Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
Posts tonen met het label Allen Rose Mary. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Allen Rose Mary. Alle posts tonen
zaterdag 2 november 2013
Boek Contemporary Caribbean is uit
Met trots werd gisteravond bij de UNA het boek Contemporary Caribbean gepresenteerd. Het boek bevat 27 artikelen over onder meer de geschiedenis, economie, kunst, cultuur en wetgeving van Curaçao, geschreven door lokale experts. Voor: uitgever René Offermans, auteurs Jennifer Smit en Rose Mary Allen, achter: samenstellers Wim Kamps (links), Ieteke Witteveen en Guido Rojer jr.
Labels:
Allen Rose Mary,
Kamps Wim,
Rojer Guido,
Smit Jennifer,
Witteveen Iteke
dinsdag 3 september 2013
Inleiding tot debat “Van slavernij tot moderne slavernij”
![]() |
| Slavenboei |
door Rose Mary
Allen
UNA, 4
augustus 2013
Ik wil in mijn bijdrage aan dit debat ingaan op een aspect
van de erfenis van de slavernij en dat is de doorwerking hiervan in de moderne
hedendaagse samenleving. De vraag is dan op welke wijze het slavernijverleden
de nieuwe generaties nog steeds beïnvloedt? Of beter gezegd: In hoeverre geeft
de oudere generatie aan de jongere generatie denkbeelden en gedragingen door
die te maken hebben met een slavernijerfenis?
Bijvoorbeeld: is het groot aantal tienerzwangerschappen en
alleenstaande moeders in het Caribisch gebied,
het gevolg van de mogelijke
aangespoorde losse man-vrouwverhoudingen die er heersten tijdens de
slavernijperiode? Is de huidige achterstandspositie waarin een groot deel van
de gezinnen zich bevindt een gevolg van de slechte startpositie die deze groep
had na de afschaffing van de slavernij in 1863? Een heel vaak gestelde vraag is
of de zogenaamde afkeer voor handwerk en landbouw ook een afspiegeling van dit
verleden is?
Voor wat betreft de onderlinge verhoudingen in de
maatschappij, zijn er ook vragen die gesteld worden. Is het feit dat hier op
het eiland mensen elkaar beoordelen op basis van ras en etniciteit ook een gevolg
van dit slavernijverleden? Jandi Paula sprak over deze culturele trauma’s en het
intergenerationeel doorgegeven van superioriteits- en inferioriteitsdenkbeelden
en gedragingen in zijn boek From objective
to subjective social barriar. Nog steeds worden mensen gediscrimineerd op
basis van hun ras door gebruikmaking van termen zoals Pretu mahos (zwart en
lelijk), Jacombeinchi (voor een uiterst blanke uiterlijk), Kabei malu
(kroeshaar), nanishi promenton (voor de brede neus van de zwarte persoon) en lep
di tayer (bandenlippen, of dikke lippen). Colorism is nog steeds een van de redenen voor pesten onder jongeren
op het moment. Als laatste wil ik ook het fenomeen bijvoegen wat ik Anancyism
noem. Van de figuur Nanzi hebben wij een paradoxaal figuur overgehouden, een
figuur die deels spin deels mens is, deels held en deels schurk, zowel
empowerend maar ook enorm egoïstisch.
Anancyism is een gedragspatroon, waarin schijnbaar machteloze mensen constant
mazen zoeken om in situaties toch als winnaar uit de bus te komen.
| Tula - Edsel Selberie |
Racisme en discriminatie, stereotypen en sociale ongelijkheid lijken nog steeds de politieke sporen van de slavernij. Het trieste van de zaak is dat slavernij niet helemaal verdwenen is. Wereldwijd ervaren mensen slavernij of omstandigheden die er dicht bij in de buurt komen. Ik denk bijvoorbeeld aan mensenhandel waarin voornamelijk vrouwen en kinderen de slachtoffers worden. Alhoewel het hier om een andere soort slavernij gaat, op een andere schaal en in een heel andere historische, politiek-economische en sociologische context, zou men kunnen stellen dat wij in het Caribisch gebied kennelijk geen lering hebben getrokken uit ons verleden, want wij doen flink mee aan deze moderne vorm van slavernij.
![]() |
| Rose Mary Allen (achter de microfoon) voert het woord. Naast haar Cynthia Mc Leod |
We hebben dus een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarom denk ik ook dat, ondanks de gevoeligheid van het onderwerp, we hierover vooral niet moeten zwijgen. Wij dienen de stiltes te overstijgen, waarmee het thema slavernij altijd omringd is. Deze stiltes hebben als gevolg dat wij nog steeds niet met elkaar in harmonie kunnen leven. Voor de doorbreking van deze stilte is onder andere empirisch wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk, want onze kennis op het terrein van slavernij en slavernijverleden is nog steeds beperkt. De onjuistheden in de historie werken maatschappelijk door en zorgen voor een verkeerde beeldvorming.
Ik denk dan ook de stiltes rondom slavernij doorbroken
dienen te worden op grond van goed geïnformeerde dialoog gebaseerd op goed
onderlegde feiten.
![]() |
| Hedendaagse vormen van slavernij en marteling komen niet minder voor dan in vroeger eeuwen, in tegendeel zelfs |
Labels:
Allen Rose Mary,
debat,
essays,
Mc Leod Cynthia,
racisme,
Selberie Edsel,
slavernij,
Tula
zondag 18 augustus 2013
Trommelgeesten (12 en slot)
door Fred de Haas
Gebruik van
medicinale en/of hallucinogene kruiden in de Curaçaose ‘magie’
![]() |
| Aloë vera |
Zolang als de mensheid bestaat heeft men kruiden gebruikt
voor geneeskundige en ‘magische’ doeleinden. Zaden, wortels en extracten van
planten en kruiden werden ook gebruikt voor minder fraaie, zelfs criminele
doeleinden, zoals het vergiftigen van mensen. Vijgenbladeren vermengd met tabak
zijn een roesmiddel. De eik en de tamarinde zijn heilige bomen, ook bij de oude
Kelten en Germanen. De aloë is een talisman. Wierook is een probaat middel om
de boze geesten van het Oudejaar uit huis te jagen onder het uitspreken van de
woorden ‘saka fuk’i aña bieu’ (= het
ongeluk van het oude jaar weghalen). Mijn vroegere buurvrouw deed dit elk jaar.
