Posts tonen met het label Amoksi Martina. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amoksi Martina. Alle posts tonen

maandag 29 juli 2013

Creolen, ontwaakt en ontwikkelt u!

Joop Vernooij: Creolenkerk en creools geloof


door Jerry Dewnarain
Schilderij van Johan Hermsen

Zijn bijdrage is het langste artikel (34 pagina’s) in Ontwaakt en ontwikkelt u.... Hij opent met te stellen dat het algemene beeld in Suriname is dat de creolen christen zijn. Een prachtige openingszin, die mij nieuwsgierig maakte. Lange essays lees ik in het algemeen niet graag, want vaak genoeg slaagt de essayist er niet in helder en concreet te formuleren. Geen probleem bij Vernooij. Het is een informatief en verhelderend artikel, omdat de auteur gebruik maakt van veel cijfermateriaal (tabellen). Al in de inleiding legt de theoloog uit dat in Suriname niet alleen creolen christen zijn. Na deze etnische groep is er onder de hindostanen een grote groep christenen. De onderwerpen ‘creolenkerk en creools geloof’ zijn overigens complexe objecten volgens de schrijver. Wat Vernooij met zijn artikel doet: hij legt de wortels bloot van wat tot op heden door- en meespeelt in het christendom van de creolen. Hij doet dit door eerst het begrip creolenkerk uit te leggen dat rond 1900 in gebruik werd genomen door de broedergemeente, toen de Aziatische contractarbeiders ook christen werden. Deze materie wordt historisch behandeld en er wordt verwezen naar andere christelijke kerken in Suriname. Daarnaast legt hij uit dat voor veel creolen het creools geloof vaak van levensbelang is, wat te maken heeft met hun etnische identiteit. Vernooij behandelt voorafgaand de begrippen geloof, religie en kerk die vaak door elkaar worden gebruikt. Hij zegt dat in het Sranan er geen aparte begrippen zijn voor geloof (individuele intuïtie), religie (de vormgeving en beleving van geloof) en kerk (de sociale dimensie van geloof en religie). De auteur stelt verder dat zelfs het begrip ‘bribi’ (in ’t Engels belief) een leenwoord is. Voor religie is geen woord en kerki is ook een leenwoord. Vervolgens geeft hij een schets van het kerkelijk leven op basis van de ‘Koloniale Verslagen’ en verslagen van de ebg en de rooms-katholieke kerk in Suriname. Daarna wordt ingegaan op de geschiedenis van de creolenkerk, met name van de ebg en elementen van het religieus erfgoed der creolen. Verrassend vind ik het gegeven dat een karakteristiek der christelijke kerken stamt uit de koloniale tijd en dat deze kerken erg verdeeld waren. Ik wist wel dat er een verdeeldheid was tussen protestanten en rooms-katholieken, maar niet dat de hervormden en luthersen tegen de ebg waren. Wist u ook dat de christelijke kerken tegen de vrijmetselarij en andere instituties zoals de loge Concordia van de vrijmetselaars, waren? Of tegen de foresters en mechanics, terwijl het bij al die instituten voornamelijk creolen betrof? Wat de creolen meebrachten als religieuze bagage uit West-Afrika leefde voort op de plantages en onder de mensen in Paramaribo. De volksopera’s, de doe-spelen zijn enkele voorbeelden. Evenwel was de expressie verboden. Dat leidde tot de strategie van de-voorkamer-met-de-bijbel en de-achterkamer-voor-de-eigen-zaken: de voorzaal- en de bakadyari-strategie. Deze situatie werd ook wel kruis en kalebas genoemd naar een gedicht van Trefossa die christendom (kruis) en het eigen religieus erfgoed (kalebas) bijeenbrengt. Het gedicht verwijst naar de nauwe verbondenheid tussen christendom en winti. Die verbinding werkte goed en de mensen raakten eraan gewend. De slaven en ex-slaven hadden moeite met het christendom en hebben pogingen tot creolisering van het christendom gedaan. Dit is mijns inziens niet vreemd. Vernooij legt dit op pagina 159 duidelijk uit. Hij schrijft, dat in de wereld van de creool er plaats is voor vele zichtbare en vooral onzichtbare entiteiten, krachten, bewegingen en intuïties. Alles was nabij en dichtbij, dus niet zoals bij de christenen, waarbij alles geconcentreerd was (is) rond het kerkgebouw en een nieuwe samenhang - gemeente - van mensen. Het leven is van vroeg tot laat, van geboorte tot dood, geritualiseerd. Daar voorzag het christendom niet goed in. Vandaar dat het rooms-katholicisme met zijn sacramenten, ceremonies en heiligen de creolen aanspreekt. Het is daarom inderdaad verbazingwekkend, zoals Vernooij dat zelf aangeeft in zijn conclusie, dat de leiding van de christelijke kerken niet veel van de ondergrondse bewegingen in de bevolkingsgroepen oppikte, maar doorging met hun traditionele geest van rivaliteit en vooroordelen. Al met al, pater Joop Vernooij levert een grote bijdrage met zijn essay dat goed aansluit bij de titel van het boek.

