![]() |
| Foto: Maggie Benjamin |
![]() |
| Ophelia Overdose. Foto @ Stefan Gessel |
Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
![]() |
| Foto: Maggie Benjamin |
![]() |
| Ophelia Overdose. Foto @ Stefan Gessel |
![]() |
| Woman resting. Foto @ Nicolaas Porter |
De bundel verschijnt op 27 april 2012 in een beperkte oplage van 125 genummerde exemplaren. De bundel op groot formaat is uitgegeven door Buku Bibliotheca Surinamica 


Samenvatting
Laten wij eerst eens recapituleren wat wij tot nu toe gezien hebben alvorens het betoog te vervolgen. Alle voormalige koloniën van Frankrijk, Engeland, Spanje en Portugal besloten na de onafhankelijkheid door te gaan met de taal van hun voormalige meesters.
In het Nederlandse taalgebied was alleen Suriname bereid dit te doen. Dit werd zo vanzelfsprekend geacht dat deze beslissing niet eens in de grondwet werd opgenomen.
Suriname was het eerste land in de wereld dat een algemene leerplicht invoerde met de bedoeling alle Surinamers van welke kleurschakering dan ook te leren lezen en schrijven en hen via die weg om te vormen tot donkerhuidige Hollanders. Deze cultuur cq. taalpolitiek heeft niet tot het gewenste resultaat geleid.
In het voormalige moederland worden de Surinamers (donkerhuidige Hollanders) overal voorbijgestreefd door donkerhuidige Marokkanen waarmede Nederland nooit iets mee te maken heeft gehad.
In het eigen land is het de Hollanders ondanks repressie, niet gelukt de inheemse talen te verdringen. We mochten immers onze eigen talen vaak onder strafbedreiging niet spreken. Ook met aanmoediging (je kon gemakkelijker aan een baan komen als je goed Nederlands sprak), lukte dat niet. Het is gebleken dat de uitsluitende beheersing van de Nederlandse taal geen enkele voorsprong opleverde.
Ondanks een alfabetiseringsbeleid van meer dan honderd jaar moet de Surinaamse mens als semi-analfabeet worden gekenschetst. Elke generatie weet meer dan de vorige, dat wel, maar slechts in de breedte. Bij even doorprikken blijkt de kennis diepgang te ontberen. Ze lezen niet. Mijn vrouw heeft in Rotterdam een jaar lang een boekhandel gehad en wij kwamen steeds op allerlei Surinaamse manifestaties met boeken. Voornamelijk Surinaamse boeken. Ik kan met mijn hand op mijn hart verklaren dat in dat gehele jaar nooit een Surinamer de boekhandel is binnengestapt om een boek te kopen. Op grote manifestaties zoals Kwakoe in Amsterdam gaan de duizenden Surinamers die dat evenement bezoeken rechtstreeks naar de danstenten en eettenten zozeer zelfs dat deze trek van de bekende Surinaamse schrijver Ludwich van Mulier de aanduiding kreeg van dans -en eetcultuur. Elke maand houdt de schrijversgroep 77 een bijeenkomst waarbij talrijke boeken te koop worden aangeboden. Het aantal boeken dat over de toonbank gaat is minimaal. De Hollanders, onze guru’s, geven elkaar steeds boeken cadeau. Deze gewoonte is in Suriname volstrekt onbekend.
Surinamers lezen niet maar schrijven ook niet. Ik verzend elke week zowat tweehonderd essays voornamelijk naar intellectuelen. Er zijn hooguit tien lezers die mij vrij regelmatig terugschrijven met opmerkingen of mij complimenteren. Vreemd genoeg zijn deze brieven bijna alle afkomstig van Hindostaanse landgenoten.
De eindconclusie moet luiden dat het de Nederlanders niet is gelukt via het Nederlands de Surinamers op een hoger niveau van ontwikkeling te krijgen. Hun ontwikkeling eindigt veelal bij het verlaten van de schoolbanken. Dat geldt ook voor academici. En men kan zonder te lezen slechts een korjaal bouwen maar geen vliegtuigmoederschip. En blijkbaar moet het feit dat wij noch van lezen noch van schrijven houden gezocht worden in het Nederlands dat ons werd opgedrongen.
Ouderwets
Ik ga nu over tot een onderzoek van het waarom. Ik beëindigde de beschouwingen in de vorige aflevering met een relaas over de wijze waarop op Curaçao de Nederlandse taal overboord werd gezet, hetgeen was geschied met een enkele pennenstreek zonder poespas, zonder ruzie, zonder geharrewar. Naar aanleiding van dit voorval vroeg ik aan een blanke Curaçaoënaar hoe het toch kwam, dat op Curaçao de witte mensen aan het Papiamentu de voorkeur gaven boven het Nederlands terwijl de elite in Suriname het Nederlands als statussymbool beschouwde (let wel dit was het jaar 1957/1958). In Suriname zei ik, gaf het Nederlands status, zorgde voor afstand met Jan met de pet en hoe meer en hoe beter iemand het Nederlands beheerste hoe meer aanzien hij genoot. Hij antwoordde als volgt: vroeger sprak de elite op Curaçao inderdaad bij voorkeur Nederlands en het volk sprak Papiamentu. Toen kwam de olie omstreeks het eind van de eerste wereldoorlog op Curaçao aan met talrijke Hollanders in haar kielzog. ‘Wat voor raar ouderwets taaltje spreken jullie toch,’ zeiden deze Hollanders. ‘Barsten jullie maar met je Hollands,’ zeiden de Antillianen,‘Als wij Papiamentu spreken kan niemand ons zeggen dat wij ouderwets of raar of foutief spreken.” En zo stapten alle Antillianen over op het Papiamentu. Van hoog tot laag, van spierwit tot gitzwart, van rijk tot arm.
