Posts tonen met het label Gelt Dekker Jacob. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gelt Dekker Jacob. Alle posts tonen

woensdag 31 juli 2013

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (4)

Willem van Lit
door Willem van Lit

Curaçao
Natuurlijk namen we op Curaçao de gelegenheid om weer contact te hebben met de mensen die we kennen van weleer. Men is geïnteresseerd en het boek ging rond. Ik verkocht er ook een tiental aan Mensing’s Caminada, de grootste boekhandel op het eiland. Ik legde ook nieuwe contacten, maar het verliep ietwat stroef allemaal. Op vrijdag 19 april presenteerde ik mijn boek op het landhuis Ascención. Frans Kerklaan, de vlootaalmoezenier, had me daarvoor uitgenodigd in december van vorig jaar, toen ik ook nog voor een kort bezoek op Curaçao was.

Landhuis Ascención. Foto © Tarnix Bulder


Ascención. Prachtige plek met dierbare herinneringen voor mijzelf. Mijmerplek. Ik vind het bijzonder dat ik hier mocht presenteren. Ik vertelde mijn verhaal met powerpointplaatjes en geluiden. En dat voor een aardig gezelschap van mensen die mij kennen. Ook hier had ik wat meer mensen verwacht. Maar goed… er ontstond ook discussie. En dat scherpt je weer in de uitleg van sommige beweringen. Bij deze lezing waren ook onze kinderen (met aanhang) en de kleinkinderen aanwezig. We waren hier ook voor vakantie.

Jeroen Heuvel, verslaggever bij het Antilliaans Dagblad (AD) hield kort een interview en schreef een artikel. Het is altijd moeilijk na te gaan wat de effecten zijn van een dergelijke publicatie. ‘Het onmogelijke vragen’ kopte het AD. Heuvel schreef onder andere: “Stelt Van Lit zich op als een vader die meent te weten wast het beste is voor een puber, of heeft deze makamba – en dat gebruik ik hier in de oorspronkelijke betekenis van ‘iemand die niet van ons is maar die we wel als vriend beschouwen – genoeg mensenkennis en inzicht in de ‘Curaçaoënaar’ om een geduldiger, goede dialoog aan te gaan”? en dat omdat ik “het onmogelijke vraag”, een retorische slotvraag van Heuvel in dit artikel. Het artikel is ook te vinden op deze blogspot (klik hier). Op 23 april vlogen we terug naar Nederland en op 24 april waren we weer thuis in België. De winter was nog niet over.
Helmin Wiels

“Een langdurig langzaam groeiend conflict”
Ik blijf in contact met Donny Wout op Bonaire. Hij vertelde me dat bij Bon FM bij andere interviews mijn boek ook nog is gepasseerd. Iemand vroeg zich af of ik de gebeurtenissen kan voorspellen. Ik schreef onder andere: “Er is teveel confrontatie. Men scheldt en schuwt geen verbaal geweld. Nog steeds alleen maar verbaal geweld.” (Cariben pag. 161.) Op 5 mei werd Wiels vermoord. Ik kán niets voorspellen, natuurlijk niet. De angst voor anarchistisch, hard en ongenadig geweld nam toe in de dagen na de aanslag. De trein van speculaties, verwijten en verwijzingen versnelde. Was het de georganiseerd misdaad? Wraak (persoonlijk of van criminele aard)? Een politieke daad? Naijver? Iedereen gruwt; men is ontzet. Sommigen roepen Wiels plots uit tot nationalistische martelaar en ze vergelijken hem met Martin Luther King of Mandela; anderen roepen hel en verdoemenis uit. Men vreest meer geweld. Wiels was nationalist en schuwde zelf geen gescheld en geschreeuw. Hij ruide mensen op, lokte verzet uit en dat deed hij op harde en scherp confronterende toon. Sommigen noemden hem racist. En nu… soms is er paniek; men probeert het voorval te doorgronden.

...een langdurig conflict, leidend tot moord...

