Posts tonen met het label Jodendom. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jodendom. Alle posts tonen

zondag 6 april 2014

David Nassy’s “Furlough” and the Slave Mattheus

Dankzij professor Natalie Zemon Davis krijgen we een inkijkje in het leven in 18e eeuws Suriname. We maken o.a. kennis met David Nassy en met zijn slaaf Mattheus. Op 21 april 1792 gaan Nassy, zijn dochter Sarah en zijn slaven Mattheus en Amina met het schip Active van Paramaribo naar Philadelphia. 


door Natalie Zemon Davis

In February 1792, David Nassy, secretary and associate treasurer to the Mahamad  of the Portuguese Jewish Nation of Suriname, penned a letter of lament and supplication to the “Dignissimos Senhores” of that august body and to its Adjuntos, the council members of the Nation.1 He signed his letter David Nassy rather than David de Isaac Cohen Nassy, the name he was given at his birth in 1747 to Sarah Abigail Bueno de Mesquita and Isaac de Joseph Cohen Nassy, a descendant of early settlers of the colony. Before this, though, David had written his full name often enough, as, through the decades, he carried out the obligations of his many roles in the community: he followed his father for a term as sworn notary (jurator) of the Portuguese Jewish Nation; served as gabay, secretary, and one of the regents (parnasim) for the Mahamad; translated texts from Portuguese and Spanish into Dutch for the Suriname Court of Policy; ordered inventories to be made of his plantation and possessions; purchased medicines for his pharmacy,and contributed manuscripts in French and Dutch to the more general intellectual culture of the colony. Then, in January 1790, he went before the current jurator of the Nation and formally shortened his name to David Nassy: he claimed it was for the sake of simplicity— too many men had similar long names—but he also wanted to appear more modern.2
Jodensavannah detailJodensavanne, Suriname (Benoit, 1839)
< The tone of Nassy’s supplication to the Mahamad and Adjuntos was plaintive, but this did not mean that he could not look back from 1792 on a life of accomplishment and some fulfilled hopes—for himself, for the “benefit of the Nation and the glory of the Jewish name,” and for the literary life of Suriname, where, despite limitations, he and his fellow Jews enjoyed “a kind of Political Patrimony.”3 Nassy married his cousin Esther Abigail de Samuel Cohen Nassy in 1763, and four years later Esther gave birth to their daughter Sarah. Nassy’s purchase of the Tulpenberg coffee plantation on the Suriname River in 1770 had ended, partly through mismanagement, in financial disaster by 1773. (A fate suffered by other Suriname planters who had relied naively on easy credit arrangements offered from Amsterdam). But, thanks to bequests from his father Isaac, who died in 1774, and property brought to the marriage by his wife, David Nassy still owned land on creeks off the Suriname River, houses at Jodensavanne on the Suriname River and in the town of Paramaribo, and slaves. In 1777, he set up a partnership with Solomon Gomes Soares, “doctor and apothecary” at Jodensavanne: they would practice pharmacy together and Gomes Soares would instruct him in the art of healing. The partnership fared so well that by 1782, Nassy and his wife hired an agent in Paramaribo to acquire medicines for them. That same year, Esther’s jewelry case included diamond rings and gold bracelets.

Verder lezen: www.buku.nl

donderdag 20 maart 2014

Een SJTETL in de Cariben

CROWD FUNDING voor een zoektocht naar het aangrijpende verhaal over gevluchte Oost-Europese Joden die zich vestigen op het even exotische als koloniale Curaçao.

door Sherman de Jesus

Vandaag - 20 maart 2014 - start de crowdfundingsactie voor mijn film ‘Een Sjtetl in de Cariben’ op Cinecrowd.nl. In de film ga ik met mijn jeugdvrienden Mark en Tsale op zoek naar hun familiegeschiedenis. Aan het begin van de vorige eeuw zijn hun vaders Oost-Europa ontvlucht op zoek naar veiligheid en een betere toekomst voor hun kinderen. Op vele plekken vonden ze gesloten grenzen of waren ze als Jood niet welkom. Uitgerekend in een uithoek van het Nederlandse koninkrijk, op Curaçao, kregen ze de kans om zich te vestigen.


Dit aangrijpende verhaal moet verteld worden nu het nog kan. De tijd dringt omdat veel familieleden en andere ooggetuigen op leeftijd zijn. De film is een universeel verhaal over migratie, én een hommage aan Curaçao, het kleine eiland met een groot hart waar vreemdelingen een veilige haven vinden.

Ook vandaag de dag steken grote groepen vluchtelingen de grenzen van hun door oorlog verscheurde land over. Op zoek naar een plek waar ze zich veilig voelen. Alleen dán kan een mens zich ontwikkelen. Dat is iets waar we ons allemaal in kunnen vinden. Daar ben ik van overtuigd.

Wat kun je voor ons betekenen?
Met jouw steun kunnen we de film ‘Een Sjtetl in de Cariben’ nú maken. Om te doneren en voor meer informatie kan je HIER terecht (doorklikken).

vrijdag 14 februari 2014

Dankmeijer: bezeten van Joodse en Antilliaanse boeken

door Marius Bremmer
 
Ena Dankmeijer toont een deel van haar bibliotheek op Curaçao.
 Op de achtergrond een schilderij van haar voorvader Samuel
 Elias Levy Maduro. Foto © Marius Bremmer

De Antilliaans-Joodse Ena Dankmeijer-Levy Maduro (90) kreeg in 2010 in Amsterdam uit handen van koningin Beatrix de Zilveren Anjer uitgereikt. Dankmeijer bouwde op Curaçao uit eigen zak aan een unieke bibliotheek met judaïca.

Ena Dankmeijer woont even buiten Willemstad, in een moderne bungalow op het terrein van landhuis Rooi Catootje. „In de 18e eeuw woonden er meer dan 2000 Spaans-Portugese Joden op Curaçao; het was toen de grootste blanke bevolkingsgroep op het eiland. Ik ben in 1920 geboren op Scharloo, een chique wijk dicht bij het historische centrum van Willemstad, met overwegend Joodse bewoners. Ik was het enige kind van Salomon Abraham Levy Maduro en Rachel Louise Brandao. We waren praktiserend Joods.”

De oorlogszuchtige taal van Hitler drong ook door tot de Joden van Curaçao. „Ik meldde me aan het begin van de oorlog als vrijwilligster bij de Koninklijke Marine in Fort Amsterdam. Ik deed secretaressewerk en ik was codeerofficier. Als er alarm was, haastte ik mij vanaf Scharloo naar kantoor.”
Als eiland was Curaçao afhankelijk van de aanvoer per schip. De grote raffinaderij van Shell was van groot belang voor de geallieerden. Nadat de olie op Curaçao tot kerosine was geraffineerd, vertrokken tankers in konvooi naar Engeland om de Royal Air Force (RAF) van brandstof te voorzien. „De Tweede Wereldoorlog opende de tot dan toe zeer gesloten Joodse gemeenschap van Curaçao. Zo kreeg ik verkering met artilleriecommandant Emile Dankmeijer. Al ver voor de oorlog kwam hij op Curaçao, voor het eerst als adelborst op de Hr. Ms. Hertog Hendrik om assistentie te verlenen bij de geruchtmakende Urbina-affaire in 1929. Toen pleegden Venezolanen een overval op het Waterfort en ontvoerden gouverneur Fruytier naar Venezuela: de directe aanleiding voor de nu permanente aanwezigheid van de Koninklijke Marine op de Antillen.”

Dankmeijer kreeg de Zilveren Anjer, een onderscheiding van het Prins Bernhard Cultuurfonds, omdat ze tot op de dag van vandaag het bibliotheekwerk van haar vader voortzet. „Hij was al op de lagere school begonnen met het verzamelen van werkelijk alles wat op papier staat: Antilliana (boeken over de Antillen) en judaïca (boeken over de Sefardische Joden en de Joden van Curaçao), maar ook tijdschriften, krantenknipsels, menukaarten, programma’s van variétévoorstellingen, alle mogelijke uitnodigingen en ansichtkaarten. Na zijn overlijden heb ik samen met de directrice van de openbare bibliotheek besloten met het werk door te gaan, met landhuis Rooi Catootje als basis. Dat landhuis was ons tweede huis, we ontvluchtten er de hitte van de stad.”

