen’

Gerrit Barron
Interview met Gerrit Barron

door Jerry Dewnarain & Christine F. Samsom

... een opmerkelijke uitspraak aan het eind van ons interview met de kinderboekenschrijver Gerrit Barron. ‘Anansi is een oplichter, een dief. De tori over hem werden/worden verteld door volwassenen op onder andere ded’oso en zijn bedoeld als agersitori.’ We staan op het punt Tori Oso te verlaten na een twee uur durend interview waar de twee redacteuren van de Ware Tijd Literair hebben geluisterd naar de woordenstroom van deze bekende Surinamer-in-hart-en-nieren.

Vorig jaar vierde Gerrit Barron zijn veertigjarig schrijversjubileum. Wat heeft hem gestimuleerd om schrijver te worden? We hoeven ons interview niet te beginnen met de vraag: ‘Wie’s je vader, wie’s je moeder?’ Hij begint zelf te vertellen: ‘Schrijver word je niet zomaar. Het heeft alles te maken met je wordingsgeschiedenis. De ervaringen om je heen hebben je beïnvloed.’


Hij werd in 1951 geboren in Moengo in een gezin van elf kinderen uit Coroniaanse ouders, met voorouders uit onder andere India en St. Lucia. Zijn vader is werkzaam bij Suralco als security guard en in zijn vrije tijd als landbouwer. Gerrit woont als tiener midden in de ‘apartheid’, de klassentegenstellingen in het bauxietstadje Moengo van de jaren zestig. Daar vertelt hij indringend over. Met het verzet daartegen is zijn nationalistische kijk op de Surinaamse samenleving begonnen. Na het mulo - waar hij kennis maakt met het werk en de persoon van Dobru en waar hij zich al bezighoudt met het schrijven van gedichten, maar ook met toneel, dans en voordracht - vertrekt hij naar de stad om op het Algemeen Pedagogisch Instituut (API) voor onderwijzer te studeren. Hij maakt de grote stakingen van 1973 mee met als dieptepunt de dood van de vakbondsman Abaisa en publiceert in dat zelfde jaar zijn eerste gedichtenbundel, Falawatra.

In 1974 vertrekt hij naar Nederland, haalt er zijn hoofdakte en werkt als remedial teacher. Veel gezinnen verlaten in die tijd vóór de onafhankelijkheid Suriname. Hij merkt hoe de Surinaamse kinderen worstelen met het onderwijs in Nederland. Er zijn geen boeken voor hen. Voor het eerst komt het idee bij hem op om boeken te gaan schrijven voor het Surinaamse kind.


Toch debuteert Barron met poëzie voor volwassenen: Falawatra (1973), Bloeddruppels op mijn kussensloop (1975) en Surinamensje in powesi (1977). Na terugkeer in 1977 komt hij het volgende jaar uit met zijn eerste kinderboek, Een lach en een traan, mede geïnspireerd door de regisseur en poppenkastspeler Henk Zoutendijk. Sinds 1978 schrijft hij voor kinderen en wordt de meest gelezen auteur van Suriname. Een lach en een traan (1978) gaat over het alledaagse leven van kinderen in een gezin, maar Barron beschrijft het verhaal met pedagogisch vermanende vinger, zoals eigenlijk in al zijn kinderboeken te merken is. Het gezin bestaat uit vader Johan, hindostaan, moeder Thea, creoolse (wat nadrukkelijk vermeld wordt) en hun vier kinderen: een meisje van zeventien, drie jongens van respectievelijk vijftien, elf en tien. De jongsten, Harold en Kela, zijn nogal eens ondeugend en halen allerlei kattenkwaad uit. Maar alles komt steeds weer goed, want het is een leuk gezin en bij de Soravasinghs ‘wordt er meer gelachen dan boos gekeken.’

Titri en Toto (1979) is voor kinderen van de laagste klassen die net hebben leren lezen. Het is een verhaaltje over aka, Surinaamse roofvogels. Barron wil hiermee zijn jonge lezers ook bewust maken van de flora en fauna van Suriname. Via de Stichting Kinderkrant verscheen Bij Anoekoe in het dorp (1980). De twee jongens uit Een lach en een traan, Harold en Kela Soravasingh, gaan in het Surinaamse binnenland logeren en beleven er allerlei avonturen. Het is een vlot leesbaar verhaal van 31 bladzijden. De overzichtelijke bladspiegel, de duidelijke letter en niet het minst de tekeningen van Paul Woei maken dit boek aantrekkelijk voor kinderen. Er gingen meer dan 20.000 exemplaren van over de toonbank van winkels naar scholen.

Een boek voor wat oudere kinderen is Barrons Kamla en de vergulde man (1981). Oom Tapi vertelt een fantastisch verhaal aan Kamla en Astrid over de indianen en hun hoofdman Lindo - een vergulde man - en de witte veroveraar Jan Pieter Jansen. De koning is er nog steeds maar heeft zich onzichtbaar gemaakt. ’s Nachts droomt Kamla. Ze wil Lindo zoeken en wordt geholpen door de bakru (geest) Kimpo en heel wat dieren als sneki, owrukuku, aboma, anyumara, aasgier en schildpad.

Avonturen van Kira en Kisa (1984) is bedoeld voor kleine kinderen. In het bos krijgt een kapasi (gordeldier) vijf jongen in het hol van de slang. Als het bos brandt wordt een jong door een roofvogel gevangen, de moeder wordt de prooi van de jager die ook nog twee andere kleintjes vangt en meeneemt. Alleen Kira en Kisa blijven over. Ze moeten zich nu grotendeels zelf redden, graven een groot hol, zoeken eten, enzovoort. Ze proberen de twee gevangen kapasi te bevrijden, maar dat mislukt.

Het geheim van de Goslar (1984) is een spannende detective. Harold en Kela gaan bij hun oom en tante in Paramaribo logeren. Ze leren de stad kennen via een buurjongen Steven. Deze heeft een papier van de kapitein van de Goslar uit 1940. Steven vertelt over het zinken van het schip midden in de Surinamerivier toen de wereldoorlog ook naar Suriname oversloeg. Wat was er allemaal aan boord? Wat had de Duitse kapitein te verbergen? De drie jongens besluiten op onderzoek te gaan. Barron schreef met dit boek een gefantaseerd verhaal dat van historische gegevens gebruik maakt: het is een traditionele detective in Surinaamse setting. Barron verwerkte ook enkele politiek-sociale elementen. De eigen omgeving is natuurlijk iets wat de jeugd aanspreekt.

