Posts tonen met het label biografie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label biografie. Alle posts tonen

woensdag 31 juli 2013

Rijk geworden in de seksindustire, en dan de winti in

No krei mi pikin, no krei, na so grontapu seti kba
Huil niet m’n kind, huil maar niet, de wereld is nu eenmaal zo

door Jerry Dewnarain

Het lijkt wel alsof literatuur en literatuurkritiek niet meer bestaan en geen norm meer stellen. Het heeft er veel van dat ze een knieval maken voor consumentisme en de wetten van de markt. Is literatuur verworden tot platte business? De literatuurkritiek zou dan tegen dit proces geen dam hebben opgeworpen, kan men zeggen.
Nu de literatuurwetenschap haar gezag binnen het academische wereldje met zijn ivoren torens heeft verspeeld, moet ze het buitenshuis zoeken, en wel bij een publiek van niet-specialisten. Er is zelfs een nieuw product ontstaan - jawel, de biografie - dat enige tientallen jaren geleden geen enkele status had, althans niet binnen de literatuurwetenschap. Tegenwoordig kan het schrijven van een biografie als een legitieme academische prestatie worden gezien. Een prestatie die niet zozeer ontleend is aan een gevestigde onderzoekstraditie met een specifieke methodologie, maar vooral aan de bijval van een publiek van niet-specialisten. Je zou kunnen zeggen dat literatuurwetenschap en -kritiek op de populistische toer zijn gegaan.

Een schitterend voorbeeld is het boek Claudetta Toney Haar leven en werk van Juliën A. Zaalman. De auteur valt met de deur in huis door op pagina 7 de vraag te stellen wie Claudetta Toney is. In het kort komt het hier op neer:  ‘Vrouw Claudetta - zoals ze vaker genoemd wordt - is een bezige bij én begaafd. Ze is een vrouw met bijzondere ambities, vooral om het saamhorigheidgevoel van de blakaman naar een hoger niveau te tillen.’ Dit doet zij: ‘Door hen middels lezingen en andere activiteiten bij te scholen,’ en aan hen ‘mogelijkheden’ te bieden ‘om vooruit te kijken’. Hierdoor kan deze etnische groep ‘zich beter richten op [zijn] verdere ontwikkeling en vooruitgang’, op de toekomst dus. En zo kan tevens bewerkstelligd worden om ‘barrières weg te werken, die hen uit elkaar drijven’ (pagina7).

Bij het lezen van deze eerste pagina vroeg ik me direct af: waarom wil een bij uitstek kapitaalkrachtige vrouw per se het saamhorigheidsgevoel van de blakaman verhogen? Met andere woorden: er is dus kennelijk iets mis met het saamhorigheidsgevoel onder de blakaman én -uma. Jammer genoeg wordt dit aspect niet helder en duidelijk in het boek behandeld.
Claudetta Toney, exploitante van welvarende seksclubs in de jaren ’70 te Den Haag en daarbuiten (lees pagina 71 en volgende), vindt het belangrijker dat de blakaman weet wie en wat hij is, en dat zijn afstamming voor hem van grote waarde is, moet zijn. Zij die zich voor hun culturele achtergrond schamen, zullen steeds achter de feiten aanhollen. Dat beweert de geslaagde entrepeneur, die in de jaren ’70 van de voorbije eeuw meisjes uit Thailand en de Filippijnen ronselde voor haar seksclubs (pagina 49 en volgende).
Thaise meisjes voor de seksclub

Ik vind dat het thema van dit boek niet ‘het leven en werk van Claudetta Toney’ is. De rode draad van dit boek in z’n geheel is: ‘de blakaman met meer zelfvertrouwen te bewapenen, zodat ze zich met ruimere inzichten en betere mogelijkheden op hun toekomst kunnen richten’ (pagina 8).
Claudetta Toney - ex-uitbater van een horecabedrijf aan een chic strand in Spanje - geeft slechts ’n voorbeeld (één middeltje, even afgezien van het al dan niet juist zijn daarvan) van een blaka uma om haar doel (zelfrespect) te bereiken. De lezer dient zich - mijns inziens - niet blind te staren op de inzichten en vooral de verworvenheden van de eigenares van een grote goudconcessie in ons binnenland (Sarafina, pagina. 260 en volgende). De lezers kunnen wél zien dat discipline, een sterke wil, doorzettingsvermogen en moed tezamen een bos sleutels zijn die tot succes kan leiden. Maar dit geldt overigens niet slechts voor blakasuma, het gaat ook op voor alle andere culturele groepen in ons land!

Dit boek gaat dus - vind ik - niet over de persoon Claudetta Toney, maar over inzichten en het succes van een ondernemende Surinaamse vrouw die - wonend en werkend in Suriname - het winti-geloof hoog in haar vaandel heeft staan (pagina 55).

De vraag is echter of jongeren geïnspireerd raken door dit boek. Het legt té veel de nadruk op het gebrek aan cultureel zelfbesef van de Afro-Surinamers. Het komt over als een clichématige klaagzang met betrekking tot een traumatische erfenis uit de slavernijperiode. Het boek wil dat aan de jeugd de juiste inzichten moeten worden gegeven over hun culturele geschiedenis. Zij moeten de waarde van hun band met de geestelijke beleving - winti - positief ervaren. Door de dreiging dat een groot deel van de Afrikaanse cultuurbeleving verloren gaat, is het vastleggen van deze orale cultuur een van de doelstellingen van de organisatie ‘Fiti Fu Wini’, waarvoor Vrouw Toney als voorzitter en haar bestuur zich inzetten.

Volgens mij weten jongeren best dat cultuur een belangrijk deel van hun denken, doen en laten beïnvloedt. Maar de Surinaamse jongeren van nu denken naar mijn mening niet zo sterk, zoals hun ouders en grootouders, in ‘hokjes’. Het zijn de volwassenen of ouderen onder ons die nog hoopvol vechten tegen hun verleden en nog een ‘back to the roots’-ideologie koesteren. Surinaamse jongeren hebben wel iets anders aan hun hoofd: een studie afmaken in een uitdagende wereld, een baan vinden in een maatschappij die allerlei moderne competenties vraagt, een stukje grond bemachtigen door hard te zwoegen, zo niet via de politiek. En natuurlijk ook rijk te worden zoals de gewiekste (pagina 67) kapitaliste Vrouw Toney. Maar die rijkdom moet niet vergaard worden over de ruggen van arme, kansloze mensen, zoals hoeren. Claudetta Toney wist veel geld te vergaren in de huizenmarkt en vooral in de seksindustrie. Met de animeerclubs - zoals zij het uitdrukt -verdiende ze het grote geld (pagina 75). Ze bezat op een gegeven moment zes seksclubs. (pagina’s 57 en75). Weten wie of wat je bent, is zeker belangrijk, maar zet geen zoden aan de dijk. Zolang je nog worstelt met het verleden en niet leert van zijn lessen - dat verleden niet kunt loslaten - beknot je jezelf om ‘vrij’ te zijn en jezelf op te bouwen. Om vrij te zijn in je denken, doen en laten. De huidige tijd vereist kennis, inzicht, liberaal denken, los van alle hebi’s.

Ten slotte: het verhaal van Claudetta Toney is niet zo apart. Er zijn wel wat Surinaamse vrouwen, die ook ‘carrièrevrouwen’ (willen) zijn. Wat dit boek bijzonder maakt...: dat het als voorbeeld kan dienen voor andere carrièrevrouwen om hún verhaal vast te leggen. Mevrouw Claudetta Toney geeft daartoe de aanzet. Deze grani verdient ze wel. Wel is het vreemd dat ze het boek zelf distribueert!

‘Te sani toto yu tapu grontapu, a gi yu fu bari krei’... (pagina 293, tevens laatste pagina van het boekwerk). In dit geval: ‘Te sani toto yu tapu grontapu, a gi unu fu teki leri’...

Juliën A. Zaalman: Claudetta Toney Haar leven en werk. Omslagontwerp: Jennifer Shields, opmaak, druk en afwerking: Office World. Paramaribo, 2013. ISBN 99914-7-211-9


zaterdag 8 juni 2013

Het tragische leven van Marietje van Oordt

Marietje van Oordt
De levenswandel van de roemruchte Marietje van Oordt (1897-1974) is onderwerp van een nieuw onderzoek door Gerard Termorshuizen. De Indische pers schreef met regelmaat over haar dubieuze levenswandel. Door de ontmoeting in 2011 van enkele, in Nederland, wonende nazaten, kan Termorshuizen haar leven reconstrueren.

