Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
Posts tonen met het label Habibe Henry. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Habibe Henry. Alle posts tonen
vrijdag 9 mei 2014
Habibe over liefdespoëzie
donderdag 23 januari 2014
Literaire Tertulia van Dutch Caribbean Book Club
Amateuristische lezing van Debrot door Walter Palm
door
Henry Habibe
![]() |
| Eerste druk 1935 |
Op initiatief van Dutch Caribbean Book Club (DCBC) werd op 9
november 2013 in Den Haag voor de zoveelste keer aandacht besteed aan de
bekende novelle Mijn zuster de negerin van Cola Debrot. Spreker, de heer Walter
Palm, gaf daarvan wat hij zelf noemde ‘een andere visie’ dan de reeds bestaande. Hij deelde mee dat hij bij een herlezing van de novelle ‘tot zijn verrassing tot een andere kijk’ was gekomen, namelijk: ‘de labiele
geestestoestand van de hoofdpersoon trok mijn aandacht en niet zozeer de
rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat’. Hierna volgde een
samenvatting van het bewuste werk en kwam de spreker, na een vrij
onsamenhangende uiteenzetting over wat hij als de ‘vorm’ beschouwde, tot de
conclusie dat Mijn zuster de negerin een ‘magisch-realistische inslag’ heeft.
Opmerkelijk is dat het niet tot de spreker schijnt te zijn
doorgedrongen dat het hier gaat om een raciaal thema (Négritude). De
hoofdpersoon geeft – aldus Debrot - de voorkeur aan een negerin boven de blanke
vrouw in Europa. Tegen het einde van het verhaal, nadat de hoofdpersoon een
hele tijd gemijmerd heeft over het zwarte meisje uit zijn jeugd, voelde hij
‘onweerstaanbaar de drang in zich opkomen om naar de kamer van Maria [het
negermeisje uit zijn jeugd] te gaan’. Debrot heeft dit thema op een hoogst
eigen wijze behandeld.
![]() |
| Editie 1955 |
In plaats van de novelle aan een min of meer stilistische
benadering te onderwerpen en zoveel mogelijk binnen een passende historische
context, wijkt Palm daarvan af en gaat op zoek naar aspecten van psychologische
aard (hallucinaties, zelfmoordneigingen) en
veronderstelt dat daarmee reeds van een ‘magisch-realistische inslag’
sprake is. Hij gaat als volgt te werk.
Nadat hij (aan het begin) als een tweede ‘reden’ had gegeven waarom de
hoofdpersoon naar Curaçao teruggekeerd was, week hij af van het raciale thema
en probeerde elders voorbeelden te vinden (dus uit andere werken) om daarmee de
vermeende ‘magisch-realistische inslag’ van Mijn zuster de negerin te
signaleren. Dit is wat ik een ‘extra-literaire vlucht’ zou willen noemen. De spreker
verlaat immers de tekst, die hij zich voorgenomen had te bespreken. Zo verwijst
hij naar een kort verhaal van Daphne du Maurier (‘Don’t look now’) omdat
daarin sprake is van ‘het zien van een schim’. Meent hij misschien dat hij
zodoende het Magisch Realisme reeds gedefinieerd heeft? Ook deelt hij mee dat
het gedicht ‘Wie weet Malinda’ van Debrot ‘geen deel uitmaakt van de novelle’.
Desalniettemin stelt hij (zonder het aan te tonen!) dat de
‘magisch-realistische sfeer’ uit dat gedicht ook in de novelle aanwezig is.
![]() |
| Elfde druk |
De spreker meende
bovendien dat, aangezien Debrot bevriend was met de Nederlandse
magisch-realistische schilder Carel Willink, zijn novelle ook elementen moet
bevatten van het Magisch Realisme. Zonder deze literaire tendens te hebben
gedefinieerd of minstens aan te geven wat hij daaronder verstaat, gaat hij over
tot de volgende verkondiging: ‘Is Mijn zuster de negerin met zijn
magisch-realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman, zoals
die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien
años de soledad van de Colombiaanse auteur Gabriel García Márquez?’ (Palm noemt
ook La casa de los espíritus van Isabel Allende).
Uit Palms verhaal blijkt niet wat hij met ‘magisch
realistische inslag’ bedoelde. De ene keer gaat hij bij Du Maurier te rade
(wiens tekst uit 1971 dateert, terwijl die van Debrot uit 1935), een andere
keer baseert hij zich op de ‘sfeer’ uit een heel andere tekst van Debrot, in de
veronderstelling dat beide werken vanzelfsprekend dezelfde ‘sfeer’ moeten
ademen. Het toppunt van deze ‘amateuristische’ benadering wordt aan het eind
bereikt met de vrij groteske uitspraak: ‘García Márquez, maar ook (...) Isabel
Allende (...) zouden niet opkijken van de passage in Mijn zuster de negerin
waarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand of iets met gloeiende ogen” als hij in
Miraflores de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan’. Beide
Latijns-Amerikaanse auteurs zouden – volgens mij – juist in lachen uitbarsten
bij het constateren dat Ruprecht de schrik te pakken had (‘… Doodsbleek smeet
hij [Ruprecht] de deur weer dicht. Het angstzweet brak hem uit…’). In de werken
van García Márquez en Allende gaat het juist niet om het zich distanciëren van
de ‘mysterieuze’ verschijnselen, maar om een ‘zich daarin onderdompelen’ om die
op een min of meer indringende wijze te omschrijven. Dat gebeurt soms aan de
hand van sterk hyperbolische elementen.
![]() |
| Derde druk |
Fantastische verhalen hebben altijd bestaan. Het Magisch Realisme
is echter een postmodernistische stroming in de schilderkunst, die zich ook in
de literatuur manifesteerde en wel aan het eind van de jaren veertig met werken
als El Reino de este mundo van de Cubaan Alejo Carpentier. Men denke daarbij
ook aan werken als Kafka’s De Metamorfose. Mijn zuster de negerin willen
beschouwen als een novelle met een ‘magisch realistische inslag’ is louter een
wishfull thinking van de heer Palm.
Er kan gesteld worden dat deze bijeenkomst van de Dutch
Caribbean Book Club geslaagd was. Alleen was er niet voldoende gelegenheid om
te discussiëren. Vooral het gesproken ‘In memoriam Jules de Palm’ door de
bekende Arubaanse pianist Alwin Toppenberg omvatte veel interessante informatie
over de Curaçaose schrijver. De moderator, Darlène Westmaas, kweet zich goed
van haar taak. Er heerste een heel ontspannen sfeer onder het publiek. Het
succes was mede te danken aan de inspanningen van de actieve voorzitter van
Dutch Caribbean Book Club, Magda Lacroes.
Labels:
Debrot Cola,
Habibe Henry,
Marquez Gabriel García,
Négritude,
Palm Jules de,
Palm Walter,
Toppenberg Alwin
zondag 19 januari 2014
Boeli van Leeuwen: Ook reuzen hebben recht op rust
Dit stuk verscheen als 'In memoriam' kort na het overlijden van Boeli van Leeuwen in 2007 in het Antilliaans Dagblad.
