Posts tonen met het label Museum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Museum. Alle posts tonen

woensdag 26 februari 2014

Colonial ghosts haunt Belgium as Africa museum eyes change

Shadows of visitors are seen as they walk past stuffed zebras at the Brussels Royal Museum for Central Africa in Tervuren November 16, 2001. Reuters/Yves Herman/Files

by John O’Donnell


 (Reuters) - At the entrance to Belgium's Museum for Central Africa stands a giant golden statue of a European missionary with an African boy clutching his robes, along with a plaque that reads: "Belgium brings civilisation to Congo".

The statue and some of the exhibits inside anger many visitors for the way they portray African people and Belgium's brutal colonial past.

Now Belgium wants to change that, at least a little. It is spending 66 million euro to modernise the museum, set in rolling gardens outside Brussels, and put a new face on the colonial experience.

Klik hier voor het hele artikel.


[van Reuters, 24 februari 2014]

Het beeld van de missionaris bij de ingang van het Afrika Museum te Tervuren.

vrijdag 14 februari 2014

Dankmeijer: bezeten van Joodse en Antilliaanse boeken

door Marius Bremmer
 
Ena Dankmeijer toont een deel van haar bibliotheek op Curaçao.
 Op de achtergrond een schilderij van haar voorvader Samuel
 Elias Levy Maduro. Foto © Marius Bremmer

De Antilliaans-Joodse Ena Dankmeijer-Levy Maduro (90) kreeg in 2010 in Amsterdam uit handen van koningin Beatrix de Zilveren Anjer uitgereikt. Dankmeijer bouwde op Curaçao uit eigen zak aan een unieke bibliotheek met judaïca.

Ena Dankmeijer woont even buiten Willemstad, in een moderne bungalow op het terrein van landhuis Rooi Catootje. „In de 18e eeuw woonden er meer dan 2000 Spaans-Portugese Joden op Curaçao; het was toen de grootste blanke bevolkingsgroep op het eiland. Ik ben in 1920 geboren op Scharloo, een chique wijk dicht bij het historische centrum van Willemstad, met overwegend Joodse bewoners. Ik was het enige kind van Salomon Abraham Levy Maduro en Rachel Louise Brandao. We waren praktiserend Joods.”

De oorlogszuchtige taal van Hitler drong ook door tot de Joden van Curaçao. „Ik meldde me aan het begin van de oorlog als vrijwilligster bij de Koninklijke Marine in Fort Amsterdam. Ik deed secretaressewerk en ik was codeerofficier. Als er alarm was, haastte ik mij vanaf Scharloo naar kantoor.”
Als eiland was Curaçao afhankelijk van de aanvoer per schip. De grote raffinaderij van Shell was van groot belang voor de geallieerden. Nadat de olie op Curaçao tot kerosine was geraffineerd, vertrokken tankers in konvooi naar Engeland om de Royal Air Force (RAF) van brandstof te voorzien. „De Tweede Wereldoorlog opende de tot dan toe zeer gesloten Joodse gemeenschap van Curaçao. Zo kreeg ik verkering met artilleriecommandant Emile Dankmeijer. Al ver voor de oorlog kwam hij op Curaçao, voor het eerst als adelborst op de Hr. Ms. Hertog Hendrik om assistentie te verlenen bij de geruchtmakende Urbina-affaire in 1929. Toen pleegden Venezolanen een overval op het Waterfort en ontvoerden gouverneur Fruytier naar Venezuela: de directe aanleiding voor de nu permanente aanwezigheid van de Koninklijke Marine op de Antillen.”

Dankmeijer kreeg de Zilveren Anjer, een onderscheiding van het Prins Bernhard Cultuurfonds, omdat ze tot op de dag van vandaag het bibliotheekwerk van haar vader voortzet. „Hij was al op de lagere school begonnen met het verzamelen van werkelijk alles wat op papier staat: Antilliana (boeken over de Antillen) en judaïca (boeken over de Sefardische Joden en de Joden van Curaçao), maar ook tijdschriften, krantenknipsels, menukaarten, programma’s van variétévoorstellingen, alle mogelijke uitnodigingen en ansichtkaarten. Na zijn overlijden heb ik samen met de directrice van de openbare bibliotheek besloten met het werk door te gaan, met landhuis Rooi Catootje als basis. Dat landhuis was ons tweede huis, we ontvluchtten er de hitte van de stad.”

Landhuis Rooi Catootje, het tweede huis van de familie Levy Maduro even buiten
 Willemstad op Curaçao, is nu een museum geworden. Foto © Marius Bremmer

Het jaar 2010 was een gedenkwaardig jaar voor Dankmeijer, niet alleen vanwege de onderscheiding. In april vierde ze haar 90e verjaardag met vele genodigden in de synagoge van Willemstad. Later die maand opende ze de nieuwbouw voor haar boekenverzameling. Als telg uit een vermogend geslacht van scheepsagenten en bankiers financierde ze dit miljoenenproject geheel uit eigen middelen. „We barstten met alleen al vele duizenden boeken uit onze voegen in het oude landhuis. In de nieuwbouw is alles klimatologisch geregeld.”

De boeken zijn verhuisd naar het Ena Dankmeijer-Maduro Paviljon, landhuis Rooi Catootje is een museum geworden met antiek koloniaal meubilair en met vele herinneringen aan haar ouders en aan haar overleden echtgenoot. Dankmeijer –sinds 1990 weduwe– loopt trots rond: „Vanmorgen nog kwamen er oude bekenden van de marine. Dan geef ik zelf even een rondleiding.”


[naar RD.nl, 23-07-2010]

dinsdag 14 januari 2014

Werelderfgoed en de Nederlandse cultuurpolitiek

Openluchtmuseum Fort Nieuw Amsterdam. Foto © Mireille Heersma

door Benjamin S. Mitrasingh

Met alle sympathie voor de Stichting Gebouwd Erfgoed kan de directeur ervan, Stephen Fokké hemel en aarde bewegen om Unesco ervan te overtuigen dat het niet de schuld is van zijn stichting dat Suriname onvoldoende aandacht heeft besteed aan zijn twee (monumenten en de natuur) Werelderfgoed-projecten. Dat kon ook niet anders, want het cultuurbeleid van Suriname bevindt zich sinds mensenheugenis in de politieke lappenmand. Geen probleem voor veel ontwikkelde burgers van Suriname, omdat vooral deze hebben geleerd dat ’s lands belang andere prioriteiten kent. De twee en een halve ministers van Financiën hebben dat ook geweten. Dat waren drie Surinaamse academici die ook hart hadden en nog steeds hebben voor de Surinaamse zaak, maar dat stemde niet overeen met het belang van de politieke leiders.
Het Surinaamse cultuurbeleid

In Suriname moeten politici altijd scoren bij het grote publiek, de bekende zogenaamde achterban. Vakbondsleiders kennen dit fenomeen ook maar al te goed; ze mochten nog zo populair bij hun leden zijn, maar als het op stemmen aankomt in de politiek, haalden zij het nooit. Zij werden omhoog getrokken door hun coalitiepartners.

