Posts tonen met het label Habibe Henry. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Habibe Henry. Alle posts tonen

vrijdag 9 mei 2014

Habibe over liefdespoëzie

Dutch Caribbean Book Club organiseert op zaterdag 21 juni 2014 in Den Haag een literaire middag met Henry Habibe. Thema van deze middag is 'Liefdespoëzie'. Toegang is 5 euro en u kunt zich alvast aanmelden via: dutchcaribbeanbookclub@gmail.com.

donderdag 23 januari 2014

Literaire Tertulia van Dutch Caribbean Book Club

Amateuristische lezing van Debrot door Walter Palm


Eerste druk 1935
door Henry Habibe

Op initiatief van Dutch Caribbean Book Club (DCBC) werd op 9 november 2013 in Den Haag voor de zoveelste keer aandacht besteed aan de bekende novelle Mijn zuster de negerin van Cola Debrot. Spreker, de heer Walter Palm, gaf daarvan wat hij zelf noemde ‘een andere visie’  dan de reeds bestaande. Hij deelde mee dat hij bij een herlezing van de novelle ‘tot zijn verrassing tot een andere kijk’ was gekomen, namelijk: ‘de labiele geestestoestand van de hoofdpersoon trok mijn aandacht en niet zozeer de rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat’. Hierna volgde een samenvatting van het bewuste werk en kwam de spreker, na een vrij onsamenhangende uiteenzetting over wat hij als de ‘vorm’ beschouwde, tot de conclusie dat Mijn zuster de negerin een ‘magisch-realistische inslag’ heeft.

Opmerkelijk is dat het niet tot de spreker schijnt te zijn doorgedrongen dat het hier gaat om een raciaal thema (Négritude). De hoofdpersoon geeft – aldus Debrot - de voorkeur aan een negerin boven de blanke vrouw in Europa. Tegen het einde van het verhaal, nadat de hoofdpersoon een hele tijd gemijmerd heeft over het zwarte meisje uit zijn jeugd, voelde hij ‘onweerstaanbaar de drang in zich opkomen om naar de kamer van Maria [het negermeisje uit zijn jeugd] te gaan’. Debrot heeft dit thema op een hoogst eigen wijze behandeld.
Editie 1955

In plaats van de novelle aan een min of meer stilistische benadering te onderwerpen en zoveel mogelijk binnen een passende historische context, wijkt Palm daarvan af en gaat op zoek naar aspecten van psychologische aard (hallucinaties, zelfmoordneigingen) en  veronderstelt dat daarmee reeds van een ‘magisch-realistische inslag’ sprake is.  Hij gaat als volgt te werk. Nadat hij (aan het begin) als een tweede ‘reden’ had gegeven waarom de hoofdpersoon naar Curaçao teruggekeerd was, week hij af van het raciale thema en probeerde elders voorbeelden te vinden (dus uit andere werken) om daarmee de vermeende ‘magisch-realistische inslag’ van Mijn zuster de negerin te signaleren. Dit is wat ik een ‘extra-literaire vlucht’ zou willen noemen. De spreker verlaat immers de tekst, die hij zich voorgenomen had te bespreken. Zo verwijst hij naar een kort verhaal van Daphne du Maurier (‘Don’t look now’) omdat daarin sprake is van ‘het zien van een schim’. Meent hij misschien dat hij zodoende het Magisch Realisme reeds gedefinieerd heeft? Ook deelt hij mee dat het gedicht ‘Wie weet Malinda’ van Debrot ‘geen deel uitmaakt van de novelle’. Desalniettemin stelt hij (zonder het aan te tonen!) dat de ‘magisch-realistische sfeer’ uit dat gedicht ook in  de novelle aanwezig is.
Elfde druk

De spreker meende bovendien dat, aangezien Debrot bevriend was met de Nederlandse magisch-realistische schilder Carel Willink, zijn novelle ook elementen moet bevatten van het Magisch Realisme. Zonder deze literaire tendens te hebben gedefinieerd of minstens aan te geven wat hij daaronder verstaat, gaat hij over tot de volgende verkondiging: ‘Is Mijn zuster de negerin met zijn magisch-realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman, zoals die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien años de soledad van de Colombiaanse auteur Gabriel García Márquez?’ (Palm noemt ook La casa de los espíritus van Isabel Allende).

Uit Palms verhaal blijkt niet wat hij met ‘magisch realistische inslag’ bedoelde. De ene keer gaat hij bij Du Maurier te rade (wiens tekst uit 1971 dateert, terwijl die van Debrot uit 1935), een andere keer baseert hij zich op de ‘sfeer’ uit een heel andere tekst van Debrot, in de veronderstelling dat beide werken vanzelfsprekend dezelfde ‘sfeer’ moeten ademen. Het toppunt van deze ‘amateuristische’ benadering wordt aan het eind bereikt met de vrij groteske uitspraak: ‘García Márquez, maar ook (...) Isabel Allende (...) zouden niet opkijken van de passage in Mijn zuster de negerin waarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand  of iets met gloeiende ogen” als hij in Miraflores de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan’. Beide Latijns-Amerikaanse auteurs zouden – volgens mij – juist in lachen uitbarsten bij het constateren dat Ruprecht de schrik te pakken had (‘… Doodsbleek smeet hij [Ruprecht] de deur weer dicht. Het angstzweet brak hem uit…’). In de werken van García Márquez en Allende gaat het juist niet om het zich distanciëren van de ‘mysterieuze’ verschijnselen, maar om een ‘zich daarin onderdompelen’ om die op een min of meer indringende wijze te omschrijven. Dat gebeurt soms aan de hand van sterk hyperbolische elementen.
Derde druk

Fantastische verhalen hebben altijd bestaan. Het Magisch Realisme is echter een postmodernistische stroming in de schilderkunst, die zich ook in de literatuur manifesteerde en wel aan het eind van de jaren veertig met werken als El Reino de este mundo van de Cubaan Alejo Carpentier. Men denke daarbij ook aan werken als Kafka’s De Metamorfose. Mijn zuster de negerin willen beschouwen als een novelle met een ‘magisch realistische inslag’ is louter een wishfull thinking van de heer Palm.

Er kan gesteld worden dat deze bijeenkomst van de Dutch Caribbean Book Club geslaagd was. Alleen was er niet voldoende gelegenheid om te discussiëren. Vooral het gesproken ‘In memoriam Jules de Palm’ door de bekende Arubaanse pianist Alwin Toppenberg omvatte veel interessante informatie over de Curaçaose schrijver. De moderator, Darlène Westmaas, kweet zich goed van haar taak. Er heerste een heel ontspannen sfeer onder het publiek. Het succes was mede te danken aan de inspanningen van de actieve voorzitter van Dutch Caribbean Book Club, Magda Lacroes.


zondag 19 januari 2014

Boeli van Leeuwen: Ook reuzen hebben recht op rust

Dit stuk verscheen als 'In memoriam' kort na het overlijden van Boeli van Leeuwen in 2007 in het Antilliaans Dagblad.
Boeli van Leeuwen

door Henry Habibe

Een vreemd gevoel bekroop mij bij het bericht dat Boeli van Leeuwen overleden was. Nauwelijks twee maanden geleden schreef ik een bijdrage voor het Antilliaans Dagblad ter gelegenheid van zijn 85ste verjaardag (‘Een oor als een roos’). Je bent dan op zo’n moment bezig met zijn geestelijk werk en  ook enigszins met de auteur zelf. En dan word je even later plotseling geconfronteerd met het bericht:’Boeli overleden!’ De dood kent geen pardon. Hij is onverschillig en onberekenbaar. Hij doet je dan ineens denken aan wat de overleden persoon betekend heeft. Voor mij persoonlijk was Boeli een toonbeeld van menselijkheid. Ik moest ook onwillekeurig denken aan het begin van de jaren zestig. Een stukje van mijn jeugd in Nijmegen. Daar was het dat ik De rots der struikeling voor het eerst in mijn handen hield.  Boeli was in die tijd nog niet zo lang als romancier ten tonele verschenen. Dat was ongeveer in dezelfde tijd waarin ook Tip Marugg debuteerde. In die tijd hoorde je op school weinig over literatuur uit de West. Slechts Cola Debrot en Albert Helman hadden toen enige naam gemaakt. Dus ik dacht: ‘Ha, het blijft dus op de Antillen en Suriname (de West) qua literatuur kennelijk niet beperkt tot Debrot en Helman. Ik voelde een zekere trots omdat met de eerste romans van Boeli en Tip de Nederlandstalige literatuur wezenlijk verrijkt werd. Ik was een stille bewonderaar van Boeli’s geestesproducten.


