Posts tonen met het label Rijk Peter de. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rijk Peter de. Alle posts tonen

zaterdag 15 maart 2014

Dingen gebeuren nu eenmaal

De rode appel van Giselle Ecury

door Ezra de Haan
Giselle Ecury geïnterviewd door Peter de Rijk
Foto © In de Knipscheer

De rode appel is alweer het vijfde boek van Giselle Ecury. Ze debuteerde met de gedichtenbundel Terug die tijd (2005). In 2006 verscheen haar eerste roman Erfdeel en drie jaar later Glas in lood. Haar tweede gedichtenbundel, Vogelvlucht, volgde in 2010. Een thema dat Ecury bezighoudt en dat in veel van haar werk voorkomt zijn de twee culturen die zij in zich draagt. Ze werd in 1953 geboren op het eiland Aruba. Begin 1960 vertrok het gezin naar Nederland waar haar moeder vandaan kwam. Ondanks haar Hollandse opvoeding ontkwam ze niet aan de Antilliaanse invloeden van haar Arubaanse vader en aan die van haar achtergrond.

Mooi geschreven en zeer waarschijnlijk op Ecury’s persoonlijke ervaring gebaseerd is in De rode appel de beschrijving van Nico’s beleving van de aankomst in Nederland. Voor iemand die Curaçao gewend is, komt Nederland over als ‘een immens groot akkerland met af en toe een plaats, waar je doorheen moest sukkelen.’ De afstanden die ze moet afleggen zijn groot. ‘Dat was ik op Curaçao niet gewend. Daar was alleen de tocht naar Westpunt tijdrovend.’ Zelf wordt hij bekeken als een vreemde, zelfs door familie. ‘Echt iemand van daar hè. Je bent donkerder dan wij hier zijn.’ Zelfs zijn taal wordt gekeurd.‘Jullie Nederlands is… hoe zal ik het zeggen? Scherper, hè Jan, vind je niet? En melodieuzer, ’wendde ze zich tot mijn oom.’
Curaçao Westpunt. Foto © Sunshine Landvreugd


Wanneer je deze passage naast die van een andere aankomst zet, die van Joke, de geliefde van Nico, op Curaçao, merk je meteen hoe goed het inlevingsvermogen van Ecury is. Wat voor Nico Dushi Kòrsu is, een eiland vol prachtige, kleurrijke gebouwen, in een azuurblauwe zee, is voor Joke een naar kerosine stinkend eiland. En die houding van haar verandert niet, integendeel.

‘Steeds vaker at ik alleen en zodra ik de porch betrad, mopperde Joke op de warmte, de beperkte infrastructuur van het eiland, de wind. Ze miste haar familie, of wilde net als haar vriendinnen in Holland weer eens uitgebreid winkelen in een grote stad, of lekker naar de kermis.’

Giselle Ecury speelt de verschillen tussen mensen op voorbeeldige wijze uit. Je ziet conflicten ontstaan en ook, en dat is misschien wel het meest interessante, hoe mensen ze vervolgens oplossen. Desnoods alleen voor zichzelf. Het gaat in deze kloeke roman om Nick en Elisabeth. Beiden woonachtig in Nederland en met een gedeeld verleden dat zich op Curaçao heeft afgespeeld. Hun vriendschap en intieme gesprekken zorgen voor de ontwikkelingen in dit boek. Nick voelt zich benadeeld door zijn ouders. Nooit kreeg hij, voor zijn gevoel, de warmte en aandacht die zijn broers en zus wel kregen. Jaren loopt hij ermee rond en pas als zijn ouders 50 jaar getrouwd zijn, komt de waarheid boven tafel.

Natuurlijk moet hij die onthutsende kennis kwijt aan Elisabeth. Het telefoongesprek maakt echter gevoelens bij haar los die Nick nooit kon bevroeden. Ook zij heeft een verleden en voelt dat ze daar niet langer mee rond kan blijven lopen zonder er iets mee te doen. Haar au-pairtijd in Zuid-Frankrijk was een wilde periode in haar leven. Ze was een typisch kind van de jaren zestig en zeventig dat met een hoofd vol van feministische idealen en dromen over een seksuele revolutie domweg deed wat ze wilde.

‘Ik moest aan Marie-Cécile denken, kon dit niet maken, al had ik maling aan haar. Met het losmaken van mijn jurk had hij mij geopenbaard. Gevoelens waarvan ik het bestaan niet had kunnen vermoeden. Overspel! Van het woord huiverde ik. Ik wilde alles weer dichtritsen. Overspel. Wie dat woord ooit had verzonnen, wist niet waar hij het over had. Hier zat niets speels in, het was ondraaglijk. Overmacht. Overdaad.
En tóch dacht ik telkens. Ik wíl het. Als het dan mag gebeuren, dan met hem. Nu.’

Rutger Hauer en Monique van de Ven in Turks fruit
Ook Elisabeth gaat terug naar haar verleden om te zien wat de gevolgen zijn van de daden van toen. Daarmee komt ook deze roman op Frans grondgebied, iets wat wel vaker in de romans van Ecury gebeurt. De auteur voelt zich merkbaar op haar gemak wanneer ze over Frankrijk of Curaçao schrijft. Hierdoor kan ze alle aandacht geven aan haar personages en hun queeste naar hun verleden. Die tijd weet ze verrassend goed tot leven te brengen. Zo plaatst ze de voorlichting van haar moeder naast de literatuur van die dagen. ‘Je doet “het” alleen als je erg van een jongen houdt en alleen als je al getrouwd bent.’ Elisabeth had daar niet uit begrepen hóé je zou moeten vrijen, alleen dat je het zou moeten- of mogen.’ … ‘Maar in Turks Fruit van Jan Wolkers, dat ze jaren later gelezen had voor haar eindexamen, verliep alles volledig anders.’

Door verschillende periodes in het leven van Elisabeth met elkaar te laten kruisen vormt zich ook een beeld van hoe ze haar leven later als een vijftiger bekijkt. Juist dat scharnieren van tijdsgewrichten is een van de factoren waardoor dit verhaal boven zichzelf uit wordt getild. Er is zoveel veranderd in vijftig jaar dat zelfs mensen die het hebben meegemaakt er vol verbazing op terugblikken.

‘Zo was het vroeger. Hoe wisten meisjes zoals ik, wat er te koop was in de wereld? Een kind van tien begrijpt tegenwoordig veel meer dan ik toen.’