Modderbank 
Dit lot is het Surinaamse cultuurbeleid ook beschoren. Het publiek geniet van alle pracht en praal van de cultuuruitingen van Suriname, maar draagt er zelf nul centen bij. De makers van het monument van Baba en Mai en nu nog steeds de bestuurders van het Lalla Rookh-complex, kennen dit ook maar al te goed; er worden door grote ondernemers en succesvolle bedrijven gouden bergen beloofd maar als het op betalen aankomt, ontdek je dat we eigenlijk nog steeds vastzitten op een modderbank; een culturele modderbank wel te verstaan.

In de cultuursociologie zeggen we dan dat het milieu van de ‘sponsors’ nog niet zo goed ontwikkeld is om culturele projecten te financieren. Het hele Surinaamse cultuurbeleid lijdt hieronder. Al gauw bleek ook dat gestudeerde mensen geen goede culturele bagage hebben en daarom mislukken ook vele leuke culturele projecten.

Nederlandse cultuurpolitiek 
Een slecht voorbeeld is de Nederlandse cultuurpolitiek in het buitenland. In alle gevallen ging het eerst om het Nederlandse belang en dat moeten Surinamers ook nog leren, bij alle buitenlandse hulp moet het belang van de gever altijd zijn gediend. In het september nummer van de Nederlandse National Geographic wordt in een aparte bijlage ‘Werelderfgoed van morgen’ aandacht besteed aan het Nederlandse erfgoed. Suriname en Indonesië worden in de bijlage wijselijk verzwegen, blijkbaar vanwege hun ‘politieke’ onafhankelijkheid. Maar in de bijlage staat al in de intro een pleidooi voor het plantagesysteem van West-Curaçao, het Marine Park op Bonaire en de Mount Scenery op het eiland Saba, die moeten worden geplaatst op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.
Saba

Tijdens de ICOM-conferentie in Rio de Janeiro in 2013, waar Suriname ook aanwezig was, hadden de ontwikkelingslanden wederom hun misnoegen geuit over de dominante rol van de rijke landen. In zijn eindverslag heeft de Surinaamse vertegenwoordiger [= Benjamin Mitrasingh, de schrijver van dit artikel – red. CU] dit ongenoegen ook tot uiting gebracht in de zin van, wij vertegenwoordigen weliswaar een arm land als Suriname maar wij – gesponsord door Unesco - komen niet op zulke belangrijke museumconferenties van de Unesco om naar’ kinderverhalen’ te luisteren over het moderne museumwezen van de rijke landen.

Erfgoed: oud Indianenhuis. Foto © Sasha Dees


Want wat zouden de rijke landen ervan vinden als wij een project van de leeggeplunderde suikerfabriek van Mariënburg zouden sturen naar bijvoorbeeld de World Monuments Fund in Washington? Dan was er toch weer onmiddellijk ruzie tussen ons en de Nederlandse politiek, maar hopelijk niet tussen ons en de doorsnee Nederlandse burgers, zoals Janneke Braamburg uit Enschede. Zij bekritiseert het Werelderfgoed in de rubriek Forum in het november nummer van de Nederlandse NatGeo. Daarin vraagt zij, waarom er geen aandacht wordt geschonken aan de 445.000 levend aangekomen slaven in Suriname en Curaçao die een zeer grote bijdrage hebben geleverd aan de Nederlandse economie in de zeventiende eeuw (de gouden eeuw). ‘Nakomelingen hiervan worden elke keer gekwetst wanneer wij bij het enthousiasme over wat wij hebben bereikt, hun bijdrage niet genoemd wordt.’
Misschien zou het goed zijn wanneer de Surinaamse burger die in Nederland heeft gestudeerd en ook daar heeft gewerkt, vaker rechtstreekse contacten onderhoudt met zijn oude vrienden in Nederland. 

Architecturaal erfgoed op Barbados. Foto © Leon Jaspaert


Na het grote sociologisch onderzoek: Een nationaal onderzoek voor een cultuurbeleid in Suriname onder 3.161 scholieren en 675 volwassenen, een Unesco-project 00 SUR 602, uitgevoerd door twee Surinaamse academici (B.S. M[itrasingh] en C.R. B[adal]) werd in het eindverslag (van 50 bladzijden) in februari 2002, een kleurenpagina opgenomen met foto’s en de bijpassende tekst: ‘Als wij dit alles hebben beschermd, gered en verzorgd, blijft de culturele vorming van onze medemens nog altijd ons aller zorg. Daar gaat u ons toch ook mee helpen?’
Toen en tot nu, twaalf jaar later, heeft niemand erop gereageerd. Helaas!

[uit Starnieuws, 13 januari 2014]

zaterdag 23 november 2013

Nalatenschap Boeli van Leeuwen naar Letterkundig Museum

Boeli van Leeuwen (Beurs- en Nieuwsberichten 1960)
De literaire nalatenschap van  mr. dr. W.C.J. (Boeli) van Leeuwen (1922–2007) wordt toevertrouwd aan het Letterkundig Museum in Den Haag. Op 15 december a.s. zal het Letterkundig Museum de zorg voor deze bijzondere aanwinst onderstrepen met de opening van een expositie uit de nalatenschap. De jurist Van Leeuwen kreeg op zijn geboorte-eiland Curaçao en in Nederland vooral bekendheid als auteur. Zijn boeken worden nog steeds herdrukt, zoals de romans De rots der struikeling (1959), Schilden van leem (1985) en Het teken van Jona (1988), essays als in De taal van de aarde (1997) en de verzameling columns Geniale anarchie (1990).