Maar mijn bewondering hield niet op bij zijn romans. Hij was doctor in juridische wetenschappen, werkte als hoofd Algemene en Juridische Zaken, fungeerde als secretaris van het Eilandgebied. Toen hij in 1970 bezig was met zijn “Verslag” omtrent de toekomstige staatkundige structuur van de Nederlandse Antillen schreef hij me een brief omdat hij in een nummer van het tijdschrift Watapana, dat helemaal in het Spaans was verschenen, iets zag dat hem interesseerde. Hij wilde graag weten uit welk werk van Nicolás Guillén (Cubaanse dichter) ik bepaalde versregels had overgenomen. Hij liet niet na enige lovende woorden te spreken over het tijdschrift en zei dat hij blij was dat de jeugd de ‘dingen des geestes’ niet uit het oog had verloren. De bewuste versregels van Guillén nam hij over en ze prijken op bladzijde 10 van zijn “Verslag”. Kort daarop ontmoetten wij elkaar voor het eerst op Aruba, waar hij van overheidswege voor een jaar verbleef. Mijn bewondering nam toe en hij had als homo intellectualis een inspirerende invloed op mij.


Later, toen ik in 1983 vanuit Nederland naar Curaçao verhuisde, ontmoetten wij elkaar weer. Het is me duidelijk voor de geest blijven staan hoe behulpzaam hij was. Een mens heeft soms behoefte aan morele steun en Boeli was goed in het geven daarvan. Wij kwamen op een dag bijeen op zijn kantoor in Scharloo, waar hij hulpbehoevende mensen uit die probleemwijk placht te ontvangen. Hierover schreef hij later (of was hij al aan het schrijven?) in zijn Schilden van leem. Na het gesprek werd hij, buiten aangekomen, geconfronteerd met een politieagent die bezig was een proces-verbaal op te maken vanwege het feit dat Boeli zijn auto verkeerd geparkeerd had. Hij was net op tijd om de man ervan te overtuigen dat hij ‘alleen maar eventjes’ daar had geparkeerd omdat hij iemand uit de nood moest redden. De agent werd stil voor de stroom van woorden van de ‘professor’ en marcheerde af als een hond met zijn staart tussen de benen. Wat later in de tijd hield Boeli eens een lezing (op de UNA) en zat er iemand in het publiek luidop te praten. Boeli hield even op met spreken en riep de man tot de orde door zijn naam te noemen. Het klonk dreigend en  vriendelijk tegelijk: ‘Meneer ..…, don’t I please you?’


Boeli was een toonbeeld van een ‘ad remme’ geleerde. Maar ook een van de beste romanschijvers van Curaçao. Na Tip Marugg in 2006 is nu met Boeli nóg een literaire reus  heengegaan. Ook reuzen hebben recht op rust. Boeli, sosegá na pas.

donderdag 24 oktober 2013

Geslaagde presentatie door Ramon Todd Dandaré in Arubahuis

Foto @ Nico van der Ven

door Henry Habibe

Op 20 augustus jl. heeft in het Arubahuis te Den Haag een presentatie plaats gehad van de Arubaanse linguïst Ramón Todd Dandaré. Deze bijeenkomst vond plaats in het kader van het ‘Jaar van het Papiaments’, dat dit jaar door de Arubaanse overheid als zodanig werd uitgeroepen.
De titel van de presentatie was: ‘Den kibra di marduga – Aurora di un lenga crioyo: Papiamento’. Aangezien men op Aruba niet bereid schijnt te zijn om accenten te zetten op de beklemtoonde letters, weet de lezer niet hoe deze woorden precies uitgesproken moeten worden. Ook de post-tonische ‘o’, het als een oe-klank klinken van de ‘o’ aan het eind van bepaalde woorden in het Papiaments, blijft men op Aruba met een ‘o ‘ weergeven in plaats van met een ‘u’. Een ietwat logischer weergave van genoemde titel zou zijn: ‘Den kibrá di mardugá – Aurora di un lenga krioyo: Papiamentu’. (Nederlands: ‘Bij het ochtendkrieken – Dageraad van een creoolse taal: Papiaments’). 
Ramon Todd Dandaré

De heer Todd had een lijst laten uitdelen van een aantal oude teksten, geschreven in het Papiaments uit die tijd. Het zijn documenten uit de periode 1747 – 1864. Hij bracht en passant in herinnering dat het Frank Martinus was die bepaalde oud-Papiamentse boekwerken voor het nageslacht had ‘gered’ toen Willemstad naar aanleiding van de sociaal-politieke oproer van mei 1969 in lichterlaaie stond. In het Bisdom op Curaçao werden veel van deze werken bewaard. Een aantal van deze werken werd inmiddels opnieuw uitgegeven door de Stichting Libri Antilliani (Nederland) en de Fundashon pa Planifikashon di Idioma (Curaçao). Twee daarvan zijn het oudst gedrukte Papiaments-Nederlandse dictionaire uit 1859 (Woordenlijst met Zamenspraken) en het Ewanhelie di San Mateo (1844). Niet alle teksten, die op de lijst van Todd stonden, werden door hem besproken. Hij beperkte zich tot drie ervan.

Het eerste in zijn geheel doorgenomen document was de bekende ‘brief van een Curaçaose jood’ uit 1775. Het tweede was een ‘brief’ uit 1783 en het derde een vrij lange ‘brief’ uit 1803 geschreven op Aruba. Een boek dat tijdens Todds betoog herhaaldelijk genoemd werd was The Kiss of a Slave (1996) van Frank E. Martinus, waarin deze Curaçaose taalwetenschapper het ontstaan van de creoolse taal uiteengezet heeft.

Voor deze presentatie bleek, gezien de opkomst, grote belangstelling te bestaan. Om vragen te stellen of opmerkingen te maken hoefde het publiek niet tot aan het eind te wachten. Men mocht de spreker onderbreken en dat vond ook veelvuldig plaats. Iedereen kreeg de mogelijkheid om z’n zegje te doen. In bepaalde gevallen gaf Todd toe dat ook voor hem niet alles ‘vaststond’. Er zijn in de oude teksten hier en daar onduidelijkheden. Verder onderzoek zou nog gedaan moeten worden. Hoewel hij aan het begin meegedeeld had dat hij niet zou ingaan op de kwestie van de oorsprong van het Papiaments (hij wilde zich kennelijk slechts tot de documenten beperken), nam hij later toch alle tijd om daarover zijn standpunt uit de doeken te doen. Iemand stelde  namelijk de vraag: waar komt deze taal nou vandaan? Op een gegeven moment zei iemand dat het werkwoord ‘papia’ – volgens hem – met het Franse ‘parler’ te maken had. Dit werd door Todd afgewezen. Op een vraag over de schrijfwijze van het Papiaments ging Todd niet in. Het was naar aanleiding van de ‘Hollandse’ spelling in bepaalde teksten. Doordat men de spreker op het laatst herhaaldelijk onderbrak, vroeg iemand zich, meer tot zichzelf dan zich tot de spreker richtend, af: ‘Iedereen mag dus zelf weten hoe men het Papiaments schrijft?’ Hoogstwaarschijnlijk drong het niet tot de spreker door wat de de vragensteller bedoelde of, wat vermoedelijk het geval was, had hij de vraag niet eens gehoord.