Het wrak van de Goslar in de Surinamerivier. Foto © Raw Fotografie


Opgevoed met westerse helden als Tarzan en Winnetou uit Amerikaanse kinderboeken en de olifant Babar uit de Franse kinderliteratuur, streeft Gerrit Barron doelbewust naar het creëren van eigen helden met wie Surinaamse kinderen zich kunnen identificeren in het proces van dekolonisering: Boni, Barron, Jolicoeur. Hij ziet het kinderboek als een middel om je eigen identiteit te ontdekken, trots te zijn op jezelf. ‘Daarom’, zegt hij, ‘zijn mijn boeken meer familieboeken, waarin niet alleen kinderen, maar alle gezinsleden zich kunnen herkennen.’ Nationalisme is voor Barron geen gepasseerd station. Daarin heeft Dobru hem geïnspireerd. Wie zijn wij? Kennen we ons land? Harold en Kela, de twee kinderen die in verschillende van zijn boeken voorkomen, brengt hij van het district Saramacca naar de stad: Het geheim van de Goslar, vandaar naar het binnenland: Bij Anoekoe in het dorp en naar Fort Buku in een binnenkort te verschijnen boek.

Behalve in Avonturen van Kira en Kisa gaat het ook in Titri en Toto en Het verhaal van Bati en Dew onder andere over de natuur van Suriname, maar ook saamhorigheid en medeleven spelen een belangrijke rol, zoals ook in De kinderen van Sadoema, waarin bakru-kinderen met een beperking blijken te zijn die hulp nodig hebben. Alle kinderboeken van Barron noemen is ondoenlijk. Het zijn er in ieder geval heel veel! Als extra verrassing geeft hij de laatste jaren bij elk boek een poster cadeau, als alternatief voor de Donald Duck-, Dora- en Assepoester-posters die in zoveel kinderkamers aan de muur hangen. In alles merk je het: Gerrit Barron wil kinderen én volwassenen trots maken op het eigene.

Hij is blij met het jaarlijkse Kinderboekenfestival, al spreekt hij liever van een Kinderfestival met het boek als thema. Bereiken we ons doel, namelijk van het kind een leisibakru maken? En wat doet het Minov? Barron verwijt het Minov een groot gebrek aan visie, het eigene komt in het onderwijs weinig of niet aan bod. In alle landen om ons heen worden kinderboeken van eigen bodem op school gebruikt, in Suriname niet. Het Minov is een conservatief bolwerk, waar teveel mensen zitten die ons onderwijs zien als een verlengstuk van het Nederlands onderwijs. Ten slotte, er is nog zoveel meer te zeggen over deze ‘lusumbe’ (duizendpoot). Zo heeft hij naast zijn bakru om kinderboeken te schrijven, ook spelletjes uitgegeven als Taxibo, die hier spelen. En hij heeft iets met plattegronden en landkaarten, waarin helden van Suriname een speciale plaats innemen en gebergten een nieuwe, Surinaamse naam krijgen. Zijn boodschap geeft hij ook door via zijn radiostation in Moengo, ‘Barrons Omroep Bedrijf’ (BOB).

Voor Barron geldt: ‘Sabi Su’ fosi, bifo yu kari kari ‘I love Su’!

dinsdag 18 maart 2014

Eerbetoon aan culturele voorgangers: Pater Paul Brenneker en Elis Juliana

door Ieteke ‘Inchi’ Witteveen

Verzamelen, bewaren, documenteren en overdracht van kennis van ouderen, het bestuderen van de geschiedenis en geheugen van onze mensen van binnen uit. Alleen op die manier kan de gedachtenwereld van onze bevolking begrepen worden. 
Paul Brenneker, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 

Dé pioniers voor deze grote culturele taak op Curaçao zijn ongetwijfeld Pater P.H.F. (Paul) Brenneker (1912–1996) en Elis Juliana (1927-2013). In het kader van de viering van Kulturismo 2009 zette de Fundashon National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM). samen met APNA de schijnwerpers op deze grondleggers van cultureel onderzoek en van de nationale collectie cultureel erfgoed. Dat gebeurde via een expositie Altá di Kòrsou, over de voornaamste altaren van Curaçao een publicatie Altá i Santunan di Kòrsou en de onthulling van een naambord op de patio van het gebouw waar NAAM is gevestigd, bekend als de oude leeszaal.

Paul Brenneker, een bevlogen katholieke geestelijke van de Orde van Dominicanen, geboren op 7 mei 1912 in Limburg, liet bij zijn overlijden op 7 februari 1996, een grote culturele erfenis achter: ruim honderd publicaties, prenten, foto’s, gedichten, een grote collectie met geluidopnames van zang en verhalen en duizenden artefacten, die hij samen met zijn vriend Elis Juliana vanaf de jaren vijftig verzamelde op Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Maarten, St. Eustatius en Saba. Door publicaties als Lekete Minawa (1958) Benta - oude liederen- (1959), Curaçaoensia – volkskundige aantekeningen over Curaçao (1961), Brua (1966), en de tien delen Sambumbu (1969 -1975) geeft hij ons toegang tot directe bronnen voor nader onderzoek. Naar de ontwikkeling van Guene bijvoorbeeld als voorloper van het Papiamentu, naar volksreligie en verzet tegen de slavernij. Of voor het opdoen van inspiratie voor artistiek werk, zoals musici als Angel Salsbach, Etzel Provence in de jaren zestig, gevolgd door Ronchi Matthew tot Izaline Calister voor het scheppen van Curaçaose jazz. Brenneker combineerde zijn liefde voor de lokale cultuur met naastenliefde. Dat laatste maakte hij duurzaam via de stichting voor daklozen (Stichting Kas Pa nos Tur) en broodlozen (Stichting Pam Pa mi Ruman). 