“Mijn theorie is dat het een langdurig, langzaam groeiend conflict was dat leidde tot een samenzwering tot moord”, schreef Jacob Gelt Dekker ergens op internet. Een langdurig, langzaam groeiend conflict… een structureel diep gewortelde maatschappelijke ruzie, waarin de complexen van woede, schaamte, schuld, enz. al decennialang smeulen, traag branden. Geregeld laait die maatschappelijke veenbrand op, furieus en vlammend. Zo is het; dergelijke gloed is onvoorspelbaar en genadeloos en richt zich bij de uitbarsting tegen iedereen die toevallig op zijn weg komt. Ik heb wel geschreven over de sociale veenbrand met het thymotisch fluïdum van zogenaamd miskend historicisme en mystiek psychologisme, de constante verwijzing naar het determinisme van een hermetisch gesloten cultuursysteem, de gevaarlijke utopie, de manie van zeurend nationalisme en de rabiate latente gramschap door beschaming; dit – zo denken velen – is allemaal de motor van de geschiedenis. Bij een dergelijke explosieve sociale mix gooit men allicht wel eens met stenen of … vallen soms schoten.

Anderen veronderstellen dat de moord ook gepleegd kan zijn door een ordinaire crimineel in opdracht van de georganiseerde misdaad. Over georganiseerde misdaad heb ik het niet gehad in het boek. Het is een gemis, vind ik zelf nu. Het is wel degelijk aanwezig op de eilanden. Het is meermalen aangetoond en de verwevenheid tussen onder- en bovenwereld is er ook. Niet alleen op Curaçao; ook St. Maarten is berucht en Aruba staat eveneens onder invloed van dit soort harde criminaliteit. Op andere eilanden is het mogelijk wat minder aanwezig of minder opvallend.

Vreemd is het niet. Wilde handel, smokkel, lorrendraaierij (zoals dat in de 17e en 18e eeuw heette); het is van alle eeuwen. De grens tussen reguliere en criminele handel is in het gebied altijd flinterdun geweest: wapens, mensen, genotsmiddelen, enz. De grens tussen wat toegestaan is en niet, is wel steeds scherper getrokken. In het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw – toen ik voor het eerst op de eilanden was – waren Curaçao en Aruba al transitopunten voor drugs. Geregeld was er sprake van geheimzinnige vliegtuigjes of bootjes. Illegaal ja. Er werd over gefluisterd, maar men wilde er weinig of niets tegen organiseren. Ook in de jaren tachtig van de vorige eeuw was met Claude Wathey (St. Maarten) de grens tussen wat geoorloofd was en wat niet, flinterdun. Nederland heeft toen rechtstreeks ingegrepen, terwijl er nu nog een standbeeld van Wathey is te vinden op het desbetreffende eiland.
Standbeeld voor Claude Wathey, St. Maarten.
Foto © Leo Koolhoven

Het Caribische gebied is een overslaggebied. Het is strategisch gelegen op knooppunten van continenten. De wilde handel was steeds de basis voor wankele welvaart en dit heeft ook altijd veel invloed gehad op de verhalen van mensen, de verhalen die de constructie vormen van de maatschappelijke context waarin mensen dagelijks met elkaar verkeren, werken en leven. Het narratief vormt het zwaartekrachtveld van de samenleving, de constructie van de sociale structuren: hoe men op elkaar is ingesteld. Hieruit ontstaan ook de mythen, een zeker gehalte ‘omerta’, het mysterieuze, waarover men praat achter de hand, gedempt en voorzichtig. Het is een variant en een aanvulling op ‘iedereen weet’ (Cariben, pag. 210 – 218).

Deze besmuikte vertellingen werken belemmerend op de gemeenschap. Naast de fnuikende invloed van de overal opduikende misdaad, het latente wantrouwen, de voortdurende dreiging en het geweld (onder andere door afrekeningen en overvallen) is dit hetgeen mede oorzaak is voor de algehele stagnatie (Cariben, pag. 289 – 295). Het is tevens een factor die het immer voorlopige bestaan in stand houdt. Mensen zijn gewoonweg bevreesd voor een situatie waarin totale anarchie los barst als men écht onafhankelijk zou worden. Door de aanwezigheid van de georganiseerde misdaad heeft men in feite een drieledig excuus of – anders gezegd – is er een drietal redenen waarom men zo moeilijk tot ontwikkeling kan komen. Als er bestuurlijk gezien beslissingen worden genomen die ruiken naar nepotisme of vriendjespolitiek kan men de invloed van criminele krachten suggereren. Dit leidt af van andere factoren die hierbij in het spel zijn (zoals beschreven in Cariben). Een tweede is dat men niet alles kan of mag zeggen omdat men wraak of afrekening vreest. En dit werkt mythevorming in de hand. Het derde is dat men (voorlopig) niet écht onafhankelijk moet worden omdat de beer dan helemaal los is; nu is er nog enigszins toezicht en worden er middelen en mogelijkheden ter beschikking gesteld om die criminaliteit nog wat in de hand te houden (zoals politie, opsporingsmiddelen, onafhankelijke rechtspraak en de kustwacht).

