Posts tonen met het label Hassankhan Maurits. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hassankhan Maurits. Alle posts tonen

woensdag 21 mei 2014

Een eigen geschiedenis vraagt om eigen geschiedschrijving

Geschiedschrijving: het is maar met welke bril je het bekijkt.
Foto © Michiel van Kempen

door Ruben Bakker

Geschiedenis kan ‘over’ Suriname gaan, maar is die dan ook ‘van’ Suriname? Voor geschiedschrijving (of historiografie) is het uitermate belangrijk vanuit welk perspectief gekeken wordt. Dit komt al naar voren in de ondertitel van de bundel Verkenningen in de historiografie van Suriname, die de ambitie aangeeft om te komen Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deze ambitie spreekt ook uit het symposium ‘Geschiedschrijving van Suriname’, gehouden in 2013, waar deze bundel uit voortgekomen is.

In een geschiedenis van het volk staat het volk centraal, dit in tegenstelling tot een koloniale geschiedenis, waar de relatie met de kolonisator centraal staat. Als men spreekt van dekolonisatie van de geschiedschrijving wordt bedoeld dat niet alleen het bestuur van een land, maar ook de geschiedschrijving onafhankelijk wordt. Maar wat betekent dit precies? En hoe kunnen we dat bereiken? Dit zijn de vragen die in de bundel centraal staan. De bundel bestaat uit 25 Nederlands- en Engelstalige essays, geschreven door Surinaamse en buitenlandse (vooral Nederlandse) historici. Hiermee beslaat de bundel - die in twee delen is uitgekomen -  zo’n 656 pagina’s in totaal.

Door de veelheid aan essays worden veel aspecten die relevant zijn voor de historiografie van Suriname belicht. Zo benadrukt Chan Choenni de urgentie en het belang van ‘oral history’, gaat Mildred Caprino in op (de mogelijkheid van) vrouwengeschiedenis en bespreekt Hilde Neus de rol van historische romans voor de geschiedschrijving. Naast het gezichtspunt en de plek in de Surinaamse geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen is er ook aandacht voor de ontwikkelingen in de historiografie van andere voormalige kolonies.

De breedheid van de onderwerpen en de veelheid aan auteurs maken de essaybundel echter ook kwetsbaar. Doordat de essays erg los van elkaar staan, komt herhaling nogal eens voor en wordt de lezer niet altijd aangemoedigd om ook het volgende essay te lezen. Dit had voorkomen kunnen worden door de essays meer te rubriceren, zodat er een duidelijker opbouw ontstaat. Ook was het wellicht beter geweest als alle essayisten aan het einde van hun artikel concrete aanbevelingen deden van hoe de historiografie van Suriname verbeterd kan worden. Nu is dat slechts bij enkele essays het geval. Want weet de lezer uiteindelijk wat er concreet moet veranderen om de Surinaamse historiografie een ‘geschiedenis van het volk’ te maken?

In ieder geval is daar een dappere poging toe gedaan en is veel kennis gebundeld.
De tweedelige bundel vormt een belangrijke bijdrage aan de Surinaamse historiografie en houdt bovendien de lezer een spiegel voor: een eigen geschiedenis maak je zelf!


Maurits S. Hassankhan, Jerome L. Egger, Eric R. Jagdew (samenstellers): Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deel 1 en 2. Paramaribo: Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS), 2013. ISBN: 978-99914-7-254-6

zaterdag 7 december 2013

Nog steeds weinig wetenschappelijke publicaties

Op donderdag 5 december 2013 vond er een boekpresentatie plaats in het gebouw van de Institute for Graduate Studies and Research (IGSR). De titel van het boek is Verkenning in de historiografie van Suriname. Het boek is geschreven onder redactie van de historici Maurits Hassankhan, Jerome Egger en Eric Jagdew. Het boek is een product van de conferentie Geschiedschrijving van Suriname die in oktober 2012 werd gehouden. In het boek wordt een uiteenzetting gegeven hoe de geschiedschrijving zich vanaf 1940 heeft ontwikkeld. De boekpresentatie werd gedaan door dhr. Maurits Hassankhan. Tijdens de presentatie is naar voren gekomen dat er nog steeds te weinig wetenschappelijke publicaties plaatsvinden.

[uit Dagblad Suriname, 6 december 2013]

zaterdag 30 november 2013

Nieuw boek geeft inzicht in geschiedschrijving

Paramaribo, begin Gravenstraat, ca. 1920

door Audry Wajwakana

Paramaribo - Met het nieuwe boek Verkenningen in de Historiografie van Suriname krijgt de lezer een beeld van de onderwerpen in de geschiedenis van Suriname, waar al over is gepubliceerd en welke meer verdieping behoeven. Ook vanuit welk perspectief die artikelen zijn geschreven wordt belicht. Het boek is het product van de conferentie 'Geschiedschrijving van Suriname' die in oktober vorig jaar door de Institute for Graduate Studies & Research (IGSR) en het IMWO werd georganiseerd.

Paramaribo, De Waterkant, ca. 1930


Inzicht
Onder redactie van Maurits Hassankhan, Jerome Egger en Eric Jagdew hebben 24 auteurs uit Suriname, Nederland, India en Trinidad en Tobago meer dan twintig artikelen geschreven. In het 632 pagina's tellend boek wordt behandeld hoe de geschiedschrijving van Suriname zich vanaf de Tweede Wereldoorlog heeft ontwikkeld. "Artikelen die vanuit een koloniaal standpunt zijn geschreven vooral met stereotypering van de verschillende bevolkingsgroepen komen ook voor", zegt Egger. Volgens hem is er veel geschreven over marrons en Hindostanen en zijn de inheemsen over het algemeen in de geschiedschrijving minder belicht. Voor studenten en onderzoekers is het boek een aanbeveling om onderwerpen die minder belicht zijn of waar nog niet over is geschreven nader uit te zoeken. "Vooral nu we met onze nieuwe geschiedenisopleiding zijn gestart", zegt Egger.

De Surinaamsche Bank, Paramaribo, ca. 1930


Buitenlanders
Het boek begint met vier artikelen over de dekolonisatie van de geschiedschrijving in het algemeen, waarna in de verschillende hoofdstukken specifieke onderwerpen worden behandeld. "Kabil Kumar van India heeft een artikel geschreven over de Indiase arbeiders en het artikel van Bridget Brereton van Trinidad en Tobago geeft bijvoorbeeld ook aan dat zij veel verder zijn met het schrijven van hun eigen geschiedenis", indiceert Egger.
Een historica uit Nederland geeft in haar artikel aan hoe met beeldmateriaal de geschiedenis gesymboliseerd kan worden. Volgens Egger zijn de buitenlanders voor het boekwerk aangetrokken om inzicht te geven hoe ver die landen zijn met hun geschiedschrijving.

Het boek wordt op 5 december in het IGSRgebouw gepresenteerd. Op die dag wordt het verslag van de conferentie van vorig jaar aan de directeuren van het IGSR en het IMWO aangeboden. Het boek zal na de presentatie voor een gereduceerd tarief van SRD 100 verkrijgbaar zijn. Het ligt in de bedoeling dat het boek daarna in alle boekhandels te verkrijgen is."

[uit de Ware Tijd, 29/11/2013]


donderdag 1 augustus 2013

Legacy of Slavery and Indentured Labour, Past, Present and the Future: verslag van een conferentie


Welk verband bestaat er tussen slavernij, contractarbeid, migratie en hedendaagse maatschappelijke fenomenen?

door Rose Mary Allen

Deze vraag stond centraal tijdens de vijfdaagse conferentie Legacy of Slavery and Indentured Labour die begin juni in Suriname plaatsvond in het kader van de herdenking van 140 jaar Hindoestaanse immigratie, 150 jaar afschaffing slavernij en 160 jaar Chinese immigratie.

De conferentie was het resultaat van een samenwerking tussen verschillende Surinaamse organisaties actief op gebieden als cultuur, erfgoed en onderwijs, zoals het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR), het IMWO, het Nationaal Archief Suriname, de Feydrasi fu Afrikan Srananman, NAKS, de Commissie 10 oktober, de Culturele Unie Suriname, Nationaal Stichting Hindostaanse Immigratie (NSHI), Sila en de opleiding Geschiedenis van het Instituut Leraren Opleiding (IOL) . De coördinatie hiervan was in handen van Maurits Hassankhan, Surinaamse historicus.. Met de conferentie wilde men een link leggen tussen enerzijds slavernij, contractarbeid en (vrije en gedwongen) migratie als historische gebeurtenissen en anderzijds hedendaagse verschijnselen en vraagstukken als mondialisering, identiteitsvorming, nationalisme en transnationalisme. Vergelijkend onderzoek met als doel nieuwe kennis en inzichten te verkrijgen was een van belangrijke speerpunten van de conferentie.

