Posts tonen met het label Mungroo Ruud. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mungroo Ruud. Alle posts tonen

maandag 3 maart 2014

Vlieg terug naar Afrika

Henk Vos - Vliegende man (brons)

door Hilde Neus

De meest indrukwekkende versie die ik ooit las van de slaaf die terugvliegt naar Afrika, is in de roman De hemelvaart van Solomon van de zwarte Amerikaanse auteur Toni Morrison. Het is het verhaal van Macon Dead, wiens zoon beweert dat zijn opa Solomon kon vliegen en als een adelaar weggezeild is naar Afrika. Het is jammer dat dit verhaal niet is opgenomen in De slaaf vliegt weg (samenstelling Lucia Nankoe & Jules Rijssen). Maar ook de vermelding van het motief in het verhaal over Tata Colin van Ruud Mungroo zou hier niet hebben misstaan. Dit motief van de titel van de bundel komt verder voor als afbeelding van Elis Juliana, met een kleine verklaring erbij. De kern wordt gevormd door lezingen, gepresenteerd op het internationale symposium over de relatie tussen historische romans en de beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Waar en wanneer deze bijeenkomst werd gehouden staat in een noot vermeld; in de Muiderkerk in 2009. De centrale vraag is of en welke historische romans een rol spelen in de beeldvorming over het slavernijverleden. En hoe ze doorwerken in de hedendaagse discussies en in de persoonlijke beleving van de nazaten. De samenstellers proberen deze vragen in de inleiding te beantwoorden. Ze slagen daar maar deels in, omdat er veel voorbeelden aangehaald worden die allerlei kunstvormen bevatten, maar geen historische romans zijn. Het artikel van Suzanne Diop, ‘Het Eerste Internationaal Congres van Zwarte Schrijvers en Kunstenaars’ (pp. 29-33) is zo’n voorbeeld dat niet over historische romans gaat. (Kijk ook naar het onterechte gebruik van hoofdletters in de titel!)

Mijns inziens betekent het begrip beeldvorming binnen het literaire kader het ontstaansproces van een beeld (in fictie) over een persoon of groep mensen dat niet noodzakelijkerwijs met de werkelijkheid of de feiten overeen hoeft te komen. Als de samenstellers bedoelen dat beeldvorming een visualisatie is die bestaat uit het vertalen van een gedachte naar een beeld of uitdrukkingsvorm, dan klopt de bundel wel. Dan is de opname van veel stukken in de bundel, zoals de verhouding tussen etnische groepen getoond in de film Wan Pipel, wel verantwoord. Er zijn natuurlijk allerlei gevoelige zaken die uitvloeiselen zijn van de slavernij, en zodra die gevisualiseerd worden heb je ook een bepaalde vorm van beeldvorming.
Michiel van Kempen. Foto © Sanne Landvreugd

De inhoud van de bundel werkt dus vervreemdend omdat je van de auteur, zelf literatuurwetenschapper, een andere insteek zou verwachten. En zeker als dan blijkt dat er allerlei stukken zijn opgenomen die niet op het symposium voorbij zijn gekomen, terwijl de bijdrage van M. van Kempen, die er wel bij was, vanwege een tekort aan beschikbare redactionele ruimte is teruggetrokken. Dan roept dit vragen op.
Bij zo een titel en inleiding waren mijn verwachtingen anders. Dat neemt niet weg dat de stukken bijna allemaal iets met de slavernij te maken hebben, maar het gevaar is dat de lezer met zo een gevarieerde waaier aan informatie toch blijft zitten met vragen over de context. Je kunt die dan op internet opzoeken, maar is dat de bedoeling van de bundel? Al in het eerste stuk, van Nankoe zelf (‘Reverence’) heeft ze het binnen vier pagina’s over Toussaint Louverture, Edwi[d]ge Danticat, de kunstenaar Basquiat, de zanger Maxwell en de Neville Brothers, auteur Simone Schwartz-Bart en de kunstenaar Frankétienne. Alles wordt even aangestipt en daardoor mist het stuk diepgang.

