Uit het geheugen van Igma van Putte-de Windtdoor Jeroen HeuvelFo’i sukumpé heet de meest recente dichtbundel van Igma van Putte-de Windt. Papiamentstalige verzen uit een mentaal berghok waarvan elk gedicht zijn eigen vorm heeft gekozen en

waaraan de schrijfster niets anders hoefde te doen dan ze onder de toetsen van de computer te onsluiten. Met veel plezier in taal en in een geheel eigen idioom heeft Van Putte een aanstekelijke dichtbundel uitgegeven.
De gedichten zijn verdeeld over drie afdelingen:
Paisahe (landschappen),
Hende (mensen) en
Bestia (dieren). De eerste twee bevatten elk veertien gedichten, de laatste bevat er acht. De gedichten hebben op één na (p.36) allemaal een titel meegekregen; hoewel in de inhoudsopgave het titelloze gedicht wel getiteld is, dus misschien betreft het hier een drukfout. Het langste gedicht,
Ma Sese òf rèspèt di un lamp’i mes’i komedor (Moedertje Sese of ontzag voor de eetkamerlamp) telt 51 versregels plus 8 witregels; het kortste gedicht,
Guruguru (Korenworm) bestaat uit 5 verzen. Drieëntwintig gedichten zijn voorzien van een datum; wat opvalt is dat in de laatste afdeling niet één gedicht een datum heeft meegekregen: deze gedichtjes over dieren zijn minder of niet aan tijd gebonden; het is pure pretpoëzie, ritmisch en speels, doet denken aan Paul van Ostaijen en Jan Hanlo. Een voorbeeld (p 43):
Dalakochi
dal dal dal aden
dalakochi
dal den skoch’i Shon Arèi
dal e ohochi den kokoti
dal dal dal aden
dalakochi
dal
dal dal.
Dit gedicht (De sprinkhaan) bestaande uit één zin (als je de titel mee beschouwt) is klankenspel, je moet het horen, de afwisseling van de klinkers a, o en i en de medeklinkers d, l, k en ch (spreek uit tsj), je kunt er op meebewegen, het gaat niet om de betekenis van de woordjes (voor de lezer die het toch wil weten een apoëitsche vertaling: Sprinkhaan, daag plotseling op, spring in de schoot van De Koning, bots tegen de elleboog van de tweeling, sla, sla).
Ook zonder datum is het allereerste gedicht van de bundel,
Kaya djatardi (Straat in de namiddag) alsmede
Felpa oraño-kòrá na shelu (p 16) (Scharlaken fluweel aan de hemel) in dezelfde afdeling, misschien omdat deze twee gedichten sfeertekeningen zijn die niet gebonden zijn aan een bepaalde datum of jaar.
Felpa oraño-kòrá na shelu
Felpa oraño-kòrá na shelu
solo bahando den laman
mi n’ tin palabra
pa tantu bunitesa
promé ku belo pretu tapa naturalesa
ta bira ketu
hende i bestia ta warda
ta bira ketu
naturalesa ta tapá
ku un belo pretu
Een gedicht zonder leestekens, behalve de hoofdletter van het eerste woord. De titel is niet een apart geheel maar een herhaling van de eerste regel. Dit geeft allebei aan hoe tijdloos het beschrevene is, het mooiste moment van iedere dag. (Scharlaken kleurt de middag, einde van de dag, voor zoveel schoonheid ken ik de woorden niet. Voordat de zwarte sluier de natuur bedekt, wordt het stil, wachten mens en dier af. Het wordt stil, de natuur bedekt met een zwarte sluier.) Paradoxaal genoeg heeft de dichter toch woorden gevonden voor dit dagelijks terugkerende ‘onbeschrijfelijke’ moment van rust.