Gravure uit Verscheyde Voyagien, Zee- en Land-togten (1706)


Er waren twee keynote speakers. Prof. Stephen Small, bijzonder hoogleraar Nederlands slavernijverleden aan de Universiteit van Amsterdam, sprak over de hedendaagse erfenis van dat verleden. Hij pleitte voor het creëren van nieuwe kennis en het ontwikkelen van nieuwe perspectieven binnen de  historische wetenschap, o.a. op basis van meer internationaal vergelijkend onderzoek. Daarbij kunnen de Nederlandse Cariben volgens hem een prominente rol spelen. Dit taalgebied is zeer onderbelicht binnen de historische wetenschap, terwijl het veel te bieden heeft, zoals informatie over slavenwerk op zoutplantages, slavenverzet en marronsamenlevingen (samenlevingen van gevluchte slaven) die aan belangrijke nieuwe inzichten kan bijdragen.

Kaart van Mauritius door Johannes van Keulen, 1753


De tweede keynote spreker was Vijayalakshmi Teelock, hoofd van de afdeling Geschiedenis en Politieke wetenschappen van de Universiteit van Mauritius, die over de Truth and Justice Commission in Mauritius sprak. Deze in 2008 ingestelde commissie had als taak het opstellen van een integraal rapport over de slavernij en contractarbeid tijdens de koloniale periode en over de wijze waarop men hedentendage hiermee dient om te gaan. Mauritius, vernoemd naar de Nederlandse prins Maurits en later door de Fransen gekoloniseerd, was een kolonie gebaseerd op de slavernij van mensen uit Afrika, India en Maleisië. Na de afschaffing van slavernij werden er ongeveer 450.000 contractarbeiders uit het toenmalige Brits-Indië gehaald om op de suikerplantages te werken.Ter vergelijking: naar Suriname zijn er 35.000 contractarbeiders gebracht. In de afgelopen decennia heeft Mauritius zich in rap tempo van suikereconomie naar moderne diensteneconomie ontwikkeld. Door instelling van de commissie wilde  de regering vormgeven aan een nationale identiteit binnen een multiculturele samenleving en een snel groeiende economie.  De commissie heeft een uitgebreide studie verricht over de geschiedenis van Mauritius en heeft in december 2011 haar (lijfig) rapport uitgebracht. Voor meer informatie raadplege men http://pmo.gov.mu/English/Documents/TJC_Vol1.pdf. De organisatoren van de conferentie menen dat Suriname en andere landen iets zouden kunnen leren van de ervaringen van Mauritius.

Britse karikatuur op de afschaffing van de slavenhandel


De inleiders van de conferentie waren uit verschillende delen van de wereld afkomstig, waaronder Mauritius, Nederland, Engeland, Suriname, Guyana, Trinidad, Jamaica, Canada, de V.S. en Curaçao. Er waren 180 deelnemers en maar liefst ongeveer 100 inleidingen, waardoor er parallelsessies moesten plaatsvinden. Naast de inleiders waren er ook toehoorders, voor het grootste deel afkomstig uit Suriname.

De sessies gingen over onderwerpen als identiteit en integratie; nieuwe benaderingen in de historiografie van slavernij en contractarbeid; slavernij, contractarbeid en gezondheid;verwaarloosde onderwerpen in de slavenhistoriografie; religie; marronsamenlevingen; nabestaanden van Brits-Indische contractarbeiders; etniciteit, nationalisme en democratie in plurale samenlevingen; en terugkeer van migranten naar het land van herkomst.

Contractarbeid: contract uit 1738

Een greep uit de vele interessante inleidingen:

·         Rewriting the Narrative: Historical Archaeology and Colonial Suriname (Cheryl White)
·         Mapping the History of Slavery and Abolition: Slave-ownership andCompensation in Suriname and the Netherlands around 1863 (Dienke Hondius )
·         Meeting-grounds of Amerindians and Dutchmen: The Amazon Region and Suriname between 1595 and 1688 (Eric Jagdew en Jerry  Egger)
·         God at the Fore Deck and at the After Deck (Joop Vernooij)
·         East Indian Education in Nineteenth-Century Trinidad: Social Exclusion – Integration (Vashti Singh)
·         San-Fan-Con, the Potent Chinese Saint and His Journey to Africa via Cuba: The Impact of Chinese Indentured Immigrants on Afro-Cuban Religion (Martin Tsang)
·         Elderly Surinamese Hindustanis in the Netherlands (Nirmala Birjmohan)
·         Gender-specific Problems among Surinamese Hindustani: Suicide and Alcoholism (Indra Boedjarath)
·         Emotional Loss among Hindustani Migrants in the Netherlands (Rahina Hassankhan)
·         Socializing for Educational Success (Anita Nanhoe)
·         Space and Place for black women in the Christian religion in Suriname (Mildred Caprino):
·         The Future of Afro Surinamese religion (Rosie Zamuel- Rotgans),
·         Perspectives of Javanese Immigrants in Suriname on Return Migration to the Homeland: Why Did a Thousand Javanese Return to Indonesia in 1954? (Rosemarijn Hoefte)
·         Jakarta and Paramaribo Calling: New Challenges for the Surinamese-Javanese Diaspora?(Peter Meel)
·         Integration Styles in the Indentured Indian Diapora (Chan Choenni)
·         Mental Well-being and Cultural Identity of the Afro-Surinamese: A Slavery-informed Answer to Living in the 21stCentury (Aminata Cario)
·         Indian Muslims in Suriname:religion, traditions and globalization (Maurits S. Hassankhan / Robbert Bipat and Alie Abdoel).

Su Girigori
De twee inleiders uit Curaçao waren Su Girigori en Rose Mary Allen. Girigori sprak in haar inleiding Commemorating 150 years of legal abolition of slavery. The Process of
emancipation in a new country,
over emancipatie als een continu proces van bewustwording van de eigen geschiedenis, waarbij ook de verantwoordelijkheid wordt genomen voor het (her)schrijven van die geschiedenis. Zij behandelde de sociale gevolgen van een opgelegde afhankelijkheidsstructuur op Curaçao, die het emancipatieproces verhinderen.

Rose Mary Allen
Rose Mary Allen beschreef  in haar paper Crafting citizenship in post-Emancipation Curaçao: The experience of the formerly enslaved after Abolition, de afschaffing van de slavernij als het begin van een proces waarin een bepaalde groep mensen, die voordien als producten werden beschouwd,weliswaar burgerrechten kregen maar waarvan de  invulling in de praktijk veel complexer en moeilijker bleek te zijn. Het tot stand brengen van een nationale burgerzin is op Curaçao volgens Allen nog steeds gaande.

Al met al kan worden teruggekeken op een nuttige conferentie die ook de gelegenheid tot netwerken bood. Eén resultaat hiervan was het opstarten van de  International Association for the Study of Indenture and Migration  (IASIM). De verschillende inleidingen en aangedragen oplossingen zullen worden gebundeld en gepubliceerd.


Juni 2013


[eerder verschenen in het Antilliaans Dagblad]

zaterdag 8 juni 2013

Conferentie nieuwe benadering slavernij en migratie

Plantage Zorg en Hoop, Commewijne. Foto @ Vince Crompvoets
door Audry Wajwakana

Paramaribo - Het verband tussen slavernij, contractarbeid en migratie met de hedendaagse problematiek wordt door honderd wetenschappers tijdens een vijfdaagse conferentie besproken. Gisteren vond de opening van de conferentie in het Stardust Hotel plaats. “Het doel van deze internationale conferentie is om een nieuwe benadering te vinden voor vrije en onvrije migraties die invloed hebben op samenlevingen”, zegt Maurits Hassankhan coördinator van de conferentie.
Als inleider sprak Stephen Small over met welk perspectief en kennis de geschiedenis wordt benaderd. De tweede inleider Widjay Teclack uit Mauritius sprak over de ervaringen met betrekking tot 'Truth of justice' in zijn land, waarbij wetenschappelijk onderzoek werd verricht in het onrecht van de geschiedenis in zijn land. "Rapporten over hun ervaringen worden meegenomen", zegt Hassankhan. De inleiders komen uit verschillende delen van de wereld en delen hun kennis met elkaar en hoe zij met de problematiek migratie in hun land omgaan. De inleidingen en aangedragen oplossingen worden gebundeld en zullen gepubliceerd worden. "Op zondag, de vierde dag van de conferentie, gaan de deelnemers op excursie naar Peperpot, Mariënburg en de rest van Commewijne om in een ontspannen setting een stukje geschiedenis mee te nemen", zegt Hassankhan.