Meer dan een particuliere geschiedenis
Het verhaal dat Gerard Termorshuizen wil vertellen is meer dan een particuliere geschiedenis. Het schetst de sociaaleconomische positie van de ‘onderste lagen’ van de Indo-groep aan het begin van de 20ste eeuw. De strijd voor de emancipatie van de Indo is er een geweest van vallen en opstaan. Hoewel het aantal van hen dat doordrong tot de hogere functies bij het gouvernement en bedrijfsleven toenam, bleef het gros van de Indo’s tot de laagst betaalde werknemers horen. Waren die laatsten in ieder geval verzekerd van een geregeld inkomen, tienduizenden anderen leidden een armoedebestaan. Verstoken van een behoorlijke opvoeding en onderwijs, leefden zij van de hand in de tand of kwamen terecht in de criminaliteit of prostitutie.

Roemruchte verschijning
Al op jeugdige leeftijd zwierf Marietje – voortdurend veranderend van identiteit – rond over Java. Door de inventiviteit en allure waarmee zij tussen 1914 en 1930 haar beroep uitoefende, groeide zij uit tot een roemruchte verschijning in de kolonie. Het publiek volgde haar carrière via de Indische pers die gretig reageerde op elke zich aandienende snipper nieuws over haar.
Tot aan 1930 kunnen wij het leven van Marietje volgen in de Indische pers. Daarin worden we eveneens geïnformeerd over de steeds luider opklinkende kritiek op een maatschappelijk misstand. Onder verwijzing naar haar achtergrond en milieu was er – óók bij rechters – sprake van mededogen, gêne en schuldgevoel.

Prostituees in een bordeel in Kampong Kodja, 1948. Foto Nederlands Instituut voor Militaire Historie


Dankzij de ontmoeting in 2011 van enkele, in Nederland wonende, nazaten van Marietje, kunnen we nu ook – aan de hand van een familiearchief en mondelinge mededelingen – in grote lijnen haar bestaan na 1930 volgen. Deze familieleden hebben volmondig toegestemd in het gebruik van archiefmateriaal en foto’s. De familie was vrijwel onbekend met het bewogen leven van hun (over)grootmoeder.
Marietje van Oordt op latere leeftijd

De lezingen van de neerlandicus en historicus Gerard Termorshuizen vormen al vele jaren een populair onderdeel van het het Tong Tong Festival. Mede hierom heeft Termorshuizen zelf Stichting Tong Tong benaderd; hij wil graag dat deze bijzondere geschiedenis via onze kanalen een groot geïnteresseerd publiek bereikt. Daarom is het de bedoeling het sensationele verhaal van Marietje van Oordt niet alleen als boekje uit te geven, maar ook door middel van een tentoonstelling te vertellen. Zo kan een groot publiek meer te weten te komen over de sociale omstandigheden in de laatste halve eeuw van de Nederlandse kolonie.

zondag 26 mei 2013

Nieuwe biografie over Anton de Kom aangekondigd

Anton de Kom
Eén van de wetenschappelijke projecten van IISR is de productie van een nieuwe biografie over Anton de Kom. Jarenlang is De Kom verguisd door de exponenten van het wetenschappelijk kolonialisme. Hij werd beschouwd als een zielige figuur die een boek heeft geproduceerd dat wetenschappelijks niets voorstelt. Het boek was een emotionele schreeuw zonder een wetenschappelijke basis. De Kom werd gepresenteerd als een volksmenner die in de jaren dertig de Surinaamse massa’s manipuleerde en bracht tot onverantwoordelijke daden van verzet tegen het kolonialisme.

Aan het eind van de jaren zestig komt een nieuwe generatie Surinamers op die De Kom herontdekt als de intellectueel die een anti-koloniale visie op de geschiedenis heeft ontwikkeld. Dat is de start van een periode waarin De Kom uitgroeit tot een icoon van de anti-koloniale beweging. In zijn boek Van Priary tot en met De Kom – de geschiedenis van het verzet tegen het kolonialisme 1630-1940 wijdt Sandew Hira een hoofdstuk aan De Kom en zijn strijd tegen het kolonialisme.
In het publieke leven van de Surinaamse gemeenschap in Suriname en Nederland krijgt De Kom steeds meer respect en waardering. Er komen standbeelden en documentaires. De Universiteit van Suriname wordt naar hem genoemd. Er verschijnen herdrukken van zijn boek. Een biografie zou niet lang op zich laten wachten.

In 2009 publiceren Alice Boots en Rob Woortman hun biografie van Anton de Kom. Ze spelen in op de grote belangstelling voor De Kom bij de nieuwe generatie.
Tot grote verbazing van veel Surinamers blijkt de biografie geschreven te zijn in de lijn van het wetenschappelijk kolonialisme. Sandew Hira heeft in zijn columns de biografie bekritiseerd als koloniale visie op De Kom.
De discussie over de betekenis van De Kom is actueler dan ooit omdat de hele geschiedschrijving van Suriname nu op de schop staat. Grote groepen mensen erkennen de noodzaak van het dekoloniseren van de geschiedschrijving. Daarin staan twee stromingen diametraal tegenover elkaar: de stroming van het wetenschappelijk kolonialisme tegenover de stroming van Decolonizing the Mind.

In dat kader speelt de biografie van Boots en Woortman de rol van de verdediger van de visie van het wetenschappelijk kolonialisme op De Kom.
Daarom is er een nieuwe biografie nodig die Anton de Kom plaats in het kader van die andere visie.

Sandew Hira heeft de taak op zich genomen om die nieuwe biografie te maken. Daarin zal het leven en werk van Anton de Kom alsmede zijn betekenis voor Suriname vanuit een dekoloniale optiek beschreven en geanalyseerd worden. In de biografie zullen ook de verschillen met de visie van het wetenschappelijk kolonialisme worden besproken.

De biografie zal in 2015 verschijnen, deelt Hira mee. Of Hira's 30-delige Encyclopedie van de koloniale geschiedenis van Suriname 1848-1954, aangekondigd voor 25 november 2010 en in te tekenen voor 3.000,- euro, dan ook al uit zal zijn, meldt het persbericht niet.

zondag 19 mei 2013

Biografie Claudetta Toney

Claudetta Toney
Op zondag 26 mei a.s. wordt de biografie Claudetta Toney, haar leven en werk gepresenteerd. Mevrouw Claudetta Toney is na een carrière in Nederland te hebben gemaakt, in 1994 teruggekeerd naar Suriname. In het tijdschrift Parbode werd zij geportretteerd als een belangrijke vrouw in de goudindustrie. Op het sociaal-cultureel vlak is zij bekend als de initiatiefneemster  en voorzitter van de Stichting Fiti Fu Wini, een organisatie die zich toelegt op de conservering en de ontwikkeling van Afro-Surinaamse verworvenheden.  De presentatie is voor genodigden op Sarafina te Boxel. Het twee uur durende programma omvat zang, voordracht, toespraken en discussie. Juliën Zaalman is een van de personen die een toespraak zal houden. Rappa zal de discussie leiden. De minister van Onderwijs en Volksontwikkeling zal aanwezig zijn om een presentexemplaar van het boek in ontvangst te nemen.

Na een serie boeken over winti maakt Juliën Zaalman een drastische omslag. Hij wil nu rolmodellen in de schijnwerpers plaatsen. Zijn laatste pennenvrucht handelt daarom over een zakenvrouw die in de goudindustrie een imperium heeft opgebouwd, maar daarnaast ook een rijk sociaal leven heeft.
De biografie Claudetta Toney - Haar leven en werk, beschrijft het leven van de eerste vrouw met een imperium van 70.000 hectare goudconcessie.

Houvast voor jongeren
In het 290 pagina's tellende boek belicht de auteur het markante figuur die hij vanuit zijn religieuze gedachte heeft gekozen. "Een doortastende persoonlijkheid, die weet wat ze wil en waar ze naar toe wil met haar gedachte", zegt Zaalman. Hij vindt dat Toney een goed voorbeeld voor jongeren en nakomelingen is. "Ze kunnen naar haar opkijken. Het is iemand die 'iets' betekent in het leven. In het bijzonder voor de Afro-Surinaamse gemeenschap", stelt de schrijver. Zaalman die zich vanaf zijn vijftiende bezighoudt met de wintileer, debuteerde in 2002 met zijn eerste boek August, een bonuman. Daarna volgden er nog vijf, die de auteur vanuit zijn filosofische gedachte en onderzoek heeft geschreven. Dat ging hem veel makkelijker af dan een biografie schrijven, dat vier jaren in beslag heeft genomen.
Surinamerivier. Foto Peter de Rijk