A.M.G. Rutten heeft in zijn boek Magische kruiden in de
Antilliaanse folklore verslag gedaan van een etnofarmacologisch onderzoek dat
hij in West-Indië heeft verricht in 1956/57. In zijn boek vind je talloze
voorbeelden van planten en kruiden die het bewustzijn kunnen vernauwen,
verruimen, verdoven en veranderen. Zo zijn er op Curaçao wel meer dan dertig
plantensoorten die een psychedelische (= de geest beïnvloedende) uitwerking
kunnen hebben. Yerba di glas en Hilo di diabel bevatten LSD-achtige verbindingen,
de Barba di Yonkuman bevat looizuur en giftige narcotica, wortels en zaden van
cactussoorten kunnen zeer hallucinogeen (= zinsbegoochelend) zijn.
| Yerba di glas |
Het gegiste
sap van de karakteristieke Curaçaose agave of Pita plant is roesverwekkend en
het gebruik ervan niet van gevaar ontbloot. Rutten merkt op (p.122): ‘wie voor
magische doeleinden zijn toevlucht zoekt tot de Antilliaanse flora loopt altijd
kans op vergiftiging. Een aantal kruiden dat als medisch getinte ‘Golden Herbs’
(= gouden kruiden) wordt gepropageerd veroorzaakt reacties die ernstig zijn,
maar waarbij de herkomst van de reactie niet wordt onderkend’. En: ‘Atropine en
Hyoscine uit planten van de Nachtschadefamilie zijn bruikbare geneesmiddelen,
maar ook beruchte hallucinogenen en criminele wapens’.
Er zijn ‘magische’ kruiden of plantenextracten die je na
gebruik ervan de indruk kunnen geven dat je in een andere wereld terecht komt,
contact krijgt met het ‘bovennatuurlijke’ of zelfs de suggestie kunnen geven
dat je ‘vliegt’. In de slaventijd vertelde men verhalen over slaven die ‘terugvlogen’
naar Afrika. Ongetwijfeld kwamen die verhalen voort uit ervaringen van mensen
die bepaalde kruiden hadden gebruikt waardoor ze zware hallucinaties kregen.
Een kwestie van pure zinsbegoocheling. Ook de Caiquetíos, de Indianen die
vroeger op de Benedenwindse eilanden woonden, waren bekend met het gebruik van
allerlei kruiden. Hun rotstekeningen zouden kunnen wijzen op ‘vliegervaringen’,
te oordelen naar sommige afbeeldingen die de suggestie wekken van iemand die
‘opstijgt’.
De Afrikanen uit Senegal, Angola, Ghana en Nigeria kenden
het bestaan van hallucinogene planten en brachten hun kennis hiervan mee
overzee. De kennis van kruiden die Haïtiaanse Vodou-priesters hebben is
fabelachtig. Wie kent niet de verhalen van mensen die in Haïti tot levende
doden zijn gemaakt – zombis - door hen
te vergiftigen en te verlammen met o.a. sap van Dieffenbachia en extracten van
de manzaliña? Dat soort praktijken geldt in het Wetboek van Strafrecht van
Haïti als moord.
| Kasha di huramentu (Kast met rituele benodigdheden). Foto © Michiel van Kempen |
Ook sterke drank kan een belangrijke rol spelen bij bepaalde
ceremoniën. Van oudsher was rum altijd een geliefkoosde drank om een
psychodynamische sfeer te creëren. Ook in Montamentu kan het gebruik van rum
een functie hebben.
Het is niet moeilijk om je voor te stellen dat het gebruik
van kruiden, drank, het uitspreken van bezwerende ‘religieuze’ formules, het
spelen van ritmische muziek, een sfeer kan creëren die kan worden ervaren als
‘heilig’. Net als vele andere mensen is ook de Antilliaan zeer gevoelig voor
dit soort zaken. Hun geest staat open voor invloeden van magische rituelen en
de vraag is of er aanleiding is om hiermee rekening te houden in de reguliere
gezondheidszorg.
Om deze vraag te beantwoorden neem ik u weer mee naar het
artikel van Rose Mary Allen ‘Hende a hasi malu p’e’ (over volksgeloof in de
Curaçaose cultuur).
![]() |
| De promotie van den ingebeelden zieken (1742), vertaling J.J. Mauricius. Collectie Michiel van Kempen |
Le malade imaginaire?
De vraag is in hoeverre de moderne geneeskunst rekening kan
en/of moet houden met cultureel bepaalde denkbeelden omtrent de oorzaken van
bepaalde geestelijke aandoeningen.
Ik citeer de openingsregels van het hierboven aangehaalde
artikel van Allen:
‘De gedachte dat cultuur een steeds belangrijkere rol speelt
in de geestelijke gezondheid krijgt steeds meer gedaante. In de psychiatrie
worden culturele factoren steeds meer in acht genomen bij het diagnosticeren en
behandelen van geestelijke aandoeningen. De bewustwording over de rol van
cultuur in de psychiatrie ontstond toen westerse samenlevingen te maken kregen
met een groeiend aantal migranten uit verschillende culturen. Psychiaters
werden er zich meer van bewust dat bij het behandelen van geestelijke ziekten
men ook niet-Westerse ideeën in acht diende te nemen’.
Deze positieve en op zich sympathieke gedachte vraagt wel om
enig kritisch commentaar.
Er zijn nogal wat mensen die heilig geloven in het feit dat
een boze geest er de oorzaak van kan
zijn dat zij zich niet goed voelen. Dat geloof in magische zaken is al heel oud
en laat zich niet zomaar wegredeneren. Als een moderne geneesheer goed contact
wil hebben met zo’n patiënt kan het van belang zijn dat hij/zij rekening houdt
met het magische denken van de patiënt. Als de patiënt merkt dat zijn
denkbeelden niet worden weggewuifd als zijnde primitief dan kan er een vertrouwensband
ontstaan tussen dokter en zieke, waardoor het mogelijk is dat de moderne
geneesmethodes van de dokter effect krijgen en de zieke openstaat voor een
‘moderne’ behandeling.
![]() |
| Foto © A. Veleryenkov |
Mijns inziens kan een moderne geneesheer dat alleen doen als
hij, voor de effectiviteit van zijn behandeling, gebruik wil maken van de
culturele achtergrond van zijn patiënt zonder zelf in die denkbeelden te
geloven. Een moderne arts is geen montadó, mysteriewerker of medicijnman en zal
nooit en te nimmer geneeswijzen toepassen op basis van een vermeende ‘Creoolse
spiritualiteit’, een geloof in ‘boze geesten’, ‘magische’ krachten of ideeën
die afkomstig zijn uit een ver Afrikaans of Indiaans verleden. Dat er mensen
zijn die deze ideeën aanhangen is één ding, maar of je erin moet meegaan is een
tweede. Als een patiënt zijn/haar ziekte verklaart uit het effect van ‘hekserij’
of ‘brua’ hoef je de integriteit van de patiënt zelf niet in twijfel te
trekken, maar zijn/haar ideeën des te meer.
Het lijkt me geen goed idee om ‘Creoolse spiritualiteit’
(wat dat ook moge zijn) op een voetstuk te zetten en te beschouwen als een
manier van denken die bewaard moet blijven als een soort permanent cultureel
erfgoed. Als iemand denkt dat de heilige Barbara in staat is om boze geesten te
verjagen moet ie dat zelf weten, maar een moderne arts kan zich zo’n opvatting
niet veroorloven.