De nalatenschap bestaat uit diverse manuscripten en typoscripten van de romans en essays waarmee hij bekendheid verwierf. Die tonen het vakkundig bewerken van zijn teksten tot het bewonderde eindresultaat. De nalatenschap bevat ook het nodige werk-in-uitvoering, waarvan fragmenten alsnog gepubliceerd zullen worden.
De opening van de expositie op 15 december wordt begeleid door een toelichting van onder meer de onderzoekers van de nalatenschap, Aart G. Broek en Klaas de Groot, en de cineast Sherman de Jesus. De opening wordt muzikaal ondersteund door de pianovertolking van Antilliaanse muziek, waaronder de wals ‘E yobida di ayera’ die Wim Statius Muller componeerde voor Boeli van Leeuwen.
Boeli van Leeuwen. Ets van Bert Kienjet

In een bijdrage aan het  tijdschrift De Parelduiker, dat in december verschijnt, wordt een deel van de nalatenschap van Van Leeuwen toegelicht. Dat artikel vormt een handzame begeleiding van de expositie. De beeldend kunstenaar Bert Kienjet maakte voor de gelegenheid een serie etsen van de belangrijkste Antilliaanse auteurs die het Nederlands kozen voor hun literaire werk: Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus Arion en Jules de Palm. Ook die set wordt gepresenteerd.

U bent uitgenodigd om aanwezig te zijn bij deze veelzijdige presentatie op zondagmiddag 15 december van 14.30 – 16.00. Maak nader kennis met een belangrijke representant van de Nederlandstalige literatuur van de Caribische eilanden en geniet van de muziek, een hapje en een drankje. Ook zal het mogelijk zijn werk van Van Leeuwen, een ets van Kienjet en het nummer van De Parelduiker aan te schaffen.
Typoscript van Van Leeuwens De eerste Adam


De entree is gratis voor museumkaarthouders en abonnees van De Parelduiker. Voor anderen gelden de reguliere museumentreetarieven. Niet bekend met het Letterkundig Museum? Kom dan minstens een uur eerder en neem de tijd voor de vaste tentoonstelling.

Laat het museum even weten of u aanwezig bent, bel 070 – 333 96 66

Tempels in woestijnen van Boeli van Leeuwen, uitgegeven in eigen beheer in 1947

woensdag 21 augustus 2013

Telecommunicatiemuseum in Nieuw-Amsterdam


Paramaribo - Telesur heeft vorige week een telecommunicatiemuseum in Nieuw-Amsterdam geopend. Dit museum staat pal naast het Openlucht museum, aan de overkant van het districtscommissariaat. Het museum is bedoeld om de historie van de telecommunicatie in Suriname te belichten. Telesur directeur Dirk Currie zegt dat het idee al langere tijd bestond alleen ... werd nog naar een geschikte locatie gezocht. De keuze is gevallen op Commewijne omdat er een vervallen monumentaal gebouw beschikbaar was. Beluister het verslag vanuit Commewijne, hier.

[van nospang, 19 augustus 2013]

zondag 16 juni 2013

Tropenmuseum: Nog 13.000 handtekeningen nodig


Drie Surinaamse kunstenaars, schrijver Vinije Haabo (l), Edje Doekoe (m) en Remy Jungerman (r) aanwezig tijdens de tentoonstelling ‘Kunst van overleven’ in november2010 in het Tropenmuseum in Amsterdam. Edje Doekoe van Pikin Slee zit op een van zijn kunstbanken.


door Stuart Rahan

Amsterdam - Het Tropenmuseum, onderdeel van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT), wordt met sluiting bedreigd. De Nederlandse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Ben Knapen heeft een bezuiniging van twintig miljoen euro afgekondigd op het KIT en bedreigt daarmee direct het voortbestaan van het Tropenmuseum in Amsterdam.
Om sluiting te voorkomen is een actie gestart om minimaal veertigduizend handtekeningen naar de Tweede Kamer op te sturen.
De Kamer zal het kabinet Rutte moeten dwingen de aangekondigde bezuinigen terug te draaien. Ook is de nieuwe koningin Maxima, in haar persoon van beschermvrouw van het KIT, benaderd om haar invloed aan te wenden. Zij was toen als prinses, naast koningin Beatrix, ook officieel aanwezig toen het KIT drie jaar geleden haar honderdjarig bestaande vierde.
Maxima

Koloniale erfstukken
Sinds Mark Rutte van de VVD premier werd in 2010, hebben zijn achtereenvolgende kabinetten culturele instituten systematisch wegbezuinigd. Ook de korting van twintig miljoen euro op het KIT wordt door cultuurpersoonlijkheden als zodanig bestempeld. Het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) moest er vorig jaar ook aan geloven. Dit kennisinstituut is geminimaliseerd. In een petitie wijzen de ondertekenaars op de anti-culturele houding van het kabinet Rutte. Hem wordt xenofobie aangaande de verdraagzaamheid naar andere culturen toe, verweten. De zorgplicht ten aanzien van het museaal bewaard Nederlands werelderfgoed wordt ernstig verwaarloosd en ook de samenwerking op internationaal niveau lijdt onder zijn streng bezuinigingsbeleid. Het KIT is een Nederlands multidisciplinair kennisinstituut voor internationale, economische en interculturele samenwerking, met ontwikkeling van praktisch toepasbare kennis voorop. Met de twintig miljoen bezuiniging gaat niet alleen een museum met historische kunstwerken en koloniale erfstukken van onschatbare waarde verloren maar vindt ook kilometerslange documentatiemateriaal, boeken en muziek hun weg naar particuliere verzamelaars. Museale stukken uit onder meer de kolonie Suriname behoren ook tot het wereldrijke bezit. Niemand weet waar het verzamelde historisch materiaal uiteindelijk terecht zal komen.

De centrale hal van het Tropenmuseum. Foto © Youropi


Verkeerde keuzes
De ondertekenaars van de petitie verzoeken het kabinet Rutte om het Tropenmuseum een structurele financiering toe te kennen, zodat de kennis en collectie van dit museum ook voor toekomstige generaties behouden blijven en doen hiermee een dringend beroep op het Nederlandse parlement deze regering hierop terecht te wijzen. Het lijkt op cultuurbarbarisme in de fanatieke pogingen van Rutte om aan de Europese begrotingsnomen te voldoen. Er worden verkeerde keuzes gemaakt en sinds de Nederlandse centrale bank (DNB) afgelopen weekend bekendmaakte dat volgend jaar nog eens acht miljard bezuinigd moet worden, vrezen vele cultuurliefhebbers een verdere verslechtering van de cultuurbeleving. Morgen kan iedereen die het Tropenmuseum een warm hart toedraagt middels een handtekening zijn steun betuigen door hier te klikken. Intussen zijn al 27.000 handtekeningen verzameld.



[uit de Ware Tijd, 14/06/2013]

dinsdag 16 april 2013

Tropeninstituut schrapt negentig banen

Het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) schrapt negentig banen. De meeste banen verdwijnen bij de afdeling informatie en bibliotheekservices, het ondersteunend personeel en in het museum. Gedwongen ontslagen zijn onvermijdelijk. Vanwege de ingrepen stoppen verschillende activiteiten, waaronder de publieksbibliotheek. Dat heeft het Amsterdamse instituut dinsdag bekendgemaakt.Het schrappen van banen maakt deel uit van een reorganisatie, die volgens het KIT nodig is om de 'levensvatbare' onderdelen van het instituut overeind te houden. Het KIT blijft wel onder meer leverancier van adviesdiensten op het gebied van gezondheid, landbouw en duurzame economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden.