[vervolg, slot - klik hier]

zaterdag 2 maart 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (12)


door Willem van Lit

Deel 12 gaat over ‘het volk’, de armoede en de basiscondities om tolerantie tot ontwikkeling te brengen.
Curaçao. Foto © Bea Moedt

De vierde lijn waarlangs ik het pleidooi voor tolerantie laat lopen, begint met een wat merkwaardige titel. Het gaat hier om de basiscondities voor veel groepen in de samenleving (dikwijls genoemd met een amorf begrip 'volk') die van dag tot dag moeten knokken om overeind te blijven. Iemand op Curaçao zei me eens: "een ware held is degene die vandaag nog geen idee heeft hoe hij de volgende dag zal doorkomen". Hij keek me veelbetekenend aan. Ik zweeg en dacht, dan zijn er op dit eiland veel helden. Dat geldt voor meer Caribische eilanden. Als je maar genoeg helden hebt, dan weet je zeker dat de samenleving op den duur ontwricht raakt. Armoede is geweld. Dat is een axioma. Mahatma Gandhi wist dit al. Armoede ontneemt mensen de mogelijkheden op een effectieve manier deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Het ontbreekt hen aan middelen, bekwaamheden en veiligheid keuzes te maken. Daarbij kunnen zij (meestal deels) ook geen gebruikmaken van hun burgerlijke rechten [1]. Uit de lezingenbundel, waar ik Jeanette Juliet - Pablo citeer, staat een overzicht van de armoedesituatie op de Nederlandse Antillen. Deze is substantieel. Ik zal hier verder niet veel details naar voren halen. Ik volsta hier met de opmerking dat in 2005 een vijfde deel van de bevolking met duizend gulden of minder de maand door moeten komen. Dat is nog geen vijfhonderd euro. De groep die het meest te lijden heeft onder armoede, zijn vrouwen (als moeders). Het analfabetisme is hoog, evenals de jeugdwerkeloosheid. De situatie is ná die tijd niet verbeterd. In 2010 bericht de stichting Mai (een stichting die zich inzet tegen armoede) dat op Curaçao ruim 30% van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Dit bericht komt ook bij RNW terug op 5 oktober 2010. De armoedegrens is dan 940 Antilliaanse guldens.
Curaçao. Foto © Bea Moedt

"Velen vragen me, waarom maak je je druk om een totaal achterlijk eiland, dat door en door corrupt is, en geen enkele neiging heeft dat te veranderen? Wat moet ik zeggen?". Jacob Gelt Dekker stelde op 16 augustus 2012 deze vraag op Facebook. Het betreft hier een vraag over Curaçao. Zoals gewoonlijk kreeg hij tientallen reacties. Een van de reacties was de volgende. "Het probleem is niet (alleen) dat de politici/regering corrupt zou zijn, het allergrootste probleem is dat de mensen niet kunnen samenwerken, dat een steeds groter deel van de bevolking alleen maar aan zichzelf denkt en alleen geïnteresseerd is in materiële zaken (uiteraard voor zichzelf). EN dat zij die zichzelf daarin niet op eigen (legale) kracht kunnen voorzien, aangewakkerd worden tegen hen die het WEL hebben. En door het ontbreken van rolemodels en het slechte voorbeeld van onze bestuurders steeds weer van mening zijn dat stelen geoorloofd is om aan hun behoefte naar materiële zaken te voldoen. want het is allang geen stelen meer om de honger te stillen. Het gaat om blackberries, plasma tv' s, laptops, gouden sieraden, etc.". Deze reactie was van een mevrouw - ik noem haar voor het gemak even A - die docent is op de UNA en die bij een van mijn afleveringen van dit boek op Facebook de opmerking had geplaatst dat ze meer belang hecht aan empirisch wetenschappelijk onderzoek en dat ze daarom niet veel ziet in mijn stukken.

Haar reactie komt neer op het volgende:
1)       mensen op het eiland kunnen niet samenwerken;
2)       steeds meer mensen denken door begeerte bevangen alleen maar aan zichzelf;
3)       echte armoede is niet aan de orde; het gaat enkel om afgunst;
4)       politici en bestuurders stimuleren het verkeerde gedrag;
5)       het volk heeft geen goede rolmodellen/voorbeelden.

