Posts tonen met het label Vey Mestdagh Karel de. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vey Mestdagh Karel de. Alle posts tonen

zaterdag 24 september 2011

Hot Brazilian Wax, Eric de Brabander

door Karel de Vey Mestdagh

De canon van de Nederlands-Antilliaanse literatuur is bijeen geschreven door een handjevol auteurs: Cola Debrot, Boelie van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion. Door de teloorgang van het Nederlands in het tropische deel van ons Koninkrijk was de verwachting dat het daarbij ook wel zou blijven. In een interview in NRC/Handelsblad, in 2004, verzuchtte Tip Marugg: ‘Als wij [Marugg zelf, Van Leeuwen en Arion] dood zijn, is het voorbij.’ Van de drie – Debrot overleed al in 1981 – leeft alleen Arion nog, die overigens in 2006 met de heruitgave van zijn roman Dubbelspel onverwacht veel aandacht kreeg tijdens de CPNB-actie ‘Nederland leest’. De sombere voorspelling van Marugg is gelogenstraft met het verschijnen van een aantal sterke romans van de hand van de Curaçaose advocaat en auteur Erich Zielinski, waaronder De engelenbron (2004) en De prijs van de zee (2008). Zielinski schrijft zinderend proza in de beste Caribische traditie dat niet onderdoet voor het werk van de ‘grote vier’.
En sinds kort hebben we ook kennis kunnen maken met Eric de Brabander. Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is De Brabander een schrijver van een onweerlegbaar Antilliaans snit. Zijn debuut uit 2009, Het hiernamaals van Doña Lisa, heeft de intensiteit en broeierigheid die de streek en zijn schrijvers zo kenmerken. Het verhaal over vier man op een barkje toont sterke trekken van het karakteristieke Zuid-Amerikaanse fabuleren. Het deel dat speelt op de kust van Venezuela (waar het viertal na een oversteek vanuit Curaçao terechtkomt) is meeslepende literatuur die blijk geeft van gedegen schrijverschap. Het doet denken aan het in Nederland onopgemerkt gebleven De muggen van San Antonio, van de Curaçaose schrijver-journalist J. van de Walle, waarin de auteur de schrijfstijl van Gabriel Garcia Márquez evenaart. Eric de Brabander gaf met zijn ‘Hiernamaals’ een visitekaartje af als verteller pur sang.

woensdag 11 mei 2011

Om piraterij uit te roeien moeten walproblemen worden opgelost

Macht en onmacht van rechtsvervolging

door Karel de Vey Mestdagh

Piraterij heeft heel wat juridische kanten. Om te beginnen is er de definitie in het internationale recht (het VN-Zeerechtverdrag) die zegt dat je alleen van piraterij mag spreken als een schip op de volle zee wordt aangevallen. Binnen de territoriale wateren wordt gesproken van gewapende overvallen op zee (armed robbery at sea), oftewel zeeroof. In de volksmond zijn piraterij en zeeroof natuurlijk uitwisselbaar en in de praktijk is er ook weinig of geen verschil. Maar toch, waar de misdaad plaatsvindt, is juridisch van groot belang, omdat daarmee wordt bepaald wie tegen de vrijbuiters mag optreden. Tegen gewapende overvallen binnen de territoriale wateren is alleen de kuststaat bevoegd iets te ondernemen. Er is, juridisch gezegd, alleen nationale rechtsmacht. Ten aanzien van piraterij – op volle zee dus – bestaat van oudsher zogenaamde universele rechtsmacht. Dat betekent dat ieder land piraten mag oppakken en berechten, ongeacht waar ze vandaan komen, waar ze op volle zee hun sinistere bedrijf uitoefenen, of onder welke vlag het aangevallen schip vaart.

Veiligheidsraad
Dat zien we nu precies gebeuren in de Golf van Aden en op Indische Oceaan. De Europese Unie, de NAVO en een aantal afzonderlijke staten (o.a. Rusland, China en Japan) zijn er actief om de internationale scheepvaartroutes zo veel mogelijk vrij te houden van Somalische piraten. Daarmee wordt invulling gegeven aan een van de verplichtingen uit het VN-Zeerechtverdrag om internationaal samen te werken bij de bestrijding van piraterij. Bovendien zijn er sinds 2008 – in de periode dat de piraterij voor de kust van Somalië echt uit de hand begon te lopen – een aantal resoluties aangenomen door de Veiligheidsraad van de VN. Daarin staan regels die de hele wereldgemeenschap binden en die vreemde mogendheden bovendien onder bepaalde voorwaarden toestaan – alle juridische begrenzingen ten spijt – tegen piraten op te treden binnen de territoriale wateren (ja, zelfs op het vaste land) van Somalië. Dat laatste is in het internationale recht een ongekende maatregel, die in dit geval wel moest worden genomen omdat Somalië als (functionerende) staat ter ziele is. Het land is wat ze tegenwoordig een failed state noemen en is zelf niet bij machte de orde in de eigen wateren te handhaven.