Landhuis Rooi Catootje, het tweede huis van de familie Levy Maduro even buiten
 Willemstad op Curaçao, is nu een museum geworden. Foto © Marius Bremmer

Het jaar 2010 was een gedenkwaardig jaar voor Dankmeijer, niet alleen vanwege de onderscheiding. In april vierde ze haar 90e verjaardag met vele genodigden in de synagoge van Willemstad. Later die maand opende ze de nieuwbouw voor haar boekenverzameling. Als telg uit een vermogend geslacht van scheepsagenten en bankiers financierde ze dit miljoenenproject geheel uit eigen middelen. „We barstten met alleen al vele duizenden boeken uit onze voegen in het oude landhuis. In de nieuwbouw is alles klimatologisch geregeld.”

De boeken zijn verhuisd naar het Ena Dankmeijer-Maduro Paviljon, landhuis Rooi Catootje is een museum geworden met antiek koloniaal meubilair en met vele herinneringen aan haar ouders en aan haar overleden echtgenoot. Dankmeijer –sinds 1990 weduwe– loopt trots rond: „Vanmorgen nog kwamen er oude bekenden van de marine. Dan geef ik zelf even een rondleiding.”


[naar RD.nl, 23-07-2010]

zondag 9 februari 2014

Duitse Joden achter Indische Kawat (6 en slot)

door Werner Stauder

Een klacht wegens moord, die een Duitse overlevende in 1953 tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff bij de Nederlandse justitie indiende, werd twee jaar later weliswaar in onderzoek genomen, maar resulteerde uiteindelijk 1958 in de conclusie dat er geen redenen waren om een strafvervolging in te stellen. Men beriep zich hiervoor o.a. op de ‘volledige’ scheepsverklaring, die kapitein H.J. Hoeksema op woensdag 4 februari 1942 samen met de vierde stuurman M.R. van der Sluis en de hoofdwerktuigkundige J. van der Ploeg aflegde voor de havenmeester van Batavia, de heer W.H. Morren  ten havenkantoor Tandjong Priok.
 
De ss Patria in Tandjong Priok
Ondanks de nadrukkelijke vermelding dat deze verklaring geheel overeenkomstig de waarheid en zonder bijvoeging of weglating van daadzaken zou zijn, roept het lezen van dit zeven A4-tjes tellende document toch wel enkele vragen op: De kapitein verklaarde dat de geïnterneerden goede ligging hadden in de daarvoor genoemde dekken, maar in hoeverre kan bij prikkeldraadkooien van 2 meter breed en 1 meter hoog van een goede ligging gesproken worden? De kapitein heeft samen met zijn bemanning en de militairen het zinkende schip verlaten terwijl daar nog honderden gevangenen in het ruim opgesloten waren, waarvan uiteindelijk 411 personen omkwamen die grotendeels gered hadden kunnen worden. In hoeverre kan hij dan beweren dat hij en zijn ondergeschikten zich aan hun verplichtingen hebben gehouden en steeds met de meeste zeemanschap hebben gehandeld? Een goede kapitein verlaat als laatste het zinkende schip! In zijn verklaring wil kapitein Hoeksema ons laten geloven, dat de reddingsboten allemaal vol waren en dat er voor de 477 geïnterneerden geen plaats was, hetgeen enerzijds betekent dat er al vanaf het begin geen rekening werd gehouden met een eventuele redding van de Duitse geïnterneerden, maar anderzijds spreekt hij zichzelf ook tegen. De Nederlanders beschikten over een motorsloep en vier gewone reddingssloepen met elk een minimale capaciteit van 42 inzittenden. Uit het feit dat er in de achtergelaten vijfde sloep uiteindelijk 53 man konden plaatsnemen blijkt, dat er ruim voldoende plaats was om een groot aantal drenkelingen te kunnen redden. De 84 bemanningsleden en 62 bewakers zaten dus heel uitgebreid in de sloepen terwijl er nog ruim 100 man erbij hadden gekund. Sowieso hadden ze de Joden mee moeten nemen, die in principe niet eens geïnterneerd hadden mogen worden. Wat de zwemmers betreft, die probeerden de reddingsboten te bereiken, heeft de kapitein het in zijn verslag weliswaar over een gewonde geïnterneerde, die in een van de sloepen werd meegenomen, maar hij verzuimde daarbij te vermelden, dat deze Duitser gewond raakte doordat er dwars door zijn hand geschoten werd bij zijn poging om aan boord van de boot te klimmen. Verder wordt in de verklaring de aanwezigheid van voldoende reddingsvesten en enkele reddingsmatrassen vermeld, maar wat hadden de drenkelingen eraan als zij door de haaien werden aangevallen en de Boelongan de volgende dag weigerde om de Duitse overlevenden aan boord te laten? Al deze vragen bleven tot op heden onbeantwoord.
 
Vrouwen en kinderen in het kamp Adek nabij Batavia
In 1964 kreeg de cineast Dick Verkijk van Herman Wigbold van de VARA de opdracht om een documentaire over de Van Imhoff-affaire te maken voor de actualiteitenrubriek ‘Achter het Nieuws’. Vrij Nederland schreef op 1 februari 1969 met betrekking tot het feit dat de kapitein van het zinkende schip de gevangenen in het ruim aan hun lot overliet nadat hij zichzelf in veiligheid had gebracht: ‘Voor Wigbold stond vast dat er geweigerd is Duitsers te redden omdat zij Duitsers waren!’ Hoewel Justitie weigerde om gegevens hieromtrent aan Verkijk te verstrekken was hij er desalniettemin in geslaagd een nauwkeurige reportage over deze beschamende gebeurtenis te maken, die echter nooit is uitgezonden omdat de toenmalige televisiecommissaris Jan Willem Rengelink de uitzending botweg verboden had. Zo bleef de documentaire achter slot en grendel op de planken liggen en was later nergens meer te vinden. Gewoon spoorloos verdwenen! Wij kunnen er gerust van uit gaan, dat het ruwe materiaal vernietigd is. Een tweede documentaire van Verkijk over hetzelfde onderwerp, die wel aanzienlijk korter was dan de eerste, werd door de VARA-voorzitter Jaap Burger persoonlijk verboden, waarbij het niet uitgesloten is dat dit in overleg met de toenmalige regering gebeurde gezien het feit dat Jaap Burger onder Willem Drees oud-fractievoorzitter van de PvdA was.

De PSP'er Henk Lankhorst
Hoe dan ook, Dick Verkijk liet het er niet bij zitten en publiceerde de resultaten van zijn onderzoek op vrijdag 16 april 1965 in Het Parool, hetgeen nogal enige opschudding veroorzaakte. Naar aanleiding hiervan wijdde Der Spiegel op 22 december 1965 en 7 februari 1966 twee uitgebreide artikelen met foto’s en ooggetuigenverslagen aan de pogingen van zowel de VARA-leiding alsook van de Nederlandse autoriteiten het Van Imhoff-schandaal in de doofpot te stoppen. Dit had tot gevolg, dat de fractieleider van de PSP in de Tweede Kamer, Lankhorst, op 15 februari 1966 lastige vragen over deze affaire aan de toenmalige minister van Defensie Piet de Jong (Kabinet Cals) stelde. In zijn reactie wees de Jong op het onderzoek uit 1956 met het resultaat dat het ministerie van Buitenlandse Zaken de regering in Bonn destijds liet weten dat geen strafvervolging zou worden ingesteld. Ook in maart 1966 werd in de Eerste Kamer door de PSP, gesteund door de PvdA en de ARP, een voorloper van het CDA, op meer inlichtingen over de gebeurtenissen rondom de Van Imhoff aangedrongen. Minister De Jong gaf hierop de schriftelijke reactie, dat er geen onjuiste beslissingen waren genomen en dus geen grond aanwezig was voor een strafrechtelijke vervolging tegen de gezagvoerder van de Van Imhoff. De Kamers kwamen daarna niet meer op het gebeurde terug en de discussie was gesloten.

Zo belandde de hele affaire opnieuw in de doofpot en werd door de latere publicaties van Van Heekeren en Bezemer slechts ten dele openbaar gemaakt. Tot op heden werd niemand verantwoordelijk gesteld voor de dood van 411 geïnterneerde Duitsers en Joden, waaronder Otto Moszkowicz, waardoor het Van Imhoff-schandaal nog steeds een zwarte bladzijde in de geschiedenis van maritiem Nederland zal blijven.


Werner Stauder is van Joodse afkomst en was 34 jaar werkzaam bij de Telegraaf.
Hij werkt aan een boek over interneringskampen in Nederlands-Indië.


zaterdag 8 februari 2014

Duitse Joden achter Indische Kawat (5)

De Boelongan in 1915

door Werner Stauder

Tegen de avond van 19 januari 1942, rond half zeven, verdween de boeg van de Van Imhoff in de golven. Het schip zonk weg in de diepte, terwijl ruim 300 Duitse gevangenen, die geen kans hadden gezien zich in veiligheid te brengen, zich nog steeds in hun prikkeldraadkooien aan boord bevonden. Zij werden samen met de zwemmenden mee de diepte in gesleurd. In totaal zijn 411 onschuldige Duitse en Joodse gevangenen hierbij omgekomen. Een van hen was Otto Johann Ludwig Moszkowicz. Van de Joden heeft niemand de ramp overleefd!