Elis Juliana, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 


Elis Juliana werd op 8 augustus 1927 in Nieuw Nederland, tussen de Oranjestraat en Penstraat, geboren. Het was de tijd dat Shell migranten uit het hele Caribische gebied naar Curaçao bracht. De radio deed zijn entree, de showbizz en het verenigingsleven vierden hoogtij. Geconfronteerd met de veranderingen van de moderne tijd ging de jonge Juliana op zoek naar de eigen identiteit, die van zichzelf en die van het Curaçaose volk. Hij begon als voordrachtkunstenaar. Al spoedig ontpopte hij zich als een artiest van velerlei kunnen, - dichter, verteller, tekenaar, beeldhouwer, verhalenschrijver - , maar hij begaf zich ook op het pad van onderzoeker naar de eigen cultuur. Wat begon uit nieuwsgierigheid en om inspiratie op te doen voor verhalen en voordrachten, groeide uit tot een passie: het bezoeken van ouderen als bron van informatie en kennis. Daarbij ontmoette hij Paul Brenneker. Door hun verschillende culturele achtergrond, - een Curaçaose volksjongen en een Limburgse priester - , vulden ze elkaar bij dit etnografische veldwerk voortreffelijk aan. Elis Juliana kan bogen op een lijst van ruim 50 publicaties, waaronder zijn eerste dichtbundel Flor di datu, ziin verhalen als Wazo riba ròndu (1967, 1981, 1988), Guia Etnológiko I, II, III en zijn filosofie OPI I, II, III, IV, Organisashon Planifikashon Independensia (1979, 1980, 1983, 1988).

De grote verdienste van het onderzoek van Brenneker en Juliana is dat zij de cultuur van de jaren van voor en tijdens de modernisering in de twintigste eeuw op een systematische wijze hebben gedocumenteerd. Ze verzamelden een onvervangbare schat aan informatie met een rijkdom aan gegevens uit de orale geschiedenis, maar ook vele objecten, als getuigenis van de materiële culturele erfenis. Die objecten variëren van huisgerei, documenten, religieuze objecten tot muziekinstrumenten en kunst. De collectie zelf is in 2001 officieel overgedragen aan de Fundashon NAAM. Een representatief deel daarvan is ten toon gesteld in het Curaçaos Museum en Museo Tula en vanaf 17 september tot 12 februari 2010 in de expositie Altá di Kòrsou, bij NAAM.

Wat nog onvoldoende aandacht heeft gehad is de unieke verzameling van 1400 liederen, muziek en verhalen die Brenneker en Elis Juliana in de jaren vijftig, zes jaren lang op eigen kracht en met heel veel inzet hebben verzameld en dat in 1975 is overgedragen aan de Fundashon Zikinza, toen ondergebracht bij het Centraal Historisch Archief aan de Roodeweg. Angel Salsbach, initiatiefnemer en secretaris van Fundashon Zinkinza, memoreerde hun werk bij de opening van het documentatiecentrum Zikinza in 1975 aldus:
Curaçao. Foto © Bea Moedt

“Seis aña largu Elis i Brenneker a kana ku aparatonan primitivo, riba nan mes forsa sin medionan finansiero nesesario i kolektá e herensha kultural di e masa di pueblo Antiano ku tantu a wòrdu kritiká den “El Curaçao que se va”.
E prome kontako tabata ku Iya di Wanota ku e tempu ei, esta mas ku 10 aña pasá, tabatin 80 aña di edat. Mulando su maishi chikitu riba un piedra el a kanta e prome kantika “Zuntan, zuntan zun klintan”. Despues a tumba pa Seru Fortuna i otro luganan na Kòrsou i Boneiru. E kamindanan tabata kamindanan di problema, pasobra ta kon ta kanta un kantika di rema boto, planta maishi, kap palu, koba buraku sintá den un stul di zoya den kas o riba un banki pariba di kas? Hopi biaha un pal’i basora ku a funkshoná komo rema, chapi o piki a sirbi komo yabi pa habri porta di kanto. Pero hopi biaha tambe mester a bai kas i bolbe bèk despues ora machi o pachi su kurpa tin mas grasia.” (uit: na Apertura di Sentro di Dokumentashon Zikinza, Angel Salsbach, 7 di februari 1975)


De serie ‘Het Nationaal Museum vormen we tezamen’ verschijnt ook in Extra en The Daily Herald. Reacties op en suggesties voor bijdragen zijn van harte welkom. U kunt National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM) bereiken op het Johan van Walbeeckplein 13, telefoon (09) 462 1933, fax (09) 462 1936, e-mail: info@naam.an, website www.naam.an

[van de website van NAAM, 19-09-2009] 

dinsdag 21 januari 2014

Hitblog Boekface wil boekenwereld ondersteunen

Jorge Amado, Boekface door Vera de Kort

Maak een foto met een boek voor je kop. Dat is in het kort het idee achter de Nederlandse hitblog van Vera de Kort
Humberto Tan. Boekface door Andro Bottse

door Sabine Kok

In februari 2013 ging Boekface van start, nadat De Kort een foto van zichzelf had gemaakt op een strand in Bonaire. Ze poseerde daarop met het door haar zus Maartje de Kort uit het Portugees vertaalde boek Gabriela van de Braziliaanse auteur Jorge Amado. Haar broer, die de foto per mail onder ogen kreeg, reageerde met: ‘Boekface!’

Albert Helman. Boekface door Michiel van Kempen

In februari verspreidde  De Kort de eerste foto’s via Twitter (@boekface). Inmiddels heeft ze  er honderden van over de hele wereld ontvangen, onder meer met boekfaces van de covers van Knausgård en John Williams’ Stoner. De foto’s verzamelt ze op Boekface.wordpress.com en op de gelijknamige Facebookpagina.

De Kort wil naar eigen zeggen met Boekface volwassenen en kinderen aansporen een boek op te pakken. Daarom zoekt ze bij ieder boekface een recensie. ‘Het is Boekface erom te doen de Nederlandse boekenwereld te ondersteunen’, aldus De Kort op haar blog. ‘Bij Boekface gaat het vooral om Nederlandse literatuur of naar het Nederlands vertaalde literatuur, samen met de geboekfacete en zijn/haar boek.’

Don Martina. Boekface door Eduard de Kort


Landelijke kranten Telegraaf, AD, NRC en de Volkskrant besteedden inmiddels aandacht aan het Boekface-fenomeen en Van Dale koos het woord ‘Boekfacen’ op 11 september tot woord van de dag. ‘Alleen al het woord boekface heeft alles in zich om een begrip te worden’, aldus Van Dale. ‘Een begrip à la planking, owling en natuurlijk catbearding, woorden voor hypes die eerder al internationaal aansloegen.’
Clark Accord. Boekface door Liesbeth Accord

Makkelijk is het trouwens niet om het eigen gezicht vloeiend in een cover te laten overgaan. De Kort op NRC.nl: ‘Ik verbaas me erover hoeveel moeite mensen doen om die perfecte passende foto te maken. Een meisje twitterde laatst een foto met de tekst ‘na 100 pogingen is het gelukt’.