Nabeschouwing
Hoewel we slechts kort hebben kunnen ingaan op verschillende
Afro-Caribische godsdiensten hoop ik dat de lezer zich een idee heeft kunnen
vormen van de wijze waarop deze religies in de Nieuwe Wereld een verandering
hebben ondergaan en zijn geïntegreerd in het denk- en belevingspatroon van
grote delen van
de bevolking. De vraag naar de reden van het hardnekkig
voortbestaan van deze ‘zwarte’ godsdiensten is alleszins gewettigd. De reden
hiervan is m.i. dezelfde als die welke geldt voor alle godsdiensten.
Het is een eigenschap van de mens om steun te zoeken bij
iets machtigers, iets ‘hogers’ dan hijzelf. Op het wereldse gebied wordt de
mens beschermd door sociale en politieke instellingen met aan het hoofd functionarissen
die door de hele bevolking of door een deel van de bevolking zijn gekozen of
gewoon benoemd (burgemeesters, ministers, wethouders, een koning, enzovoorts).
Voor het geestelijk welzijn van de meeste mensen blijkt de
wereldse bescherming echter niet genoeg te zijn. In dat geval kunnen allerlei
godsdiensten en magische praktijken uitkomst bieden. Hoe bevredigender de
antwoorden zijn die een godsdienst op vragen van een mens heeft, hoe populairder
deze is. En dan is het te hopen dat de ‘bedienaren’ van de godsdienst in
kwestie geen misbruik maken van hun geestelijke macht en dat er evenmin gebruik
wordt gemaakt van godsdienst voor politieke doeleinden. Een gevaar dat o zo
reëel is en waar de kranten dagelijks vol mee staan.
In maatschappelijk opzicht kan religie voor mensen een heel
belangrijke rol spelen. Godsdiensten kunnen mensen die een onopvallend leven
leiden de mogelijkheid bieden om
‘belangrijk’ te worden doordat hen een bepaalde functie wordt
toegewezen. Bij Protestanten kan je ‘ouderling’ worden, bij Katholieken
‘pastor’, misdienaar, koster enz. Bij de Afro-Caribische religies is het niet
veel anders. Vrouwen die in het maatschappelijk leven nederige arbeid
verrichten kunnen ineens belangrijk worden in de ogen van de gemeenschap omdat
ze ‘priesteres’of ‘medium’ zijn en mannen die in het gewone leven nauwelijks of
niet opvallen kunnen ineens bekendheid krijgen en in aanzien stijgen omdat ze
de ‘heilige’ trommels bespelen tijdens Vodou diensten.
Verder bieden godsdiensten ook de mogelijkheid om een latente
nieuwsgierigheid naar het ‘bovenaardse’ te bevredigen en aan een brujo/a via
het occulte om advies te vragen, een genezing te bewerkstelligen, een
wraakoefening uit te voeren en wat je verder maar kan bedenken. We vinden dit
in een milde vorm ook terug bij gevestigde godsdiensten als het katholicisme.
Menigeen heeft wel eens een kaarsje opgestoken in de kerk om iemand te gedenken
of in de hoop op een goed examenresultaat. En wat te zeggen van de zegen van de
priesters, het vergeven van zonden, de transsubstantiatie (verandering van
Brood en Wijn in het Lichaam van Christus. Overigens geen dogma), de Doop, het
Heilig Oliesel, de ‘Zoon van God’, het door de straten dragen van beelden van
Maria en andere heiligen... Zijn dat allemaal geen milde vormen van Brua? Wees
eerlijk. De meesten van ons vinden al die zaken gewoon, omdat we eraan gewend
zijn. Zo gewoon zijn ze toch niet? Toch geloven 1,2 biljoen mensen hier min of meer in. En wat te denken van de
volgende uitspraak van een dominee van een Pinkstergemeente (‘Bida Nobo’) op
Curaçao: ‘Christen worden is een proces. Eerst moet je je bekeren, daarna
laat je je dopen met water en vervolgens word je gedoopt met de
Heilige Geest wat spontaan of onder handoplegging kan gebeuren. Daarbij ontvang
je gaven van de Geest zoals het spreken in tongen, het vertolken van tongen,
profetie, het onderscheiden van goede en kwade geesten, het doen van wonderen
of genezingen. […] Het spreken in tongen ‘wekt soms onbegrip bij buitenstanders
op, omdat mensen die in tongentaal spreken emotioneel kunnen zijn en dat
wordt wel eens verkeerd geïnterpreteerd. Het is bedoeld om de Heer te prijzen in
een soort geheime gebedstaal’.
Is dat Brua of is dat geen Brua? De Pinkstergemeente voldoet
in elk geval aan een diepgevoelde behoefte van een deel van de bevolking. Het
is overigens de enige kerk op Curaçao die haar ledental zag verdubbelen van 3,5%
in 2001 naar 6,6 % in 2011 (Central Bureau of Statistics Curaçao, Willemstad 2012).
Wat opvalt in de Afro-Caribische religies is dat ze allemaal
bepaalde kenmerken met elkaar gemeen hebben. Er zijn veel rituelen met trance
toestanden, er zijn mediums die – naar men gelooft - met geesten kunnen communiceren, er is een
Godsbegrip en een Opperwezen dat zich niet bemoeit met aardse zaken, er zijn
godheden die tussen het Opperwezen en de mens in staan, er is een bepaalde
structuur in de rituelen (al of geen Afrikaans gezang, het aanroepen van de
goden, het brengen van offers, het dansen tijdens de dienst), er worden
kruiden, tabak, drugs en/of alcohol
gebruikt, er is een dunne grens tussen religie en magie, religie en moraal zijn
twee aparte zaken, je kan bovennatuurlijke krachten manipuleren, er is geen
hiernamaals waarin je beloond of gestraft wordt, godheden hebben menselijke
eigenschappen, meestal is er sprake van voorouderverering, men gelooft in
reïncarnatie, het is mogelijk om zowel christelijk/katholiek te zijn en
tegelijkertijd lid van een Afro-Caribische religieuze gemeenschap en bij haast
al die erediensten is – vaak virtuoos – trommelspel onontbeerlijk.
De trommelgeesten kunnen de toekomst voorlopig nog met enig
vertrouwen tegemoet zien.
Labels:
Allen Rose Mary,
Curaçao,
essays,
etnobotanie,
folklore,
Haas Fred de,
Mauricius J.J.,
psychiatrie,
religie,
tambu,
voodoo
zondag 11 augustus 2013
Trommelgeesten (10)
![]() |
| Een storm nadert Curaçao. Foto: Facebook |
door Fred de Haas
Curaçao
Voor het schrijven van onderstaande aantekeningen over het
bestaan van Afro-religieuze ceremonies op Curaçao heb ik mij voor aanvullende
informatie gewend tot mevrouw dr. Rose Mary Allen, Curaçaose onderzoeker en
gastdocente aan de mr. dr. Moises Frumencio da Costa Gómez Universiteit (de
vroegere UNA), de heer Richenel Ansano, directeur van het Nationaal
Archeologisch en Antropologisch Museum en de heer Bob Harms, hoofdredacteur van
Telecuraçao, die mij uitgebreid in hun kennis over dit belangwekkende onderwerp
hebben laten delen. Ik ben hun hiervoor zeer erkentelijk. Hun informatie was
zeer waardevol en zal in dit artikel worden verwerkt. Ook heb ik onlangs nog
gesproken met de rechtshistoricus Bastiaan van der Velden die van 2006-2009
werkzaam was als hoofdmedewerker aan de – toenmalige - UNA te Willemstad, Curaçao. In zijn boek over
de rechtsgeschiedenis van Curaçao (Ik lach met Grotius en alle die prullen van
boeken, 2011 Carib Publishing, Uitgeverij SWP Amsterdam) schrijft hij in
hoofdstuk 15 over Afro-Curaçaose rituelen en de normatieve rol van populaire
geloofsopvattingen.
