Posts tonen met het label Band Boston. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Band Boston. Alle posts tonen

woensdag 25 september 2013

Juridische status vredestraktaten vaststellen

door Bert Eersteling

In het artikel 'Marronverdragen zijn een kopie van de Jamaicaanse' van de hand van mr.Carlo Jadnanansing, wordt melding gemaakt van de stelling van mr.dr Walther Donner aangaande de rechtsgeldigheid van de traktaten. In het bedoelde artikel van de heer Carlo Jadnanansing lijkt het erop dat de heer Walther Donner de rechtsgeldigheid van de traktaten met de Aucaners, de Saramaccaners en de Matawai in twijfel trekt, omdat deze traktaten niet in naam van de koning, maar onder gezag of in naam van de gouverneur zouden zijn gesloten. Tenminste indiceert hij in het artikel, door de rechtsgeldigheid aan de orde te stellen, dat er iets juridisch niet in orde zou zijn met de traktaten.

The Maroons in Ambush on the Dromilly Estate in the parish of Trelawney, Jamaica. The painting was done by J. Bourgoin and engraved by J. Merigot. It was published by J. Cribb (London, 1801).


De heer Donner maakt in het artikel, dat verschenen is in het juristenblad, een vergelijking tussen de traktaten van Jamaica en Suriname voor wat betreft de totstandkoming. In Jamaica zou het traktaat namens en met machtiging van de koning tot stand zijn gekomen. In Suriname zou het eerste traktaat (1760) gesloten zijn met de gouverneur en de Raad van Politie en Criminele justitie, die toen als een soort parlement fungeerde. Naar aanleiding van de constatering zoals hierboven aangehaald is, stelt de heer Donner zich de vraag of Suriname toen als een soevereine staat kon worden beschouwd, die zelfstandig bevoegd was om traktaten te sluiten. Overigens een vraag die retorisch van aard is.

Orale geschiedenis
De hoogleraar Donner concludeert volgens het artikel dat er contacten hebben bestaan tussen de Jamaicaanse slaven en de Surinaamse slaven, omdat Araby van de Aucaners, bij een contact met een delegatie van de gouverneur, gerefereerd zou hebben aan het traktaat dat gesloten werd met de Maroons in Jamaica.


Of de voornoemde conclusie van de heer Donner met de door hem aangehaalde onderbouwing correct is, kan ik niet beoordelen. Het kan wel zo zijn dat de heer Donner ook kennis draagt van wat zeker in de orale geschiedenis bekend is, namelijk dat een van de Aucaanse onderhandelaars, de heer Boston Band, een bijzonder belangrijke rol vervuld heeft bij de totstandkoming van het traktaat met de Aucaners in 1760. Deze Boston Band behoorde tot de Compai clan of lo, en zou het schrijven en lezen machtig zijn. Hij was slaaf in Jamaica, maar belandde later (niet bekend hoe en wanneer) in de kolonie Suriname.

Hij ontvluchtte de slavernij en voegde zich bij de clan/lo der compai-nenge. Deze clan/lo komt voor in de dorpen Mpusu, Poowi en Tjong-tjong aan de Tapanahony. Een grote groep compai-nenge uit Poowi woont ook in het misidjan-nenge dorp Lebidoti aan de Sarakreek. Kennelijk heeft Boston Band de ervaringen van Jamaica voor wat de vredesverdragen betreft naar de bossen van Suriname meegenomen. Dr. Silvia de Groot heeft in een van haar pennenvruchten gewag gemaakt van de wezenlijke bijdrage van Boston Band aan het vredesverdrag met de Aucaners. De conclusie van de heer Donner kan ook aan deze informatie van S. de Groot haar grondslag gehad hebben.

In elk geval heb ik met de twee voorbeelden willen aangeven dat het geen nieuwe inzichten of assumpties zijn dat een verband gelegd kan worden tussen de vredesverdragen van Jamaica en Suriname. Er kunnen ook meerdere bewijsbare argumenten bestaan, die goed en helder de relatie tussen de twee vredesverdragen aangeven. Vooralsnog houd ik het op deze informatiebronnen, namelijk de orale lezing die de afkomst van Boston Band aangeeft en de vermelding van Silvia de Groot over de bijdrage van Boston Band aan het vredesverdrag met de Aucaners.