[van Dutch Caribbean Book Club, 6 september 2013]

dinsdag 22 oktober 2013

Bij het heengaan van Dr Jules de Palm

door Henry Habibe

Op een droevig moment als dit, waarbij een heel dierbaar persoon mij ontvallen is, zou ik het niet willen hebben over zijn vele verdiensten op literair èn taalkundig gebied. Zelf wilde hij niet eens opgebaard worden, maar in stilte gecremeerd. Cola Debrot heeft Jules de Palm ooit getypeerd als een van die auteurs, die de moed weten op te brengen om in alle eenvoud hun ware aard te tonen. Dat is nu weer duidelijk gebleken. Ik probeer dus iets te schrijven dat past bij een meer ingetogen afscheid.

Jules de Palm tussen Henry Habibe (links) en Alwin Toppenberg

Ik heb nogal wat leermeesters gehad. Ook van het soort bij wie je nooit in de klas hebt gezeten. Dat zijn de mensen die je bij gewone gesprekken zo weten te inspireren dat je gefascineerd raakt. Zo’n leermeester was Jules de Palm. Ik moet een eerstejaars of tweedejaars student zijn geweest, toen ik kennis met hem maakte. Ik studeerde toen aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen en bezocht hem een aantal keren op zijn kantoor in Den Haag. Hij was Directeur van het Centraal Bureau Toezicht Curaçaose Bursalen (CBTCB) en sprak tijdens die bezoeken o.a. ook over zijn Curaçaose jeugd. Zijn naam was ik al eerder tegengekomen in de Antilliaanse Cahiers, waarvan hij in 1956 samen met Cola Debrot en Henk Dennert de redactie vormde. De Palm schreef in 1949-1950 al essays in El Dorado, het maandblad ter behartiging van de belangen van Suriname en de Nederlandse Antillen. Daarvóór was hij onderwijzer op Curaçao en Aruba. 
 
Jan Engelman en zijn Tuin van eros
Direct bij het eerste contact boeide De Palm mij. Hij had, bijvoorbeeld, samen met Pierre Lauffer en René de Rooy liedjes in het Papiaments gecomponeerd. Dat is iets waar men in de beginjaren veertig nog niet over piekerde. Op feestjes werd toen nog geen muziek met Papiamentse teksten gespeeld. Het was een tijd waarin de bevolking  geen waarde hechtte aan de landstaal. Maar het trio zong de liedjes alleen in eigen kring, terwijl er één op een houten kist trommelde. De bedoeling was om zo liedjes, maar ook literatuur in de landstaal voort te brengen en te bevorderen. Jules vertelde ook hoe René de Rooy hem eens verweten had: ‘Jullie hebben een taal, een prachtige taal met rijkdom aan klanken en wat doen jullie ermee?’ Hij vertelde hoe hij samen met Pierre ging luisteren naar native speakers, die deze taal zuiver spraken. Hun Papiaments was nog vrij van lexicale beïnvloeding door het Nederlands (De Palm gebruikte daarbij het woord ‘geïnfecteerd’). Ook hoe Pierre hem af en toe verraste met zijn nieuwe verzen in het Papiaments. De Palm liet soms ook gedichten in het Nederlands horen. Een van zijn favorieten was Jan Engelman (1900-1972). Hij vertelde tevens dat toen Pierre aan zijn vrienden (daartoe behoorde ook Luis Daal) bekend maakte dat hij [Pierre] al een poos bezig was met het schrijven van poëzie in de landstaal, Luis tegen Pierre was  uitgevallen:‘Je onthoudt ons volk iets waar het recht op heeft!’

Huis op Curaçao. Foto @ Bea Moedt


Ik ging graag van Nijmegen naar Den Haag, want er viel in het kantoor van De Palm veel over de cultuur van Curaçao te leren. Als onderwijzer, als taalkundige en als letterkundige had hij interessante dingen te vertellen. Bij een van die ‘tertulia’s’ schonk hij mij een exemplaar van het eerste nummer van Simadan. Op de omslag pronkte een tekening van Chal Corsen: het stelde een hoorn voor, door twee handen vastgehouden en uit die hoorn stroomde het woord ‘simadan’. Ik weet niet hoe het komt, maar dat beeld gebruikte ik later in een van mijn gedichten: ‘for di un kachu, suplá fo’i  un kabés yen di strea….’ (uit een hoorn, geblazen door een kop vol sterren). Omstreeks die tijd begon ik mijn eerste dichterlijke vingeroefeningen op papier te zetten. Op een dag deed ik ze aan Jules toekomen met de vraag wat hij ervan vond. De Curaçaose onderwijzer, die mij zo geboeid had met zijn spannende verhalen, gaf me toen voor ieder gedicht een cijfer. Nog wat later schreef hij met betrekking tot die eerste pennenvruchten: ‘Persoonlijk verwacht ik heel veel van de jonge, nog vrij onbekende dichter Habibe……’ Het behoeft dus niet te verbazen dat ik mijn veel later in het Papiaments geschreven gedicht, ’Papiamentu na kaminda’ (Papiaments onderweg) opgedragen heb aan……Julio Perrenal. Ik wilde de man, van wie ik zoveel geleerd had, eren en via hem óók Pierre Lauffer en René de Rooy. Ik had, na de jaren zestig, regelmatig nog contact met Jules. Wij correspondeerden bij tijd en wijle met elkaar.
 
Antilliaanse studente aan de Rotterdamse balletacademie
In 1992 werd Dr De Palm door de overheid uitgenodigd om op de middelbare scholen iets voor de leerlingen op zijn geboorte-eiland te doen. Op drie van die scholen heeft hij lezingen gehouden. Hij heeft daarbij o.a. over zijn boezemvriend Pierre Lauffer gesproken. Tot zijn grote verbazing constateerde hij dat Lauffer bij de leerlingen niet bekend was. De man, die zijn gehele leven zijn best gedaan heeft voor het onderwijs op Curaçao (proefschrift: Het Nederlands op de Curaçaose school, 1969) en het culturele zelfbewustzijn van zijn eiland, werd anno 1992 geconfronteerd met scholieren die niets meer wisten over Julio Perrenal. Om maar te zwijgen over de nationale dichter van het eiland! De Palm: ‘Nota bene, de man die zijn Bloemlezing Di Nos had opgedragen aan de jeugd van Bonaire, Curaçao en Aruba!’
 
Antilliaanse studenten in een sociëteit in Nederland

In de jaren negentig werd het contact met Jules moeilijker vanwege zijn blindheid. Hij leefde teruggetrokken. Hij wenste geen telefoontjes meer te ontvangen en had dan ook een geheim nummer. In 1993 schreef hij: ‘Ora bo yega Ulanda, si no ta muchu molèster, skirbi mi un kartika, duna mi bo adres i number di telefòn, anto ami lo kontakt bo (Als je in Nederland aankomt en het niet te lastig is, stuur me dan een briefje en geef me je adres en telefoonnummer, dan zal ik je wel bellen). Het lukte mij een hele tijd niet meer (gedurende het eerste decennium van de 21ste eeuw) contact met hem te maken. Totdat Alwin Toppenberg (klasgenoot uit mijn Arubaanse Mulo-tijd), mij de weg naar Jules de Palm wees. Wij hebben hem in 2012 samen een bezoek gebracht. Hij was het gezichtsvermogen helemaal kwijt, maar zijn geheugen was voortreffelijk. Ik heb hem daarna nog twee keer bezocht: op Kerstdag 2012 en met Pasen 2013. Op 28 september jl. reed ik in de tram langs ‘Bosch en Duin’ en dacht ik meteen weer aan hem. Van Alwin Toppenberg vernam ik dat hij op 30 september overleden is. Sosegá na pas, Maestro Jules!

maandag 15 april 2013

Wendela de Vries: "Cultuur is naast inspirerend en bijzonder, ook gewoon wérk!" (2 en slot)

door Quito Nicolaas
Wendela de Vries

Het liefst exposeert Wendela de Vries haar werk tijdens zichtdagen voor een algemeen publiek, zoals de Kunstroute. Ze hoopt vurig dat haar schilderij Salix Esperanza dit jaar óók gedurende de Zomerexpo 2013 in het Gemeentemuseum in Den Haag komt te hangen. Haar inspiratie put ze uit de dagelijkse praktijk en al dat andere dat om zich heen gebeurt. Voor het kinderboek Michi verzorgde de Vries heel toevallig de omslag, waarna een duurzame vorm van samenwerking met Simia Literario ontstond. Ondanks de teleurstellende uitspraken van Nederlanders over Curaçaoënaars, heb je genoeg macamba’s die nog steeds hun medemens met respect bejegenen. Solidariteit is geen kwestie van kleur. Vandaag het slotdeel van ons vraaggesprek met kunstenaar/dichter Wendela de Vries.