Verschil
Voor de vorige boeken had de schrijver genoeg informatie vastgelegd die hij vanuit zijn filosofie verder kon schrijven. "Bij dit boek moest ik alle verzamelde informatie vergelijken om de rode draad te ontdekken." Zaalman vindt Toney geen simpel mens. "Ze is iemand die heel diep nadenkt. Bij het bespreken van de zaken heb ik ook rekening moeten houden met hoe zij de dingen ziet en hoe anderen haar zien." Dat heeft de auteur zo duidelijk mogelijk in het boek proberen te verwerken. "Het is er af en toe hard aan toe gegaan, maar alle informatie die ik van haar wilde, heb ik gehad." Dit gebeurde niet alleen vanuit wat ze zelf vertelde, maar meer nog aan de hand van documentatie. "Het was enerverend, maar ik heb persoonlijk veel geleerd over de manier waarop mensen denken en voelen. We zijn tevreden met het eindresultaat", zegt Zaalman glimlachend.
Op het kaft van het boek, met goudgele achtergrond, prijkt het beeld van Claudetta Toney toen ze vijftig jaar werd. "Een markant punt van haar groeiperiode in de goudsector", weet Zaalman. Het boek wordt op 26 mei tijdens een speciale ceremonie bij Stichting Fiti Fu Wini gepresenteerd. De uitgever is Stichting Tata Kwasi Ku Tata Tinsensi en Sarafina zorgt voor de distributie naar alle boekhandels. De schrijver is van plan de serie wintiboeken met een zevende uitgave af te sluiten en daarna nog meer biografieën van bijzondere personen uit te geven.

maandag 29 april 2013

Een intieme zee aan brieven, dagboeken en notitieblokjes

Aya Zikken
Over de biografie over Aya Zikken,  Alles is voor even,  van Kees Ruys

door Ezra de Haan


De rol van een biograaf is die van een ondergeschikte, zijn product het levensverhaal van een ander. Kees Ruys heeft zich, zoals het hoort, dienend opgesteld en toch is de biografie Alles is voor even die hij over Aya Zikken schreef, een levensverhaal geworden waarin de biograaf meer op de voorgrond treedt dan normaal het geval is.

Aya Zikken moet zich bewust zijn geweest van de bijzondere verhouding die ze met Kees Ruys had. Ruys, zelf een schrijver met een imposant oeuvre dat zich meestal in Indonesië afspeelt, voelde zich verwant met de wijze waarop Zikken haar oude thuisland en ook het nieuwe Indonesië beschreef. In 1984 stuurde hij haar zijn eerste brief. Er ontstond een vriendschappelijk contact dat tot aan de dood van de schrijfster voortduurde. Ruys kreeg toegang tot al haar dagboeken en correspondentie, las alle boeken die Zikken schreef en sprak urenlang met haar. Een ideale situatie voor een biograaf zou je denken… 

Kees Ruys biedt zijn biografie aan Aya Zikken aan. Foto @ Els Kort.


Tot Aya Zikken Ruys duidelijk maakte ‘niet veel te zien in diepgravende gesprekken met familieleden, vrienden, kennissen of anderen uit haar omgeving.’ Er ging dus een streep door alle levende bronnen. De biograaf moest het doen met ‘twee volle ladekasten en tientallen dozen, plastic zakken en kantoormappen: een intieme zee aan brieven, dagboeken en notitieblokjes, foto’s, dia’s en geluidscassettes, manuscripten, dummy’s, uitgewerkte interviews, recensies, boekcontracten, posters, eerste drukken en talloze andere parafernalia.’ En de gesprekken met de schrijfster zelf. Het leverde een biografie van 850 pagina’s op. Ook voor de 93-jarige Zikken moet het boek van groot belang zijn geweest. Ze overleed vier uur na de presentatie van Alles is voor even.

Lees de hele recensie op Literatuurplein.nl, klik hier 

Kees Ruys, Alles is voor even; het bewogen schrijversleven van Aya Zikken. Haarlem, 2013, Uitgeverij In de Knipscheer. Prijs: € 45,00.

zaterdag 16 februari 2013

Biografie van Pierre Lauffer: een mijlpaal

door Henry Habibe
Bernadette Heiligers. Foto © Michiel van Kempen

Bij uitgeverij In de Knipscheer is onlangs verschenen Het bewogen leven van een bevlogen dichter, een biografie over de Curaçaose dichter Pierre Lauffer. Veel essayisten en literatuurkenners hebben zich in het verleden beziggehouden met Lauffers werk, maar Bernadette Heiligers besteedt in haar studie (302 pgs.) vooral aandacht aan zijn leven. Het leven van de man, die door Cola Debrot als ‘dichter bij de gratie Gods’ werd getypeerd, wordt hier onderworpen aan een diepgaand onderzoek en gereconstrueerd aan de hand van getuigenissen van veel informanten. Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken waarin Heiligers, journaliste van beroep, het zeer ‘bewogen’ leven van Lauffer in een vlotte stijl voor de lezer overzichtelijk en eenvoudig etaleert. Het boek, een waardevol initiatief van de Stichting Pierre Lauffer, kenmerkt zich door zijn levendige beschrijving (door de easy reading leest het als een trein), is rijkelijk geïllustreerd met relevante foto’s en voorzien van poëzie en prozawerk met hun respectieve vertalingen. Op grond van een paar hoofdstukken zal ik de cultureel-historische betekenis van dit biografisch werk proberen aan te tonen. Ik besef dat ik geen compleet beeld kan geven. Er komt immers een enorm groot aantal aspecten naar voren. Ik licht dan ook slechts een paar hoofdstukken eruit die mij persoonlijk als boeiend voorkomen.
Het St. Thomas College aan de Roodeweg in Otrabanda, eerste decennia 20ste eeuw

Eerste hoofdstuk
Dit hoofdstuk gaat over Lauffers jeugd. Met de zaak van de vader, Antoine Lauffer, gaat het niet best (jaren van economische depressie) en na het faillissement verhuist het gezin naar de Riouwstraat in Pietermaai. Lauffer bezocht het St. Thomas College. In die tijd werden de meeste liederen in het Spaans gezongen. Toespraken werden in het Spaans gehouden. Het was Spaans wat de klok sloeg. Zo komt het dat ook Lauffer, bij het overlijden van een tante in 1943, een gedicht in het Spaans schreef. Nog later (1947) bracht hij in het Spaans een toast uit op de bruiloft van een collega. Het was een logisch gevolg van het feit dat aan het eind van de 19e en begin 20ste eeuw op Curaçao Spaanstalig onderwijs bestond. Maar Lauffer was daarvóór al begonnen met
teksten in het Papiaments te schrijven. Zijn verhaal 'Carmen Molina' dateert van 1942 en de gedichten, die later in Patria verschenen, bestonden al aan het eind van de jaren dertig.
Pierre Lauffer

Vierde hoofdstuk
Dit is een heel boeiend hoofdstuk. Heiligers leidt ons het huis van de volwassen Lauffer binnen en vertelt over de vaderschap van Pierre en de relatie met zijn eerste vrouw. De dichter schijnt zijn kinderen weinig ‘aangehaald’ te hebben. Zo schrijft de auteur: ‘Hij sprak geen lieve woordjes als ze [de kinderen] de babyfase voorbij waren en toonde niet openlijk dat hij van ze hield’. Aan de andere kant probeert zij te nuanceren en haalt meningen aan van zeer betrouwbare personen. Zo citeert zij monseigneur Amado Römer, die een grote vriend en tevens de biechtvader van Pierre was: ‘Hij [Pierre] hield zielsveel van zijn vrouw en kinderen. Ook van zijn eerste vrouw. Maar hij kon de regelmaat en discipline niet opbrengen om een gezin te onderhouden zoals het hoort.’ De auteur vervolgt: ‘De kinderen uit Pierres eerste huwelijk hebben hun vader ervaren als erg, erg streng’. En steeds nuancerend haalt zij de bevinding van Paul Lauffer, een zoon van de dichter, aan: ‘Er valt heel veel te zeggen over mijn vader, maar één ding moet duidelijk zijn: hij heeft ons heel veel aandacht gegeven. Dat hij zijn emoties soms niet kon bedwingen, kwam volgens mij doordat hij zijn suikerziekte niet onder controle hield. Nu ik zelf diabeet ben, besef ik hoe je gemoedstoestand erdoor beïnvloed kan worden’. Ook voor wat betreft de ‘harmonie’ tijdens de vakanties wordt Paul weer aangehaald. Lauffer placht tijdens die vakanties met zijn kinderen op stap te gaan. Hij liet hen dan alle grotten, landhuizen en slavenmuren op Curaçao zien. Paul: ‘We konden lachen en pret maken en mijn vader deed net zo hard mee (…). In die periodes was mijn vader helemaal in zijn element, dicht bij de natuur, samen met zijn kinderen’.
Op ontroerende wijze wordt hier het ‘bewogen’ leven belicht. We ervaren dat Lauffer zijn uiterste best deed om aan een baan te komen, maar zijn gezondheid speelde hem parten. Zo moest hij in 1959 in het ziekenhuis opgenomen worden vanwege niersteenkolieken. Zijn vrouw legde dan – vertelt de auteur – een handdoek op zijn rug waar ze met een warm strijkijzer overheen ging. Maar wie verder leest wat voor vernederingen zijn eerste vrouw onderging (daar getuigt de auteur ook van) zal dit gedrag van Lauffer waarschijnlijk niet kunnen begrijpen en zelfs afwijzen.
De synagoge op Pietermaai. Foto Robert Soublette. Collectie KIT