Los van het geslaagde tijdsbeeld en de zeer goed getypeerde locaties in deze roman gaat het, zoals eerder gezegd, om de levens van Nick en Elisabeth. In hoeverre wordt hun leven bepaald door hun ouders en maakt het vervolgens eigenlijk uit of het je ouders wel zijn? Is de opvoeding niet belangrijker dan bloedverwantschap?

Giselle Ecury heeft met De rode appel een roman geschreven die tot nadenken dwingt. Het schijnbaar gemak waarmee ze haar boeken schrijft, geeft de lezer daar alle ruimte toe. Het enige puntje van kritiek zou de kleinere rol van Nick in dit boek kunnen zijn. Blijkbaar voelde de auteur zich toch meer thuis in de rol van een vrouw of zag ze meer kansen in de zeer gedetailleerde beschrijvingen van Elisabeths liefdesleven. Natuurlijk kan het ook zo zijn dat ik zozeer genoot van de passages over de treurige jeugd van Nick op Curaçao dat ik er niet genoeg van kreeg… Duidelijk is wel dat Giselle Ecury zo langzamerhand een eigen plek binnen de Nederlandse literatuur, en die van Curaçao, aan het veroveren is.


dinsdag 10 december 2013

Letterij sluit met Goudkust herdenkingsjaar afschaffing slavernij af

In het kader van ‘Hoezo Haarlem & Slavernij’ en als afsluiting van ‘150 jaar afschaffing slavernij (1863-2013)’ houdt Marcel van Engelen op woensdag 11 december een lezing over de Nederlandse slavenhandel in Afrika. Met een gastoptreden van Wijnand Stomp.

Marcel van Engelen studeerde Communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en Post-doctoraal Journalistiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 2001 ontving hij de journalistieke aanmoedigingsprijs (Het gouden pennetje). Hij was jarenlang journalist bij Het Parool (1998-2005), eerst als verslaggever later als redactiechef. Zijn debuut De Gelukzoeker werd verkozen tot een van beste journalistieke boeken in 2008 en 2009 (shortlist M.J. Brusseprijs). Hij werkte de afgelopen vier jaar aan Het Kasteel van Elmina; in het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika, dat onlangs is verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij.

Wijnand Stomp kwam op zijn twaalfde van Curaçao naar Nederland (Haarlem) en ontwikkelde zich tot theatermaker. Hij maakte vier verhalen-cd’s en schreef in 1997 het prentenboek Lisa en de Bruine Prins (uitgeverij Sjaloom). In 2010 verscheen bij uitgeverij Holland zijn verhalenbundel Mister Anansi leert de wereld lachen. Hij is de oprichter van het jeugdtheatergezelschap Kalebas. Behalve theatervoorstellingen voor kinderen staat hij ook op het toneel met ‘Stomp XL’, een theaterprogramma voor volwassenen dat onder meer gaat over het slavenverleden van zijn voorzaten en over een droom over de slaaf Tula, een van de leiders van de grote slavenopstand op Curaçao in 1795.
 
Wijnand Stomp
Voorts aandacht voor ‘Bezoek van een Haarlemmer aan Suriname en Curaçao in 1861 en 1862’.
‘Letterij, programma met schrijvers’ is een samenwerking tussen Uitgeverij In de Knipscheer en de Pletterij. De maandelijkse schrijversavonden van Letterij worden thematisch samengesteld, zoveel mogelijk naar aanleiding van recent bij Nederlandse uitgeverijen te verschijnen boeken, die inhoudelijk grenzeloos zijn. Uitgever Franc Knipscheer is de host van de avond. De interviews worden gehouden door Peter de Rijk.

Locatie: Pletterij, Lange Herenvest 122, Haarlem. Aanvang: 20.00 uur. Zaal open: 19.30 uur. Toegang 5 euro.
Toegang € 10,00 incl. Eat & Greet met Marcel van Engelen en Wijnand Stomp.  Aanvang 18.30 uur.

Beperkt aantal plaatsen. Vooraf reserveren. reserveren@pletterij.nl of bel 023 542 3540.

zaterdag 30 november 2013

Speelbal op de woedende golven van het lot

1961: het Amerikaanse oorlogsschip Gearing leidt het gekaapte
 passagiersschip Santa Maria naar het Braziliaanse Recife
Over De supermarkt van Vieira van Eric de Brabander

door Peter de Rijk

De mens is geneigd te denken dat hij zijn leven kan plannen. Die illusie van ‘maakbaarheid’ zorgt voor driftig uitstippelen, voor dromen over later en uiteindelijk de grote kater als het allemaal anders loopt… Eric de Brabander toont ons dat met zijn derde roman De supermarkt van Vieira. Hij maakt in dit boek dankbaar gebruik van een waar gebeurd verhaal, dat van kaping van het Portugese passagiersschip de Santa Maria in 1961. Maar zijn roman gaat verder dan die kaping. Eric de Brabander bedacht de gevolgen voor hen die meededen aan die kaping, mensen zoals João Vieira. Zijn familie kwam pas vijftig jaar na de beruchte kaping achter zijn verblijfplaats en wat er van hem was geworden…
Eric de Brabander

Eric de Brabander debuteerde met de roman Het hiernamaals van Doña Lisa in 2009. De reactie van de pers was zeer enthousiast. De Zuid-Amerikaanse literatuur klonk door in het boek, maar ook de Antilliaanse en vergelijkingen met Márquez, Arion en Zielinksi lagen dan ook voor de hand. De Brabanders tweede boek, met wederom een lange titel, Hot Brazilian Wax en het Requiem van Arthur Booi (2011) was vooral een schokkend boek. Desalniettemin ontving ook dit boek veel positieve kritieken. De supermarkt van Vieira toont de vaart waarmee De Brabander zich ontwikkelt. Hij zet zijn vorige twee boeken in de schaduw van de derde. De reden daarvan is de vorm, die meer van de lezer vraagt. Het levert literatuur op van hoge kwaliteit.

Het verhaal start in 1951, in Angola, in het Afrika van Portugal. We maken kennis met João Vieira die op dat moment nog in dienst van het leger is. Hij wordt een moordenaar tot zijn eigen verbijstering, en die van de lezer die amper twee bladzijden gelezen heeft. ‘Zijn geweer ging af zonder dat hij dat echt gewild had.’ De dode is een neger die hem met een steen had bedreigd. Zijn bloed zal het leven van João veranderen. Hij leert dat een mensenleven weinig waard is.