Zie ook (tevens voor diegenen die zelf een Boekface willen inzenden):

Diana Lebacs. Boekface door Elvy Anneroos


Robert Vuijsje. Boekface door Ivon Verhoeven
[de tekst is ontleend aan Boekblad, 16 september 2013]



Diana Lebacs, Boekface door Daan

vrijdag 17 januari 2014

Herinneringen aan Rolf van der Marck

door Jan Gajentaan

Vandaag is het precies een jaar geleden dat de in Suriname wonende Nederlandse “pensionado” en publicist Rolf van der Marck (1935-2013) plotseling kwam te overlijden. Zijn kritische pen wordt node gemist.
Rolf gaf op veel zaken commentaar en deed dat – zo bleek achteraf – niet alleen onder eigen naam, maar ook onder pseudoniemen zoals Janus Miraculus, Edgar Mampier, Jodocus Treffers, Joshua Taytelbaum, Stanley Li A Pau, John Sterkendam of Jules Koningverander.
Rolf van der Marck

Amsterdam, jaren zeventig
Voor mij is hier een bijzondere geschiedenis aan verbonden. Ik kende Rolf persoonlijk, maar realiseerde mij dat pas nadat hij was overleden. In de jaren zeventig was mijn vader in Amsterdam bevriend met de uit Roermond afkomstige Rolf. Mijn vader was dierenarts en Rolf werkte toen bij een uitgeverij. Rolf woonde met zijn charmante vrouw Trees en hun twee zoons in Amsterdam-Zuid, niet ver van mijn ouderlijk huis. Ik was van dezelfde leeftijd als Rolfs oudste zoon en kwam vaak bij hen thuis om te spelen. Het gezin herinner ik mij als sociaalvoelend, progressief en kunstzinnig.
Het was voor ons dan ook een grote schok, toen Rolf op enig moment zijn gezin verliet omdat hij had gekozen om samen te leven met een man. Zijn vrouw en kinderen zijn toen, als ik me dat goed herinner, elders gaan wonen. Ik heb ze nooit meer gezien. Rolf kwam daarna, in de late jaren zeventig, nog wel eens bij mijn ouders over de vloer. Ik herinner me hem als een erudiete en energieke man met een duidelijke mening. Sindsdien heb ik Rolf nooit meer ontmoet.

Kritische geest
Toen enkele jaren geleden een artikel over mij verscheen op GFC Nieuws van ene Rolf van der Marck, waarin ik flink werd aangepakt (hij vond mij niet kritisch genoeg over Bouterse en Brunswijk), dacht ik meteen terug aan de Rolf die ik kende. Ik schoof die gedachte snel terzijde: ik kon me niet herinneren dat de naam Van der Mark met een c werd geschreven (Marck) en ik wist niets van een vertrek van “onze” Rolf naar Suriname. Het kon niet dezelfde persoon zijn, dacht ik.
De publicist Van der Marck kwam op mij over als een Hollandse brombeer die heel wat te mopperen had over Suriname, maar hij deed dat op een originele wijze. Hij schreef onder meer over de verloedering van het cultuurgoed, over de soms gemakzuchtige houding van de overheid en over dubieuze onderwijsinstellingen op de vrije markt. Hij was sterk anti-Bouterse. Toch proefde je aan zijn stukken, dat hij opkwam voor de Surinaamse mens en het niet kon verdragen wanneer die mens zonder respect behandeld werd.
Zijn kritische houding werd niet door iedereen op prijs gesteld. Misschien was hij daarom ook genoodzaakt om onder pseudoniem te schrijven. Zo kreeg hij het aan de stok met Hubert Rampersad, die een kort geding tegen hem begon. Er kwamen ook persoonlijke aanvallen op Rolf, die op internet valselijk beticht werd van pedofiele praktijken. Ismene Krishnadath van Schrijversgroep ’77 probeerde hem in diskrediet te brengen op grond van die valse beschuldigingen.
In de laatste weken voor zijn dood, hadden we contact via Facebook en wisselde ik berichten uit met Rolf over zaken zoals cultuur, literatuur en politiek. We hadden vaak een vergelijkbare denkrichting. Zo stoorden we ons allebei aan sommige columns van Sandew Hira en diens Holocaust-vergelijkingen over het koloniaal verleden. Het kwam op ons niet “kosher” over om het leed van de ene groep uit te spelen tegenover de andere. In Rolf’s laatste artikel op GFC Nieuws ging hij stevig te keer tegen Sandew Hira, die hij een heksenjacht tegen het zionisme verweet.

Pas toen op zijn website SurinameStemt het overlijdensbericht verscheen en ik de namen van zijn zoons in Nederland zag staan, realiseerde ik mij dat de publicist Rolf van der Marck één en dezelfde persoon was als de Rolf die ik gekend heb in mijn jeugd. Toen begreep ik ineens hoe het kwam dat sommige critici van SurinameStemt (alter ego’s van Rolf zelf) heel wat van mij wisten, zoals het optreden van mijn grootvader vroeger als Sinterklaas, bij de intocht van Amsterdam.
Met Rolf en zijn leger aan pseudoniemen zijn in één klap heel wat critici heengegaan. Ik hoop dat zich de komende tijd veel nieuw Surinaams schrijftalent zal manifesteren, niet alleen met romans en gedichten, maar ook met kritische stukken in de media. Rolf zou er blij mee zijn. Ik herdenk hem als een creatieve geest, misschien soms onbegrepen, met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid.


[van GFC Nieuws, vrijdag 17 januari 2014]

zondag 29 december 2013

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (6 en slot)

door Coen Verbraak


Familie Flodder


White trash

De hoofdfiguur in Badal is van plan een essay te schrijven over de politieke verwording van Nederland, en de verwildersing van normen en waarden. Dat ging evenzeer op voor Ramdas. Op de Belgische website De Buren schreef hij in september 2010 een fel epistel tegen wat hij white trash noemde. ‘Kijk nu eens naar het Nederland van vandaag. Lees de reacties van lezers bij artikelen in De Telegraaf. Zie het aanbod op de Nederlandse televisie, die wordt gedomineerd door de commerciëlen. En zie de aanhang van de PVV, die almaar groeit, en nu al staat op meer dan twee miljoen. Die Hollanders die in eigen huizen wonen en een eigen auto hebben en met vakantie kunnen, zijn voor een groot deel white trash. Het zijn tokkies, het zijn families Flodder, met achterlijke ideeën en onbeschofte omgangsvormen. Wat kun je anders zeggen van de meesteTelegraaf-lezers, SBS-6- en RTL-kijkers en PVV-stemmers, dan dat ze boers, onbehouwen, ruw, plat, vulgair, ordinair en ongemanierd zijn?'
Joost Zwagerman. Foto @ ANP