De conferentie is georganiseerd in verband met de jubileumherdenkingen van 140 jaar Hindostaanse Immigratie, 150 jaar afschaffing slavernij en 160 jaar Chinese Immigratie. De opening werd verricht door minister van Onderwijs, Shirley Sitaldin. De conferentie is een samenwerkingsverband tussen het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR), het IMWO, het Nationaal Archief Suriname, de Feydrasi fu Afrikan Srananman, Naks, de Commissie 10 oktober, de Culturele Unie Suriname, Nationaal Stichting Hindostaanse Immigratie (NSHI), Sila en de opleiding Geschiedenis van het Instituut Leraren Opleiding (IOL).

[uit de Ware Tijd, 07/06/2013]

zaterdag 12 januari 2013

‘Helden van Mariënburg’ pionnen in de strijd van de antikoloniale emancipatiebeweging

Mariënburg. Foto @ Nicolaas Porter

door Rolf van der Marck

De Helden van Mariënburg, zoals de slachtoffers van het oproer te Mariënburg in 1902 sinds een aantal jaren door het leven gaan, zijn volop in het nieuws. Op 30 juli 2012 was het precies 110 jaar geleden dat 17 Hindoestaanse contractarbeiders werden neergeschoten en een groot aantal gewond raakte door soldaten van het Nederlandse leger, uit angst dat het oproer nog meer uit de hand zou lopen. De in Nederland woonachtige en werkzame Surinaamse historicus Sandew Hira schreef op diezelfde dag een brief aan de Indiase regering met de namen van de omgekomen contractarbeiders en het verzoek om hun nabestaanden in India te traceren en ze op de hoogte te stellen van wat er met hun voorouders (Hira bedoelt natuurlijk ‘verwanten’) is gebeurd, als zou daarvoor nog iemand belangstelling hebben behalve 'n handje vol genealogen.

Mariënburg. Foto @ Nicolaas Porter


Volgens Hira ging het om een koelbloedige executie. De kolonisten drukten op die manier een opstand de kop in op de plantage Mariënburg in Commewijne. Die opstand was een week eerder begonnen toen zo’n tweehonderd razende arbeiders onder leiding van Jumpa Ray Garoo zich beklaagden over het (te) zware werk tegen ook nog eens verlaagde lonen. Op 29 juli 1902 gingen ze in staking. Dat liep uit de hand toen de stakers de directeur van de Suikerfabriek Mariënburg, James Mavor, lynchten, mede op grond het verhaal dat hij vrouwen van contractarbeiders misbruikte. De koloniale machthebbers stuurden de volgende dag vanuit Frederiksdorp een gewapende leger- en politiemacht op ze af en de daders werden gearresteerd. Toen de slechts met houwers gewapende arbeiders hun vrijlating eisten bij de districtscommissaris werd gericht geschoten op de arbeiders. Hierbij zijn direct 17 doden gevallen, terwijl daarna nog eens 7 gewonden zijn komen te overlijden. De 17 doden van het eerste uur werden overgoten met ongebluste kalk en in een massagraf op de plantage begraven. Ter herinnering aan de opstand werd op 30 juli 2006 door toenmalig Vice-President Ramdien Sardjoe op Mariënburg een gedenkteken onthuld, waartoe de Stichting Gevallen Helden 1902 het initiatief had genomen.

Mariënburg. Foto @ Nicolaas Porter


Het verzet wetenschappelijk benaderd
Op 30 juli van het afgelopen jaar hield voormalig Minister van Binnenlandse Zaken, de historicus Maurits Hassankhan, verbonden aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname, opleidingscoördinator van de Masteropleiding geschiedenis bij het Institute for Graduate Studies and Research  (IGSR), tevens belast met de voorbereiding van de studierichting geschiedenis bij de (sub)faculteit Humaniora van de Universiteit van Suriname een lezing getiteld De opstand van Mariënburg 1902 en haar betekenis voor de Surinaamse samenleving. Hij is sinds 25 jaar, met korte onderbrekingen, bezig met onderzoek over immigratie van contractarbeiders, toegespitst op het onderwerp verzet.

Alhoewel ik helaas nog niet de hand heb kunnen leggen op de tekst van deze lezing, moet ik het hier stellen met wat staat vermeld in de aankondiging, namelijk dat Hassankhan niet alleen de vraag zal beantwoorden wat de directe aanleiding was van deze noodlottige gebeurtenissen, maar dat hij ook zal ingaan op de diepere achtergronden van het verzet van contractarbeiders tegen vermeende onderdrukking. Hij zal proberen een verklaring te vinden voor het feit hoe het komt dat schijnbaar willige en onderdanige Brits Indiërs konden overgaan tot gewelddadige acties als aanslagen op opzichters en directeuren van plantages en confrontaties met het overheidsgezag, toegespitst op:
• Wat zijn de redenen geweest waarom zij een botsing met de gewapende machten trotseerden, hoewel zij van te voren wisten dat zij bij elk gewelddadig treffen het onderspit zouden delven?
• Waarom hebben de immigranten Mavor vermoord?
• Was het alleen een zaak van te zware taken en te lage lonen of speelden ook andere motieven een rol? Wat is er waar van het verhaal dat Mavor intieme relaties onderhield met vrouwen van immigranten?
• Als dit waar is, waarom zwijgen de officiële bronnen hieromtrent? Hoe komt het dat de kranten van toen, die de rechtszaak uitgebreid hebben behandeld, geen melding maken van deze relaties. Speelden zij onder één hoedje met de koloniale autoriteiten?

V.l.n.r. Soewarto Moestadja, Ben Mitrasingh, Paulus Todirjo, Ingrid Karta-Bink, Michel Sjak Shie, foto BiZa


Opgraving massagraf
Reeds enige tijd is de Surinaamse archeoloog Drs. B.S. (Ben) Mitrasingh bezig toestemming te verkrijgen opsporingen te verrichten om de juiste plaats van het massagraf vast te stellen, het open te leggen en de stoffelijke resten - ‘if any’ - van de slachtoffers een eervolle herbegrafenis te geven. Ondanks dat hem daarbij reeds steun was toegezegd door de Nederlandse Ambassade, lag de “projectdrager duurzame toekomstmogelijkheden voor Mariënburg en Peperpot”, tevens President Commissaris van de Raad van Commissarissen van de Surinaamse Cultuurmaatschappij N.V, Michel Sjak Shie, nog altijd dwars, omdat “in gesprekken met bewoners van Mariënburg duidelijk is gebleken dat zij liever zien dat deze zaak met rust gelaten wordt.” Mitrasingh cum suis liet het er echter niet bij zitten en heeft door Shabir Ishaak van de Stichting Hindostaanse Immigratie een verzoek om toestemming laten richten aan President Bouterse, die daarin onmiddellijk heeft bewilligd. Sjak Shie bleef toen geen andere mogelijkheid meer over dan eveneens te bewilligen in dit onderzoek.

Kennelijk om de laatste plooien glad te strijken had minister Soewarto Moestadja van Binnenlandse Zaken afgelopen maandag een ontmoeting georganiseerd met alle deelhebbenden in het onderzoek naar het massagraf te Mariënburg, te weten de districtscommissaris van Commewijne Ingrid Karta-Bink, de projectdrager van Mariënburg Michel Sjak Shie, de archeoloog Ben Mitrasingh en Paulus Todirjo van het landmeterskantoor Eleazer. Verder zijn ook – alhoewel niet aanwezig bij dit treffen - het ministerie van Regionale Ontwikkeling en het Directoraat Cultuur betrokken bij deze plannen. Mij trof de verklaring van Moestadja na afloop “dat zo gauw de werkzaamheden zullen aanvangen dit internationaal een positief effect zal hebben voor Suriname in het algemeen en het district Commewijne in het bijzonder. Door het onderzoek kan precies komen vast te staan wat er heeft plaatsgevonden op 30 juli 1902 op de toenmalige suikerplantage.” Niet alleen is mij een raadsel hoe dit een positief effect kan hebben op Suriname in het algemeen en Commewijne in het bijzonder, maar nog groter raadsel is hoe in godsnaam de minister denkt dat het openleggen van dit graf duidelijkheid kan verstrekken over wat is gebeurd op 30 juli 1902.