‘Er gebeurt helemaal niets mee, soldaat. Niets. Mijn secretaresse Fátima, die je zojuist hebt zien zitten, tikt het uit en stopt het in een grote ordner en die zet ze in de kast. En als we ooit eens verhuizen, dan belanden al die ordners op de vuilnisbelt.’

In de  volgende twee hoofdstukken merken we dat de auteur met grote sprongen door de tijd heen schiet. We gaan van Antwerpen in 1953 naar Curaçao in 2011. We zijn bij de tewaterlating van de oceaanstomer Santa Maria, en de eerste dode die daarbij valt, en we leren Franciso, de eigenaar van een supermarkt kennen. Het is een man die overal handel in ziet, zelfs in verrotte mango’s, iemand die zijn personeel onderbetaalt, illegaal drank stookt en graag domino speelt onder het genot van een goed glas rum. Als in Arions Dubbelspel biedt het gesprek tussen de spelers inzicht in hun denkwereld.

‘Er wordt door een minderheid geschreeuwd om onafhankelijkheid en de meerderheid reageert apathisch. Als dit zo doorgaat, is er binnenkort geen democratisch Curaçao meer over, dan wonen we met z’n allen in Apenland, met King Kong als president. Dan heb je geen rimpeltjes meer maar huizenhoge golven. Overal.’
 
António de Oliveira Salazar
Francisco heeft geen weet van wat zich in het verleden heeft afgespeeld, weet slechts dat zijn vader van de ene op de andere dag verdween. Tot hij vanuit Brazilië door zijn broer wordt gebeld. Een broer van wie hij, tot op dat moment, nooit op de hoogte was. Het is een van de vele verrassende momenten in deze roman. Verrassingen die onder andere voortkomen uit de steeds weer wisselende locaties en momenten in de tijd. Zo leren we veel over de invloed van Salazar op Angola. Hij rooft de kolonie leeg en misbruikt zijn bevolking en ook in Portugal blijkt terreur het middel om de macht te behouden. De Brabander maakt duidelijk hoe de kaping van de Santa Maria een logisch gevolg is van het gedrag van Salazar.

Operatie Dulcinea gaat de actie heten en moet het begin van de omverwerping van de dictaturen van Spanje en Portugal zijn. De eerste haven die het schip aandoet is Willemstad en die simpele reden zorgt ervoor dat een man op Curaçao bij de kaping betrokken raakt. De lezer herinnert zich op dat moment het begin van het boek en weet dat João in contact staat met de Onafhankelijke Nationale Beweging van Humbert Delgado. Hij heeft meer dan één appeltje met de regering Salazar te schillen. Zijn vader is door hen gedegradeerd en ‘door de stront gehaald’. Zijn oom was door hen vermoord en zijn vader werd uiteindelijk door de PIDE voor de ogen van zijn moeder doodgeknuppeld. João heeft alle reden om zijn bestaan op het spel te zetten.

En vervolgens wordt João een speelbal op de woedende golven van het lot. Schaamte en schande spelen in het verloop van dit verhaal een grote rol. Ze zorgen ervoor dat iemand voorbij het punt komt dat hij nog terug kan komen.

‘Je haalt twee elementaire begrippen door elkaar. Schaamte… en schande. Schaamte dat is iets waar dit hele eiland van overloopt. Alles bedekt. Niks in de openbaarheid.

Niets wordt hier op de man af gezegd. Zoals het werkelijk is. De mensen hier lopen als kakkerlakken over dit eiland, de harde vleugels als rugdekking gebruikend voor eenieder die hen met schande  zou willen overladen.’


De supermarkt van Vieira is een belangrijk boek in het oeuvre van Eric de Brabander. In de roman gaat hij voorbij aan de drempels van plaats of tijd. Deze schrijver passeert ook de schaamte wanneer hij ‘la conditon humaine’ in beeld wil brengen. Als een passagiersschip stoomt hij door, nietsontziend, tot zijn verhaal helder wordt.


Toespraak Ronny Lobo bij boekpresentatie Bouwen op drijfzand

door Ronny Lobo
Ronny Lobo biedt zijn boek aan aan de Gevolmachtige Minister
 van Curaçao  Marvelyne Wiles. Foto © Nico van der Ven

De afgelopen 35 jaar heb ik als architect een verhaal proberen te vertellen met ruimte en materiaal, het helaas steeds schaarser wordende verhaal dat we architectuur noemen. In mijn praktijk werd ik steeds geconfronteerd met de vele verhalen van opdrachtgevers, aannemers, leveranciers, de overheid en andere betrokkenen. Vooral het verhaal van mijn opdrachtgevers, dat zich voor mijn ogen afspeelde intrigeerde mij. B.v. hoe een dominante man het voor mij niet kon verbergen dat zijn timide vrouw feitelijk de belangrijkste beslissingen nam. Ook het noodlot bij mijn opdrachtgevers bleef niet uit, zoals het met ruzie uit elkaar gaan, nog voordat de eerste steen was gelegd of, erger nog, het overlijden van één van mijn opdrachtgeefsters, vlak voordat ze de sleutel van haar huis van de aannemer mocht ontvangen (haar man compenseerde al gauw zijn verdriet door in het nieuwe huis met een meisje uit zijn stamkroeg te gaan wonen). Of het verhaal van een aannemer die zichzelf per ongeluk opblies met vuurwerk. Ik had al gauw door dat de levensverhalen van al die mensen waar ik mee werkte, dezelfde waren als van alle andere mensen op de wereld, ook die in mijn eigen familie- en vriendenkring.
Een architectuurontwerp van Lobo: Flagstones


Op een goeie dag vond ik dat het tijd werd om deze verhalen op te schrijven. Ook om eindelijk zelf een keer opdrachtgever te zijn en wel van mezelf. Maar vanuit mijn eigen vak geschreven, in de vorm van een architectuurroman. Dat het een liefdesroman geworden is, is de schuld van de personages in het boek, die zonder dat ik daar als architect voldoende grip op kon houden, hun gevoelens de vrije loop lieten. Denkt u bij het lezen asjeblieft niet dat ik als architect zo’n enerverend leven heb gehad als de hoofdpersoon Kenzo.
Goethe

Schrijfproces

Bijna 230 jaar geleden zei de Duitse dichter Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832): Alle wijze gedachten zijn al duizenden keren gedacht, maar om ze ons eigen te maken, moeten wij ze steeds weer opnieuw en oprecht overdenken zodat ze wortel te schieten in onze persoonlijke ervaring. In analogie hiermee zegt men in de literaire wereld vaak dat alles al ooit geschreven is. Ik aanvaardde de uitdaging om te proberen mijn verhaal zodanig op te schrijven dat u er, ondanks uw jarenlange leeservaring, plezier aan kunt beleven.