Onder de slachtoffers bevonden zich naast de talrijke Joden ook enkele tientallen protestantse zendelingen, katholieke missionarissen, dominees en priesters, ook diverse bekende kunstenaars waaronder de kunstschilder Walter Spies en zelfs een groot aantal actieve en gepensioneerde KNIL-militairen en politieambtenaren, die al meer dan 20 jaar genaturaliseerd waren en trouwe dienst aan de koningin bewezen. Van al deze gevangenen kan derhalve moeilijk gezegd worden dat zij nazi's of gevaarlijke elementen geweest zouden zijn hetgeen hun gruwelijke dood zou kunnen rechtvaardigen. Het feit dat de bemanning en de bewakers zichzelf in de reddingsboten in veiligheid hadden gebracht terwijl zij de aan hen toevertrouwde gevangenen keihard aan hun lot overlieten druist in tegen alle regels op zee. Tot op heden zijn de verantwoordelijken nooit berecht!

Dit verhaal zal ongetwijfeld nare herinneringen oproepen bij de lezers die bekend zijn met de koloniale geschiedenis van Nederland, want het lijkt wel een déjà vu. Op 1 januari 1738 verging in een onweer voor de monding van de Marowijnerivier in Suriname het slavenschip Leusden van de West-Indische Compagnie, waarbij kapitein Outjes willens en wetens ruim 700 slaven, die benedendeks aan kettingen waren vastgeklonken, liet verdrinken terwijl hij zelf met zijn Nederlandse bemanning op de sloepen stapte en naar de wal vertrok. De kapitein durfde de slaven niet los te laten omdat hij bang was dat ze de bemanning op het zinkende schip zouden overmeesteren. Dezelfde reden gaf ook kapitein Hoeksema aan ten opzichte van de Duitse gevangenen op de Van Imhoff. Op 18 november 1737 vertrok de Leusden vanaf het Nederlandse Fort Elmina aan de kust van het huidige Ghana naar Suriname met honderden slaven aan boord. Benedendeks was het erg donker en benauwd en door het ontbreken van sanitaire voorzieningen stonk het daar verschrikkelijk. Het slavenruim van de Leusden was in twee lagen verdeeld zodat er meer slaven vervoerd konden worden. Hetzelfde principe werd 200 jaar later ook toegepast op het ruim van de Van Imhoff. Vandaar dat de kooien waarin de Duitsers opgesloten werden slechts één meter tien hoog en twee meter breed waren waardoor zij net als de slaven op de Leusden op elkaar gepakt als haringen in een ton zaten. Zowel de mannelijke alsook de vrouwelijke slaven waren naakt en twee aan twee aan elkaar geketend. Toen het slavenschip eind december 1737 zijn eindbestemming naderde kwam het voor de kust van Suriname in een noodweer terecht. De slaven zaten als ratten in de val toen de romp brak en water de ruimen binnen stroomde. Kapitein Outjes had namelijk de luiken dicht laten spijkeren om te voorkomen dat de slaven naar boven zouden komen, toch hoe hadden ze dat kunnen doen als ze vastgeketend waren? Zonder ook maar één vinger uit te steken om hen te redden liet de kapitein de sloepen strijken en vertrok met zijn bemanning. Ruim 700 onschuldige Afrikaanse slaven hebben deze scheepsramp niet overleefd en men moet zich afvragen hoe het mogelijk is dat deze grootste tragedie uit de Nederlandse scheepvaarthistorie bijna 300 jaar lang in het moederland zelf vrijwel onbekend bleef. Het antwoord laat zich wel raden.
 
Admiraal Helfrich
Terug naar de Van Imhoff. Ook de weinige overlevenden, in de beide boten en op de vlotten, die de volgende ochtend werden waargenomen door het KPM-schip Boelongan, mochten op uitdrukkelijk bevel van de Commandant Zeemacht niet gered worden. Daarom weigerde de kapitein om humanitaire hulp aan de drenkelingen te verlenen en gaf onder luid gemor van zijn eigen inlandse bemanning het bevel te vertrekken en de drenkelingen zonder water en voedsel aan hun lot over te laten. Hij beriep zich hiervoor op een geheime order van admiraal Helfrich. Een van de drenkelingen, de Duitse Jood Arno Schönmann uit Soerabaja, sprong van een vlot in het water en zwom het schip achterna. Een inlandse matroos, die medelijden toonde, gooide hem een werplijn toe. Schönmann probeerde daaraan omhoog te klimmen, werd daaraan echter gehinderd door de eerste stuurman en is achteraf verdronken. De vlotten dreven af en werden nooit teruggevonden. Ook twee inzittenden van de beide boten hebben het niet gehaald. Zo waren er uiteindelijk van de 477 geïnterneerde Duitsers nog slechts 65 overlevenden, die door de Nederlandse autoriteiten op het eiland Nias, waar zij enkele dagen later aanspoelden, opnieuw werden gevangengezet.
 
Eelco Nicolaas van Kleffens

Uit de zeer geheime correspondentie uit 1942 tussen gouverneur Starkenborgh in Batavia en minister van Kleffens in Londen blijkt duidelijk dat het Van Imhoff-schandaal in Nederland al vanaf het begin angstvallig in de doofpot is gestopt. Het openbaar worden van de ware toedracht zou de autoriteiten tot de hoogste instanties zowel in Batavia alsook in Londen en later ook in Den Haag behoorlijk in verlegenheid gebracht hebben en moest dus koste wat het kost geheim gehouden worden. De bemanning en het bewakingsdetachement kregen reeds enkele dagen na hun aankomst in Padang het bevel de ware toedracht rondom het gebeurde met de Van lmhoff geheim te houden. In een telegram aan de Minister van Buitenlandse Zaken in London, de heer Eelco Nicolaas van Kleffens, schreef Starkenborgh op 1 februari 1942: “Daar vele geruchten reeds de omloop deden ook onder Duitsche vrouwen dat schip met geïnterneerden vergaan en aangezien het voorts ongewenscht is publicatie langer uit te stellen wegens kans eerder bericht buitenlandsche radio, is heden een korte verklaring uitgegeven dat een transport het voorwerp van Japansche actie is geworden welke een groot aantal slachtoffers heeft geëischt. Over behoud bemanning en bewaking is opzettelijk niets gezegd teneinde verkeerden indruk buitenland te vermijden.” Niettegenstaande deze poging om de ware toedracht te verbergen wisten enkele overlevenden vanaf het eiland Nias later toch een nauwkeurig verslag van de gebeurtenissen door te geven naar Duitsland.

[deel 6 en slot klik hier]

Duitse Joden achter Indische Kawat (4)

De ss Van Imhoff
door Werner Stauder

De kans om Bombay te bereiken was eigenlijk reeds vanaf het vertrek vrijwel nihil omdat de Van Imhoff, die blijkbaar doelbewust niet als gevangenentransport aangemerkt was, al door Japanse verkenningsvliegtuigen gesignaleerd werd toen het nog in de haven van Sibolga lag. De omstandigheden aan boord waren voor de geïnterneerden mensonterend. De 477 grotendeels bejaarde gevangenen werden beneden in het bloedhete ruim van het vrachtschip opgesloten en zaten dicht opeengepakt in 2 meter brede kooien van prikkeldraad, elk met een capaciteit voor dertig man. Omdat elke kooi amper één meter tien hoog was en het voor de gevangenen dus onmogelijk was rechtop te staan, hurkten en lagen zij dicht op elkaar. Er was te weinig drinkwater, ventilatie en sanitaire voorzieningen waren vrijwel nihil. In de kooien hing een vreselijke stank en het was er niet uit te houden van de hitte. Alleen al het laten vertrekken van het schip onder deze barre omstandigheden, die sterke overeenkomsten vertonen met die in de slavenschepen van de West-Indische Compagnie zoals de Leusden waar ik straks nog op zal terugkomen, was reeds een grove schending van het volkenrecht. Daar komt nog bij dat er onvoldoende reddingsmiddelen op het schip aanwezig waren om iedereen te kunnen redden en die, zo later bleek, sowieso uitsluitend bedoeld waren om de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement in veiligheid te brengen.