![]() |
| Boeli van Leeuwen |
door Henry Habibe
Een vreemd gevoel bekroop mij bij het bericht dat Boeli van
Leeuwen overleden was. Nauwelijks twee maanden geleden schreef ik een bijdrage
voor het Antilliaans Dagblad ter gelegenheid van zijn 85ste
verjaardag (‘Een oor als een roos’). Je bent dan op zo’n moment bezig met zijn
geestelijk werk en ook enigszins met de
auteur zelf. En dan word je even later plotseling geconfronteerd met het
bericht:’Boeli overleden!’ De dood kent geen pardon. Hij is onverschillig en
onberekenbaar. Hij doet je dan ineens denken aan wat de overleden persoon
betekend heeft. Voor mij persoonlijk was Boeli een toonbeeld van menselijkheid.
Ik moest ook onwillekeurig denken aan het begin van de jaren zestig. Een stukje
van mijn jeugd in Nijmegen. Daar was het dat ik De rots der struikeling voor
het eerst in mijn handen hield. Boeli
was in die tijd nog niet zo lang als romancier ten tonele verschenen. Dat was
ongeveer in dezelfde tijd waarin ook Tip Marugg debuteerde. In die tijd hoorde
je op school weinig over literatuur uit de West. Slechts Cola Debrot en Albert
Helman hadden toen enige naam gemaakt. Dus ik dacht: ‘Ha, het blijft dus op de
Antillen en Suriname (de West) qua literatuur kennelijk niet beperkt tot Debrot
en Helman. Ik voelde een zekere trots omdat met de eerste romans van Boeli en
Tip de Nederlandstalige literatuur wezenlijk verrijkt werd. Ik was een stille
bewonderaar van Boeli’s geestesproducten.
Maar mijn bewondering hield niet op bij zijn romans. Hij was
doctor in juridische wetenschappen, werkte als hoofd Algemene en Juridische
Zaken, fungeerde als secretaris van het Eilandgebied. Toen hij in 1970 bezig
was met zijn “Verslag” omtrent de toekomstige staatkundige structuur van de
Nederlandse Antillen schreef hij me een brief omdat hij in een nummer van het
tijdschrift Watapana, dat helemaal in het Spaans was verschenen, iets
zag dat hem interesseerde. Hij wilde graag weten uit welk werk van Nicolás
Guillén (Cubaanse dichter) ik bepaalde versregels had overgenomen. Hij liet niet
na enige lovende woorden te spreken over het tijdschrift en zei dat hij blij
was dat de jeugd de ‘dingen des geestes’ niet uit het oog had verloren. De
bewuste versregels van Guillén nam hij over en ze prijken op bladzijde 10 van
zijn “Verslag”. Kort daarop ontmoetten wij elkaar voor het eerst op Aruba, waar
hij van overheidswege voor een jaar verbleef. Mijn bewondering nam toe en hij
had als homo intellectualis een inspirerende invloed op mij.
Later, toen ik in 1983 vanuit Nederland naar Curaçao verhuisde,
ontmoetten wij elkaar weer. Het is me duidelijk voor de geest blijven staan hoe
behulpzaam hij was. Een mens heeft soms behoefte aan morele steun en Boeli was
goed in het geven daarvan. Wij kwamen op een dag bijeen op zijn kantoor in
Scharloo, waar hij hulpbehoevende mensen uit die probleemwijk placht te
ontvangen. Hierover schreef hij later (of was hij al aan het schrijven?) in
zijn Schilden van leem. Na het gesprek werd hij, buiten aangekomen,
geconfronteerd met een politieagent die bezig was een proces-verbaal op te
maken vanwege het feit dat Boeli zijn auto verkeerd geparkeerd had. Hij was net
op tijd om de man ervan te overtuigen dat hij ‘alleen maar eventjes’ daar had
geparkeerd omdat hij iemand uit de nood moest redden. De agent werd stil voor de
stroom van woorden van de ‘professor’ en marcheerde af als een hond met zijn
staart tussen de benen. Wat later in de tijd hield Boeli eens een lezing (op de
UNA) en zat er iemand in het publiek luidop te praten. Boeli hield even op met
spreken en riep de man tot de orde door zijn naam te noemen. Het klonk dreigend
en vriendelijk tegelijk: ‘Meneer ..…,
don’t I please you?’
Boeli was een toonbeeld van een ‘ad remme’ geleerde. Maar
ook een van de beste romanschijvers van Curaçao. Na Tip Marugg in 2006 is nu met
Boeli nóg een literaire reus heengegaan.
Ook reuzen hebben recht op rust. Boeli, sosegá na pas.
donderdag 24 oktober 2013
Geslaagde presentatie door Ramon Todd Dandaré in Arubahuis
![]() |
| Foto @ Nico van der Ven |
door Henry Habibe
Op 20 augustus jl.
heeft in het Arubahuis te Den Haag een presentatie plaats gehad van de
Arubaanse linguïst Ramón Todd Dandaré. Deze bijeenkomst vond plaats in het
kader van het ‘Jaar van het Papiaments’, dat dit jaar door de Arubaanse
overheid als zodanig werd uitgeroepen.
De titel van de presentatie was: ‘Den kibra di marduga –
Aurora di un lenga crioyo: Papiamento’. Aangezien men op Aruba niet bereid
schijnt te zijn om accenten te zetten op de beklemtoonde letters, weet de lezer
niet hoe deze woorden precies uitgesproken moeten worden. Ook de post-tonische ‘o’,
het als een oe-klank klinken van de ‘o’ aan het eind van bepaalde
woorden in het Papiaments, blijft men op Aruba met een ‘o ‘ weergeven in plaats
van met een ‘u’. Een ietwat logischer weergave van genoemde titel zou zijn:
‘Den kibrá di mardugá – Aurora di un lenga krioyo: Papiamentu’. (Nederlands:
‘Bij het ochtendkrieken – Dageraad van een creoolse taal: Papiaments’).
![]() |
| Ramon Todd Dandaré |
De heer
Todd had een lijst laten uitdelen van een aantal oude teksten, geschreven in
het Papiaments uit die tijd. Het zijn documenten uit de periode 1747 – 1864.
Hij bracht en passant in herinnering dat het Frank Martinus
was die bepaalde oud-Papiamentse boekwerken voor het nageslacht had ‘gered’
toen Willemstad naar aanleiding van de sociaal-politieke oproer van mei 1969 in
lichterlaaie stond. In het Bisdom op Curaçao werden veel van deze werken
bewaard. Een aantal van deze werken werd inmiddels opnieuw uitgegeven door de
Stichting Libri Antilliani (Nederland) en de Fundashon
pa Planifikashon di Idioma (Curaçao). Twee daarvan zijn het oudst
gedrukte Papiaments-Nederlandse dictionaire uit 1859 (Woordenlijst met Zamenspraken)
en het Ewanhelie di San Mateo (1844). Niet alle teksten, die op de lijst van
Todd stonden, werden door hem besproken. Hij beperkte zich tot drie ervan.
Het
eerste in zijn geheel doorgenomen document was de bekende ‘brief van
een Curaçaose jood’ uit 1775. Het tweede was een ‘brief’ uit 1783 en het derde
een vrij lange ‘brief’ uit 1803 geschreven op Aruba. Een boek dat tijdens Todds
betoog herhaaldelijk genoemd werd was The Kiss of a Slave (1996)
van Frank E. Martinus, waarin deze Curaçaose taalwetenschapper het ontstaan van
de creoolse taal uiteengezet heeft.