Wat mij opviel was hun voorzichtige en respectvolle
benadering van dit toch gevoelige onderwerp. Als ik hun woorden citeer of
samenvat zal ik, waar dit relevant is, hun namen erbij vermelden.
Allen, Ansano en Harms hebben getracht een antwoord te
formuleren op onderstaande (hier in verkorte vorm weergegeven) vragen:
-
Heeft er in vorige eeuwen op Curaçao in enige
vorm een Afro-Caribische eredienst bestaan die te vergelijken is met,
bijvoorbeeld, de Vodou in Haïti of de Santería in Cuba? Bedoeld wordt een
eredienst (c.q. ceremonieel) die met de slaven is meegekomen in de 17e
eeuw of later.
-
Zo niet, wanneer hebben Vodou-achtige erediensten
op Curaçao hun intrede gedaan onder invloed van, bijvoorbeeld, religieuze erediensten
uit Haïti (Vodou) en Venezuela (María Lionza)?
-
Wat is de invloed hiervan op de bevolking?
De antwoorden op de eerste vraag geven een verdeeld beeld te
zien. De heer Ansano verwijst o.a. naar een verslag uit het Archief NWIC van 20
november 1788, waarin vermeld wordt dat een aantal Curaçaoënaars zich schuldig
hebben gemaakt aan ‘toverij of geheime konsten’ en ‘giftmenging’, waarvoor zij
door Justitie in 1788 worden veroordeeld en gestraft met geseling en verbanning
van het eiland. Zij hadden hun praktijken volvoerd in ‘zeekere danshuyzen […]
alwaar met singuliere gewaden als ook bellen, trommen en instrumenten gedanst
en gespeeld wierd, mitsgaders beesten geslacht, het bloed gestort en met mais
gekookt, om aan omstanders uyt te deelen en andere diergelyke vreemde dingen
meer […]’ ( zie ook A.M.G. Rutten, Magische Kruiden in de Antilliaanse
folklore, Erasmus Publishing, Rotterdam 2003, p. 91 t/m 93).
Het betrof hier duidelijk een bijeenkomst in een
waarschijnlijk openbaar toegankelijk danshuis buiten de muren van de stad in
Otrobanda. De hele gebeurtenis draagt een Vodou-achtig karakter. Er zullen
ongetwijfeld meer van dat soort bijeenkomsten zijn geweest, maar duidelijkheid
hierover is er niet. Het rechtvaardigt mijns inziens niet de conclusie dat er
een gestructureerd en regulier soort Afro-Caribische godsdienst op het eiland
zou hebben bestaan.Wellicht komen er nog eens andere documenten boven water die
meer licht werpen op dit soort zaken.
| Scène uit de film Tula |
De heer Harms vermeldt de ceremonie van het drinken van de
‘Awa di Huramentu’ aan het begin van de opstand van Tula in 1795, een
plechtigheid die op een Afrikaanse oorsprong wijst. Iets dergelijks had in
Haïti plaatsgevonden in 1791 toen de slaven in Haïti in opstand kwamen tegen
het Franse gezag. Ik ben het met hem eens dat er in die tijd ‘tenminste de
kennis aanwezig was van belangrijke elementen van rituelen en ceremonies’. Maar
ook dat rechtvaardigt niet de conclusie van het bestaan van gestructureerde Afro-achtige
erediensten. Zowel Ansano als Harms bevelen verder onderzoek aan.
Rose Mary Allen is het meest uitgesproken in haar opvatting
dat er ‘voor zover de bestaande onderzoeken uitwijzen’ op Curaçao ‘vroeger geen
gestructureerde godsdiensten in de vorm van Santería (Cuba), Vodou (Haïti en
Santo Domingo) etc. bestonden. In haar proefschrift verwijst zij wel naar geïsoleerde
gevallen van beschuldigingen van hekserij.
![]() |
| Een agáng, muziekinstrument gemaakt van een versleten ploegschop en bespeeld met een metalen staafje. Uit Sambumbu 2, van Paul Brenneker |
Brua / Brujería
(= o.a. het verrichten van ‘magische’ handelingen)
Hoewel de term ‘Brua’ een veel voorkomende en haast niet te
vermijden manier is om ‘goede of slechte magische handelingen’ uit te drukken,
verdient het aanbeveling om voorzichtig met die term om te gaan. Rose Mary
Allen schrijft in haar artikel ‘Hende a hasi malu p’e’ (mensen hebben iets
slechts met hem/haar gedaan) over volksgeloof in de Curaçaose cultuur dat ze
heeft aangeboden op het International Congress ‘Quality of Psychiatric Care in
the Caribbean’ (oktober 2009) het volgende (niet helemaal letterlijk): ‘vanwege
de negatieve lading die de term ‘brua’ in de samenleving heeft, gebruiken de
beoefenaars een minder beladen term als ‘trabou di misterio’ (mysteriewerk) en
de specialisten noemen zichzelf ‘trahadó di misterio’ (mysteriewerkers) en geen
‘hasidó di brua (brua-plegers)’.
Ansano vindt het een non-probleem, ziet geen verschil tussen
‘brua’ en het Curaçaose ‘montamentu’ (waarover meer hieronder), en Harms
verbindt brua zijdelings aan religieuze ceremoniële bijeenkomsten.
Het is een wat verwarrende terminologie, maar laten we
eerlijk zijn: een ‘milieuverzorgster’ blijft een werkster, een ‘milieumedewerker’
blijft een vuilnisophaler en een ‘arbeidsreservist’ blijft een werkloze. Laten
we er niet al te moeilijk over doen.
![]() |
| Borstbeeld Paul Brenneker. Foto © Guus Kokx |
Het onderwerp ‘Brua’
in de Amigoe di Curaçao
Het zou te ver voeren om alles wat er ooit aan rijp en groen
over Brua is geschreven in de Amigoe in het kader van dit artikel te
behandelen. Ik zal slechts enkele meningen naar voren halen uit kranten die
verschenen zijn in de tweede helft van de 20e eeuw.
Degene die veelvuldig heeft geschreven over ‘Brua’ (en vele
andere zaken die de Curaçaose volkskunde betreffen) is Pater Paul Brenneker (1912-1996) met wie
ik het voorrecht heb gehad kennis te maken in de jaren 60. Samen met Elis
Juliana was Brenneker een van de grootste verzamelaars van oude Curaçaose
verhalen en artefacten. Hun werk kan niet genoeg worden geprezen.