Lila Gobardhan-Rambocus: Creolen en onderwijs
Onderwijs als sleutel tot maatschappelijke vooruitgang. Een taal- en onderwijsgeschiedenis van Suriname, 1651-1975 (Zutphen: Walburg Pers, 2001) is het proefschrift waarop Lila Gobardhan-Rambocus promoveerde. Een belangrijk werk vol informatie over de geschiedenis van ons onderwijs. Logisch dat zij in Ontwaakt en ontwikkelt u... het essay over creolen en onderwijs heeft geschreven. Het is een artikel met veel gegevens uit haar proefschrift, en niet altijd hebben die alleen betrekking op de creoolse bevolkingsgroep. Ze schetst in haar artikel een duidelijk beeld van de sociaaleconomische ontwikkeling van de creolen middels het onderwijs. Onderwijs had voor deze groep een grote betekenis, vooral na het ‘Staatstoezicht’ in 1873. De basis voor deze ontwikkeling werd al in de slaventijd gelegd. Godsdienstonderwijs was in de 17de en 18de eeuw belangrijk, vooral lezen en schrijven van bijbelteksten. De voertaal was Negerengels. Slaven mochten het Nederlands niet leren. Deze teksten werden uit het hoofd geleerd. Gebeurt het van buiten leren van bijbelteksten op bepaalde schooltypen niet nog steeds? Rekenen werd in de zeventiende eeuw en tot ongeveer 1750 niet gegeven op de scholen, althans niet aan slaven. In 1760 kwam de eerste school voor vrije mulatten en negers. Het betekent dat al in de achttiende eeuw deze groep tot welstand kwam. Het onderwijspeil was echter laag. Zeelieden, avonturiers, dansmeesters waren de onderwijzers toentertijd. Geen bevoegde leerkrachten dus. Het was de ebg die in 1754 probeerde onderwijs te geven aan slavenkinderen. Het hoofddoel was bekering der negerslaven en hun ‘beschaving’ bijbrengen. Missie en zending hebben een grote rol gespeeld in de ontwikkeling van ons onderwijs. De zending begon rond 1831 en in 1844 mocht de ebg officieel scholen openen. Het doel was om jonge slaven op te leiden tot hulponderwijzer. Aan de slavenkinderen werden lezen, schrijven, bijbelkennis en godsdienstige beginselen onderwezen. De slaven werden in hun eigen taal opgeleid en ze mochten op hun plantage scholen openen, die de zending van tijd tot tijd inspecteerde. Vanaf 1854 kwam er een betere aanpak: de zusters van Roosendaal kwamen naar Suriname, speciaal voor het verzorgen van onderwijs. De voertaal was Nederlands. Na 1873 - de opheffing van het staatstoezicht - gingen mensen naar Paramaribo om zich daar te vestigen, maar velen hadden geen werk. Kinderen zwierven rond en veroorzaakten overlast. Om deze groep van de straat te houden werd vanuit de overheid in 1876 de leerplicht ingesteld. Als de ex-slaven niet massaal naar Paramaribo waren gekomen, was de leerplicht misschien nooit ingesteld of veel later, zoals dat onlangs op Aruba is gebeurd, pas in 2012. Gobardhan geeft in het artikel duidelijk de ontwikkeling van het onderwijs weer. De invloed die missie en zending erop hebben gehad wordt ook belicht, evenals de rol of bijdrage die de ebg heeft geleverd. Rond 1940 kende Paramaribo vier muloscholen en 26 lagere scholen. De scholen in de districten waren voor beperkt lager onderwijs en de scholen in het binnenland waren van het type blo en werden geëxploiteerd door de zending (15) en de missie (18). De voertaal was het Nederlands, maar op bijna alle scholen in het binnenland was de onderwijstaal het Negerengels. Hoewel er lang sprake is geweest van een negatieve beeldvorming, zegt Gobardhan in haar conclusie dat veel creolen het heft in eigen handen hebben genomen en hun eigen emancipatie hebben bewerkstelligd. Aanvankelijk vooral door het onderwijs.