Vijf dagen later werd er op diezelfde site op het stuk gereageerd door Joost Zwagerman. ‘Anil Ramdas, die in de jaren negentig de gewoonte had achter iedere boom een fascist te ontwaren, bereikt in dit stuk nieuwe dieptepunten – zelfs voor zijn doen. Ramdas zet alle stemmers op Geert Wilders weg als “achterlijk” en inferieur. Natuurlijk. Dat zich links noemende intellectuelen de gemiddelde Jan Modaal als “achterlijk” wegzetten, gebeurt niet voor het eerst. Hoezo, opkomen voor de onderklasse? Maar zelden gebeurde het zo haatdragend als bij Ramdas. Wie maar lang genoeg door types als Ramdas voor achterlijk wordt uitgescholden, wendt zich uiteindelijk tot Wilders. Anil Ramdas is geen haar beter dan de man wiens ideeën hij wenst te bestrijden. Sterker: hij is erger. Verblind door withete haat jegens white trash meent hij dat anderen hem hierom vooruitstrevend zullen vinden. Die taxatiefout zal zelfs Wilders niet maken.’

Ramdas en Zwagerman hadden in 1997 al eens hard gebotst, nadat Ramdas in NRC Handelsblad kritiek uitte op de manier waarop Zwagerman in De Buitenvrouw een zwarte lerares neerzette: ‘Iemand met de mentaliteit, de denkwijze en het taalgebruik van een zwarte bediende of een zwarte hoer.’ ‘Een pijnlijk misverstand,’ aldus Joost Zwagerman. ‘De inzet van het boek was juist om de zelffelicitatie van mensen die beweren vrij te zijn van xenofobie aan de kaak te stellen. Ramdas stelde mij klakkeloos gelijk aan de hoofdpersoon. Alsof ík een racist zou zijn. Dat vond ik uitermate vervelend. Die white trash-column was in feite een herhaling van 1997. Ik vond het een zeer destructieve bijdrage aan een zinvolle discussie: hoe gaan we om met de PVV.’

Ramdas reageerde direct daarna: ‘Eerlijk gezegd had ik op Joost Zwagerman, een mastodont in kringen van White Trash, niet gerekend. Hij kwam als een geschenk uit de hemel.’ Zwager man schreef het voorjaar daarop, na het verschijnen van Badal, een vlammend opiniestuk in de Volkskrant. ‘Badal is het hele boek lang nijver bezig aan “een belangrijk essay over white trash”. Alleen al dit voornemen tot het schrijven van “een belangrijk essay” maakt Badal tot een potsierlijke hoofdfiguur en Ramdas tot een schertsfiguur. Hij is hoe dan ook geen echte schrijver. Hij imitéért er hoogstens een.’

Zwagerman is achteraf bepaald niet trots op de polemiek. ‘Door wat er nadien is gebeurd, komt alles in een heel ander, tragisch licht te staan. Natuurlijk zit het me dwars. Als ik had geweten hoe zijn geestestoestand toen was, dan had ik het laten rusten. Hij was niet meer de man met dezelfde wapenuitrusting als voorheen. De ironie wil dat ik de polemiek voerde op het moment dat het ook met mij niet goed ging. Daar zit toch een verontrustende parallel in.’

Theo van Gogh

Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad: ‘Ik heb het altijd jammer gevonden dat deze twee generatiegenoten zo enorm met elkaar gebotst hebben. Als ik zijn columns las, dacht ik soms ook: kom, Anil, een beetje minder mag ook. We zitten toch nog niet helemáál in het land van de stampende laarzen. Hij leed aan de tijd, aan de keiharde polarisatie. Beschreef hij dat hij op de avond van de moord op Theo van Gogh op de Dam een klap van een omstander had gekregen, dan verscheen er meteen een stuk van Max Pam dat dat wel gelogen zou zijn. “Lompheid als morele deugd”, zoals Buruma dat noemde, was aan Anil niet besteed.’ 

En toch kan het belang dat Ramdas had voor jonge allochtonen nauwelijks overschat worden, vindt De Jong. ‘Voor veel Surinamers was Anil hét voorbeeld van een geslaagde landgenoot. Een man die iemand gewórden was.’Sheila Sitalsing: ‘Suriname is net een dorp; als een Surinamer elders in de wereld beroemd wordt, dan is dat een gebeurtenis. Maar er was ook inhoudelijke waardering voor zijn schrijverschap, voor het feit dat hij dingen zo goed kon verwoorden. Aan de andere kant kon Anil ook heel scherp zijn over Suriname. Hij wist feilloos bloot te leggen wat er allemaal niet aan het land deugde. Daar kunnen Surinamers niet zo goed tegen. Die directheid is vrij on-Surinaams. Dat leverde hem felle kritiek op. Maar hij bleef een grote zoon van het land, die het in het grote boze Nederland toch maar mooi had gemáákt.’’

Dat tinkelende

Ramdas’ gezondheidstoestand verergerde in het najaar van 2011. Hij was al meermalen gedotterd wegens hartklachten, en zijn conditie was nadien steeds verder verslechterd. De laatste keer dat Stephan Sanders hem zag, was op de begrafenis van Ramdas’ vader, in oktober 2011. Sanders schrok van het weerzien. ‘Anil zag er erg slecht uit: mager, ingevallen. De dag erna heb ik hem gebeld: “Je zag er zo verzenuwd uit. Was je soms dronken?’” Kort daarna belde hij op: “Stephan, we moeten Het blauwe licht weer gaan maken. Dan wordt het weer net als vroeger.” Een echte wanhoopskreet: laten we doen alsof er niets gebeurd is en teruggaan naar toen het nog goed was. Ik zei: “Nee, Anil, dat kan niet meer. Dat is geweest.”’

Zijn programma ZOZ werd ondertussen nog wel steeds uitgezonden. Ramdas schreef begin februari 2012 aan VPRO-directeur Karen de Bok dat hij zelfs nieuwe televisieplannen had: ‘Een prachtige brief, eigenlijk heel optimistisch. Ik had toen helemaal niet in de gaten dat het zo slecht met hem ging.’ Al vond ze het wel raar dat Ramdas de afspraak die ze met hem maakte om over het nieuwe programma te praten op het allerlaatste moment afzegde. Zijn moeder lag in het ziekenhuis. Vandaar. ‘Maar het werd pas echt vreemd toen ik hoorde dat hij op de redactie had verteld dat ík de afspraak had afgezegd, omdat míjn moeder ziek was.’