Cynthia Mc Leod vraagt zich in haar bijdrage af of het aan te bevelen is dat de lezer zich een beeld vormt van de geschiedenis via historische romans. Daar wil ze zich, ondanks de geweldige verkoopcijfers van bijvoorbeeld Hoe duur was de suiker?, niet over uitlaten. ‘Dat zou de uitkomst van het symposium moeten zijn’, is haar mening.

Ik denk dat een symposium over dit onderwerp ook geen uitsluitsel kan geven, daarvoor is het onderwerp te breed en te gecompliceerd. Wel is duidelijk dat historie in vele vormen verwerkt kan worden, letterlijk en figuurlijk. In literatuur, schilderijen, beelden, poëzie en zang, alle denkbare kunstvormen. En door over de slavernij na te denken en die uit te drukken in kunst, kunnen de nazaten van de slaven tevens aan een stukje rouwverwerking doen. En de nazaten van de slavenhouders kunnen zich plaatsvervangend schamen na zich verwonderd te hebben over de verschrikkingen die in die tijd plaats hebben gevonden. Eenieder doet dat op zijn eigen manier. Dat blijkt wél duidelijk uit de inhoud van deze bundel. Met bijdragen van onder meer Anil Ramdas, Rudy Bedacht, Remy Jungerman en Rihana Jamaludin, om maar wat Surinaamse auteurs in deze bundel te noemen.

Lucia Nankoe & Jules Rijssen (samenstelling): De slaaf vliegt weg. Beeldvorming over slavernij in de kunsten. Arnhem: LM Publishers, 2013. ISBN 978-94-6022-274-0

zaterdag 1 maart 2014

Groeien in Nickerie op het Kinderboekenfestival


door Els Moor

Van 3 tot en met 5 februari was het eerste Kinderboekenfestival van dit jaar in Nickerie.  Nickeriaanse kinderen zijn over het algemeen flink; ze durven te praten, hun meningen te uiten. In mijn stand ‘Lees je wijs!’ging het steeds over het thema ‘groeien’. We begonnen met een versje dat gezegd werd, samen in de kring, en met gebaren en bewegingen werd uitgebeeld:

Groeien, groeien, groeien / Wij leren, wij spelen, wij stoeien / daardoor wordt ons hoofd wijs en ons lichaam lang / Zo groeien we elke dag een beetje meer’/ bewegen helpt ook mee , elke keer / En door boeken te lezen gaan we op reis / Leren de wereld kennen: Lees je wijs!

Daarna werkten we met een boek waarin het thema ‘groeien’aan de orde komt, aangepast aan de leeftijd van de groep. Dit gebeurde  nog steeds in de kring, maar nu zittend op stoelen. Een boek over Nickerie voor oudere kinderen  is  De kleine Jaggernath, van Gerrit Barron. Het gaat over twee buurkinderen, een jongen en een meisje, die niet met elkaar mogen omgaan. Het verhaal speelt omstreeks 1930. Toen mochten jongens en meisjes elkaar niet aanraken, niet naast elkaar lopen, enzovoort. Deze twee groeien enorm in wijsheid. Soms hebben ze stiekem even contact. Er groeit een verliefdheid. Ze laten zich niet van de wijs brengen: ze leren goed, komen voor vervolgonderwijs in de stad terecht en later op een universiteit in Nederland. Zij wordt zelfs arts…  en hij later een groot politicus. En ze trouwen! Groei dus door eigen inzet, maar ook door steun van volwassenen die hun inzet en capaciteiten inzien.  Is Nickerie gegroeid sinds die tijd? Ja, bevestigen de leerlingen: er is een weg naar de stad, Nickerie is een echt stadje geworden met veel bedrijven. En hoe gaat het tussen jongens en meisjes? Stilte. Nu mogen ze naast elkaar lopen, samen spelen, sport beoefenen, samen in dezelfde klas zitten, maar trouwen? Dat is toch vaak nog moeilijk, komt er met moeite uit, als de ouders de partner niet uitgezocht hebben… vooral in de polders. Wel groei dus, maar die groei moet wel nog groeien!
Kindermusical 2013 van het KBF