De strijdkreet van Hira
Bovengenoemde Sandew Hira, de historicus achter het door hem in het leven geroepen International Institute for Scientific Research (IISR), heeft Twee stromingen in de Surinaamse Geschiedschrijving als # 1 van de door hem te publiceren IISR Research papers uitgebracht op 12 oktober j.l. Uit de inleiding op dit paper citeer ik:
In deze bijdrage wordt het vraagstuk behandeld van de dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. De volgende stelling wordt verdedigd: er zijn twee stromingen binnen de Surinaamse geschiedschrijving: een stroming – die ik noem het wetenschappelijke kolonialisme – die een beeld presenteert van de Surinaamse geschiedenis waarbij kolonialisme als een legitiem verschijnsel wordt gepresenteerd en een stroming – die ik noem Decolonizing the Mind – die het kolonialisme als een misdaad beschouwt. De verschillen tussen beide stromingen zijn heel groot. Ze zijn geworteld in verschillende tradities: de eerste in het eurocentrisme die het kolonialisme verdedigt, de tweede in de strijd tegen het kolonialisme. Ze hebben verschillende analysekaders. De eerste is geworteld in ideologie (hoe zou je naar de wereld moeten kijken), de tweede in de wetenschap (hoe zit de wereld in elkaar). Ze hebben verschillende research agenda’s. De eerste is gericht op de aandacht verschuiven van de misdaad van onderdrukking en uitbuiting naar onderwerpen die weinig betekenis hebben voor het blootleggen van die misdaad. De tweede is gericht op het blootleggen van de mechanismen van waarmee onderdrukking en uitbuitingen zijn opgezet en in stand gehouden alsmede haar erfenis in het heden.
(…)
Dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving is sociale strijd, niet een academisch onderonsje. De vraag voor de toekomst is hoe deze strijd tot een succesvol einde te brengen.
Zeker deze laatste alinea uit de inleiding op zijn paper maakt duidelijk waar Hira staat, hij is niet langer historicus, wetenschapper, nee, nu is hij ‘social worker’, straatvechter, die ons met z’n allen moet en zal overtuigen van het onrecht dat ons in de loop der eeuwen is aangedaan. De nauwelijks verholen aantijgingen alleen al in dit kleine citaat laten geen misverstand bestaan over Hira’s te volgen - voor historici overigens niet onbekende - strijdmethode.

Directeurswoning Suikerfabriek Mariënburg


De praktijken
Nu ben ik historicus noch wetenschapper, dus ik zal geen debat aangaan met Sandew Hira. Wel wil ik aan de hand van het bovenstaande aangeven dat ik het dikwijls met hem eens kan zijn, maar zijn strijdmethoden zijn beslist niet de mijne, sterker nog, ik denk dat hij daarmee alleen maar verder af komt te staan van zijn eigen gelijk.
Zo ben ik het bijvoorbeeld blindelings eens met Hira waar hij zegt dat het op 30 juli 1902 te Mariënburg ging om een “koelbloedige executie”. Hoezeer het koloniale gezag ook in zijn eer was aangetast dat de contractarbeiders het welhaast door God boven hun aangestelde gezag in de persoon van hun directeur James Mavor hebben gelyncht, om een gewapende leger- en politiemacht gericht te laten schieten op zo’n tweehonderd alleen met houwers gewapende mannen gaat alle perken te buiten. Machtsmisbruik uit vermeende superioriteit.

Maurits Hassankhan

De vraagstelling van Hassankhan is hier en daar - uiteraard om polemische redenen - wat simplistisch, bijvoorbeeld waarom de contractarbeiders de gewapende macht trotseerden en waarom zij Mavor hebben vermoord. Alleen knechting en zwaar onrecht, leidend tot een nauwelijks meer menswaardig bestaan, kunnen een dergelijke woede-uitbarsting genereren. Ik wil ook aannemen dat dit Hassankhan’s conclusie is geweest, hij geeft dit in zijn voorbeschouwing ook al min of meer aan door te vermelden dat er volgens het immigratieverdrag van 1870 tarieven van taken en lonen waren vastgesteld, die echter in tijden van recessie eenzijdig werden verlaagd.
Of Mavor intieme relaties onderhield met vrouwen van immigranten zullen we wel nooit meer met zekerheid te weten komen, maar het lijkt nauwelijks waarschijnlijk dat dit een uit de lucht gegrepen verhaal is, temeer omdat bekend is dat de koloniale praktijken door de eeuwen heen niet anders waren. Waarom de officiële bronnen hierover zwijgen, is evenzeer duidelijk: omdat ze officieel waren. Dit soort praktijken vielen onder het adagium “horen, zien & zwijgen”. Vandaar ook dat de kranten van toen tijdens de behandeling van de rechtszaak hiervan geen melding hebben gemaakt, tenslotte wordt door de pers in Suriname nog altijd zelfcensuur togepast en gerespecteerd. Mijn antwoord aan Hassankhan luidt dan ook: “Ja, op die manier speelden de kranten onder een hoedje met de koloniale autoriteiten.” Multatuli zou er aan toevoegen: “En dat is zo gebleven tot op deze dag!” Maar dat wist Hassankhan ook al.

donderdag 1 november 2012

Geschiedschrijving


door Karwan Fatah-Black

In oktober 2012 vond in Suriname aan de Anton de Kom Universiteit een congres plaats over de dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. In de jaren tachtig vond er voor de eerste keer een dergelijk congres plaats. Nu, zevenentwintig jaar later, werd de discussie van toen weer opgepakt. De lange stilte tussen het eerste en het tweede congres waren aanleiding tot verwondering bij veel congresgangers en de organisatoren, waarvan er een aantal ook de eerste editie actief hadden bijgewoond. De vraag die in de oproep en openingslezingen van het congres gesteld werd was waarom de dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving in die tussenliggende jaren niet had plaatsgevonden.

Maar al tijdens de inleiding van Maurits Hassankhan bleek dat de tijd allerminst had stilgestaan. De late jaren tachtig en negentig waren een periode van snelle wetenschappelijke ontwikkeling. In Nederland begonnen postkoloniale migranten, alleen al door hun aanwezigheid, in hoog tempo onderzoeksagenda’s te bepalen. Via tijdschriften als OSO en series als de BSS werd er veel over Suriname geschreven, maar vaak alleen vanuit Nederland, en onbedoeld altijd verbonden met de postkoloniale migratie na 1975. Hassankhan stelde in zijn keynote een autonome benadering van geschiedenis voor, vrijgemaakt van koloniale en neokoloniale percepties, maar ook voorbij het dogmatische antikolonialisme. Zijn inspiratie haalde hij uit discussies in de Aziatische context, ver bij de smalle Nederlands-Surinaamse debatten vandaan.

Papiergeld uit Demerara en Essequibo, 1823


Als er een gevoel overblijft na het driedaagse congres, dan is het dat Surinamers in Suriname en de Surinaamse diaspora uit elkaar zijn gegroeid. De Surinaamse discussie was boeiend om te volgen. Het ging over de evaluatie van de onafhankelijkheid, de poging tot het vormen van een nationale identiteit, de benadering van etniciteit en religie, en welke selecties de samenstellers van een bacheloropleiding moeten maken. Het waren allemaal levendige en open discussies. 

Opvallend was dat belerende en onnodig scherpe bijdragen aan de discussie vrijwel altijd uit de hoek van de Surinaamse diaspora afkomstig waren, alsof men bang was de greep op de Surinaamse ontwikkeling te verliezen. Zo stelde Chan Choenni keer op keer dat er misschien maar helemaal geen universitaire geschiedenisopleiding moest komen. Ook Hans Ramsoedh benadrukte dat de Surinaamse historici zich vooral niet (van stemmen uit de diaspora) moesten isoleren. Hakiem Nankoe, sinds de onafhankelijkheid in de VS, vond het nodig om zijn halve presentatietijd te besteden aan een uitleg waarom hij niet was teruggekomen om het land op te bouwen, om vervolgens de discussietijd van zijn panel in te pikken om op belerende toon open deuren in te trappen. De wat superieure houding vanuit de diaspora bemoeilijkte op een aantal momenten een gelijkwaardige uitwisseling van ideeën.