Bezemactie
Zoals bekend, neemt de Koninklijke Marine deel in missies van zowel de EU als de NAVO. En dat het hard nodig is om zo onze eigen en andermans belangen te verdedigen, blijkt wel uit de cijfers. In de eerste helft van 2010 werden 57 van de 78 aanvallen van kapers daadwerkelijk afgeslagen en kon een veelvoud daarvan worden verijdeld door voortdurende veegacties. Toen de Hr. Ms. Tromp eind april in Den Helder afmeerde, na een missie van enkele maanden in de Golf van Aden en het Somalië Bassin, had de commandant een bezem in de mast laten binden – in navolging van de roemruchte naamgever van zijn fregat admiraal Maarten Harptszoon Tromp. Het schip was uitermate succesvol geweest in het aanhouden, ontwapenen en zelfs overmeesteren van piraten: 83 in getal, waarvan 10 tijdens een gewapende ontzetting van een Duits koopvaardijschip. Daarnaast vernietigde het fregat dertien skiffs. Ook in de tweede helft van 2010 werden door de Nederlandse marine veel kapingen voorkomen en piraten opgepakt. Bij één actie waren dat er zelfs 18 (na het ontzetten van een Zuid-Afrikaans zeiljacht). Datzelfde geldt nu al voor 2011. De Koninklijke Marine is opnieuw vele malen in actie gekomen. Hoewel door intensief patrouilleren het aantal kapingen in de Golf van Aden meer dan gehalveerd werd, baart het zorg dat piraten zich steeds verder op de Indische Oceaan wagen. Dit jaar zijn er in het eerste kwartaal alweer 83 incidenten gemeld en werden 14 schepen daadwerkelijk gekaapt met inbegrip van 250 bemanningsleden. De Koninklijke Marine ontzette nog begin april met geweld een gekaapt Iraans schip en arresteerde weer 16 piraten. Zeer verontrustend is dat de kapers steeds meer geweld gebruiken tegenover de gegijzelde bemanningen en er zelfs niet meer voor terugschrikken te doden.

Vissers
De grote vraag is wat je met al die opgepakte piraten aan moet. Als jurist moet ik mezelf dan eigenlijk al onmiddellijk corrigeren. Het gaat formeel gesproken nog om verdachten van piraterij. En ook al jeuken je vingers, je moet erg op je tellen passen. ‘Geen woorden, maar daden’ is nog altijd een prachtig Rotterdams credo, maar de wereld zit als het gaat om vervolging en berechting toch anders in elkaar. Ook zeerovers zijn onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. Bij op heterdaad betrapte onverlaten, die al aan boord van een koopvaardijschip gingen, lijkt het bewijs simpel te leveren, maar bij al die tientallen groepjes die in hun skiffs over de zee zwalken (op zoek naar een prooi) is dat veel lastiger. Wanneer zo’n scheepje wordt opgebracht, zijn de wapens vaak al overboord gegooid. Als dat niet is gebeurd, is steevast het verweer dat het vissers zijn die wapens aan boord hebben om zich te beschermen tegen piraten. En dat kan nog waar zijn ook! Vrijwel iedereen die voor de kust van Somalië de zee op gaat, doet dat bewapend. Er wordt zelfs gevist door in het water te schieten, om zo de vis op te jagen. ’s Lands wijs, ’s lands eer. Desondanks stuit men al te vaak op scheepjes met wel heel veel vissers aan boord… Wil je dergelijke lieden dus kunnen vervolgen en veroordelen, dan zal ieder flintertje belastend bewijsmateriaal moeten worden verzameld. Ook piraten hebben recht op een eerlijk proces. Getuigenissen van de bemanning van een aangevallen schip, onder ede afgelegd voor een rechter op de wal, kan daarbij doorslaggevend zijn. Maar mag je van schepelingen die de wereldzeeën bevaren verwachten dat ze komen opdraven voor een rechtbank in Mombasa of Rotterdam? Zeker is wel dat de bewijsvoering erbij gebaat is. Te hopen valt dat rechters meer genoegen gaan nemen met via teleconferenties (verhoor) afgelegde getuigenverklaringen.