Een Japanse jachtbommenwerper

Het duurde dan ook niet lang totdat er zou gebeuren wat iedereen vreesde, want omstreeks tien uur in de ochtend van de noodlottige 19e januari 1942 werd de Van Imhoff door een Japanse jachtbommenwerper aangevallen. Door één van de bommen scheurde op een gegeven moment de scheepswand onder de waterlinie open, waardoor er zoveel water binnenstroomde dat het schip langzaam begon te zinken. Toen de Van Imhoff tegen één uur slagzij begon te maken, werd door kapitein Hoeksema de order gegeven de motorsloep alsook de vijf reddingsboten te vieren en alle reddingsvlotten in het water te werpen. Een zesde reddingsboot bleef echter hangen omdat die zat vastgeroest in zijn ophangmechanisme. Voorts werd order gegeven om de Duitse en de Joodse gevangenen in hun kooien kalm en zo nodig in bedwang te houden, zodat de Nederlandse bemanning en het bewakingsdetachement het schip zonder tegenstand kon verlaten. Pas toen alle Nederlanders van boord waren, werden door de laatste militairen kniptangen en sleutels naar beneden gegooid. De geïnterneerden werden in het ruim verder aan hun lot overgelaten.

Wat toen volgde, is haast niet te beschrijven. Sommigen konden weliswaar met behulp van de ijzertangen de prikkeldraadomheining openknippen, toch lukte het slechts de jongste en vitaalste mannen het ruim te verlaten. De rest bleef achter. Velen werden verdrukt of vertrapt, want iedereen probeerde in paniek vanuit de krappe kooien over elkaar heen naar buiten te kruipen. Anderen sneden hun polsen open om niet levend door haaien opgevreten te worden. Weer anderen sprongen overboord en verdronken. Degenen die hun sprong overleefden en probeerden de Nederlandse sloepen zwemmend in te halen, werden onder dreiging van gerichte pistoolschoten op afstand gehouden. Een van hen, Stephan Walkowiak, kreeg bij deze poging weliswaar een schot dwars door zijn hand, werd daarna echter door inheemse militairen in een van de achterste reddingsboten bloedend aan boord gehesen hoewel er vanuit de motorsloep gecommandeerd werd de man aan zijn lot over te laten.


Te midden van de grote chaos aan boord van het zinkende schip hielden sommige gevangenen hun hoofd koel en zochten naar allerlei mogelijkheden om het vege lijf te redden. Algauw vonden zij de sloep die de Nederlanders in hun haast niet los konden krijgen. Uiteindelijk slaagden de mannen er na twee uur zwoegen alsnog in om de aan de davits vastgeroeste reddingsboot los te wrikken en te water te laten. Officieel kon de sloep slechts 42 inzittenden bevatten, maar desondanks konden er toch wel 53 man mee en in een werkboot dat zij op het voorschip aantroffen, konden nog eens 14 man plaatsnemen. De riemen en het noodrantsoen waren helaas door de Nederlanders uit de boot verwijderd maar gelukkig lagen de mast en de zeilen er nog in. Velen waren vanaf het schip in het water gesprongen en probeerden zich op planken en deuren, houten meubels en kasten zo lang mogelijk drijvende te houden of een plaats te bemachtigen op enkele bamboevlotten.

[voor deel 5 klik hier]

Duitse Joden achter Indische kawat (3)

Het ss Van Imhoff op de rede van Donggala. Foto Tropenmuseum

door Werner Stauder

Toen de gouverneur-generaal van Starkenborgh samen met de legercommandanten luitenant-generaal Berenschot en generaal-majoor Schilling eind mei 1940 het kamp op het eiland Onrust bezocht en constateerde dat de toestand daar ‘zeer onvoldoende’ was, gaf hij opdracht om onmiddellijk een centraal kamp te bouwen waar alle Duitse mannen van de hele Indische Archipel konden worden ondergebracht.
G.J. Berenschot
In alle haast werd er in het zuiden van Atjeh op het eiland Sumatra het centrale kamp Lawé Sigala-gala gebouwd in de Alasvalei vlakbij Kota Tjané.Op ten Noort van Onrust op weg naar het nieuwe kamp en op 14 juli met de Plancius het tweede. Met het derde transport werden op 8 augustus 1940 de laatste gevangenen van het eiland Onrust naar Sumatra gebracht, eveneens met de Plancius. Het is mij niet bekend onder welke groep de heer Moszkowicz zich bevond, maar ook hij belandde in Lawé Sigala-gala opnieuw achter het prikkeldraad. De gevangenen werden volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Elk blok telde 8 tot 12 slaapbarakken voor ongeveer 400 man, vier eetbarakken, sanitaire barakken, een keuken en een hospitaal. De blokken A en D waren de zogenoemde nazi-blokken, blok B was voor de de rooms-katholieke priesters, protestantse zendelingen en andere a-politieke mensen, de blokken C en F voor de zeelui en overige gematigden, en tenslotte blok E voor de Joden. De diverse blokken werden onderling van elkaar gescheiden door een hoge dubbele prikkeldraadomheining en Spaanse ruiters. Op alle hoeken van het kamp stonden wachttorens met schijnwerpers en mitrailleurs. Het kamp werd streng bewaakt door een versterkte KNIL-compagnie van 250 man. Hoewel er op het eiland Onrust een aantal Duitse Joden werd vrijgelaten, moest het merendeel toch mee naar het nieuwe kamp en zo kwam ook Otto Moszkowicz hier in het ‘Jodenblok’ terecht. Vanuit de cellen van het beruchte Fort Ngawi alsook vanuit de kampen op de andere eilanden werden eveneens talrijke Joodse gevangenen overgebracht naar blok E in Lawé Sigala-gala. Wat er met hen verder allemaal gebeurde in dit verschrikkelijke kamp dat twee jaar later door de Japanners zou worden gebruikt om daarin de Nederlanders te interneren, zal ik in mijn boek uitvoerig beschrijven aan de hand van diverse ooggetuigenverslagen en dagboekaantekeningen.


Geheim codebericht van de Nederlandse regering uit 1942

Op 6 juli 1940 ging het eerste transport van vijfhonderd man met de Op ten Noort van Onrust op weg naar het nieuwe kamp en op 14 juli met de Plancius het tweede. Met het derde transport werden op 8 augustus 1940 de laatste gevangenen van het eiland Onrust naar Sumatra gebracht, eveneens met de Plancius. Het is mij niet bekend onder welke groep de heer Moszkowicz zich bevond, maar ook hij belandde in Lawé Sigala-gala opnieuw achter het prikkeldraad. De gevangenen werden volgens een bepaald systeem over zes blokken verdeeld, genummerd van A tot F, die in twee rijen van drie tegenover elkaar stonden. Elk blok telde 8 tot 12 slaapbarakken voor ongeveer 400 man, vier eetbarakken, sanitaire barakken, een keuken en een hospitaal. De blokken A en D waren de zogenoemde nazi-blokken, blok B was voor de de rooms-katholieke priesters, protestantse zendelingen en andere a-politieke mensen, de blokken C en F voor de zeelui en overige gematigden, en tenslotte blok E voor de Joden. De diverse blokken werden onderling van elkaar gescheiden door een hoge dubbele prikkeldraadomheining en Spaanse ruiters. Op alle hoeken van het kamp stonden wachttorens met schijnwerpers en mitrailleurs. Het kamp werd streng bewaakt door een versterkte KNIL-compagnie van 250 man. Hoewel er op het eiland Onrust een aantal Duitse Joden werd vrijgelaten, moest het merendeel toch mee naar het nieuwe kamp en zo kwam ook Otto Moszkowicz hier in het ‘Jodenblok’ terecht. Vanuit de cellen van het beruchte Fort Ngawi alsook vanuit de kampen op de andere eilanden werden eveneens talrijke Joodse gevangenen overgebracht naar blok E in Lawé Sigala-gala. Wat er met hen verder allemaal gebeurde in dit verschrikkelijke kamp dat twee jaar later door de Japanners zou worden gebruikt om daarin de Nederlanders te interneren, zal ik in mijn boek uitvoerig beschrijven aan de hand van diverse ooggetuigenverslagen en dagboekaantekeningen.