Suzanne Holtzer van De Bezige Bij zag wel dat Ramdas het moeilijk had. ‘Hij schreef me kort voor zijn dood hoe zwaar de opkomst van Wilders en de slechte ontvangst van zijn boek op hem drukten. Ik zag dat hij onthecht raakte. Dat tinkelende wat hij ooit had, was weg. Hij was een angstige man geworden. De emoties hadden zijn ratio overgenomen. Maar ik bleef hopen dat hij zichzelf kon herpakken.’ Holtzer maakte zich grote zorgen toen Ramdas begin februari 2012 op de nieuwjaarsreceptie van De Bezige Bij verstek liet gaan. Al hield ze met het allerergste toch geen rekening. ‘Dat einde van Badal die de zee inloopt en verdrinkt, vond ik juist nog zo prachtig. Ik heb werkelijk geen seconde gedacht dat hij dat ook zo zou doen.’

Anil Ramdas in De Balie

‘Wóédend. Ik was wóédend op hem,’ zegt Stephan Sanders, op een manier waarbij de ontzetting nog altijd voelbaar is. ‘Ik dacht: mijn God, Anil, hoe is het mogelijk dat jij, uitgerekend jij, een punt achter alles hebt gezet. Je wist zo goed wat de fuiken zijn voor de Hindoestaanse man. En je loopt er godverdómme zelf in. Ik had er verschrikkelijk last van. Hij spookte in mijn kop. Twee, drie maanden na zijn dood had ik zelfs het idee dat ik ’m hóórde: “broertje, broertje…” Als ik in de supermarkt een biefstuk kocht, hoorde ik Anil zeggen hoe ik ’m het beste klaar kon maken. Toen ben ik over hem gaan schrijven. Om het te bezweren.’ Inmiddels is de boosheid bij Sanders geweken. ‘Zijn dood leek alle mooie herinneringen bezoedeld te hebben. Nu is er vooral verdriet om het gemis. Inmiddels ben ik onze vriendschap weer aan het opdelven. Ik probeer me weer dat daverende begin te herinneren. Ik ben meer dan ooit doordrongen van het besef dat ik een heel, heel bijzondere man gekend heb.'

zaterdag 28 december 2013

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (5)

door Coen Verbraak

Ramdas bij een AT5-opname
Neurotische man

Pieter Hilhorst logeerde een paar weken bij Ramdas in Delhi. De herinneringen aan dat verblijf vindt hij dik tien jaar na dato nog steeds beklemmend. ‘Ik voelde daar zijn eenzaamheid zo enorm. Het ritme van zijn dag werd door het drinken bepaald. ’s Ochtends was hij chagrijnig omdat hij nog niet gedronken had. Dan gingen de flessen open en kwam hij ’s middags langzaam tot leven. Dan filosofeerde hij over de wereld, zoals ik hem kende. En later op de dag was hij voornamelijk onvoorspelbaar, vanwege de drank. Onze vriendschap is daar echt veranderd. Ik ging na afloop heel verdrietig naar huis.’

In India kwam Ramdas bovendien tot een pijnlijke vaststelling: hij hoorde daar niet thuis. Net zomin als in Nederland of in Suriname. Stephan Sanders: ‘Hij ging van Suriname via moederland Nederland naar het nog grotere moederland India. Daar ontdekte hij dat hij toch vooral Nederlander was. En in Nederland zagen ze hem juist weer als een Surinamer. Terwijl ze hem in Suriname als Nederlander zagen. De conclusie was dat hij nergens bij hoorde.’

‘Wat is de beste plek om te wonen?’ werd hem bij zijn terugkeer door HP/De Tijdgevraagd. Ramdas: ‘Niet op deze aarde. Ik ben zo’n beetje overal geweest en voel me nergens thuis.’

India is in retrospectief een kantelpunt in Ramdas’ leven. ‘Toen hij terugkwam, zag ik een andere man,’ omschrijft Stephan Sanders de verandering. ‘Dat jongetje met die aanstekelijke bravoure was verdwenen. Er was een aan zichzelf twijfelende neurotische man voor in de plaats gekomen.’

Terwijl Ramdas in India zat, veranderde in Nederland het politieke landschap drastisch. Na de moord op Pim Fortuyn was ‘links’ niet langer en vogue. ‘Politiek correct’ was een scheldwoord geworden. Maar waar de krantenlezer in Nederland langzaamaan wende aan de felle toon van het maatschappelijk debat, had Ramdas op dat vlak in Delhi een aanzienlijke informatie- en ervaringsachterstand opgebouwd. Bij terugkomst op Schiphol, in 2003, was Nederland onherkenbaar veranderd. Ze waren het hem alleen vergeten te vertellen.

Pim Fortuyn bekogeld


De eerste dag na terugkomst uit India had Ramdas een ontmoeting met Suzanne Holtzer, zijn vaste redacteur bij De Bezige Bij. De jetlag hing nog als een klamme deken om hem heen, herinnert Holtzer zich. ‘Het was net alsof hij niet helemaal teruggekomen was, alsof hij ergens halverwege was blijven hangen tussen droom en werkelijkheid. Ik denk ook dat hij daar het meest thuis was. In zijn verbeelding was hij het dichtst bij zijn dromen.’


Diep gekrenkt

In 2003 werd Ramdas directeur van De Balie in Amsterdam. Tot verbazing van de mensen om hem heen. ‘Anil hoorde daar op het podium te staan, maar was totaal geen man om er directeur te zijn.’ Het ging al snel mis. De Balie leed grote verliezen. Bovendien werd Ramdas’ drankprobleem ook voor de buitenwereld steeds meer zichtbaar. In december 2003 leidde Ramdas een debat met Edward Said. Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad was erbij en zag met eigen ogen hoe de avond pijnlijk uit de hand liep. ‘De zaal was bomvol. Anil was duidelijk aangeschoten. Hij kwam het toneel op met flessen wijn, waar hij als enige van dronk. Je zág het fout gaan. Er bouwde zich in die zaal voelbare agressie op tegen Anil. Opeens sprong er een jongen op de vloer die riep: “Wie zijn geld terug wil, moet mij maar volgen naar de kassa.” Echt een rebellie tegen Ramdas. Er zat ook iets in van: “We zullen die modelallochtoon nu eens even goed aanpakken! We geven hem een koekje van eigen deeg.”’ Ramdas erkende achteraf schuldbewust zijn fout. Maar van terugbetaling van het entreegeld kon geen sprake zijn: ‘Het is hier geen no cure, no pay.’