De musical
Ook weer in Nickerie heeft Sandra Purperhart, deze keer samen met leerkracht Dorien Mac Donald,  met de kinderen van scholen in het district een musical voorbereid, Nickerie yu alesi en meki wi gron. Rijst deed en doet Nickerie groeien. Vanuit het heden wordt teruggekeken naar het verleden van het district. Op een originele manier: kinderen en jongeren praten op het ‘Brassaplein’ met de zeer oude  ex-districtscommissaris  Bharos, die een sociaal voelende dc was. Voor de jeugd in de musical is hij een ‘opa’. ( In werkelijkheid is hij al overleden.) Hij praat met hen en vertelt over het verleden van het district, over de ontwikkeling van de rijstcultuur, hoe eenvoudig het leven in zijn jeugd was, hoe hij opgroeide met melk, rijst,  suiker en bacoven. Hij werd gespeeld door een talentvolle jongeman uit het mulo-onderwijs, die ook nog een geweldige zwemmer is.  Later komt de huidige dc ( een jongen van 8 jaar in uniform met pet op) die de scholen eigen computers belooft en ook ‘the first lady’ (een mooi meisje).  Verleden en heden  komen naar voren. Het goede van nu, maar ook het slechte, hoe stropers de prachtige rode ibissen dood maken om ze op te eten en hoe ook in Nickerie de bescherming van de rijke natuur niet altijd serieus genomen wordt.  Het pedagogische aan de musicals van Sandra Purperhart is dat ze de kinderen losmaakt, doet groeien en bloeien. Ze durven vrij te praten en vooral ook te zingen en te dansen. Het enthousiasme straalt van ze uit. Groepjes die al dansend en zingend de natuur van Nickerie laten zien. Creatief en vol beweging is de musical en beweging doet groeien! Groeien is een prachtig thema voor zo’n musical!

Het beeld van Tata Colin in Totness
Foto © Michiel van Kempen
Tata Colin
Er waren ook groepen uit Coronie op het Kinderboekenfestival in Nickerie. Van een groep uit Totness wist niemand wie hun grote held Tata Colin was, van wie er nota bene een standbeeld staat op het plein in het dorp. De geplande vertelstof verdween en Tata Colin stelde zich voor aan de groep en vertelde over zijn leven, hoe hij als slaaf een soort bonuman was, langzaam maar zeker de andere slaven aanzette tot opstand. Hoe hij door  toedoen van zijn masra wreed afgetakeld werd en drie jaar zijn vermogen tot spreken kwijt was, later in een slavenziekenhuis gezet werd,  waar zijn mede-opstandelingen hem nog stiekem bezochten en waar hij weer kon praten. Hoe hij uiteindelijk in de stad in Fort Zeelandia werd opgesloten, maar voordat hij teruggevoerd zou worden naar Coronie om als afschrikwekkend voorbeeld opgehangen te worden… was hij verdwenen uit zijn afgesloten cel. We hebben er een verzonnen stukje aan vastgeknoopt. Toen de slaven dit hoorden, kregen ze weer moed en  kwamen ze werkelijk in opstand en met z’n allen takelden ze de masra die hen bezocht op hun plantage af. 

Van  Ruud Mungroo  ( 1938 – 2003)  is er in 1982 een boekje verschenen, en in 1989 een herdruk,  Tata Colin, met dit verhaal. Het is duidelijk dat dit herdrukt moet worden en op de scholen van Coronie terecht moet komen! Als er weer een Kinderboekenfestival  in Coronie is? Met een musical over de held die weg weet te vliegen uit zijn gevangenschap? Een motief uit de Caraïbische literatuur, en zelfs van de Nobelprijswinnares in de VS, de zwarte schrijfster Toni Morrison. 