Tenslotte zijn er in de middelste afdeling drie gedichten niet gedateerd:
Mayo o un blek’i kuk’i rondó (p 24) (Mayo of het ronde koekblik),
Muraya (p 35) (De muur) over de existentiële eenzaamheid en
Diskriminashon (p 39). De schrijfster geeft niet aan waarom ze er geen datum bij heeft geplaatst, dus waagt de bespreker een poging tot antwoord: misschien omdat het koekblik nog steeds in de kast staat, gevuld met zoetigheid voor wanneer de kinderen van de schrijfster thuiskomen en om een koekje schooien; ‘de muur is er altijd’ aldus de eerste regel van Muraya, een gedicht dat bestaat uit twee zinnen, waarvan de eerste wel met een leesteken is afgesloten maar de tweede niet, misschien om de voortdurendheid aan te geven van de onmogelijkheid een ander mens, maar ook jezelf natuurlijk, ooit volledig te leren kennen - hoewel deze redenering niet opgaat voor de zeven gedichten die zonder leesteken eindigen en wel een datum hebben meegekregen -; het sociaal geëngageerde Diskriminashon is ook niet aan een datum gebonden, misschien omdat de beschreven onrechtvaardigheid nog niet is opgehouden te bestaan. Doordat in dit gedicht de schrijfster naar een bekend kinderliedje verwijst, Mi ta pober maar dat ironisch verandert in twee strofen die hieronder geciteerd worden, tilt ze het gedicht boven het cliché van onrechtbestrijding uit:
Mi ta riku, mi ta riku,
hapones i merikanu
mi ta riku, mi ta riku
oropeo
Nan ta pober, nan ta pober
afrikanu i latinu
nan ta pober, nan ta pober
hend’i Asia
(Ik ben rijk: Japanner, Amerikaan en Europeaan; zij zijn arm: Afrikaan, Latijns-Amerikaan en Aziaat)
De rest van de gedichten heeft wel een datum meegekregen, variërend van een op de dag af nauwkeurige datering, bij voorbeeld 14 december 1982 wat daarmee het oudste gedateerde gedicht is, tot alleen maar het vermelden van een jaartal, zoals 1998. Maar de meeste hebben als datum maand plus jaartal. Waarschijnlijk omdat die gedichten wel degelijk aan de tijd van het opschrijven gebonden zijn of aan de erin beschreven plaats of persoon. Een grondige studie kan misschien eens antwoord geven op deze vraag, tenzij blijkt dat er meer foutjes in het drukwerk zitten dan de overduidelijke vergissingen, zoals bijvoorbeeld de punt in de derde regel van de derde strofe van
Palu I (p 20). Die punt moet daar niet staan:
Ya bo n’ por duna sombra mas
bo ta mustra bo sunú
palu, kaminda den bo ramanan.
palomba tabata rukukú
Maar het gaat niet om de foutjes, het gaat om alles wat wel goed is. In de eerste afdeling beschrijft Van Putte allerlei plaatsen, landschappen die in haar geheugen gegrift staan: Bullenbaai, Seru Kandela, Boka Tabla, een heuvel in de verte en een boom. Zoals bijvoorbeeld op (p 21)
Palu II
Su kurpa fuerte lenchi yen di adòrno
a para flakia mengua pashimá
su prendanan bèrdè tur a kai
lag’e seku, shinishi, morto.
Su rumannan ku tabata duna sombra
a pèrdè nan paña keda sunú
mustra bèrgwens’i pober
nan ta planbarí.
No por a dun’e awa pasa su set?
No por a yud’e ora e tabata sklama?
Ta brutu mes bo mester ta pa nenga
ousilio na un bida menasá.
(yüli 2000)

Het gaat in de eerste strofe over een eens volle boom die er in juli 2000 kaal en totaal verdord en dood bij staat. In de tweede strofe zien we de andere bomen om hem heen, ook allemaal skeletten. Tenslotte vraagt de schrijfster zich af of er dan niemand zich om die bomen heeft willen bekommeren en stelt ze dat het wreed is om hulp te weigeren aan bedreigd leven. Qua vorm schept Van Putte naast duidelijke structuur een soepel ritme en melodieuze klanken, van alle klinkers in de eerste regel naar de overheersende ‘a’ van verbazing in het volgende vers, ook beheerst ze het gebruik van rijm in de medeklinkers zoals duidelijk te horen valt in de verwijtende s-klank van de derde strofe: pasa set, sklama, mes bo mester, ousilio, menasá.. Wat idioom betreft valt op dat Igma van Putte – de Windt Spaanse taal en letteren heeft gestudeerd en jarenlang docente Spaans is geweest: het werkwoord flakia (p. 21) komt uit het Spaans, ‘zwak worden, verflauwen’ en staat niet in de woordenboeken Papiaments, ook niet in het uitstekende door de Walburg Pers uitgebrachte
Groot woordenboek Papiaments Nederlands, twee delen, dat door Igma van Putte-de Windt en haar echtgenoot Florimon van Putte is gemaakt. Je leest het ook aan woorden als desafiná ‘vals klinken’ (p. 7) en manfundí ‘ingevallen’(p. 33). Woorden die misschien binnenkort worden opgenomen in het algemeen Papiamentu.