Vijfde hoofdstuk
Hier gaat de auteur in op het leven van Lauffer met zijn tweede vrouw, Belmira (Beli) Nunes Jorge. De wijze waarop Heiligers dit beschrijft doet hier en daar aan een ‘roman’ denken. De anekdotes volgen elkaar op als in een sprookje. Het hoofdstuk begint met een verwijzing naar de cyclus liefdesgedichten die Lauffer omstreeks 1968 schreef, waarvan de titel luidt: Rosea den shinishi (Ademtocht in as). In één van de laatste gedichten daaruit schreef de dichter: ‘… leu den bo tin Portugal/ su sanger i sabor’ (… in jou proef ik in de verte het bloed en de smaak van Portugal). Vele jaren later, in het jaar 1968, ontmoette Lauffer – zo schrijft Heiligers – Belmira, die – toevallig of niet? - een Portugese bleek te zijn. Iets verderop vervolgt Heiligers:

Toen Pierre Belmira voor het eerst zag, was zij tijdelijk op Curaçao om haar familie te bezoeken. (…) “Hij deed van alles om mijn aandacht te trekken, zegt Belmira. “Op de dag dat hij mij voor het eerst aansprak was hij van kantoor op weg naar de kerk van Pietermaai. Hij hield me
bij de arm vast en vroeg: ‘Weet je dat je een geliefde hebt?’ Ik zei nee, want die had ik niet, waarop hij antwoordde dat hij zelf die geliefde was.

Belmira vertrok in hetzelfde jaar weer naar haar geboorteplaats, Madeira. Bij haar vertrek werd haar (op de boot) een groot boeket bloemen bezorgd, waarbij de volgende woorden op een kaart stonden: ‘Estás siempre en mis pensamientos’ (Je bent steeds in mijn gedachten). Later schreef Lauffer haar dat zijn scheiding met zijn eerste vrouw formeel geworden was en dat hij het huis klaar zou maken in afwachting van haar komst. Belmira kwám weer naar Curaçao en zij trouwden op 3 juni 1969. Dat was een paar dagen na de sociale onlusten die op 30 mei van dat jaar uitbraken. Dat betekende dat niemand de dichter en zijn jonge bruid kon komen feliciteren. Met zijn ‘kersverse bruid’ reed Lauffer naar de plantage Jeremie. Tijdens de rit merkte Belmira op:‘We
reden met de ramen open terwijl mijn sluier in de wind wapperde’. En de auteur besluit:‘…[het] werden de rustigste witte broodsweken die Pierre zich wensen kon’.

Overgenomen teksten
In ‘Gedachten vooraf’ (soort inleiding) schrijft de auteur dat zij ieder hoofdstuk laat openen met een volledig gedicht en dat in ieder hoofdstuk fragmenten uit Lauffers teksten zullen voorkomen. Zij verantwoordt de keuze van die teksten door te zeggen dat zij zich bij de selectie daarvan laat leiden door bepaalde vragen. Eén daarvan is: In hoeverre valt het oeuvre van Lauffer samen met zijn leven? Een tweede is: Wat vertelt dat oeuvre van de samenleving waarin hij opgroeide? Zo’n benadering is zonder meer te prijzen. Maar slaagt de auteur er in om die vragen op bevredigende wijze te beantwoorden? Daar zou ik wat aandacht aan willen geven. Ik kan dit natuurlijk niet in verband met het gehele werk doen. Dat zou in dit korte bestek niet mogelijk zijn. Ik zal me moeten beperken tot een paar hoofdstukken en kies voor het gemak de drie hoofdstukken die ik hierboven de revue liet passeren.

Keho di katibu
Het eerste hoofdstuk wordt afgesloten met het gedicht ‘Keho di katibu’. Wat is hiervan de relevantie? Dit gedicht laat zien hoe een slaaf zijn vernedering en onvrede verwoordt als gevolg van zijn voortdurende mishandeling door de ‘bomba’ (toezichthouder). Aangezien in het eerste hoofdstuk met geen woord over de slavernij gerept wordt heeft dit gedicht op deze plek geen enkele relevantie. Veel correcter bij de twee gestelde vragen zou het zijn geweest als de auteur hier een gedicht uit Lauffers Patria – de bundel die de dichter zelf als zijn Juvenalia beschouwde – had opgenomen. Daar zou ook een gedicht als ‘Mi lenga’ (uit: Raspá) niet misstaan hebben, aangezien er wel gesproken wordt over het standpunt dat o.a. Jo Corsen innam met betrekking tot de culturele betekenis van het Papiaments.
Gina (gedroomd). Foto © Herbert Shackles

Rosea den shinishi
Naar deze amoureuze cyclus wordt in het vierde hoofdstuk verwezen. Het fascinerende hiervan is dat de auteur daarmee tevens een van de hoogtepunten van Lauffers dichtwerk aanstipt. Lauffer heeft het in die cyclus over een door hem ‘gefantaseerd’ personage. Hij zou haar, toen hij achttien was, in zijn dromen ontmoet hebben en gaf haar de naam ‘Gina’. Hij schreef later als een soort inleiding:‘Esnan ku lesa por kere o laga, si ta fantasia o realidat’ (Zij die dit lezen kunnen geloven of niet, of het fantasie is of werkelijkheid).
Heiligers weet te vertellen dat Lauffers zussen een foto hebben van die Gina. Zij zouden ook haar ‘vermeende echte naam’ weten. Heeft Gina nou bestaan of niet? Het intrigerende van deze vraag is hetgeen Heiligers nu naar voren brengt:
Wat het bestaan van Gina ook op losse schroeven zet, is een ander gedicht ‘Mi negra ta na soño’, dat Pierre geschreven had voordat hij in Europa met Gina het bed had gedeeld. Het ligt bij de openbare bibliotheek van Aruba en is nooit door de schrijver gepubliceerd.
Het vroegere gedicht ging dus over een slapende zwarte vrouw. Aangezien Gina uit Rosea den shinishi op een identieke wijze beschreven wordt als de slapende zwarte vrouw uit het ongepubliceerde gedicht, merkt Heiligers dan op: ‘In Rosea den shinishi beschrijft de dichter de slapende Gina precies zo’. Daar voegt zij kritisch aan toe: ‘En de Gina op de foto [in het bezit van Lauffers zusters] is niet zwart’.
Dichters kunnen ook een geheim hebben. Dat besefte De Palm ook al. Als antwoord op een vraag van Heiligers gaf hij: ‘Pierre had zo’n sterke fantasie dat hij sommige van zijn dromen zelf ging geloven. (…) Voor mij bestond ze [Gina] dus in zijn fantasie. Maar ik wil wel aannemen dat Gina voor Pierre in werkelijkheid heeft bestaan’. Daarbij verzekerde De Palm: ‘Pierre liet niemand echt dichtbij komen. Bovendien vond hij het heerlijk om mensen op het verkeerde been te zetten. (…) Dat geheimzinnige, daar kon hij zich erg in verkneukelen’.
De verwijzing door Heiligers naar Gina uit deze reeks gedichten is zeker to the point.