Jack Menke: De wisselende betekenis van creool in Suriname

door Tessa Leuwsha
Foto © Lily Cusiel

Dat het begrip creool rekbaar is toont socioloog Jack Menke aan in zijn bijdrage. Het onderwerp is boeiend en beslist interessant voor een breed publiek. Jammer dat het wetenschappelijke taalgebruik en de soms storende herhalingen dit bemoeilijken.
Het woord creool duikt aan het begin van het kolonialisme op voor een in de kolonie geboren blanke ter onderscheiding van de ‘zuivere’ blanke in Europa. Ook op vee was de term van toepassing. In de 19de eeuw kwam in Europa het wetenschappelijk racisme in zwang. Grondlegger Linnaeus plaatste al in 1735 het blanke ras bovenaan zijn hiërarchische rassenladder. Onder ras vallen uiterlijke en erfelijk bepaalde eigenschappen, met huidskleur als meest zichtbare indicator. Huidskleur werd dan ook synoniem aan ras. Toebedachte rassenverschillen in temperament en intelligentie dienden vooral een sociale constructie. In Brazilië bijvoorbeeld keurden de koloniale machthebbers de ideologie van vermenging (‘mestiçagem’) van blank en zwart af. Een grote groep kleurlingen zou een bedreiging voor de raciale hiërarchie kunnen betekenen.
Etniciteit benadrukt de verbondenheid van een groep in cultuur, taal en historie. Bij volkstellingen in Suriname zijn ras- en etniciteitgegevens belangrijke peilinstrumenten gebleken. Vraagstelling en formulering rond deze kenmerken wisselden echter nogal. Tussen 1921 en 2004 vonden er zeven algemene volkstellingen plaats. Ras - ook aangeduid als landaard - vormde in 1921 en 1950 nog een basiskenmerk, in de jaren zestig verdween het begrip ten gunste van etniciteit. Onder sociale en politieke invloeden verbreedde de aanduiding creool met de opname van de groep gemengden. Hindostanen groeiden in aantal, wat een bedreiging vormde voor de positie van creolen in de ambtenarij en in de politiek. In ieder geval op papier diende de demografische balans in evenwicht te blijven. Gevraagd naar het doel van etniciteitgegevens in volkstellingen reageerde het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS) in 1972 als volgt: ‘Steeds weer wordt de vraag opgeworpen waarom wij bij elke volkstelling de bevolking naar landaard (...) onderscheiden. Naar ons gevoelen verschillen wij in etnisch opzicht zo zeer van elkaar (...) dat zonder meer voorbijgaan aan dit aspect van onze samenleving zou neerkomen op het miskennen van de aanwezigheid van een wezenlijk spanningsveld in onze gemeenschap.’ Tegenwoordig wint binnen de eigen groep de term Afro-Surinamer het van creool.
Aukaanse jongeman. Foto © Nicolaas Porter

Eric Jagdew en Martina Amoksi: De marrons in Suriname in de post-emancipatie periode
Dit artikel van twee historici over de inburgering van marrons in de plantagesamenleving staat nogal los van de andere bijdragen in de bundel. Marrons hadden zichzelf al langere tijd van slavernij bevrijd, wat hun positie aanzienlijk van die van creolen deed verschillen. Meerwaarde van het artikel is de heldere beschrijving van de eerste zakelijke contacten tussen stadsbewoners en marrons, en van de beeldvorming ten aanzien van marrons. Na de afschaffing van de slavernij richtte de koloniale politiek zich op de voortzetting van de Surinaamse plantagelandbouw. Van de overgebleven plantages verbeterde de productie, hoewel dat ook in andere koloniën gold. Onverkoopbaarheid en ziekten gaven de grootschalige landbouw uiteindelijk de nekslag.
De integratie met marrons bestond in de 18de eeuw uit vredesverdragen, maar met de naleving van bepalingen liep het niet altijd even soepel: bosbewoners leverden niet graag weggelopen slaven uit. Na de periode van het staatstoezicht in 1873 beschouwde het gouvernement de marrons als een noodzakelijk arbeidsreservoir. Pogingen hen te werven liepen echter spaak: in geregeld werk zagen marrons een verkapte vorm van slavernij. Naast houtkap boden zij hun diensten aan als gidsen en vrachtvaarders in de opkomende goud- en balata-industrie. Hiermee viel een hoger dagloon te verdienen dan dat van de plantage- of stadsarbeiders. Niet zelden ontstonden er vanwege de hoge prijzen conflicten met houtopkopers of met klanten. In een poging tot beïnvloeding van de marrons stemde het gouvernement in met missie en zending in hun leefgebied. Rond 1900 kwamen bovendien contacten tot stand met leden van wetenschappelijke expedities die de marrons maar lui en onwillig vonden. Omgekeerd bleek uit een koloniaal verslag van 1904 dat marrons blanken als gierig en kwaadaardig beschouwden. Ook stadsbewoners hadden zo hun mening over marrons. De antikolonialist Anton de Kom schreef: ‘Wij, als kinderen keken naar hen op met een zekere angstige nieuwsgierigheid, als naar wilden (...)’. Marrons op hun beurt voelden zich helden boven de creolen die de slavernij op de plantages hadden uitgezeten. Negatieve beeldvorming over en weer bestond toen. En nu nog!

Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914- 7-185- 3

zaterdag 22 juni 2013

Nieuw boek documenteert historie zwarten

door Audry Wajwakana
 
Jerry Egger
Paramaribo - Het vastleggen van de Surinaamse geschiedenis wordt met Ontwaakt en ontwikkelt u, nog meer vervolmaakt. Dit nieuwe boek, uitgegeven door het Instituut voor Maatschappij en Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO), wordt vanavond uitgegeven. Onder redactie van Jerome Egger hebben zeven wetenschappers vanuit hun discipline de verschillende aspecten van creoolse nakomelingen laten optekenen in het boekwerk Ontwaakt en ontwikkelt u: creolen na de afschaffing van de slavernij 1863-1940.