In de verzamelbundel Wie ik ben/Ta ken mi ta is een tweetal van je gedichten opgenomen. Welke boodschap dragen deze gedichten uit?
De Simia-groep heeft aan dit project, dat eerst als werktitel “Identiteit” had, heel hard gewerkt, onder leiding van Fred de Haas. Het was leerzaam en soms ook confronterend, door de discussies die ontstonden. Ik was zeer onder de indruk van de rijkdom van de Caraïbische poëzie, waarover Fred ons twee colleges gaf: dichtkunst van bijvoorbeeld Cuba, Puerto Rico, Aruba, Curaçao, Trinidad, Jamaica en Guadeloupe. Dat inspireerde ons als groep enorm.

Eerder hadden we al een college van Henry Habibe gehad; een openbaring vond ik dat. Toen heb ik voor het eerst kennis gemaakt met ‘close reading’, d.w.z.   dat je puur het gedicht ontleedt en niet steeds teruggrijpt naar de identiteit van de dichter. Mijn dochter vertelde me pas dat ze dat in de literatuurwetenschap ook wel ‘de dood van de dichter’ noemen.

Het gedicht “Concert” gaat over het moment dat het koor klaar staat in de gang van de kerk en ik in mijn eentje naar voren loop en dan het publiek toespreek. Het is een heel verstild maar tegelijk beladen moment als ik daar sta. In het gedicht probeer ik dat te beschrijven. Het gedicht “Rode Brem” gaat over tuinieren en ‘de band met een plant’ en daardoor met mijn (overleden) ouders en geliefden.
Michi

Als illustrator heb je het prentenboek Michi (2009) geïllustreerd. Hoe gaat de uitvoering van zo’n opdracht in z’n werk?
Olga Orman bezocht mijn atelier in Meneer de Wit en zag een grote gekleurde tekening met de naam “Papayameisje”. Olga zag in het peutertje de hoofdpersoon van een door haar gemaakt gedicht ‘Michi un mucha no ke bebe lechi, Michi un mucha no ke tapa ku klechi…’ en vroeg me toen of ik daar illustraties voor een prentenboek bij wilde maken. Dat werd een intensieve samenwerking. Ook met Jan Kees; hij wilde het grafisch ontwerp wel maken. Olga vond daar uitgeverij La Kock Publishing bij en 2 jaar later was Michi in 4 talen een feit. Olga en ik zijn in 2009 met koffers vol Michi’s samen een maand naar Aruba, Bonaire en Curaçao geweest om les te geven en voor te dragen, en in 2010 naar een bibliotheekcongres in Santo Domingo. Een geweldige ervaring en immens leerzaam. Danki Olga, cu nos a conoce otro!

Zowel voor de bloemlezing Wie ik ben/Ta ken mi ta als Topa Tula/Ontmoet Tula had je de omslag ontworpen. Ligt hier je passie?
Jazeker, ik ben in de eerste plaats beeldend kunstenaar. Vooral Topa Tula vond ik zeer belangrijk om te doen. Ik wilde dat Tula een méns werd, geen vaag historisch figuur en dat hij iedereen in de ogen kijkt, vooral de Nederlanders die nog nooit van hem gehoord hebben. Daar kunnen zij niets aan doen, in de geschiedenisles in Nederland is nauwelijks aandacht besteed aan de slavernij. Ik hoop dat dat na dit jaar gaat veranderen. Ik had graag gehad dat Quinsy Gario, zelf ook revolutionair, model had gestaan. Hij wilde ook meewerken, maar was te druk bezet. Ik heb toen, met zijn toestemming, foto’s van hem, maar ook van een voetballer uit de krant gebruikt.

Hoe vertaal je een gedicht in een schilderij en andersom? 
Dat gaat eigenlijk niet, het zijn verschillende uitingsvormen. Natuurlijk zijn er wel overeenkomsten. Ik hou niet van cynisme of geweld. Dat zal je dus nooit tegenkomen in mijn schilderijen, tekeningen noch gedichten. Ben nu bezig aan een grote prent van 1.35 m breed bij 2 meter hoog. Het is een oude wilg, die ik Salix Esperanza heb genoemd. Dit voert weer naar een gedicht uit 2011 dat ook Esperanza heet.
Wendela de Vries - Rijst

Als kunstenares houd je jaarlijks een aantal exposities in het hele land. Hoe werd de expositie van Huid & Haar ontvangen? 
Die expositie was in Museum Joure (Fr) in een klein zaaltje, met mooie vitrines. Ik heb er niets verkocht, dat komt misschien ook door de locatie, mensen komen er niet naar toe om te kopen. Ik vind de directheid van mijn kunst verkopen heel aards en daarom heel aantrekkelijk. Wat is er mooier dan iets maken, mooi inlijsten, dat verkopen, en daar dan je boodschappen van doen? Zeker in deze crisistijd. Bij het verkopen via een galerie gaat er erg veel van je opbrengst af; en moet je aan de persoonlijke smaak van de galeriehouder voldoen. Daarom houd ik het het liefst zelf in de hand
Ik doe dit jaar in lente en zomer bijvoorbeeld mee aan twee kunstroutes in Zuid Holland/Zeeland, waar ik voor gevraagd ben. Ook geef ik teken- en schilderles bij WG-kunst in Amsterdam. In 2012 heeft mijn werk Ananasplukster in het Gemeentemuseum in Den Haag gehangen. Dat was de kroon op mijn werk, want ik vind dat het mooiste museum van Nederland. En… het werk gaat over de verschillen die stammen uit de koloniale tijd. Een hardwerkende Afrikaanse vrouw met een kindje op haar rug en in de bast van de bomen in de achtergrond zie je brave Noordelijke kerkgangers, gebaseerd op Max Havelaar, het onrecht en de hypocrisie van het kolonialisme.

Voor het bezichtigen van het werk van Wendela de Vries, kun je de volgende sites bezoeken:

zondag 17 maart 2013

Henry Habibe - Lanta para, Watapana!/ Sta op, Watapana!


Lanta para, watapana!
Baha barank'i nostalgia
fo'i bo lomba,
doblá te na tera!
Lanta bo kurpa na laria
manera kadushi di sabana
hankrá den trankera!

Lanta para, watapana!
Pinta un indján den bo kara
I klaba bo fléchanan
den e shelu di plata!
Ranka vigor fo'i bo brasa
i graba viktoria
den bo palu di bandera!




Sta op, watapana!
Schud de rots van heimwee
van je rug
die zich tot de aarde buigt.
Hef je lichaam op
zoals de cactus van de vlakte,
vastgenageld in de heg.

Sta op, watapana!
Teken een Indiaan op je gezicht
en spijker je pijlen
in de zilveren hemel.
Onttrek aan je arm de kracht
en kerf de overwinning
in je vlaggestok.

[P.s. de boom op de foto is geen watapana, maar een zeldzame fofoti.]

maandag 25 februari 2013

Hecht en Sterk

door Lila Gobardhan-Rambocus
Shrinivási bij de presentatie van Hecht en Sterk op Curaçao in  het auditorium van de Nationale Bibliotheek Curaçao op 2 februari 2013

Hecht en Sterk verschijnt tweeëntwintig jaar na Sangam, de bundel waarvoor Shrinivási de Literatuurprijs van Suriname 1989-1991 werd toegekend. Geert Koefoed heeft in 1993 de tweede uitgave verzorgd en nu ook Hecht en Sterk, waarin hij een mooi nawoord heeft geschreven.

