Posts tonen met het label de Ware Tijd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label de Ware Tijd. Alle posts tonen

dinsdag 5 november 2013

Laatste groet aan veelzijdige leermeester Leo Morpurgo

Oud-hoofdredacteur van de Ware Tijd, Leo Morpurgo kreeg maandagmiddag in de St.Petrus en Paulus kathedraal de laatste groet van familie, vrienden, journalisten en vele andere personen uit de maatschappij. Een veelzijdige mensenvriend, leermeester, zorgzame vader en echtgenoot, waren kernwoorden bij de uitvaartdienst. Daarvoor werd de kist met het stoffelijk overschot van Morpurgo op het bedrijfsterrein van de Ware Tijd rondgebracht als eerbetoon en afscheid. Morpurgo heeft langer dan 35 jaar voor deze krant gewerkt.

Esteban Kross zegent het lichaam van Leo Morpurgo. Foto Regilio Derby

"Wij zullen hem missen als leermeester en corrector", zei dochter Frederika in haar dankwoord namens de familie tot de aanwezigen. Pater Esteban Kross, die de uitvaartdienst leidde, memoreerde het leven van Morpurgo vanaf zijn geboorte, tot zijn overlijden op 29 oktober. De geestelijke concludeert dat Leo Morpurgo een veelzijdige persoon is geweest die iets speciaals van zijn leven heeft gemaakt. “Een mens om van te houden”, zei pater Kross treffend. Ook de huidige directeur van de Ware Tijd Ben Halfhide zei dat Morpurgo ook na zijn pensionering het bedrijf heeft bijgestaan met raad en daad. Naast complimenten, gaf hij waar nodig ook commentaar. Hij las de krant nog elke dag.

Voorzitter Wilfred Leeuwin van de Surinaamse Vereniging van Journalisten, noemde Morpurgo een pionier die voor zijn erfgenamen een rijk en waardevol verleden heeft nagelaten. “Pioniers komen en gaan, ze hebben invloed op mensen en drukken hun stempel op hetgeen waarvoor zij zich hebben ingezet en waarvoor ze hebben geleefd. Pioniers hebben één ding gemeen. Ze hebben een nalatenschap en dus hebben ze ook erfgenamen, u en ik. Als we realistisch en eerlijk zijn, komen we tot de conclusie dat we niet anders kunnen dan, niet alleen gebruik te maken van wat meneer Morpurgo voor ons heeft achtergelaten, maar er inhoud aan te geven, om het te beleven in zijn puurheid zoals hij dat gedaan heeft”, zei Leeuwin.

Na de dienst werd in familiekring het ontzielde lichaam van Morpurgo gecremeerd.


[van Starnieuws, 4 november 2013]

zondag 1 september 2013

Dagblad de Ware Tijd wil een boek verbieden


door Jaap Hoogendam


Boekhandel Vaco en onze uitgeverij hebben een deurwaarder op bezoek gehad met een advocatenbrief waarin dWT en hoofdredacteur Meredith Helstone ons commanderen een boek uit de handel te halen en waarin ze aankondigen naar de rechter te gaan. Zeer opmerkelijk dat een krant de vrijheid van drukpers wil aantasten. Wat is er aan de hand ? In de pas verschenen derde druk van de reisgids voor Suriname Buitenkansjes schreef ik op pagina 22 het volgende stukje over Surinaamse kranten :

"Er zijn vier kranten, namelijk de drie ochtendbladen Times of Suriname, de Ware Tijd en Dagblad Suriname en de avondkrant De West. Er is persvrijheid, maar die wordt niet optimaal gebruikt. De Times is van een Surinaamse Berlusconi, die de krant gebruikt als kruiwagen voor zijn bedrijven. Hij steunt de NDP van Bouterse omdat hij daar voordeel van heeft. De Ware Tijd is ook een Bouterse blaadje. Als hoofdredacteur Meredith Helstone de president ontmoet begint ze spontaan te kwispelen, zoals bleek uit haar grote interview met hem. De West is wat onafhankelijkheid betreft de beste krant van Suriname. Ze nemen het trouwens geen van allen nauw met copyright, want er wordt schaamteloos gejat van journalisten, wereldwijd. Dat Surinaamse journalisten het niet voor hun collega’s opnemen! Platleggen die bladen. Sinds Bouterse wordt veel geld besteed aan Overheidsvoorlichting, redactioneel opgenomen in de Times en de Ware Tijd, duidelijker kan het toch niet ?"

Niks mis mee, zie mijn antwoord aan hun advocaat :

Het interview van Helstone met Bouterse (als bestand bijgevoegd) vond ik eenzijdig en naïef. Er was gezien het verleden meer aan hem te vragen. Ik heb het woord ‘kruiperig’ (want dat was het) overwogen, maar vond dat te negatief en koos voor ‘kwispelen’, een niet beledigende omschrijving, die valt onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’, goed verankerd in de Surinaamse grondwet. Als een ondergeschikte van de Ware Tijd dit interview had gepubliceerd, was ik er minder over gevallen. Een hoofdredacteur zet de koers uit.



‘Bouterse blaadje’? Ik wijs op het katern de Overheid in dWT. Zoiets hoort niet in een onafhankelijke krant thuis. Het is staatspropaganda, leest u de reisgids op pagina’s 22 en 23 (als bestand bijgevoegd) over de ernstige gevolgen. Het katern zal voor de krant lucratief zijn en wellicht opgedrongen door de eigenaar te Canada, maar de redactie had haar poot stijf moeten houden. Journalisten met een beetje zelfrespect dulden geen overheidspropaganda in hun krant. Als het er nou uitzag als een Blokker reclameblaadje (ook dat kan niet, maar het onderscheid is tenminste duidelijk). Niet dus, het is in dezelfde stijl als de krant en het is redactioneel ingevoegd. Zie de edities waarin op de voorpagina verwezen wordt naar artikelen in de Overheid. Ten tweede staan medewerkers van het katern bij dWT op de loonlijst en ten derde wijs ik op de zinsnede in het colofon van de Overheid: “Deze uitgave maakt deel uit van de verschillende media die de regering inzet ….”. DWT wordt dus door de regering ingezet? Lees ik dat goed? Hoe ontluisterend! Daarom noem ik het een ‘Bouterse blaadje’, en ik handhaaf die tekst.