donderdag 8 november 2012

Ruud Mungroo


Portret van de Surinaamse schrijver Ruud Mungroo, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 59c in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie en bestellingen kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

donderdag 14 juni 2012

Ruud Mungroo



Portret van de Surinaamse schrijver Ruud Mungroo, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 59b in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie en bestellingen kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

zaterdag 19 mei 2012

Ruud Mungroo


Portret van de Surinaamse schrijver Ruud Mungroo, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 59a in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto is ook in verschillende uitvoeringen te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

dinsdag 15 maart 2011

Coronie in de literatuur

door Els Moor

Coronie: wie Dromers Doemdenkers en Doorzetters bekijkt en leest, komt veel onderwerpen tegen die het goed zouden doen in gedichten en verhalen. Toch is er maar weinig literatuur over dit district, evenals over de andere districten en het binnenland. Hieronder volgt een overzicht van proza en poëzie over Coronie. Het is niet veel, maar zeker interessant om te lezen naast Dromers Doemdenkers en Doorzetters. Suriname is niet alleen Paramaribo. Onze prachtige districten en het zo bijzondere binnenland krijgen beslist niet de aandacht die ze verdienen. In vele opzichten zijn de bewoners zwaar achtergesteld. Hoe verder weg, hoe erger het is!

‘De Fuik’Het verhaal ‘De Fuik’ van Eddy Bruma (1925-2000) verscheen voor het eerst in 1952 als ‘De fuke’ in het Fries, in het Surinamenummer van De Tsjerne; vier jaar later in het Nederlands in de bloemlezing Meesters der negervertelkunst en in het Sranantongo als ‘Maswa’ in het tijdschrift Tongoni (1958). De Nederlandse versie is ook verschenen in Verhalen van Surinaamse schrijvers (1989) en in Mama Sranan (1999), beide samengesteld door Michiel van Kempen.
Het verhaal gaat over de urbanisatie die in die tijd het traditionele leven in de districten bedreigt. De centrale figuur in het verhaal is oom Safrie. Stadsbewoners die geen respect hebben voor de voorouders, komen grond kopen, maar Safrie jaagt hen weg. De enorme droogte dreigt echter funest te worden voor het landbouwersbestaan. Zelfs Joewan die door oom Safrie is grootgebracht alsof hij zijn eigen zoon was, vertrekt richting stad. Dat doet oom Safrie veel verdriet.
Eddy Bruma maakte in 1960, ter gelegenheid van de 1-juli-viering van de beweging Wie Eegie Sanie een toneelbewerking van het verhaal over de Coroniaanse vrijheidsheld Tata Colin.

Tata ColinIn 1982 verscheen het boek over Tata Colin van Ruud Mungroo (1938-2003). In 1989 werd het herdrukt. De schrijver deed voor zijn novelle onderzoek naar de gebeurtenissen die zich in de dertiger jaren van de 19de eeuw afspeelden rond de legendarische, charismatische figuur van Tata Colin. Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in 1835, op plantage Leasowes. De slaven daar krijgen moed naar aanleiding van de berichten die uit Paramaribo doorsijpelen over de brand van 1832, aangestoken door Codjo, Mentor en Present en ze gaan zich onder leiding van Tata Colin inzetten voor vrijheid. Dit leidt tot grote ongerustheid onder de slavenmeesters.

.
Beeld van Tata Colin in Totness, Coronie
Foto © Michiel van Kempen



Uiteraard zijn er ook verraders onder de slaven. Tata Colin krijgt een forse aframmeling en verliest zijn spraakvermogen. Pas na drie jaar begint hij weer te praten. Dan spreekt hij zijn medeslaven moed in vanuit het negerziekenhuis en voorspelt hij de naderende opstand, gevolgd door vrijheid. Hij en enkele medeslaven worden echter verraden en naar de stad gebracht voor berechting. Tata Colin krijgt de doodstraf. In Coronie zal hij opgehangen worden als afschrikwekkend voorbeeld. Voor hij echter vervoerd zal worden, is hij ‘ontsnapt’ vanuit zijn cel met gesloten deur … naar het water van de zee. Slaven die terugvliegen naar Afrika, het is een bekend motto uit de orale negerliteratuur. De zwarte Nobelprijswinnares uit Amerika, Toni Morrison, gebruikt het in haar roman De hemelvaart van Solomon (1974) en ook Tessa Leuwsha pakt het motief even op in haar roman Solo een liefde.