De grote zaal van het KIT


In 2011 werd bekend dat het kabinet de subsidie van twintig miljoen euro per jaar aan het KIT wil stopzetten. Dat geld van het ministerie van Cultuur was bestemd voor culturele functies, zoals het museum. Daarop kondigde het Amsterdamse instituut aan dat het Tropentheater en de publieksbibliotheek worden opgedoekt.
In november bleek dat het Tropeninstituut voor dit jaar toch nog eenmalig 15,3 miljoen euro zou krijgen van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ondertussen moet het instituut zorgen dat het minder afhankelijk wordt van overheidsfinanciering.

Voor 2014 en 2015 is er nog geen honderd procent duidelijkheid over subsidies, laat het instituut dinsdag weten. Interim-bestuursvoorzitter Derk Vermeer stelt echter dat de reorganisatie de minimaal noodzakelijke ingreep is. "We weten dat de financiering in ieder geval sterk zal verminderen. De medewerkers hebben duidelijkheid nodig en de kosten lopen door; we nemen nu actie om de continuïteit van het instituut te verzekeren."
De museale activiteiten hoopt het KIT overeind te houden door verdere samenwerking en mogelijke integratie met het Museum Volkenkunde in Leiden en het Afrikamuseum in Berg en Dal. De huidige presentatieplek aan de Mauritskade moet hierbij wel gehandhaafd blijven. Ook voor de erfgoedcollectie van de bibliotheek van het instituut wordt een oplossing gezocht.

[bron: Novum]

zaterdag 16 maart 2013

Rihana Jamaludin en Cynthia Mc Leod lezen tijdens Amsterdamse Boekennacht


Voorleesmiddag: Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden

Op vrijdagmiddag 22 maart a.s. wordt in het Amsterdam Museum het voorprogramma van de Amsterdamse Boekennacht gehouden. Het thema van de boekenweek is ‘Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden’. Onder deze naam brengt het Amsterdam Museum van 15.00 tot 17.00 uur een voorleesmiddag over de keerzijde van voorspoed in het verleden. Het museum is bovendien deze hele dag, op vertoon van het Boekenweekgeschenk, gratis toegankelijk.

Tijdens deze middag voorafgaand aan de Boekennacht wil het museum een extra accent leggen op de keerzijde van deze tijd en aandacht vragen voor de herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij in de Nederlandse koloniën Suriname en de Antillen (1 juli 1863). Op deze manier wordt tevens een preview gegeven op een presentatie over slavernij die van 1 juni tot 31 augustus door de tentoonstelling Gouden Eeuw, proeftuin van onze wereld te zien zal zijn.

Het programma ziet er al volgt uit:
15.00 – 15.10 uur: Introductie conservator Annemarie de Wildt
15.10 – 15.30 uur: Nelleke Noordervliet, auteur van De leeuw en zijn hemd
15.30 – 15.50 uur: Rihana Jamaludin, auteur van De Zwarte Lord
15.50 – 16.10 uur: Cynthia McLeod, auteur van Hoe duur was de suiker?
16.10 – 16.30 uur: Jan de Bruin, over het slavenverleden in zijn familie

Nelleke Noordervliet
Biografieën sprekers
Nelleke Noordervliet (1945) neemt dit jaar het Boekenweekessay voor haar rekening. In De leeuw en zijn hemd gaat zij uitgebreid in op onze collectieve houding ten opzichte van het verleden. Nelleke gaat op reportage door het verleden. Ze reist door de achterbuurten en de herenhuizen, tot aan de schildersateliers en dichtersstulpjes. Ze ontmoet de Heren XVII van de VOC in de bloeitijd van de 17de eeuw. Ze maakt kennis met de patriotten in de revolutionaire jaren van de 18de eeuw. En ze beschrijft Albert Verwey en koningin Wilhelmina aan het eind van de 19de eeuw. Zo kaart zij in haar essay de dubbelzinnige omgang met het verleden aan en verbaast zij zich over de neiging nu eens de wijsvinger, dan weer de middelvinger te heffen.

Rihana Jamaludin. Foto Omroep Brabant
De debuutroman van Rihana Jamaludin (1959) genaamd De Zwarte Lord kwam uit in 2009 en speelt zich af in het Suriname van de 19de eeuw. In het verhaal vertrekt de Bossche gouvernante Regina naar Suriname om daar les te geven aan Walther Blackwell, een jonge kleurling die van zijn blanke vader een plantage heeft geërfd. Door de kolonisten wordt hij spottend de Zwarte Lord genoemd. De elite bekijkt hem met wantrouwen vanwege zijn buitenissige gedrag. Is de zwarte dandy werkelijk gek of doet hij alsof? In het geheim moet Regina zijn gangen nagaan. In haar zoektocht naar de waarheid ontmoet ze veel personages uit verschillende lagen van de Surinaamse samenleving. Het leven in Suriname blijkt ontdaan van conventies en fatsoensnormen, maar ook omhuld met taboes en mysteries.
Cynthia Mc Leod. Foto Waterkant

Cynthia McLeod (1936) is de dochter van de eerste president van Suriname. Haar debuutroman verschijnt in 1987 onder de naam Hoe duur was de suiker? en is vrijwel direct een bestseller. De roman speelt zich af in het koloniale Suriname. Het gaat over een joodse plantersfamilie en daarbij in het bijzonder over het wel en wee van de twee zusjes Elsa en Sarith en de slaven die in hun leven een rol spelen. Het leven van de slaven - vol kommer en kwel - staat in schril contrast met dat van hun meesters, dat vol pracht en praal is. Deze pracht en praal is evenwel verkregen door de onmenselijke inspanningen van de slaven. Duidelijk wordt dat de suiker van de plantages duur betaald is: namelijk met mensenlevens.
Jan de Bruin

Jan de Bruin (1961) is als archivaris/adjunct-directeur verbonden aan het Westfries Archief te Hoorn. Hij maakte eind jaren '70 kennis met het archiefwezen, toen hij onderzoek deed naar een voorouder, de "gewesene slaef" Cornelis Valentijn uit Enkhuizen. Hij publiceert geregeld over de geschiedenis van de regio West-Friesland, vooral over institutionele geschiedenis, waterstaatsgeschiedenis en cartografie. Voor de tentoonstelling De Gouden Eeuw, proeftuin van onze wereld, heeft hij onderzoek gedaan naar een schilderij met daarop Tabo Jansz, een zwarte bediende die in het testament van zijn heer werd opgenomen.