Portret van drie marrons en een kind. Collectie Tropenmuseum Amsterdam
Creool

Het boek komt voort uit een samenwerking tussen het IMWO van de Anton de Kom Universiteit en het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) in Amsterdam. "Het eerste plan om de geschiedenis van de Afro-Surinamers te onderzoeken en vast te leggen, is in 2008 opgevat", herinnert Egger zich. Na een seminar in 2010 over de vastlegging van de geschiedenis van nazaten van de slavernij, is besloten om in artikelvorm onderzoek te doen naar het onderwerp. In het eerste artikel wijdt Jack Menke uitgebreid uit over het ontstaan van het woord creool en de wisselende betekenis ervan. "Spaanse veroveraars noemden alle nakomelingen van Europa, creool. Dit gold voor blanken, niet blanken en zelfs dieren", weet Egger. Ook voor Suriname heeft het woord een bepaalde betekenis gehad. "Menke heeft voor het onderzoek gebruik gemaakt van de volkstelling statistieken vanaf 1921 tot de jaren zeventig, waarover hij vanavond een inleiding zal geven."


Economisch actief
In het artikel 'Langzaam ontwaken' geeft Egger een overzichtvan een aantal sociaal-economische ontwikkelingen die plaatsvonden bij de creolen vanaf 1873. "Na het Staatstoezicht is er een duidelijk beeld gegeven in welke branches de creolen economisch actief waren. Van landbouw, goud, balata tot de ambtenarij en onderwijs in de twintigste eeuw." De vijf andere onderzoekers zijn Lila Gobardhan-Rambocus over creolen en onderwijs, Joop Vernooij onderzocht creolen in de kerk en het creoolse geloof. Alex van Stipriaan onderzocht Paranen tussen stad en bos, een complexe Afro-Surinaamse ontwikkeling. Eric Jagdew en Martina Amoksi onderzochten de Marrons in Suriname in de post-Surinaamse periode; de moeizame integratie in de plantage-samenleving.

Stimulans
"Dit boek moet een stimulans zijn voor andere groepen om hun eigen geschiedenis vast te leggen", zegt Egger. Op den duur zal er van alle losse stukjes van de geschiedenis één geheel gevormd kunnen worden. Het boek telt 280 bladzijden en zal volgend week in de boekhandels verkrijgbaar zijn. Tijdens de presentatie die gehouden wordt in het IGRS-gebouw op het universiteitsterrein, zal het boek voor een gereduceerd tarief worden aangeboden.

[uit de Ware Tijd, 21/06/2013]

donderdag 30 mei 2013

Marroncultuur kent traditioneel monogaam huwelijk

Foto © Nicolaas Porter

door Audry Wajwakana

Paramaribo - Jarenlang wordt de samenlevingsvorm tussen mannen en vrouwen in de marroncultuur als polygaam bestempeld. Een onjuiste stelling, meent antropoloog Salomon Emanuels. Want, net als andere culturele groepen kent ook deze groep het traditioneel monogame huwelijk.

Bij een traditioneel huwelijk nemen ooms en andere familieleden van de jongeman drie flessen rum mee naar de familie van het meisje. Dit wordt de aksioemangien genoemd. De oom vraagt om de hand van het meisje en als haar familie goedkeuring geeft wordt er een plengoffer gebracht aan de vooroudergeesten om erop toe te zien dat het huwelijk goed verloopt. De vrouw gaat met de man naar zijn dorp, waarbij de man toch verplicht is om in haar ouderlijk dorp een hut te bouwen. Dit om ervoor te zorgen dat bij een eventuele scheiding de vrouw een huis heeft om in te trekken. Meestal beginnen de jonge echtelieden met monogamie. Mocht het zover komen dat de man meerdere vrouwen neemt, zijn er duidelijke regels. De eerste vrouw moet altijd de goedkeuring hiervoor geven.

Discussie
De discussie over het wettelijk erkennen van concubinaat in het concept Burgerlijk Wetboek van 2009 werd eind februari van dit jaar door assembleelid Ronny Asabina aangegrepen om te pleiten, het traditioneel marronhuwelijk te erkennen. Dit zal volgens Asabina met zich meebrengen dat slechts één gezin door de overheid wordt erkend. "De polygame relaties die in de marroncultuur oogluikend worden toegelaten, zullen hierdoor onder druk komen te staan en niet meer door families worden geaccepteerd", legt hij uit.
De erkenning vindt Emanuels belangrijk om de positie van de marronvrouw sterk te verbeteren. "Net als het westerse huwelijk schept een traditioneel huwelijk bepaalde zekerheden", meent de antropoloog. "Enkel om die reden vind ik dat het erkend moet worden." Bij eventuele scheiding wordt de vrouw uit huis geplaatst. Dat een marronman meerdere vrouwen kan hebben is volgens Emanuels enkel een opportunistische trek van mannen die in alle bevolkingsgroepen voorkomt. "Het is geen typisch marronding!" Om de een of andere reden is het door de binnenlandbewoners geaccepteerd. "Maar, de norm is nog steeds monogaam", stelt hij fel.