...de opbouw van een eigen geschiedeniscurriculum...


Over het geheel genomen lijkt het prima te gaan met het opbouwen van een eigen geschiedeniscurriculum. Het punt is, zoals op zoveel plekken, dat historici duidelijk moeten maken dat zij niet als luxeproduct buiten ministeriële begrotingen gehouden mogen worden. Beleidsmakers overtuigen van het belang van autonoom geschiedenisonderzoek vraagt tijd en doorzettingsvermogen. Dit is een kwestie tussen Surinamers in Suriname, en gezien de welwillendheid van het ministerie om bij te dragen aan het congres, is hopelijk het opzetten van een BA-opleiding niet ver weg. 

Tijdschriften als His/Her Tori bieden daarnaast een mooi platform voor verdere discussie, en het congres over migratie, diaspora en identity formation in Paramaribo in 2013 zal ongetwijfeld opnieuw een impuls geven. Tijdens een rondleiding door het prachtige Nationaal Archief bleek dat de expertise op het gebied van archiefbeheer van over de hele wereld wordt ingevlogen, van Korea tot Brazilië. Terug in Nederland lijkt het moment aangebroken voor historici in de Surinaamse diaspora om te reflecteren op de eigen rol in hun nieuwe thuisland, los van Suriname.

maandag 8 oktober 2012

Geschiedschrijving


door Peter Meel

Het beroep van historicus is niet beschermd. Iedereen mag zich uitgeven voor historicus of een ander met het etiket van historicus tooien. Om tot een zekere afbakening van de beroepsgroep te komen, is het in wetenschappelijke kringen gebruikelijk om onder historici alleen academisch opgeleide geschiedkundigen te verstaan. Erg veel lost dat niet op. Het helpt om evidente dilettanten van vakhistorici te scheiden, maar ook dan blijft er nog altijd een grijs gebied over. Er zijn immers talrijke academici met een andere disciplinaire achtergrond die over historische kennis en vaardigheden beschikken en actief hun partij meeblazen in historische debatten. Ook mensen die niet academisch zijn geschoold leveren niet zelden een aantoonbare bijdrage aan de historische kennisproductie.



In zijn bijdrage aan het derde nummer van het historisch tijdschrift His/her tori (juli 2012) maakt Maurits Hassankhan een onderscheid tussen geschiedschrijving en geschiedbeoefening. Onder geschiedschrijving verstaat hij de schriftelijke weergave van historisch wetenschappelijk onderzoek waarbij de onderzoeker een beeld geeft van een aspect van het verleden en hoopt dat dit beeld de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. Geschiedbeoefening omvat bij hem alle activiteiten waarbij de mens zich rekenschap geeft van het verleden en kennis hiervan overdraagt aan anderen. Behalve de geschiedschrijving behoren tot het domein van de geschiedbeoefening onder andere het geschiedenisonderwijs, de mondelinge overlevering van tradities, liederen en verhalen, de viering van feestdagen en de oprichting van monumenten.
Maurits Hassankhan. Foto © Harmen Boerboom

De historici Eric Jagdew, Maurits Hassankhan en Jerry Egger stellen in hun artikelen in dit boeiende nummer van His/her tori vast dat er in de afgelopen decennia veel is gebeurd op het gebied van de geschiedbeoefening in Suriname, maar dat de geschiedschrijving een ondergeschoven kindje is gebleven. Volgens hen liggen hier verschillende factoren aan ten grondslag. In de eerste plaats is er een institutioneel probleem. De geschiedenisopleidingen hebben in Suriname altijd opgeleid tot het beroep van docent, niet tot dat van onderzoeker. Pas recentelijk is er een universitaire opleiding van start gegaan, die op masterniveau docenten opleidt die ingezet kunnen worden in de bacheloropleiding waarmee volgend jaar een begin zal worden gemaakt. Er is de verwachting dat afgestudeerden van deze opleidingen beter voorbereid zullen zijn op het zelfstandig verrichten van onderzoek. Er is daarnaast een maatschappelijk probleem. Na de onafhankelijkheid zijn er langdurige periodes van economische crises geweest waarin docenten met moeite het hoofd boven water hielden en het verrichten van onderzoek geen prioriteit had. Vanaf de eeuwwisseling zijn de levensomstandigheden van de bevolking – en dus ook van de docenten – echter merkbaar verbeterd, al blijft de belasting van veel docenten aanzienlijk. Ten slotte kan er gewezen worden op de deplorabele staat van het archiefwezen. Niet alleen was er jarenlang een gebrekkig geoutilleerd archiefgebouw waar documenten door een gebrek aan systematische toegangen vaak moeilijk raadpleegbaar waren, bovendien lag een groot deel van de Surinaamse archieven in Nederland. Met de oplevering van een nieuw archiefgebouw in 2010 en de geleidelijke teruggave van archiefcollecties door Nederland staat Suriname er wat betreft het archiefwezen momenteel veel beter voor.





Deze geringe aandacht voor geschiedschrijving heeft, zoals gezegd, zijn sporen nagelaten, vooral in het werk van de oudere generatie historici van wie er twee – Eugène Gessel en André Loor – in dit nummer nader worden belicht. Hans Breeveld schreef een interessant portret van Gessel, die vorig jaar een eredoctoraat van de Anton de Kom Universiteit van Suriname ontving. In zijn lange werkzame leven gaf Gessel les, was hij inspecteur van onderwijs, ontplooide hij politieke activiteiten en had hij in 1975 zitting in de grondwetcommissie. Hij maakte echter vooral naam als politiek commentator. Zijn analyses van hedendaagse nationale en internationale ontwikkelingen legde hij vast in talloze bijdragen aan kranten en tijdschriften. Op die manier droeg hij als historicus bij aan de geschiedbeoefening in Suriname, zonder overigens tot de publicatie van wetenschappelijke artikelen of boeken te komen. Het portret van Breeveld geeft een handzaam overzicht van Gessels carrière, maar maakt tegelijk duidelijk dat een diepgravender studie van Gessels commentaren nodig is om de betekenis van de auteur adequaat te kunnen vaststellen. Een geannoteerde selectie van zijn artikelen, voorzien van een degelijke inleiding, zou in deze behoefte kunnen voorzien.


André Loor


Er zijn maar liefst drie bijdragen gewijd aan André Loor, die in 1994 een eredoctoraat van de Anton de Kom Universiteit van Suriname ontving en van wie dit jaar een borstbeeld werd onthuld bij de ingang van het Nationaal Archief. In zijn eveneens lange loopbaan verdiende Loor zijn sporen als docent, programmamaker, schrijver en adviseur. Onder de bevolking wist hij bekendheid te verwerven met zijn gedetailleerde kennis van de geschiedenis van Suriname en mede door zijn communicatieve en didactische gaven uit te groeien tot een geliefde televisiepersoonlijkheid. Zijn publicaties betreffen in hoofdzaak gedenkboeken en andere gelegenheidsuitgaven. Verwijzingen naar het historisch werk van Loor komt men in de wetenschappelijke literatuur zelden tegen.
Jozef Siwpersad

Daarin verschillen Gessel en Loor van Jozef Siwpersad, voor wie ook (zij het beperkt) ruimte is gereserveerd in dit nummer. Siwpersad heeft behalve als docent betekenis gehad als geschiedschrijver. In Suriname was hij lange tijd de enige gepromoveerde historicus. Momenteel moet het land het doen zonder historici met een doctorsgraad. Siwpersad publiceerde twee belangwekkende studies waarvan zijn proefschrift De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij (1833-1863) nog altijd wordt geciteerd. Misschien is het een idee om in een volgend nummer van His/her tori een afzonderlijk artikel aan het werk van Siwpersad te wijden.
Sandew Hira

In lijn met de pamflettistische bijdragen die hij sinds de lancering van zijn Decolonizing the mind (2009) publiceert, tamboereert Sandew Hira in zijn bijdrage verder op het kwaad van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’. Hira’s ‘strijdmethode’ bestaat eruit dat hij de academische wereld in twee kampen opdeelt: zij die de aard van het kolonialisme als een systeem van onderdrukking en uitbuiting verhullen en zij die dit ontmaskeren. De eerste groep legitimeert volgens hem het kolonialisme, de tweede klaagt het aan. Academici die tot de eerste groep behoren, zijn vazallen van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’; de anderen voorvechters van het dekoloniseren van de geest. Aan de hand van deze binaire oppositie meet Hira collega-onderzoekers de maat en stuurt hij steunbetuigingen, vermaningen en banvloeken de wereld in. Bij het ‘opsporen’ en ‘aanpakken’ van lakeien van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’ heiligt bij hem het doel de middelen.