Curaçao, 30 mei 1969

Mi tera
In het vijfde hoofdstuk wordt op blz. 172 ‘Mi tera’ (uit Kumbu) opgenomen om daarmee te illustreren dat Lauffer de ‘massale uitbarsting van gevoelens’ van 30 mei 1969 al 15 jaar vóór het uitbreken ervan in dat gedicht had beschreven. Dit is een interpretatie die in de verste verte niet op close reading gebaseerd is. De plank wordt misgeslagen omdat er niet volgens de geschiedenis geïnterpreteerd wordt. In dit gedicht uitte de dichter, in plaats van een sociale uitbarsting, zijn individuele anti-koloniale gevoelens. Het was de periode waarin o.a. Doctor Da Costa Gomez streed voor de autonomie. De Nationale Volkspartij werd in 1948 door hem opgericht en zo kwam er een emancipatieproces op gang. Uit die tijd dateert een door da Costa Gomez gehouden toespraak waarbij de tegenstelling tussen de ‘makamba’ en de ‘yiu di tera’ duidelijk aan het licht kwam. Zo uitte Lauffer in die jaren zijn nationalisme door in zijn ‘Mi tera’ te schreeuwen: ‘e pida tera ‘kí ta di mi!’ (Dit stukje grond is van mij). De Autonomie werd in 1954 een feit en in 1955 kwam Lauffers Kumbu uit. Het zij hier terloops opgemerkt dat Lauffer er helemaal geen voorstander van was om thema’s als ‘maatschappelijke onvrede’ in zijn poëzie te betrekken. Ik heb het nu over zijn poëzie en niet over zijn prozateksten. De vaderlandsliefde die Pierre hier en daar in zijn poëzie etaleert is geen uiting van sociale aard. Hij kan het natuurlijk hebben over de ‘schurken’ in zijn ‘Mi tera’. Ook over de ‘buitenlandse roofvogels’ in ‘Fadá mi ta’ (Ik ben het zat). Maar dat zijn uitingen van individuele woede en ‘zat zijn’. Indien er in die teksten niet verwezen wordt naar (of geen toespelingen zijn op) degenen voor wie hij wil opkomen, dan kan er geen sprake zijn van een maatschappelijk georiënteerde poëzie. Zo zijn de poëtische teksten, waarin de dichter het over de zwarte vrouwen heeft, evenmin sociaal geladen. Het zijn meer uitingen van naastenliefde of hartstochtelijke ontboezemingen. Hooguit een expressie van medelijden, hetgeen wat anders is dan een verdediging van de rechten van zwarte vrouwen. Men dient niet té snel twee teksten van heel verschillende perioden bij een mogelijke interpretatie door elkaar te halen. ‘Mi tera’ dateert uit de jaren veertig/vijftig (na de Tweede Wereldoorlog) en ‘Fadá mi ta’ uit de jaren zeventig. Wie zegt dat de dichter in ‘Mi tera’ dezelfde ‘schurken’ voor ogen had als in ‘Fadá mi ta’? Met ‘bandopnames’ waarop de stem van Pierre te horen is moet men erg voorzichtig zijn bij het horen van ‘een van die figuren’. Die woorden kunnen natuurlijk te maken hebben met het ene gedicht, maar hoeven niet direct te slaan op het andere. Als die woorden dateren uit de tijd dat de dichter de zeventig al voorbij was (‘zijn oude dag’), dan hoeft dat geen betrekking te hebben op de ‘schurken’ die in ‘Mi tera’ (uit de jaren veertig!) naar verwezen wordt.
Ulli Jessurun d'Oliveira

Close reading
In de 19e eeuw onderzocht men voornamelijk de biografie van de auteurs en hield men zich niet zozeer bezig met hun teksten. Aan hun werk werden de middelen ontleend om hun persoonlijkheid te reconstrueren. Tegen die historische benadering kwam aan het begin van de 20ste eeuw een reactie. De eersten die tegen de biografische richting reageerden waren de Russische formalisten. Vanaf ongeveer 1930 (tot ver in de jaren vijftig) was deze zienswijze, die in Amerika onder de naam New Criticism ging, de meest invloedrijke Amerikaanse literatuurbeschouwing. Men brak dus met de biografische methodes. De aanhangers van deze literatuurbeschouwing zien de literaire tekst als een besloten geheel. Als een wereld op zich. Men wilde het betekenispotentieel van de tekst niet laten bepalen door factoren als de maatschappelijke context, de bedoelingen van de maker of de strategie van een uitgever. In Nederland volgde men (sinds de jaren zestig) ook enigszins deze werkwijze. Men denke maar aan de groep critici rond het tijdschrift Merlyn, waartoe Kees Fens, Jaap Oversteegen en Ulli Jessurun d’Oliveira behoorden. Deze groep reageerde tegen de verwaarlozing van het specifiek literaire en ging spreken van de ‘autonomie’ van het literaire werk.

Conclusie
De biografie van Pierre Lauffer door Bernadette Heiligers is een mijlpaal in de literaire geschiedenis van Curaçao. Zij deed een diepgaande onderzoek naar zijn leven. Niemand vóór haar heeft ons zo pakkend en informatief door het leven van Lauffer geleid. Samenvattend kom ik tot de conclusie dat Heiligers hiermee een zeer leesbare literaire biografie geschreven heeft en dat het een hoogtepunt is op het cultureel-historische vlak. In bepaalde gevallen correspondeert de verwevenheid van levensbeschrijving en de opgenomen teksten van de dichter niet. Helaas is ook niet ieder gedicht (tekst) in de context van de tijd van publicatie geïnterpreteerd. Maar dit heeft te maken met een benadering die niet op close reading gestoeld is, zoals dat gebeurde bij de New Critics en de Merlynisten.

[uit: Antilliaans Dagblad, 24 december 2012].

maandag 29 oktober 2012

Een bevlogen dichter met woorden

door Quito Nicolaas
Pierre Lauffer

Voor het eerst verscheen in de Curacaose literatuurgeschiedenis een biografie van een schrijver. Het is niet zomaar een auteur die metname vanaf de jaren vijftig zeer populair was om zijn gedichten. Als je de naam Pierre Lauffer (1920-1981) hoort vallen, dan denk je meteen aan de prachtige melodische gedichten die hij componeerde.Hij schreef over uiteenlopende onderwerpen en zelfs controversiële thema’s werden niet geschuwd. De auteur – Bernadette Heiliggers – is in haar beschouwing niet altijd even diepgaand geweest, maar wellicht heeft dit te maken met de vertrouwelijke status van enkele documenten die ze ter inzage kreeg danwel met de niet verkregen toestemming om bepaalde gegevens openbaar te maken


Voor de totstandkoming van het boek zijn er diverse bronnen geraadpleegd en gesprekken gevoerd.Tal van interviews, telefoongesprekken zijn gevoerd, geluidsbanden beluisterd alsook artikelen, notities, correspondenties en manuscripten gelezen. Zo werden o.a. de archieven van de Stichting Pierre Lauffer, archief van Lucille Berry-Haseth, het archief van Ito Tromp in het Biblioteca Nacional Aruba ter beschikking of anders ter inzage gesteld. De bestuursvoorzitter van de Stichting Pierre Lauffer memoreerde bij de presentatie van het boek in Amsterdam, dat mw. Heyliggers niet al het materiaal meteen naar huis wou meenemen. Zij vond dat ze de auteur stap voor stap moest leren kennen en zijn wereld moest verkennen. Daarvoor moest het aangeboden archiefmateriaal aan een fijnmazig onderzoek onderworpen worden. Het levensverhaal van Pierre Lauffer laat zien dat hij, zoals ieder andere dichter, een man was van extremen. Sommigen kunnen dat goed in bedwang houden, maar anderen etaleren dit aan de dag en zijn hiervan niet bewust. Op vrij jonge leeftijd, hij was nog een kleuter, kwam Pierre via zijn moeder Machi in aanraking met de poëzie.Pierre werd door zijn moeder een gedicht van de Venezolaanse dichter en diplomaat Gonzalo Picón Febres voorgelezen, waarvan de hierna volgende strofe hem is bijgebleven.

Es en vano que busque en la arena
las palabras que un tiempo escribió

Het is zinloos om in het zand naar de woorden
te zoeken die daar ooit geschreven stonden.
(Vertaling F. de Haas)

Het waren deze twee regels die op Lauffer zo’n magische invloed uitoefende en hem later aan het denken zette over zijn dichterschap. Zelf vond Lauffer dat hij talenten had voor het dichterschap en ging experimenteren. In zijn eerste gedichten bediende Pierre zich van groffe bewoordingen, die al gauw door zijn moeder Rosaura (Chow) werd gecorrigeerd. Pierre was evenals zijn vader Antoine Petrus Octaviano een charmeur en wist de liefde van ettelijke vrouwen aan zich te binden.

Bernadette Heiligers spreekt tijdens de Amsterdamse presentatie van haar biografie van Pierre Lauffer. Foto @ Michiel van Kempen

Gedichten
Lauffer vond dat een gedicht een bepaalde sfeer moet ademen. Het gaat er bij hem niet zo zeer om de personages en de bijbehorende uiterlijkheden, maar meer om de geschapen sfeer en emoties. Het was met name tijdens zijn schooljaren aan de St. Thomas College dat zijn dichterschap vorm kreeg. In die tijd kreeg hij door de fraters gedichten van o.a. Jacqueline van der Waals, Guido Gezelle, Willem Kloos, Albert Verwey voorgeschoteld. Pierre Lauffer was voornamelijk onder de indruk van de manier waarop deze dichters hun persoonlijke gemoedstoestand op poëtische wijze onder woorden bracht. In de bundel Patria (1944) die tevens zijn eerste was, treffen we voornamelijk zijn melancholische gedichten aan over het individu en de natuur. Dit in tegenstelling tot anderen die beweren dat het om gedichten gaat die zijn vaderliefde – ondanks de boektitel Patria – toont. Bij het lezen van zijn gedichten kun je afleiden dat het pessimisme danig van invloed is geweest of althans hardop in zijn gedichten doorklonk. Ofschoon Pierre Lauffer van Joodse afkomst was, had hij een warme belangstelling voor zijn zwarte medemens en hanteerde die veelvuldig als personages in zijn gedichten.
Sidney Joubert overhandigt de Lauffer-biografie aan een Antilliaanse hotemetoot

Proza-werk

Pierre Lauffer debuteerde in 1942 met zijn novelle Carmen Molina en publiceerde in de jaren daarna de novelles Martirio di amor en Philomena. Hij schreef onder gebruik-making van verschillende pseudoniemen, José Antonio Martis (Carmen Molina) en Carlos M. Fernandes (Martirio di amor). Waarom Lauffer een Spaanstalige naam als pseudoniem hanteerde voor een Papiamentstalige novelle, is uit de biografie niet duidelijk geworden.In de jaren '60 en '70 publiceerde hij nog een tweetal verhalenbundel: Kuenta pa kaminda (1969) en Un Pulchi pa dia (1970), maar daarna niet meer. Na die tijd ging hij zich meer toeleggen op het schrijven van kinderboeken en zijn tal van die boeken, na zijn overlijden in 1981, in de periode van 1981-1989 op de markt gebracht.