Voor deze presentatie bleek, gezien de opkomst, grote
belangstelling te bestaan. Om vragen te stellen of opmerkingen te maken hoefde
het publiek niet tot aan het eind te wachten. Men mocht de spreker onderbreken
en dat vond ook veelvuldig plaats. Iedereen kreeg de mogelijkheid om z’n zegje
te doen. In bepaalde gevallen gaf Todd toe dat ook voor hem niet alles
‘vaststond’. Er zijn in de oude teksten hier en daar onduidelijkheden. Verder onderzoek
zou nog gedaan moeten worden. Hoewel hij aan het begin meegedeeld had dat hij
niet zou ingaan op de kwestie van de oorsprong van het Papiaments (hij wilde
zich kennelijk slechts tot de documenten beperken), nam hij later toch alle
tijd om daarover zijn standpunt uit de doeken te doen. Iemand stelde
namelijk de vraag: waar komt deze taal nou vandaan? Op een gegeven moment zei
iemand dat het werkwoord ‘papia’ – volgens hem – met het Franse ‘parler’ te
maken had. Dit werd door Todd afgewezen. Op een vraag over de schrijfwijze van
het Papiaments ging Todd niet in. Het was naar aanleiding van de ‘Hollandse’
spelling in bepaalde teksten. Doordat men de spreker op het laatst
herhaaldelijk onderbrak, vroeg iemand zich, meer tot zichzelf dan zich tot de
spreker richtend, af: ‘Iedereen mag dus zelf weten hoe men het Papiaments
schrijft?’ Hoogstwaarschijnlijk drong het niet tot de spreker door wat de de
vragensteller bedoelde of, wat vermoedelijk het geval was, had hij de vraag
niet eens gehoord.
[van Dutch
Caribbean Book Club, 6 september 2013]
Labels:
Habibe Henry,
lezing,
Papiamentu,
recensie,
Todd Dandaré Ramon
dinsdag 22 oktober 2013
Bij het heengaan van Dr Jules de Palm
door Henry Habibe
Op een droevig moment als dit, waarbij een heel dierbaar
persoon mij ontvallen is, zou ik het niet willen hebben over zijn vele
verdiensten op literair èn taalkundig gebied. Zelf wilde hij niet eens
opgebaard worden, maar in stilte gecremeerd. Cola Debrot heeft Jules de Palm
ooit getypeerd als een van die auteurs, die de moed weten op te brengen om in
alle eenvoud hun ware aard te tonen. Dat is nu weer duidelijk gebleken. Ik
probeer dus iets te schrijven dat past bij een meer ingetogen afscheid.
![]() |
| Jules de Palm tussen Henry Habibe (links) en Alwin Toppenberg |
Ik heb nogal wat leermeesters gehad. Ook van het soort bij
wie je nooit in de klas hebt gezeten. Dat zijn de mensen die je bij gewone
gesprekken zo weten te inspireren dat je gefascineerd raakt. Zo’n leermeester was Jules de Palm. Ik moet een
eerstejaars of tweedejaars student zijn geweest, toen ik kennis met hem maakte.
Ik studeerde toen aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen en bezocht hem een
aantal keren op zijn kantoor in Den Haag. Hij was Directeur van het Centraal Bureau
Toezicht Curaçaose Bursalen (CBTCB) en sprak tijdens die bezoeken o.a. ook over
zijn Curaçaose jeugd. Zijn naam was ik al eerder tegengekomen in de Antilliaanse Cahiers, waarvan hij in
1956 samen met Cola Debrot en Henk Dennert de redactie vormde. De Palm schreef in
1949-1950 al essays in El Dorado, het
maandblad ter behartiging van de belangen van Suriname en de Nederlandse
Antillen. Daarvóór was hij onderwijzer op Curaçao en Aruba.
Direct bij het eerste contact boeide De Palm mij. Hij had,
bijvoorbeeld, samen met Pierre Lauffer en René de Rooy liedjes in het Papiaments
gecomponeerd. Dat is iets waar men in de beginjaren veertig nog niet over
piekerde. Op feestjes werd toen nog geen muziek met Papiamentse teksten gespeeld.
Het was een tijd waarin de bevolking geen waarde hechtte aan de landstaal. Maar het
trio zong de liedjes alleen in eigen kring, terwijl er één op een houten kist
trommelde. De bedoeling was om zo liedjes, maar ook literatuur in de landstaal
voort te brengen en te bevorderen. Jules vertelde ook hoe René de Rooy hem eens
verweten had: ‘Jullie hebben een taal,
een prachtige taal met rijkdom aan klanken en wat doen jullie ermee?’ Hij
vertelde hoe hij samen met Pierre ging luisteren naar native speakers, die deze taal zuiver spraken. Hun Papiaments was
nog vrij van lexicale beïnvloeding door het Nederlands (De Palm gebruikte
daarbij het woord ‘geïnfecteerd’). Ook hoe Pierre hem af en toe verraste met
zijn nieuwe verzen in het Papiaments. De Palm liet soms ook gedichten in het
Nederlands horen. Een van zijn favorieten was Jan Engelman (1900-1972). Hij
vertelde tevens dat toen Pierre aan zijn vrienden (daartoe behoorde ook Luis
Daal) bekend maakte dat hij [Pierre] al een poos bezig was met het schrijven
van poëzie in de landstaal, Luis tegen Pierre was uitgevallen:‘Je onthoudt ons volk iets waar
het recht op heeft!’
![]() |
| Huis op Curaçao. Foto @ Bea Moedt |
Ik ging graag van Nijmegen naar Den Haag, want er viel in
het kantoor van De Palm veel over de cultuur van Curaçao te leren. Als
onderwijzer, als taalkundige en als letterkundige had hij interessante dingen te
vertellen. Bij een van die ‘tertulia’s’ schonk hij mij een exemplaar van het
eerste nummer van Simadan. Op de
omslag pronkte een tekening van Chal Corsen: het stelde een hoorn voor, door
twee handen vastgehouden en uit die hoorn stroomde het woord ‘simadan’. Ik weet
niet hoe het komt, maar dat beeld gebruikte ik later in een van mijn gedichten:
‘for di un kachu, suplá fo’i un kabés
yen di strea….’ (uit een hoorn, geblazen door een kop vol sterren). Omstreeks
die tijd begon ik mijn eerste dichterlijke vingeroefeningen op papier te
zetten. Op een dag deed ik ze aan Jules toekomen met de vraag wat hij ervan vond.
De Curaçaose onderwijzer, die mij zo geboeid had met zijn spannende verhalen,
gaf me toen voor ieder gedicht een cijfer. Nog wat later schreef hij met
betrekking tot die eerste pennenvruchten: ‘Persoonlijk verwacht ik heel veel van
de jonge, nog vrij onbekende dichter Habibe……’ Het behoeft dus niet
te verbazen dat ik mijn veel later in het Papiaments geschreven gedicht, ’Papiamentu
na kaminda’ (Papiaments onderweg) opgedragen heb aan……Julio Perrenal. Ik wilde de man, van wie ik zoveel geleerd had,
eren en via hem óók Pierre Lauffer en René de Rooy. Ik had, na de jaren zestig,
regelmatig nog contact met Jules. Wij correspondeerden bij tijd en wijle met
elkaar.
In 1992 werd Dr De Palm door de overheid uitgenodigd om op
de middelbare scholen iets voor de leerlingen op zijn geboorte-eiland te doen.