Rechtsgeldigheid Surinaamse traktaten
Ik weet niet waarom, en met welk juridisch argument de heer Donner meent te moeten vaststellen of vermoeden, dat er verschil bestaat in het tekenen van het traktaat in Jamaica in naam van de Koning en onder zijn machtiging en de in Suriname getekende traktaten door de gouverneur en een soort parlement.

Suriname was in 1760 absoluut nog een kolonie van Nederland waarbij alles in naam van de Koning en onder diens machtiging werd gepleegd. Het lijkt mij interessant om de ordonnantiën van die periode te raadplegen om goed vast te stellen welke correspondentie heeft plaatsgevonden tussen het koloniaal bestuur en het koningshuis voor, tijdens en na de totstandkoming van de vredestraktaten. Het is ook voer voor juristen, historici en anderen om aan de hand van feitenmateriaal vast te stellen of er sprake is van rechtsgeldigheid of niet van de vredestraktaten.


Onverminderd het resultaat van het bovenstaande, blijkt dat de traktaten in Suriname, zeker voor een periode hun functionaliteit hebben bewezen. Want er was een afbakening waarbinnen de bosnegers zich vrijelijk konden bewegen. Er waren controleposten waar posthouders geplaatst waren. Het traditionele gezag functioneerde buiten of naast de jurisdictie van het gezag in Paramaribo.

Het traject dat de bosnegers moesten volgen om zaken te doen in Paramaribo was ook bekend. Bij de herziening van het vredestraktaat van 1760 is na onderhandeling dit traject gewijzigd. Er zijn, zij het zeer marginaal, mensen overgeleverd aan het koloniaal bestuur. De ordenings- en rustscheppende functie van de traktaten hebben voor bepaalde momenten in onze geschiedenis waarde gehad. Uiteraard is gedurende deze periode onder ander de Boni-oorlog ontstaan. Een oorlog die overigens een ruimer bevrijdingsdoel had.

Conclusie
Ik vind dat de professor, zoals ik hem van zijn artikelen ken, met zijn bijdrage een poging heeft ondernomen om Surinamers aan het denken te zetten over het onderhavige vraagstuk. Dat moet als zeer lofwaardig gezien worden. Met dit specifieke onderwerp wil hij kennelijk bevorderen dat er van uit het nationaal oogpunt een Suricentrische benadering wordt gegeven aan onze geschiedbeschrijving. Laat de Surinamers een goed onderbouwde mening geven over de vredestraktaten. Immers er zijn mensen die de vredestraktaten als bron/middel willen gebruiken om de 'grondenrechten' aan te vechten. De vraag is daadwerkelijk om vast te stellen wat de juridische status of waarde van deze vredestraktaten zijn.

Ik heb mijn persoonlijke visie over deze traktaten. Om strikt strategische reden ga ik hierover geen uitspraak doen. Ik feliciteer de Saramaccaners met het feit dat op 19 september 1762 het vredestraktaat met hun voorouders getekend werd. De Aucaners herdenken over drie weken het feit dat op 10 oktober 1760 het vredestraktaat getekend werd met hun voorouders. Ook alvast gefeliciteerd.

[uit Starnieuws, 22 september 2013]

vrijdag 13 januari 2012

Geschiedenis vanuit Marronoogpunt

door Karwan Fatah-Black

Samen beschikken de auteurs van Een zwarte vrijstaat in Suriname; De Okaanse samenleving in de achttiende eeuw over zo’n driekwart eeuw aan expertise op het gebied van de Marronsamenlevingen in Suriname. In Een zwarte Vrijstaat brengen ze de omvangrijke literatuur, hun veldwerk en archiefonderzoek over de Okaanse samenleving bijeen. In maar liefst dertien hoofdstukken worden verschillende aspecten van de Okaanse geschiedenis in kaart gebracht. Er is voor gekozen om de citaten die in het vele veldonderzoek zijn verzameld per onderwerp achter elkaar te zetten. Zo bestaat het hoofdstuk over de vlucht (Lonten) uit citaten die tussen 1962 en 2008 zijn opgetekend en waarin een veelheid aan Marronhistorici aan het woord komen. Voor het archiefonderzoek kunnen de auteurs sterk leunen op het eerdere werk van Wim Hoogbergen en op het onderzoek van Frank Dragtenstein.