In de Amigoe van 17 december 1965 schrijft Brenneker dat de
meeste opvoeders, geestelijken zowel als leken, de neiging hebben te doen alsof
het fenomeen ‘Brua’ niet bestaat, terwijl het verschijnsel toch diep geworteld
is in de beleving van de Curaçaose bevolking. De brua-makers zelf vinden dit uitstekend
omdat ze liever niet in het centrum van de belangstelling staan. Dat zou hun ‘praktijken’
alleen maar schade toebrengen. En die praktijken bedreigen, aldus Brenneker, de
geestelijke volksgezondheid. Brenneker
pleit er overigens voor om de ‘Brua’ goed te bestuderen. Verbieden werkt, zo
schrijft hij, alleen maar averechts.
Op 8 februari 1966 wijdt hij opnieuw een stuk in de krant
over Brua. Het is de moeite waard hem hier even letterlijk te citeren:
‘Brua leeft meer in de stad en de omgeving van de stad dan
op de knoek. Meer op Bandariba dan op Bandabao, en meer op Bonaire en Aruba dan
op Curaçao. Er bestaat een lichte vorm van Brua: geluksmiddelen, voortekens en
amuletten. Hieraan doet wel bijna iedereen zo min of meer. En het is de vraag
of al deze praktijken volkomen onredelijk zijn. Sommige hebben enige grond van
bestaan. Daarnaast bestaat de zware Brua. Deze wordt intens beleefd. Ze is
overheersend in iemands levenshouding en er is grof geld mee gemoeid. Praktisch
kan men wel zeggen dat Brua die veel geld kost, altijd oplichterij is. Een
gunstige bodem voor Brua is de innerlijke onzekerheid die we toch wel als een
volksmanco moeten erkennen voor de bewoners van deze eilanden. Brua belooft
oplossing, belooft zekerheid en maakt de onzekeren onzekerder dan ooit. En zo
blijft de vicieuze cirkel intact. En ook de bron van inkomsten voor de
bruamakers. De waas die de Brua omgeeft is haar bescherming: hoe vreemder en
raadselachtiger hoe beter. De bruaman geeft zijn geheimen niet prijs, anders
gooit hij zijn eigen ruiten in; hij zou inboeten aan gezag. En wie brua
ondergaat, is er niet spraakzaam over, uit angst voor de gevolgen, voor wraak’.
Tot zover Pater Brenneker die niet bang was om te zeggen wat
hij ervan dacht. Laten we niet vergeten dat Pater Brenneker een priester was,
die, hoewel controversieel in de ogen van zijn superieuren, toch deel uitmaakte
van het hiërarchisch geordende katholieke systeem dat gewoon was alles te
bestrijden wat buiten de grenzen van de door de katholieke kerk gestelde regels
ging. En Brua viel natuurlijk heel duidelijk buiten die regels.
Wie een idee wil krijgen van de wijze waarop Pater Brenneker
in het leven stond kan de Amigoe Kerstkrant van 23 december 1991 er eens op
naslaan. Daarin staat ook dat Brenneker met toestemming van de brua-maker ‘montamentu’
ceremonies heeft bijgewoond. Het boeide hem, wat zijn bedenkingen ertegen ook
waren, in hoge mate.
![]() |
| Vier mensen die in trance zijn geraakt door tambú, geschilderd door Elis Juliana. Uit Sambumbu 2 van Paul Brenneker |
Op 9 juni 1973 staat er een stukje in de krant over Rhonnie
Sillé en zijn toneelstuk Até, ata zoembie (= Kijk, daar heb je een zombi).
Daarin zegt de auteur in een interview dat Tambú (Afrikaans geïnspireerde zang
en dans. In Brennekers ‘Sambumbu’ no. 2 van 1970 kunt u op bladzij 494 een
mooie tekening zien waarop Elis Juliana vier mensen heeft geschilderd die in
trance zijn geraakt tijdens een tambú bijeenkomst) en Montamentu
(‘bezetenheid’) onverbrekelijk zijn verbonden met de Curaçaose cultuur en dat
deze fenomenen daarom alleen al respect verdienen. Sillé: ‘[…] ik heb voordat
ik mijn stuk schreef zeer veel van deze Montamentu ceremoniën meegemaakt. En ik
heb er keer op keer gezien hoe ongelooflijk veel kracht en een enorme troost
een groot deel van onze bevolking hieruit kan putten’.
Maar, zo gaat hij verder, ‘er zijn natuurlijk altijd
negatieve punten te vinden zoals de bewering dat gehaaide personen het geloof van
de mensen in de Montamentu uitbuiten door ze af te zetten.
Sillé is dus genuanceerder in zijn opvattingen dan
Brenneker. Overigens zegt Sillé wel heel eerlijk in hetzelfde stukje dat ook
hij, gelovig als hij is, zijn twijfels heeft bij het verschijnsel Montamentu.
In 1988 schrijft Pablo Walter een stuk in de Kerstkrant
(Kerstkrant, Bonaire, Katern D van 28-12-1988) over Brua. Hij schrijft
voornamelijk over ziektes die door magische krachten als Brua zouden kunnen
worden veroorzaakt (zwarte magie, dus). Ook hij dringt aan op nader onderzoek
naar het doen en laten van traditionele genezers. Niet alles moet negatief
worden geduid, aldus Walter. In het beste geval zijn de bonafide genezers een
soort ‘volkspsychologen’ die nuttig werk kunnen verrichten bij het genezen van
psychosomatische ziektes. Op deze opvatting zal ik aan het eind van dit
artikel nog nader ingaan.
[wordt vervolgd]
Labels:
Allen Rose Mary,
Ansano Richenel,
Brenneker Paul,
Curaçao,
essays,
Haas Fred de,
Harms Bob,
Juliana Elis,
religie,
rooms-katholieke kerk,
Sillé Rhonnie,
tambu,
Velden Bastiaan van der,
voodoo
donderdag 1 augustus 2013
Legacy of Slavery and Indentured Labour, Past, Present and the Future: verslag van een conferentie
Welk verband bestaat er tussen slavernij, contractarbeid, migratie en hedendaagse maatschappelijke fenomenen?
door Rose Mary Allen
Deze vraag stond
centraal tijdens de vijfdaagse conferentie
Legacy of Slavery and Indentured Labour die begin juni in Suriname plaatsvond
in het kader van de herdenking van 140 jaar Hindoestaanse immigratie, 150 jaar
afschaffing slavernij en 160 jaar Chinese immigratie.
De
conferentie was het resultaat van een samenwerking tussen verschillende
Surinaamse organisaties actief op gebieden als cultuur, erfgoed en onderwijs,
zoals het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR), het IMWO, het
Nationaal Archief Suriname, de Feydrasi fu Afrikan Srananman, NAKS, de
Commissie 10 oktober, de Culturele Unie Suriname, Nationaal Stichting
Hindostaanse Immigratie (NSHI), Sila en de opleiding Geschiedenis van het
Instituut Leraren Opleiding (IOL) . De coördinatie hiervan was in handen van
Maurits Hassankhan, Surinaamse historicus..