Shrinivási's poëzie is voor elk wat wils: mooi, eenvoudig van taal én met diepere betekenislagen. Denkend aan Shrinivási komt meestal meteen ‘Deháti’ in mij op. Het gedicht uit zijn eerste bundel Anjali (1963) dat mij toen zo heeft geraakt. Het deed me denken aan het kind dat ik was toen ik op Meerzorg woonde. Ik voelde de pijn die de dichter verwoordde:

Opgebezemd
uit de modder
met koemest
aan de hielen
heb ik de drempel
van de Stad overschreden.

Ik heb een nieuw geloof beleden
van Caritas
Justitia.
Maar de patriciërs
braken het brood
nimmer met een paria.

Toen keerde ik
terug naar de rook
van de stallen
vreemd en
verstoten
onder mijn eigen volk.
Shrinivási en de Arubaans-Nederlandse criticus Henry Habibe

In Hecht en Sterk komen thema's uit zijn eerdere poëzie terug. Zes gedichten uit Sangam zijn in deze bundel opgenomen, omdat, volgens Koefoed, Sangam niet bekend is in Nederland en Vlaanderen. Een van de mooiste gedichten uit deze groep is ‘Toen realiseerde hij zich...’ (p. 68). In dertien versregels een enkele zin. Het terugkeren van de thema's - steeds anders verwoord - geeft deze bundel iets vertrouwds, en in deze fase van zijn leven accepteert de dichter het leven zoals het komt. Hij heeft net als in eerdere bundels oog voor alle details die naar hem toekomen, zoals een kind dat verwonderd zijn kleine wereld tegemoet treedt.

In 1991 schreef ik op de achterkant van het omslag van Sangam onder meer dat Shrinivási’s schrijven een zoektocht is naar de essentiële vraagstukken in het menselijk leven, waarin leven en dood centraal staan. Binnen deze zoektocht bleef hij oog hebben voor de schoonheid van de samenleving. Voor Shrinivási geldt daarom nog steeds dat een kunstenaar maar één lied heeft. In Hecht en Sterk is de melodie heel anders dan bij de vorige bundels: herinnerend, beschouwend, aanvaardend en speels. Zij blijft echter mooi en blijft nog lang in onze oren naklinken.

zaterdag 16 februari 2013

Biografie van Pierre Lauffer: een mijlpaal

door Henry Habibe
Bernadette Heiligers. Foto © Michiel van Kempen

Bij uitgeverij In de Knipscheer is onlangs verschenen Het bewogen leven van een bevlogen dichter, een biografie over de Curaçaose dichter Pierre Lauffer. Veel essayisten en literatuurkenners hebben zich in het verleden beziggehouden met Lauffers werk, maar Bernadette Heiligers besteedt in haar studie (302 pgs.) vooral aandacht aan zijn leven. Het leven van de man, die door Cola Debrot als ‘dichter bij de gratie Gods’ werd getypeerd, wordt hier onderworpen aan een diepgaand onderzoek en gereconstrueerd aan de hand van getuigenissen van veel informanten. Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken waarin Heiligers, journaliste van beroep, het zeer ‘bewogen’ leven van Lauffer in een vlotte stijl voor de lezer overzichtelijk en eenvoudig etaleert. Het boek, een waardevol initiatief van de Stichting Pierre Lauffer, kenmerkt zich door zijn levendige beschrijving (door de easy reading leest het als een trein), is rijkelijk geïllustreerd met relevante foto’s en voorzien van poëzie en prozawerk met hun respectieve vertalingen. Op grond van een paar hoofdstukken zal ik de cultureel-historische betekenis van dit biografisch werk proberen aan te tonen. Ik besef dat ik geen compleet beeld kan geven. Er komt immers een enorm groot aantal aspecten naar voren. Ik licht dan ook slechts een paar hoofdstukken eruit die mij persoonlijk als boeiend voorkomen.
Het St. Thomas College aan de Roodeweg in Otrabanda, eerste decennia 20ste eeuw

Eerste hoofdstuk
Dit hoofdstuk gaat over Lauffers jeugd. Met de zaak van de vader, Antoine Lauffer, gaat het niet best (jaren van economische depressie) en na het faillissement verhuist het gezin naar de Riouwstraat in Pietermaai. Lauffer bezocht het St. Thomas College. In die tijd werden de meeste liederen in het Spaans gezongen. Toespraken werden in het Spaans gehouden. Het was Spaans wat de klok sloeg. Zo komt het dat ook Lauffer, bij het overlijden van een tante in 1943, een gedicht in het Spaans schreef. Nog later (1947) bracht hij in het Spaans een toast uit op de bruiloft van een collega. Het was een logisch gevolg van het feit dat aan het eind van de 19e en begin 20ste eeuw op Curaçao Spaanstalig onderwijs bestond. Maar Lauffer was daarvóór al begonnen met
teksten in het Papiaments te schrijven. Zijn verhaal 'Carmen Molina' dateert van 1942 en de gedichten, die later in Patria verschenen, bestonden al aan het eind van de jaren dertig.
Pierre Lauffer

Vierde hoofdstuk
Dit is een heel boeiend hoofdstuk. Heiligers leidt ons het huis van de volwassen Lauffer binnen en vertelt over de vaderschap van Pierre en de relatie met zijn eerste vrouw. De dichter schijnt zijn kinderen weinig ‘aangehaald’ te hebben. Zo schrijft de auteur: ‘Hij sprak geen lieve woordjes als ze [de kinderen] de babyfase voorbij waren en toonde niet openlijk dat hij van ze hield’. Aan de andere kant probeert zij te nuanceren en haalt meningen aan van zeer betrouwbare personen. Zo citeert zij monseigneur Amado Römer, die een grote vriend en tevens de biechtvader van Pierre was: ‘Hij [Pierre] hield zielsveel van zijn vrouw en kinderen. Ook van zijn eerste vrouw. Maar hij kon de regelmaat en discipline niet opbrengen om een gezin te onderhouden zoals het hoort.’ De auteur vervolgt: ‘De kinderen uit Pierres eerste huwelijk hebben hun vader ervaren als erg, erg streng’. En steeds nuancerend haalt zij de bevinding van Paul Lauffer, een zoon van de dichter, aan: ‘Er valt heel veel te zeggen over mijn vader, maar één ding moet duidelijk zijn: hij heeft ons heel veel aandacht gegeven. Dat hij zijn emoties soms niet kon bedwingen, kwam volgens mij doordat hij zijn suikerziekte niet onder controle hield. Nu ik zelf diabeet ben, besef ik hoe je gemoedstoestand erdoor beïnvloed kan worden’. Ook voor wat betreft de ‘harmonie’ tijdens de vakanties wordt Paul weer aangehaald. Lauffer placht tijdens die vakanties met zijn kinderen op stap te gaan. Hij liet hen dan alle grotten, landhuizen en slavenmuren op Curaçao zien. Paul: ‘We konden lachen en pret maken en mijn vader deed net zo hard mee (…). In die periodes was mijn vader helemaal in zijn element, dicht bij de natuur, samen met zijn kinderen’.
Op ontroerende wijze wordt hier het ‘bewogen’ leven belicht. We ervaren dat Lauffer zijn uiterste best deed om aan een baan te komen, maar zijn gezondheid speelde hem parten. Zo moest hij in 1959 in het ziekenhuis opgenomen worden vanwege niersteenkolieken. Zijn vrouw legde dan – vertelt de auteur – een handdoek op zijn rug waar ze met een warm strijkijzer overheen ging. Maar wie verder leest wat voor vernederingen zijn eerste vrouw onderging (daar getuigt de auteur ook van) zal dit gedrag van Lauffer waarschijnlijk niet kunnen begrijpen en zelfs afwijzen.
De synagoge op Pietermaai. Foto Robert Soublette. Collectie KIT