Kutuu, © Nicolaas Porter

De introducerende hoofdstukken gaan in op algemene kenmerken van de Okaanse cultuur, de inrichting van politiek en verwantschapsbanden. Ook wordt er aandacht besteed aan woordgebruik. In plaats van Marrons spreekt men bijvoorbeeld liever over Lowéman. Verder is er gekozen voor woorden die de Okanisi zelf gebruiken met een fonetisering van schrijfwijze: Aukaners is Okanisi, granman gaaman, en bakra wordt in het boek bakaa.

Het resterende deel van het boek beschrijft voor een groot deel de achttiende-eeuwse geschiedenis van de Okaanse samenleving. Dat levert onherroepelijk een bronnenprobleem op. ‘Natuurlijk zijn er ook ideologische en partijdige uitspraken in de overlevering verpakt. Bovendien is niemand bereid de gehele geschiedenis met al zijn conflicten en verschrikkingen, uit de doeken te doen ... Iemand lichtte zijn weigering aldus toe: “Daar is een moeder van onze clan om het leven gekomen, ik mag je dat verhaal niet vertellen.”’ Na de citaten van de informanten volgt soms commentaar of een samenvatting. Hierin komt de lange vertrouwdheid van de schrijvers met het onderwerp goed tot zijn recht.

Voor de Okanisi, die het materiaal voor de schrijvers aanleverden, zijn vier onderdelen van hun geschiedenis van groot belang, de jaren van slavernij op de plantages, de vlucht naar het bos, de periode van vrede met de bakaa, en de strijd met de andere Marrongroep onder leiding van Boni. De geschiedenis van de overtocht uit Afrika blijft vrijwel onbesproken.

Over de periode dat de Okanisi vrede sloten, er onderhandelingen plaatsvonden en posthouders werden gestationeerd is veel materiaal uit de koloniale archieven te halen.

Opvallend is hoe belangrijk de positie van de historicus is voor het verhaal dat wordt geschreven. Terwijl vanuit de Europese kolonie gezien de militaire posten belangrijk waren, en het ‘cordon’ (een verdedigingslinie) op iedere achttiende-eeuwse Europese kaart te vinden is maakte dit op de Okanisi duidelijk zo weinig indruk dat het niet een vermelding waard was. Slechts eenmaal, bij het overlijden van de illustere Boston Band bij post Kruispad wordt er een onderdeel van de Europese verdediging genoemd. Plekken als Gelderland, Victoria of het door Marrons overrompelde Zwitserse dorpje Carolinenburg komen niet voor.

Time Travel, © Nicolaas Porter

De Marronhistorici worden door Thoden-Van Velzen en Hoogberken geprezen: ‘Okaanse geschiedverhalen munten uit door afkeer van overdrijving’. De verhalen van de Marronhistorici die de auteurs selecteerden gaan over politieke verwikkelingen, gewapende strijd en genealogie. De ontwikkeling van de relatie tussen de Marrons en hun goden zit door al deze thema’s heen geweven. Zonder veel moeite kan men deze onderwerpen vergelijken met de verhalen die in de vroege nummers van de West-Indische Gids begin jaren 1920 over de Europese kolonisatie van Suriname werden opgetekend. Nadat de oude Surinaamse archieven waren geïnventariseerd kwam een stroom publicaties op gang waarin het bestuur van bepaalde gouverneurs werd uitgeplozen, genealogische verwantschap van centrale figuren werden getraceerd en de gebeurtenissen rond militaire confrontaties werd geprobeerd te reconstrueren.