Verontwaardiging
Hoewel iedere rechter waar ook ter wereld piraten zou mogen berechten (vanwege de universele rechtsmacht), is tot op heden de grootste vraag welke rechter er het meest voor in aanmerking komt. Het spreekt bijna vanzelf dat je als politieagent niet iedere verdachte die je arresteert mee naar je eigen huis kunt nemen. Toch is er veel onbegrip en verontwaardiging over het feit dat marineschepen die patrouilleren voor de kust van Somalië niet alle piraten die ze oppakken aan boord houden en naar het eigen land overbrengen. Het Nederlandse openbaar ministerie vervolgt bijvoorbeeld alleen piraten wanneer Nederlandse belangen in het geding zijn; d.w.z. wanneer het aangevallen schip onder Nederlandse vlag vaart, de bemanning Nederlands is, of de lading een duidelijk Nederlands belang vertegenwoordigt. Datzelfde geldt wanneer een schip in Curaçao is geregistreerd, alleen is het dan in eerste instantie aan het openbaar ministerie in Willemstad om te beslissen over vervolging. Veel voeren een eender beleid. Het opportuniteitsbeginsel (d.w.z. zelf uitmaken wie je vervolgt) speelt ook hier een grote rol. Daar komt bij dat het verre de voorkeur verdient om piraten – voor het merendeel toch gewone criminelen en gelegenheidsboeven – in het eigen land of de eigen regio te berechten en gevangen te zetten. Je zit dan minder met taalbarrières en houdt de verdachte in zijn eigen omgeving en cultuur. Rechtspraak in de regio ligt dan ook voor de hand.

Ontzag
Als daar reden voor is, onttrekt Nederland zich zeker niet aan zijn verplichtingen. Dat mag blijken uit de wereldwijd geprezen veroordeling van vijf piraten tot forse gevangenisstraffen door de rechtbank in Rotterdam, in juni 2010. Het ging daarbij om piraten die door de Deense marine waren opgepakt toen ze in 2009 probeerden een onder Nederlands-Antilliaanse vlag varend schip te kapen. De tien piraten die onze mariniers in 2010 overmeesterden op de Duitse vrachtvaarder, werden voor berechting uitgeleverd aan Duitsland. Die gewapende ontzetting door de Koninklijke Marine en de afhandeling ervan boezemden ontzag in bij de partnerlanden. Als je daarbij de vele andere acties van onze fregatten optelt, levert Nederland een grote bijdrage aan de piraterijbestrijding. Soms doen we zelfs meer dan van ons verwacht mag worden: van de 18 piraten die werden opgepakt na de bevrijding van het Zuid-Afrikaanse zeiljacht, najaar 2010, werden er 5 voor berechting overgebracht naar Nederland, hoewel er geen rechtstreeks Nederlands belang in het spel was. Geen van de direct betrokken landen wilde in dat geval vervolgen ofschoon er een overdaad aan hard bewijs was gevonden. Het tegengaan van straffeloosheid lukt overigens alleen als er nauw internationaal wordt samengewerkt en in Den Haag de ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie en Justitie (incl. het OM) heel goed op elkaar zijn ingespeeld. Want er gelden allerlei regels van nationaal en internationaal recht die zeer dwingend zijn en bij niet-naleving roet in het eten kunnen gooien. Om de internationale coördinatie en samenwerking goed te laten verlopen, wordt bovendien zeer regelmatig overlegd tussen alle betrokken landen. Daarbij worden zowel operationele zaken, als juridische procedures op elkaar afgestemd. Nuttig en concreet werk!

Bottleneck
Omdat Somalië, als failed state, zelf geen optie is om piraten aan over te dragen, wordt met man en macht geprobeerd buurlanden zo ver te krijgen gevangen genomen piraten te berechten. Landen die bereid zijn dat te doen, krijgen veel financiële steun van onder andere de Verenigde Naties en de Europese Unie. Op dit moment hebben de EU en een paar afzonderlijke landen afspraken met Kenia en de Seychellen. Dat is nog niet voldoende en Kenia vraagt terecht om een eerlijker lastenverdeling. Het land heeft in een jaar tijd al zo’n 120 piraten overgenomen van patrouillerende marineschepen. Vervolging en berechting is overigens in Afrikaanse landen niet het enige dat zwaar valt. Het is vooral ook de gevangenhouding van veroordeelde piraten, waartegen veel verzet bestaat. Veroordelingen tot soms wel 20 jaar vormen een grote belasting voor het lokale gevangenissysteem. Bij voorkeur zouden de piraten hun straf moeten kunnen uitzitten in Somalië, maar daar zijn domweg geen behoorlijke gevangenissen. Dat is nog steeds een echte bottleneck in de onderhandelingen met landen in de regio. Gesprekken gaan wel voortdurend door; bijvoorbeeld met Mauritius en Tanzania. Hopelijk helpt het dat binnen afzienbare tijd met VN-steun gebouwde gevangenissen in Somaliland en Puntland opengaan. Met deze twee noordelijke provincies van Somalië, waar eigen overheden zorgen voor enige rust en orde, wordt in toenemende mate zaken gedaan.