Vaderschap
Dichter Lauffer had geen vast inkomen en had een wervelende loopbaan achter de rug, van politieman, autoverkoper, bartender, groenteboer tot begrafenisondernemer. Breed hadden ze het thuis niet en moesten de kinderen, die welgeteld twee paar schoenen per jaar kregen, e.e.a. ontberen. Pierre was ongekend streng ten opzichte van de kinderen, juist in een tijd dat de samenleving begon te veranderen. Niet duidelijk is vanaf wanneer er sprake was van gezinsuitbreiding, maar uitgaande van Lauffer’s geboortejaar in 1920 kan er gesteld worden dat de kinderen eindjaren vijftig – begin zestigerjaren waren geboren. Als hij bezig was met schrijven van een nieuw gedicht, moesten de kinderen zwijgzaam aan tafel zitten en een boek lezen. Van enige ruimte voor de kinderen om zich met de eigen omgeving te socialiseren was er niet bij.

Zijn liefde voor de poëzie en geloof in de literatuur weerhield hem niet zijn budnels in eigen beheer uit te geven. Bij drukkerij Scherpenheuvel rolden tijdens de oorlogsjaren de eerste exemplaren van Patria (1944). Dit ondanks dat Lauffer niet over een vaste baan beschikte en voor het onderhoud van het gezin Lauffer, een beroep moest worden gedaan op zijn schoonbroer.
Echter dit belette hem niet om als een Bon vivant door het leven te gaan. Hij ging gekleed als een heer en ging soms bij zijn optredens met een witte colbert, zwart broek en strikdas om zijn status te benadrukken. Eenmaal Pierre Lauffer geroemd werd om zijn gedichten, gaf hij les aan de Kweekschool.

Jules de Palm, Pierre Lauffer, René de Rooy
Vriendenkring
De dichter was goed bevriend met Jules de Palm aan wie hij meestal een exemplaar van zijn nieuwste uitgave opstuurde. Lauffer en de Palm woonden bij elkaar in de buurt en waren van jongs af aan goede vrienden die door de straten gedichten reciteerden of op een dag plotseling in het ned erlands tegen elkaar spraken. Zo schreef Lauffer op de omslag van zijn bundel Un Pulchi pa dia (1970) aan de Palm: Vanochtend om 10.15 ontving ik van Abram Salas dit eerste exemplaar. En traditiegetrouw is dit voor jou 17 juni 1970. Hij ondersteepte de laatste twee woorden voor jou om zijn vriendschap te bevestigen. Een andere bekende is Luis Daal geweest waarmee Lauffer bevriend was. Met Luis had hij meer een gedachtenwisseling over Daal’s gedichten en stelde hij zich op als een meelezer van zijn werk.

Niet bekend is geworden of Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion eveneens tot de vriendenkring van Pierre Lauffer behoorde. Ook Lauffer schreef in de jaren tachtig proza en publiceerde verschillende verhalenbundels, als Un Pulchi pa dia (1970) en Lagrima i Sonrisa (1973). Opmerkelijk is dat hij voor zijn bloemlezing van de Antilliaanse literatuur Di nos (1971), uitsluitend Papiamentstalig werk selecteerde. Alleen van Frank Martinus Arion werden de gedichten Pakiko [Waarom], Pensa un ratu [Even nadenken] en een drietal andere gedichten zonder titel in de bloemlezing opgenomen. Een ding staat vast dat Lauffer opkwam voor het in stand houden van het Papiamento en dat misschien in dat opzicht hun wegen scheidde.

Literaire activiteiten
Voor radio Curom verzorgde Lauffer een boekenprogramma en besprak hij het werk van de lokale auteurs. Samen met zijn vrienden René de Rooy, Nicolas Piña Lampe, Raphael Martinez en later Enrique Goilo richtte hij het blad Simadán op. Het blad Simadán was bedoeld als een tegenhanger van hun concurrent De Stoep, die uitsluitend werk in het Nederlands publiceerde. In een huis te Pietermaai, vertelde Thelma ten Meer (weduwe van René de Rooy), kwamen de jonge schrijvers bij elkaar. Ze discusieerden over literatuur, luisterden naar muziek, droegen gedichten voor, soms tot een uur of vijf in de ochtend. Het gezelschap werd met de komst van Cola Debrot, Tip Marugg en Chal Corsen uitgebreid. Door het gebrek aan de nodige financiën is er geen continuiteit geweest en was het blad Simadan al snel ten dode opgeschreven.

Hij figureerde na afloop van WO-II als een van de vooruitstrevende studenten die de Jolly Fellows Society in 1946 oprichtte. De bewustwording die de oorlogsjaren op gang bracht, resulteerde in een een gedragsverandering dat men geen genoegen namen dat zij als tweederangsburgers werden behandeld. Vanwege hun huidskleur en sociale klasse hadden ze geen toegang tot clubs als De Gezelligheid, de Curaçaose Sport Club, Kwiek of Van Engelen. Echter het ging meer om het feit dat men protesteerde tegen de minachting van hun taal, het Papiamentu.Pierre Lauffer was een self-made man die in staat was om een bijdrage te leveren aan de taalproblematiek door zitting te nemen in de commissie-Maduro.Hoe dan ook Pierre Lauffer heeft zijn steen bijgedragen aan de Antilliaanse literatuur en aan het overeind houden van de Papiamentstalige literatuur. 

Een menselijke biografie
Hoe zorgvuldig de auteur in haar benadering is geweest om zoveel bronnen aan te boren, toch zijn er een enkele vraag die niet zijn beantwoordt.Pierre Lauffer is een veelzijdig mens geweest en was behalve schrijver, dichter, musicus, kunstenaar ook een hartstochtelijke mens die dit allemaal kon combineren. Een gemis is dat er heel weinig wordt verteld over de boeken die Lauffer zelf las en die hem in zijn werkzaamheden beïnvloedde. Over zijn buitenechtelijke relaties is niet veel bekend geworden, een recht waar zijn buitenechtelijke kinderen ook hebben. Over zijn schooljaren op het St. Thomascollege, zijn ambities, depressieve buien en al dan niet gecompliceerde liefdesleven had veel meer geschreven kunnen worden.

Uit de biografie en zijn gedichten kunnen we in elk geval vaststellen dat Pierre Lauffer iemand was die dolgraag op avontuur uit was, al is het alleen om nieuwe ontdekkingen te maken. Als dichter had hij velerlei talenten en was behalve origineel ook iedere keer creatief in zijn gedichten. Pierre was een energiek type, in sommige opzichten een perfectionist, maar dit laatste is verbonden aan het feit dat hij wellicht bang was om te falen. Een andere eigenschap was dat hij zijn innerlijke verborgen wist te houden en alleen in zijn gedichten een deelaspect van zijn persoonlijkheid sporadisch liet doorschemeren. Hij kon bazig, dominant overkomen, maar is geenzins zijn bedoeling geweest en is te herleiden naar het feit dat hij alles in goede banen wilde leiden. Als dichter was hij een fervente natuurliefhebber die het buitenleven verkoos boven het gezinsleven. Dat was zijn natuur en moest daarmee herenigd worden.Bernadette Heiliggers kan beslist terugkijken op een geslaagde onderneming en succesvol boek. Met de publicatie van de biografie Het bewogen leven van een bevlogen dichter is onze literatuur met een juweel verrijkt.

zondag 28 oktober 2012

Achter tomeloze creativiteit gaan angst en agressie verscholen

door Aart G. Broek

Na zes jaar bij het Korps Militaire Politietroepen te hebben gediend, stapte Pierre A. Lauffer begin maart 1945 weer als burger uit de politiepost van Rio Canario aan de rand van Willemstad. De oorlogsjaren leverden Lauffer (1920-1981) een reeks belevenissen op, die hij in verhalen zou verwerken. ‘Een stukje van mijn hart’, zo maakte Lauffer later kenbaar, ‘is altijd politieman gebleven’: un parti di mi kurason a keda polis káska berde.
Cola Debrot overhandigt prijs aan Pierre Lauffer

Lauffer had een hekel aan de politiële hiërarchie en hij moest de nodige ervaringen met aanmatigend en discriminerend optreden naar zijn collega’s en hem verstouwen. Toch zou het plezier dat hij beleefde aan zijn werk als politieman overheersen in de verhalen die hij jaren later onderbracht in de bundel Seis anja káska verde (1968). De kleur van de uniformen had de militaire politie de benaming ‘bananen in groene schil’ bezorgd. Lauffer verwerkte dit demonstratief in de titel. De groene schil onderscheidde zijn korps niet alleen van de veldwachters: de bananen in gele schil, maar ook van de dienstplichtige soldaten: de schutters. Lauffer had bewust de dienstplicht ontlopen door zich aan te melden als lid van het militaire politiekorps. Die baan betaalde beter en was een stuk avontuurlijker.