Deze thematische overeenkomst zou bij hedendaagse historici alarmbellen moeten laten afgaan. Wat wordt niet verteld? Wat zijn de stiltes in de Okaanse geschiedenis? Wat deden kinderen in de achttiende-eeuwse oorlogen tegen de bakaa? Hoe veranderde patronen van mannelijkheid en vrouwelijkheid na de vlucht van de plantages? Wat betekende de opkomst van houtexport richting de kolonie voor de sociale verhoudingen binnen gemeenschappen? Waarom blijven de Inheemsen nagenoeg onbesproken? Is hier niet naar gevraagd, of wordt materiaal hierover niet doorgegeven? En wat zegt dit over de Marronhistoriografie? Het is een kracht van het boek dat de auteurs dicht bij de bron blijven, maar dit zorgt ook voor opvallende omissies en weinig kritische vragen. De illustraties in het boek zijn wat dat betreft veelzeggend: portretten van mannen waarop vrouwen enkel als decor lijken te figureren. Vrouwennamen worden in de onderschriften niet vermeldt en zijn gereduceerd tot de toevoeging ‘en echtgenote’ (p.63).

De verhalen beperken zich nu tot kronieken over de achttiende-eeuwse Okaanse samenleving en het is al heel wat dat we die hebben. Toch lijken Marronsamenlevingen hierdoor erg statisch. De schrijvers van het boek benadrukken vooral maatschappelijke continuïteit tussen de achttiende eeuw en de huidige tijd. Verhalen die zijn opgetekend over een periode van vijftig jaar worden probleemloos naast archiefstukken van 250 jaar geleden geplaatst.

Ondanks deze kritiek is het boek een uitstekend naslagwerk voor iedereen die op zoek is naar de geschiedenis van de Okaanse samenleving. Er wordt verwezen naar waardevolle toegangen en inventarisnummers in het Nationaal Archief voor iedereen die verder op onderzoek wil. Het streven naar volledigheid door de auteurs levert een rijke schat aan opgetekende verhalen op die van deskundig commentaar zijn voorzien. Kortom, een standaardwerk dat ruimte geeft om nieuwe vragen te stellen, en uitdaagt om er mee aan de slag te gaan.

H.U.E. Thoden-Van Velzen & Wim Hoogbergen, Een zwarte vrijstaat in Suriname; De Okaanse samenleving in de achttiende eeuw. Leiden: KITLV Press, 2011. 360 p., ISBN 978 90 6718 373 4, prijs € 24,90.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

donderdag 17 juni 2010

Is Suriname wel trots op zijn helden?

De andere kant van de koloniale geschiedenis

Alles voor de vrede; de brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763 is nou echt het soort studie waar met smacht op wordt gewacht. Historicus Frank Dragtenstein, werkzaam bij het NiNsee, brengt hierin de figuur van Boston Band tot leven. Boston Band was een Jamaicaanse man die rond 1749 in Suriname arriveerde. Over zijn voorgeschiedenis weten we niets en er is ook geen portret van hem bewaard. Naar alle waarschijnlijkheid was hij in Afrika geboren, een zoutwaterneger zoals dat in de 18de eeuw heette. Hij werd dus eerst gedwongen om op Jamaica te werken als slaaf (ofwel een ‘tot slaafgemaakte’ zoals dat dan in het moeizame, politiek correcte kreupelproza van tegenwoordig schijnt te moeten heten, een term waarmee de 21ste-eeuwse ideologie de keiharde werkelijkheid die het woord ‘slaaf’ al representeert, komt opporren). Boston Band voegde zich bij de Aukaner of Ndyuka marrons slaven (of ‘ex-tot slaafgemaakten’…) die van de plantages waren weggevlucht en zich diep in het Surinaamse binnenland vestigden en van daaruit de plantages bestookten. Omdat Boston Band kon lezen en schrijven verwierf hij al spoedig een belangrijke positie: hij schreef brieven naar de koloniale overheid waarin hij zich een even zelfbewust als redelijk onderhandelaar betoonde. Hij wist dat de continue staat van oorlog voor geen der partijen uiteindelijk goed was, en het ging hem er uiteindelijk niet eens om het gehele slavernijsysteem te laten afschaffen. De Aukaners waren zelfs bereid om andere weglopers te vangen en over te dragen aan de koloniale autoriteiten. De dilemma’s van de vrijheidsstrijder tekenen zich scherp af. Wel drong hij aan op een vredesverdrag op condities van de Aukaner marrons. Dat vonden de koloniale autoriteiten een verregaande onbeschaamdheid, maar op den duur kozen ze toch maar eieren voor hun geld, want de gehele plantage-economie dreigde aan de niet ophoudende aanvallen van de marrons ten onder te gaan. Toen het vredesverdrag in 1760 werd gesloten, werd Boston Band de man die de geschenkgoederen onder de verschillende facties van de Aukaner marrons verdeelde. Hij besliste ook over pasjes die toegang gaven tot de stad. Zo verenigde hij dus verschillende fucnties in zich die hem een machtspositie gaven. Vanwege onenigheid onder de marronopperhoofden (en dan met name ook de strijd om het oppergezag tussen Araby en Pamoe) taande Bostons invloed na 1762. Onderweg naar de stad stierf Boston Band in 1766 op het Kruispad.

