Tijdens de van 8 tot 11 mei gehouden 13de Internationale Conferentie van de Association of Caribbean Women Writers and Scholars (ACWWS) hield de Frans-Guyanese schrijfster Sylviane Vayabouri een presentatie over de literatuur van haar land. Ze is geboren te Cayenne in 1960 en is er grootgebracht door haar grootouders. Daarna heeft ze ook gewoond in Guadeloupe, Martinique en Frankrijk.
![]() |
| Sylvie Vayabouri |
Wat natuur betreft
lijken Frans-Guyana en Suriname veel op elkaar, maar de status van beide landen
is verschillend: Suriname is een onafhankelijke staat en Frans-Guyana een
‘overzees departement’ van Frankrijk. Het is interessant te zien hoe in het
‘Franse’ Guyana al meer dan een eeuw schrijvers in hun werk bezig zijn met de
eigen Caraïbische identiteit.
![]() |
| Léon-Gontran Damas |
Als er over Frans-Guyanese literatuur wordt gesproken dient volgens
Vayabouri vooraf een vraag te worden gesteld: wie of wat is Frans-Guyanees?
Deze vraag is sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw actueel en zorgt nog
steeds voor veel discussies. Hierbij speelt de kwestie van afstamming een
belangrijke rol. Deze theorie wordt ondersteund door de volgelingen van
Léon-Gontran Damas (1912-1978) die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de
ontwikkeling van authentieke literatuur in de Frans-Caraïbische eilanden en
Frans-Guyana. Damas werd geboren in Cayenne en volgde middelbaar onderwijs in
Martinique. Zijn universitaire studie deed hij in Frankrijk, waar hij met de
Martiniquaan Aimé Césaire en de Afrikaan Léopold Senghor en anderen een blad
publiceerde, L’étudiant noir (De zwarte student). Deze beweging groeide uit tot
de ‘Négritude’, het streven naar bewustzijn van de positieve eigenheid van
zwarte mensen. Terug in Guyana werd hij dichter en gedeputeerde. Zijn gedichten
zijn zeer fel. Heel die westerse cultuur die men hem in zijn jeugd te slikken
gegeven had, spuugde hij erin uit. ‘Hik’ is een meesterlijke spot met het Franse
fatsoen dat kinderen aangeleerd werd door hun ouders, wat nu nog veel gebeurt, en
echt niet alleen in Frans-Guyana. In Suriname is het de dichter Eugène Rellum (1896-1989) die beïnvloed
werd door de Négritude. Bekend is zijn gedicht ‘negerschap is als bloeiende
vanille...’.
Ook de band met de
Frans-Guyanese grond werd een uitgangspunt om gerekend te worden tot
Frans-Guyanees. De aanhangers hiervan zijn André Bonneton en Marie José
Jolivet. Zij stellen dat iemand als Frans-Guyanees beschouwd kan worden wanneer
die persoon geboren is in Frans-Guyana of opgevoed is door/tussen
Frans-Guyanezen.
Wat literatuur betreft
vindt Vayabouri echter dat er sprake moet zijn van een samenspel van allerlei
factoren, dat maakt dat iemand tot de Frans-Guyanese literatuur gerekend kan
worden. Belangrijk is de betrokkenheid van de schrijver bij de geschiedenis,
gedachten, ontwikkelingen, gewoontes en tradities van Frans-Guyana. Als
voorbeeld noemt zij een werk uit 1885 van ‘de vader van de créolité’ (creolisering),
Alfred Parepou: Atipa. De figuur Atipa is een enorme kletser en grappenmaker.
Hij wordt Atipa genoemd omdat hij zoveel van die vis - bij ons kwikwi - houdt.
Hij is een echte patriot, maar kan ook heel kritisch zijn, met name als het
gaat over assimilatie, of over de run op goud die eind 19de eeuw speelde in
Frans-Guyana. Ook René Jadfar
(1901-1947) wordt als voorbeeld van een gecreoliseerde auteur genoemd. Hij was
geobsedeerd door het leven in het binnenland, van ‘botoman’, houthakkers en
goudzoekers. Hij was zeer dynamisch, als mens en als schrijver, en in zijn werk
is veel herkenbaar in verband ook met ons binnenland.
Veel orale literatuur is
vastgelegd in Frans-Guyana. In dit opzicht is onze orale literatuur, vooral die
van de verschillende volkeren in het binnenland, familie! Een veel gebruikte
bundel is Contes et legendes folkloriques (1960 en 1980), samengesteld door
Michel Lohier, maar ook Léon-Gontran Damas heeft veel orale vertellingen
opgeschreven.