Goethe noemde architectuur "bevroren muziek", daarmee een link makend tussen architectuur en muziek. Al schrijvend ontdekte ik de overeenkomsten tussen literatuur en architectuur. Begrippen als tijd, ruimte, gebeurtenis, vorm, ritme, verhoudingen en kleur, worden in vrijwel alle kunstzinnige uitingen gebruikt. Ook in de literatuur, vooral in poëzie. Bij vrijwel allemaal probeert de maker met zo weinig mogelijk middelen zoveel mogelijk te zeggen. Bij architectuur zijn het de bouwmaterialen, bij muziek de noten, bij literatuur de woorden. Er is echter één groot verschil, bij architectuur maak je het ontwerp op verzoek, ja soms zelfs op bevel van een opdrachtgever. Niemand heeft mij gevraagd om een roman te schrijven. Er is nog een verschil. Voordat ik mijn eerste concrete opdracht in de architectuur uitvoerde, had ik zes jaar in Delft geleerd hoe het moest. Met het schrijven begon ik terwijl ik de kunst en de techniek ervan nergens had geleerd. Schoorvoetend begon ik met reisverhalen en gedichten, die waarschijnlijk nooit gepubliceerd zullen worden. Daarna met een papiamentstalig kinderboek met de titel E biahe di Tobias. Nu mijn debuutroman.
Toen ik het eerste manuscript naar mijn gevoel af had kreeg ik van een vriendin van mij, taalkundige Ini Statia, het advies om het compleet te herschrijven. Het deed me denken aan mijn studietijd, wanneer de hoogleraar met zijn dikke 6B potlood door je mooie ontwerp ging krassen. Ook wijlen Erich Zielinski en Frank Martinus, die het proces als schrijver al meerdere malen hadden meegemaakt, gaven kritisch commentaar. Vele tekstblokken belandden in de prullenbak, nota bene om het verhaal te verbeteren.

Ronald Bos - met blote voeten - legt Ronny Lobo uit hoe wij dat in
 Nederland allemaal doen

Nadat het manuscript met hun adviezen helemaal herschreven was kwam ik via Ini terecht bij Pim Wiersinga, hier in de zaal, die zei ‘het kan een goede roman worden’. Hij gaf me de probleempunten aan en adviseerde om professionele coaching te zoeken (zelf kreeg hij het te druk, omdat hij verliefd werd). Ini verwees mij naar Ronald Bos van het Nederlands Letterenfonds, waar ik coaching aanvroeg. Die liet het manuscript door drie experts lezen die gelukkig ook allemaal vonden dat er voldoende potentie zat in het verhaal. Peter de Rijk werd aangewezen als mijn coach. Die heeft ervoor gezorgd dat ik, om het met zijn woorden te zeggen, meer peper bij het gerecht heb gedaan. Nadat we samen via e-mail het hele manuscript hadden doorgeworsteld verliep de ingang bij uitgeverij In de Knipscheer als vanzelfsprekend. Die zette Jim Rotteveel in als redacteur, die nogmaals elk woord omdraaide.

Het meest intrigerende van het schrijfproces vond ik het feit dat alles wat je opschrijft, moet kloppen met de werkelijkheid, terwijl het hele verhaal fictief is. Je mag dus veel verzinnen behalve onzin. Om de werkelijkheid te benaderen moet je research doen waar je enorm veel van leert. Dat is vooral de verrijking van mezelf geweest die ik bij het schrijven voelde. Niet alleen meer kennis opdoen van de materiële werkelijkheid, meer ook van de psychologie van de personages, hun passies, leed en hun ziekten.
Pim Wiersinga. Foto © Michiel van Kempen

Alle goede componisten, schrijvers en architecten zijn zich ervan bewust dat in hun artistieke creaties echte kwaliteit nooit bereikt wordt door toeval. Het is gewoon veel discipline opbrengen en hard werken. Maar je moet vooral aan de slag gaan! Picasso was hierin zeer extreem. Hij zei: als ik weet wat ik ga schilderen, hoef ik het niet meer te schilderen. Zo is het eigenlijk met schrijven ook.
Goede architectuur, muziek en romans hebben nog iets met elkaar gemeen. Ze zijn allemaal afhankelijk van deelname van het publiek - geen architectuur zonder gebruikers - geen muziek zonder luisteraars, Izaline kan dat bevestigen - geen boeken zonder lezers. Ik hoop daarom dat mijn boek het grote publiek bevalt. Vergeet vooral niet om mij jullie kritische commentaar te sturen. Hier put ik weer inspiratie uit voor het volgende manuscript.

Dankwoord

Behalve Ini Statia, Pim Wiersinga, Ronald Bos, Peter de Rijk, Erich Zielinski en Frank Martinus, die ik hiervoor genoemd heb, wil ik vooral de proeflezers Audrey Linzey, Nel Casimiri en mijn zus Sonia Vinck-Lobo bedanken en natuurlijk mijn vrouw Denise die mij met geduld en liefde constant stimuleerde. Zonder hun hulp zou het wellicht niet zover zijn gekomen.
Daarnaast dank ik de vele mensen in mijn omgeving waaronder familie, vrienden, opdrachtgevers en aannemers die mij tot deze roman inspireerden.
Mijn dank gaat eveneens uit naar het Prins Bernard Cultuur Fonds Caribisch Gebied die heeft bijgedragen aan mijn aanwezigheid hier.

Dank U
Ronny Lobo
8 september 2013

woensdag 11 september 2013

“Een droom die ik heb”

Testament
Ik ben geen fervente kerkganger, maar zou meneer de pastoor toch nog wat woorden kwijt willen aan mijn graf, zeg hem dan dat ik zei, dat hij aan alle aanwezigen aangeeft, dat ze minder moeten zeuren en meer van elkaar moeten houden.