Eind december 1941 werd in verband met de verwachte landingen van de Japanners besloten het kamp op Sumatra te ontruimen en de gevangenen naar Brits-Indië af te voeren. In een geheim codebericht aan minister van Kleffens schreef Starkenborgh: “Britsch-Indië is bereid onderbrengen Duitsche geïnterneerden welke vertrekken 28 December en 2 Januari. Het schijnt mij juister gezien belang maatregel de Duitsche Regeering Uwerzijds inlichten, echter niet voordat tweede groep is aangekomen omdat eerder bekendmaken eventueele Japansche voor ontzetting zou kunnen verhaasten dan wel pogingen zou kunnen uitlokken om het transport op zee op te vangen. De datum van aankomst zal ik U nader seinen.” Er was hierbij dus slechts sprake van twee transporten. Over een derde transport staat niets in de officiële telegramwisseling tussen de gouverneur-generaal en de minister in Londen. Op dat moment bevonden zich nog ruim 2450 Duitse en Joodse gevangenen in Lawé Sigala-gala, die in met prikkeldraad ‘beveiligde’ vrachtauto’s werden overgebracht naar de havenstad Sibolga. Op 29 december 1941 vertrok het eerste transport geïnterneerden met de KPMer Ophir uit Sibolga. Het schip had bijna duizend gevangenen aan boord, waaronder zich dertig fanatieke nazi’s bevonden, de rest waren vooral jonge mannen, velen uit de blokken A en D, enkelen uit F en C en een heel enkele uit E en B. Op 3 januari volgde de Plancius met ruim negenhonderd Duitsers aan boord, eveneens uit de diverse blokken zorgvuldig geselecteerd zodat de gevaarlijkste gevangenen alvast het land uit waren. Op 16 januari 1942 vertrok het derde en laatste transport uit Sibolga met 477 Duitse gevangenen aan boord van het omgebouwde koopvaardijschip Van Imhoff. Deze groep, waartoe ook Otto Moszkowicz behoorde, bestond uit de rest van Blok E, het Joodse blok, mannen van wie de namen met L t/m Z begonnen en de ouderen uit alle andere blokken alsook zeelui. Op 19 januari 1942 werd in een geheim codebericht de mededeling gedaan, dat de twee transporten van respectievelijk 975 en 938 Duitsers op 7 en 10 januari in Brits-Indië zijn aangekomen en dat er op 16 dezer een derde en laatste transport uit Nederlands-Indië vertrok. Verder wordt in dit bericht melding gemaakt van de aankondiging dat de evacuatie uit Nederlands-Indië over een week gepubliceerd zal worden, waarbij het feit dat de laatste groep onderweg is, zal worden verzwegen. Waarom moest dit worden verzwegen? Wist men soms van tevoren al dat het schip nooit zou aankomen? 

[wordt vervolgd]

Duitse Joden achter Indische kawat (2)

Roeiboten meren aan bij de ss Van Imhoff in de baai van Gorontala. Foto Tropenmuseum

door Werner Stauder

De Joden werden net zo slecht en onbeschoft behandeld als de overige Duitsers, want zij werden gewoon als Duitsers beschouwd en niet als Joden. Niemand stond er blijkbaar bij stil dat deze mensen helemaal geen Duitse staatsburgers meer waren en dat zij juist uit Nazi-Duitsland moesten vluchten om aan de afgrijselijke jodenvervolging te ontsnappen. Dat de Duitse Joden door de Nederlandse politie werden gearresteerd in het land waar zij rust en vrijheid dachten te vinden, en dan op het beruchte eiland Onrust ook nog in een zogenaamde ‘Jodenbarak’ werden opgesloten in plaats van hen als vluchtelingen op te vangen en hen politiek asiel te verlenen is ronduit schandalig te noemen.
GG Tjarda van Starkenborgh Stachouwer
Dat dit echter niet per vergissing gebeurde, maar juist van hogerhand beslist werd blijkt uit het feit, dat het besluit hiervoor door de gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer werd genomen als een veiligheidsmaatregel op grond van artikel twintig van de Regeling Staat van Oorlog en Beleg. De Duitse Joden werden in Indië als ‘veiligheidsrisico’ beschouwd omdat men vreesde, dat zij door de nazi’s konden worden gechanteerd met hun familieleden in de concentratiekampen. Om deze reden liet Starkenborgh de veiligheid voor de menselijkheid gaan met alle gevolgen van dien. Zo werd ook de onschuldige ingenieur Otto Johann Ludwig Moszkowicz het slachtoffer van dit noodlottige besluit en kwam onder onmenselijke omstandigheden achter het prikkeldraad terecht.


In de vroege ochtend van 15 mei 1940 werd hij getuige van de brute moord op zijn jonge barakgenoot Rudolf Frühstück. De geïnterneerden van barak 18 gingen naar buiten om te luchten. Vlak voor de omheining waren enkele Javanen in de hoge bomen geklommen om daar wat takken af te kappen in verband met het monteren van een elektrische leiding. Natuurlijk was dit voor Moszkowicz en zijn barakgenoten een prachtige afleiding om naar te kijken en ook de jonge Frühstück was één van deze toeschouwers. Met opgeheven hoofd stond hij gefascineerd te kijken hoe snel en behendig deze inlanders in de boom konden klimmen en had daarbij niet eens door dat hij inmiddels op minder dan twee meter van de prikkeldraadomheining was gekomen. Onbewust wilde hij op een gegeven moment met zijn hand op één van de peilers van het hek steunen, waardoor die hand zich dus boven het verboden gebied bevond met het gevolg dat hij nietsvermoedend en zonder waarschuwing door een sergeant van het bewakingsdetachement van achteren werd doodgeschoten door een welgemikt schot in de hartstreek. Er ontstond onmiddellijk een groot tumult in het kamp.
Hanoeka-feest, Bandung 1935
Zijn barakgenoten renden naar hem toe om hem te helpen, waaronder ook dr. Emil Mengert uit Batavia, terwijl ook militairen van alle kanten kwamen aanlopen, die de arts onder bedreiging van het geweer dwongen zijn patiënt te verlaten en iedereen de barak in joegen. Uit de omliggende barakken klonken luide protesten tegen deze handelwijze. Onder de toegesnelde militairen bevond zich ook kapitein De Vries, die, met zijn pistool in de hand, de zwaargewonde jongeman zieltogend in het gras aantrof. Kort daarop stierf hij. Rudolf Frühstück was een jonge Jood, die in de jaren ’30 van Duitsland naar Singapore emigreerde, maar daarna zijn toevlucht in Nederlands-Indië zocht toen de oorlog tussen Engeland en Duitsland uitbrak, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij in Indië veilig zou zijn. Frühstück ontmoette in Indië de dood, die hij in Duitsland wilde ontlopen. Heel tragisch!

[voor deel 3 klik hier]

vrijdag 7 februari 2014

Duitse Joden achter Indische Kawat (1)

Het grote vrachtschip de Van Imhoff wordt in de haven geladen. Collectie Tropenmuseum

Vergeten groep Joodse oorlogsslachtoffers


door Werner Stauder

Wat er met de Joden in Nederland gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog weet vrijwel iedereen. Over het lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden in Nederlands-Indië van vóór de Japanse bezetting is hier daarentegen weinig bekend. Zij vormen een vergeten groep oorlogsslachtoffers. Het doel van dit artikel is het eerherstel van deze mensen. Om aan deze anonieme groep een gezicht te geven zal ik het lot van de heer Otto Moszkowicz als voorbeeld naar voren halen.

Otto Johann Ludwig Moszkowicz, geboren in 1911, was in Nederlands-Indië als ingenieur werkzaam bij de B.P. Maatschappij in Terisi, Djatibarang op West-Java. De heer Moszkowicz was één van de honderden Joden, die in de jaren 30 Duitsland en Oostenrijk waren ontvlucht en zich in Nederlands-Indië hadden gevestigd omdat zij dachten, daar een veilig heenkomen te hebben gevonden onder de Nederlandse bescherming. Zij kwamen van de regen in de drup, want zij ontsnapten weliswaar aan de nazi’s, maar kwamen evengoed in kampen terecht achter het prikkeldraad. Velen van hen hebben het niet overleefd, waaronder ook de heer O.J.L. Moszkowicz. Tijdens de naspeuringen voor mijn boek over de interneringskampen in Indië kwam ik in Duitse en Nederlandse archieven een van de grootste schandalen uit de maritieme geschiedenis van Nederland op het spoor, waarover tot op heden een mysterieuze sluier hangt. Meer dan 70 jaar geleden, op 19 januari 1942, voltrok zich circa 150 zeemijl voor de kust van Sumatra een haast onbeschrijfelijk drama, waarvan de ware toedracht door de desbetreffende autoriteiten decennia lang angstvallig in de doofpot is gehouden. Ik nam daarom het besluit, mij intensief met deze Nederlands-Indische doofpotaffaire bezig te houden om in mijn boek een waarheidsgetrouw beeld te scheppen van alle gebeurtenissen rondom de tragische dood van 411 onschuldige gevangenen, waaronder talrijke Joden, die men op uitdrukkelijk gezag van hogerhand willens en wetens heeft laten verdrinken. Aan de bemanning gaf men vervolgens het bevel daarover te zwijgen. Ook Otto Moszkowicz was één van deze verzwegen Joodse oorlogsslachtoffers. Met het onderstaande verhaal wil ik hem en al de anderen uit de anonimiteit halen en postuum eer bewijzen.
 