Met de conferentie wilde men een link leggen tussen enerzijds slavernij,
contractarbeid en (vrije en gedwongen) migratie als historische gebeurtenissen
en anderzijds hedendaagse verschijnselen en vraagstukken als mondialisering, identiteitsvorming,
nationalisme en transnationalisme. Vergelijkend onderzoek met als doel nieuwe
kennis en inzichten te verkrijgen was een van belangrijke speerpunten van de
conferentie.
![]() |
| Gravure uit Verscheyde Voyagien, Zee- en Land-togten (1706) |
Er waren
twee keynote speakers. Prof. Stephen Small, bijzonder
hoogleraar Nederlands slavernijverleden aan de Universiteit van Amsterdam,
sprak over de hedendaagse erfenis van dat verleden. Hij pleitte voor het creëren
van nieuwe kennis en het ontwikkelen van nieuwe perspectieven binnen de historische wetenschap, o.a. op basis van meer
internationaal vergelijkend onderzoek. Daarbij kunnen de Nederlandse Cariben volgens
hem een prominente rol spelen. Dit taalgebied is zeer onderbelicht binnen de
historische wetenschap, terwijl het veel te bieden heeft, zoals informatie over
slavenwerk op zoutplantages, slavenverzet en marronsamenlevingen (samenlevingen
van gevluchte slaven) die aan belangrijke nieuwe inzichten kan bijdragen.
![]() |
| Kaart van Mauritius door Johannes van Keulen, 1753 |
De tweede keynote
spreker was Vijayalakshmi Teelock, hoofd van de afdeling Geschiedenis en
Politieke wetenschappen van de Universiteit van Mauritius, die over de Truth and Justice Commission in
Mauritius sprak. Deze in 2008 ingestelde commissie had als taak het opstellen
van een integraal rapport over de slavernij en contractarbeid tijdens de koloniale
periode en over de wijze waarop men hedentendage hiermee dient om te gaan.
Mauritius, vernoemd naar de Nederlandse prins Maurits en later door de Fransen
gekoloniseerd, was een kolonie gebaseerd op de slavernij van mensen uit Afrika,
India en Maleisië. Na de afschaffing van slavernij werden er ongeveer 450.000
contractarbeiders uit het toenmalige Brits-Indië gehaald om op de
suikerplantages te werken.Ter vergelijking: naar Suriname zijn er 35.000
contractarbeiders gebracht. In de afgelopen decennia heeft Mauritius zich in
rap tempo van suikereconomie naar moderne diensteneconomie ontwikkeld. Door instelling
van de commissie wilde de regering vormgeven
aan een nationale identiteit binnen een multiculturele samenleving en een snel
groeiende economie. De commissie heeft
een uitgebreide studie verricht over de geschiedenis van Mauritius en heeft in
december 2011 haar (lijfig) rapport uitgebracht. Voor meer informatie raadplege
men http://pmo.gov.mu/English/Documents/TJC_Vol1.pdf. De organisatoren van de conferentie menen
dat Suriname en andere landen iets zouden kunnen leren van de ervaringen van
Mauritius.
![]() |
| Britse karikatuur op de afschaffing van de slavenhandel |
De inleiders
van de conferentie waren uit verschillende delen van de wereld afkomstig,
waaronder Mauritius, Nederland, Engeland, Suriname, Guyana, Trinidad, Jamaica, Canada,
de V.S. en Curaçao. Er waren 180 deelnemers en maar liefst ongeveer 100 inleidingen, waardoor er parallelsessies
moesten plaatsvinden. Naast de inleiders waren er ook toehoorders, voor het
grootste deel afkomstig uit Suriname.
De sessies gingen over onderwerpen als identiteit
en integratie; nieuwe benaderingen in de historiografie van slavernij en
contractarbeid; slavernij, contractarbeid en gezondheid;verwaarloosde
onderwerpen in de slavenhistoriografie; religie; marronsamenlevingen;
nabestaanden van Brits-Indische contractarbeiders; etniciteit, nationalisme en
democratie in plurale samenlevingen; en terugkeer van migranten naar het land
van herkomst.
Een greep
uit de vele interessante inleidingen:
·
Rewriting the
Narrative: Historical Archaeology and Colonial Suriname (Cheryl White)
·
Mapping the History of
Slavery and Abolition: Slave-ownership andCompensation in Suriname and the
Netherlands around 1863 (Dienke Hondius )
·
Meeting-grounds of
Amerindians and Dutchmen: The Amazon Region and Suriname between 1595 and 1688 (Eric Jagdew en
Jerry Egger)
·
God at the Fore Deck
and at the After Deck (Joop Vernooij)
·
East Indian Education in Nineteenth-Century
Trinidad: Social Exclusion – Integration (Vashti Singh)
·
San-Fan-Con, the
Potent Chinese Saint and His Journey to Africa via Cuba: The Impact of Chinese Indentured
Immigrants on Afro-Cuban Religion (Martin Tsang)
·
Elderly Surinamese
Hindustanis in the Netherlands (Nirmala Birjmohan)
·
Gender-specific Problems
among Surinamese Hindustani: Suicide and Alcoholism (Indra
Boedjarath)
·
Emotional Loss among
Hindustani Migrants in the Netherlands (Rahina Hassankhan)
·
Socializing for
Educational Success (Anita Nanhoe)
·
Space and Place for
black women in the Christian religion in Suriname (Mildred Caprino):
·
The Future of Afro
Surinamese religion (Rosie Zamuel- Rotgans),
·
Perspectives of Javanese Immigrants
in Suriname on Return Migration to the Homeland: Why Did a Thousand Javanese Return
to Indonesia in 1954?
(Rosemarijn
Hoefte)
·
Jakarta and Paramaribo
Calling: New Challenges for the Surinamese-Javanese Diaspora?(Peter
Meel)
·
Integration Styles in
the Indentured Indian Diapora (Chan
Choenni)
·
Mental
Well-being and Cultural Identity of the Afro-Surinamese: A Slavery-informed Answer
to Living in the 21stCentury (Aminata
Cario)
·
Indian Muslims in
Suriname:religion, traditions and globalization (Maurits S.
Hassankhan / Robbert Bipat and Alie Abdoel).
![]() |
| Su Girigori |
emancipation in a new country, over emancipatie als een continu proces van bewustwording van de eigen geschiedenis, waarbij ook de verantwoordelijkheid wordt genomen voor het (her)schrijven van die geschiedenis. Zij behandelde de sociale gevolgen van een opgelegde afhankelijkheidsstructuur op Curaçao, die het emancipatieproces verhinderen.
![]() |
| Rose Mary Allen |
Al met al
kan worden teruggekeken op een nuttige conferentie die ook de gelegenheid tot
netwerken bood. Eén resultaat hiervan was het opstarten van de International Association for the Study of
Indenture and Migration (IASIM). De verschillende inleidingen en
aangedragen oplossingen zullen worden gebundeld en gepubliceerd.