Caraïbisch boekenprogramma met voordrachten, interviews, beeld en muziek

Onder de titel ‘Een droom die ik heb’ organiseert Uitgeverij In de Knipscheer op 13 oktober een gevarieerd boekenprogramma met schrijvers uit of over de Antillen. Eric de Brabander komt over uit Curaçao en presenteert zijn derde roman De supermarkt van Vieira. Van Nydia Ecury, geboren op Aruba in 1926 en in 2012 overleden op Curaçao, verschijnt haar eerste nog door haarzelf samengestelde Nederlandstalige gedichtenbundel Een droom die ik heb. Over het 19de eeuwse Suriname publiceert Janny de Heer haar grote historische roman Gentleman in slavernij. Karin Lachmising komt speciaal uit Suriname voor de lancering van haar debuut, de gedichtenbundel Nergens groeit een boom die haar aarde niet vindt.

Michael Slory. Foto © Ruth San A Jong
Rogeria Burgers houdt haar documentaire cd Aan de waterkant ten doop met een bijzonder interview met de grote Surinaamse dichter Michael Slory.

Dit alles wordt muzikaal omlijst door de groep FTTP (Flower to the People) van de (van Surinaamse komaf zijnde) gitarist/componist Frank Ong-Alok. Van hem verschijnt dan het prentenboek-met-cd Bloemies.


Datum: zondagmiddag 13 oktober 2013, zaal open 14.30 uur; programma 15.00 tot 17.15 uur

Locatie: Theater van ‘t Woord OBA (Openbare Bibliotheek Amsterdam) Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam
 
Frank Ong-Alok. Foto © Wim Stad
Presentatie Franc Knipscheer, interviews Peter de Rijk
Reserveren kan uitsluitend door overmaking van € 5,00 op ING bank 3647173 t.n.v. Uitgeverij In de Knipscheer o.v.v. uw e-mailadres.
Na afloop signeren de auteurs voor belangstellenden hun boeken.


Uw kaarten liggen voor u klaar op zondag 13 oktober vanaf 14.00 uur bij Theater van ’t Woord (7de etage)


dinsdag 30 juli 2013

Antilliaans boekenfestijn

Op zondag 8 september vindt er een Antilliaans boekenfestijn plaats in het Amsterdamse Podium Mozaïek, met de schrijvers Jopi Hart en Ronny Lobo uit Curaçao, Jacques Thönissen uit Aruba en Giselle Ecury, muzikaal omlijst door Izaline Calister.
Izaline Calister. Foto © Michiel van Kempen

Een gevarieerd Antilliaans schrijversprogramma met film, voordracht, lezing, interview en muziek rond hun nieuwe boeken bij Uitgeverij In de Knipscheer. In het programma wordt kort stilgestaan bij het overlijden op Curaçao van Els Langenfeld en Elis Juliana in juni van dit jaar, en via hen bij ‘150 jaar afschaffing slavernij’.
Presentatie: Franc Knipscheer | interviews: Peter de Rijk | zangeres Izaline Calister wordt begeleid door gitarist Ulrich de Jesus.


Plaats: Podium Mozaïek
Bos en Lommerweg 191, Amsterdam
Datum: zondag 8 september 2013
Aanvang: 15.00 uur
Prijs online/voorverkoop   € 5.00
prijs (deur)   € 7.50


dinsdag 23 april 2013

Memo Slavernij

Klip op afbeelding voor groter formaat
Op 1 juli 2013 is het 150 jaar geleden dat de slavernij in onze vroegere koloniën Suriname en de Nederlandse Antillen werd afgeschaft. Schrijvers en filmers houden in hun werk de herinnering van het slavernijverleden levend en dragen bij aan kennis over en het bewustzijn van het slavernijverleden. Het schrijversprogramma Letterij wijdt woensdag 24 april 2013 een avond aan dit thema. Gasten zijn Janny de Heer en Fred de Haas. De presentatie is in handen van Peter de Rijk en Franc Knipscheer.

Janny de Heer debuteerde in 1999 met Landskinderen van Curaçao. Sinds 2010 werkt zij aan de historische roman Gentleman in Slavernij, over een Duitse immigrant in het 19de eeuwse Suriname, die in 2013 zal verschijnen. Fred de Haas is muzikant, vertaler en essayist. Hij houdt aan de hand van een PowerPoint-presentatie een verhandeling over de slavernijgeschiedenis waarin Portugal en Nederland een uitgebreide rol spelen.

Verder in het programma aandacht voor de roman Tula. Verloren Vrijheid van Jeroen Leinders, het op ware feiten gebaseerde verhaal over de legendarische leider van de Grote Slavenopstand op Curaçao in 1795, van welk boek binnenkort een door de schrijver zelf geregisseerde internationale verfilming wordt uitgebracht; voor het debuut Porto Marie van Els Langenfeld, drie historische novellen  over deze Curaçaose plantage en over de novelle Slaaf en meester van Carel de Haseth, op basis van welk verhaal de eerste Papiamentstalige opera dit jaar in première zal gaan: Katibu di shonvan Tania Kross en Randal Corsen.

Locatie: Pletterij Haarlem. Aanvang: 20.00 uur. Zaal open: 19.30 uur. Toegang 5 euro. Toegang € 10,00 Eat (maaltijdsoep) & Greet met de auteurs. Aanvang 18.30 uur. Beperkt aantal plaatsen. Vooraf reserveren. Mail naar reserveren@pletterij.nl of bel 023 542 3540.


vrijdag 23 november 2012

Drie groten van de Surinaamse poëzie in ‘Plantage Hecht en Sterk’ van de Letterij

Shrinivási
Op woensdag 28 november staat Letterij, het programma met schrijvers, in het teken van poëzie uit Suriname. Drie grote Surinaamse dichters komen ter sprake: Michaël Slory, Shrinivási en Bernardo Ashetu. Van alle drie verschijnen of zijn net nieuwe gezaghebbende bundels verschenen.
Stempel eerste dag van uitgifte postzegel Bernardo Ashetu 2010

Uit het grotendeels ongepubliceerde werk van Bernardo Ashetu (1929-1982) werd de bundel Dat ik je liefheb samengesteld door Michiel van Kempen, die ook in samenspraak met Michaël Slory (1935) diens bundel Torent een man hoog met zijn poëzie bezorgde. De titel van deze aflevering van Letterij is ontleend aan de nieuwe bundel van Shrinivási (1926, tegenwoordig woonachtig op Curaçao), Hecht en sterk, met een Nawoord van Geert Koefoed. De dichters zijn dan weliswaar niet lijfelijk tegenwoordig, maar prachtige, zelden uitgezonden filmbeelden uit documentaires van zowel Slory als van Shrinivási tonen de uniciteit van deze dichters, de ‘grand old men’ van de Surinaamse poëzie.