Ik schreef over het ‘schaamteloos jatten van journalisten’. Ook die tekst handhaaf ik, want over het schenden van copyright door dWT hebben we mails van woedende journalisten. Het gaat over artikelen die van het internet gekopieerd worden. Over dat de naam van de journalist wordt weggelaten, in de hoop dat ze het niet opmerken. Over dat e-mails van de betreffende journalisten door dWT niet beantwoord worden en facturen niet betaald. Maar ook over dat er weinig aan te doen is, gezien de trage rechtsgang in Suriname en dat dWT daarom ongestraft door gaat.

Verkoopster van de Ware Tijd aan het Onafhankelijkheidsplein. Foto Luzmila Samson


Volgens mij 

……is het beter dat dWT de band met de Overheid doorsnijdt. Men moet zich niet laten ‘inzetten’ door Bouterse, ook niet door toekomstige regeringen. Het kan principieel niet, iedereen weet dat. Bovendien kost het veel lezers. Ik hoorde dat de oplage van dWT gehalveerd is tot een schamele 15 duizend. De trouwe lezers vanuit de oppositie haken kennelijk af. Ik zie Bouterse als een slimme man. Voor een zak centen accepteert dWT een doodskus, waarna de krant de nek omgedraaid wordt. Ik verwacht een neerwaartse spiraal, want ook adverteerders gaan overstappen naar de Times met haar (beweerde) oplage van 38 duizend.

…...is het beter dat u stopt met de vele advertorials en gesponsorde pagina’s. Ook lucratief, maar u kunt over hen niet meer vrijuit schrijven.  

…...is het beter te stoppen met het kopiëren van artikelen. Het is diefstal en het belemmert de ontwikkeling van de Surinaamse journalistiek.

Ter voorbereiding op de rechtszaak vroeg ik de topman van een grote Persgroep in Vlaanderen en Nederland, waarvan u wekelijks ongeveer 25 artikelen kopieert, om commentaar. Zijn antwoord: “over het gebruik van onze journalistiek in De Ware Tijd kan ik een kort en krachtig antwoord geven: van toestemming om onze artikelen en foto's te gebruiken is geen enkele sprake. Sterker, we zijn juist bezig onze auteursrechten te beschermen door dergelijke praktijken op te sporen”.

Er verandert geen letter in de reisgids, want het is helder en hoeft geen verdere uitleg. Daar had ik het liever bij gelaten, maar voor de rechter moet ik me verweren. Bij deze. Van de reisgids zijn ruim 10.000 exemplaren verkocht. De derde druk is net uit en loopt hard. In 2015 komt de vierde druk uit, dan bekijk ik alles opnieuw. Mensen die zich aan vrijmoedige teksten storen, adviseer ik het niet te kopen. Er zijn nog 4 reisgidsen over Suriname. Koop die, zo simpel is het.

Paramaribo, 28 augustus 2013, Jaap Hoogendam

zondag 26 mei 2013

Theo Para schrijft zaterdags essay in de Ware Tijd

Theo Para
Theo Para is op zaterdag 25 mei in, het in Suriname verschijnende, dagblad de Ware Tijd zijn wekelijkse rubriek Essay op Zaterdag begonnen ( http://www.dwtonline.com/de-ware-tijd/2013/05/25/recht-voor-een-geen-recht-voor-allen/). Para schreef een viertal essaybundels over zijn geboorteland Suriname. Zijn laatste essaybundel De schreeuw van Bastion Veere, om de rechtsorde in Suriname (1999) verscheen bij Uitgeverij Van Gennep. In zijn voorwoord schreef strafpleiter Gerard Spong: 'Theo Para is niet alleen een uitmuntend essayist, maar ook een essayist van onschatbare waarde voor Suriname.'

maandag 3 september 2012

de Ware Tijd 55 jaar


Zo’n 2.500 deelnemers gingen zaterdag van start voor de wandel- en trimloop bij gelegenheid van de viering van de 55e jaardag van de Ware Tijd, dWTfoto/Irvin Ngariman.

door Rolf van der Marck

In Suriname bestaat van oudsher het begrip ‘bigi yari’: elk vijfde levensjaar moet worden gevierd, daar is kennelijk geen ontkomen aan. Nu is dat uiteraard ’s mensen goed recht, maar ik vind het raar dat dat gebruik gretig is geadopteerd door (overheids)bedrijven en instellingen. Waar het om particuliere bedrijven gaat is het uiteraard ook hún goed recht, maar bedenkelijk is het dat met name overheidsbedrijven en ministeries elke vijf jaar grote sommen gemeenschapsgeld verspillen om te vieren dat men het weer vijf jaar heeft volgehouden.

Dat het ochtendblad de Ware Tijd haar 55e jaardag heeft gevierd is dus niet anders te bezien dan als meegaan met het plaatselijk gebruik, go with the flow, want echt iets te vieren hebben ze niet. Ook het hoofdredactioneel artikel van zaterdag 1 september: “Routekaart de Ware Tijd nog niet voltooid”, geeft geen clou. Die titel kan dan wel de indruk geven dat ze onderweg zijn, maar eigenlijk is die titel heel ongelukkig, want het is voor de Ware Tijd te hopen dat die routekaart niet voltooid raakt, want dat zou het einde betekenen. Die titel had moeten luiden: “Routekaart de Ware Tijd is nooit voltooid”.

Natuurlijk moeten er kreten worden geslaakt bij zo’n gelegenheid, tenslotte moet je uitdragen dat je iets te vieren hebt, maar gezien in het licht van de realiteit van vandaag de dag is dat niet zo eenvoudig. Noodzakelijkerwijze wordt teruggegrepen naar de hoogtijdagen van de krant onder leiding van Leo Mopurgo, maar die dagen zijn over, daarvoor had iets nieuws in de plaats moeten komen, maar dat is –ondanks routekaart– nergens te ontdekken. Gezegd wordt dan wel: “Het is niet niks een krant in Suriname zo lang op de markt te houden en marktleider te blijven”, maar waarop is die bewering gestoeld?

Feit is dat de Ware Tijd sinds tien jaar gezelschap heeft gekregen van twee nieuwe ochtendbladen, Dagblad Suriname en Times of Suriname. Dat had een prachtige kans kunnen zijn om zich heel duidelijk te profileren als de kwaliteitskrant die het eens was, maar helaas is die kans niet aangegrepen. In plaats van zich af te zetten tegen die twee populistische kranten en zich nog duidelijker te manifesteren als de enige en waardige marktleider, heeft dWT het tegenovergestelde gedaan, zij heeft het gezocht in de assimilatie en niet in de confrontatie, met het trieste gevolg dat we nu alleen nog maar ‘journalistieke’ eenheidsworst kennen.