Op drie van die scholen heeft hij lezingen gehouden. Hij heeft daarbij o.a.
over zijn boezemvriend Pierre Lauffer gesproken. Tot zijn grote verbazing
constateerde hij dat Lauffer bij de leerlingen niet bekend was. De man, die
zijn gehele leven zijn best gedaan heeft
voor het onderwijs op Curaçao (proefschrift: Het Nederlands op de Curaçaose school, 1969) en het culturele
zelfbewustzijn van zijn eiland, werd anno 1992 geconfronteerd met scholieren
die niets meer wisten over Julio
Perrenal. Om maar te zwijgen over de nationale dichter van het eiland! De
Palm: ‘Nota bene, de man die zijn Bloemlezing Di Nos had opgedragen aan de jeugd
van Bonaire, Curaçao en Aruba!’
| Antilliaanse studenten in een sociëteit in Nederland |
In de jaren negentig werd het contact met Jules moeilijker
vanwege zijn blindheid. Hij leefde teruggetrokken. Hij wenste geen telefoontjes
meer te ontvangen en had dan ook een geheim nummer. In 1993 schreef hij: ‘Ora
bo yega Ulanda, si no ta muchu molèster, skirbi mi un kartika, duna mi bo adres
i number di telefòn, anto ami lo kontakt bo (Als je in Nederland aankomt en het
niet te lastig is, stuur me dan een briefje en geef me je adres en telefoonnummer,
dan zal ik je wel bellen). Het lukte mij een hele tijd niet meer (gedurende het
eerste decennium van de 21ste eeuw) contact met hem te maken. Totdat
Alwin Toppenberg (klasgenoot uit mijn Arubaanse Mulo-tijd), mij de weg naar
Jules de Palm wees. Wij hebben hem in 2012 samen een bezoek gebracht. Hij was het
gezichtsvermogen helemaal kwijt, maar zijn geheugen was voortreffelijk. Ik heb
hem daarna nog twee keer bezocht: op Kerstdag 2012 en met Pasen 2013. Op 28 september
jl. reed ik in de tram langs ‘Bosch en Duin’ en dacht ik meteen weer aan hem. Van
Alwin Toppenberg vernam ik dat hij op 30 september overleden is. Sosegá na pas,
Maestro Jules!
Labels:
Habibe Henry,
In memoriam,
Lauffer Pierre,
Moedt Bea,
Palm Jules de,
Rooy René de
maandag 15 april 2013
Wendela de Vries: "Cultuur is naast inspirerend en bijzonder, ook gewoon wérk!" (2 en slot)
door Quito Nicolaas
Het liefst exposeert Wendela de Vries haar werk tijdens zichtdagen voor een algemeen publiek, zoals de Kunstroute. Ze hoopt vurig dat haar schilderij Salix Esperanza dit jaar óók gedurende de Zomerexpo 2013 in het Gemeentemuseum in Den Haag komt te hangen. Haar inspiratie put ze uit de dagelijkse praktijk en al dat andere dat om zich heen gebeurt. Voor het kinderboek Michi verzorgde de Vries heel toevallig de omslag, waarna een duurzame vorm van samenwerking met Simia Literario ontstond. Ondanks de teleurstellende uitspraken van Nederlanders over Curaçaoënaars, heb je genoeg macamba’s die nog steeds hun medemens met respect bejegenen. Solidariteit is geen kwestie van kleur. Vandaag het slotdeel van ons vraaggesprek met kunstenaar/dichter Wendela de Vries.
Als illustrator heb je het prentenboek Michi (2009) geïllustreerd. Hoe gaat de uitvoering van zo’n opdracht in z’n werk?
Olga Orman bezocht mijn atelier in Meneer de Wit en zag een grote gekleurde tekening met de naam “Papayameisje”. Olga zag in het peutertje de hoofdpersoon van een door haar gemaakt gedicht ‘Michi un mucha no ke bebe lechi, Michi un mucha no ke tapa ku klechi…’ en vroeg me toen of ik daar illustraties voor een prentenboek bij wilde maken. Dat werd een intensieve samenwerking. Ook met Jan Kees; hij wilde het grafisch ontwerp wel maken. Olga vond daar uitgeverij La Kock Publishing bij en 2 jaar later was Michi in 4 talen een feit. Olga en ik zijn in 2009 met koffers vol Michi’s samen een maand naar Aruba, Bonaire en Curaçao geweest om les te geven en voor te dragen, en in 2010 naar een bibliotheekcongres in Santo Domingo. Een geweldige ervaring en immens leerzaam. Danki Olga, cu nos a conoce otro!
Voor het bezichtigen van het werk van Wendela de Vries, kun je de volgende sites bezoeken:
![]() |
| Wendela de Vries |
Het liefst exposeert Wendela de Vries haar werk tijdens zichtdagen voor een algemeen publiek, zoals de Kunstroute. Ze hoopt vurig dat haar schilderij Salix Esperanza dit jaar óók gedurende de Zomerexpo 2013 in het Gemeentemuseum in Den Haag komt te hangen. Haar inspiratie put ze uit de dagelijkse praktijk en al dat andere dat om zich heen gebeurt. Voor het kinderboek Michi verzorgde de Vries heel toevallig de omslag, waarna een duurzame vorm van samenwerking met Simia Literario ontstond. Ondanks de teleurstellende uitspraken van Nederlanders over Curaçaoënaars, heb je genoeg macamba’s die nog steeds hun medemens met respect bejegenen. Solidariteit is geen kwestie van kleur. Vandaag het slotdeel van ons vraaggesprek met kunstenaar/dichter Wendela de Vries.
In de
verzamelbundel Wie ik ben/Ta ken mi ta is een tweetal van je gedichten opgenomen. Welke boodschap dragen deze gedichten uit?
De Simia-groep heeft aan dit project, dat eerst als werktitel “Identiteit” had, heel hard gewerkt, onder leiding van Fred de Haas. Het was leerzaam en soms ook confronterend, door de discussies die ontstonden. Ik was zeer onder de indruk van de rijkdom van de Caraïbische poëzie, waarover Fred ons twee colleges gaf: dichtkunst van bijvoorbeeld Cuba, Puerto Rico, Aruba, Curaçao, Trinidad, Jamaica en Guadeloupe. Dat inspireerde ons als groep enorm.
Eerder hadden we al een college van Henry Habibe gehad; een openbaring vond ik dat. Toen heb ik voor het eerst kennis gemaakt met ‘close reading’, d.w.z. dat je puur het gedicht ontleedt en niet steeds teruggrijpt naar de identiteit van de dichter. Mijn dochter vertelde me pas dat ze dat in de literatuurwetenschap ook wel ‘de dood van de dichter’ noemen.
Het gedicht “Concert” gaat over het moment dat het koor klaar staat in de gang van de kerk en ik in mijn eentje naar voren loop en dan het publiek toespreek. Het is een heel verstild maar tegelijk beladen moment als ik daar sta. In het gedicht probeer ik dat te beschrijven. Het gedicht “Rode Brem” gaat over tuinieren en ‘de band met een plant’ en daardoor met mijn (overleden) ouders en geliefden.
De Simia-groep heeft aan dit project, dat eerst als werktitel “Identiteit” had, heel hard gewerkt, onder leiding van Fred de Haas. Het was leerzaam en soms ook confronterend, door de discussies die ontstonden. Ik was zeer onder de indruk van de rijkdom van de Caraïbische poëzie, waarover Fred ons twee colleges gaf: dichtkunst van bijvoorbeeld Cuba, Puerto Rico, Aruba, Curaçao, Trinidad, Jamaica en Guadeloupe. Dat inspireerde ons als groep enorm.