De Balie in Amsterdam

Achteraf symboliseerde die avond schril dat Ramdas zijn publiek was kwijtgeraakt, denkt Sjoerd de Jong. ‘Hij was heel lang een intellectuele voorloper geweest. Maar Anil begreep Nederland niet meer. En Nederland begreep hém niet meer. Hij was in de ogen van anderen opeens een vertegenwoordiger van het ancien régime geworden, een achterhaalde politiek correcte betweter. Niet langer de progressieve denker, maar de aangenomen zoon van Ad Melkert.’

De periode bij De Balie duurde amper twee jaar. Uiteindelijk richtten Felix Rottenberg, Chris Keulemans en Pieter Hilhorst een comité op om De Balie financieel te redden. Hilhorst denkt met afgrijzen terug aan die ochtend bij Felix Rottenberg thuis, waarop Ramdas werd meegedeeld dat hij zijn baan kwijt was. Hilhorst en de zijnen dachten nog dat ze een mooie oplossing hadden bedacht: Ramdas zou vertrekken, maar zou wel een opdracht meekrijgen. Hij mocht een groot essay schrijven, in combinatie met een thema-avond in De Balie. Maar Ramdas was geschokt. ‘Anil ontplófte. Hij was echt diep gekrenkt. We hebben het nadien wel bijgelegd, maar dat nam niet weg hoe pijnlijk het op dat moment was.’

Heel statusgevoelig

‘Na De Balie was wel duidelijk wat Demon Alcohol bij Anil aan het aanrichten was,’ constateert VPRO-regisseur Fred van Dijk, merkbaar aangedaan. ‘De gesprekken met Anil werden stroever. We kregen mot, over de kleinste dingen. De laatste keer dat ik hem thuis bezocht, was in 2006. We kregen een discussie over Arnon Grunberg. Hij vond Grunberg geweldig, ik niet. Uiteindelijk riep hij fel: “Ach man, wat weet jij er nou vanaf? Jij kunt helemaal niet lezen!” Toen ik in mineur naar huis reed, kon ik de hele weg alleen maar denken: hoe moet het nou toch verder met deze jongen? Vervolgens heb ik Stephan Sanders gebeld. Die zei: “Je kunt er maar beter verder geen energie meer in steken.” Het is inderdaad de laatste keer geweest dat Anil en ik elkaar gesproken hebben.’


Ramdas begon ondertussen steeds meer aan zichzelf te twijfelen. Hij was zijn baan kwijt, werkte niet meer voor de VPRO en had geen vaste column meer in NRC Handelsblad. Stephan Sanders: ‘Die bravoure van hem was altijd al schijn. Hij is de eerste jaren verbijsterd geweest over hoe goed het met hem ging. Altijd was er het gevoel dat hij balanceerde op ijsschotsen. Hij voelde continu de angst om ontmaskerd te worden. Wat zou er ontmaskerd kunnen worden? Hij kón heel veel. Maar ergens zeurde altijd die gedachte dat het succes hem eigenlijk niet toekwam. Tegelijk was Anil heel statusgevoelig. Toen hij niet meer voor de VPRO werkte en zijn NRC-columns onder druk stonden, ervoer hij dat als een ernstige aantasting van zijn eer en status. Dat-ie niet genoeg meer meetelde. Maar ja, je kunt niet je hele leven veelbelovend blijven.’

Fred van Dijk: ‘Hij was zich gaandeweg ook gaan afvragen of hij eigenlijk wel zijn eigen bron was. Alles wat hij te vertellen had, kwam altijd van anderen. Mijn vrouw en ik noemden hem “onze kleine professor” omdat hij ongelofelijk belezen was. Ik heb hem er altijd om bewonderd. Maar in die tijd vroeg hij zich af of hij vanuit zichzelf eigenlijk wel iets te melden had. Hij vreesde dat dit niet het geval was. We spraken er ooit over of hij niet eens een roman moest schrijven. Maar dat durfde hij niet. Die fundamentele onzekerheid begon steeds meer te knagen.’

Een keerpunt

Die roman kwam er uiteindelijk toch. In 2011 publiceerde Ramdas Badal. Een verhaal over een ooit succesvolle essayist/ programmamaker die uiteindelijk teloorgaat door drank, angsten en depressies. Een man die zich maar niet kan neerleggen bij een politiek klimaat waarin de standpunten van iemand als Geert Wilders breed geaccepteerd zijn geraakt. ‘Hij droomde ervan om nog een aantal meesterwerken te schrijven,’ zegt Suzanne Holtzer. ‘Het liefst iets in de trant van Naipal of Rushdie.’ Ramdas nam het project uiterst serieus. Hij stopte met drinken en huurde een appartement in Zandvoort om in alle rust te kunnen schrijven. ‘Dat boek was voor hem een enorm belangrijke ambitie, hij hoopte dat het een keerpunt in zijn bestaan zou worden.’


Badal verscheen in het voorjaar van 2011. De recensies waren bijna over de hele linie negatief. ‘Meer ambitie dan talent,’ luidde de kop in NRC Handelsblad. Bovendien werd het verhaal van Badal in alle besprekingen één op één geprojecteerd op de schrijver zelf. ‘Met niets en vooral zichzelf niet ontziende eerlijkheid portretteert Ramdas in de persoon van Harry Badal vooral zijn eigen persoon,’ schreef John Jansen van Galen in De Groene Amsterdammer. ‘Rest de vraag wat hem bezielt om zo’n ontluisterend zelfbeeld te publiceren. Het is alleen te verklaren uit de neiging tot zelfdestructie die alcoholisten eigen is.’

Suzanne Holtzer kan er nóg kwaad om worden. ‘Badal gaat over de neergang van iemand die ooit succesvol was. Dat werd uitgelegd als de neergang van Anil zelf. Dat is volgens mij echt de ziekte van deze tijd. Het boek werd niet gelezen als kunstwerk maar als de autobiografie van Anil Ramdas. Zeer ten onrechte. Want hoe kan iemand met wie het kennelijk net zo slecht gaat als met Badal anders zo’n sterk boek schrijven?’ Toch zijn de overeenkomsten tussen Badal en Ramdas treffend: Badal heeft óók een drankprobleem, heeft eveneens een Den Uyl-lezing gehouden, en is net als Ramdas ooit Zomergast geweest. Ramdas sprak de overeenkomsten in interviews ook niet tegen. ‘Alleen heb ik natuurlijk nooit zelfmoord gepleegd, zoals Badal.’