Scriptie
Martina Amoksi die in 2007 een onderzoek deed over de ontwikkeling van de Ndyuka vrouw voor de afronding van haar masterscriptie aan de Universiteit van Amsterdam bevestigt dat het trouwen op een traditionele manier in het binnenland nog plaatsvindt, maar dat polygamie is toegestaan. "In de stad komt het echter minder voor, doordat jonge vrouwen er moeite mee hebben", zegt ze. Economisch gezien vereist het ook veel van de man om alle vrouwen tegelijk dezelfde goede verzorging te geven. Die zal volgens Emanuels tien keer nadenken voordat hij nog een vrouw neemt. "Want, door de marrongemeenschap wordt je al gauw voor lafaard uitgemaakt als je de vrouwen niet goed verzorgt", zegt Emanuels. 

[uit de Ware Tijd, 25/05/2013]

zondag 31 juli 2011

Historie voor hem en voor haar: uitgave tweede editie van His/her Tori

door Cobi Pengel

Het Instituut voor Maatschappij Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO) van de Anton de Kom Universiteit van Suriname heeft met de uitgave van het tweede nummer (juni 2011) van het op jaarbasis te verschijnen tijdschrift His/her Tori, tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, opnieuw een belangrijke bijdrage geleverd aan de informatievoorziening op het gebied van de twee genoemde disciplines. De ‘prominente historicus’ die suggereerde dat ‘bij verschijning van slechts één nummer per jaar de lezers het tijdschrift misschien al vergeten zijn wanneer de volgende uitgave verschijnt’ (zie ‘Ten geleide'), krijgt ongelijk: een tijdschrift op dit niveau wordt uitsluitend gekocht door de werkelijk geïnteresseerden, die het na lezing zorgvuldig bewaren en uitzien naar het volgende nummer.

Ook de tweede His/her Tori biedt de lezers deskundig geschreven artikelen met een scala aan interessante informatie. Het tijdschrift ziet er verzorgd uit, heeft een smaakvolle, stevige omslag, leest prettig door de lettergrootte en de indeling in twee kolommen en is voorzien van functionele illustraties.

Veel aandacht wordt er besteed aan de proclamatie van de masteropleiding geschiedenis van het Institute for Graduate Study and Research (IGSR) van de Anton de Kom Universiteit op 15 maart 2011. Dit gebeurt in de introductie van Hilde Neus, in het integraal weergegeven openingscollege van directeur Marten Schalkwijk (foto rechts) en het daaropvolgende artikel van Maurits Hassankhan. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat de tweede uitgave van His/herTori dan wel niet geheel, maar wel voor een deel in het teken staat van deze mijlpaal van de Anton de Kom Universiteit. Na het college van Schalkwijk en het artikel van Hassankhan volgen er nog zeven artikelen. Aan elk artikel kan helaas vanwege de beperkte ruimte slechts beknopt aandacht worden besteed.

Het openingscollege IGSR master geschiedenis, 15 maart 2011: ‘Uitdagingen en valkuilen in de geschiedenis van Suriname’ is de titel van Schalkwijks tekst. Een boeiend artikel over onder andere het grote belang van het (her)schrijven van de geschiedenis van Suriname vanuit het eigen, Surinaams perspectief en het verzamelen van feiten en verhalen uit verschillende bronnen in het belang van de betrouwbaarheid. Ook noemt Schalkwijk Wij slaven van Suriname van Anton de Kom ‘een geschiedkundige eye-opener voor vele Surinamers, omdat De Kom ‘op indringende wijze de sociaal-economische geschiedenis van het koloniale Suriname beschrijft en daarbij expliciet kiest voor het perspectief van de onderdrukten.’

Ook Maurits Hassankhan (foto rechts) benadrukt in zijn artikel ‘Een masteropleiding geschiedenis in Suriname; Een stap op weg naar versurinamisering van de geschiedschrijving van Suriname’, het eigen perspectief van waaruit de Surinaamse geschiedenis geschreven en/of herschreven moet worden en dus: het grote belang van ‘eigen’ historici. Hassankhans artikel leert ons dat de masteropleiding geschiedenis een eenmalige opleiding zal zijn, waarbij ‘zal worden samengewerkt met bevriende instituten en wetenschappers in het buitenland’ (p. 15).

In de tot artikel bewerkte mo-b-scriptie van Helga Banks (foto links), ‘Integratie van Suriname in de Caricom in historisch perspectief, 1973-2008 een moeizaam maar positief proces’, wordt de toetreding van Suriname tot de Caricom behandeld. Wie alles weten wil over de diverse door Suriname doorlopen stadia in de loop der jaren en de rol die Suriname speelde en speelt in de Caricom, leze dit bol van informatie staande maar toch goed leesbare artikel.

‘Het nieuwe zelfbeeld van de Marronvrouw anno 2011 de traditiegetrouwe tegenover de geïntegreerde en de ontwortelde vrouw vrouw’ is de bijdrage van Martina Amoksi aan deze His/her Tori. Na het lezen van Amoksi’s artikel ben ik de mening toegedaan dat zij in een volgende uitgave niet mag ontbreken. Aandachtig en met plezier heb ik haar boeiende, op een prettige manier geschreven informatie over dit onderwerp gelezen. Amoksi belicht expliciet de ontwikkelingen van de afgelopen
50-60 jaar binnen de Marrongemeenschappen die het zelfbeeld van de hedendaagse Marronvrouw beïnvloedden en veranderden. Het is jammer dat ik door ruimtegebrek niet dieper op dit artikel kan ingaan.