Eerder hadden we al een college van Henry Habibe gehad; een openbaring vond ik dat. Toen heb ik voor het eerst kennis gemaakt met ‘close reading’, d.w.z. dat je puur het gedicht ontleedt en niet steeds teruggrijpt naar de identiteit van de dichter. Mijn dochter vertelde me pas dat ze dat in de literatuurwetenschap ook wel ‘de dood van de dichter’ noemen.
Het gedicht “Concert” gaat over het moment dat het koor klaar staat in de gang van de kerk en ik in mijn eentje naar voren loop en dan het publiek toespreek. Het is een heel verstild maar tegelijk beladen moment als ik daar sta. In het gedicht probeer ik dat te beschrijven. Het gedicht “Rode Brem” gaat over tuinieren en ‘de band met een plant’ en daardoor met mijn (overleden) ouders en geliefden.
![]() |
| Michi |
Als illustrator heb je het prentenboek Michi (2009) geïllustreerd. Hoe gaat de uitvoering van zo’n opdracht in z’n werk?
Olga Orman bezocht mijn atelier in Meneer de Wit en zag een grote gekleurde tekening met de naam “Papayameisje”. Olga zag in het peutertje de hoofdpersoon van een door haar gemaakt gedicht ‘Michi un mucha no ke bebe lechi, Michi un mucha no ke tapa ku klechi…’ en vroeg me toen of ik daar illustraties voor een prentenboek bij wilde maken. Dat werd een intensieve samenwerking. Ook met Jan Kees; hij wilde het grafisch ontwerp wel maken. Olga vond daar uitgeverij La Kock Publishing bij en 2 jaar later was Michi in 4 talen een feit. Olga en ik zijn in 2009 met koffers vol Michi’s samen een maand naar Aruba, Bonaire en Curaçao geweest om les te geven en voor te dragen, en in 2010 naar een bibliotheekcongres in Santo Domingo. Een geweldige ervaring en immens leerzaam. Danki Olga, cu nos a conoce otro!
Zowel
voor de bloemlezing Wie ik ben/Ta ken mi ta als Topa Tula/Ontmoet Tula had je
de omslag ontworpen. Ligt hier je passie?
Jazeker, ik ben in de eerste plaats beeldend kunstenaar. Vooral Topa Tula vond ik zeer belangrijk om te doen. Ik wilde dat Tula een méns werd, geen vaag historisch figuur en dat hij iedereen in de ogen kijkt, vooral de Nederlanders die nog nooit van hem gehoord hebben. Daar kunnen zij niets aan doen, in de geschiedenisles in Nederland is nauwelijks aandacht besteed aan de slavernij. Ik hoop dat dat na dit jaar gaat veranderen. Ik had graag gehad dat Quinsy Gario, zelf ook revolutionair, model had gestaan. Hij wilde ook meewerken, maar was te druk bezet. Ik heb toen, met zijn toestemming, foto’s van hem, maar ook van een voetballer uit de krant gebruikt.
Jazeker, ik ben in de eerste plaats beeldend kunstenaar. Vooral Topa Tula vond ik zeer belangrijk om te doen. Ik wilde dat Tula een méns werd, geen vaag historisch figuur en dat hij iedereen in de ogen kijkt, vooral de Nederlanders die nog nooit van hem gehoord hebben. Daar kunnen zij niets aan doen, in de geschiedenisles in Nederland is nauwelijks aandacht besteed aan de slavernij. Ik hoop dat dat na dit jaar gaat veranderen. Ik had graag gehad dat Quinsy Gario, zelf ook revolutionair, model had gestaan. Hij wilde ook meewerken, maar was te druk bezet. Ik heb toen, met zijn toestemming, foto’s van hem, maar ook van een voetballer uit de krant gebruikt.
Hoe
vertaal je een gedicht in een schilderij en andersom?
Dat gaat eigenlijk niet, het zijn verschillende uitingsvormen. Natuurlijk zijn er wel overeenkomsten. Ik hou niet van cynisme of geweld. Dat zal je dus nooit tegenkomen in mijn schilderijen, tekeningen noch gedichten. Ben nu bezig aan een grote prent van 1.35 m breed bij 2 meter hoog. Het is een oude wilg, die ik Salix Esperanza heb genoemd. Dit voert weer naar een gedicht uit 2011 dat ook Esperanza heet.
Dat gaat eigenlijk niet, het zijn verschillende uitingsvormen. Natuurlijk zijn er wel overeenkomsten. Ik hou niet van cynisme of geweld. Dat zal je dus nooit tegenkomen in mijn schilderijen, tekeningen noch gedichten. Ben nu bezig aan een grote prent van 1.35 m breed bij 2 meter hoog. Het is een oude wilg, die ik Salix Esperanza heb genoemd. Dit voert weer naar een gedicht uit 2011 dat ook Esperanza heet.
![]() |
| Wendela de Vries - Rijst |
Als
kunstenares houd je jaarlijks een aantal exposities in het hele land. Hoe
werd de expositie van Huid & Haar ontvangen?
Die expositie was in Museum Joure (Fr) in een klein zaaltje, met mooie vitrines. Ik heb er niets verkocht, dat komt misschien ook door de locatie, mensen komen er niet naar toe om te kopen. Ik vind de directheid van mijn kunst verkopen heel aards en daarom heel aantrekkelijk. Wat is er mooier dan iets maken, mooi inlijsten, dat verkopen, en daar dan je boodschappen van doen? Zeker in deze crisistijd. Bij het verkopen via een galerie gaat er erg veel van je opbrengst af; en moet je aan de persoonlijke smaak van de galeriehouder voldoen. Daarom houd ik het het liefst zelf in de hand
Die expositie was in Museum Joure (Fr) in een klein zaaltje, met mooie vitrines. Ik heb er niets verkocht, dat komt misschien ook door de locatie, mensen komen er niet naar toe om te kopen. Ik vind de directheid van mijn kunst verkopen heel aards en daarom heel aantrekkelijk. Wat is er mooier dan iets maken, mooi inlijsten, dat verkopen, en daar dan je boodschappen van doen? Zeker in deze crisistijd. Bij het verkopen via een galerie gaat er erg veel van je opbrengst af; en moet je aan de persoonlijke smaak van de galeriehouder voldoen. Daarom houd ik het het liefst zelf in de hand
Ik doe dit
jaar in lente en zomer bijvoorbeeld mee aan twee kunstroutes in Zuid
Holland/Zeeland, waar ik voor gevraagd ben. Ook geef ik teken- en schilderles
bij WG-kunst in Amsterdam. In 2012 heeft mijn werk Ananasplukster in het
Gemeentemuseum in Den Haag gehangen. Dat was de kroon op mijn werk, want ik
vind dat het mooiste museum van Nederland. En… het werk gaat over de
verschillen die stammen uit de koloniale tijd. Een hardwerkende Afrikaanse
vrouw met een kindje op haar rug en in de bast van de bomen in de achtergrond
zie je brave Noordelijke kerkgangers, gebaseerd op Max Havelaar, het onrecht
en de hypocrisie van het kolonialisme.
Voor het bezichtigen van het werk van Wendela de Vries, kun je de volgende sites bezoeken:
zondag 17 maart 2013
Henry Habibe - Lanta para, Watapana!/ Sta op, Watapana!
Lanta
para, watapana!
Baha
barank'i nostalgia
fo'i bo
lomba,
doblá te na tera!
Lanta bo kurpa na laria
manera
kadushi di sabana
hankrá den
trankera!