De krant die Suriname leest

Een van de onderdelen van het lustrumprogramma was de sloganwedstrijd, die zo’n 900 inzendingen opleverde. Geen slecht resultaat zou je zeggen, maar gelet op de uitkomst kan ik het alleen maar beschamend noemen: “De krant die Suriname leest”. Kent u een krant die Suriname leest? Die slogan wordt sinds vandaag schaamteloos als ondertitel gebruikt!

Als ik de Ware Tijd iets toewens is het wel dat ze gaat leren tegen de stroom in te zwemmen, dat ze zich herbezint op haar meest wezenlijke identiteit en dat ze die in de komende jaren opnieuw gestalte gaat geven. Wellicht kan de krant dan bij de viering van de 75e jaardag met recht stellen marktleider te zijn.

dinsdag 17 juli 2012

”Onze assembleeleden kunnen toch lezen…” van Alphons Levens

Ingezonden brief: Onze assembleeleden kunnen toch lezen…
Alphons Levens

Het is voortdurend een gedoe omtrent spreektijden in ons parlement, De Nationale Assemblee.

Op radio ABC hoorde ik een assembleelid dat meester in de rechten is zeggen:”Ik heb nog twee minuten spreektijd over. Misschien kan ik van andere parlementariërs minuten lenen (of overnemen).” Een andere parlementariër, een medisch specialist, zei daarna op hetzelfde radiostation:”Wij hebben geen spreektijd over.” Weten wij nog van welk Franse woord “parlement” is afgeleid? Dit terzijde.
Ik vraag me af waarom de parlementariërs in onze De Nationale Assemblee nauwelijks of nooit met papers werken. Je wint toch een hoop spreektijd als je wat je wilt zeggen, jouw toespraak, reactie of commentaar, op papier zet en stuurt naar alle fractieleiders, de Assembleevoorzitter, de griffie, de regering en de pers? Dan kan de discussie of het debat meteen beginnen!

Alphons Levens.

[Van de site van Schrijversgroep '77, 9 augustus 2011. Eerder gepubliceerd in de Ware Tijd van maandag 8 augustus 2011, pagina A7.]

De Nationale Assemblee



 door Janus Miraculus

Om maar met de deur in huis te vallen, ik ben niet bepaald een bewonderaar van de dichter Alphons Levens. Te pas en te onpas stuurt hij door hemzelf tot gedichten bestempelde schrijfsels op naar de Ware Tijd, die ze warempel ook nog als gedichten plaatst. Het verbaast mij dus ook niet dat hij zijn gebundelde gedichten in eigen regie heeft moeten uitgeven, maar in ieder geval bezorgt de Ware Tijd hem tenminste nog wat publiciteit.

Maar opeens stond er dan afgelopen maandag zowaar een leesbaar, want niet op (zogenaamd) rijm gezet gedicht van Levens in de krant over de spreektijd van parlementariërs, het minuten overnemen of lenen, het niet overhouden van spreektijd, en wat dies meer zij. Daarbij liet Levens niet na om duidelijk te maken van een hoger niveau te zijn dan de besprokenen, meesters in de rechten en artsen, die kennelijk niet zouden weten van welk Frans woord ‘parlement’ is afgeleid. Maar dan gaat hij de fout in door zich af te vragen waarom deze mensen niet met ‘papers’ werken. Alsof het Franse werkwoord ‘parler’ hetzelfde zou betekenen als het Engelse zelfstandig naamwoord ‘paper’. Ken uw talen, meneer Levens!

De kop boven dit gedicht van Alphons Levens luidde: “Onze assembleeleden kunnen toch lezen…”, er dus duidelijk op aansturend dat onze vertegenwoordigers in dat praathuis voortaan op papier (paper) zetten wat zij te vertellen hebben om het dan op een efficiënte manier te distribueren en het vervolgens in de DNA voor te lezen. God verhoede dat dit ooit gaat gebeuren. Was Levens soms de man die Bouterse succesvol heeft geadviseerd om lange monologen van papier voor te lezen in het parlement? Slaapverwekkend, dan nog liever een gedicht van Levens, ik bedoel maar…


De rol van de krant bij het opnemen van ingezonden stukken is mij ook niet helemaal duidelijk, want waarom plaatsen ze al die ‘gedichten’ van Levens onvoorwaardelijk? Omdat hij lid is van Schrijversgroep ’77? Het is dat zijn gedichten nog net niet in de Ware Tijd Literair staan, alhoewel die ook niet altijd even kritisch is. Ik herinner mij dat jaren geleden een geëngageerd gedicht van Kurt Nahar was opgenomen in de Ware Tijd Literair, waarbij je je moest afvragen waarom het was geplaatst en of de redactie Nahar niet beter in bescherming had kunnen nemen door het gedicht niet - althans niet in deze rudimentaire vorm - te plaatsen. Dat ware eerst een gepaste vorm van zelfcensuur.

[van Suriname Stemt, 10 augustus 2011]




zondag 4 december 2011

Het Surinaams krantenuniversum



door Joshua Taytelbaum

Sinds zijn lancering nu zes jaar geleden plaatst Times of Suriname op één of meerdere pagina’s een Engelstalige versie van de ‘highlights’ van de dag. In navolging daarvan is naar schatting nu twee jaar geleden Dagblad Suriname dit voorbeeld gaan volgen. Het blijft giswerk voor mij uit welke overwegingen dit is geschied, maar eerlijk gezegd ben ik ook niet zo geïnteresseerd in die motieven. Opnieuw moet ik mij die vraag stellen nu de Ware Tijd ‘out of the blue’ en zonder waarschuwing vooraf vandaag twee Engelstalige pagina’s tevoorschijn tovert, geen énkele verwijzing, niet in het hoofdredactioneel commentaar, noch als terzijde bij genoemde pagina’s, de lezer mag het constateren en moet er maar blij mee zijn. Communicatie met zijn lezers is niet bepaald een sterk punt van de Ware Tijd.

Dat de Ware Tijd zich nu opeens een slaafse volger betoont van eerder genoemde nieuwelingen in de krantenwereld, heeft mij met stomheid geslagen. En ik zal u zeggen waar mijn stomheid vandaan komt, heel recht toe recht aan: het is de op één na oudste krant van Suriname en was lange tijd ook de meest vooraanstaande krant. Maar díe tijd is helaas alweer lang voorbij. Ik durf de stelling aan dat de neergaande kwaliteitsspiraal van dWT de komst van nieuwe kranten als het ware heeft uitgelokt en een (ruime) kans heeft gegeven. Maar ToS en DS zijn er nu eenmaal en ze zullen ook nog wel even blijven, want er is niet wat je noemt concurrentie. De West sukkelt z’n eigen(wijze) gangetje en zal mét de Findlay’s verdwijnen, waarna er alleen nog maar een grauwe middelmaat overblijft. En Suriname zit met de gebakken peren.