Vijfde hoofdstuk
Hier gaat de auteur in op het leven van Lauffer met zijn tweede vrouw, Belmira (Beli) Nunes Jorge. De wijze waarop Heiligers dit beschrijft doet hier en daar aan een ‘roman’ denken. De anekdotes volgen elkaar op als in een sprookje. Het hoofdstuk begint met een verwijzing naar de cyclus liefdesgedichten die Lauffer omstreeks 1968 schreef, waarvan de titel luidt: Rosea den shinishi (Ademtocht in as). In één van de laatste gedichten daaruit schreef de dichter: ‘… leu den bo tin Portugal/ su sanger i sabor’ (… in jou proef ik in de verte het bloed en de smaak van Portugal). Vele jaren later, in het jaar 1968, ontmoette Lauffer – zo schrijft Heiligers – Belmira, die – toevallig of niet? - een Portugese bleek te zijn. Iets verderop vervolgt Heiligers:

Toen Pierre Belmira voor het eerst zag, was zij tijdelijk op Curaçao om haar familie te bezoeken. (…) “Hij deed van alles om mijn aandacht te trekken, zegt Belmira. “Op de dag dat hij mij voor het eerst aansprak was hij van kantoor op weg naar de kerk van Pietermaai. Hij hield me
bij de arm vast en vroeg: ‘Weet je dat je een geliefde hebt?’ Ik zei nee, want die had ik niet, waarop hij antwoordde dat hij zelf die geliefde was.

Belmira vertrok in hetzelfde jaar weer naar haar geboorteplaats, Madeira. Bij haar vertrek werd haar (op de boot) een groot boeket bloemen bezorgd, waarbij de volgende woorden op een kaart stonden: ‘Estás siempre en mis pensamientos’ (Je bent steeds in mijn gedachten). Later schreef Lauffer haar dat zijn scheiding met zijn eerste vrouw formeel geworden was en dat hij het huis klaar zou maken in afwachting van haar komst. Belmira kwám weer naar Curaçao en zij trouwden op 3 juni 1969. Dat was een paar dagen na de sociale onlusten die op 30 mei van dat jaar uitbraken. Dat betekende dat niemand de dichter en zijn jonge bruid kon komen feliciteren. Met zijn ‘kersverse bruid’ reed Lauffer naar de plantage Jeremie. Tijdens de rit merkte Belmira op:‘We
reden met de ramen open terwijl mijn sluier in de wind wapperde’. En de auteur besluit:‘…[het] werden de rustigste witte broodsweken die Pierre zich wensen kon’.

Overgenomen teksten
In ‘Gedachten vooraf’ (soort inleiding) schrijft de auteur dat zij ieder hoofdstuk laat openen met een volledig gedicht en dat in ieder hoofdstuk fragmenten uit Lauffers teksten zullen voorkomen. Zij verantwoordt de keuze van die teksten door te zeggen dat zij zich bij de selectie daarvan laat leiden door bepaalde vragen. Eén daarvan is: In hoeverre valt het oeuvre van Lauffer samen met zijn leven? Een tweede is: Wat vertelt dat oeuvre van de samenleving waarin hij opgroeide? Zo’n benadering is zonder meer te prijzen. Maar slaagt de auteur er in om die vragen op bevredigende wijze te beantwoorden? Daar zou ik wat aandacht aan willen geven. Ik kan dit natuurlijk niet in verband met het gehele werk doen. Dat zou in dit korte bestek niet mogelijk zijn. Ik zal me moeten beperken tot een paar hoofdstukken en kies voor het gemak de drie hoofdstukken die ik hierboven de revue liet passeren.

Keho di katibu
Het eerste hoofdstuk wordt afgesloten met het gedicht ‘Keho di katibu’. Wat is hiervan de relevantie? Dit gedicht laat zien hoe een slaaf zijn vernedering en onvrede verwoordt als gevolg van zijn voortdurende mishandeling door de ‘bomba’ (toezichthouder). Aangezien in het eerste hoofdstuk met geen woord over de slavernij gerept wordt heeft dit gedicht op deze plek geen enkele relevantie. Veel correcter bij de twee gestelde vragen zou het zijn geweest als de auteur hier een gedicht uit Lauffers Patria – de bundel die de dichter zelf als zijn Juvenalia beschouwde – had opgenomen. Daar zou ook een gedicht als ‘Mi lenga’ (uit: Raspá) niet misstaan hebben, aangezien er wel gesproken wordt over het standpunt dat o.a. Jo Corsen innam met betrekking tot de culturele betekenis van het Papiaments.
Gina (gedroomd). Foto © Herbert Shackles

Rosea den shinishi
Naar deze amoureuze cyclus wordt in het vierde hoofdstuk verwezen. Het fascinerende hiervan is dat de auteur daarmee tevens een van de hoogtepunten van Lauffers dichtwerk aanstipt. Lauffer heeft het in die cyclus over een door hem ‘gefantaseerd’ personage. Hij zou haar, toen hij achttien was, in zijn dromen ontmoet hebben en gaf haar de naam ‘Gina’. Hij schreef later als een soort inleiding:‘Esnan ku lesa por kere o laga, si ta fantasia o realidat’ (Zij die dit lezen kunnen geloven of niet, of het fantasie is of werkelijkheid).
Heiligers weet te vertellen dat Lauffers zussen een foto hebben van die Gina. Zij zouden ook haar ‘vermeende echte naam’ weten. Heeft Gina nou bestaan of niet? Het intrigerende van deze vraag is hetgeen Heiligers nu naar voren brengt:
Wat het bestaan van Gina ook op losse schroeven zet, is een ander gedicht ‘Mi negra ta na soño’, dat Pierre geschreven had voordat hij in Europa met Gina het bed had gedeeld. Het ligt bij de openbare bibliotheek van Aruba en is nooit door de schrijver gepubliceerd.
Het vroegere gedicht ging dus over een slapende zwarte vrouw. Aangezien Gina uit Rosea den shinishi op een identieke wijze beschreven wordt als de slapende zwarte vrouw uit het ongepubliceerde gedicht, merkt Heiligers dan op: ‘In Rosea den shinishi beschrijft de dichter de slapende Gina precies zo’. Daar voegt zij kritisch aan toe: ‘En de Gina op de foto [in het bezit van Lauffers zusters] is niet zwart’.
Dichters kunnen ook een geheim hebben. Dat besefte De Palm ook al. Als antwoord op een vraag van Heiligers gaf hij: ‘Pierre had zo’n sterke fantasie dat hij sommige van zijn dromen zelf ging geloven. (…) Voor mij bestond ze [Gina] dus in zijn fantasie. Maar ik wil wel aannemen dat Gina voor Pierre in werkelijkheid heeft bestaan’. Daarbij verzekerde De Palm: ‘Pierre liet niemand echt dichtbij komen. Bovendien vond hij het heerlijk om mensen op het verkeerde been te zetten. (…) Dat geheimzinnige, daar kon hij zich erg in verkneukelen’.
De verwijzing door Heiligers naar Gina uit deze reeks gedichten is zeker to the point.