Datum: 22 maart 2013
Tijd: 15:00 uur
Locatie:  Amsterdam Museum, Kalverstraat 92, 1012RM Amsterdam
Voor meer informatie over de vijfde Amsterdams boekennacht zie: http://www.boekennacht.nl/

maandag 11 maart 2013

Curaçaosch Museum opent kinderdorp

Foto Jeu Olimpio

In het Curaçaosch Museum, dat dit jaar 65 jaar bestaat, is gisteren het kinderdorp geopend, het ‘Parke Edukativo di Mucha’. Om dit te vieren was er een speciaal optreden van Jeugd Theaterschool Drazans in samenwerking met Sheila Payne. Tevens werden verschillende activiteiten in de museumtuin georganiseerd voor de kinderen tussen de 5 en 12 jaar. Gisteren werd ook het startsein gegeven voor een vernieuwd educatief programma.

[uit Antilliaans Dagblad, 10 maart 2013]

zaterdag 22 december 2012

Amazone Museum Netwerk


In deze museumstof komen we nog een keer terug op het Amazone Museum Netwerk, waar het Surinaams Museum samen met het Museo Paraense Emilio Goeldi in Belém en het Musée des cultures guyanaises in Cayenne, deel van uitmaakt. De in de vorige aflevering aangekondigde bijeenkomst heeft inmiddels plaatsgevonden. Tientallen deelnemers uit Frans Guyana, Brazilië en Suriname vormden een inspirerende groep mensen die in St. Georges de l’Oyapock met elkaar in discussie gingen over diverse museale en daaraan gerelateerde zaken.

Saint Georges de l'Oayapock. Foto © W. von Zeidler

Vanuit Suriname deden twee vertegenwoordigers van het Surinaams Museum en een van het Tembe Art Museum in Moengo mee. Het is onmogelijk om in een museumstof de inhoudelijke discussies te bespreken. Wel kan geconstateerd worden dat, gezien de talloze positieve reacties, de bijeenkomst zeer geslaagd mag worden genoemd. Ook mag geconstateerd worden dat veel indiaanse/inheemse jongeren aan de discussies deelnamen of er als toehoorder bijzaten.

De betrokkenheid van de jongere generatie bij het behoud van de eigen cultuur was vooral merkbaar in het dorpje Oiapoque aan de Braziliaanse kant van de grens. Het daar opgezette museum Kuahí, dat de Indiaanse culturen uit de regio laat zien, leek overspoeld te worden door jonge mensen. En als we daarbij dan ook nog bedenken dat dit museum een volledig vanuit de eigen gemeenschap genomen initiatief was dat voor een belangrijk deel draait op vrijwilligers, kan het ook niet anders dan dat dit initiatief sterk ondersteund wordt door de regering van de deelstaat Amapá. Frappant was het om te zien dat de tentoongestelde objecten voor 90 procent zo uit het depot van het Surinaams Museum hadden kunnen komen, hetgeen de onderlinge verbondenheid, die zover terug gaat in de tijd, alleen maar kan bevestigen. Ook hierom is het zo goed dat die regionale samenwerking er is en verder wordt uitgebreid. In Brazilië zijn de meeste musea overheidsmusea die gratis toegankelijk zijn. In Frans Guyana vinden we zowel particuliere als overheidsmusea. Een voorzichtige, maar opvallende conclusie daarbij is dat de particuliere musea over het algemeen beter draaien en grotere bezoekersaantallen hebben.

Regina (Guyane). Foto © Agamura persica.

Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om zowel in Cayenne als in Regina, dat ligt op weg naar St. Georges de l'Oyapock, enkele musea te bezoeken evenals het depot van voornoemd museum in Cayenne. Daaruit bleek maar weer eens hoe dicht we als buren bij elkaar staan met een gelijksoortig verleden dat in een gelijksoortig erfgoed is terug te vinden. En dan hebben we het niet expliciet over het Indiaanse verleden van degenen die hier al eeuwen woonden maar vooral ook over het koloniale verleden. Presentaties over bijvoorbeeld goud, rubber, hout, maar ook de archeologie en de aanwezigheid van verschillende culturen riepen alleen maar herkenning op. Het eco-museum te Regina maakt vooral gebruik van evocatieve opstellingen. Dat zijn sfeer oproepende tentoonstellingen waarbij de suggestie wordt gewekt dat je zelf onderdeel van de tentoonstelling bent: een nagebouwde slaapkamer, een winkeltje, een kopie van een Long Tom die bij het wassen van goud wordt gebruikt e.d.

We hopen dat deze regionale samenwerking, die volledig aansluit op wat de regering propageert, nog lange tijd mag voortduren en tot wederzijds voordeel en versterking mag leiden. Over niet al te lange tijd wordt de website operationeel. We houden u op de hoogte.

Reacties op museumstof? Bel op 425871 of E-mail ons:info@surinaamsmuseum.net
Zie ook www.surinaamsmuseum.net en www.flickr.com/photos/stichtingsurinaamsmuseum voor foto's uit de collecties van het museum.

[Museumstof 207, uit de Ware Tijd, 15/12/2012]

zondag 30 september 2012

Jimmy van der Lak verhuisd naar het Stedelijk Museum

door Carl Haarnack

Nola Hattermans schilderij Op het terras is verhuisd van het Amsterdam Historisch naar het onlangs heropende Stedelijk Museum in Amsterdam. Nola Hatterman schilderde in 1930 Jimmy van der Lak, alias Jimmy Lucky.





Jimmy Lucky


Precies veertig jaar na de afschaffing van de slavernij  werd Jimmy van der Lak (Paramaribo 1903 – Amsterdam 1990) geboren. Zijn volledige naam was Desiré Max Jules Constantijn Van der Lak maar hij ging door het leven als Jimmy, ook wel ‘Jimmy Lucky’.  De voorouders van Jimmy waren slaven, afkomstig van de suikerplantage Merveille (ook wel genoemd: Adjakka) aan de Suriname-rivier. Aan het begin 20e eeuw moest de emancipatie van de zwarte bevolking in Suriname nog beginnen. Op de enige erkende MULO in Paramaribo, de Hendriksschool, werd je als zwarte jongen niet toegelaten.
Het vertrek van Van der Lak naar Europa viel samen met de een belangrijke ontwikkeling in Amerika, de Harlem Renaissance. Hij maakte als getalenteerd tapdanser onderdeel uit van de groep o.l.v. de Afro-Amerikaanse danser en choreograaf Louis Douglas die met zijn ‘Revue nègre’, samen met Josephine Baker, grote successen boekte. Met deze groep ging hij op tournee, eerst op  Trinidad en vervolgens in België, Duitsland, Nederland en Frankrijk.
Jimmy van der Lak