‘Religieus erfgoed onder de mahoniebomen in Paramaribo, de congregatie Dochters van Maria Onbevlekt Ontvangen’ is geschreven door Mildred Caprino (foto links). De rode draad is de geschiedenis (sinds 1817) van de RK missie in Suriname en het materiële en immateriële erfgoed dat in de loop der jaren werd opgebouwd. Interessant zijn de informatie over de ‘inlandse zusters’ en de conclusies over nieuwe bestemmingen voor de religieuze gebouwen met grote cultuurhistorische waarde in de buurt van de kathedraal.

Ook het artikel van Michel Jubithana ‘Soemberredjo in historisch perspectief. Een Javaans dorp in het district Coronie’ is een tot artikel bewerkte scriptie (mo-a). Waarschijnlijk weten velen niet hoe het gekomen is dat zich in Coronie een Javaanse gemeenschap vestigde. Van de trek van Javaanse immigranten uit Nickerie naar Coronie tussen de jaren 1930 en 1960 beschrijft Jubithana enkele uiteenlopende oorzaken. Eén daarvan was de werkloosheid die in Nickerie ontstond toen in 1934 de rijstbouw werd gemechaniseerd, terwijl in Coronie in 1933 een machinale oliepers in gebruik was genomen, wat juist arbeidsplaatsen opleverde.

‘ "Vreemd" en "eigen" met het oog op globalisering: Kwamalasamutu':
Voor dit artikel, geschreven door Els Moor (foto rechts), geldt hetzelfde als voor dat van Martina Amoksi: het zou een langere bespreking verdienen dan de ruimte hier toelaat. Weet Martina Amoksi alles over de Marronvrouw, Els Moor is ‘thuis’ in het inheemse dorp Kwamalasamutu. Zij bezocht het dorp drie jaar lang maandelijks in het kader van het onderwijsproject ‘Change for Children’ en verpandde in die tijd haar hart aan ‘haar Kwamala’. Zij vertelt niet alleen over het onderwijsgebeuren, maar ook over de totale leefgemeenschap. Zoals de titel vermeldt, heeft zij zich in haar artikel toegelegd op dat wat ‘vreemd’ is voor de dorpsbewoners en op dat wat ‘eigen’ is, maar zij vestigt ook de aandacht op de zaken die ‘vreemd’ waren maar steeds meer ‘eigen’ worden. Interessant is de vermelding van de ‘cultuurschool’ voor de oudere leerlingen, naast de ‘gewone’ openbare lagere school van het Ministerie van Onderwijs, waarmee het behoud van tenminste een deel van de eigen cultuur wordt beoogd.

Met ‘Richard Korsten en Heinrich Helstone: twee amateurhistorici’ heeft Jerome Egger behalve een gedegen geschreven artikel, de lezer een goede kijk geboden op het fenomeen ‘amateurhistoricus’. Egger benadrukt het grote belang van ‘historici die geen formele opleiding hebben genoten’ (p. 65) in het algemeen en in het bijzonder de amateurhistorici Korsten en Helstone die waardevolle bijdragen hebben geleverd aan onze Surinaamse geschiedschrijving, elk op een verschillende wijze. De verdiensten van Korsten zijn vooral zijn interviews met voor de historie van Suriname belangrijke persoonlijkheden in het personeelsblad van DSB, Bank Notes. Helstone daarentegen was een onderzoeker, die in zijn vrije tijd in archieven naar materiaal over vooral het Surinaamse slavernijverleden zocht. Samen met Joop Vernooij publiceerde hij Documentatie: Afschaffing van de slavernij in Suriname (Paramaribo, Eigen beheer, 2000) Egger biedt met dit artikel de lezer meer dan alleen informatie: het is tevens een eerbetoon aan de vorig jaar kort na elkaar overleden Richard Korsten en Heinrich Helstone.

Het laatste artikel van deze His/her Tori is een bijdrage van Carlo Jadnanansing (foto rechts, samen met Miss Hindustani 2007). Het is een recensie over het boek Kahe Gaile Bides, wat betekent ‘Why did you go overseas’ of ‘Waarom men wegging’. Het boek is een studie over de hindostanen die uit India zijn weggetrokken, maar er toch in zijn geslaagd generaties lang zekere aspecten van hun cultuur in ere te houden.

Aanbeveling: His/her Tori moet niet alleen in de boekhandel liggen. Dat het ook op de universiteit te verkrijgen is, mag ik zonder meer aannemen, maar ik hoop dat het ook op de middelbare scholen terecht zal komen. De meeste artikelen zijn bijzonder geschikt voor bespreking tijdens een les en voor het voeren van discussies. Het redactieteam, aangevuld met Jan Bongers en Ton Wolf, heeft goed werk verricht. Slechts één opmerking: op p.5 (‘Formele start masteropleiding geschiedenis’) wordt aangekondigd dat de thesis van Marten Schalkwijk ‘integraal in deze editie zal worden afgedrukt’, hetgeen blijkbaar een vergissing is. Zijn openingscollege - eveneens aangekondigd - is wèl afgedrukt.

maandag 8 november 2010

Colloquium Surinamistiek: een verslag


door Guus Kokx

Voor mij was het de eerste keer luisteraar te zijn bij het Colloquium Surinamistiek, in het Amsterdamse Tropentheater, het is me niet tegengevallen. Het kwaliteits- en presentatieniveau is hoog en uitnodigend, met het gevolg dat schrijver dezes goed voorzien is van specifieke informatie, door dit colloquium: De wetten van de jungle; Het Surinaamse binnenland: obstakels, ontwikkelingen en mogelijkheden.