Michael Slory en Michiel van Kempen

Speciale gast is Michiel van Kempen, Bijzonder Hoogleraar West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij gaat in gesprek met uitgeverijredacteur en radiopresentator Peter de Rijk. De presentatie van de avond is in handen van Franc Knipscheer.

‘Letterij’ is een maandelijkse programmareeks van Uitgeverij In de Knipscheer in de Pletterij.

Locatie:  Pletterij, Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
Aanvang: 20.00 uur
Zaal open: 19.30 uur
De toegang: € 5,00
Reserveren: reserveren@pletterij.nl of 023 542 3540

zaterdag 6 oktober 2012

Letterendag wordt Letterenfeest

door Giselle Ecury

Op zondag 23 september vond onder auspiciën van de Vereniging Ons Suriname, de Werkgroep Caraïbische Letteren en de Leerstoel West-Indische Letteren van de Universiteit van Amsterdam een Letterendag plaats.
Carl Haarnack

Vier promovendi die hun proefschrift schrijven bij professor Michiel van Kempen, presenteerden aspecten van hun onderzoek aan het publiek. De vijfde, Benoît Verstraete-Hansen  (over “De Deense zendeling P.M. Legêne”) was helaas ziek. Daarna volgden interviews met en voordrachten van schrijvers. Hoogtepunt was een rechtstreekse verbinding via Skype met Michaël Slory vanuit Paramaribo, die inging op zijn zojuist bij uitgeverij In de Knipscheer verschenen dichtbundel Torent een man hoog met zijn poëzie.
Wat mij bij gelegenheden rond het Caribisch Gebied aanspreekt, is dat het een feest van herkenning is, een reünie voor allen die zich professioneel of anderszins betrokken voelen bij de West-Indische Letteren: Een Letterenfeest.
Frontispice van Die Negerin in Guyana (1841); Buku

Na het openingswoord door Michiel van Kempen beet Carl Haarnack het spits af zich bewust van het feit, dat de term “Indianen” discutabel is: “De Duitse beschrijvingen van Indianen in Suriname tussen 1700 en 1900”. Gebaseerd op o.a. reisbeschrijvingen, dagboeken, brieven en literatuur, begon hij met de definitie van reizen: je gaat vanuit de omgeving die je kent, naar een omgeving die nieuw voor je is. Over wat dit met je doet, kun je schrijven. Zo gingen de eerste Duitse onderzoekers op pad, meestal missionarissen, die moesten helpen de slaven te bekeren. Omdat die niet altijd bekeerd wílden worden, ging men zich bezighouden met Indianen, die men destijds “vooral niet moest zien als onbedorven mensen die nog niet te maken hadden met het kwaad”. Let wel: men beschikte niet over de telecommunicatiemiddelen, waarmee wíj ons kunnen voorbereiden. Hun ideeën over wat zij zouden kunnen aantreffen, haalden zij uit de zestiende-eeuwse literatuur. Vlot hield Haarnack een aantal Duitse onderzoekers in vogelvlucht tegen het licht: Wilhelm Bauberger met het opmerkelijke Die Negerin in Guyana over Blanca, die het dramatische slavenleven zelfs nog verkiest boven een uitweg via een huwelijk met een heidense Indiaan; Carl Lang; August von Schlözer; J.D. Kunitz (over Suriname en zijn bewoners); uit Johann Friedrich Ludwigs Neueste Nachrichten von Surinam zou blijken, hoe de Indiaan aan zijn platte neus kwam: door voor- en achterkant van het kinderhoofd tussen twee plankjes te klemmen. Een via PowerPoint geïllustreerd betoog, waarbij ook de toehoorders zich bij de afbeeldingen van lelieblanke Indianen met Duits/Europese gelaatstrekken uit “Malerische Länder- und Völkerkunde” van W.F.A. Zimmermann (pseudoniem voor Carl Gottfried Wilhelm Vollmer) mochten afvragen, of de goede man überhaupt wel eens een Indiaan gezien had. Toch was dit boek een belangrijke bron voor Karl May (1842-1912), voor velen bekend als dé auteur van avonturen over confrontaties met Indianen – wie kent Old Shatterhand en Witte Veder niet? 
Paul Hollanders

Paul Hollanders zette aan de hand van Paul François Roos (1751-1805) en de Surinaamse plantersletterkunde, de Animus Revertendi af tegen de Animus Manendi (een pril begrip), ofwel: de wil om terug te keren [van de uitgezonden blanke, G.E.] tegenover de wil om te blijven [in de kolonie, G.E.]. Hoewel Roos, geboren te Amsterdam, van huis uit de liefde voor de handels- en koopmansgeest meekreeg, wilde hij predikant worden, om uiteindelijk als blanke knecht/opzichter naar Suriname te gaan. Hij was werkzaam op diverse plantages en klom op tot directeur en administrateur, om uiteindelijk een welvarend koopman en planter te worden. In tegenstelling tot zijn collegae, die liefst zo snel mogelijk terugwilden na hun zakken gevuld te hebben – de Animus Revertendi – begon Roos van Suriname te houden. Hij wilde er blijven en is slechts twee maal teruggekeerd naar Holland. Hij schreef poëtisch over Suriname, over zijn zorg omtrent het latere verval van het land. Als dé gelegenheidsdichter, die een belangrijke rol vervulde in het dan aardig ontwikkelde en bloeiende culturele leven van Suriname, heeft hij zich ingezet voor de samenleving.
Roos' Surinaamsche Mengelpoëzij (1804)

Zo richtte hij het Genootschap “De Surinaamse Lettervrienden” op. De leden wilden met opbouwende verlichtingsideeën iets nalaten en zaaien in het geliefde vestigingsland. Paul Roos sprak gouverneur Jan Jacobs Mauricius tegen, die beweerde, dat de blanke kolonisten áltijd snel weg wilden uit het land met “die zure naam”. Hollanders betoogde het lonend te vinden, te onderzoeken of er in de geschriften meer is terug te vinden over de Animus Manendi. Hij refereerde aan het heden, waarin migranten eveneens soms liever blijven, terwijl er tevens een spagaat ontstaat door verlangens naar het land van herkomst. P.F. Roos echter bleef: “Ik ben Suriname mijn welvaart schuldig.” 
Jos de Roo