Curaçao, 30 mei 1969

Mi tera
In het vijfde hoofdstuk wordt op blz. 172 ‘Mi tera’ (uit Kumbu) opgenomen om daarmee te illustreren dat Lauffer de ‘massale uitbarsting van gevoelens’ van 30 mei 1969 al 15 jaar vóór het uitbreken ervan in dat gedicht had beschreven. Dit is een interpretatie die in de verste verte niet op close reading gebaseerd is. De plank wordt misgeslagen omdat er niet volgens de geschiedenis geïnterpreteerd wordt. In dit gedicht uitte de dichter, in plaats van een sociale uitbarsting, zijn individuele anti-koloniale gevoelens. Het was de periode waarin o.a. Doctor Da Costa Gomez streed voor de autonomie. De Nationale Volkspartij werd in 1948 door hem opgericht en zo kwam er een emancipatieproces op gang. Uit die tijd dateert een door da Costa Gomez gehouden toespraak waarbij de tegenstelling tussen de ‘makamba’ en de ‘yiu di tera’ duidelijk aan het licht kwam. Zo uitte Lauffer in die jaren zijn nationalisme door in zijn ‘Mi tera’ te schreeuwen: ‘e pida tera ‘kí ta di mi!’ (Dit stukje grond is van mij). De Autonomie werd in 1954 een feit en in 1955 kwam Lauffers Kumbu uit. Het zij hier terloops opgemerkt dat Lauffer er helemaal geen voorstander van was om thema’s als ‘maatschappelijke onvrede’ in zijn poëzie te betrekken. Ik heb het nu over zijn poëzie en niet over zijn prozateksten. De vaderlandsliefde die Pierre hier en daar in zijn poëzie etaleert is geen uiting van sociale aard. Hij kan het natuurlijk hebben over de ‘schurken’ in zijn ‘Mi tera’. Ook over de ‘buitenlandse roofvogels’ in ‘Fadá mi ta’ (Ik ben het zat). Maar dat zijn uitingen van individuele woede en ‘zat zijn’. Indien er in die teksten niet verwezen wordt naar (of geen toespelingen zijn op) degenen voor wie hij wil opkomen, dan kan er geen sprake zijn van een maatschappelijk georiënteerde poëzie. Zo zijn de poëtische teksten, waarin de dichter het over de zwarte vrouwen heeft, evenmin sociaal geladen. Het zijn meer uitingen van naastenliefde of hartstochtelijke ontboezemingen. Hooguit een expressie van medelijden, hetgeen wat anders is dan een verdediging van de rechten van zwarte vrouwen. Men dient niet té snel twee teksten van heel verschillende perioden bij een mogelijke interpretatie door elkaar te halen. ‘Mi tera’ dateert uit de jaren veertig/vijftig (na de Tweede Wereldoorlog) en ‘Fadá mi ta’ uit de jaren zeventig. Wie zegt dat de dichter in ‘Mi tera’ dezelfde ‘schurken’ voor ogen had als in ‘Fadá mi ta’? Met ‘bandopnames’ waarop de stem van Pierre te horen is moet men erg voorzichtig zijn bij het horen van ‘een van die figuren’. Die woorden kunnen natuurlijk te maken hebben met het ene gedicht, maar hoeven niet direct te slaan op het andere. Als die woorden dateren uit de tijd dat de dichter de zeventig al voorbij was (‘zijn oude dag’), dan hoeft dat geen betrekking te hebben op de ‘schurken’ die in ‘Mi tera’ (uit de jaren veertig!) naar verwezen wordt.
Ulli Jessurun d'Oliveira

Close reading
In de 19e eeuw onderzocht men voornamelijk de biografie van de auteurs en hield men zich niet zozeer bezig met hun teksten. Aan hun werk werden de middelen ontleend om hun persoonlijkheid te reconstrueren. Tegen die historische benadering kwam aan het begin van de 20ste eeuw een reactie. De eersten die tegen de biografische richting reageerden waren de Russische formalisten. Vanaf ongeveer 1930 (tot ver in de jaren vijftig) was deze zienswijze, die in Amerika onder de naam New Criticism ging, de meest invloedrijke Amerikaanse literatuurbeschouwing. Men brak dus met de biografische methodes. De aanhangers van deze literatuurbeschouwing zien de literaire tekst als een besloten geheel. Als een wereld op zich. Men wilde het betekenispotentieel van de tekst niet laten bepalen door factoren als de maatschappelijke context, de bedoelingen van de maker of de strategie van een uitgever. In Nederland volgde men (sinds de jaren zestig) ook enigszins deze werkwijze. Men denke maar aan de groep critici rond het tijdschrift Merlyn, waartoe Kees Fens, Jaap Oversteegen en Ulli Jessurun d’Oliveira behoorden. Deze groep reageerde tegen de verwaarlozing van het specifiek literaire en ging spreken van de ‘autonomie’ van het literaire werk.

Conclusie
De biografie van Pierre Lauffer door Bernadette Heiligers is een mijlpaal in de literaire geschiedenis van Curaçao. Zij deed een diepgaande onderzoek naar zijn leven. Niemand vóór haar heeft ons zo pakkend en informatief door het leven van Lauffer geleid. Samenvattend kom ik tot de conclusie dat Heiligers hiermee een zeer leesbare literaire biografie geschreven heeft en dat het een hoogtepunt is op het cultureel-historische vlak. In bepaalde gevallen correspondeert de verwevenheid van levensbeschrijving en de opgenomen teksten van de dichter niet. Helaas is ook niet ieder gedicht (tekst) in de context van de tijd van publicatie geïnterpreteerd. Maar dit heeft te maken met een benadering die niet op close reading gestoeld is, zoals dat gebeurde bij de New Critics en de Merlynisten.

[uit: Antilliaans Dagblad, 24 december 2012].

zondag 3 februari 2013

En daar was de muze


Acht liefdesgedichten van Henry Habibe: Emerge la musa

door Jeroen Heuvel

Hoe dicht je over liefde. Vraag ik aan Henry Habibe. Er is al zo vaak en veel over geschreven. Habibe is zelf dichter en ook literair criticus, dus is de vraag voor hem: wanneer vind je gedichten een kunstvorm? In zijn antwoord komt naar voren dat het literatuur wordt, is en blijft wanneer het gedicht geen cliché is, maar originele beelden, metaforen gebruikt, als de klanken goed gekozen zijn, het samenklinken van vocalen en medeklinkers, als de tekst ritme heeft en als er melodie in doorklinkt. ‘Je moet de woorden zoeken, proeven, je kunt een gedicht niet uit je mouw schudden, een gedicht moet rijpen, je moet het schaven, herschrijven.’

De nieuwe bundel van Habibe heet Emerge la musa, Ocho poemas de amor con su traducción al holandés. In deze kleine bundel staan ook, zoals de titel aangeeft, de Nederlandse vertalingen. Die zijn van de hand van Igma van Putte – de Windt. Ik waag me niet aan een bespreking van de Spaanse gedichten, ik durf wel iets over de Nederlandse afdeling in deze bundel te zeggen, die de titel Plotseling is daar de muze, Acht liefdesgedichten, heeft meegekregen.
Ook al gaat het om een gering aantal gedichten, de inhoud is heel rijk aan beelden. Aan originele beelden. De in 1940 op Aruba geboren criticus Habibe heeft zoveel gedichten gelezen en besproken dat hij over koffers vol culturele en letterkundige bagage beschikt in zijn hoofd en hart op zijn gang door het leven. Hij studeerde Spaanse Taal- en Letterkunde aan de universiteiten van Leiden en Nijmegen. In zijn studententijd was hij hoofdredacteur van het cultureel-literaire tijdschrift Watapana. Hij is beroemd geworden door zijn gedicht Lanta para watapana! (1968). Dit gedicht resoneert in het vierde gedicht in de onderhavige bundel: Stijgend verlangen waar in de voorlaatste strofe staat:

De boom uit mijn jeugd,
naar de grond gebogen,
ging fier rechtop staan
(…)

Hier zie je de kracht van beeldspraak. Die boom zelf, de watapana, is natuurlijk niet rechtop gaan staan, deze waaiboom – het beeld – kan de hard blazende noordoostpassaat niet trotseren, maar het verbeelde kind dat om welke reden dan ook ooit gebogen ging onder een be-wind, kan wel de ruggengraat rechten en trots en zelfstandig zijn levenstocht vervolgen.