![]() |
| Elie Stephenson |
Sylviane Vayabouri ging
tijdens haar lezing ook in op de stromingen in de Frans-Guyanese literatuur. De
nationalistische stroming die we hierboven gezien hebben, waarbij er wordt
gestreden voor identiteit, met afkeuring van het kolonialisme, de slavernij en de
Franse/westerse assimilatie. Het grote voorbeeld is en blijft Léon-Gontran Damas.
Later komt Elie Stephenson (1944), die sterk beïnvloed is door Damas. Hij is de
eerste Guyanese theaterman, dramaturg en ook schrijver van stukken. Stephensons
werk wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hij schrijft kritisch en
revolutionair. Zelf zegt hij dat schrijven voor hem getuigen is, een eigen
positie innemen en engagement in praktijk brengen. Stephenson heeft ook poëzie
geschreven. Verschillende bundels van hem zijn gepubliceerd. Terres mêlées (Gemengde
gebieden) is van 1984. Hierin staat een gedicht over Maripasoula, een
marrondorp vlak bij de grens met Suriname in het Lawagebied. In de 18de eeuw tijdens
de Boni-oorlogen vluchtten veel Boni de grens over. In Maripasoula wonen nu nog
steeds veel Aluku en Boni.
De tweede stroming is de
regionalistische stroming die het land, zijn rijkdommen, de flora en fauna, de
folklore en de vrouwen ophemelt/verheft. Enkele schrijvers zijn: Ismael Urbain
(1812-1884), Christian Rollé, Assunta Renau Ferrer (1959) en Tom Dinguiou
(1965).
Overigens zijn er ook
romanschrijvers die niet gerekend willen worden tot een van de twee stromingen.
Een bekende van deze soort is René Maran, winnaar van de Goncourtprijs in 1921
voor zijn roman Batouala. Hierin vertelt hij het verhaal van het dorpshoofd
Batouala. Aan het begin van de dag, bij het ochtendgloren, begint Batouala met
zijn dagelijks ritueel: geeuwen, jeuken van zijn lichaam, wrijven van zijn ogen
met de rug van zijn hand en het bedrijven van de liefde met een van zijn
vrouwen die nog slaapt. Handelingen die hij dagelijks uitvoert. Zijn dagen
bestaan uit het roken van sigaretten, zijn dagelijks tijdverdrijf. Hij ontbijt
met Yassigui’ndja,
zijn eerste en favoriete, maar kinderloze vrouw. Vaak reflecteert hij over zijn
leven en hij minacht het rijke, zorgeloze leven van de blanken. Spot naar beide
kanten toe, dus!
De werken van deze
onafhankelijke romanschrijvers zijn echter wel in genres te verdelen, zoals
sociaal-realistische, avonturen-, historische en regionalistische romans. Tot
de laatste groep hoort Sylviane Vayabouri zelf. Haar debuutroman, Rue Lallouette prolongée, is
autobiografisch en nodigt de lezer uit haar te vergezellen op de driesprong
tussen La Guyane, Frankrijk en de Franse Antillen. Op die weg ontmoet men
veranderende tradities, cultuurschokken, kostbare oude herinneringen en zeer
pijnlijk verdriet. Haar tweede boek, La
Crique, gaat over multiculturele diversiteit en de betekenis van het
leven in een plaats als Cayenne, in een Frans overzees departement dat worstelt
met het multiculturele vraagstuk. Ook interessant vergelijkingsmateriaal voor
ons, maar deze romans zijn helaas niet vertaald, evenals de vele andere, zodat
het weinig zin heeft al die werken hier te noemen. Ons gaat het erom te laten
zien dat er veel overeenkomsten zijn tussen onze literatuur en die van
Frans-Guyana, dat er goed geschreven werd en wordt, kritisch, vaak fel en
spottend: ze nemen geen blad voor de mond. Ook zijn er prachtige, herkenbare
verhalen uit de orale literatuur en beschrijvingen van het leven van de bosnegers
en inheemsen in het binnenland die evengoed in Suriname zouden kunnen spelen.
Zou het geen goed idee zijn om een bundel voor Suriname samen te stellen met
werk van Frans-Guyanese auteurs, vertaald uiteraard? Op deze pagina doen we
alvast een kleine poging! Sylviane Vayabouri heeft ons op dit spoor gezet!
Grantangi! Grand merci!
[Bronnen: De voordracht van Sylviane Vayabouri
tijdens de Internationale Conferentie ACWWS; Biringanine Ndagano, Monique
Blérald-Ndagano: Introduction à la litteratuur guyanaise. CDDP Guyane, 1996.
ISBN 2-908931-16-8; La plume guyanaise, revue littéraire. IBIS Rouge Editions,
2003; Maryse Condé: De open plek. In de Knipscheer, 1996]