Bar Mitzwa in Soerabaja

Het begon allemaal op 10 mei 1940. Onmiddellijk nadat Tjarda van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, te Batavia op de hoogte was gebracht van de Duitse inval in Nederland, werden in de gehele Indische archipel alle burgers van Duitse afkomst gearresteerd en in interneringskampen opgesloten, in totaal ruim 2.800 mannen en vrouwen, waarbij geen onderscheid gemaakt werd tussen ‘arische’ Duitsers, Indo’s met een Duitse achternaam en uit Duitstalige landen afkomstige Joden. Dat ook deze Joden, die juist voor de nazi’s gevlucht waren en zich in Indië veilig waanden, werden gearresteerd en opgesloten - en dan ook nog op vrijdagavond bij het begin van de sabbat - is onbegrijpelijk. Te meer als men bedenkt, dat zij reeds voor de oorlog door de nazi’s van hun burgerrechten werden beroofd en dus stateloos waren. Op deze bewuste Erev Sjabbat van de 3e Ijar 5700, die om 18:11 uur plaatselijke tijd begon, werd de Parasja Emor gelezen. Na de sjabbatviering werd Otto Moszkowicz laat op de avond door Nederlandse politieagenten en BB-ambtenaren gearresteerd en naar het politiebureau gebracht, waar hij de nacht achter tralies doorbracht samen met andere Duitse en Joodse arrestanten. De volgende dag werden zij op transport gezet naar een verzamelkamp op West-Java en van daar uit naar Tandjong Priok, de haven van Batavia, waar een KPM-schip klaar lag om hen verder te brengen naar het eiland Onrust. Zij moesten aan de kade in het gelid gaan staan, omringd door zwaar gewapende inheemse militairen, en ontvingen de mededeling, dat zij zich aan boord van het schip moesten begeven nadat aan een tafel de gegevens van alle arrestanten waren genoteerd. Ook de heer Moszkowicz moest zijn naam en adres opgeven en zijn portemonnee, portefeuille, sleutels, horloge enz. inleveren. Alles werd geregistreerd en in zakjes gestopt. Daar zag hij later nooit meer iets van terug. Tegen de avond werden ze aan boord gebracht en moesten meteen naar het bloedhete overvolle ruim toe. Na ca. 1 ½ uur varen werden ze aan wal gebracht. De ontscheping van de gevangenen vond onder groot militair vertoon plaats met veel geschreeuw en gesnauw. Ze werden daarbij dikwijls geschopt en geslagen. Onder het toeziend oog van de kampcommandant kapitein H. J. de Vries werden Otto Moszkowicz en zijn lotgenoten via een hoge, met prikkeldraad omgeven en van tralies voorziene poort gedreven en in groepen van ruim 100 man naar de diverse barakken afgevoerd, dertig in getal. Daar werden de Joden van de overige Duitsers gescheiden en apart gezet. Elke barak was 30-40 meter lang en 5 meter breed, had een vochtige betonnen vloer zonder bedden, was afgedekt met gegolfd plaatijzer en slechts schaars belicht. Bovendien wemelde het er van allerlei ongedierte. Iedere barak was genummerd en werd door middel van een drie meter hoge omrastering afgescheiden van de overige barakken en het was ten strengste verboden de prikkeldraadomheining dichter dan op 2 meter afstand te benaderen. Barak 18 was de zogenoemde ‘Jodenbarak’. Daarin werden alle Duitse en Oostenrijkse Joden gehuisvest. Een van hen was Johnnie Duell, de directeur van het Metropooltheater in Batavia, die als Duitse Jood in de Eerste Wereldoorlog aan het westelijk front had meegevochten en zelfs voor zijn moedig optreden als piloot gedecoreerd werd. Ondanks het feit dat hij zich tot Nederlander had laten naturaliseren, kwam hij toch evengoed samen met Otto Moszkowicz in barak 18 op het eiland Onrust terecht. Zij moesten een bundel stro oprapen en daarmee een plekje op de kale vloer zoeken om daarop te slapen. Dekens tegen de nachtelijke afkoeling werden niet uitgereikt en zowel fysiek alsook verbaal geweld was geen uitzondering.

[vervolg klik hier]

maandag 18 november 2013

Wiesenthal Center: “Accommodatie Hezbollah bevestiging terreurnetwerk in regio”

Dino Bouterse
De bekende internationale joodse mensenrechtenorganisatie Simon Wiesenthal Center ziet in de bereidheid van presidentszoon Dino Bouterse om Hezbollah- strijders te accommoderen, een bevestiging van een zich steeds verder uitbreidend Iraans en Hezbollah terreurnetwerk in Zuid-Amerika en het Caribisch gebied.
“Charges against the son of Surinam President validate our Center’s claims of an extensive Iranian-fostered terrorist sleeper network across Latin America and the Caribbean”, waarschuwt de organisatie in een gisteren uitgegeven verklaring.


[VP-16-11-2013/De West, 18-11-2013]

zaterdag 13 juli 2013

Joodse graven Paramaribo van de ondergang gered

door Marius Bremmer

Suriname zit economisch gezien in de lift. Daarvan profiteert ook het Joodse culturele erfgoed. De synagoge Neve Shalom in Paramaribo zit goed in de verf en de nog in gebruik zijnde fraaie Joodse begraafplaatsen zijn voorzien van degelijk hekwerk. Op het nippertje is ook de allang gesloten oude Asjkenazische begraafplaats van de ondergang gered.

Oude grafstenen van de Asjkenazische begraafplaats. Foto @ Marius Bremmer

Op deze begraafplaats in de Surinaamse hoofdstad liggen 358 grafstenen, die stammen uit de periode 1700-1883. De bedoeling is om het terrein te egaliseren en begaanbaar te maken. „Er is al veel geld in gestoken, maar we hebben nog zeker 10.000 euro nodig”, zegt Lily Duym (65). Ze is ondervoor­zitter van de Israëlitische Gemeente Suriname (IGS).
Vanaf de 17e eeuw vormden Joden in Suriname lange tijd de grootste blanke bevolkingsgroep. Sefardische (Spaans-Portugese) Joden arriveerden er het eerst, zij woonden vooral in het binnenland, op plantages. Daar bouwden ze in 1685 uit Hollandse bakstenen een synagoge.
Paramaribo trok vanaf de 18e eeuw honderden Asjkenazische (Hoogduitse) Joden, vooral vanuit Nederland. Sefardim keken in die tijd neer op de Asjkenazische nieuwkomers. Beide groepen hadden in de stad hun eigen synagoges en ook eigen begraafplaatsen: aan de Kwattaweg.

Vroedvrouw
Ongetwijfeld gonsde het in de 18e eeuw in Nederlandse synagoges van de verhalen over zakelijke successen van Joodse slaven­handelaren en plantagehouders in de kolonie overzee. De veelal arme Asjkenazim stortten zich op de detailhandel, sommige avonturiers zochten hun brood in de zoektocht naar goud. Velen stierven al snel aan malaria en andere tropische ziekten. Aan de Kwattaweg in Paramaribo zijn graven van jong gestorvenen hier getuige van. Een enkele keer bereikte iemand een hoge leeftijd. De grafstenen zijn soms nog prima leesbaar: „Sarah Mozes de Vries, gezworene vroedvrou dezer colonie, geboren tot Naarden & overleden alhier aan Paramaribo op den 25 Tisry 5538, overeenkomende met den 26 october 1777 in den ouderdom van 104 Iaaren.” Deze vrouw is dus in 1673 geboren.

De Israëlitische Gemeente Suriname (IGS) telt ongeveer 130 leden. Ondervoorzitter Duym is dagelijks aanwezig op het terrein van Neve Shalom (Oase van vrede) aan de Keizerstraat, de vroegere Hoogduitse synagoge. Daar verzorgt ze de administratie, maar ze geeft ook rondleidingen en is druk met het onderhoud van de begraafplaatsen.
„De oude Sefardische begraafplaats aan de Kwattaweg bestaat niet meer. De Joodse gemeenschap kon de kosten van het onderhoud niet meer opbrengen en het was iedereen een doorn in het oog dat het terrein als afwerkplek werd gebruikt door prostituees. Met toestemming van het Sefardische opperrabbinaat in Jeruzalem is deze begraafplaats in de jaren 60 van de vorige eeuw opgeheven. De graven zijn verplaatst en het terrein is verkocht.”
De aangrenzende eenvoudiger Asjkenazische begraafplaats bleef echter en lag er eveneens erbarmelijk bij.