Lanta
para, watapana!
Pinta un
indján den bo kara
I klaba bo
fléchanan
den e shelu di plata!
Ranka
vigor fo'i bo brasa
i graba
viktoria
den bo palu di bandera!
Sta op, watapana!
Schud de
rots van heimwee
van je rug
die zich tot
de aarde buigt.
Hef je
lichaam op
zoals de
cactus van de vlakte,
vastgenageld
in de heg.
Sta op,
watapana!
Teken een
Indiaan op je gezicht
en spijker
je pijlen
in de
zilveren hemel.
Onttrek aan
je arm de kracht
en kerf de
overwinning
in je
vlaggestok.
[P.s. de boom op de foto is geen watapana, maar een zeldzame fofoti.]
[P.s. de boom op de foto is geen watapana, maar een zeldzame fofoti.]
maandag 25 februari 2013
Hecht en Sterk
door Lila Gobardhan-Rambocus
![]() |
| Shrinivási bij de presentatie van Hecht en Sterk op Curaçao in het auditorium van de Nationale Bibliotheek Curaçao op 2 februari 2013 |
Hecht en Sterk
verschijnt tweeëntwintig jaar na Sangam,
de bundel waarvoor Shrinivási de Literatuurprijs van Suriname 1989-1991 werd
toegekend. Geert Koefoed heeft in 1993 de tweede uitgave verzorgd en nu ook Hecht en Sterk, waarin hij een mooi
nawoord heeft geschreven.
Shrinivási's poëzie is voor elk wat wils: mooi, eenvoudig
van taal én met diepere betekenislagen. Denkend aan Shrinivási komt meestal
meteen ‘Deháti’ in mij op. Het gedicht uit zijn eerste bundel Anjali (1963) dat mij toen zo heeft
geraakt. Het deed me denken aan het kind dat ik was toen ik op Meerzorg woonde.
Ik voelde de pijn die de dichter verwoordde:
Opgebezemd
uit de modder
met koemest
aan de hielen
heb ik de drempel
van de Stad overschreden.
Ik heb een nieuw geloof beleden
van Caritas
Justitia.
Maar de patriciërs
braken het brood
nimmer met een paria.
Toen keerde ik
terug naar de rook
van de stallen
vreemd en
verstoten
onder mijn eigen volk.
In Hecht en Sterk komen
thema's uit zijn eerdere poëzie terug. Zes gedichten uit Sangam zijn in deze bundel opgenomen, omdat, volgens Koefoed, Sangam niet bekend is in Nederland en
Vlaanderen. Een van de mooiste gedichten uit deze groep is ‘Toen realiseerde
hij zich...’ (p. 68). In dertien versregels een enkele zin. Het terugkeren van
de thema's - steeds anders verwoord - geeft deze bundel iets vertrouwds, en in
deze fase van zijn leven accepteert de dichter het leven zoals het komt. Hij
heeft net als in eerdere bundels oog voor alle details die naar hem toekomen,
zoals een kind dat verwonderd zijn kleine wereld tegemoet treedt.
In 1991 schreef ik op de achterkant van het omslag van Sangam onder meer dat Shrinivási’s
schrijven een zoektocht is naar de essentiële vraagstukken in het menselijk
leven, waarin leven en dood centraal staan. Binnen deze zoektocht bleef hij oog
hebben voor de schoonheid van de samenleving. Voor Shrinivási geldt daarom nog
steeds dat een kunstenaar maar één lied heeft. In Hecht en Sterk is de melodie heel anders dan bij de vorige bundels:
herinnerend, beschouwend, aanvaardend en speels. Zij blijft echter mooi en blijft nog
lang in onze oren naklinken.
Labels:
Gobardhan-Rambocus Lila,
Habibe Henry,
recensie,
Shrinivasi
zaterdag 16 februari 2013
Biografie van Pierre Lauffer: een mijlpaal
door Henry Habibe
| Bernadette Heiligers. Foto © Michiel van Kempen |
Bij uitgeverij In de Knipscheer is onlangs verschenen Het
bewogen leven van een bevlogen dichter, een biografie over de Curaçaose
dichter Pierre Lauffer. Veel essayisten en literatuurkenners hebben zich in
het verleden beziggehouden met Lauffers werk, maar Bernadette Heiligers
besteedt in haar studie (302 pgs.) vooral aandacht aan zijn leven. Het leven
van de man, die door Cola Debrot als ‘dichter bij de gratie Gods’ werd
getypeerd, wordt hier onderworpen aan een diepgaand onderzoek en
gereconstrueerd aan de hand van getuigenissen van veel informanten. Het boek
bestaat uit zeven hoofdstukken waarin Heiligers, journaliste van beroep, het
zeer ‘bewogen’ leven van Lauffer in een vlotte stijl voor de lezer
overzichtelijk en eenvoudig etaleert. Het boek, een waardevol initiatief van de
Stichting Pierre Lauffer, kenmerkt zich door zijn levendige beschrijving
(door de easy reading leest het als een trein), is rijkelijk
geïllustreerd met relevante foto’s en voorzien van poëzie en prozawerk met hun
respectieve vertalingen. Op grond van een paar hoofdstukken zal ik de
cultureel-historische betekenis van dit biografisch werk proberen aan te tonen.
Ik besef dat ik geen compleet beeld kan geven. Er komt immers een enorm groot
aantal aspecten naar voren. Ik licht dan ook slechts een paar hoofdstukken
eruit die mij persoonlijk als boeiend voorkomen.
| Het St. Thomas College aan de Roodeweg in Otrabanda, eerste decennia 20ste eeuw |
Eerste hoofdstuk
Dit hoofdstuk gaat over Lauffers jeugd. Met de zaak van de
vader, Antoine Lauffer, gaat het niet best (jaren van economische depressie) en
na het faillissement verhuist het gezin naar de Riouwstraat in Pietermaai.
Lauffer bezocht het St. Thomas College. In die tijd werden de meeste
liederen in het Spaans gezongen. Toespraken werden in het Spaans gehouden. Het
was Spaans wat de klok sloeg. Zo komt het dat ook Lauffer, bij het overlijden
van een tante in 1943, een gedicht in het Spaans schreef. Nog later
(1947) bracht hij in het Spaans een toast uit op de bruiloft van een
collega. Het was een logisch gevolg van het feit dat aan het eind van de 19e en
begin 20ste eeuw op Curaçao Spaanstalig onderwijs bestond. Maar Lauffer was
daarvóór al begonnen met
teksten in het Papiaments te schrijven. Zijn verhaal 'Carmen
Molina' dateert van 1942 en de gedichten, die later in Patria verschenen,
bestonden al aan het eind van de jaren dertig.