Onderstaand volgt de korte, en daardoor onvolledige samenvatting, die ik van deze dag maakte:

De vlotte dagopening door de heer Peter Sanches, voorzitter van het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek, gaf aan mw. Angretha Wongsowikromo (criminologe, foto rechts) de ruimte een uiteenzetting te geven met als titel “Is alles goud dat glinstert? De gevolgen van de goudmijnbouw in het district Brokopondo vanuit groen criminologisch perspectief.” De actoren in de goudmijnbouw (de kleine goudzoeker / grote bedrijven / de overheid): zij allen maken gebruik van ‘geïnternaliseerde neutralisatietechnieken’ (i.e. het eigen straatje schoonvegen), waardoor de cirkel van roofbouw moeilijk te doorbreken is. Ondertussen wordt er aanzienlijke schade aan het milieu gebracht: vervuiling van de waterwegen, wegtrekken van dieren, en bosdegradatie. Ook voor de volksgezondheid heeft het ernstige gevolgen, als gevolg van kwikgebruik. Er is een cyanide-meer, en tevens is HIV/Aids ook een vervolg op de goudmijnbouw. Oplossingen voor deze problematiek(en) worden gezocht in de richting van institutionele versterking, optimale bosexploitatie en social empowerment.

Mw. dr. Eithne Carlin (linguïste en cultureel antropologe) gaf een volgende verdieping aan het thema met haar voordracht: “De wetten van succes; Ontwikkeling(shulp) bij de Trio en Wayana.” Goedbedoelende ontwikkelingswerkers, die niet-bedoeld, moeizaam of niet communiceren en daardoor te weinig participatie verkrijgen bij de Trio en Wayana. Er is zelfs sprake van schade die veroorzaakt wordt door ontwikkelingswerkers. Een paradigma ontleend aan de literatuur van John Steinbeck vat dit dilemma samen: “Giving builds up the ego of the giver, makes him superior , higher and larger then the receiver.” Terwijl de ontwikkelingswerker vanuit zijn top-down-benadering zegt: “Wij helpen en jullie worden er beter van”, ziet hij niet wat hij aanricht, en dat komt omdat hij niet kijkt en niet luistert. Westerse ontwikkelingswerkers projecten zijn vaak heel gesloten en communiceren onvoldoende met de mensen, i.c. de Trio en de Wayana. Een gelijkwaardige behandeling, waarbij alle informatie in alle talen beschikbaar is vergroot de mogelijkheid op empowerment van de Trio en de Wayana.

De heer Salomon Emanuels, cultureel antropoloog aan de Anton de Kom Universiteit te Suriname, gaat dieper in op: “De demystificatie van de Marrongemeenschap; De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers om marrongemeenschappen tot ontwikkeling te brengen.” Salomon is heel duidelijk: hij wordt “misselijk” van de goede bedoelingen van “het ontwikkelingswerk”. Hij erkent er zelf ook deel van te zijn door zijn opleiding in Nederland, anderzijds heeft hij een Marronachtergrond. De Marrongemeenschap is heel belangrijk: je identiteit, waar kom je vandaan, wie is je vader en moeder? En daaraan gekoppeld het orale, levende recht. Als mythes over de Marrons wijst Emanuels aan: 1. Er is geen individueel grondbezit. 2. De Marrons hebben een zwakke structuur, en 3. Het voorgaande belemmert vooruitgang. De grond waarop de Marrons wonen is verworven in de tijd dat zij zich vrijmaakten van de slavernij. Deze gemeenschapsgrond is het territorium van de families en stichters van het dorp, en dit wordt door iedereen gerespecteerd. Grondbezit of huisbezit is echter individueel. Overerving gaat via mondelinge overdracht. Vrouwen hebben een belangrijke positie in de Marrongemeenschap. De woongemeenschap heeft een traditioneel hiërarchische structuur met een kapitein en een of meerdere basya’s. Deze hebben na ruggenspraak tijdens de krutu, overleg met de Surinaamse overheid, waarin met name de veranderingen die nodig zijn worden gestimuleerd, bijvoorbeeld op het gebied van communicatie. Deze verloopt nu veel via cellulairs (mobiele telefoons). Het gaat erom van binnen uit dingen te veranderen.

Mw. Ellen Ombre (onder meer auteur van: Wie goed bedoelt; Zin en onzin van ontwikkelingshulp), overhandigde aan Prof. Dr. Gert Oostindie de Surinamistiekprijs 2010, met een oorkonde, en met een prachtig schilderij van Vincent Jong Tjien Fa (zie: www.vincejtf.com). Zie apart verslag door hier te klikken.