Kom
pi
Nog voor Lauffer het korps verliet, verwerkte hij werkervaringen in twee korte, Nederlandstalige verhalen. Die verschenen in het Militair- en Politietijdschrift voor Curaçao, in de laatste nummers van 1944. In ‘Wachter, wat is er van de nacht?’ tekent hij op enigszins poëtische wijze de nachtelijke rondgang van politie door de wijken van ‘de Punda’ in Willemstad. Van een geheel andere orde is het verhaal ‘Kompi’. Dat schetst de levensloop van een ‘manneke’ dat op jonge leeftijd zijn moeder verliest en vervolgens voor galg en rad opgroeit.
Pierre Lauffer, genietend van een voordracht

In enkele zinnen geeft Lauffer te kennen waar een dergelijke levenswandel eindigt. ‘(Kompi’s) dagen rijgen zich aaneen tot de ketting van verbittering die hem later naar de gevangenis zal sleepen. Als anderen met nieuwe hoop de zon zien rijzen aan de gouden horizon, ziet hij slechts bloed, haat en tegenslag. Totdat hij man zal zijn. Dan zal hij zich met dierlijke kracht verheffen tot een wrede koning van de Punda. Vallen zal eenieder die hem tergt. Verpletteren zal hij het schoonste en het edelste, omdat men zijn dorst met gal gelescht had en zijn honger met steenen heeft gestild. De wereld zal hem verachten, maar hij zal waanzinnig worstelen tegen recht en wet, totdat hij met schuim op de lippen ineen zal storten.’

Het verhaal sloot naadloos aan bij bestaande inzichten dat zij die wij tuig van de richel noemen, zo ‘geworden’ zijn door de sociale omgeving waarin zij opgroeien. Door vernederingen en door het beschamen van verwachtingen ontstaat agressie. Geweld bij de een wordt als het ware opgewekt, soms zelfs uitgelokt, door gedrag en handelen van anderen in de omgeving.

Klapp
en
Niet alleen Kompi maar ieder van ons is het ‘resultaat’ van aangeboren eigenschappen én van onze omgeving. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor Lauffer zelf. Hij kon een aanzienlijk agressief en zelfs gewelddadig handelen te zien geven in de huiselijke sfeer. ‘Zijn woorden kwamen harder aan dan zijn klappen’, herinnert een van zijn kinderen zich. Niet minder pijnlijk was, dat hij zich in het openbare leven uitgesproken onbeschoft kon gedragen. In de eilandelijke samenleving was Lauffers agressieve en onbehouwen optreden niet onbekend, maar nu heeft Bernadette Heiligers dit geboekstaafd in een biografie van deze man die het literaire schrijven in het Papiaments tot ongekende hoogte opstuwde.

Wanneer zijn vrouw hem negen kinderen heeft gegeven en uiteindelijk bij hem vertrekt, voelt Lauffer zich diep vernederd. Heiligers heeft dan al zeer invoelbaar gemaakt, dat Lauffer zijn vrouw een buitengewoon zwaar leven had bezorgd en dat zij begrijpelijkerwijs de koestering en bescherming van een andere man verkoos boven het grove en egocentrische optreden van Lauffer. De afwijzing door zijn vrouw ervaart Lauffer als schaamtevol en voedt zijn agressie tot in een van zijn columns: ‘Vrouwen die zich op de doodlopende weg van overspel begeven, zijn over het algemeen domme vrouwen die geen culturele bagage en geen goede achtergrond hebben.’ Lauffer hertrouwt, komt enigszins tot rust en hij lijkt zich - naar de woorden van Lauffers biechtvader pater Amado Römer - het eigen falen langzaam maar zeker wel te zijn gaan beseffen.

Tot een volmondig onderkennen van de eigen schaamte-ervaringen komt het niet. Wél lijken die ervaringen zijn melancholische neigingen te versterken, dringt een zekere verbittering zijn werk in en tekent hij zich als een weerloos slachtoffer. Lauffer is niet de eerste die zich beschermt tegen zijn eigen onvermogen door beschuldigend naar ‘de ander’ te wijzen. Het onderkennen van de eigen verantwoordelijkheid is pijnlijk. Het etaleren van het eigen verdriet vergroot de kans op leedvermaak en nog meer schaamte-ervaringen.
De ouders van Pierre Lauffer

Lauffer is evenmin de enige die naar buiten toe een zekere nonchalance neerzet, waarachter een intens verlangen naar erkenning en angst voor afwijzing schuilgaat. Heiligers tekent dit verlangen onder meer op uit de mond van een van zijn dochters. Lauffer had gedichten ingestuurd voor een prijsvraag van het Cultureel Centrum Curaçao in 1963. ‘Op de dag dat ze bekend zouden maken wie de prijs gewonnen had, zat Pai in spanning aan de radio gekluisterd. We zaten allemaal om hem heen toen hij als winnaar werd uitgeroepen. Het was alsof de zon om hem heen begon te stralen, zo blij was Pai.’ De uitreiking geschiedde door de literair auteur, arts en politiek bestuurder Colá Debrot, toen gouverneur van de Antillen. Debrot sprak en schreef waarderend over het werk van Lauffer, die hij ‘dichter bij de gratie Gods’ noemde.

Waarderi
ng
Debrot zal het gemeend hebben. In het licht van het netwerk dat hij had - juist ook in (literair) Nederland - heeft Debrot het werk van Lauffer slechts mondjesmaat weten te promoten. Opname van vertalingen van Lauffers werk in het door Debrot geredigeerde Antilliaanse Cahiers had niet misstaan. Desalniettemin is het niet alleen de uitgesproken waardering van Debrot die Lauffer goeddeed. Debrot heeft de nodige invloed gehad op het denken van Lauffer. Zijn weergave van de literaire geschiedenis werd sterk gevoed door de publicaties die Debrot er aan wijdde. Bovendien is de verdediging van etnische diversiteit en menging als eigen aan het eiland - de zogenoemde creolisering - een gedachtegoed dat Debrot uitwerkte en Lauffer vervolgens verwerkte in zijn verhalen en gedichten.

Lauffer haalde scherp uit naar iedere reductie van de eilandelijke authenticiteit tot het Afro-Antilliaanse eigene, zeker na de revolte van mei 1969. Anderzijds bewonderde hij als geen ander de vitaliteit, geborgenheid en schoonheid van de bevolkingsgroep waarvan de oorsprong in Afrika ligt. Die bewondering heeft Lauffer in tal van gedichten en verhalen gestalte gegeven. Dit literaire werk vormt als zodanig een felle kritiek op de eilandelijke sociale verhoudingen, die de Afro-Curaçaose groep aanhoudend een ondergeschikte en vernederende plaats toekende.
Bernadette Heiligers bij de presentatie van haar Lauffer-biografie; foto @ Michiel van Kempen

Lauffer zou zijn maatschappijkritiek aantrekkelijk verpakken en de gevestigde orde zodoende niet rechtstreeks aanvallen. Heiligers citeert Frank Martinus Arion, die Lauffer op de vingers lijkt te tikken door niet expliciet op de blanke elite te wijzen als de bron van uitbuiting, vernedering en discriminerende schaamte-ervaringen. ‘Omdat (Lauffer) niet duidelijk laat blijken waar hij voor staat, kan je niet zeggen dat hij behalve een sociaal geweten ook sociale principes heeft. Dat geldt voor meer schrijvers met een soortgelijke achtergrond. Als puntje bij paaltje komt, houden ze rekening met de groep waar ze uit voortgekomen zijn.’
Het is aannemelijk dat Lauffer daar rekening mee heeft gehouden. Hij was tenslotte niet een uitgesproken nazaat van Afrikaanse slaven, al ontbrak een Afrikaans lijntje niet. Een joods lijntje ontbrak evenmin, daar zijn moeder een buitenkind was van een joodse man en een Afro-Curaçaose moeder. Zij was rooms-katholiek, evenals zijn blanke vader, Antoine Lauffer. Zijn vader was aanvankelijk een redelijk succesvolle ondernemer. Door toedoen van de internationale crisis ging hij in de loop van de jaren dertig failliet. Dit bracht armoede en een fors statusverlies met zich mee. Deze ingrijpende verschuiving verscherpte Pierres ervaringen met de etnisch gekleurde scheidslijnen, waarmee hij onvermijdelijk al kennis had gemaakt.