...luxe en begeerte... Foto © Fine

Ik haal deze opvatting - want dat is het - die met enige stelligheid is verwoord met opzet hier aan om een aantal redenen. Hij viel me op omdat ze qua inhoud en formulering aansluit bij hetgeen ik hier bespreek: de ontwikkeling van de verdraagzaamheid. Ten eerste geeft A hiermee aan dat mensen niet kúnnen samenwerken. Ieder gaat voor zichzelf. Ruilinteractie - de interactie voor dienst en wederdienst - is dus niet mogelijk. Er bestaat dan ook geen basis voor het op gang brengen van de noodzakelijke dynamiek in onderlinge menselijke verhoudingen, waarbij de waardigheid wordt gerespecteerd. Het gebrek aan dit vermogen komt niet voort uit armoede of drang tot levensbehoud. Het komt wel voort uit afgunst en begeerte. Daarbij, het ontbreekt aan leiderschap en goed voorbeeldgedrag van bestuurders en regering; die hebben geen enkele intentie en wil dit vermogen bij te brengen of te ontwikkelen. Erger nog: zij versterken met hun voorbeelden de afbreuk aan verdraagzaamheid door onevenwichtigheid in ruilinteractie aan te moedigen.
...ruilinteractie... Foto Facebook

Een tweede opmerking is dat in deze opvatting de ondertoon van verwijten te lezen is. Dat gebeurt wel meer bij dergelijke stellingen: het volk begrijpt het niet, is misleid, kan niet of wil niet anders. De vraag blijft dan: wát precies kunnen of willen mensen niet? Waaruit bestaat die misleiding dan en wát begrijpt het volk niet? In deze opmerking draait het om het niet-kunnen door begeerte en afgunst gedreven. Het verwijt blijft hetzelfde. In feite is het een vorm van beschaming, een opvatting die ‘het volk’ wegzet en waartegen niet veel te doen is. Dergelijke beschamingen komen meer voor; het is een steeds terugkerende houding van minachting die hiermee naar voren komt. In dit boek komt dit op meerdere plaatsen tot uiting. Ik verwijs naar hoofdstuk vier onder ‘De tragedie van de herinnering’ waarbij Marcha en Verweel zeggen dat mensen zichzelf en de samenleving in gijzeling houden door beschaming en angst en dat men op een eiland woont waar men zegt dat men "kampioen is in het ten ondergaan". Voorts in hetzelfde hoofdstuk onder ‘De ultieme behoefte onaantastbaar te zijn’, waarbij gezegd is dat sluwheid en listigheid verzetsdaden voor zelfredzaamheid zijn. Onder ‘Geschiedenis maken’ laat ik Jandi Paula zeggen dat de negroïde bevolking identiteit ontbeert; men zou vervreemd zijn, waardoor er allerlei uitwassen zijn in de samenleving. Girigori is in zijn proefschrift over de tambú nog het meest stellig (zie hoofdstuk vijf onder ‘De tambú als totem’) als hij zegt dat er sprake is van (moreel) verval, dat mensen zijn ontaard en verwelkt en dat men de weg kwijt is. Men psychologiseert erop los met onderhuidse verwijten en terechtwijzingen. Dit laatste ligt in de lijn van wat A over "delen van de bevolking" zegt.
Miriam Sluis

‘Brood en spelen’. Dat is dikwijls wat als eerste opkomt als je een dergelijke vraag hoort. In elk geval is duidelijk dat er een verschil is tussen de opvattingen van mevrouw A of de ideeën van publicisten en opiniemakers als Marcha, Verweel, Paula, Allen, Girigori of Miriam Sluis willen van het volk én wat het volk zelf vindt. Opiniemakers willen onder andere dat mensen meer gaan samenwerken, dat zij minder egocentrisch gaan leven, dat ze minder materialistisch zijn, zich minder moeten laten misleiden (door de commercie bijvoorbeeld) en dat zij meer patriottistisch zijn. Ze vinden dat mensen minder angstig moeten zijn, minder afgunstig en minder behept moeten zijn door begeerte. Zij vinden ook dat mensen zich meer bewust moeten zijn van hun afkomst, dat ze zich sluwer en geslepener moeten gedragen en dat ze zichzelf bewust verloochenen en zich schamen voor hun verleden. Dit is nog maar een voorlopige lijst, denk ik, maar het is nogal wat. Wat ‘het volk’ niet allemaal zou moeten, willen, denken, voelen, zijn, doen, enz.
Wat wil het volk?