In 1925 verliet Van der Lak Parijs en ging naar Nederland. Ook daar was de Harlem Renaissance, met in haar voetsporen de jazzmuziek, doorgedrongen. Zwarte muzikanten, dansers, boksers, acteurs en modellen waren zeer gewild in die tijd.  Met een zwarte kelner kon ieder grand café zich een internationale allure aanmeten. Van der Lak pakte alles aan. Samen met Freddy Sunkar (1902), alias ‘Sugar’ ontwikkelde hij zijn talenten in de boksschool Wagenstraat in Amsterdam en trainde met Bep van Klaveren. Later, in 1936, had hij samen met Sunkar en de Amerikaanse oud-wereldkampioen Jack Taylor, een boksschool in de Elandstraat in Den Haag. Als prof bokste Jimmy, die zich als bokser van de naam ‘Lacky’ bediende, 41 partijen in Nederland, Frankrijk, België en Spanje; 34 overwinningen, de meeste op k.o. Toen Lacky in 1947 naar Paramaribo vertrok opende hij daar in de Anniestraat een boksschool waar hij onder andere Henri ‘Tiger’ Sno (1926) trainde. Een team van jonge Surinaamse boksers tourde onder de bezielende leiding van Van der Lak door Trinidad, Barbados, Jamaica en Venezuela.
Als kelner werkte hij eind jaren ’20 in Parijs in het restaurant van Leo Faust, "Au Neuvième Art" aan de Rue Pigalle 55. In Scheveningen werkte hij in het zomerseizoen jarenlang in café-restaurant De Sport. Daar was hij vanwege zijn huidskleur een enorme attractie. In Amsterdam werd hij in 1937 chef-kelner in de beroemde Kit Cat Cotton Club in de Wagenstraat.  In 1946 begon Jimmy Lucky het eerste Surinaamse restaurant in Amsterdam, in de Reguliersbreestraat tegenover Tuschinski.

Op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten aan de Stadhouderskade in Amsterdam werd voor zwarte modellen vier gulden per dag betaald. Van der Lak werd hier door verschillende kunstenaars vereeuwigd. In 1930 gebruikte Nola Hatterman hem als model voor haar schilderij ‘Op het terras’.
Met dansen was de carrière van Jimmy Lucky in Suriname begonnen. In Nederland danste hij samen met Sunkar in 1932 in de revue Blank en Bruin van Frits Schakels en Willy Walden. En met Lou Bandy trad hij op in Carré. Na de oorlog zette Van der Lak aan de Stadhouderskade een dansschool op waar de Amsterdammers zich konden laten scholen in tapdance, de rumba of de cha-cha-cha. 
Bij de opname van Ballade van den Hoogen Hoed (1936)

Zo af en toe trad Jimmy ook op als gelegenheidsmuzikant. In de film Ballade van den Hoogen Hoed (1936) figureert hij als muzikant met hoge hoed en trompet aan de voet van de Amsterdamse Montelbaenstoren. Vooral In Duitsland maakte hij in de filmindustrie furore als figurant. In 1954 is hij voor het eerst te zien als danser in de revue Afrika im Zoo. Daarna kreeg hij rollen in  zo’n twintig Duitse speelfilms, waarin grote namen zoals Nadja Tiller en Hans Albers en Willy Frisch de hoofdrol speelden.
In 1952 verhuisde Van der Lak naar Berlijn. Zijn vrouw, Cocky Gerritsen, met wie hij in 1933 getrouwd was, had hem verlaten voor een kunstschilder. De eigenaar van café Montmartre aan de Nollendorfplatz in Berlijn was speciaal naar Amsterdam gekomen om zwart personeel te werven voor zijn ‘Negerbar’. Jimmy Lucky maakte er furore als tapdancer en als barkeeper. In het naoorlogse Berlijn was een zwarte huidskleur een bezienswaardigheid. 

Zie ook www.buku.nl

zaterdag 29 september 2012

Opening Suriname Blue Blood is Black Blood Museum



 [Persbericht van Egmond Codfried]
Willem van Oranje

EGMOND CODFRIED (Paramaribo, 1959), schrijver en publicist, is de curator en de ontdekker van de Blauw Bloed is Zwart Bloed Theorie (2005) welke stelt dat Europa van 1100 tot 1848 gedomineerd werd door een elite die als zwart en bruin van huid werd beschreven. Hij toont zijn collectie van reproducties van vaak onbekende historische portretten en is daarmee het enige museum dat zich buigt over het werkelijke uiterlijk van historische figuren. Prins Willem I van Oranje (1533-1584) wordt beschreven als ‘Meer bruin dan wit,’en als ‘Bruyn van verve ende baerde.’ (Beresteyn 1933: 1)
Maurits van Sachsen

Sommigen van hen, onder wie ook Willem van Oranje, zijn schoonvader Maurits van Sachsen, en Jane Austen (1775-1817) hadden naast de bruine en zwarte gelaatskleur ook (sterke) klassieke Afrikaanse gelaatstrekken, dikke prognastische lippen en/of brede neuzen, naast kroes haar; welke trekken toen stonden voor puur adellijk bloed: Blauw Bloed. Zij waren afstammelingen van de Blauwe Mannen, de zwarte en bruine oorspronkelijke Europeanen die 45.000 jaar geleden uit Afrika kwamen (Grimaldi Mens), en waarvan een deel zich tussen 1100 en 1200 uitriepen tot een adel, dus echte Europeanen. Onderling huwen ter behoud van kleur en een adellijke levensstijl was een vereiste.
Radbraken

Zij wierpen zich op als beschermers tegen de invallende Noormannen, civiliseerden en kerstenden de witte Europeanen, die pas sinds 6000 jaar geleden uit Centraal Azië kwamen, en die zij voortaan ook exploiteerden als hun lijfeigenen en horigen. Kenmerkend voor hun overheersing was het wreed smoren van verzet en wrede straffen als vierendelen, radbraken, en het opensnijden van de buik waarbij de darmen nog verbonden aan het lijf in het vuur werden geworpen.
Levend villen. Gravure van Jan en Casper Luyken.