Dergelijke exercities (een terugkerend bestanddeel van Hira’s columns voor de website Starnieuws) spreken hen die waarheidsvinding, bewijsvoering en redelijke argumentatie als een wezenlijk onderdeel van hun vak beschouwen minder aan. Zoals Maurits Hassankhan in zijn artikel terecht stelt, is dekolonisatie een dynamisch proces en geen statisch gegeven van gekoloniseerd of gedekoloniseerd zijn: ’Het is eerder een continuüm […] waarvan het ene uiterste is het koloniale denken, zoals dat werd gepropageerd in de koloniale tijd door de kolonisatoren, en het andere uiterste het antikoloniale denken in de vorm van anti-westers denken, waarbij de desbetreffende persoon zich in alles afzet tegen de vroegere koloniale overheerser en de leden van het koloniserende volk. De meeste mensen zitten met hun denken ergens tussen de twee uitersten en het is aan hen om zichzelf rekenschap te geven waar zij staan.’ In de wetenschap is er volgens Hassankhan parallel hieraan een ontwikkeling gaande in de richting van een meer nationale geschiedschrijving. Samenleving in een grensgebied van Rudolf van Lier is daarbij van cruciaal belang geweest, zeker in aanmerking genomen dat de eerste editie van het werk in 1949 verscheen en er tot dat moment geen samenhangende historische studie over Suriname bestond.

De discussie over Suriname als plurale samenleving heeft sinds het verschijnen van Samenleving in een grensgebied meerdere stadia doorlopen. Daaraan heeft ook Hira bijgedragen door in zijn Van Priary tot en met De Kom (1982) de aandacht te vestigen op klasse als bepalende factor in de Surinaamse geschiedenis. Ondanks twee gewijzigde herdrukken in de jaren zeventig is Van Liers klassieke studie thans in een aantal opzichten verouderd. Zo gaat dat in de wetenschap. Voortschrijdend inzicht leidt tot bijstellingen en verschuivingen in de geschiedschrijving. Gelet op deze wetmatigheid bevreemdt het dat Hira volhardt in zijn (intussen dertig jaar durende) vendetta tegen (de intussen vijfentwintig jaar geleden overleden) Van Lier, die hij eerst vanuit een marxistisch paradigma het vuur na aan de schenen legde en die hij tegenwoordig pleegt weg te zetten als vader van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’. Hoe die twee invalshoeken zich tot elkaar verhouden en of Hira inmiddels zelf is opgeschoven in zijn denken over geschiedenis, blijft daarbij duister.

Het is jammer dat Hira sinds 2009 vooral excelleert in het repeteren van statements en het inpassen van historici in een construct waarmee hij wel zijn activistische agenda vult, maar het als geschiedschrijver laat afweten. Het ontmaskeren van de aard van het kolonialisme zou overtuigen als hij zich ertoe zou zetten om zelf weer eens serieus historisch onderzoek te verrichten. Een follow-up van Van Priary tot en met De Kom over de naoorlogse geschiedenis van Suriname zou een noemenswaardige stap in die richting kunnen zijn en een discussie op gang kunnen brengen die nu helaas uitblijft. Aan His/her tori de taak om de ontwikkelingen op het gebied van de Surinaamse geschiedschrijving nauwlettend te blijven volgen.




zaterdag 18 augustus 2012

His/her Tori over dekolonisatie van de geschiedschrijving


door Els Moor

In juni 2010 kwam het eerste nummer uit van His/her Tori. Het Instituut voor Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMWO) bood de initiatiefnemers onderdak. Jerome Egger, Eric Jagdew en Hilde Neus-van der Putten vormden de redactie. Het doel, geformuleerd in het ‘Ten geleide’ van het nummer: ‘Het tijdschrift wil een forum zijn voor zowel docenten geschiedenis als studenten om te publiceren over de Surinaamse geschiedenis in de breedste zin van het woord [...] Er wordt gezegd dat wij zelf onze geschiedenis moeten (her)schrijven. Er is nu een gelegenheid om dat inderdaad te doen.’

Het is een geweldige prestatie van de redactie dat het tijdschrift nog bestaat. Vorige week kwam keurig op tijd nummer 3 uit. Je kunt wel mooie idealen hebben in dit land, maar de uitvoering ervan volhouden? Dat heeft deze redactie gedaan en daarvoor verdienen ze een groot compliment, temeer daar de kwaliteit alleen maar toegenomen is. Het tijdschrift ziet er aantrekkelijk uit, in A4-formaat, met een herkenbaar omslag en functionele illustraties. Bij elk artikel zijn bovendien de geraadpleegde bronnen duidelijk en correct vermeld.

Dit derde nummer is een themanummer. Centraal staat de vraag wat er in Suriname gebeurd is op het gebied van geschiedschrijving en opleiding van leerkrachten geschiedenis. Binnenkort start de bacheloropleiding geschiedenis aan de Anton de Kom Universiteit. Dat is een mooie aanleiding om een momentopname te maken van de ontwikkeling op het gebied van de geschiedschrijving en het geschiedenisonderwijs in Suriname. Behalve vijf artikelen in het kader van dit thema worden twee historici die lang hebben meegedraaid, in het zonnetje gezet: Eugène Gessel en ‘goeroe boeroe’ André Loor. Terecht: zij betekenen veel binnen de ontwikkeling van de eigen vastlegging van de Surinaamse geschiedenis.
Frantz Fanon

Het eerste artikel, van Eric Jagdew, slaat meteen de spijker op de kop met de titel: ‘Dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving’. Waarom is de dekolonisatie op dit gebied uitgebleven? Jagdew geeft een overzicht van de geschiedschrijving over de kolonie Suriname vanaf de 18de eeuw tot nu, bijna 37 jaar onafhankelijk. Waarom is er na de onafhankelijkheid zo weinig eigen geschiedschrijving uit de bus gekomen? Hierover bestaan verschillende meningen. Een voorbeeld: verscheidene wetenschappers in Nederland, onder anderen Gert Oostindie, beweerden in een publicatie van 1999 dat ‘Suriname meer consumeert dan produceert op dit gebied’. Sandew Hira gaf deze vraag een andere dimensie in 2009 door de beschuldiging aan Nederlandse historici dat ze ‘wetenschappelijk kolonialisme’ bedrijven. In een eigen artikel in dit nummer van His/her Tori gaat Hira dieper in op het begrip dekolonisatie, door de Franstalige ‘décoloniseur’ Frantz Fanon erbij te halen en zijn opvattingen en geschriften te vergelijken met wat er in Suriname gebeurt. Dekolonisatie is een kernbegrip binnen de stof  van deze His/her Tori.

In zijn artikel geeft Jagdew veel overzichtelijke informatie over wat er sinds de 18de eeuw allemaal is vastgelegd en hoe dat gebeurde. Een belangrijk voorbeeld: tussen 1789 en 1955 zijn er 90 almanakken verschenen met veel informatie. Momenteel worden ze gedigitaliseerd. Binnen de Surinaamse ontwikkeling is de oprichting van de Surinaamse Historische Kring (SHK), in 1951 al, een belangrijke stap. Belangstelling kweken binnen Suriname voor de eigen geschiedenis en die van anderen is de kerndoelstelling van deze organisatie. Toen al werd aangedrongen op een eigen Nationaal Archief dat aan al de professionele voorwaarden zou moeten voldoen om het eigen archiefmateriaal te herbergen. Het feit dat het archiefmateriaal van de Surinaamse historie in Nederland was opgeslagen, was ook een minpunt dat de eigen ontwikkeling hier tegenwerkte. Mede door de grote inzet van Maurits Hassankhan is nu bereikt dat er in Paramaribo een Nationaal Archief is dat aan alle eisen voldoet en dat archiefmateriaal uit Nederland hier zijn plaats krijgt. Wetenschappers, leerkrachten en studenten kunnen voor hun onderzoek vaak al terecht in het Nationaal Archief aan de Jagernath Lachmonstraat. Ook Maurits Hassankhan noemt de grotere mogelijkheid tot onderzoek door het archief en Rita Tjien Fooh-Hardjomohamed, hoofd van het archief, besteedt er een artikel aan. Ze beschrijft de voorwaarden waaraan het archief moest voldoen, die Nederland stelde als medefinancier voor de bouw van het Nationaal Archief.