Met enthousiasme lichte Jos de Roo “De invloed van de Wereldomroep op Caraïbische auteurs” toe. Hij noemde het een voorrecht van 1983 tot aan zijn pensionering in 2002 werkzaam geweest te zijn als programmamaker bij de Caraïbische afdeling van Radio Nederland Wereledomroep tijdens wat men noemt: “De periode Van de Walle”, waarin radio het meest populaire medium was. De Roo verdiepte zich voor zijn onderzoek in de archieven van de Wereldomroep, o.a. om inzicht te verkrijgen in de vroegste fase van de geschreven moderne letterkunde van het Caribisch Gebied en het enorme belang van de Wereldomroep daarin. In feite heeft die in de jaren vijftig van de vorige eeuw veel méér gepubliceerd, dan via tijdschriften gebeurde, zoals de ingezonden verhalen van auteurs die later grote bekendheid zouden verwerven (onder wie Boeli van Leeuwen, Jules de Palm en Frank Martinus Arion) en de orale literatuur van mensen als Raul Römer en Johan Ferrier. Dit blijkt nu van groot belang. De bescheiden De Roo kijkt in zijn proefschrift onder meer of de destijds reeds aangehaalde thema’s zullen terugkomen in hun latere werk. Met veel kennis van zaken onderstreepte hij, dat er nog veel meer te halen is uit die achtergebleven archieven. Wij kijken uit naar de afronding van zijn onderzoek.
Tim de Wolf

Over Tim de Wolfs “Muziek en muziekdragers van het Nederlands Caraïbisch gebied” kan ik kort zijn, onderstrepend, dat zijn werk daardoor alles behalve minder belangrijk zou zijn. Integendeel. Een charmant betoog over een onderwerp dat letterlijk leeft: hij houdt zich bezig met het beschermen van geluidsopnamen voor het nageslacht en ontsluit het materiaal door het te digitaliseren. Meer nog is dit sinds 1982 zijn passie, toen hij een paar 78-toeren-platen uit het Caribisch Gebied vond op een rommelmarkt in Hilversum. Het onderzoeken begon, zonder te selecteren. Dit resulteerde in het prachtboek Discography of music from the Netherland Antilles & Aruba, including a history of the local recording studios (Walburg Pers, Zutphen 1999).
Tim de Wolf bezig met een reddingsactie van bandmateriaal op Curaçao

> Hij verzamelt alles en wellicht richt hij zich ooit eveneens op Suriname. Tim liet zijn toehoorders op humorvolle wijze genieten van muziekfragmenten van platenlabels  als Hoyco en Padú en onderstreepte eveneens het belang van het digitaliseren van bandopnamen. Zo werd voor even de stem hoorbaar van Cola Debrot, die in 1969 als Gouverneur zijn nieuwjaarsrede uitsprak, en van Pierre Lauffer senior, die een gedicht voorlas.
Michael Slory via een Skype-verbinding. Foto Anya Hollanders

De tijd liep. Het gesprek via skype met Michaël Slory (1935) was echter ondanks de soms uitvallende verbinding vanuit het huis van Ruth San a Jong (auteur en nog veel meer, zoals oprichter van de Schrijversvakschool te Paramaribo, zie www.ruthsanajong.com) bijzonder en zeer zeker hartverwarmend. Het door hem voorgelezen gedicht voor de onlangs overleden John Leefmans, zijn rake opmerkingen en mooie woordkeus – waar hoor je nog het fraaie woord”nimmer”? Michiel van Kempen noemde hem een groot voorbeeld van wat idealisme kan zijn. “Tegenwoordig ben ik niet meer zo idealistisch, dat begrijp je, het is allemaal niet meer zo leuk, hoor!” zegt hij gevat, doelend op de ongemakken die zijn hoge leeftijd brengt. Hij is blij met zijn nieuwe dichtbundel, is altijd nog bezig met poëzie: “Nu ook in het Engels. Ik ben koloniaal, weet je, ik heb een zekere “erfenis”, zodat ik dat kan.” De bekende fluitist Ronald Snijders vroeg hem hoe hij zo’n romanticus heeft kunnen blijven, ondanks de vele teleurstellingen. Het antwoord was even ontwapenend als mooi: “Ik ben een gelovig mens, ik lees ’s nachts uit de Koran. Ik heb Spaans gestudeerd en ben altijd verbonden gebleven met die Arabische invloeden binnen die cultuur. De troostrijke boodschap helpt me.” Geraakt bedankte Michiel van Kempen hem voor al die jaren poëzie, een warm applaus volgde. “Met deze nieuwe dichtbundel is mijn gezicht weer een beetje gered,” volgde helder een toegift uit Paramaribo. “De mensen kennen me scheldend in het Nederlands, Engels en Spaans. Nu zien ze dan weer mijn poëzie! Het is een mijlpaal. In elk geval geen testament!” volgde levenslustig. “Er zijn veel méér mensen die van je houden,” antwoordde Michiel. “Dat heb ik hard nodig, want je begrijpt: dit is geen lolletje,”  reageerde Slory, weer doelend op de ouderdom. Hij sloot af met een gedicht, waarvan de regels “Zoveel ik kon, heb ik de straat bezongen, […], maar waar de hoop verdween, bleef liefde” mij zullen bijblijven. Zoals ook dat laatste beeld op mijn netvlies gebrand staat: een zwaaiende Slory.
John Leefmans. Foto © Buku

Professor Michiel van Kempen stond daarna aandachtig stil bij leven en werk van John Leefmans, die eind augustus 2012 overleed. Uit zijn bewogen gesproken tekst kwam steeds diens sprankelende lach naar voren, zoals Michiel ook omschreef in het In Memoriam van zondag 26 augustus, geplaatst op zijn blog Caraïbisch Uitzicht:  “Je wist altijd vrij nauwkeurig waar John Leefmans zich ophield, als hij ergens aanwezig was: je hoorde iemand druk praten, op een heimelijke toon die toch veel mensen konden horen, de spanning liep op, de toon werd hoger en uiteindelijk klonk er en een volle, luide schaterlach. Hoe druk een bijeenkomst ook was, je wist: dáár is John Leefmans.” (Michiel van Kempen).http://caraibischeletteren.blogspot.nl/search/label/Leefmans%20John
Het was mooi hem hier op deze wijze te gedenken, zeker toen de improvisatie van de in het publiek aanwezige dichter en musicus Raj Mohan erop volgde. Hij zong in het Hindi en a capella “Song of the birds” met de slotwoorden: Op een dag zul je vliegen.
Peter de Rijk interviewt Orchida Bachnoe. Foto © Anya Hollanders