Solo een liefdeDe tweede roman van Tessa Leuwsha, Solo een liefde, verscheen in 2009. De hoofdfiguur in deze roman, de jonge vrouw Solana, is sterk geworteld in Coronie. Ze is geboren op plantage ‘Paradise’, die een grote rol in haar leven blijft spelen. Het is een roman over een liefdesrelatie die ook, ingebed in het verhaal, veel informatie geeft over Coronie en de geschiedenis van het district. In de terugblikken naar Solana’s overgrootvader Riedewald Cummings, die na het vertrek van de plantage-eigenaar naar Nederland de verantwoordelijkheid voor de plantage Paradise heeft, zit veel informatie over de zware tijd wanneer de verzilting van de grond begint, de kokospalmen ziek worden en de katoenverkoop daalt. Hij verlaat de plantage en laat de verantwoordelijkheid aan een ander. Dat zie we steeds. Ook Solana’s moeder vertrekt en laat de verantwoordelijkheid voor de plantage aan haar jonge dochter. Solana zelf komt later met haar geliefde in Frimangron terecht, buurt voor ‘vrije negers’ in Paramaribo, maar Coronie laat haar niet los. Het is een boeiend geschreven roman vol diepte en informatie.

Dichters
Enkele bekende Surinaamse dichters zijn afkomstig uit Coronie. Michaël Slory (1935) is er een, die ‘Koronie kawina’ schreef, opgedragen aan kawinazanger Bigi Jones, een lang kawina-achtig gedicht in het Sranan en Nederlands. Iedere tweede regel luidt: ‘Mi ben dape, bato, gongote!’, ‘Ik was er ook bij, waarachtig wel!’ Dat geeft het gedicht een prachtig ritme.
Sombra (1939) dichter en voordrachtskunstenaar in het Sranan en bekende persoonlijkheid binnen de Schrijversgroep 77, heeft gedichten geschreven over zijn geboortedistrict en een verhaal ‘Futumarki fu grebi’ dat hij vaak vertelt, staat in vertaling van Michiel van Kempen onder de titel ‘Voetsporen naar het graf’ in de bundel Hoor die tori! (1990). Het is een echte ‘ondrofinitori’, ‘ondrofini poti mi na skoro/ Sabi so poti mi sidon na bangi.’zijn de laatste woorden in het verhaal van de jager die door ondervinding wijs wordt.
Trudi Guda (1940) is niet afkomstig uit Coronie, maar in haar prachtige bundel poëzie Vogel op het licht, staat wel het korte gedicht:

Strand bij Coronie

Dragen vogels de wind
koelt de zee het strand

Vrijen vogels de wind
zoent de zee het zand, het zand, het zand

En dan Jozef Slagveer (1940-1982): hij was journalist en dichtte ook. Hij was afkomstig van Coronie en hield van zijn district. De laatste strofe van zijn gedicht ‘Totness’ luidt:

[…] hier wil ik sterven
met erebogen
van kokospalmen
dit is mijn land
mijn eigen land
niemand die me
dit ontnemen kan

Hij stierf op 8 december 1982, niet in zijn land met erebogen van kokospalmen, maar vermoord in Fort Zeelandia.
De kindergedichten, resultaten van de workshops van Celestine Raalte in de verschillende scholen van Coronie, staan in het ‘Intermezzo’ van Dromers Doemdenkers en Doorzetters. Lees ze! Ze zijn prachtig. Zulke initiatieven maken de slapende literatuur wakker!