Bewijs
De bereidheid van landen om piraten over te nemen wil nog niet zeggen dat iedere aangehouden verdachte ook kan worden overdragen en berecht. De landen in de regio zijn zeer beducht voor verdachten van wie uiteindelijk voor de rechter niet kan worden bewezen dat ze daadwerkelijk van plan waren een schip te kapen. Het juridische systeem wordt ermee belast, en ook van een onschuldige piraat ben je niet zomaar af. Zodra men twijfelt aan de hardheid van het bewijs, wordt een overdracht zonder meer geweigerd. Dat heeft ertoe geleid dat marineschepen verdachte piratenbootjes regelmatig aanhouden en ontwapenen, om ze daarna weer af te duwen met voldoende benzine en leeftocht om land te bereiken. Bij het schoonvegen van de wateren rond Somalië kom je eenvoudigweg te veel vrijbuiters tegen, om ze allemaal met uitzicht op veroordeling voor een rechter te krijgen. Dat is zeer frustrerend – in de eerste plaats voor de mannen en vrouwen van de marine – maar het doet gelukkig niet af aan het belang van hun actieve aanwezigheid. Kapers wordt de wind uit de zeilen genomen en er wordt veel wapentuig in beslag genomen. De bezem mag wat dat betreft in top blijven.

Hoofdprijs
Straffeloosheid van piraterij moet worden voorkomen. Dat staat ook bij Nederland hoog in het vaandel. Om dat te bereiken, moeten er nog heel wat juridische hordes worden genomen. Maar zelfs dan zijn we er niet. Om echt een halt toe te roepen aan kapers op de Somalische kust, moet het land erachter weer een staat worden, met een regering met gezag en macht. Eerst moet in Somalië de vicieuze cirkel van wetteloosheid, geweld en wanhoop worden doorbroken. Dat lukt alleen als zich daar een begin aftekent van economische ontwikkeling en ordeherstel, waaruit de verarmde bevolking vertrouwen voor de toekomst kan putten. De paupers van de kust zoeken hun geluk als piraten op zee. En daarbij gaan ze inmiddels voor de hoofdprijs van miljoenen euro’s losgeld per schip. Voor het uitroeien van hun criminele bedrijf (en dat van hun masterminds) dienen de problemen aan de wal te worden opgelost. Ook daarbij moeten wij proberen te helpen; in ons eigen belang. Want met juridische handgrepen alleen zal het niet lukken. En ook met de bezem in de mast bestrijden we slechts symptomen – hoe onvermijdelijk, noodzakelijk en nuttig ook.

[Een eerder versie van dit artikel verscheen in Schuttevaer, 122e jaargang, nr. 48.]

dinsdag 10 mei 2011

Diplomaten tegen piraten

Karel de Vey Mestdagh is diplomaat en schrijver. Hoe komt iemand op het ministerie van Buitenlandse Zaken verzeild in maritieme aangelegenheden? En dan nog wel bij piraterijbestrijding!

‘Het ligt niet direct voor de hand, maar als je bent geboren en getogen in het havenkwartier van Rotterdam heb je, het kan haast niet anders, iets met schepen. Om mijn vakanties bij elkaar te sparen, voer ik in de jaren zestig van de vorige eeuw een aantal zomers als matroos op de watertaxi van de Spido-havendienst. Een kleiner vaartuig kon haast niet, al kwam je wel langszij de allergrootste zeekastelen. Je meldde je bij het kantoor van Smit aan de Willemskade en een dag later kon je aanmonsteren in de Leuvehaven. Zo gemakkelijk ging dat toen. Het is inmiddels bijna een halve eeuw geleden dat ik om ‘hamerstelenvet’ naar de shipchandler werd gestuurd, maar de geur van diesel, sisal en teer zijn mij altijd dierbaar gebleven.

Kustwacht
‘Het zou ruim dertig jaar duren voordat ik weer met schepen te maken kreeg. In 2001 werd ik, namens het ministerie van Buitenlandse Zaken, lid van de toenmalige Kustwachtcommissie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Plotseling ging het over cutters en RHIB’s (Rigid Hull Inflatable Boats) en waren er van tijd tot tijd de oude vertrouwde geuren die voor mij bij een havenkade horen. Parera, Savaneta: de lucht van stookolie aangelengd met een fikse vleug tropenhitte. Ik kreeg te maken met schepen die zich, in nauwe samenwerking met de Koninklijke Marine, bezighielden met search and rescue, en vooral ook met het onderscheppen van drugstransporten afkomstig uit landen als Colombia en Venezuela. Onverwacht kruiste overigens vervoer van een heel ander kaliber mijn pad: in oktober 2001 verscheen een supertanker met illegale olie uit Irak op de rede van Curaçao. In strijd met de boycot van Irak was lading opgetopt. Het ging om en miljoenenfraude. Plotseling zat ik middenin een affaire met een crimineel lange en ingewikkelde nasleep.’