Peter de Rijk interviewde vervolgens de als altijd prachtig geklede Orchida Bachnoe n.a.v. haar nieuwste roman Azijn in mijn aderen (In de Knipscheer, 2012) Hij, redacteur van de uitgeverij, complimenteerde haar om het frisse van haar proza, terwijl het een zwaar onderwerp behandelt: suïcide. Aanleiding was, dat een meisje, dat Orchida begeleidde, zich huilend bij haar aan de deur meldde met de mededeling, dat ze pillen geslikt had. Door adequaat te handelen, wist de auteur dit meisje deze keer te redden. Maar zij vond dat ze er iets mee moest doen, want blijkbaar schieten de hulpverleningstrajecten hun doel voorbij. Suïcide moet bespreekbaar zijn: Dit zijn de signalen en dan moet je zó ingrijpen. Deze roman is het resultaat met als thema “Dromen is prima, maar zorg dat je daarnaast een plan hebt. Blijf daarin geloven en eraan werken.” Het boek heeft veel los gemaakt en geleid tot Kamervragen, omdat ook in Nederland veel jonge Hindoestaanse meisjes zelfmoord plegen. De schrijfster heeft haar boek opgedragen aan Anil Ramdas, de Surinaams-Nederlandse auteur die begin dit jaar eveneens een einde aan zijn leven maakte.

T. Martinus/Quinsy Gario

Na een kort, voornamelijk Engelstalig, intermezzo door de dichter en performer T. Martinus (pseudoniem voor Quinsy Gario) over The bearable ordeal of the collapse of certainties – mooi qua dictie, goed om te zien hoe vast en zeker hij als het ware stond in zijn tekst – was het de beurt aan Professor Dr. Michiel van Kempen, Hoogleraar West-Indische Letteren, om in samenwerking met Peter de Rijk, zijn poëziedebuut met de titel Wat geen teken is maar leeft te presenteren. Peter was vol lof over het fantastische werk dat is verricht en dat – ik citeer – “in alles afwijkt van de Michiel van Kempen, zoals wij die kennen uit de tientallen publicaties die hij op zijn naam heeft staan. De lezer mag kijken in het hoofd van de auteur aan de hand van zijn openhartige, goede poëzie, soms op het randje van proza. Heel veel woorden, lange gedichten over verliefdheid en verdriet, met goed getroffen metaforen, bijvoorbeeld over een voorbije liefde, waarbij je opeens als vreemden tegenover elkaar komt te staan.”
Peter de Rijk interviewt Michiel van Kempen. Foto © Scott Rollins

“Ik liet eens in een groep zo’n gedicht voorlezen door een jonge vrouw. Halverwege begon ze te huilen en ik schrok daar erg van,” aldus Van Kempen. “Later kwam ik er in rust op terug. Ik vroeg of er soms iets met haar gebeurd was, dat haar zo raakte. Maar nee, zei ze. Het was het ritme.”
Peter liet weten al uit te kijken naar een volgende dichtbundel. Michiel: “Eerst wil ik werken aan de biografie van Albert Helman. Die wil ik afhebben. Dit blokkeert elke andere woordenstroom.” 
Sanne Landvreugd

Een passend moment mijn aantekeningenboek op te bergen. Het is vroeg in de avond geworden. Ongemerkt. Buiten regent het. Binnen sluiten de met verve gespeelde melancholische klanken uit de vakkundig door Sanne Landvreugd aangestuurde saxofoon de middag af. Wat geen teken is, maar leeft!

[eerder verschenen in het Antilliaans Dagblad]

Alle foto's:, tenzij anders aangegeven © Michiel van Kempen

donderdag 4 oktober 2012

Peter de Rijk in gesprek met Michiel van Kempen

Michiel van Kempen
"Het is verbazingwekkend: dit is geen poëzie die aansluit op welke traditie dan ook, het is poëzie die haar eigen traditie creëert." Dat zei literatuurcriticus Peter de Rijk voor de radiomicrofoon over het debuut van Michiel van Kempen. Op maandag 1 oktober was in het radioprogramma ‘Literat-uur’ Michiel van Kempen te gast naar aanleiding van de zojuist verschenen door hem samengestelde en uitgeleide bloemlezing van de Surinaamse dichter Michaël Slory (Torent een man hoog met zijn poëzie) alsmede vanwege zijn eigen poëziedebuut (Wat geen teken is maar leeft). ‘Literat-uur’ wordt live uitgezonden vanuit de OBA op Radio AmsterdamFM.

Luister hier naar de uitzending.
Meer over Michaël Slory
Meer over Michiel van Kempen

zondag 16 september 2012

Lauffer-biografie, Heloise en Vaders gedoopt



Op zondag 16 september 2012 vond in een uitverkocht Amsterdams theater Podium-Mozaïek de presentatie plaats van drie nieuwe Knipscheer-boeken: de biografie van Pierre Lauffer door Bernadette Heiligers, de verhalenbundel Woestijnzand van Elodie Heloise en de novelle Terug tot Tovar van Hans Vaders. Een foto-impressie van Michiel van Kempen.


Uitgever Franc Knipscheer leidde het publiek door de middag

Prof. Wim Rutgers boog zich over de eisen die aan de biografie worden gesteld

Liedjes van Julio Perrenal door Alma Latino

De biografe Bernadette Heiligers

Sidney Joubert bood het eerste exemplaar van de biografie aan de gevolmachtigd minister aan

Peter de Rijk interviewt Elodie Heloise

Groot Papiamentu en Lauffer-propagandiste en vertaalster Lucille Berry-Haseth

Fred de Haas sprak over vertalen

Lauffer-kenner Henry Habibe zag toe en wist dat het goed was

Werk van Robin Akkerman

Sidney Joubert, voorzitter van de Fundashon Pierre Lauffer

Peter de Rijk recenseerde het boek van Hans Vaders