Habibe, de dichter

Tijdens het interview met Habibe, gaat de criticus in hem, wel in op vragen van letterkundige aard, maar de dichter in hem gaat niet in op vragen van biografische aard om de gedichten te duiden. ‘Het moet niet zo zijn dat je de dichter moet vragen wat hij bedoelt. Close reading is voldoende.’ Oké, denk ik. En voel de uitdaging.
Close reading, is een door critici toegepaste manier van literatuur lezen waarbij de tekst wordt gezien als een zelfstandig geheel, zonder daarbij de biografie van de auteur te betrekken, noch de historische context. In Nederland volgden de critici verenigd rond het tijdschrift Merlyn deze manier van lezen. Volgens onder andere Hans Ulrich d’Oliveira en Kees Fens was een literaire tekst een ‘zinvol samenhangend geheel van woorden waarin een werkelijkheid beschreven of aanwezig gesteld wordt, die niet rechtstreeks naar een daarbuiten bestaande werkelijkheid verwijst.’
Habibe, de criticus

De bundel is niet alleen rijk aan beelden, in deze liefdesgedichten zitten een heleboel juweeltjes verborgen. Ik kan er in deze krantenbespreking maar een paar noemen, hopelijk voldoende om er een goede indruk van te krijgen. Hier komen ze, in willekeurige volgorde.
De kaft, een afbeelding van een schilderij van de Colombiaanse dichter en schilder Patricio La Rotta Gonzaléz, stelt een zeelandschap voor met een anemoon en koralen als vuurwerk plus twee visjes, waarom Habibe voor deze kaft heeft gekozen, ik heb het hem niet gevraagd en ik blijf het antwoord schuldig. Tijdens het interview wees Habibe wel op de afbeelding van het schilderij van Clyde Lo-A-Njoe, dat rouw en afscheid uitbeeldt, op de kaft van Vulkanisch samenzijn, de vorige bundel van Henry Habibe.
De recente bundel is opgedragen aan María Inés. Het zesde gedicht in het Spaans, De Viaje, is geschreven in 2002 en door de auteur voorgelezen tijdens de bruiloft van hem met María op 15 december 2003. In dat licht is het interessant om zijn vorige bundel, Vulkanisch samenzijn, bij deze bespreking te betrekken. Die cyclus van 17 gedichten in het Nederlands geschreven, is in 2008 gepubliceerd bij uitgeverij In de Knipscheer, maar was volgens de dichter al in 2003 gereed. In het jaar van zijn huwelijk. Nader onderzoek kan uitwijzen of de vrouw die in die cyclus wordt omschreven als een witte roos waarin de ik-figuur verstrengeld raakt in de kustplaats Calella ten noorden van Barcelona, de bruid van het huwelijk was. Ook al maakt dat gegeven niet uit voor de literaire waarde van de gedichten, er zijn wel heel veel overeenkomsten tussen beide bundels die gaan over fysieke liefde, zintuiglijke liefde. De eerste bundel van Habibe heet Aurora (1968). ‘Dat is een jeugdwerk, ik was nog zoekende, het zijn probeersels om in het Papiamento te schrijven, rond 1964. Vingeroefeningen, geen hoogtepunten. Wel oprechte sentimenten. In die tijd was er nog een taboe op het schrijven over erotiek. Het was poesia prohibí.’ Een terugkerend thema van Henry Habibe is de vleselijke liefde. Een eruptieve coïtus, noemde ik het in een bespreking van Vulkanisch samenzijn.
Om het bijzondere van de liefde te beschrijven gebruikt Habibe grootse, universumbeelden: het tuimelen langs de melkweg /hemelse smart, mijn dromen sierlijk doorklievend, / de witte roos straalde en een regenboog werd / de nacht heeft ons gesmeed tussen de rails naar de horizon / in een kosmische doolhof / de morgenster zuchtte. Dit zijn beelden uit Vulkanisch samenzijn. In de nieuwe bundel komt de vulkaan weer, in het tweede gedicht, de voorlaatste strofe daarvan:

Mijn hart ontvlamde
door het vuur in je vleugels,
talloze buitelingen maakte mijn ziel
gleed uit over het hemelgewelf
en stortte voorover
in de diepte van een
vuurspuwende vulkaan.

Ook in de laatste strofe van het laatste gedicht staat:

kwam de vulkaan tot zwijgen.

Andere grootse beelden in de nieuwe bundel: Ik wil mijn vuurengel ontmoeten / Voorbij de horizon / en de hemel werd een carrousel / in de smidse van een nieuwe dageraad.
Geniet ook van het samenspel van de klanken, bijvoorbeeld van de letter ‘v’ in
Amazone van vlees en bloed
engel met je vuurspuwende vleugels
Het bovenzinnelijke proberen te beschrijven, en in de zintuiglijke wereld toe te passen, te passen, aan te passen, dat doet de dichter.

Een ander aspect is het metrum dat vaak de dactylus laat horen, niet als een dreun, maar als het ritme van een wals, een driekwartsmaat, met of zonder opmaat. Alleen al de titel met de naam van de bruid samen:
Emerge la musa María Inés
elf lettergrepen, waarvan de tweede wat meer klemtoon heeft, de vijfde, de achtste en de elfde. Ik zou soms kiezen voor een ritmische vertaling, bijvoorbeeld “En daar was de muze”, maar dit is pertinent geen kritiek op Igma van Putte – de Windt, zij heeft uitstekend werk geleverd, ook in de Nederlandse vertalingen zit een sterk ritme, getuige de titel van het vierde gedicht, Stijgend verlangen, waarin de wals – zonder opmaat – weerklinkt en in de titel van het laatste gedicht als je de stomme ‘e’ van het eerste woord inslikt, Onaardse Amazone zes lettergrepen (met opmaat).

Veel aandacht verdient ook de echo van letters in de titels onderling, die daardoor aan elkaar geregen worden en nog meer een verbond smeden in het geheel van de bundel, bijvoorbeeld de medeklinker ‘m’ in de eerste drie titels:
I Plotseling is daar de muze, II Mijn moeder zei (let ook op de ‘z’ in muze en zei) III Verlangen naar moederliefde
En kijk dan naar het woord dat echoot in de titels van III Verlangen naar moederliefde en IV Stijgend verlangen.
Uit zijn overvloedige bagage put de dichter beelden, die hij kan comprimeren, verdichten, en die de lezer dan - afhankelijk van zijn of haar bagage - in een bredere context kan plaatsen.

en in de geborgenheid van je vleugels
bleef ik verlangen naar moederliefde
de koestering van haar schoot

Uit de schoot van de moeder, in de schoot van de minnares. En in het vijfde gedicht doet de minnaar de minnares aan haar moeder denken vanwege de tranen die hij plengt, ze maant hem aan tot vrolijk zijn, zoals haar vader altijd was.
Een ander aspect dat verdere studie behoeft is het kleurgebruik in de poëzie van Habibe.
Kleuren die de mens voor altijd kwijtraakte
bij het ontstaan van de wereld

en in Vulkanisch samenzijn:

en het landschap
werd van een groen
waarvan ik niet eerder
geproefd had

Habibe verdient een diepgaande studie van zijn poëzie, zoals hij zelf in het Nederlands verschillende studies over de Curaçaose dichters Joseph Sickman Corsen, Luis Daal en Pierre Lauffer, heeft gepubliceerd. De criticus Habibe heeft onlangs na vier jaar schrijven de laatste hand gelegd aan een in opdracht van UNOCA geschreven studie over de Arubaanse literatuur, getiteld Aruba in literair perspectief, tussen traditie en vernieuwing. ‘Ik heb het in het Nederlands geschreven, omdat ik de lezerskring niet wil beperken tot mensen die het Papiamento beheersen. Het begint bij het in 1907 gepubliceerde gedicht Atardi van Fedji Beaujon en loopt tot 1975. Tien jaar daarvoor begonnen jonge Arubaanse studenten die in Nederland aan het studeren waren een nieuw soort poëzie te schrijven. Alleen echte literatuur komt aan bod, in de vier op Aruba gebruikte talen.’ Ik ben heel benieuwd hoe de criticus over zichzelf als dichter heeft geoordeeld. Met zijn twee recente bundels heeft Habibe onherroepelijk zijn waarde als dichter bewezen.