Wat is er fout bij dWT?
Dit klakkeloos ‘nabouwen’ van de concurrentie is een teken aan de wand voor het verval van dWT. Als de krant geen andere wegen ziet om ‘met de tijd mee’ te gaan, is het droef gesteld. In plaats van tegenwicht te bieden aan de nieuwkomers, gaan ze deze naäpen en tekent de krant zijn eigen doodvonnis. In Nederland laat NRC Handelsblad zich niet alleen het predicaat ‘kwaliteitskrant’ aanleunen, nee, het is hun uiterst actieve en effectieve wapen in het dagelijks gevecht om de markt. Met andere woorden, deze krant ‘verbijzondert’ zich van de andere kranten om zijn eigen vaste plek te behouden en te vergroten. Wat doet de Ware Tijd? Niks bijzonders, integendeel méér van hetzelfde en dat werkt dus niet!

de Ware Tijd had het in zich om uit te groeien tot de Surinaamse kwaliteitskrant, Leo Mopurgo heeft tenslotte een indrukwekkende voorzet gegeven, maar helaas was er na diens pensionering niemand die de bal kon inkoppen. Hoofd- redacteurs wisselden elkaar af, redacteurs liepen elkaar voor de voeten en de krant kachelde en kachelt hard achteruit. Kennelijk is er niemand die het geheel overziet, niemand die een vinger aan de pols houdt van de kwaliteit en nog minder iemand die zich verdiept in de plaats van het eigen product in de markt. Kwaliteits- en gezichtsverlies alom.
Op 10 augustus 1774 verschijnt de eerste Surinaamse krant: De Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant, waarvan de voorpagina geheel in beslag wordt genomen door de ‘Opdragt van den Uitgever’, Mr. Wolphert Jacob Beeldsnyder Matroos.

Het is naïef, om niet te zeggen onnozel van de redactie van dWT om te denken dat ze met wat Engelstalige pagina’s de opgelopen averij kunnen herstellen, daar is veel meer voor nodig. Ik wil dringend aanbevelen om die Engelse editie onmiddellijk te stoppen en om van het geld dat daarvoor is gebudgetteerd onder dwingende deskundige leiding een grondige analyse te maken van het eigen bedrijf en de plaats in de markt, en om aan de hand daarvan strategieën uit te zetten die het mogelijk maakt de verkwanselde positie in de markt te herwinnen. Het sleutelwoord daarbij moet zijn: kwaliteit, want dat hebben die andere kranten allerminst.


[Eerder gepubliceerd op Suriname Stemt.]

zaterdag 26 februari 2011

25 februari 1980: ‘Een heel benauwende dag’

Interview met Leo Morpurgo

door Meredith Helstone

Oud-hoofdredacteur Leo Morpurgo, de 87-jarige goeroe van de Surinaamse journalistiek, typeert 25 februari 1980 nog altijd als ‘een slechte dag voor Suriname’. Alle media werden gesloten en alleen de Ware Tijd mocht – vanwege de hoge oplage – uitkomen. Sterk gecensureerd welteverstaan. Toch kampt Morpurgo met ‘blijvende sympathie’ voor coupleider Bouterse.

Ietwat voorovergebogen en licht schuifelend komt hij het balkon van zijn woning in Uitvlugt op. “Het gaat nog wel”, lacht hij schijnbaar verlegen als het hem niet direct lukt de traliedeur open te krijgen. Eenmaal geïnstalleerd in een comfortabele fauteuil ontpopt hij zich tot die hoofdredacteur van weleer. Op de salontafel liggen alle vier Surinaamse dagbladen. Duidelijk is dat zijn dag nog in belangrijke mate wordt beheerst door het nieuws. Ontspannen achterovergeleund en met een verrassende tegenwoordigheid van geest gaat de 87-jarige nestor van de Surinaamse journalistiek, Leo Morpurgo, 31 jaar terug in de tijd. 25 februari 1980.

Leo Morpurgo: “Er was helemaal geen revolutionair idee aan verbonden.”
“Ik werd er compleet door verrast. Net terug van dienstreis naar Cuba wist ik niet wat er gaande was. Om vier uur in de ochtend schrok ik wakker. Er werden schoten gelost. Ik wilde gaan kijken, maar daar stak mijn vrouw een stokje voor. Radioberichten maakten duidelijk dat het een en ander gaande was. Het concentreerde zich rond de militairen.” Om half zeven ‘s morgens ging hij met Tjon A Kiet (vriend en medecoördinator) naar de Memre Boekoe Kazerne. Al bij de poorten werden ze tegengehouden. “Maar ik herinner me nog goed dat in een wagen het lijk van een politieagent lag...”
Morpurgo valt even stil. “Later op de dag begon het feest pas goed”, mompelt hij als in gedachten verzonken. Emoties wisselen zich af op zijn diep gegroefde gelaat. Duidelijk is dat hij zich de gebeurtenissen van de dag weer voor de geest haalt. “Rond twaalf uur werd bekend dat zestien onderofficieren onder leiding van Desi Bouterse en Roy Horb een staatsgreep hadden gepleegd.” De redactie volgde alles op de voet en dankzij het materiaal van een bevriende fotojournalist werd in de Ware Tijd van 26 februari een heel goed beeld geschetst van wat zich de dag tevoren had afgespeeld. In een zin samengevat komt het er prevelend uit: “Het was een heel benauwende dag.”

.


Eigen belang
De oud-hoofdredacteur van de Ware Tijd typeert 25 februari 1980 nog altijd als ‘een slechte dag voor Suriname’. “Het motief voor de staatsgreep – als je het 24 tot 40 pagina’s tellende werkje van de directeur van het kabinet mag geloven – was ontevredenheid over de soldij en eis tot erkenning van de militaire vakbond. Er was helemaal geen revolutionair idee aan verbonden. Puur militair eigen belang.” Maar die vurige conclusie vlakt hij enigszins: “Wel hadden ze één goed ding – de vier vernieuwingen – dat ze tot stand wilden brengen. Het zag er veelbelovend uit. Grote delen van de Surinaamse bevolking geloofden er dan ook sterk in. Maar al gauw werd de grondwet aan de kant gezet en bleef pure militaire dictatuur over. Er werd per decreet geregeerd. En vervolgens kreeg je onderdrukking van de pers.”