Doorgaans gaat dat volk zijn eigen gang. Het heeft te maken met de tred van dag in dag uit, de keuzes die wat minder bevlogen of verheven zijn. Sommigen kunnen niet anders dan van moment tot moment overleven, het eigen belang in de gaten houden, uitkijken dat men geen loer wordt gedraaid of meegaan in de waan van de dag. En of dat altijd zo redelijk is? Tja. En dan moet men zich nog allerlei verwijten van opiniemakers laten welgevallen. Merci!

Voor ‘het volk’ wil men doorgaans steeds het ‘hogere’, het betere, elan, inzet, een kloeke geest met daadkracht en motivatie. Men wil dat mensen sociaal gedrag vertonen, op elkaar zijn ingesteld en bereid zijn zich over elkaar te ontfermen. Men eist mensen die ferm, weloverwogen en bewust in het leven staan: verheven. De vraag is dan: wat is redelijk? Wat is volgens de rede als het gaat om de wil en de leefwijze van het volk?

Het volk. Het volk wordt vaak aangeroepen in tijden van nood en bij vertwijfeling. Het volk lijkt een amorfe massa, een abstractie, die men oproept in het geweer te komen en die men lethargie verwijt, die nooit luistert. Het volk doet maar wat. Maar het volk is geen homogene klomp onwil; het is een volkomen heterogeen samenstel van groepen die allemaal een eigen positie innemen en een eigen belang hebben. Ongeveer een derde van dat volk op Curaçao verkeert in armoede. De grote meerderheid daarvan zijn vrouwen en kinderen, die het meest te lijden hebben. Daarna de immigranten, illegaal of niet. Voorts is de jeugdwerkeloosheid hoog. En laten we de ouderen in dit verband ook niet vergeten te noemen. Op deze manier hebben we al uiteenlopende groepen te pakken die in hun eigen positie dagelijks heldentoeren moeten uithalen om de volgende dag te halen. Als men verder denkt, dan kan men nog meer subgroepen onderscheiden met allemaal hun specifieke kenmerk en belang. Armoede isoleert en ontneemt mensen mogelijkheden, bekwaamheden en veiligheid om beroep te doen op hun burgerlijke rechten. Zij zijn niet in staat te voldoen aan de hooggestemde oproepen en de verwachtingen van opinieleiders. Dat armoede geweld is, wil zeggen dat mensen dit ervaren als één grote wandaad. En men wil wandaad met wandaad vergelden, zoals dat in de gedachte van ruilinteractie past. Het is het simpele mechanisme van de sociale dialectiek. Hierbij gaan mijn gedachten uit naar wat Boeli van Leeuwen schreef in De eerste Adam (zie mijn hoofdstuk 2, onder ‘De pioniers’). Twee oude bekenden (priesters) komen op Curaçao uit bij een vrouw die kennelijk van plan is haar kind om te brengen: “Ze hield het kind nu naast de teil tegen de grond gedrukt. Adam liet haar los en zei zacht en dringend: ‘Dunami e jioe’ (vert. ‘geef mij het kind’). Ze sloeg plotseling dubbel, bleef met haar kin op de rand van de teil liggen en begon spasmodisch te braken. Adam stak zijn hand uit en zei weer zacht gebiedend: ‘Dunami e jioe’. De vrouw kwam op haar knieën overeind, haar kin en hals glinsterend van schuimend braaksel, de tong kwijlend uit de mond en liet het kind los. Adam nam het kind in de kromming van zijn rechterarm en keerde zich om het aan Pater Bodin door te geven. Net toen hij zich had omgedraaid, greep de vrouw naast de teil een keukenmes, sprong overeind en stak het mes met een zoevend geluid tot aan de greep in zijn rug”. Ik herhaal deze passage hier omdat het in de kern uitdrukt waar het om gaat: de opiniemakers die willen redden, krijgen - uit wanhoop - zelf het mes in de rug. Boeli van Leeuwen had het niet schrijnender kunnen verwoorden.