Zeerovers
‘Bijna negen jaar later, in 2009, werd ik gevraagd mij met de juridische vraagstukken van de piratenbestrijding te gaan bezighouden. Het maritieme wel en wee hield mij duidelijk in zijn greep. Diplomaten tegen piraten! Het leek mij een boeiende uitdaging die ik graag aannam. Hugo de Groots vrijheid van de volle zee was mij al in mijn studietijd ingeprent en nu kon ik meehelpen die te verdedigen. Uit de media kende ik de berichten over de toenemende piraterij voor de kust van Somalië, maar veel wist ik er nog niet van. Piraten en kapers waren voor mij in de eerste plaats een boeiend fenomeen uit een ver verleden: de Barbarijse zeerovers, de boekaniers in de Cariben en natuurlijk de Duinkerker kapers, waarvan ikzelf – volgens een twijfelachtige familielegende – nog af zou stammen. Maar of ik dat laatste moest willen? De vervloekte broeders van de kust, zoveel wist ik heel goed, maakten nog altijd de zeeën onveilig. Zelfs weer in toenemende mate. De Zuid Chinese Zee, de Straat van Malakka, de Baai van Bengalen, de Golf van Guinee, en sinds een paar jaar de Golf van Aden en het Somalië Bassin, je moest je er als zeevaarder maar niet te lang ophouden. Dangerous places!

Inspiratiebron
‘Vijftig jaar geleden speelde ik op de pontons in de Rotterdamse Zalmhaven en tussen de opgestapelde kratten aan de Parkkade. Daar droomde ik van verre reizen, van aanmonsteren op een van de schepen van de HAL die in die tijd aan de overkant lagen afgemeerd. En al ben ik dan nooit een zeeman geworden, ik voel me wel thuis in de wereld van de koopvaardij en de marine. Die wereld figureert niet voor niets in de boeken die ik de laatste jaren schreef. De Rotterdamse haven komt op meer plaatsten terug in mijn debuut Onder een hemel van tin (Vorroux 2005). De affaire met de illegale olie uit Irak leidde tot mijn in 2010 verschenen roman Ruwe olie (In de Knipscheer), waarin de tankervaart een belangrijke plaats inneemt. Werken op Buitenlandse Zaken, ik kan het niet ontkennen, is een rijke inspiratiebron gebleken voor mijn literaire aspiraties. En dat ik als jurist en diplomaat mijn steentje kan bijdragen aan de bestrijding van piraterij sluit daar wonderwel bij aan.’

maandag 5 juli 2010

Ruwe olie: macht en onmacht van eilanden

door Quito Nicolaas

Met de verschijning van de romans Het hiernamaals van Doña Lisa, Devah en Ruwe Olie, slaat Uitgeverij In de Knipscheer een nieuwe koers in. Het zijn romans die allemaal deels op de Antillen afspelen en in het geval van Devah van Jacques Thönissen al helemaal niet op de Caribische eilanden. Jarenlang heeft de uitgever garant gestaan voor de Antilliaanse, Caribische, Indische en Surinaamse literatuur in Nederland, maar nu met een extra dimensie toegevoegd. Bij de nieuwe generatie schrijvers – niet naar leeftijd maar qua thematiek – zien we steeds meer dat grensoverschrijdende thema’s worden aangeboord. Thema’s die het lokale gebeuren met het internationale gebeuren met elkaar verbinden. Een duidelijke keuze van de schrijvers om daadwerkelijk over de schutting heen te kijken.

Karel de Vey Mestdagh schetst in zijn roman Ruwe olie de malafide praktijken in het olietransport en de humane kant van de betrokkenen. Het verhaal begint met de reis van De Vidal naar Curaçao om zijn opdrachtgever met tal van adviezen bij te staan in een wetgevingsoperatie. Als een insider weet de auteur de lezer vanaf het begin met zijn verhaal te boeien, wanneer De Vidal betrokken raakt bij deze affaire. Op de achtergrond speelt zijn vastgelopen relatie met Tessa, die hem beschuldigt van een extensieve interpretatie van de term vrijheid. In feite speelt er bij Tessa haar toekomst om een onbekommerd leven als ambassadeursvrouw in het buitenland te leiden veel meer een rol dan die eerste misstap. Min of meer ter compensatie van het gemis van zijn vrouw, viel De Vidal in de armen van Dagny – eigenaresse van de Penthouse Penrose – waarmee hij ook een avontuur leek te beleven.

In het tweede deel krijgen we te lezen over Ferakis, de Griekse kapitein van de Olympic Destiny, die een illegaal olietransport uit Irak naar Curaçao moest vervoeren. Het zou zijn laatste keer zijn dat hij zich inliet met dergelijke strafbare feiten en beschouwde het als een redelijke beloning voor na zijn pensioen. Zijn vrouw Anna en zijn gehandicapte zoon konden dit douceurtje goed gebruiken. Geruime tijd worstelde Ferakis met de vraag: doen of de rederij aangeven? Tot zijn verbazing kon hij - ondanks dat er strikt werd gecontroleerd in het kader van het VN Olie-voor-voedselprogramma - vanuit Dubai doorvaren naar de VS en Curaçao.