In de donkere dagen na de staatsgreep werden alle media gesloten en mocht slechts de Ware Tijd – vanwege de hoge oplage – uitkomen. Sterk gecensureerd welteverstaan. “Daar was ik niet happy mee. In feite was ik een nul”, lacht hij vreugdeloos. “In het bedrijf gingen er stemmen op – vooral onder de zetters – om uit solidariteit met de overige media één dag de krant te sluiten. Maar vrienden onder de militairen hebben mij geadviseerd dit niet te doen.” In zijn job heeft hij het niet makkelijk gehad. “De drie censoren bij de Ware Tijd bepaalden de plek en inhoud van elk bericht. Als bijvoorbeeld een bericht van Bouterse als legerleider moest verschijnen, mocht daar geen enkel bericht boven of naast worden geplaatst. Immers was best mogelijk dat het ene bericht het andere afzwakte of zelfs tegensprak. En hoewel de verhouding tussen censoren en redactie schappelijk was, was wel duidelijk te merken dat de krant onder censuur geplaatst was. “Ik schreef nog steeds redactionele artikelen, maar die werden niet opgenomen.” Berichten die voor – meer – paniek onder de bevolking zouden zorgen, werden categorisch van tafel geveegd. Uiteindelijk paste de redactie van de Ware Tijd zelfcensuur toe.

Blijvende symphatie
Als hoofdredacteur heeft Morpurgo in persoon nauwelijks te maken gehad met Desi Bouterse, de toenmalige leider van de staatsgreep en de huidige president. Op de redactie verscheen hij nooit. Sympathie voor de persoon Bouterse krijgt hij wanneer op zijn gezag krijgsraadsverslaggever Nel Bradley (foto rechts) wordt vrijgelaten. Bradley was vanwege zijn berichtgeving opgepakt en ingesloten. In een poging de journalist vrij te krijgen sprak Morpurgo in het kampement voor dovemansoren. “Op weg naar buiten ontmoette ik Bouterse. Aan hem deed ik mijn verhaal en hij luisterde. Diezelfde middag was onze reporter vrij”, zegt hij bijna met ontzag. “Sindsdien heb ik een blijvende sympathie voor Bouterse. Daarom betreur ik de latere ontwikkelingen, waarvan 8 december 1982 het absolute dieptepunt is.” De afkeurenswaardige redenen voor de staatsgreep daargelaten, is hij er tot nu toe van overtuigd dat de militairen de beste bedoelingen hadden met het land. “Er was echter geen eenheid en geen visie. Vooral in de top waren er facties. En op een bepaald moment raakten ze de kluts kwijt. Maar de intenties waren goed. En ze geloofden heilig in de ‘revolutie’.”

Het verbaast hem dan ook niet dat 25 februari opnieuw is uitgeroepen tot nationale vrije dag. “Het is begrijpelijk dat ze dat zouden doen. Verwerpelijk vind ik echter dat er naartoe gewerkt wordt dat deze dag in de Grondwet verankerd wordt. Het is geenszins een revolutie te noemen, maar gewoon een ordinaire greep naar de macht door de militairen. Een staatsgreep, een coup.” Ook in de opnieuw geproclameerde officiële naam – dag der bevrijding en vernieuwing – kan hij zich niet terugvinden. “We hebben toen de ene groep minder goede bestuurders verruild voor de andere. Militaire dictatuur met het leger als repressieve arm. Er zijn behoorlijk wat mensen mishandeld. Journalisten zijn verdwenen. De journalistiek in Suriname was dood. We hebben weer van de grond af moeten beginnen. Tot nu toe merk je een soort vrees en terughoudendheid.”

Balans opmakend
Hoewel de coup in zijn optiek slecht voor de republiek is geweest, erkent hij terugblikkend dat in een postkoloniaal land als Suriname iets dergelijks te verwachten was. “Het ging vóór 1980 ook niet goed met Suriname. Met de bekende Dobru (Robin Raveles, red.) van wie bekend is dat hij ‘Bruma-man’ was, redeneerde ik altijd over de ontwikkelingen in het land. En kort voor 25 februari 1980 hadden we het gezamenlijke standpunt reeds bereikt dat er ‘iets’ zou gebeuren.” De balans opmakend prijst Morpurgo zich, ondanks dat hij 36 uren vastzat, rake klappen incasseerde en meermalen in de loop van een geweer keek, gelukkig dat hij het allemaal van redelijk dichtbij heeft meegemaakt. “Ik heb steeds geprobeerd de grens te verleggen. Voor mezelf vind ik het goed dat ik als persoon in die tijd in Suriname was.”

[uit de Ware Tijd, 24 februari 2011]

vrijdag 23 april 2010

Sranantongo in het Surinaams parlement: ja of nee?

Het is een terugkerende discussie: het gebruik van Sranantongo toestaan in het parlement, en landelijk het Nederlands vervangen door het Engels om aansluiting op de regio te vergroten.

Sinds jaar en dag is het Nederlands de officiële taal in Suriname, daarom is het vrij logisch dat debatten in het Surinaamse parlement ook in het Nederlands worden gevoerd. Nederlands is ook de voertaal in het onderwijs en alle andere officiële instanties, op straat is het naast het Sranantongo de bindtaal in het meertalige land.

Juist die meertaligheid is voor Hermanus Schalwijk, NDP'er uit Brokopondo, reden om in een artikel in De Ware Tijd te pleiten voor het invoeren van het Sranantongo als discussietaal in het parlement, voor politici die de Nederlandse taal niet goed machtig zijn.

Deze discussie over het taalgebruik in het parlement wordt niet voor het eerst gevoerd, ik kan me herinneren dat deze kwestie na de Onafhankelijkheid ook al op de agenda stond, ik weet echter niet meer precies wanneer. De conclusie was dat men zich in een officiële instantie als het parlement moest houden aan de officiële taal van het land.