Rijksarchief
Pas in 1998 werd de plek min of meer herontdekt, toen een delegatie van de International Survey of Jewish Monuments in Suriname onderzoek verrichtte naar de veel bekendere Sefardische begraafplaatsen. Rabbijnen en geleerden vanuit Israël ontcijferden de Hebreeuwse en de Portugese teksten.
Later is meer onderzoek gedaan, mede aan de hand van het grafregister, dat zich zowaar nog in het rijksarchief in Amsterdam bevond. Rond de millennium­wisseling zette Adriana van Alen-Koenraadt de eerste stappen tot het behoud van de dodenakker. Ze is de Nederlandse echtgenote van een Surinaams-Joodse ondernemer in de bouw. Het terrein zag er tot die tijd uit als een ondoordringbaar bos vol kuilen, van soms 2 meter diep. Overal stonden bomen en ondoordringbaar struikgewas. De begraafplaats ligt op een schelpenrits. Jarenlang groeven mensen er emmers en kruiwagens vol schelpen af. Veel grafstenen waren van hun plaats gehaald. Dankzij oude kaarten wist Van Alen wie waar moest liggen.

De Asjkenazische begraafplaats. Foto @ Marius Bremmer

Op de begraafplaats was het een rommeltje. Buurtbewoners stortten er huisvuil, ondanks bordjes met het verzoek om dat niet te doen. Junks, zwervers en psychische patiënten schoolden er samen.
Duym: „Intussen hebben we via het kadaster achterhaald wat de exacte grenzen van het terrein zijn. Dat was nodig, want diverse buren hadden hun terrein uitgebreid ten koste van de begraafplaats. Nu hebben we met hulp van een landmeter de erfscheiding bepaald en er een stenen muur van 2 meter geplaatst. Daarboven­op komt nog 60 centimeter scheermesdraad. We hopen zo ongewenste gasten buiten het terrein te houden. Het was een enorme klus, we moesten eerst veertig grote bomen kappen en vreselijk veel rommel opruimen. Het was een verdrietige toestand.”


Geen subsidie
Lili Duym voor de syngagoge Neve Ve Shalom
Lily Duym, ondervoor­zitter van de Israëlitische Gemeente Suriname (IGS), legt uit hoe ze aan fondsen voor de Asjkenazische begraafplaats in Paramaribo komt.„Aannemer Armand van Alen is lid van onze gemeente. Hij heeft ten behoeve van de achtermuur en het hekwerk van het terrein de aanschafkosten van stenen, galvaanbuizen, scherp zand en beton voorgeschoten. We krijgen helaas als Joodse gemeente geen subsidie. Gelukkig hebben we inkomsten uit enkele bezittingen, zoals de oude Sefardische synagoge en het ernaast gelegen rabbijnhuis, die we verhuren. Beide gebouwen zijn schuldenvrij.”
Als de schuld aan Van Alen is af­gelost, gaat het werk op de oude Asjkenazische begraafplaats verder. „Het hekwerk langs de straat zit intussen mooi in de verf. We gaan het terrein egaliseren en dan opnieuw alle grafstenen of resten daarvan op de juiste plek leggen en de paden begaanbaar maken.
Er is helaas veel vernield, maar er is genoeg overgebleven om er weer iets moois van te kunnen maken. We hebben nog zo’n 10.000 euro nodig.”

[van rf.nl, 25-01-2013]



Sefardische zerken rond Asjkenazische synagoge

door Marius Bremmer

Nergens ter wereld tref je een begraafplaats aan bij een synagoge. Wat doen dan die Portugese grafstenen bij de Hoogduitse synagoge van Paramaribo? Plantengroei en prostitutie maakten een eind aan een historisch-joodse begraafplaats.

De Asjkenazische (Hoogduitse) synagoge in Paramaribo. Foto @ Marius Bremmer.

De Surinaams-joodse Jules Robles (83) uit Amstelveen neemt de tijd om de dingen uit het verleden boven te halen. Vanaf zijn dertiende jaar was hij lid van de Gemiloeth Chasadim, de vereniging voor lijkbewassing en lijkbezorging in Paramaribo. Daarnaast was hij 35 jaar lid van de kerkenraad van de Nederlands Portugees Israëlitische Gemeente (NPIG) van Suriname. „Je hoort het goed: dat noemen we geen synagogebestuur, maar kerkenraad.
Jules Robles. Foto @ Marius Bremmer

De oude begraafplaats van Sefardische joden, Spaanse en Portugese joden, was vol. Sinds 1870 gebruikten we een nieuwe. Veel joden trokken weg uit Suriname en daarom ontbrak geld voor onderhoud aan de oude begraafplaats. Die overwoekerde en op de graven werden ontuchtigheden bedreven.”

Vrijmetselaars
De kerkenraad legde het probleem voor aan de Sefardische opperrabbijn in Jeruzalem. „We kregen toestemming om onder strikte voorwaarden de doden elders te herbegraven.”
Robles leidde de operatie in 1958-1959. „We verkochten het terrein aan vrijmetselaars en aan Esso. Ze bouwden er een loge en een benzinestation. Toen was er weer geld voor onderhoud aan ander joods bezit.”
Volgens voorschriften uit Jeruzalem moest elk graf geregistreerd worden en moesten de eventuele stoffelijke resten in op naam gestelde ruwhouten kistjes van 60 bij 30 bij 30 centimeter gedaan worden. „We vonden vaak resten van een schedel, het kuitbeen, het scheenbeen, delen van de wervelkolom en allerlei losse botjes. We hebben alles op de nieuwe Sefardische begraafplaats herbegraven in een verzamelgraf.”

Veel zerken van de oude begraafplaats waren gestolen en gebruikt als bouwmateriaal. Robles heeft de overgebleven zerken vanwege hun grote historische waarde laten opslaan. Recent zijn ze uitgestald rond de Hoogduitse synagoge aan de Keizerstraat in Paramaribo. De grafteksten zijn Portugees maar ook Nederlands.

De joodse gemeente kreeg voor dit plan de toestemming van rabbijn Ruben Bar Ephraïm uit Den Haag; officieel passen grafzerken niet bij een synagoge. Omdat er geen doden onder de stenen liggen, ging de liberale rabbijn akkoord. Robles: „Ook de buren werkten mee. De voorzitter van de Surinaamse Islamitische Vereniging –de synagoge staat pal naast de moskee– bood zijn kraanwagen aan om de zware grafstenen te vervoeren.”

Interieur van de Hoogduitse synagoge aan de Keizerstraat. Foto @ Jules Samson.


Bouterse
De Tweede Wereldoorlog gaf een laatste impuls aan het joodse leven in Paramaribo. „Veel joden vluchten uit België en Nederland naar Suriname. Rond de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 trokken helaas veel joden naar Amerika en Nederland en een paar naar Israël. De revolutie van Bouterse en de Decembermoorden in 1982 vormden de genadeslag voor onze gemeente.”

Ook Jules en zijn vrouw Carla vertrokken naar Nederland. „Een van onze zonen woont nog in Paramaribo. Daar zijn we geregeld. We liepen laatst langs de synagoge aan de Keizerstraat en zagen daar keurig de grafstenen van mijn voorouders. Nee, dan die verloederde toestand die je nu ziet op de oude Asjkenazische begraafplaats. De Asjkenazim hebben hun terrein nooit willen verkopen.”
Waar hij zelf begraven wil worden? „Ik wil niet dat er met me gesjouwd wordt. Waar ik sterf, wil ik begraven worden. Ik heb een plekje gereserveerd op de nieuwe Sefardische begraafplaats in Paramaribo. Maar het kan ook hier dichtbij worden, op de Sefardische begraafplaats Beth Chaim in Ouderkerk aan de Amstel.”

Dit is deel 2 van een tweeluik over joodse begraafplaatsen in Suriname.



[van rf.nl, 04-02-2010]

Fraaie grafteksten tussen troep in Suriname

door Marius Bremmer

Paramaribo – Aan de Kwattaweg in Paramaribo ligt de Hoogduitse joodse begraafplaats. De dodenakker stamt uit 1700. Veel zerken hebben echter een nog leesbare inscriptie. Sommige in het Nederlands.

Marius Rust. Foto @ Marius Bremmer

 De moslim Henry Anders is beheerder van de Hoogduitse Joodse begraafplaats in Paramaribo. De dodenakker stamt uit 1700, maar veel grafstenen hebben nog leesbare opschriften. „Lange tijd was alles overwoekerd. Met behulp van oude kaarten hebben we alle grafstenen weer wat op rij gelegd.”