Het middagprogramma werd opgepakt met de vertoning van de film De Goudlijn van Hans Hylkema (Pieter van Huystee Film & TV, 2002. De film volgde de restanten van de spoorlijn die door Gouverneur Cornelis Lely (civiel ingenieur) werd ontworpen van Paramaribo tot Dam. De spoorlijn was van 1912 tot 1986 operationeel, voor personen en goederenvervoer. In de documentaire kwam het filmteam op allerlei manieren in contact met de Marrons, tot en met een Krutu-bijeenkomst toe. Het vervoer vindt nu voor een belangrijk deel per korjaal plaats. Zeer behendig worden stroomversnellingen genomen. Plannen om de infrastructuur met goede wegen te voorzien zijn in ontwikkeling.

De heer Alex van Stipriaan (hoogleraar Erasmus Universiteit Rotterdam en conservator Tropen Museum Amsterdam; foto rechts) sloot aan met een kijk- en luisterpresentatie: “Marrons en de communicatie- en transportrevolutie in het binnenland van Suriname”. Het stuwmeer van Brokopondo omschrijft Alex als een sterfhuis van de Marroncultuur (eerder dan van de natuur). Ontwikkelingen gaan snel. De orale cultuur maakt nu intensief gebruik van digitaal mobiele telefoon. Moeders hebben zo contact met hun dochters, enz. Zitten de Marrons in een isolement: Neen. Wel sluit Alex sluit af met de vraag: waar blijven de vrouwen?

Deze vraag wordt door mw. Martina Amoksi (onderzoekster Universiteit te Suriname) beantwoordt, in haar voordracht: “Een meisje is de rijkdom van de bee; De veranderde positie en het nieuwe zelfbeeld van de Marronvrouw anno 2010.” De Marronvrouw heeft een sterke, zo niet de belangrijkste positie binnen de Marrongroep. Overerving geschiedt matriarchaal. Er zijn rituelen waarbij de Marronvrouw essentieel is, bijvoorbeeld bij overlijden en geboorte. Ook in krutu’s (dorpsvergaderingen) wordt de vrouw geraadpleegd, en oudere vrouwen worden geëerd. Ook zijn Marronvrouwen kapitein of basya. Maatschappelijke veranderingen, zoals urbanisatie (en de binnenlandse oorlog), onderwijs en christendom, industrialisatie en modernisatie hebben invloed op de positie van de Marronvrouw. Als draagster van de Marroncultuur beslist de Marronvrouw zelf welke keuze zij maakt in het ontmoetingsproces met de Westerse cultuur.

Spijtig dat op dit interessante colloquium klaarblijkelijk veel minder mensen waren afgekomen dan in andere jaren.

woensdag 20 oktober 2010

Colloquium Surinamistiek 6 november 2010

Het IBS Colloquium heeft dit jaar plaats op zaterdag 6 november 2010, zoals altijd in het Tropentheater in Amsterdam. Het vindt dit jaar plaats onder de noemer De wetten van de jungle; Het Surinaamse binnenland: obstakels, ontwikkelingen en mogelijkheden.


Ochtendprogramma

Dagvoorzitter: Yvon van der Pijl

10.15 – 10.45 uur
Ontvangst en koffie

10.45 uur
Opening door Peter Sanches, voorzitter IBS

11.00 – 11.25 uur
Angretha Wongsowikromo: ‘Is alles goud dat glinstert?’ De gevolgen van de goudmijnbouw in district Brokopondo vanuit groen criminologisch perspectief

11.25 – 11.50 uur
Eithne B. Carlin: De wetten van succes. Ontwikkeling(shulp) bij de Trio en Wayana

11.50 – 12.15 uur
Martina Amoksi: ‘Een meisje is de rijkdom van de bee.’ De veranderde positie en het nieuwe zelfbeeld van de Marronvrouw anno 2010

12.15 – 12.40 uur Vragenronde

12.40 – 13.00 uur Uitreiking Surinamistiekprijs 2010

13.00 - 14.00 uur: Lunchpauze

Middagprogramma

Dagvoorzitter: Maayke Botman

14.00 – 14.50 uur
Filmvertoning! Hans Hylkema: De Goudlijn, Pieter van Huystee Film & TV Camera, 2002

14.50 – 15.15 uur
Alex van Stipriaan: Verbinding met het binnenland. De transport- en communicatie-revolutie onder Marrons in het Surinaamse binnenland

15.15 – 15.40 uur
Salomon Emanuels: De demystificatie van de Marrongemeenschap. De last van koloniale erfenissen bij politici en beleidsmakers om marrongemeenschappen tot ontwikkeling te brengen

15.40 - 16.00 uur: Vragenronde

16.00 uur: Afsluiting

16.00 - 17.00 uur: Informeel samenzijn

Entree: 10 euro
Locatie: Het Tropentheater, Linnaeusstraat 2, Amsterdam
(vanaf CS Amsterdam tramlijn 9)
Zie voor meer informatie: http://www.surinamistiek.nl/colloquium/index.htm

Bovenste foto: inheemse hoofdtooi, @ Michiel van Kempen