Frank Dragtenstein publiceerde met dit boek een belangrijke studie op basis van gedegen archiefonderzoek, even vernieuwend als Het kamp van Broos en Kaliko (1996), waarin Wim Hoogbergen op basis van orale bronnen de geschiedenis van een Afro-Surinaamse familie (Of hij ook even gedegen alle literatuur bestudeerde is de vraag: het is bijna niet te geloven dat hij Pakosie’s Gaanta labi 1760 (1976) en Bongodoti (1978) − toch de eerste marronuitgaven over dit tijdperk! − en ook Richard Price’s Alabi’s World (1990) niet in de bibliografie vermeld.) Dragtenstein geeft een detailopname van de onderhandelingen tussen marrons en koloniale overheid, bijna van week tot week. Het boek brengt een belangrijk correctief aan op de bestaande beeldvorming: er waren wel degelijke gealfabetiseerde marrons die op hoog niveau diplomatie konden bedrijven. We zien via dit boek dus niet de zo bekende correspondentie tussen gouverneurs, Raden van Politiek en Criminele Justitie, planters en kapiteins, maar we horen de stem van de zwarte mens uit de 18de eeuw, niet een onderworpenen, maar een vastberaden vrijheidsstrijder met een eigen visie, een eigen wil en een bewonderenswaardige diplomatieke gave en elegantie (alle bewaard gebleven brieven van Boston Band zijn ook als bijlage integraal afgedrukt). Het leidt dus geen twijfel dat dit boek een belangrijke historische studie behelst.

De vraag luidt dan: waarom wordt zo’n belangrijk boek gepresenteerd als een willekeurige doctoraalscriptie? Het omslag is keurig, maar afgezien van enkele kaartjes is er niet één illustratie opgenomen. Het boek is gedrukt op goedkoop, flinterdun papier, zodat dit boek van 235 pagina’s straks in elke boekhandel direct achter de andere boeken wegduikt. De bladspiegel is onaangenaam breed, de leesletter is van het corps waaruit normaal de voetnoten worden gezet, en de voetnoten zijn vervolgens alleen nog maar met een vergrootglas te lezen. NiNsee en Amrit: wat mankeert jullie? Zijn jullie niet trots op je eigen geschiedenis? Hebben jullie niet door dat dit miezerige drukwerk een sakafasi-mentaliteit uitstraalt? Mag de Surinaamse lezer niet met plezier een boek lezen, of hebben jullie misschien aandelen in een of andere opticien? Dit boek had met evenveel zwier de boekhandel in gemoeten als Maroon Arts van Richard en Sally Price.


Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede; de brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763. Amsterdam/Den Haag: Ninsee/Amrit, 2010. ISBN 978-90-74897-53-2


[overgenomen uit Siboga]