Vanaf de 17e eeuw vormden Joden in Suriname lange tijd de grootste blanke bevolkingsgroep. De eerste groep Joden kwam uit Spanje en Portugal, maar Paramaribo trok vanaf de 18e eeuw ook honderden Asjkenazische (Hoogduitse) Joden, vooral uit Nederland.
De twee groepen, die het niet met elkaar konden vinden, hadden ieder hun eigen synagoge en hun eigen begraafplaats. Veel immigranten kregen al snel malaria en andere tropische ziekten. De graven van jong gestorvenen zijn daar getuige van. Eleazer Soesman Jacobszoon bijvoorbeeld stierf in augustus 1794 op de leeftijd van 25 jaar. Zijn grafsteen werd „door kinderliefde en eerbied„ opgericht.

Zijn „huysvrou” Sarah, dochter van Abraham Jacob de Vries, overleed een jaar later op de leeftijd van 33 jaar. Ze ligt naast haar moeder „Jehudith, huysvrou van Abraham de Vries”, die in 1795 overleed: het jaar dat in Nederland de Franse tijd begon.

Even verderop ligt het graf van de jonge Nathan Heyman Pakker. Hij overleed in 1815 op de leeftijd van 19 jaar. Het moet een begaafde jongen zijn geweest, getuige het gedicht op de fraaie steen:

Hij die in de bloei der jeugd
aan zijn ouders lust en vreugd
aan zijn vrienden in het leven
’t schoonst genoegen heeft gegeven
rust hier in der aarde schoot
en bedroeft ons door zijn dood
daar waar Serafim het
Heilig Halleluja zingen
zal tot ’s Scheppers lof zijn
kunstig spel der snaaren klingen

Beheerder Henry Anders (66) haalt zijn vingers door een indrukwekkende ketting waaraan ook een zilveren kwartje van Wilhelmina bungelt. „Ik ben moslim, maar we kennen in Suriname gelukkig geen problemen tussen Joden en moslims.”

Hij maakt en gebaar van zijn kin naar beneden: „Er kwamen rabbijnen en geleerden uit Israël met zúlke baarden, om de teksten te ontcijferen. Later vond men het hele grafregister in het Rijksarchief in Amsterdam.”

Hij wijst op het graf van iemand die heel oud werd. „Sarah Mozes de Vries, gezworene vroedvrou dezer colonie, geboren tot Naarden & overleden alhier aan Paramaribo op den 25 Tisry 5538, overeenkomende met den 26 october 1777 in den ouderdom van 104 Iaaren.” Zij werd 25 jaar na het einde van de Tachtigjarige Oorlog geboren.

Hieronder legt die aan veele
het licht hebbende doen zien
welke blind werd voordat
den dood haar ogen sloot, haar
jeugd heeft haaren ouderdom
nooit beschaamd, voorbijganger
staa & bid voor haare ziele

De beheerder werpt zich op als gids en bodyguard: de dodenakker ligt in een buurtje vol zwervers, junks en psychopaten. Een prostituee ontvangt tussen de graven klanten in een optrekje van dozen. Het terrein wordt door omwonenden gebruikt als vuilstortplaats, ondanks verbodsbordjes. Het spijt Anders: „Kijk, dit is het achtererf voor bewoners van de Leviestraat. Ik zorg er nu voor dat ze hun huisvuil zo veel mogelijk op één hoop gooien. Elke week steek ik de zaak in de fik.”

Ongure buurtbewoners komen dichterbij om geld af te troggelen. „Meneer!” roept een donkere man, „mijn naam is Wolff met dubbel f. Ik stam ook van het Oude Volk, hebt u een centje voor me?” Een ander („ik ben doctorandus in de natuurkunde”) komt graaiend dichterbij, maar Anders boezemt ontzag in met zijn grote kapmes.

De begraafplaats aan de Kwattaweg. Foto @ Marius Bremmer

Links en rechts duiken stenen op met Joodse namen die ook in Nederland nog voorkomen: Bromet, Gomperts, Hartog, Simons. Vroeger lagen de meeste grafstenen op een fundering van rode, gladde bakstenen, zoals dat vandaag de dag op de andere Joodse begraafplaatsen aan de Kwattaweg nog duidelijk te zien is.

Anders vertelt verder, zittend op het grafmonument van Simon Abraham de Vries, die in 1793 op 34-jarige leeftijd overleed: „De begraafplaats ligt op schelpengrond, van overal kwam men hier met kruiwagens voor bouwzand.”

Door de run op bouwmaterialen zijn op deze begraafplaats alleen nog platte zerken overgebleven. „Dat graf met die bakstenen, uit 1881, heeft de plunderingen doorstaan”, wijst Anders. „Er zat een kolonie agressieve Braziliaanse bijen onder de zerk. De plunderaars zijn er altijd met een grote boog omheen gelopen…”


[van RD.nl, 02-02-2010]

dinsdag 15 januari 2013

Pleidooi om het woord ‘holocaust’ te vervangen door ‘shoah’


Auschwitz, still uit de film Shoah van Claude Lanzmann



door Rolf van der Marck


Toegegeven, het is slechts een cosmetische ingreep, maar wel een noodzakelijke ingreep om ons van het dikwijls kwalijke gebruik van het woord holocaust als synoniem voor andere gelijksoortige misdaden tegen de menselijkheid te ontdoen. De term holocaust voor de systemtische Jodenvervolging door de Duitse nazi’s en hun bondgenoten in de aanloop naar en tijdens de Tweede Wereldoorlog is eerst aan het eind van de jaren ’80 van de vorige eeuw in zwang geraakt. Het woord holocaust is afgeleid van het oud-Griekse woord λόκαυστον (holokauston), dat ‘geheel verbrand’ betekent. Dit was de aanduiding voor een brandoffer aan een godheid. De term holocaust als synoniem voor shoah, het Hebreeuwse שואה (ha-shoah), dat ‘vernietiging’ betekent, is in zwang geraakt sinds in 1978 de spraakmakende vierdelige televisierie Holocaust door het Amerikaanse netwerk NBC is uitgezonden.

De aanleiding tot dit pleidooi is de column 2013 een jaar vol emotie van Sandew Hira op StarNieuws van gister, en meer speciaal diens kwalijke gebruik van het woord holocaust, naar het zich laat aanzien opzettelijk om de Shoah te bagatelliseren. Hij gaat nog net niet zo ver om die te ontkennen, zoals andere ‘diehards’ regelmatig doen. Desalniettemin zaagt Hira hier hout van dikke planken:
Er zijn vier grote misdaden tegen de menselijkheid (je hoeft heen historicus te zijn om te weten dat het er veel en veel meer zijn geweest, RvdM). In volgorde van de omvang van het aantal slachtoffers en de duur van de misdaad gaat het om:

1)  De Zwarte Holocaust: 400 miljoen slachtoffers gedurende 350 jaar slavernij.
2)  De Inheemse Holocaust: 75-100 miljoen gedurende 100-200 jaar; het uitmoorden van de Inheemse beschaving in Noord- en Zuid-Amerika en het Caraïbisch gebied.
3)  De Victoriaanse Holocaust: 30-60 miljoen in 50 jaar. De term is van de auteur Mike Davis die onderzocht hoe hongersnoden in Azië zijn ontstaan als gevolg van het koloniale beleid om de Aziatische landbouw in te voegen in het kapitalistische wereldsysteem.
4)  De Joodse Holocaust: 6 miljoen mensen in 5 jaar.


Still uit de film Shoah van Claude Lanzmann

Alsof dit nog niet genoeg is, voegt Hira er aan toe:

Het is opvallend dat de misdaad die op de vierde plaats staat de meeste erkenning heeft gehad in films, schoolboeken, documentaires en zelfs in geld. Er is € 200 miljard betaald door de Duitsers aan herstelbetalingen aan de staat Israël en dat gaat ieder jaar nog door. Vorig jaar was het € 180 miljoen.

Deze rabiate heksenjacht tegen het zionisme en deze onverbloemde jodenhaat, in dienst van Hira’s heilige roeping om de geest van alle onderdrukten ter wereld ‘endgültig’ te dekoloniseren, maken steeds duidelijker dat de historicus en wetenschapper Sandew Hira is verworden tot een roepende in de woestijn, die als hij niet uitkijkt een dezer dagen in een dwangbuis moet worden afgevoerd naar een soort Wolfenbuttel als dat van de Surinaamse vakbondsleider Louis Doedel, om er - in tegenstelling tot Doedel - met recht en reden voor de rest van zijn leven ter observatie te blijven.
 
Daarom pleit ik ervoor om aan de ‘Ausradierung aller Juden’ alleen nog maar als shoah te refereren.