[ook in de Ware Tijd Literair, 12 maart 2011]

Het verhaal van Eddy Bruma, 'De fuik', is te vinden op de site van de DBNL, klik hier

donderdag 13 januari 2011

Dan zal er geen slavernij meer zijn!

door Michiel van Kempen

Ruud Mungroo en Benny Ooft hadden veel gemeen. Ongeveer even oud - Mungroo werd geboren in '38, Ooft in '41 - verkregen beiden een degelijk onderricht in de Nederlandse taal door de fraters en beiden zouden zich literair bijna uitsluitend in die taal ontplooien. Uit hun schooljaren groeiden zelfbewuste, nationalistisch denkende mannen die zich strijdbaar inzetten voor hun politieke idealen, maar die `relaxed' met die idealen omsprongen. Plezierig in de omgang, beschikkend over een royale lach, niet de minsten onder de volgelingen van Bacchus, verrieden zij geen spoor van de hebi's die sommige nationalisten tonen als figuren die niet helemaal lekker in hun vel zitten.

Ook in het werk dat zij naar buiten brachten, lieten Ruud Mungroo en Benny Ooft een opvallende parallel zien. Beiden waren actief in de journalistiek en de filmwereld (Ooft als regisseur, Mungroo kortstondig als acteur in Pim de la Parra's Wan pipel uit 1976). Beiden publiceerden één verhalenbundel (Afanaisa, respectievelijk Silhouetten). Beider belangrijkste werk tot op heden is een novelle die een belangwekkende overgangsperiode uit de Surinaamse geschiedenis verbeeldt: Oofts Avonden aan de rivier (1969) vertelt over de dreigende ontvolking van het binnenland na de komst van de stuwdam, Mungroos Tata Colin (1982) gaat over de beroeringen onder de slaven die hun vrijmaking voelen naderen. Nog een opvallende parallel tenslotte: de literaire productie van de zwagers is moeizaam tot stand gekomen en hun grootste werk is nooit verschenen. Wijlen Benny Ooft zal zijn opus magnum, de roman Tussen palmen en dijken, nooit in druk zien. De roman De erfenis van Ruud Mungroo was volgens uitspraken van de auteur al in 1987 voltooid (een fragment ervan stond in dat jaar in het Surinamenummer van het Vlaamse tijdschrift Deus ex Machina), maar is ook nooit ter perse gebracht.

Tata Colin verscheen in 1982 en werd in 1989 herdrukt. Het boek was Ruud Mungroos hoogste literaire gooi tot op dat moment. Tata Colin overtrof de korte novelle Het raam aanzienlijk in omvang èn kwaliteit. Op het spoor gezet door een artikel in het Bulletin van het Rijksmuseum, Amsterdam was Mungroo aan het gegevens-verzamelen geslagen over de gebeurtenissen die zich in de jaren '30 van de 19de eeuw in Coronie hadden voorgedaan rond de charismatische figuur van Tata Colin. Het verhaal speelt zich af in jet jaar 1835 op de plantage Leasowes. Honend spreekt de slaag George over de vrijheid die `een dwaas als Colin' de slaven in het vooruitzicht heeft gesteld. De lezer wordt middels een flashback meegenomen naar drie jaar eerder, 1832, het jaar van de grote brand van Paramaribo, zoals bekend (en door Rikken in zijn roman Codjo, de brandstichter in 1903 verhaald) aangestoken door Kodjo, Mentor en Present. Tata Colin heeft in die brand het voorteken gezien van de naderende bevrijding. Maar de planters voelen de onrust in de lucht zitten en William Mackintosh, met de verraderlijke Kwadjo aan zijn zijde, zorgt ervoor dat Colin een flinke aframmeling krijgt. In een korte flashback (pp. 34 36) binnen de grote flashback (pp. 4 36) zien we Colins gedachten teruggaan naar hoe hij uit Afrika geroofd werd en als slaaf naar Suriname werd gebracht.