Het artikel van Eric Jagdew geeft veel inzicht in wat er gedaan wordt in verband met de dekolonisatie van de geschiedschrijving en wat de problemen hierbij nog steeds zijn. Tekort aan wetenschappers die onderzoek kunnen doen vooral. Doordat er te weinig leerkrachten zijn voor de verschillende opleidingen, moet iedere historicus lesgeven. Hopelijk vermindert dit probleem binnenkort. De masteropleiding geschiedenis start immers aan de universiteit met 15 studenten. Over enkele jaren zal er meer mogelijk zijn. Over onderzoek gesproken: een probleem dat niet naar voren komt is dat van de recente geschiedenis, met name van de jaren ’80. De waarheid zal boven tafel moeten komen om vooral de jeugd inzicht te geven in onze recente geschiedenis. Een officiële uitspraak in de rechtszaak betreffende de Decembermoorden zou al een hele stap zijn.
Maurits Hassankhan

In Maurits Hassankhans artikel is het belangrijkste onderwerp het Nationale Geschiedenissymposium van 1985. Behalve dat zijn er veel overlappingen met het artikel van Jagdew. Hij zou ‘het kort houden’, maar zijn bijdrage telt toch 13 pagina’s. Vanuit het symposium werden er veel aanbevelingen gedaan aan de regering, op het gebied van het archiefwezen (is gerealiseerd), onderwijs, goede investering van krachten in curriculumontwikkeling, met name wat betreft de samenstelling van geschiedenisboeken voor voj en vos (van voj is gerealiseerd), trainingen van leerkrachten, enzovoort. Ook werd aandacht gevestigd op het belang van ‘oral history’ en training in onderzoekstechnieken op dat vlak. Er zijn veel positieve ontwikkelingen geweest, maar de dekolonisatie van de geschiedenis is nog niet voltooid, aldus Hassankhan. De verschuiving van de geschiedschrijving vanuit het buitenland naar Suriname is daarbij een belangrijk punt.
Eugène Gessel ontvangt zijn eredoctoraat uit handen van president Bouterse

Het artikel van Jerome Egger gaat over de geschiedenisopleiding van het IOL. ‘Een dynamische opleiding’ staat al in de titel. Egger hield in 1996 het openingscollege van de opleiding, dat nooit gepubliceerd is. Hij gebruikt gegevens uit dat college voor zijn artikel. Hij beschrijft vooral hoe het geschiedenisonderwijs in Suriname, vooral aan toekomstige leerkrachten plaatsvond. Het Didactisch Instituut (DI), opgericht in 1966 neemt daarbij een belangrijke plaats in. In 1969 kwam de naamsverandering van DI naar IOL. Eugène Gessel en Jozef Siwpersad (1944-2007) zijn historici die een zeer belangrijke rol gespeeld hebben bij de dekolonisatie van het geschiedenisonderwijs. Siwpersad was een van de eerste studenten van Gessel op het DI. Later zette hij zijn studie voort aan de universiteit van Groningen en promoveerde op het proefschrift De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij. In zijn artikel geeft Jerry Egger duidelijk aan dat de opleiding aan het IOL steeds meer gericht werd op het leraar-zijn. Dat is die dynamiek: theoretisch, maar vooral ook praktisch.

Dat er uitgebreid aandacht wordt besteed aan Eugène Gessel en André Loor, is goed. Hans Breeveld laat zien wie Eugène Gessel is. Hij belicht zijn rol binnen geschiedschrijving, onderwijs en politiek, van binnenuit. Over André Loor heeft Helga Banks een artikel en Hilde Neus een gesprek met hem. In dat gesprek is het gedeelte over ‘oral history’ interessant: wat is waar en wat is fantasie?

Binnen het thema van dekolonisatie is het artikel van Sandew Hira belangrijk. Hij sluit aan bij de ideeën van  Frantz Fanon (1925-1962), afkomstig van Martinique, gestudeerd hebbend in Frankrijk en tijdens de periode van de strijd om onafhankelijkheid van de Algerijnen tegen Frankrijk, werkzaam als psychiater in Algerije. Hij stierf een jaar voordat Algerije onafhankelijk werd. Twee belangrijke boeken heeft Fanon geschreven: Zwarte huid, blanke maskers (1952), de titel is veelzeggend, en De verworpenen der aarde (1962). Wat betreft dekolonisatie was Fanon principieel. Bij dekolonisatie moet iedere relatie tussen het onafhankelijke land en de vroegere kolonisator zo zijn dat het gedekoloniseerde land op geen enkele manier meer van het vroegere moederland afhankelijk is. Dit gaat met ‘strijd’ gepaard, zoals in Algerije en andere Afrikaanse landen. Sandew Hira sluit daarbij aan. Decolonizing the mind is de titel van zijn boek.
Sandew Hira. Foto: Peggy Brader

Hira onderscheidt twee benaderingen van wat dekolonisatie der geschiedschrijving is en achter elke benadering zit een visie op het kolonialisme. De eerste benadering is die vanuit vijf dimensies, de geografische, economische, politieke, sociale en mentale. De laatste houdt in dat het kolonialisme kennis over zichzelf produceert in een mens- en maatschappijbeeld, waardoor zijn ware aard van ‘onderdrukking en uitbuiting’ (kapitalisme? christendom? - E.M.) gemaskeerd wordt. Aan de dekoloniserende geschiedeniswetenschap dus de taak om te ‘ontmaskeren’.
De tweede opvatting over het wetenschappelijk kolonialisme is die waarin het wordt gezien in termen van de vraag: ‘Wie produceert historische kennis?’ in plaats van: ‘Wat is de kennis die geproduceerd wordt als gevolg van dekolonisatie?’ Deze benadering hebben volgens Sandew Hira verschillende in Nederland wonende wetenschappers, onder anderen Gert Oostindie. Het verband met de taal is hierin een belangrijk element. Alle gekoloniseerde naties worden immers geconfronteerd met de taal van de koloniserende naties. Taal is vooral een begrippenkader dat de inhoud van de woorden bepaalt. Taal is niet neutraal!

Sandew Hira geeft voorbeelden van titels van wetenschappelijke werken waaraan men kan zien of een werk koloniserend of dekoloniserend is. Van Gert Oostindie: De parels en de kroon. Het koningshuis en de koloniën, wijst in ieder geval naar een koloniale sfeer. Of van Armand Zunder: Herstelbetalingen. De “Wiedergutmachung” voor de schade die Suriname en haar bevolking hebben geleden onder het Nederlands kolonialisme. Of je het nu eens bent of niet met het principe van ‘herstelbetalingen’, de titel is duidelijk dekoloniserend! Hira geeft ook voorbeelden van werken waarin de slavernij als ‘wreedheid’ wordt opgevat. Sommige slavenhouders maken die opvatting waar, anderen niet. Wat is slavernij dan? Maar er zijn ook boeken waarin het gaat om het consequente ‘systeem’ van onderdrukking en uitbuiting.

Het artikel van Sandew Hira geeft veel stof tot nadenken over het principe van dekolonisatie. Niet iedereen zal het met hem eens zijn, maar het is een onderwerp dat veel aandacht behoort te hebben in publicaties, lezingen en uiteraard binnen het geschiedenisonderwijs. En het is daarbij goed om kennis te nemen van voorbeelden uit het verleden van andere landen, van voortrekkers in dekolonisatie. Het is tenslotte een universeel onderwerp, niet alleen Surinaams.

Een interessant tijdschrift, His/her Tori. Dit nummer geeft beslist een aanzet tot meer ‘dekolonisatie van de geest’ in wetenschappelijke publicaties en vooral ook in het onderwijs. Grantangi!


IMWO, AdeKUS: His/her Tori, nummer 3, juli 2012

dinsdag 5 juni 2012

Maurits Hassankhan over de hindostaanse immigratie

Surya Radio in gesprek met historicus Drs. Maurits Hassankhan over de Hindostaanse immigratie.