![]() |
| Pierre Lauffer |
Vierde hoofdstuk
Dit is een heel boeiend hoofdstuk. Heiligers leidt ons het
huis van de volwassen Lauffer binnen en vertelt over de vaderschap van Pierre
en de relatie met zijn eerste vrouw. De dichter schijnt zijn kinderen weinig
‘aangehaald’ te hebben. Zo schrijft de auteur: ‘Hij sprak geen lieve woordjes
als ze [de kinderen] de babyfase voorbij waren en toonde niet openlijk dat hij
van ze hield’. Aan de andere kant probeert zij te nuanceren en haalt meningen
aan van zeer betrouwbare personen. Zo citeert zij monseigneur Amado Römer, die
een grote vriend en tevens de biechtvader van Pierre was: ‘Hij [Pierre] hield
zielsveel van zijn vrouw en kinderen. Ook van zijn eerste vrouw. Maar hij kon
de regelmaat en discipline niet opbrengen om een gezin te onderhouden zoals het
hoort.’ De auteur vervolgt: ‘De kinderen uit Pierres eerste huwelijk hebben hun
vader ervaren als erg, erg streng’. En steeds nuancerend haalt zij de bevinding
van Paul Lauffer, een zoon van de dichter, aan: ‘Er valt heel veel te zeggen
over mijn vader, maar één ding moet duidelijk zijn: hij heeft ons heel veel
aandacht gegeven. Dat hij zijn emoties soms niet kon bedwingen, kwam volgens
mij doordat hij zijn suikerziekte niet onder controle hield. Nu ik zelf diabeet
ben, besef ik hoe je gemoedstoestand erdoor beïnvloed kan worden’. Ook voor wat
betreft de ‘harmonie’ tijdens de vakanties wordt Paul weer aangehaald. Lauffer
placht tijdens die vakanties met zijn kinderen op stap te gaan. Hij liet hen
dan alle grotten, landhuizen en slavenmuren op Curaçao zien. Paul: ‘We konden
lachen en pret maken en mijn vader deed net zo hard mee (…). In die periodes
was mijn vader helemaal in zijn element, dicht bij de natuur, samen met zijn
kinderen’.
Op ontroerende wijze wordt hier het ‘bewogen’ leven belicht.
We ervaren dat Lauffer zijn uiterste best deed om aan een baan te komen, maar
zijn gezondheid speelde hem parten. Zo moest hij in 1959 in het ziekenhuis
opgenomen worden vanwege niersteenkolieken. Zijn vrouw legde dan – vertelt de
auteur – een handdoek op zijn rug waar ze met een warm strijkijzer overheen ging. Maar wie verder leest wat voor vernederingen
zijn eerste vrouw onderging (daar getuigt de auteur ook van) zal dit gedrag van
Lauffer waarschijnlijk niet kunnen begrijpen en zelfs afwijzen.
| De synagoge op Pietermaai. Foto Robert Soublette. Collectie KIT |
Vijfde hoofdstuk
Hier gaat de auteur in op het leven van Lauffer met zijn
tweede vrouw, Belmira (Beli) Nunes Jorge. De wijze waarop Heiligers dit
beschrijft doet hier en daar aan een ‘roman’ denken. De anekdotes volgen elkaar
op als in een sprookje. Het hoofdstuk begint met een verwijzing naar de cyclus
liefdesgedichten die Lauffer omstreeks 1968 schreef, waarvan de titel luidt: Rosea
den shinishi (Ademtocht in as). In één van de laatste gedichten daaruit
schreef de dichter: ‘… leu den bo tin Portugal/ su sanger i sabor’ (… in jou
proef ik in de verte het bloed en de smaak van Portugal). Vele jaren later, in
het jaar 1968, ontmoette Lauffer – zo schrijft Heiligers – Belmira, die –
toevallig of niet? - een Portugese bleek te zijn. Iets verderop vervolgt
Heiligers:
Toen Pierre Belmira voor het eerst zag, was zij tijdelijk
op Curaçao om haar familie te bezoeken. (…) “Hij deed van alles om
mijn aandacht te trekken, zegt Belmira. “Op de dag dat hij mij voor het
eerst aansprak was hij van kantoor op weg naar de kerk van Pietermaai.
Hij hield me
bij de arm vast en vroeg: ‘Weet je dat je een geliefde
hebt?’ Ik zei nee, want die had ik niet, waarop hij antwoordde
dat hij zelf die geliefde was.
Belmira vertrok in hetzelfde jaar weer naar haar
geboorteplaats, Madeira. Bij haar vertrek werd haar (op de boot) een groot
boeket bloemen bezorgd, waarbij de volgende woorden op een kaart stonden:
‘Estás siempre en mis pensamientos’ (Je bent steeds in mijn gedachten). Later
schreef Lauffer haar dat zijn scheiding met zijn eerste vrouw formeel geworden
was en dat hij het huis klaar zou maken in afwachting van haar komst. Belmira
kwám weer naar Curaçao en zij trouwden op 3 juni 1969. Dat was een paar dagen
na de sociale onlusten die op 30 mei van dat jaar uitbraken. Dat betekende dat
niemand de dichter en zijn jonge bruid kon komen feliciteren. Met zijn
‘kersverse bruid’ reed Lauffer naar de plantage Jeremie. Tijdens de rit merkte
Belmira op:‘We
reden met de ramen open terwijl mijn sluier in de wind
wapperde’. En de auteur besluit:‘…[het] werden de rustigste witte broodsweken
die Pierre zich wensen kon’.
Overgenomen teksten
In ‘Gedachten vooraf’ (soort inleiding) schrijft de auteur
dat zij ieder hoofdstuk laat openen met een volledig gedicht en dat in ieder
hoofdstuk fragmenten uit Lauffers teksten zullen voorkomen. Zij verantwoordt de
keuze van die teksten door te zeggen dat zij zich bij de selectie daarvan laat
leiden door bepaalde vragen. Eén daarvan is: In hoeverre valt het oeuvre van
Lauffer samen met zijn leven? Een tweede is: Wat vertelt dat oeuvre van de
samenleving waarin hij opgroeide? Zo’n benadering is zonder meer te prijzen.
Maar slaagt de auteur er in om die vragen op bevredigende wijze te
beantwoorden? Daar zou ik wat aandacht aan willen geven. Ik kan dit natuurlijk
niet in verband met het gehele werk doen. Dat zou in dit korte bestek niet
mogelijk zijn. Ik zal me moeten beperken tot een paar hoofdstukken en kies voor
het gemak de drie hoofdstukken die ik hierboven de revue liet passeren.
Keho di katibu
Het eerste hoofdstuk wordt afgesloten met het gedicht ‘Keho
di katibu’. Wat is hiervan de relevantie? Dit gedicht laat zien hoe een slaaf
zijn vernedering en onvrede verwoordt als gevolg van zijn voortdurende
mishandeling door de ‘bomba’ (toezichthouder). Aangezien in het eerste
hoofdstuk met geen woord over de slavernij gerept wordt heeft dit gedicht op
deze plek geen enkele relevantie. Veel correcter bij de twee gestelde vragen
zou het zijn geweest als de auteur hier een gedicht uit Lauffers Patria –
de bundel die de dichter zelf als zijn Juvenalia beschouwde – had
opgenomen. Daar zou ook een gedicht als ‘Mi lenga’ (uit: Raspá) niet
misstaan hebben, aangezien er wel gesproken wordt over het standpunt dat o.a.
Jo Corsen innam met betrekking tot de culturele betekenis van het Papiaments.
![]() |
| Gina (gedroomd). Foto © Herbert Shackles |
Rosea den shinishi
Naar deze amoureuze cyclus wordt in het vierde hoofdstuk
verwezen. Het fascinerende hiervan is dat de auteur daarmee tevens een van de
hoogtepunten van Lauffers dichtwerk aanstipt. Lauffer heeft het in die
cyclus over een door hem ‘gefantaseerd’ personage. Hij zou haar, toen hij achttien
was, in zijn dromen ontmoet hebben en gaf haar de naam ‘Gina’. Hij schreef
later als een soort inleiding:‘Esnan ku lesa por kere o laga, si ta fantasia o
realidat’ (Zij die dit lezen kunnen geloven of niet, of het fantasie is of
werkelijkheid).