Na zijn wrede straf verliest Colin voor drie jaar zijn spraakvermogen. In die tijd verkrijgen de slaven in de Engelse koloniën hun vrijheid. Op zekere dag begint Tata Colin weer te spreken. Als teken van zijn onafhankelijke geest steekt hij zijn huisje in brand. Hij wordt opgesloten in het negerziekenhuis. Van daaruit tracht hij de andere slaven moed in te spreken en profeteert hij de naderende opstand. Maar door het verraad van de slaag George worden hij en zijn medestanders in de ketens geslagen en naar Paramaribo vervoerd om berecht te worden wegens samenzwering. Tata Colin wordt ter dood veroordeeld (wat er van de anderen wordt, horen we niet), maar het vonnis kan niet voltrokken worden, zoals de oude slavin Peggy verhaalt:

Luister goed, en vertel aan de anderen dat Tata Colin twee dagen geleden Suriname heeft verlaten. Zonder dat de deur van de gevangenis werd geopend, stapte hij door de muur heen naar de rivier en liep over het water naar zee. Hij zal terugkeren wanneer de granmaster en de officiersster aan de hemel samenkomen. Dan zal er, zoals hij ons dat jaren geleden voorspeld had, geen slavernij meer zijn!

Als het gaat om de geschiedenis van Suriname, dan ligt er nog veel terrein braak voor de Surinaamse schrijvers. Veel heldenlevens zijn nog nooit tot onderwerp van een literair verhaal gemaakt, terwijl de herdrukken van Johan Hokstams Boni, Cynthia McLeods Hoe duur was de suiker? en andere romans, Clark Accors De koningin van Paramaribo en ook Tata Colin bewijzen dat er een bijzonder geinteresseerd lezersvolk voor bestaat. De novelle van Ruud Mungroo (want het gebeuren is te beperkt van omvang en de karakters zijn te weinig uitgewerkt om van een roman te kunnen spreken) is een waardevolle bijdrage in literaire vorm aan de geschiedschrijving van Suriname. Het mythische einde de geest van Colin die over de wateren terugzweeft naar Afrika geeft het juiste perspectief aan de hoopvolle verwachting die Colin in de harten van de slaven gelegd heeft en die uiteindelijk in 1863 haar inlossing vond.
Jammer is dat de herdruk niet te baat is genomen om een aantal oneffenheden glad te strijken. Op een aantal plaatsen gaat de stijl in de richting van het cliché: striptaal als `smerige honden', `Gevangen in de greep van de angst', `bittere woede', `jammerlijk verdronk'. De stijl vertoont ook wat onhandigheden. Neem deze zin: Wat zal ons een teken zijn, Tata Colin, zeg het ons zodat we het aan hen die wanhopen, en zich door de blanken die twee oogsten geleden in Coronie aankwamen, laten dopen, omdat ze zijn gaan twijfelen aan onze overwinning, kunnen vertellen. Het is natuurlijk een zin die niemand ooit uit zijn strot kan krijgen. Klunzig is ook: Hij voelde hoe haar nagels zich in zijn vlees boorden, langzaam zakten ze op de vloer neer. Nagels die op de vloer zakken? Enkele taal en drukfouten zijn in de heruitgave niet rechtgezet, maar echt vervelend is de slordige manier waarop wordt omgesprongen met de tijdsaanduidingen. De al eerder vermelde grote flashback speelt zich af in het jaar 1832. Daarin lezen we (p. 19): het feit dat de slavernij volgend jaar wordt afgeschaft in de Britse koloniën. Het volgend jaar is dus: 1833. Maar die afschaffing vond pas plaats in 1834! Als die flashback dan voorbij is, zijn we dus weer terug bij het begin: het jaar 1835. Dan staat er opeens weer (p. 37): Zwoegend op de velden en in de katoenloodsen gingen er drie jaren voorbij. Maar die drie jaren zijn gerekend vanaf 1832! Er had dus moeten staan: waren er drie jaren voorbijgegaan. Overigens is de zin ook anderszins een tenenkrommer: onderwerp is `drie jaren' en dan zouden dus die drie jaren hebben zitten zwoegen in de katoenloodsen... Geheel correct had de zin dus moeten luiden: Zwoegend op de velden en in de katoenloodsen hadden de slaven drie jaren voorbij zien gaan. Zij die schrijven niet als een vak zien vinden dit soort opmerkingen muggenzifterij. Het zij zo, ik neem een boek van de eerste tot de laatste bladzijde serieus.


Foto rechts: standbeeld voor Tata Colin in Totness, Coronie, @ Michiel van Kempen