V: In 1873 kwamen de eerste Hindostanen aan in Suriname, om daar te gaan werken op de plantages. Suriname was een Nederlandse kolonie in die tijd. Waarom werden mensen uit het voormalig Brits-Indië naar Suriname gehaald om daar te werken?
A: Dat heeft te maken met het feit dat in de Britse gebieden de slavernij al was afgeschaft en de Engelsen al ervaringen hadden opgedaan met arbeiders op de plantages, die als vervangers moesten dienen voor slavenarbeid. Een andere zaak is, dat hoewel Nederland in het bezit was van een heel grote kolonie, Indonesië, veel Nederlanders dachten de arbeiders zelf nodig te hebben in Indonesië. Dit is ook de reden dat er in het begin geen Javanen naar Suriname zijn gebracht.


Oudere hindostaanse man. Foto: Chin A Moei. Collectie Surinaams Museum.


V: Waarom het jaartal 1873?
A: 1873 is een belangrijk jaar, het heeft te maken met de afschaffing van de slavernij. In 1873 zou het staatstoezicht eindigen. Dat betekende dat de planters niet meer zeker zouden zijn van arbeid. Voordat de vrij verklaarde slaven nu volledig hun vrijheid zouden krijgen, moesten de planters op één of andere manier andere arbeiders naar de plantages toe halen. Want de plantage-eigenaars waren bang dat de slaven dan weg zouden trekken, omdat ze een afkeer zouden hebben van plantage arbeid. Dit zou gebeuren op 1 juli. En gelukkig voor de planters heeft men ruim een maand daarvoor de eerste immigranten uit India kunnen halen. Wel moet hierbij opgemerkt worden, dat de eerste Hindostanen niet in 1873, maar al in 1869 naar Suriname zijn gekomen. Deze zijn uit Brits - Guyana naar Suriname gekomen. Het zijn er enkele tientallen geweest.

V: Wat voor achtergrond hadden de contractarbeiders die vanaf 1873 naar Suriname zijn gekomen?
A: Voor het grootste deel waren dat mensen van het platteland. India was toen ook een agrarisch land en er heerste daar armoede. En zijn er veel problemen geweest met overstromingen, droogte perioden etc. Dat is ook de reden dat wanneer er - wat klimaat betreft - problemen waren, de mensen massaal weg trokken. Het zijn dus vooral arme mensen van het platteland, hoewel er ook stedelingen zijn gekomen. Het werven van arbeiders vond vaak plaats op markten en op drukke plaatsen waar veel mensen kwamen, waardoor ook stedelingen zijn gekomen.

V: En kwamen die uit een bepaald gedeelte van India?
A: De meeste immigranten voor Suriname, zijn uit Noord-India gekomen. In die tijd bekend als United Province en tegenwoordig Uttar Pradesh.



Rijst dorsen. Foto: Chin A Moei. Collectie Surinaams Museum.


V: Op wat voor manier ging de werving?
A: De hele werving stond eigenlijk onder leiding van een emigratie-agent. Die had zijn zetel in Calcutta. Die emigratie-agent, had op zijn beurt een aantal subagenten in dienst. Deze hadden op hun beurt weer wervers in dienst, die eigenlijk het werk deden. En die gingen dan ook overal naar toe, waar zij dachten mensen te kunnen bereiken en lokken, bijvoorbeeld naar verschillende steden en dorpen. Hindostanen zeggen tegenwoordig dat ze zijn verleid of misleid. Ze zijn verkeerd geïnformeerd en op die manier warm gemaakt om te emigreren. Je moet bedenken dat er daar echte armoede heerste en men hen vertelde dat ze in Suriname of in andere koloniën heel veel geld konden verdienen en dat ze na afloop van hun contract ook eigenaar van een lapje grond zouden worden. Sommige beweerden dat er ook beloften waren gedaan, dat ze na afloop van hun contract ook koeien zouden krijgen. Dit zijn heel erg belangrijke dingen geweest voor die arme mensen van toen. Voor hen waren dat geweldige dingen. En dat heeft gemaakt dat men de stap heeft genomen om naar het verre land Suriname te trekken.

V: Suriname werd dus eigenlijk als het beloofde land voorgesteld?
A: Ja, dat was het beloofde land voor velen. Veel mensen dachten ook in korte tijd rijk te worden en dat ze dan met dat geld wat konden doen, eenmaal terug in hun vaderland.

V: De populatie van de mensen die naar Suriname toe zijn getrokken, kunt u daar iets over vertellen. Waren er bijvoorbeeld veel jongeren bij en hoe zat het met de verdeling tussen mannen en vrouwen en kinderen?
A: Als je zou gaan letten op de verdeling mannen/vrouwen of de verhouding, dan was er een algemene regel dat er op de honderd mannen, veertig vrouwen moesten zijn. Dat was een eis, omdat er anders problemen in de plantage koloniën zouden kunnen bestaan. Dit was moeilijk te halen, maar men heeft geprobeerd dat te realiseren. Er waren ook wat kinderen bij. Maar de plantage-eigenaars hadden het liefst volwassen mensen, want kinderen betekenden een last voor hen. Verder kunnen we zeggen dat het overgrote deel van de immigranten onder de dertig jaar was. Een heel groot deel van die mensen was ook vrijgezel. Vaak gebeurde het dat men op de boot een partner vond, met wie men op de plantage ging samenwonen.

V: Wat waren de werkomstandigheden op de plantages zelf?
A: De mensen hadden het heel zwaar. Officieel moesten ze zestig cent per dag verdienen, of er nu werk was of niet. Althans de mannelijke arbeiders moesten zestig cent per dag krijgen en de vrouwelijke arbeiders veertig cent. In de praktijk was de zaak anders. Men werkte niet met dagloon. Maar met wat men in Suriname noemt 'djapwerk' dat is taakwerk. Iedereen kreeg een bepaalde taak, die door de planter eenzijdig werd vastgesteld. In de meeste gevallen klaagden de arbeiders dat die taken te zwaar waren, zo zwaar dat ze een dagtaak niet in een dag konden afwerken. Dat betekende dat ze minder dan zestig cent of minder dan veertig cent verdienden. Dit is ook reden geweest waarom ze ontevreden waren. Voor de arbeiders zelf is het een moeilijke tijd geweest, vandaar dat in hun beeld de contractperiode een tijd van pienaren is geweest. In de volksmond zegt men 'girmiet kaate', dit betekent dat men echt een zware periode heeft doorgemaakt. 'Girmiet' komt van agreement in het engels, dit staat voor het contract.



Hindostanen in danskostuums (vermoedelijk een nacaniya, zanger in travestie), 1943.
 Collectie Surinaams Museum.


V: Hoe zat het in die zware werkomstandigheden met de cultuurbeleving? Hadden ze daar nog wel tijd voor?
A: Je moet bedenken dat ze al vroeg in de ochtend hun eten moesten klaarmaken. Ze moesten dus zes uur, half zes opstaan. Zodat ze op tijd naar het veld konden gaan, om suikerriet te kappen of om cacao te plukken etc. Wie geluk had kon al vier uur ophouden. De heel sterke mensen konden al eerder hun taak afronden en sneller naar huis. Maar zoals ik al eerder vertelde, de taken waren te zwaar, ze konden het niet op tijd af hebben, waardoor veel mensen ook langer moesten werken. En als ze dan thuis kwamen, moesten ze koken. Het was niet zo dat mannen werkten en dat vrouwen thuis waren. Iedereen was contractarbeider, dus nadat het werk af was moest men thuiskomen en daar de huishoudelijke taken volbrengen. Verder moet je ook nog bedenken dat men in weer en wind werkte. Dat betekent of het nou regent of niet, het werk moest doorgaan. Stel de kleren waren nat, dan moesten diezelfde kleren worden gedroogd omdat men ze de volgende dag weer aan moest om te gaan werken. Je begrijpt dat er niet zoveel tijd voor cultuurbeleving was, maar desondanks heeft men geprobeerd wat tijd vrij te maken. Men ging dan 's avonds bij elkaar zitten en dan werden er liederen gezongen, gekaart en noem maar op. Belangrijk was ook dat de mensen een soort bescherming, of toevlucht zochten in hun religie. Dat is een heel belangrijke zaak geweest en hoewel de immigranten voor een groot deel niet erg ontwikkeld waren, hebben ze kans gezien om hun religie, Islam en Hindoeïsme, te behouden. En dat is dankzij de weinig ontwikkelde mensen die iets van de religie afwisten. Zij gingen kinderen thuis lesgeven of kinderen kwamen bij hen op les. Aan hen is het te danken, dat wij nu, zoveel generaties later nog onze cultuur hebben kunnen behouden.