Maar de wreedste straf moet wel het publiekelijk levend villen zijn. Er bestond daarom tot 1848 een Europese handel in mensenhuiden en deze werden industrieel verwerkt tot boekenkaften, kleding en zelfs schoenen voor de elite. Kerkdeuren werden bespannen met mensenhuid, wat verder aantoont dat de onderwerping van de lijfeigenen door de adel als door god gewild zou zijn. Er was sprake van een kastenmaatschappij met de witten als de kastelozen. Deze informatie illustreert beter waarom er behoefte was aan een Verklaring van de Rechten van de Mens (1760), want de witte lijfeigenen vroegen hun adellijke meesters om als mensen gezien te worden.
Othello

Tegen die tijd verzonnen Verlichte burgerlijke ‘wetenschappers’ behorende tot de Zwarte intellectuele elite, de fictie van menselijke rassen en plaatsten om strategische redenen, de witte meerderheid aan de top van de evolutionaire ladder, en de Moor helemaal onderaan, net boven de Mensapen. De Moor (Othello, Mr. Elton, Zwarte Madonna’s, en de heraldische Moortjes) symboliseert adel en Zwarte Superioriteit. Hiermee gaf men dus weer hoe men precies dacht over de hoge Adel en hun Zwarte Superioriteit. De Franse Revolutie (1789-1794) vormde een aanzet en bracht de burgerlijke, kapitalistische elite aan de macht, maar voor het arme volk veranderde er bar weinig. Vanwege restauraties als die van Napoleon, duurde het pas tot de laatste revoluties van 1848 dat de witte Europeanen emancipeerden en de adel hun ‘privileges’ verloren.

Jane Austen

Jane Austen (1775-1817) werd als ‘brunette of complexion, en als ‘a brown, not a pink colour’ beschreven, en maakte al haar romanpersonages licht bruin, bruin, zeer bruin en zwart van gelaatskleur. Zij schreef tegen de verandering van status van Zwarte Europeanen. Ook de Surinaamse gouverneurs en planters behoorden tot deze gekleurde elite en adel. Na 1848 werd de geschiedenis revisionistisch, en dus wit geverfd. Hierbij maakte men gebruik van de modieuze, propagandistische portretten van de zwarte en bruine elite, die zich soms in het echte leven ook wit verfde en het gelaat bleekte; om een valse, gewitte geschiedenis te creëren.

Het nut van de Blauw Bloed Theorie is een deconstructie van de revisionistische geschiedenis en een deconstructie van racisme tegen de Zwarte mens, welke oorzaak in de wrede, maar civiliserende en kerstenende overheersing van witten door Zwarten gezocht moet worden. Witten vrezen en haten Zwarten omdat zij ooit door hen werden overheerst. Racisme is een bevrijdingsideologie. Alle onwetenschappelijke theorieën over mensenrassen, schedelmetingen etc zijn bedoeld om deze historische Zwarten wit te maken en de geschiedenis van de Zwarte Superioriteit te verbergen.
Dorothea van Denemarken, Prinses Palatine,
nichtje van Keizer Karel V van Habsburg




Dit nieuwe museum, in een trappenhuis van zijn woning, Eemstraat 36 te Den Haag, met de zegen van verhuurder Vestia Den Haag Zuid Oost, en alleen op afspraak te bezoeken; is voor iedereen toegankelijk, daarom betaalt men ook maar € 1 per persoon. Men kan kennis nemen van de portretten van de Zwarte heersers en hun Zwarte koninginnen. Er zijn reproducties van portretten van adel en slavenmeesters die eerder niet openbaar te zien waren of verborgen zijn in familie en wetenschappelijke collecties vanwege het zwarte uiterlijk. Tevens zal men postkaarten en studies kunnen kopen.

Dit Haagse museum moet leidden tot de oprichting van een Suriname Blue Blood Is Black Blood Museum in Suriname in 2013.
bluebloodisblackblood@hotmail.com

Informatie: Egmond Codfried 068427799

donderdag 28 juni 2012

Museum Meermanno en Letterkundig Museum vragen om zorgvuldigheid

door Aad Meinderts

18 juni 2012

Museum Meermanno en het Letterkundig Museum/Kinderboekenmuseum hebben vandaag de staatssecretaris het volgende laten weten.

Museum Meermanno en het Letterkundig Museum staan welwillend ten opzichte van verregaande samenwerking van hun instituten en hebben door middel van intensieve besprekingen een fundament gelegd voor een dergelijke samenwerking. Zij hebben er bovendien alle begrip voor dat ook zij hun bijdrage moeten leveren aan de bezuinigingsoperatie waar heel Nederland zich voor gesteld ziet. Een en ander betekent nochtans niet dat de weg vrij is voor onverantwoordelijke besluiten, waarbij de notie ‘behoorlijk bestuur’ met voeten wordt getreden.

Beide instellingen zullen afzonderlijk het uiteindelijk door de staatsecretaris op te leggen bezuinigingspercentage realiseren. Echter op 16 juli een gezamenlijk Activiteitenplan indienen dat tegemoet komt aan de eisen die aan een dergelijk plan gesteld moeten worden, behoort tot de onmogelijkheden. Als goed bestuurders dienen wij ons te houden aan wettelijk vastgelegde routes, waarin onder meer het Adviesrecht van de beide Ondernemingsraden gerespecteerd dient te worden. Beide instellingen zijn verantwoordelijk voor hun personeel. Om deze verantwoordelijkheid te kunnen nemen is zorgvuldigheid en dus tijd een vereiste.

De premisse van de Raad voor Cultuur dat verregaande samenwerking van de beide instituten de financiële ruimte biedt om voor beide afzonderlijk een korting van 25% op te leggen, wordt niet onderbouwd en is op basis van de feiten te weerleggen. Er is bovendien sprake van een gigantische kapitaalvernietiging, die in geen verhouding staat tot de te realiseren bezuiniging. Het Letterkundig Museum is zeer onlangs geheel gerenoveerd in voortdurend overleg met het Ministerie, waarmee een bedrag is gemoeid van € 9 miljoen, waarvan € 2 miljoen private gelden. Museum Meermanno is gehouden aan de stringente juridisch verankerde kaders die het testament van de stichter stelt; Meermanno is slechts de beheerder van het aan de Staat gelegateerde huis met collectie.

Het gelijkheidsbeginsel wordt met voeten getreden. Beide instituten zijn (hoe onterecht ook) door de Raad geplaatst in de derde categorie, waar een korting van 11,1% geldt. Voor onze instellingen is echter een negatieve uitzondering gemaakt: er komt nog eens 13,9% voor beide afzonderlijk bovenop. Zonder enige vorm van motivatie. Hoor en wederhoor is bovendien niet toegepast. In opdracht van het Ministerie van OC&W zijn beide instituten gevisiteerd. De rapporten die daarover aan het Ministerie zijn uitgebracht, zijn uitermate lovend. De Raad negeert de conclusies echter volstrekt. Opnieuw is van hoor en wederhoor geen sprake geweest, noch met de Raad, noch met het Ministerie.