Juni 2013
[eerder verschenen in het Antilliaans Dagblad]
Labels:
Allen Rose Mary,
congres,
contractarbeid,
emigratie,
erfgoed,
Girigori Su,
Hassankhan Maurits,
nationalisme,
onderwijs,
slavernij,
Small Stephen
zaterdag 27 oktober 2012
Kinderen in slavernij
door Maggie Schmeitz
De prachtig verzorgde bundel in kleur Kind aan de Ketting; Opgroeien in slavernij toen en nu. is onderdeel van een
groter project Kind aan de Ketting met
een website, een reizende tentoonstelling en een educatief pakket voor het voortgezet
onderwijs.
Aspha Bijnaar geeft in de verantwoording aan dat het thema
opgroeien in slavernij niet alleen wetenschappelijk vernieuwend is, maar ook
maatschappelijk relevant. Het Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden
en erfenis (NiNsee) wil met dit project breed gedragen maatschappelijke
verontwaardiging oproepen over uitbuiting van kinderen toen en nu.
In de inleiding geeft de redacteur een helder overzicht van
de verschillende bijdrages, en laat zien hoe die met elkaar verweven zijn. Het
historische gedeelte wil enerzijds een beeld schetsen van de rol van kinderen
in de koloniale slavernij en anderzijds inzicht verschaffen in de gevolgen van
deze slavernij op de lange termijn. Het moderne gedeelte zoekt naar de
kenmerken en vormen van de hedendaagse kinderslavernij, en naar de verschillen
met de trans-Atlantische slavernij van toen.
De combinatie van artikelen geeft de lezer een algemeen en
een specifiek Antilliaans en Surinaams beeld van kinderen in de koloniale
slavernij. Dit een goede focus voor het Nederlands(talig) lezerspubliek en
biedt zowel informatie voor hen die al enigszins op de hoogte zijn als voor hen
die nog absoluut van niets weten. Een minpuntje van de ‘veelheid’ aan beelden
is dat er hier en daar herhaling en overlap optreden. Het inzicht in de
gevolgen van slavernij op de lange termijn komt minder goed uit de verf. Ik
krijg de indruk dat dit er door een aantal schrijvers in de laatste alinea nog
even bij is gegrabbeld; om te overtuigen was de verbinding tussen toen en nu
misschien beter tot zijn recht gekomen in een apart artikel. De combinatie
tussen een historisch gedeelte en een modern gedeelte over kinderslavernij is
wel goed gevonden; het staat de lezer niet toe om, na lezing van het historisch
gedeelte, een zucht van verlichting te slaken omdat ‘dat allemaal al voorbij
is’. Het drukt je met de neus op de feiten dat met de huidige economische orde
de verhoudingen niet echt veranderd zijn, alleen de vormen van uitbuiting zijn
dat wel.
![]() |
| Jongen uit Mariënburg. Foto © Nicolaas Porter |
Het eerste deel, Afrikaanse kinderen in de slavenhandel,
bestaat uit een bijdrage van Dienke Hondius die drie vragen centraal stelt en
beantwoordt: 1. Om hoeveel kindslaven ging het? 2. Wat meldden de bronnen
(Europese mannen) over kindslaven? 3. Hoe werkte de gevolgen van kindslavernij
door, ook na afschaffing van de slavernij? Hondius laat aan de hand van
verschillende bronnen zien dat het percentage Afrikaanse kinderen dat via de
transatlantische route werd gehaald in de loop der eeuwen stijgt van 18
procent aan het eind van de zeventiende eeuw tot 36 procent in de negentiende
eeuw. Bovendien was de meerderheid van de volwassenen jong. Hondius maakt dit
overtuigend duidelijk aan de hand van administratieve gegevens: kinderen van vier
tot zeven jaar telden als een halve arbeidskracht, tussen de acht en twaalf jaar
als tweederde arbeidskracht. Een volwassen gezonde slaaf tussen 15 en 35
jaar oud was de eenheid (pieza de India)
waarvan deze berekeningen werden afgeleid. In Suriname werden kinderen boven de 12 echter ook als volwassenen geteld. Als mogelijke beweegredenen van de
slavenhandelaren voor het steeds massaler invoeren van jonge kinderen worden
onder meer genoemd: kinderen waren goedkoper, makkelijker onder de duim te
houden, namen minder ruimte in, en gingen langer mee. Boven de 35 jaar werden
volwassenen als te oud en ongeschikt voor de verkoop en het werk beoordeeld.
Hondius geeft daarna de opinie van een aantal Europese
handelaren (1600-1700) weer over Afrikanen, die in hun ogen onbezorgd, seksueel
losbandig en onverschillig ten aanzien van hun (vele) kinderen zouden zijn.
Hondius verbindt het beeld dat deze Europeanen in Afrika opdoen met het in
Nederland wijdverbreide beeld van zwarten, dat al heerste voor er een
noemenswaardige groep zwarte mensen in Nederland was. Dit beeld van Afrikanen
als kinderlijk en dierlijk wordt in de negentiende eeuw versterkt door aanhangers
van de rassenkunde die Afrikanen consequent als kinderlijk en onderontwikkeld
bleven neerzetten. Deze veronderstelde blanke, Europese superioriteit zette
zich ook in de twintigste eeuw voort en beperkte zich niet alleen tot
conservatieve of koloniale kringen. In de twintigste eeuw blijven de contrasten
tussen ‘wild’ en ‘beschaafd’, ook vanuit bevoogdend humanitair activisme, het
superieure zelfbeeld en het inferieure beeld van de Afrikaan in stand houden.
Hondius maakt vervolgens een sprongetje naar de groep
antropologen onder leiding van Franz Boas die een totale ommezwaai maakten van
rassenkunde naar anti-racistisch onderzoek. Zij maakt hierbij vooral gebruik
van Herskovits die stelt dat raciaal vooroordeel is gebaseerd op de mythe van
de neger als kinderlijk, en gemakkelijk in staat zich aan te passen aan de
moeilijkste omstandigheden. Deze mythe rationaliseert discriminatie en beïnvloedt
zowel het beleid als onderzoekstrends. Hondius trekt deze lijn door naar de
etnische en raciale verhoudingen in Nederland heden ten dage.
![]() |
| Gravure uit Stedman |
Het tweede deel van het boek, ‘Surinaamse kinderen in
slavernij’, opent met een analyse van tien afbeeldingen uit de slavernijtijd
door Aspha Bijnaar. Deze analyse is om meerdere redenen interessant: de uitleg
van de schrijver prikkelt de lezer/kijker tot een eigen interpretatie van het
beeld, terwijl het beeld de interpretatie toont die de schilder/tekenaar geeft
aan de werkelijkheid. Bijnaar geeft aan dat de interpretatie van de kunstenaar
vaak te rooskleurig is. Zo beschrijft zij een prent van Stedman uit 1796 van
slaven die van een slavenschip komen als dubbelzinnig. Aan de ene kant wordt
een bedreigende situatie uitgebeeld waar de slaven, voornamelijk vrouwen en
kinderen, door een slavendrijver met stok en agressieve hond worden opgejaagd.