[wordt vervolgd]



Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (4)

door Coen Verbraak

Nieuw-Nickerie. Foto © Bram T.
Ramdas ging voor de VPRO ook documentaires maken. Samen met regisseur Fred van Dijk reisde hij naar Suriname. Ze namen hun intrek in hotel Torarica, het duurste hotel van Paramaribo. Want reizen met Ramdas betekent per definitie: logeren in luxehotels. Van Dijk was er aanvankelijk stomverbaasd over. ‘Ik vroeg me af hoe hij dat toch voor elkaar kreeg. Maar hij zei gewoon tegen de VPRO: “Luister, dat is het enige hotel in Suriname waar ze altijd stroom hebben. Dus dáár gaan wij zitten.” Prinsjesgedrag was hem niet vreemd. Voor de research liet hij alle mensen die hij wilde spreken een voor een naar het terras van het hotel komen.’

De tocht door Suriname resulteerde in de vierdelige documentaire Een Surinaamse ballade. Van Dijk: ‘In Nickerie filmden we een oud schoolvriendje van hem. Die man was boer geworden en leefde nog precies zoals dertig jaar daarvoor. Op dat moment realiseerde Anil zich hoe enorm hij zichzelf eigenlijk ontwikkeld had.’ Het mooiste moment was volgens Van Dijk een scène die hij draaide in een bibliotheek. Ramdas was er op dat moment even niet bij. Van Dijk filmde een jongetje dat boeken uitzocht. ‘Hij draaide zich heel even om, keek in de camera en ging weer verder. Toen ik dat in de montage aan Anil liet zien, raakte hij diep ontroerd. Hij herkende dertig jaar later exact de situatie. ‘Zo zat ik daar ook ooit. Je hebt eigenlijk mij gefilmd.’

Perskaart van Ramdas als jong journalist


Stevig alcoholgebruik

Tussen 1997 en 2000 maakte Ramdas met Stephan Sanders het mediaprogramma Het blauwe licht. De samenwerking tussen Sanders en Ramdas was ongewoon intens. ‘We leefden met elkaar, woonden met elkaar,’ zegt Sanders. ‘Onze vriendschap werd daar gesublimeerd. Alsof de televisie het hogepriesterschap van onze vriendschap was. We vierden ’m en offerden ’m.’ Dat ging na afloop van de uitzendingen gepaard met stevig alcoholgebruik. Met name Ramdas had al snel de naam dat hij op dat vlak mateloos was. Het liep soms zodanig uit de hand dat studio De Plantage het programma de toegang dreigde te ontzeggen.

‘Die drank was ook onderdeel van hoe zij hun vriendschap beleefden,’ zegt Pieter Hilhorst, destijds redacteur van Het blauwe licht (en sinds kort wethouder in Amsterdam). ‘Alles was daar nou eenmaal heftig aan.’ Hilhorst bewaart ‘ongelofelijk goede herinneringen’ aan Het blauwe licht. ‘Anil en Stephan leerden je kijken naar de wereld. Op een heel persoonlijke manier analyseerden ze televisiebeelden, die daardoor nieuwe zeggingskracht kregen. Anil was gespreksleider, Stephan bracht de dingen in die we als redactie hadden bedacht. Dat was een ongekend goede combinatie. Ik was jaloers op hun vriendschap.’

Ellen Jens: ‘Die vriendschap was onvoorwaardelijk. Iets waar romans over geschreven worden. Ze hielden van elkaar, maar ze waren ook voortdurend in heftige competitie verwikkeld. Tijdens het afscheidsetentje na de laatste uitzending kregen ze slaande ruzie. Daarna hebben ze elkaar ook heel lang niet gezien.’

Anil Ramdas in India. Foto ©Fred van Dijk


Een fuik van eenzaamheid

Na Het blauwe licht bood NRC Handelsblad Ramdas de baan aan waar hij altijd van had gedroomd: een correspondentschap in India. Hij vertrok in 2000 voor drie jaar naar New Delhi. Maar het verblijf in India viel hem niet mee. In 2003 zei hij in Vrij Nederland: ‘Ik dacht: als je eenmaal in India woont, heb je het land zo in je vingers. Vergeet het maar. Dat grote verhaal waarin ik even een allesomvattend oordeel zou vellen waar heel Nederland van achterover zou slaan, kwam maar niet. Toen ik over mijn eerste hyperventilerende opwinding heen was, realiseerde ik me: maar je bent ook geen Jan Romein of Huizinga. Pas na een half jaar ontdekte ik dat je ook zijdelings kunt kijken, via kleine dingen grote zaken aan kunt kaarten.’

‘Over de invulling van zijn correspondentschap werd op de redactie verschillend gedacht,’ zegt Juurd Eijsvoogel, destijds lid van de hoofdredactie van NRC. ‘Anil was niet primair op nieuws gericht. Een directe reportage, zonder extra laag, was niet aan hem besteed. Je moest hem echt porren om verslag te doen van eengewone aardbevingsramp. Uiteindelijk was hij meer essayist dan journalist.’
Dat jongetje met die aanstekelijke bravoure was verdwenen
Pieter Hilhorst: ‘Voor een deel betekent een correspondentschap: op dingen afgaan. Dat vond hij eigenlijk vreselijk. Daar kwam bij dat hij in India zijn vertrouwde omgeving miste. De erkenning die hij zo nodig had, kreeg hij in India veel minder. Hij had daar geen werkelijke aansluiting met anderen. Dat zorgde ervoor dat hij zich eenzaam begon te voelen.’



‘Ik zag India als een ontsnapping, maar verkeek me op de doem van totale onbekendheid,’ zei Ramdas in 2003 in Vrij Nederland. ‘Delhi bleek een fuik van eenzaamheid. Ik kreeg rare angsten die steeds groter werden, bijna veranderden in wat men levensangst noemt. Wakker worden met de gedachte: is alles wel veilig, waar is de dichtstbijzijnde dokter, waar is het ziekenhuis, zal mijn bankpasje het wel blijven doen? Mijn angsten werden steeds groter, en mijn alcoholisme ook.’

VPRO-regisseur Fred van Dijk bezocht hem in 2002 in India.Van Dijk schrok toen hij merkte hoe ernstig het drankprobleem van zijn vriend was geworden. ‘Als hij ’s morgens in zijn kamerjas rondliep, zei ik wel eens: “Man, als je uitademt en je doet er een fles omheen, dan heb je zo weer een fles whisky.”’ 


[wordt vervolgd]