In tegenstelling tot mijn eerdere kritiek op Het hiernamaals van Doña Lisa, had de auteur ditmaal de sfeer en spanning onder het personeel aan boord van de tanker goed gebruikt. Alleen de overgang naar hfst 20 verloopt niet helemaal soepel en valt een beetje rauw op de maag. De auteur hanteert de gangbare versie van het 09/11-gebeuren – ofschoon dat naderhand was bijgesteld - en doet de vraag rijzen of je als auteur hieraan gehouden bent. In dat verband was meer inventiviteit van de auteur verwacht, daar ook in het geval van een historische roman men de feiten niet exact hoeft te gebruiken.

Het is een verhaal vol met gewetensvragen, spanning, intriges en alledaagse realiteit. Een roman die o.a. opnieuw de wisselwerking tussen de twee werelden ter sprake brengt. De Europese invloed die zich steeds meer manifesteert in het Curaçaose denkpatroon en het Caribische bloed dat meer in de Europeaan stroomt. Ondanks het bestaan van de The Hague - Visby rules en het toeziende oog van de VN heeft de auteur, de lezer het ontbrekende inzicht verschaft dat de internationale betrekkingen tussen bevriende staten op een andere leest is geschoeid dan op het formele internationaal recht.


Foto rechts : olieraffinaderij Curaçao, @ Michiel van Kempen

zaterdag 1 mei 2010

Dirty ships, dirty business!

door Ezra de Haan

Ruwe olie, een uitgave van In de Knipscheer, is de eerste roman van Karel de Vey Mestdagh die in 2005 met de verhalenbundel Onder een hemel van tin debuteerde. Het boek opent met een proloog over een ontroostbare Anna in Volisós, een dorp in Griekenland, maar speelt zich grotendeels af op Curaçao en de omringende Caribische wateren. Ruwe olie gaat dan ook over internationale gebeurtenissen, zwendel en machtspolitiek in 2001.

Teun de Vidal, Vidal voor zijn vrienden maar voor de meeste mensen meneer de Vidal, is ambassadeur geweest en heeft zijn baan op Buitenlandse zaken ingeruild voor een freelance baan als consultant. Het brengt zijn huwelijk in gevaar dat, na een slippertje, toch al op de tocht stond. Een opdracht op Curaçao komt dan ook als geroepen. Als hij de vliegtuigtrap afdaalt, roept het eiland gevoelens van heimwee op naar de ruime toelagen die hij ooit als ambtenaar ontving. Met een van de hoofdpersonages komt ook de lezer aan op Curaçao. De Vey Mestdagh beschrijft die aankomst als een ervaren eilandbezoeker. Je voelt, ruikt en proeft het eiland, zelfs als je er nog nooit bent geweest.

‘De avond was gevallen, maar desondanks beving de hitte me op het asfalt dat lag na te gloeien van een dag lang onbarmhartige zon. Mijn colbert zat me direct ongemakkelijk en mijn broekspijpen leken aan mijn benen te plakken. Ik snoof de mij zo bekende lucht op van de Benedenwinden: warm, vochtig, in de verte ruikend naar karton, naar een fletse geur van schimmel en verrotting met een zoete vleug. Iets zoets dat aan je lippen kleefde en werd versterkt door het zilt van de passaat die eeuwig kwam aanwaaien over de onstuimige branding aan de noordkust. Mijn neusvleugels trilden, dit was Curaçao!’

De Vey Mestdagh is een schrijver die weet hoe hij lezers moet verleiden. Het is niet alleen het Caribische waaraan hij ons laat ruiken, hij giet er ook een vleugje suspense bij. Zo schetst hij de ‘buurvrouw’ van Vidal in het vliegtuig als een uiterst aantrekkelijke dame die wellicht iets met drugssmokkel te maken heeft. De besognes van Vidal betreffen echter andere problemen op Las islas inútiles, de nutteloze eilanden - zoals de Spanjaarden ooit de Benedenwinden met minachting noemden. Het gaat hem om internationale aangelegenheden.

Meteen als Vidal in Fort Amsterdam met Ravelijn, de directeur van de Dienst, in gesprek gaat, merk je dat de auteur het jargon van dit soort heren kent. Vidal krijgt dossiers mee om zich in te lezen. Terwijl hij nog namijmert over de afkomst van Ravelijn, die de hele Antilliaanse geschiedenis in zijn genen met zich meedraagt, merkt hij dat er iets aan de hand is. Het is 11 september en samen met wat verslagen Antillianen kijkt hij gebiologeerd naar een sneeuwerig televisiescherm waarop de instorting van het World Trade Center te zien is. Deze vermenging van feiten en fictie gaan we vaker in deze roman tegenkomen. Het samengaan van wat we kennen met wat zou kunnen, geeft een redelijk onbehaaglijk gevoel.