De bundel is niet alleen de moeite waard vanwege het aanstekelijke plezier in de gedichten, maar ook om de uitgebalanceerde lino’s en omdat de bundel stevig gebonden is uitgegeven, voor slechts vijftien gulden. Hopelijk komt er snel een tweede druk waarbij de drukfoutjes zijn verbeterd. In deze eerste uitgave staan er helaas veel, niet alleen is er slordig omgegaan met leestekens, bij voorbeeld staat er wel een aanhalingsteken openen aan het begin van
Shon Da maar geen aanhalingsteken sluiten aan het einde van de eerste strofe, maar er is ook wel eens een letter weggevallen. Dat is niet erg als daardoor geen verwarring kan ontstaan, zoals bij het woord
sientífio (p 38) waar de ‘k’ voor de ‘o’ is weggevallen, maar soms wekt het wel verwarring zoals deze zin uit het nawoord:
Sin odensia na e tete subi fo’i te abou ayá di mi supkonsenshi, sali tuma poseshon. (p 53) De schrijfster moest er zelf ook wel om lachen toen ik haar vroeg wat hier bedoeld werd. Ze schreef als antwoord dat ‘geeft reden tot hilariteit, er is hier weer sprake van foute spelling: er had moeten staan ...
nan a tete! Geen wonder dat u de zin onbegrijpelijk vond en in eerste instantie tete als substantief interpreteerde.’ Misschien dat er bij de tweede druk één gedichtje uit kan blijven: het kortste (p 48), dat is voor mij te zwak in dit menu. En als ze dat er uit laat is de verdeling getalsmatig ook evenwichtiger: 14 – 14 – 7. Voor elke dag van de week een leesmenu van 2 sfeervolle landschapjes, 2 meditatieve personagebeschrijvingen, met afsluitend 1 dierentoetje.
Één gedicht (Andris) gaat over de vader, één (Bispu di ...) over de moeder, en in één, het oudste, geeft de ikpersoon zich zelf bloot. Het begint dan ook met ‘Mi’ en ze durft zich hierin een dilettante te noemen. Het is volgens mij in zijn kwetsbaarheid het mooiste gedicht, van drie steeds korter wordende strofen, steeds meer uitgekleed, tot een essentie. Als toetje van deze bespreking de eerste strofe van de meditatie van pagina 38:
Diletante
Mi sa hunga kore skonde
hopi biaha ku mi mes
pa mi n’ tin mester
di duna boka
ku mi ta loke mi n’ ke ta:
un diletante,
ni mas ni ménos,
un sabi tiki di hopi kos
miéntras mi ta anhelá ser:
sientífiko profeshonal.
- Diletante -
laga-mi dal-e trobe,
ya e ta zona ménos mahos;
di pursi, den edat renasentista
t’esei hende ta’a ker a ta.
Dikon antó
mi n’ por sabori’ele
mi ta hañ’e negativo so?
Ik speel vaak verstoppertje met mezelf, om niet te hoeven toe te geven dat ik iets ben wat ik eigenlijk niet wil zijn: een dilettante, niets meer dan dat, iemand die van veel een tikkie weet, terwijl ik graag een serieuze wetenschapper wil zijn. Dilettant, zeg het nog maar ’ns, dan klinkt het niet zo zó; trouwens in de Renaissance wilden mensen dat toch zijn. Waarom kan ik ’r dan niet van genieten, vind ik ’t dan zo negatief?
In dit gedicht komen alle goede schrijfkwaliteiten van Igma van Putte harmonieus samen: rijm en ritme, kwetsbaarheid en zelfironie en een gedachte om mee te spelen; ‘ni mas ni ménos’ over wat versregels getild naar het zowel in klinkers als in medeklinkers er op rijmende ‘ménos mahos’, de ‘k’ herhaald in ‘di duna boka ku mi ta loke mi n’ ke ta’, het rijm in ‘mi mes’ en ‘tin mes(ter)’ met iets verderop de echo in: ‘ni mas’ plus het inhoudelijke: je beter voor te willen doen dan je bent. Opgediend met een saus van taalplezier.
Igma van Putte,
Fo’i sukumpé, met lino’s, Editorial Djuku, Leiden, 2009, 53 pag
Editorial Djuku is een non-profit uitgeverij die in 1998 in Leiden werd opgericht door Igma en Florimon van Putte. Djuku geeft in een kleine oplage werken uit van geringe omvang op het gebied van taal- en letterkunde m.b.t. de Benedenwindse Antillen. Door de lage prijs (kostprijs) hopen de uitgevers in het relatief kleine taalgebied een breder publiek te bereiken.
Binnenkort verschijnt een pamflet over de spelling van het Papiamentu, als reactie op het officiële standaardwerk van het nationale taalbureau FPI, zeg maar het groene boekje voor het Papiamentu: Igma van Putte-de Windt & Florimon van Putte:
Buki di oro. Ta oro di lei e ta? (reseña di Ortografia i Lista di palabra Papiamentu). Leiden, yüli 2010, 28 pág.