Standaa
rd
Buitenechtelijke kinderen werden bijvoorbeeld niet in het sociale circuit uitgenodigd waar blanke familieleden en vrienden kwamen, zeker niet als zij een druppeltje negerbloed in hun aderen hadden. Dat waren overwegend gescheiden circuits. In de woorden van Ronnie Capriles, een van Heiligers’ informanten: ‘(Wij) werden geïndoctrineerd dat zwart verkeerd en lelijk was. Mooi was synoniem van wit. Ik weet zeker dat Pierres werk, waarin hij de zwarte vrouw op een voetstuk plaatst en expliciet over het gevoelsleven van de zwarte schrijft, een revanche was op de hypocriete samenleving waarin hij opgroeide.’
Bernadette Heiligers; foto @ Michiel van Kempen

Heiligers meent dat het onwaarschijnlijk is dat ‘Pierre meer dan gemiddeld geleden heeft onder de toen heersende vormen van discriminatie.’ Uit haar biografie krijg ik toch de indruk dat Lauffer wel eens meer geleden kan hebben dan wordt verondersteld (al is dat mogelijk niet meer dan gemiddeld). Lauffer had misschien meer aan pijn met Kompi gemeen dan we vermoeden. Op basis van zijn werk concludeert Heiligers met recht, dat Lauffer ‘het vooral onrechtvaardig (vond) dat blanke mannen, die buitenechtelijke kinderen bij gekleurde vrouwen verwekten, zelf bij de elite bleven horen terwijl de kinderen tweederangsburgers werden’. Door zijn moeder was Lauffer de zoon van zo’n tweederangsburger. Door het failliet van zijn vader werd hij de zoon van een tweederangsburger.

Gezien Lauffers betrokkenheid bij deze thematiek, maar evenzeer gegeven zijn agressie, angsten en verlangens lijkt hij meer verwond door de sociaal-etnische verhoudingen dan zijn werk expliciteert. Kon expliciteren? Zijn moeder bleef, zo maakt Heiligers kenbaar, loyaal aan de familie van haar joodse vader en waarschuwde om niet in de hand te bijten die haar wél had gevoed. Enerzijds de hypocrisie willen kritiseren, anderzijds zélf die hypocrisie moeten ontzien, zelfs accepteren. Dat zorgt voor een spanningsvolle emotionaliteit aan schaamte-ervaringen én in het uitzonderlijke geval van Lauffer voor een indrukwekkende creativiteit.

Heiligers tekent de menselijke spanningen die de veelgeprezen auteur teisterden. Zij doet dit op bewonderenswaardige wijze, meeslepend, afgewogen. Zij trekt de lezer door het leven en door het werk van Lauffer met een verleidelijke vaart en weet toch de vele informatie knap te spreiden. Een betere verantwoording van bronnen is wenselijk, maar dat zal de meeste lezers een zorg zijn. We willen de mens Lauffer beter leren kennen, dat kan nu. Heiligers zet met de biografie een standaard neer. Een welkome hóge standaard. Hiermee zullen de letteren van de eilanden - biografen en lezers - hun voordeel kunnen én moeten doen.

Bernadette Heiligers, Pierre Lauffer; Het bewogen leven van een bevlogen dichter. Haarlem: In de Knipscheer, 2012. ISBN 9789062658145, geïllustreerd, 302 pp.
[uit Amigoe Ñapa, zaterdag, 27 oktober 2012]

Foto’s: archief FPL

donderdag 12 juli 2012

Curaçao door de ogen van Pierre Lauffer

Op 16 september 2012 vindt een middagvullend programma van Uitgeverij In de Knipscheer plaats in Podium Mozaïek, Amsterdam, met een lezing, interview, voordracht, film en muziek rond de Curaçaose dichter Pierre Lauffer. De middag wordt georganiseerd naar aanleiding van de te presenteren biografie Het bewogen leven van een bevlogen dichter door Bernadette Heiligers. Pierre Lauffer (1920-1981) behoort tot de belangrijkste dichters van Curaçao. Hij is de man die de tijdgeest trotseerde om literatuur te scheppen in zijn geliefde Papiaments, de taal die toen, onder invloed van het koloniale denken, door velen als lelijk en onvolwaardig werd bestempeld. Via zijn poëzie leert de lezer de samenleving kennen waarin hij opgroeide. En zijn in het Nederlands geschreven verhalen laten ook de Nederlandse lezer zien hoeveel moois zijn land te bieden had en heeft.

M.m.v. o.a. biograaf Bernadette Heiligers, prof. dr. Wim Rutgers (verbonden als hoogleraar aan de UNA op Aruba en Curaçao), vertalers Lucille Berry-Haseth en Fred de Haas en beeldend kunstenaar Robin Akkerman
Toegangskaarten gratis. Reserveren verplicht.
Datum: zondag 16 september 2012 Aanvang 15.00 uur. Zaal open 14.30 uur.
Kaarten bestellen klik hier

zaterdag 23 juni 2012

Caribbean Trailblazers: St. Vincent and the Grenadines


The two volumes of Caribbean Trailblazers: St. Vincent and the Grenadines have been combined and published as a single book entitled: Caribbean Trailblazers: St. Vincent and the Grenadines,Volumes I and II (Edited by Baldwin King and Cheryl Phills King, ISBN: 0-9778981-9-9. Kings SVG Publishers, June 2012).


Volume 1 contains:

Biographies of fifteen persons (12 menand 3 women) who have made significant contributions to St. Vincent and the Grenadines itself or its diaspora.
Phyllis Punnett

The individuals profiled are National Hero Joseph Chatoyer by Dr. Adrian Fraser, Prof. Edgar Julian Duncan by Dr. Baldwin King, Hon. J. L.Eustace by Dr. Ann Eustace, Educator J. P. Eustace by Attorney Vin Samuel, Civil Servant Bernard "Ches" Gibbs by Dr. Peggy Antrobus, Rev. Fitz Allen John by Dr. Catherine John, Nesta "Clarie" Paynter, photographer and entrepreneur by Ann Samuel and Joan Samuel Simien, Phyllis Joyce Punnett who wrote the words of the SVG National Anthem by Andrea Punnett Boos, Attorney Alban Radix by Hazeldene Phills Herculesand Cheryl Phills King, Principal Thomas Mowbray Saunders by Justice Adrian Saunders, Actor Franklyn Ellison Seales by Jean Dorsinville, Shirley Richards Squire by ElizabethPunnett, Principal George C. H. Thomas by Monica Thomas Woodley, Acting Attorney General Henry Harvey Williamsby Sir Fred Phillips and Social Worker Earl "Old George" Daniel by Dr. Bertram John.

Volume 2  contains:

Biographies of eighteen persons (14 men and 4 women) who have made significant contributions in St.  Vincent and the Grenadines itself or in thediaspora.
Ellsworth McGranahan “Shake” Keane

The individuals profiled are U.S. Ambassador Roy L. Austin by Hon.John Horne, U.S. Ambassador Eileen "Betty" King by Rudolph Baynes, Jr., Kerston M. Coombs by Dr. Baldwin King, Principal Hubert E. A. Daisley by George E. Daisley, Radio personality L. Jeanette "Jean" Duncan by Dr. Hayden Duncan, Hon.Edward G. Griffith by Dr. Kenneth John, Musician and poet Ellsworth McGranahan "Shake" Keane by Dr. Philip Nanton, Dr. Errol G. King by U.S. Ambassador Roy Austin, Christian I. "Cims" Martin by U.S. Ambassador Roy Austin, Politician George A. McIntosh by Dr. Kenneth John, Kerwyn L.Morris by Dr. Kenneth John, Journalist Nora E. Peacocke by Nan Peacocke, Musician Patrick E. Prescod by Fred Prescod, Social Activist Alphonso Roberts by Dr. Kenneth John, Women rights activist Nelcia Robinson by Carleen Marshall, Hon. Randolph B. Russell by Gwendoline Russell, Hon. George Owen Walker by Yvonne Walker Andrew and Attorney Daniel Williams by Dr. Kenneth John.                                    

 For more information please contact: Dr. Baldwin King at: kingba@aol.com

donderdag 5 januari 2012

Dobru-biografie gedoopt

Op 29 november j.l. werd in het Nationaal Archief in Paramaribo de biografie van dichter-politicus R. Dobru door Cynthia Abrahams ten doop gehouden. Een foto-impressie.
Cynthia Abrahams met kunstenaar Erwin de Vries, die het portret van Dobru op het voorplat van het boek maakte

Cynthia met Jenny Simons, voorzitter van DNA

Op de eerste rij de familie-Raveles


Cynthia Abrahams met de weduwe van Dobru, mevr. Wonny Raveles-Resida

Met taalkundige Hein Eersel


Met dichter Celestine Raalte