Aan de andere kant lopen de slaven er zo te zien vrolijk, en zelfs bevallig
bij. Alle vrouwen zijn afgebeeld met strakke borsten en volle heupen. In de
tekst verbaast Stedman zich weliswaar over hun levenslust, maar het tafereel
dat hij in woorden beschrijft wijkt verder sterk af van de afbeelding: ‘Men and
women, and a few children were such a resurrection of skin and bones, as justly
put me in mind of the last trumphet; seeming that moment to be rose from the
grave…(p. 38).’
Bijnaar gebruikt vervolgens een prent van Benoit uit 1839 om
de praktijken rond de veiling en verkoop van slaven(kinderen) te belichten. De
daarna volgende afbeeldingen hebben allemaal te doen met het leven op de
plantage en de serie eindigt met een afbeelding van een begrafenisceremonie.
Hiermee is de cyclus van het slavenleven mooi verbeeld. Bijnaar koppelt de
beelden aan bestaande informatie, en gebruikt ze om de lezer/kijker zich in te
laten leven in de afgebeelde Afrikaanse mensen.
Alex van Stipriaan concentreert zich in zijn bijdrage over
de demografische ontwikkelingen op de Surinaamse plantage gedurende de laatste
eeuw van slavernij op de oorzaken van de hoge kindersterfte en de condities
waarin kinderen ter wereld kwamen. Weinig verrassend constateert hij dat de
fertiliteit toeneemt naarmate de leefomstandigheden verbeteren en de hoop op
vrijheid toeneemt.
![]() |
| Foto © Djehudi Manhattan |
Elise Verhey tracht in haar bijdrage, ‘Opgroeien tussen
slaven en meesters’, meerdere gezichtspunten daarover te laten zien. Zij slaagt
er mijns inziens niet echt in het belang van Afrikaanse kinderen als
belangrijke schakel tussen slavenhouders en ouders aan te tonen, ook de stem
van de slaven komt niet echt tot uiting.
Ronald Donk relateert de droge historische feiten aan wat
dit voor een willekeurig slavenkind betekend zou hebben. Dit maakt zijn betoog,
dat feitelijk gericht is op de rol van de koloniale overheid en de katholieke
kerk, een stuk persoonlijker. Donks analyse van het onderwijs toont pijnlijk
aan dat het verlichte denken van de negentiende eeuw geenszins van toepassing
was op slavenkinderen; hij trekt de verschillen in omvang en kwaliteit van het aangeboden
onderwijs op Curaçao door tot 1954 en verbindt de huidige onderwijsproblematiek
met dit verleden.
Rose Mary Allen tracht het leven van slavenkinderen op Curaçao
te reconstrueren aan de hand van interviews uit de jaren tachtig met ouderen,
die werden gevraagd wat hun voorouders vertelden over de slavernij. De methode
van oral history brengt het verleden dichterbij; het relateren van de manier waarop
ouders nu nog fysieke straf toepassen aan de manier waarop er vroeger zodanig
werd gestraft, lijkt daardoor helemaal niet vergezocht.
![]() |
| Schooljeugd op Aruba; jaren '50 |
Luc Alofs belicht in de vaak verzwegen slavernij op Aruba de
manier waarop slavenkinderen letterlijk het kind van de rekening waren. De
eigenaren verhaalden de armoede die hen trof uiteindelijk op de slaven; door
hen te verkopen dan wel door op hun levensonderhoud te bezuinigen en ze in de
praktijk dus te verhongeren.
De artikelen van Wim Rutgers en met name van Jaimie Mcintyre
vallen nogal uit de toon; hun speurtochten in Antilliaanse literatuur en
Nederlandse schilderkunst leveren helaas weinig inzicht op die bij kunnen
dragen aan de opzet van deze bundel.
![]() |
| Foto © Stephen Murdoch |
Mercita Coronel opent het deel over hedendaagse kinderslavernij
met een kritische beschouwing van het debat over de cacao-industrie in
West-Afrika. Zij plaatst vier onderzoeken (twee westerse en twee Afrikaanse) uit
de periode 2002-2007 over mogelijke kinderarbeid in de cacao-industrie in een
complexe context van onder andere kolonialisme, corruptie, migratie, cliëntelisme,
tarieven en vrijhandel. Met name het Afrikaans onderzoek in Ghana en Ivoorkust
wijst uit dat 97 procent van de kinderen deel uitmaakt van het huishouden
waarin de cacao wordt geproduceerd. Coronel plaatst deze situatie dan ook
eerder onder de term kinderwerk dan kinderslavernij, of zelfs kinderarbeid. Aan
de hand van gedegen literatuurstudie waarschuwt zij tegen het gebruik van
emotioneel beladen termen als kinderslavernij en cacaoplantages, waar in
werkelijkheid sprake is van keuterboeren die met hulp van hun gezin en andere
arbeidskrachten proberen te overleven. Zij waarschuwt verder voor de
consequenties van het zwart-witte cacaoverhaal: als door westerse betutteling
en culturele misverstanden de Afrikaanse cacaoproductie in gevaar wordt
gebracht, zijn de kinderen van de Afrikaanse cacaoboer het kind van de
rekening.
![]() |
| Foto © Jeffry Surianto |
Kristoffel Lieten en Sarah de Vos schetsen aan de hand van ilo
conventies en unicef protocollen een deprimerend overzicht van moderne
kinderslavernij wereldwijd: het aantrekken van goedkope kinderarbeid op de
vrije markt zonder dat daar enige regulering tegenover staat. Als alleen de
onvoorwaardelijk ergste vormen van kinderarbeid worden geteld (slavernij en
gebonden arbeid, kindsoldaten, kinderprostitutie en pornografie, kinderen in
illegale praktijken), praten we over 8 miljoen; tellen we de kinderen mee die
om te overleven zo hard en zo lang moeten werken dat hun gezonde en normale
ontwikkeling geschaad wordt, dan praten we over 100 tot 170 miljoen. De
casestudie van Berendra Raj Giri over gebonden kinderarbeid in Nepal sluit hier
goed bij aan; zij laat de kinderen zelf aan het woord over de uitzichtloosheid
van hun bestaan.
Kind aan de Ketting plaatst moderne kinderslavernij hiermee
op het bord van eenieder die zich sociaal geëngageerd wenst te noemen. De
bundel biedt wat het belooft: de wetenschappelijke onderbouwing voor die
maatschappelijke verontwaardiging.
Aspha Bijnaar (red.), Kind aan de Ketting; Opgroeien in slavernij toen en nu. Amsterdam: KIT Publishers, 2010. 215 p., isbn 978 94 6022 061 6, prijs € 26,50.
[uit Oso 2012.1]
[uit Oso 2012.1]
Labels:
Allen Rose Mary,
Alofs Luc,
Benoit P.J.,
Bijnaar Aspha,
Coronel Mercita,
jongeren,
Porter Nicolaas,
recensie,
Rutgers Wim,
Schmeitz Maggie,
slavernij,
Stedman John Gabriel,
Stipriaan Alex van
Abonneren op:
Posts (Atom)

