Zelfs ervaren topambtenaren als Vidal en Ravelijn zijn door de aanslag geschokt omdat juist op dat moment een van de hoogste veiligheidsadviseurs van het Witte Huis op het eiland op vakantie is. Ze zijn bang dat Curaçao door de bezoeker ook een ‘target’ kan worden. De minpres, in normaal Nederlands minister-president, is al op de hoogte gebracht. Het hectische van het gebeuren heeft zijn weerslag op de roman. De Amerikaanse consul, de Curaçaose autoriteiten, de veiligheidsdienst, de politie en de marine, werkelijk alles en iedereen wordt gemobiliseerd om de official van het Witte Huis veilig thuis te krijgen. De opluchting na de afronding van deze klus is echter van korte duur. Alleen komt de opwinding in de roman nu uit een heel andere hoek. Dagny Bilitt, een wonderschone mulattin en de eigenaresse van het hotel waarin Vidal verblijft, blijkt meer in hem te zien dan een hotelgast. Voor even vergeten ze de ontluistering die de septemberdag met zich meebracht en verliezen ze zich in elkaar.

Vooruitwijzend op wat komen gaat gebruikt De Vey Mestdagh Curaçao als metafoor.

‘We spelen op deze klip allemaal een rol, Vidal, ieder voor zich; een rol waar we wel in moeten geloven, want het is onze werkelijkheid, maar het is een werkelijkheid die volgens mij achter de horizon niet bestaat en daar ook niet begrepen wordt. Je moet overeind blijven op deze struikelrots en er niet afvallen, want dan verdrink je in de golven. De zee ontneemt ons het zicht op de wereld.’

De volgende dag verneemt een door de liefde licht benevelde Vidal van Ravelijn dat die hem hard nodig heeft. Een volgend probleem komt op hen af in de vorm van een schip vol met illegale olie. Koste wat kost moet voorkomen worden dat die olie in Willemstad wordt gelost. Dat zou een overtreding van VN-sancties zijn.

Langzaam begint het de lezer duidelijk te worden waarop De Vey Mestdagh wees met zijn citaat ‘Un palabra, su simplesa ta apsurdo,’, want de werkelijkheid blijkt absurd als politici het elkaar moeilijk gaan maken.

Ver weg van de wereld van de diplomatie staat de Griekse kapitein Ioannis Ferakis aan het roer van een olietanker. Zijn schip is een wereld op zich, vormt een eiland en komt daarmee overeen met Curaçao. Niet voor niets gaat een citaat uit The Rime of the Ancient Mariner van Coleridge aan dit hoofdstuk vooraf. Er wacht de Olympic Destiny niet veel goeds. Ferakis vermengt legale olie met illegale en spaart met deze malversaties voor de toekomst van zijn gehandicapte zoon. Ook op zijn laatste reis heeft hij de verleiding van het grote geld niet kunnen weerstaan. Daarmee is hij weer in het web van malafide opdrachtgevers, Irakezen, een oliehandelaar en cynische afnemers terecht gekomen. Het naderend onheil verbeeldt De Vey Mestdagh mooi met een referentie naar The Rime of the Ancient Mariner: een enorme albatros vliegt met het schip mee en blijft ‘biddend’ Ferakis lang aankijken. Deze voelt een rilling over zijn rug gaan. Een albatros kondigt immers rampspoed aan.

Net als bij Vidal begint die rampspoed met het Breaking News dat een vliegtuig in een toren van het World Trade Center is gevlogen. En terwijl de ene na de andere aanslag op Amerika bekend wordt, dringt het tot Ferakis door dat hij nu met zijn besmette, illegale olie grote problemen kan krijgen. Curaçao, het Caribische belastingparadijs en niet echt een oord voor strikte handhaving van wetten, lijkt hem de ideale plek om zijn olie te lozen. Helaas voor hem wordt Irak inmiddels in verband gebracht met Al Qaida. In de persoon van Ravelijn maakt Curaçao Ferakis snel duidelijk dat ze hem liever niet zien verschijnen. Maar de Destiny kan met zijn formaat nergens anders terecht. Zo ontstaat een patstelling waarbij het schip en zijn bemanning en de diplomaten op Curaçao niet meer voor of achteruit kunnen. Amerika en de VN zien toe op de naleving van de boycot en Internationale Aangelegenheden op Curaçao moet het probleem maar zien op te lossen.