De rede, dat wat redelijk is, ligt hier ergens tussenin, tussen wat opiniemakers zeggen dat het volk moet voelen, denken, willen en doen (een thymotische drang van eer) en wat de mensen zelf doen, hun behoeften en dagelijkse leefpatroon. Voor velen de noodzaak te overleven, instinctief zelfbehoud, het materiële, ja. Voor velen zijn die minimale condities nog niet vanzelfsprekend [2]. De geneigdheden die voortkomen uit lijfsbehoud of de noodzaak tot overleven rekent men tot het instinctieve deel van de menselijke geest; het is het deel waarover ook dieren beschikken. Het andere deel, dat men als het hogere of nobele betitelt, is hetgeen de mens zou onderscheiden van het dier: het vermogen tot een (moreel) oordeel, het sociale leven en de mogelijkheid tot het maken van weloverwogen keuzes. Hiertoe wordt dan ook de thymotische energie gerekend, zoals bevlogenheid die mensen kan stimuleren.

(wordt vervolgd)






[1] Juliet - Pablo, Jeanette. ‘Een structureel en integraal armoedebeleid is op de Nederlandse Antillen nooit gevoerd’, pag. 14. Uit de bundel: Een aanzet tot integrale ontwikkeling. UNA-lezingen 2005.
[2] Peter Venmans beschrijft dit aan de hand van Plato en Hume, waarbij de rede (logos) een tussenpositie inneemt bij ‘epithimia’ – dit is de begeerte, die als de lage driften wordt gezien – en ‘thymos’, het hogere of nobele streven. Het derde deel van de ziel, pag. 42 - 61.

donderdag 12 november 2009

Pot met goud

Op woensdagmiddag 18 november wordt de nieuwe roman Pot met goud van Jacob Gelt Dekker ten doop gehouden. Om drie uur is er eerst in de Ritmanbibliotheek, Bloemstraat 13-19 in Amsterdam, een rondleiding. Daarna wordt de filosofische roman gepresenteerd. Het verhaal is niet alleen rijk aan ideeën maar ook aan een onverdeelde aandacht voor alle soorten religies. Niet verbazingwekkend is dat het boek aan een reeks van vooraanstaande religieuze voormannen wordt aangeboden, zoals uit het Jodendom rabbijn Avram Soetendorp en zijn collega’s uit de Islam, de Griekse en Russische orthodoxe kerk en uiteraard het Vaticaan, vertegenwoordigd door priester Antoine Bodar. Niet uitgesloten is dat ook Rita Verdonk zich schaart bij dit illustere gezelschap. Na afloop van de rondleiding door de bibliotheek verhuist het gezelschap tegen half vijf voor de presentatie van het boek naar het Pulitzer Hotel, Prinsengracht 315-331.

Op zondag 22 november wordt het boek tevens gepresenteerd op het Schrijversfeest van uitgeverij Conserve in de Openbare Bibliotheek van Alkmaar, waar Jacob om half drie een lezing verzorgt in de Taqazaal.

Dualisme en samensmelting op een zoektocht langs historische wegen in Europa, Azië, het Midden-Oosten en Afrika leiden tot de ontdekking van Potten met Goud, Christendom, Jodendom en Islam gaan in de discussie naadloos in elkaar over vanuit Afro-Aziatische tradities. Kloosterlingen van Vatopedi en Sinaï discussiëren. Pausen, koningen en keizers wedijveren met de wet om de macht. Predestinatie van Augustus tot Luther leidt tot islamitisch fatalisme en Osama bin Laden in Afghanistan.
Vanuit de Amsterdamse Gouden Eeuw worden uitgewiste sporen gevolgd, verbanden gelegd en waarheden onthuld. De reis gaat van Amsterdam naar Worms, Genua, Vatopedi, Sofia, Istanbul, Tuva, Samarkand, Khiva, Shiraz, Persopolis, Teheran, Hadramaut, Aden, Harar, Addis Abeba, Khartoem, Meroë Dongola, Aswan, Luxor, Alexandra, Timboektoe en Jeruzalem. Aan het einde van de tocht wacht een onvoorstelbare schat, de allergrootste Pot met Goud.

Jacob Gelt Dekker (Oterleek, 1948) publiceerde eerder bij uitgeverij Conserve de bundel columns Persona non Grata in 2007 en de twee de romans Het doel heiligt de middelen – Een Nederlandse werkstudent in Israël eind jaren zestig (eveneens in 2007) en Oorlogskinderen (in 2008).

Jacob Gelt Dekker – Pot met Goud, filosofische roman, 392 pagina’s en talloze illustraties. ISBN 978 90 5429 287 6, prijs 24,95, een uitgave van uitgeverij Conserve, postbus 74, 1870 Schoorl. Telefoon 072-509 3693, fax 072-509 4370
E-mail info@conserve.nl