Op grond van het bovenstaande is, samenvattend, onze mededeling aan de staatssecretaris:
- beide instellingen realiseren het uiteindelijk op te leggen bezuinigingspercentage
- de inleverdatum van het gezamenlijk Activiteitenplan wordt verplaatst naar een nog nader vast te stellen datum
- er wordt ruimte geboden voor hoor en wederhoor
- in de besluitvorming worden de Visitatierapporten betrokken.

Aad Meinderts is directeur van het Letterkundig Museum/Kinderboekenmuseum in Den Haag.

Foto @ Mike Sommer

woensdag 20 juni 2012

'Geschiedenis kun je niet opleggen'

Pepijn Reeser
De Surinaams geschiedenis moet van onderop geschreven worden. De geschiedschrijving moet niet opgelegd worden, met of zonder uzi. "Het moet gedragen worden", zei Rosemarijn Hoefte van het Koninklijk instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) bij de Nederlandse presentatie van het boek Verzamelaars en volksopvoerders, musea in Suriname 1863-2012 van de 28-jarige historicus Pepijn Reeser. Eerder werd het boek in Suriname gepresenteerd. Reeser legt uit dat de titel van zijn boek de mensen beschrijft die zich bezighouden met musea: "Ze vinden het belangrijk om iets te verzamelen, maar ze doen het met een doel." Geschiedenis is een gereedschap, zegt hij, waar je alles uit kunt halen wat je wil.

Bastion Veere
In Leiden kregen de plannen van de Surinaamse regering [geformuleerd in een rapport van adviseur Paul Middellijn] om het Surinaams Museum uit Fort Zeelandia te zetten veel aandacht. Dat kwam naar buiten enkele weken nadat het boek van Reeser op de binnenplaats van het fort was gepresenteerd. "Als je Bastion Veere uit de herdenking (van de Decembermoorden, red.) haalt dan maak je het een soort geuzenplek. Dan krijgt het een nog grotere lading dan het al heeft", zei Hoefte.
Volgens Reeser geeft het plan aan dat de musea door de Surinaamse regering minder belangrijk worden gevonden dan het levende erfgoed, zoals zang, dans en de vertelcultuur. "Maar ik vind het jammer. De instellingen die er nu zitten doen erg goed werk. Ik zie de noodzaak om ze weg te sturen niet." De historicus ziet parallellen met de militaire tijd van de jaren '80.
Dat de regering een eigen visie heeft op de geschiedenis vindt hij niet erg, als andere visies maar niet monddood worden gemaakt. Het Surinaams Museum is belangrijk om een ruimere blik op de geschiedenis te tonen; daar worden dingen getoond die niet meer bestaan. Volgens Reeser is het oude koloniale stempel een van de dingen waar de regering problemen mee heeft.

Paramaribo met het Presidentieel Paleis en de omgeving van Fort Zeelandia

Surinaams perspectief
Erik Schilp van het Nationaal Historisch Museum benadrukt dat geschiedenis nooit kan worden uitgewist: "Geschiedenis is sterker dan enig machthebber op enig moment." Hij zou het interessant vinden om het boek van Reeser over vijf jaar een update te geven met de ontwikkelingen die er dan zijn geweest. En met een ander perspectief: "Laat het door een Surinamer schrijven. Dan is de vergelijking interessant."

[RNW, 19 juni 2012]

dinsdag 12 juni 2012

Culturele sector in Nederland zwaar onder druk door bezuinigingen

door Rob Dumas

Na afloop van de Algemene Ledenvergadering van het KITLV in het Museum van Volkenkunde te Leiden op vrijdag 8 juni 2012 volgde een boeiende lezingenmiddag getiteld ‘Een nieuwe toekomst voor het (post)koloniale erfgoed’ waarbij schrijver dezes aanwezig was. De dagbladen en de journaals hebben er vol van gestaan: de culturele sector in Nederland staat zwaar onder druk van de bezuinigingen van de rijksoverheid. Het voortbestaan van diverse postkoloniale erfgoedinstellingen wordt hierbij bedreigd. In het huidige politieke klimaat worden door politici en publiek vragen gesteld over de relevantie van het koloniale erfgoed voor de hedendaagse postkoloniale samenleving. De stelling voor de lezingenmiddag op 8 juni 2012 luidt dat koloniaal erfgoed niet louter van belang is voor Nederlanders met een Indische, Molukse, Indonesische, Surinaamse of Antilliaanse/ Arubaanse afkomst, maar ook voor andere groepen. Op welke nieuwe manieren kan erfgoed voor meer mensen toegankelijk worden gemaakt, in Nederland en daarbuiten? En zullen de bestaande erfgoedinstellingen daar een even grote rol in blijven spelen?

 De sprekers die de lezingen gaven die middag gingen na hun lezing met de andere sprekers en mensen uit het publiek in discussie over de hierboven genoemde zaken. Eén spreker dr. Wayne Modest (hoofd museale zaken Tropenmuseum) maakte een onderscheid tussen instellingen die alleen erfgoed beheren van een bepaalde etnische groep en instellingen die nationaal erfgoed beheren. Hij was meer een voorstander voor musea en instellingen die nationaal erfgoed beheren, omdat ze een grotere doelgroep aanspreken. Twee spreeksters te weten Wendeline Flores (student-assistent Vrije Universiteit Amsterdam) en drs. Asmara Pelupessy (co-director UNFIXED en freelance schrijver/curator in visuele cultuur) opperden de idee dat musea niet aan een vaste locatie hoeven te zijn verbonden: reizende museale tentoonstellingen kunnen steden in binnen- en buitenland aandoen, en museumstukken kunnen op een virtuele plaats op het internet worden getoond aan het publiek. Drs. Wim Manuhutu (voormalig directeur van MuMa en nu onderzoeker Vrije Universiteit Amsterdam) opperde dat in het begin Museum Maluku (MuMa) niet als gelijkwaardig aan hen werd beschouwd door de grote musea in Nederland, maar dat MuMa door de wijze waarop het aandacht gaf aan speciale onderwerpen en tentoonstellingen toch een plaats wist te verwerven en tenslotte een verrijking heeft gebracht in de museale wereld in Nederland. Wim Manuhutu benadrukte dat het koloniale erfgoed deel uitmaakt van het nationale erfgoed van Nederland, omdat wij de samenleving zoals wij die nu kennen in Nederland te danken hebben onder meer aan het koloniale verleden van ons land.

[Bron: Facebook Indo-Maluku Garden Party, 12 juni 2012]