Keer op keer wijst De Vey Mestdagh in deze roman op de eenzame mens, een speelbal op de golven van internationale wateren. Speels wordt het jargon van die wereld gebruikt in zinnen als ‘We moeten de man op de heuvel bellen’, met wie de Amerikaanse consul wordt bedoeld. Het schip met zijn kleurrijke bemanning vormt een eiland vol mensen die allemaal hun mening over de politieke ontwikkelingen hebben. De auteur schetst zo met groot gemak hoe wereldwijd op 9/11 werd gereageerd. Naarmate de Destiny langer voor anker moet blijven liggen, groeit het ongenoegen onder de zeelieden. En ook op Curaçao ziet men de situatie als een Amerikaans complot. Het zwarte goud aan boord van het schip is in zwarte gal veranderd en ieder voorstel om de zaak op te lossen stuit op een ‘no-go’ uit Washington.

Ruwe olie van Karel de Vey Mestdagh is een vlotlezende, literaire roman waarin harde feiten en een grote kennis van het ‘wheeling and dealing’ van de diplomatieke wereld tot heerlijke faction heeft geleid. Curaçao speelt een belangrijke rol in dit boek. Tussen de diplomatieke gesprekken door lezen we over de raffinaderij, de wijk Pietermaai, Fòrti (Fort Amsterdam), en het Wilhelminaplein. Dat is de kracht van De Vey Mestdagh, zowel Griekenland als Curaçao doen ertoe in dit boek, net zoals de personages, die van vlees en bloed zijn. Het maakt hun beweegredenen begrijpelijk en daarmee des te pijnlijker.

[overgenomen van Literatuurplein.nl]

maandag 19 april 2010

Twee schrijvers, twee romans


Op zaterdagmiddag 1 mei 2010 vindt de presentatie plaats van twee nieuwe romans: Devah van Jacques Thönissen uit Aruba en Ruwe olie van Karel de Vey Mestdagh over Curaçao

Uitgeverij In de Knipscheer de OBA en de Werkgroep Caraïbische Letteren nodigen u van harte uit aanwezig te zijn bij deze dubbelpresentatie.


Peter de Rijk (presentator Kunst&Cultuur Amsterdam FM Radio)
gaat in gesprek met Jacques Thönissen over zijn roman Devah en met Karel de Vey Mestdagh over zijn roman Ruwe olie.

Beide auteurs vertellen over hun romans en lezen een fragment voor uit Devah en Ruwe olie.
Na afloop signeren de auteurs voor belangstellenden hun boeken.

Tijd: zaterdag 1 mei 2010, 15.00 uur
Plaats: Openbare Bibliotheek Amsterdam, Centrale Bibliotheek
Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam
Theater van ’t Woord, 7de etage
Zaterdagmiddag 1 mei 2010, 15.00 uur
Toegang: gratis
Bereikbaarheid: klik hier
Reserveren noodzakelijk: via deze link of aan de kassa in de bibliotheek of telefonisch op 020 - 52 30 900

Over Jacques Thönissen zijn roman Devah klik hier
Over Karel de Vey Mestdagh zijn roman Ruwe olie klik hier

Bovenste foto: Jacques Thönissen, onderste: omslag van het boek van Karel de Vey Mestdagh

woensdag 24 maart 2010

Nieuwe roman van Karel de Vey Mestdagh


Op 1 april a.s. houdt Uitgeverij In de Knipscheer een nieuwe roman ten doop die zich afspeelt op de Nederlandse Antillen: Ruwe olie van Karel de Vey Mestdagh.

Karel de Vey Mestdagh is werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en sinds 2001 in de functie als adviseur Koninkrijksrelaties. Als zodanig heeft hij zich bijzonder ingezet voor de verbetering van de wederzijdse samenwerking tussen Nederland en de Nederlandse Antillen.
In een periode die gekenmerkt wordt door ingrijpende veranderingen, dekolonisatie en verdere globalisering, en de daarmee samenhangende spanningen, heeft hij op bijzondere wijze inhoud helpen geven aan de relatie tussen beide rijksdelen. Hij heeft zich ingezet om te komen tot nieuwe afspraken over de samenwerking met de Nederlandse Antillen als zodanig en voor het opzetten van een structuur van samenwerking voor de nieuw te vormen landen Curaçao en Sint Maarten. Hij werd voor die inzet benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Datum presentatie: donderdag 1 april 2010
van 18.00 – 19.00 uur (zaal open 17.30 uur)
Plaats: Centrale Bibliotheek ’s-Gravenhage
[Culturele ruimte op de 3de etage, naast de Collectie Antilliana]
Spui 68, 2511 BT Den Haag (bij het Stadhuis) *
R.S.V.P. indeknipscheer@planet.nl

* Voor hen die met eigen vervoer komen: in verband met werkzaamheden aan het Spui kan alleen geparkeerd worden in de parkeergarages in de omgeving.

Bent u verhinderd op 1 april?
Er vindt ook nog een programma plaats rond het verschijnen van Ruwe olie op 1 mei 2010 in samenwerking met de Werkgroep Caraïbische Letteren vanaf 15.00 uur in Theater van ’t Woord in de OBA Amsterdam (naast het Centraal Station).