Discussie in De Ware Tijd
De uitspraak van Schalwijk is voor dagblad De Ware Tijd reden geweest hierover op 21 april een discussie te starten Stelling op de nieuwe weblog van de krant, met als stelling:

"Het is absoluut belangrijk dat een lid van de assemblee zich goed kan uitdrukken in het Nederlands. Aan de andere kant vind ik wel dat we rekening moeten houden met de Surinaamse realiteit. Niet iedereen in Suriname is het Nederlands machtig. Sterker nog, in dit land worden tientallen talen gesproken. Naast het Nederlands spreken veel mensen Javaans, Hindostaans, etc. Echter, bijna iedereen spreekt en begrijpt het Sranan. Ik vind dus dat het echt mogelijk zou moeten zijn om Sranan in de assemblee te spreken."

Waarom deze Stelling? "...een breedvoerige discussie over een goede beheersing van onze voertaal, het Nederlands, in het hoogste college van staat, (laat) nochtans op zich wachten. Maar daar hoeft de Ware Tijd natuurlijk niet op te wachten. Want waar ligt dit aan, maar vooral: wat is de oplossing? Is dat het onderwijs, de cultuur, of het feit dat er zoveel talen door elkaar worden gesproken?"

Taalunie
In een reactie op het artikel in de krant noteert De Ware Tijd uit de mond van Helen Chang, coördinatrice van Taalunieprojecten in Suriname, dat zij niet wenst te reageren op deze kwestie van de taal in het parlement. De krant brengt daarom een eerdere reactie in herinnering: Op 17 februari legde ze, naar aanleiding van een polemiek over een werkbezoek van de Taalunie aan Suriname, wel deze verklaring af in de Ware Tijd: "De Taalunie doet niet aan politiek, wij wensen enkel mensen te ondersteunen die Nederlands praten. Dat is onze kerntaak. Zolang men in Suriname Nederlands praat, zal de Taalunie hulp aanbieden. Wil men hier Engels praten, dan moeten ze het maar veranderen. Dat is voor mij ook goed. We kunnen echter niet zomaar de samenwerking tussen Suriname en de Taalunie stopzetten, want we zijn nu eenmaal in 2003 die associatie aangegaan. Als sommigen dan toch zo ontevreden zijn over de Taalunie, waarom hebben ze bij onze toetreding niet gereageerd?"

Om op de Stelling te reageren, kun je hier klikken. Hieronder volgt het artikel waarin Schalwijk wordt geciteerd.

Artikel in De Ware Tijd

Nederlands versus 'taal van het volk'
Tekst: Rosita Leeflang en Pieter Van Maele

20/04/2010

Volksvertegenwoordigende kandidaten die niet of nauwelijks uit hun woorden komen of tijdens een interview het Nederlands de nek omdraaien. Een fenomeen waarmee één de spot drijft en waaraan een ander zich bij elk woord mateloos stoort. Toch laat een breedvoerige discussie over een goede beheersing van onze voertaal, het Nederlands, in het hoogste college van staat, nochtans op zich wachten. Parlementariërs zelf denken er het 'hunne' van.

Wie Otmar Rodgers zegt, weet dat er correct Nederlands wordt gesproken in het parlement. Uiteraard kan dit te maken hebben met zijn achtergrond als onderwijzer. Hij is van mening dat de kwestie over de taal in De Nationale Assemblee in een ander perspectief moet worden geplaatst. "Ik denk dat misschien onbewust speelt dat het Nederlands in opgelegd", zegt Rodgers. Maar het zit bij hem nog dieper. De parlementariër stelt dat we met z'n allen zullen moeten proberen om de gap op te vullen. Een kwestie die zijn oorsprong vindt in de grondwet.

"De grondwet schrijft een residentieplicht voor. Dan is het niet eerlijk om mensen slechts op grond van hun taalgebruik te beoordelen. Natuurlijk wil men dat de leden van de volksvertegenwoordiging zich vlot uitdrukken in het Nederlands, omdat die nog de voertaal is, helaas. De correcte uitdrukking in het Nederlands mag niet de enige beoordelingsgrond zijn." De NF fractieleider erkent dat er zeker het een en ander schort als wordt gekeken naar de beoordelingsnormen. "Maar ik spreek geen veroordeling uit. Het moet ons juist leren te zoeken naar iets dat ons verder zal brengen."

'Ik vind dat het echt mogelijk moet zijn om Sranan in de assemblee te spreken'

Taal van de achterban
"Het is absoluut belangrijk dat een lid van de assemblee zich goed kan uitdrukken in het Nederlands", versterkt Hermanus Schalwijk, NDP'er uit Brokopondo, het standpunt van zijn collega. "Aan de andere kant vind ik wel dat we rekening moeten houden met de Surinaamse realiteit. Niet iedereen in Suriname is het Nederlands machtig. Sterker nog, in dit land worden tientallen talen gesproken. Naast het Nederlands spreken veel mensen Javaans, Hindostaans, etc. Echter, bijna iedereen spreekt en begrijpt het Sranan. Ik vind dus dat het echt mogelijk zou moeten zijn om Sranan in de assemblee te spreken", zegt Schalwijk, die er van overtuigd is dat het gebruik van het Sranan alle burgers veel dichter bij de politiek zal brengen.

"Sommige collega's van me gebruiken in het parlement diep Nederlands. Zelf heb ik absoluut geen moeite om dat te begrijpen, maar je kan je voorstellen dat dat voor bijvoorbeeld iemand die ongeschoold is, wel moeilijk kan zijn. Ik vind dat we meer voor het volk moeten spreken, niet enkel voor de hoogopgeleiden. Daarom benader ik mijn achterban altijd in hun eigen taal, ik vind dat véél prettiger", gaat Schalwijk verder. Ook Ronny Tamsiran, die vanuit de kieskring Commewijne voor Pertjajah Luhur volksvertegenwoordiger is, vindt dat het taalgebruik in het parlement vaak beter kan. "Er vallen veel te veel hoge woorden en ambtenarentaal. Wat hebben we daaraan als de bevolking daar weinig van snapt? Bovendien is een groot deel van mijn achterban natuurlijk van javaanse afkomst. Die hebben soms minder oor voor het politieke werk, gewoonweg omdat ze niet altijd begrijpen wat er gezegd wordt."

'Zelfs Javaans of Hindostaans moet kunnen'

Vertaling
Schalwijk en Tamsiran delen dezelfde mening. "Als parlementariër is het belangrijk dat je boodschap duidelijk overkomt bij de bevolking. In de assemblee spreken we Nederlands, dus een goede beheersing van onze taal is echt wel belangrijk. Daarnaast moeten we er ernstig over nadenken over het gebruik van andere talen, zoals het Sranan, toe te laten tijdens vergaderingen van DNA", vindt Tamsiran. Hij gaat echter nog een heel eind verder dan zijn NDP-collega. "Zelfs Javaans of Hindostaans moet voor mij kunnen. Dat gebeurt nu soms eigenlijk al, dat er eens enkele woorden of een hele zin Hindostaans valt. Dan zorgen we gewoon voor een vertaling, zodat we niemand uitsluiten en iedereen het kan begrijpen", beweert Tamsiran.