Foutief Nederlands
Ik had volop de gelegenheid om terug te denken aan de woorden van de oude Antilliaan toen ik een jaar of vijftien later het schrijverspad was opgegaan. Ik had kans gezien, dank zij een gedwongen sabbatical die ik van rechter Oosterling had gekregen (waarvoor ik hem zolang ik leef dankbaar zal blijven) een aantal romans geschreven. Ik stapte, in Nederland in 1974 aangekomen, met het manuscript van Maar Meneer de Rechter, naar een uitgeverij in Amsterdam Duwaer geheten. Ze vonden het verhaal wel interessant maar het had teveel taalfouten en was te dik. 400 pagina’s. Ik kreeg een Neerlandica mee om de taal te verbeteren en verder in het boek te schrappen. Alle rechtbankscènes moesten eruit. De kritiek na verschijning van het boek was om van te huilen. Teveel taalfouten. Potjeslatijn. Op dat moment besloot ik het schrijverspad te verlaten. Dank zij Astrid Roemer deed ik dat niet. “Trek je niets aan van het ge o.h.”, zei ze. “Geef het boek in eigen beheer uit in de oorspronkelijke versie.” Ik deed dat. Het kwam ter beoordeling terecht bij de Nederlandse bibliotheekdienst, die boeken beoordeelt voor de circa 1100 bibliotheken die Nederland rijk is. Astrid Roemer verzorgde de recensie en dat leverde mij alvast een order op van 700 exemplaren. De enige dissonant kwam van Jos de Roo die het voor de Wereldomroep recenseerde. “Don Walther schrijft niet levend Nederlands,” verklaarde hij voor de radio. Gelukkig luisteren niet veel mensen naar de Wereldomroep anders was ik weer kopje onder gegaan. Het is sindsdien in het Spaans en het Engels uitgegev
en en loopt nog steeds als een trein.
In Suriname aangekomen met mijn boeken was het direct raak. De heer Snijders, hoofdredacteur van de Parbode verklaarde in een recensie, dat mijn boek Swietie Sranang kan mij nog meer vertellen wemelde van de taalfouten en ontraadde de scholieren om het te lezen. Het interesseerde hem helemaal niet of het boek mooi, leerrijk of vlot was geschreven. Bij hem ging het meer om de taalfouten. Nou, denken de Surinamers die het heerlijk vinden als het werk van een landgenoot wordt afgekraakt, dan hoef ik het boek lekker niet te kopen.
[vervolg, klik hier]
Fotografie: @ F. Taytelbaum
estudeerd, die op scholen en universiteiten niet worden onderwezen, belanden uiteindelijk in de prullenbak van de geschiedenis. Vrouwelijke schrijvers lopen dat risico nog altijd vaker dan mannen.
Illustratie: Jak King
![]() |
| Felix Burleson. Foto © Sam Jones |
![]() |
| Gerda Havertong |
![]() |
| Diana Lebacs Foto © Michiel van Kempen |
| John Leerdam Foto © Michiel van Kempen |
door Erik Belkam
lles over ontheemding in Nederland en heimwee naar Suriname. Kortom, Bijlmer-express, motjo's en het leven aan de zelfkant van de maatschappij.
Astrid Roemer in Tori Oso, een fascinerende belevenis
drieling, een trilogie, waaruit Rappa, conferencier, enkele passages van de achterflap leest. 'een uiterst gevreesde onderneming ...en geweld'. Het geweld van de rijkdom, legt zij uit, dat is het geweld van het kapitaal, waartegen zij zich verzet. Armoede leidt tot geweld. De verbondenheid van Roemer met een grote groep mensen in de samenleving die niet toekomen aan de welvaart van die zelfde samenleving. Dat zijn een soort slachtoffers van geweld. Veel vrouwen lijden daaronder. Ook het geweld van 1982, de decembermoorden, wordt in de trilogie besproken. Ondanks de vele waarschuwingen van vrienden en familie dat niet te doen, kan het haar niets schelen. Het schrijverschap betekent risico's nemen. Als er iets moet gebeuren, zal het gebeuren. Dat Roemer durft, dat weten wij vanaf haar debuutroman, Neem mij terug Suriname (1974).
Surinaamse neerlandici die niet wit zijn. In de pauze stap ik op haar af en zeg haar dat het ook die Nederlanders zijn die zich vaak vrijwillig inzetten voor het werk. Astrid Roemer vraagt mij dan om na de pauze deze vraag te stellen, maar we komen er helaas niet toe. Ze is mij nog een antwoord verschuldigd.
Onlangs heeft heel Nederland kennis gemaakt met Flower to the People toen miljoenen mensen keken naar het Olympische schaatsfestijn in Vancouver. Het herkenningsdeuntje dat tijdens de dweilpauzes werd gebruikt is afkomstig van het eerste album To the Heart.
door Astrid H. Roemer

n pretentie van volledigheid, zoals de grote gedrukte Taalunie-literatuurgeschiedschrijving die wel min of meer heeft, maar focust in op de belangrijkste verschijnselen, auteurs en werken. Bij elke paragraaf staan dan ook slechts enkele andere titels van secundaire werken, die de gebruikers op weg moeten helpen om verder te zoeken in het moeraslandschap van de Lage Landen.
e letterkunde is redelijk vertegenwoordigd, en uit de West maken drie schrijvers hun opachting: Albert Helman met De stille plantage, Frank Martinus Arion met Dubbelspel en Astrid Roemer met Was Getekend.