'Met het Engels komen wij veel, veel verder dan het Nederlands'

Engels
Eigenlijk zouden we ook andersom kunnen denken. Zo zouden niet de politici de taal van de straat kunnen aannemen, maar zou het Surinaams onderwijs in de districten geïntensifieerd kunnen worden, zodat echt élke Surinamer vlot Nederlands leert spreken. Dat is tenslotte nog steeds de officiële taal van ons land. Als het van deze drie politici afhangt, komt daar echter ooit verandering in. "Ik vind het verschrikkelijk jammer dat ik één van mijn idealen als parlementariër niet heb kunnen realiseren." Rodgers doelt op het invoeren van het Engels als tweede taal, formeel geaccepteerd en breed gedragen. De taal heeft hem aan het denken gezet, ook na discussies met anderen die het misschien zelfs beter weten waarom het Nederlands vervangen moet worden door het Engels. Dat standpunt heeft hij al in de begin jaren 70 geformuleerd. Rodgers noemt in dit verband de naam van de toenmalige minister van Onderwijs Ronald Venetiaan, die een wezenlijke bijdrage heeft geleverd bij de totstandkoming van die gedachte. Een keuze die drie dingen met zich zou kunnen meebrengen. Het volk maakt een bewuste keus, het wordt een bewuste keus in vrijheid en die keus wordt gemaakt met het verstand. "Met het Engels komen wij veel, veel verder dan het Nederlands", benadrukt de parlementariër.

"Om echt aan te kunnen sluiten bij onze Caribische en Latijns-Amerikaanse buren, zou Suriname er beter voor kiezen om af te stappen van het Nederlands en te kiezen voor het Engels of het Spaans. Dat zal een proces van lange adem zijn, maar het is zeker niet onmogelijk. Bovenal denk ik niet dat het veranderen van taal het niveau van het parlement naar beneden zal halen", besluit Tamsiran. Alsof het partijgenoten zijn, sluit Schalwijk zich weer bij zijn collega aan. "Het Nederlands hebben we door ons koloniaal verleden overgeërfd, maar we moeten ervan durven afstappen. Dat is op de Nederlandse Antillen al min of meer gebeurd. De Engelse, of eventueel zelfs de Spaanse taal invoeren, daar sta ik voor de volledige honderd procent achter. Mocht de volgende regering zich daarvoor inzetten, dan zou ik me daar volledig voor inzetten", besluit Schalwijk.

Rodgers is ervan overtuigd dat wanneer voor het Engels wordt gekozen, het geen taal is van de kolonisator en het ons niet wordt opgelegd. De parlementariër gelooft dat wij in staat zullen zijn ons internationaal beter uit te drukken. Hij blijft realistisch, want Rodgers erkent net als Tamsiran dat dit proces tijd gaat vergen. "Maar we moeten ermee beginnen. Kijk niet tegen het werk op. Zeg ook nooit het werk is teveel, want het is nooit teveel. Het is pas teveel als je er niets aan doet."

Nederlandse taalunie reageert
Helen Chang, coördinatrice van de taalunieprojecten in Suriname, wenste niet te reageren op de kwestie van de taal in het parlement. Op 17 februari legde ze, naar aanleiding van een polemiek over een werkbezoek van de Taalunie aan Suriname, wel deze verklaring af in de Ware Tijd:
"De Taalunie doet niet aan politiek, wij wensen enkel mensen te ondersteunen die Nederlands praten. Dat is onze kerntaak. Zolang men in Suriname Nederlands praat, zal de Taalunie hulp aanbieden. Wil men hier Engels praten, dan moeten ze het maar veranderen. Dat is voor mij ook goed. We kunnen echter niet zomaar de samenwerking tussen Suriname en de Taalunie stopzetten, want we zijn nu eenmaal in 2003 die associatie aangegaan. Als sommigen dan toch zo ontevreden zijn over de Taalunie, waarom hebben ze bij onze toetreding niet gereageerd?".-.

Bron: DWT, 20 april 2010

donderdag 8 april 2010

Collectie van Trefossa naar Nationaal Archief Suriname


door Claudett de Bruin

Wanneer op 12 april a.s. het nieuwe gebouw van het Nationaal Archief Suriname (NAS) officieel in gebruik wordt genomen, wordt ook de nalatenschap van Trefossa – pseudoniem van Henri Frans de Ziel (1916-1975) – aan Suriname teruggegeven. Het literaire werk van deze Surinaamse dichter is van groot belang geweest voor de ontwikkeling en de opwaardering van het Sranan. De overdracht, die voor Suriname van grote cultuurhistorische waarde is, wordt gedaan door Cynthia Abrahams, voorzitter van de Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland en Cherida de Ziel.

Abrahams is Engelse taal- en letterkundige en bibliothecaris en werkt al enige tijd aan een promotieonderzoek over het leven en werk van Dobru (Robin Raveles).


“Op de C.R. Froweinschool kreeg ik Nederlands van Trefossa. Voordat hij docent werd, was hij van 1956 - 1958 directeur-bibliothecaris van het Cultureel Centrum Suriname. Maar zijn roeping lag in het onderwijs. Hij was dan ook docent in hart en nieren.”

Trefossa heeft een beslissende invloed op de studiekeuze van Abrahams. Zijn liefde voor het bibliotheekwezen is aanstekelijk en uiteindelijk studeert ze aan hetzelfde instituut waar hij zijn opleiding genoot, de Stadsbibliotheek in Haarlem en de Koninklijke bibliotheek.

Zes meter boeken en 2000 vellen papier
In juni 2004 komt Abrahams tijdens haar promotieonderzoek in contact met mr. Kenneth Jap A Joe die net als Dobru aan de Surinaamse Rechtsschool heeft gestudeerd en met hem in het bestuur zat van de studentenvereniging Labor Omnia Vincit. Dan blijkt dat de nalatenschap van Trefossa door zijn weduwe, Hulda de Ziel-Walser, aan mr. Jap A Joe in bewaring is gegeven. Is het de geest van Dobru die hier een handje helpt?

Abrahams krijgt de gelegenheid de collectie te bestuderen en is van mening dat de erfenis terug moet naar Suriname waar de collectie thuishoort. Dit blijkt ook in overeenstemming te zijn met de wens van Henry en Hulda de Ziel.
De collectie bestaat uit twee delen: een grote verzameling boeken – waaronder Surinaamse publicaties – met een lengte van ongeveer zes strekkende meter en een aantal schriften en documenten van ongeveer 2000 vellen papier. Hieronder bevinden zich de dagboeken van Trefossa en een aantal schriften met een gevarieerde inhoud. Ook zijn scriptie L.O. Nederlands, diploma’s en overige door hem geschreven artikelen. In zijn handschrift zijn ook het Surinaamse volkslied en de dagboeken van Johannes King waar hij in overleg met de Nederlandse taalkundige prof. Jan Voorhoeve aan werkte. In de collectie zijn er voorts gedichten die hem door anderen werden toegestuurd. Ook Dobru stuurde hem zijn werk en in een van de schrijfblocs is nog een brief in het klad te lezen die Trefossa aan Dobru schreef. Het mag volgens Abrahams bijzonder genoemd worden dat er zoveel van zijn nalatenschap intact is gebleven. Vast staat wel dat de collectie niet compleet is.

Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland
In januari 2007 benadert Willi Walser, de broer van Hulda, op advies van familievriend Hans Breeveld, Cynthia Abrahams om zitting te nemen in de Werkgroep Nalatenschap Trefossa Nederland. De werkgroep bestaat uit drie leden: Gety de Boer en Cherida de Ziel (een nicht van Trefossa) en Cynthia Abrahams als voorzitter. Het doel is om de nalatenschap van Trefossa ter beschikking te stellen aan de wetenschap en er een waardige plaats voor te vinden.

Terwijl ze in Suriname is voor haar onderzoek naar Dobru, kijkt Abrahams tegelijkertijd uit naar een laagdrempelige plaats om de collectie onder te brengen, zodat de Surinaamse gemeenschap conform de wens van Trefossa’s weduwe, toegang kan hebben tot de culturele erfenis. Het oude archief is niet geschikt, maar wanneer bekend wordt dat er een nieuw gebouw komt, benadert ze - na overleg met de werkgroep - het managementteam van het NAS. Het NAS reageert positief en schrijft een projectvoorstel waarin wordt vastgelegd dat de volledige collectie toegankelijk moet zijn voor wetenschappelijke bestudering. Via een stappenplan zal de collectie vanuit Nederland naar Suriname worden overgebracht.

Abrahams komt daarna nog enkele keren naar Suriname en heeft intensief contact met Rita Tjien Fooh van het NAS. Wanneer ze niet in Suriname is, verloopt de communicatie via e-mail.

De boekencollectie is inmiddels voor enige tijd in bewaring gegeven aan Cor de Bruyn, een goede vriend van de familie Walser, en verhuist in 2007 naar het huis van een van de leden van de werkgroep.
Door bemiddeling van de Surinaamse ambassade in Nederland kan in 2009 het eerste deel van de omvangrijke collectie naar Suriname worden verscheept.
De dagboeken, schriften en overige documenten zijn recentelijk met medewerking van de SLM in Suriname aangekomen.
Het is de bedoeling dat de gehele collectie zo snel mogelijk wordt gedigitaliseerd.

Volkslied

Trefossa is de schrijver van het Surinaamse volkslied. In 1959 krijgt hij van de Surinaamse regering de opdracht een Sranan couplet te maken voor het volkslied waarbij als enige voorwaarde wordt gesteld, dat het de eenheid van het Surinaamse volk en de verbondenheid met het grondgebied moet benadrukken.

In de Memorie van Toelichting die hoort bij de betreffende ontwerp-landsverordening staat o.m.: “Daarnaast is een Surinaamse tekst, van de dichter Trefossa, in de bijlage van het ontwerp opgenomen. Dit is niet alleen geschied met het oog op diegenen van het volk, die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar vooral ook omdat deze tekst naar het oordeel van de Regering de nationale gevoelens welke het Surinaamse volk bezielen, voortreffelijk vertolkt.”

Maar Trefossa gaat een stapje verder en sleutelt ook aan het Nederlandse couplet dat in 1893 door ds. Hoekstra is gemaakt. Deze luidt als volgt:

God zij met ons Suriname,
Hij verheff’ ons heerlijk land.
Doch dat elk zich dan ook schame
Die zijn ere maakt te schand!
Recht en waarheid te betrachten,
Zeed’lijk rein en vroom en vrij,
Al wat slecht is te verachten,
Dat geeft aan ons land waardij.

Abrahams herinnert zich hoe Trefossa - meneer de Ziel - in de klas uitleg geeft over de reden van zijn aanpassing. “Hij vond de invalshoek van het Nederlandse gedeelte negatief en wilde er een positieve connotatie aan geven.”

Trefossa maakt ervan:

God zij met ons Suriname,
Hij verheff’ ons heerlijk Land.
Hoe wij hier ook samen kwamen
Aan zijn grond zijn wij verpand.
Strijdend houden we in gedachten:
Recht en waarheid maken vrij:
Al wat goed is te betrachten,
Dat geeft aan ons Land waardij.

De wijziging vindt weerklank in de Raad van Ministers, alleen wordt ‘strijdend’ veranderd in ‘werkend.’

Erkenning
Trefossa bedenkt het Sranan woord voor zelfstandigheid – ‘srefidensi’ – maar het is hem niet gegund om op 25 november 1975 de overgang mee te maken: enkele maanden voor de onafhankelijheid overlijdt hij.

In 1977 wordt door het Bureau Volkslectuur onder leiding van prof. Jan Voorhoeve ‘Ala Poewema foe Trefossa’ uitgegeven waarin verzamelde gedichten, interpretaties, een biografische vertelling en recensies.

In 2004 overlijdt Hulda de Ziel-Walser en geheel volgens hun beider wens om samen een laatste rustplaats te vinden in Suriname, worden hun urnen door Hans Breeveld vanuit Nederland naar Suriname gebracht. Op 21 november 2005 onthult president Ronald Venetiaan een grafmonument waarin de urnen van Trefossa en zijn Hulda worden bijgezet en hiermee is het lichaam van de dichter aan zijn geboortegrond teruggegeven.
Volgens Abrahams wordt met de overdracht van de nalatenschap aan het Nationaal Archief Suriname ook het ‘gedeelte in diaspora’ van Trefossa nationaal bezit. Trefossa is weer thuis.

Geplaatst in De Ware Tijd van 7 april 2010