Heiligers weet te vertellen dat Lauffers zussen een foto
hebben van die Gina. Zij zouden ook haar ‘vermeende echte naam’ weten.
Heeft Gina nou bestaan of niet? Het intrigerende van deze vraag is hetgeen
Heiligers nu naar voren brengt:
Wat het bestaan van Gina ook op losse schroeven zet, is een ander gedicht ‘Mi negra ta na soño’, dat Pierre geschreven had voordat hij in Europa met Gina het bed had gedeeld. Het ligt bij de openbare bibliotheek van Aruba en is nooit door de schrijver gepubliceerd.
Het vroegere gedicht ging dus over een slapende zwarte vrouw.
Aangezien Gina uit Rosea den shinishi op een identieke wijze beschreven
wordt als de slapende zwarte vrouw uit het ongepubliceerde gedicht, merkt
Heiligers dan op: ‘In Rosea den shinishi beschrijft de dichter de
slapende Gina precies zo’. Daar voegt zij kritisch aan toe: ‘En de Gina op de
foto [in het bezit van Lauffers zusters] is niet zwart’.
Dichters kunnen ook een geheim hebben. Dat besefte De Palm
ook al. Als antwoord op een vraag van Heiligers gaf hij: ‘Pierre had zo’n
sterke fantasie dat hij sommige van zijn dromen zelf ging geloven. (…) Voor mij
bestond ze [Gina] dus in zijn fantasie. Maar ik wil wel aannemen dat Gina voor
Pierre in werkelijkheid heeft bestaan’. Daarbij verzekerde De Palm: ‘Pierre liet
niemand echt dichtbij komen. Bovendien vond hij het heerlijk om mensen op het
verkeerde been te zetten. (…) Dat geheimzinnige, daar kon hij zich erg in
verkneukelen’.
De verwijzing door Heiligers naar Gina uit deze reeks
gedichten is zeker to the point.
![]() |
| Curaçao, 30 mei 1969 |
Mi tera
In het vijfde hoofdstuk wordt op blz. 172 ‘Mi tera’ (uit Kumbu)
opgenomen om daarmee te illustreren dat Lauffer de ‘massale uitbarsting van
gevoelens’ van 30 mei 1969 al 15 jaar vóór het uitbreken ervan in dat gedicht
had beschreven. Dit is een interpretatie die in de verste verte niet op close
reading gebaseerd is. De plank wordt misgeslagen omdat er niet volgens de
geschiedenis geïnterpreteerd wordt. In dit gedicht uitte de dichter, in plaats
van een sociale uitbarsting, zijn individuele anti-koloniale gevoelens.
Het was de periode waarin o.a. Doctor Da Costa Gomez streed voor de autonomie.
De Nationale Volkspartij werd in 1948 door hem opgericht en zo kwam er een
emancipatieproces op gang. Uit die tijd dateert een door da Costa Gomez
gehouden toespraak waarbij de tegenstelling tussen de ‘makamba’ en de ‘yiu di
tera’ duidelijk aan het licht kwam. Zo uitte Lauffer in die jaren zijn
nationalisme door in zijn ‘Mi tera’ te schreeuwen: ‘e pida tera ‘kí ta di mi!’
(Dit stukje grond is van mij). De Autonomie werd in 1954 een feit en in
1955 kwam Lauffers Kumbu uit. Het zij hier terloops opgemerkt dat
Lauffer er helemaal geen voorstander van was om thema’s als ‘maatschappelijke
onvrede’ in zijn poëzie te betrekken. Ik heb het nu over zijn poëzie en
niet over zijn prozateksten. De vaderlandsliefde die Pierre hier en daar in
zijn poëzie etaleert is geen uiting van sociale aard. Hij kan het natuurlijk
hebben over de ‘schurken’ in zijn ‘Mi tera’. Ook over de ‘buitenlandse
roofvogels’ in ‘Fadá mi ta’ (Ik ben het zat). Maar dat zijn uitingen van individuele
woede en ‘zat zijn’. Indien er in die teksten niet verwezen wordt naar (of
geen toespelingen zijn op) degenen voor wie hij wil opkomen, dan kan er geen
sprake zijn van een maatschappelijk georiënteerde poëzie. Zo zijn de poëtische
teksten, waarin de dichter het over de zwarte vrouwen heeft, evenmin
sociaal geladen. Het zijn meer uitingen van naastenliefde of hartstochtelijke
ontboezemingen. Hooguit een expressie van medelijden, hetgeen wat anders is dan
een verdediging van de rechten van zwarte vrouwen. Men dient niet té
snel twee teksten van heel verschillende perioden bij een mogelijke
interpretatie door elkaar te halen. ‘Mi tera’ dateert uit de jaren
veertig/vijftig (na de Tweede Wereldoorlog) en ‘Fadá mi ta’ uit de jaren zeventig. Wie zegt dat de dichter in ‘Mi tera’
dezelfde ‘schurken’ voor ogen had als in ‘Fadá mi ta’? Met ‘bandopnames’ waarop
de stem van Pierre te horen is moet men erg voorzichtig zijn bij het horen van
‘een van die figuren’. Die woorden kunnen natuurlijk te maken hebben met het
ene gedicht, maar hoeven niet direct te slaan op het andere. Als die woorden
dateren uit de tijd dat de dichter de zeventig al voorbij was (‘zijn oude dag’),
dan hoeft dat geen betrekking te hebben op de ‘schurken’ die in ‘Mi tera’ (uit
de jaren veertig!) naar verwezen wordt.
![]() |
| Ulli Jessurun d'Oliveira |
Close reading
In de 19e eeuw onderzocht men voornamelijk de biografie van
de auteurs en hield men zich niet zozeer bezig met hun teksten. Aan hun werk
werden de middelen ontleend om hun persoonlijkheid te reconstrueren.
Tegen die historische benadering kwam aan het begin van de 20ste eeuw een
reactie. De eersten die tegen de biografische richting reageerden waren
de Russische formalisten. Vanaf ongeveer 1930 (tot ver in de jaren
vijftig) was deze zienswijze, die in Amerika onder de naam New Criticism ging,
de meest invloedrijke Amerikaanse literatuurbeschouwing. Men brak dus met de biografische
methodes. De aanhangers van deze literatuurbeschouwing zien de literaire tekst
als een besloten geheel. Als een wereld op zich. Men wilde het
betekenispotentieel van de tekst niet laten bepalen door factoren als de
maatschappelijke context, de bedoelingen van de maker of de strategie van een
uitgever. In Nederland volgde men (sinds de jaren zestig) ook enigszins deze
werkwijze. Men denke maar aan de groep critici rond het tijdschrift Merlyn,
waartoe Kees Fens, Jaap Oversteegen en Ulli Jessurun d’Oliveira behoorden. Deze
groep reageerde tegen de verwaarlozing van het specifiek literaire en ging
spreken van de ‘autonomie’ van het literaire werk.
Conclusie
De biografie van Pierre Lauffer door Bernadette Heiligers is
een mijlpaal in de literaire geschiedenis van Curaçao. Zij deed een diepgaande
onderzoek naar zijn leven. Niemand vóór haar heeft ons zo pakkend en
informatief door het leven van Lauffer geleid. Samenvattend kom ik tot de
conclusie dat Heiligers hiermee een zeer leesbare literaire biografie geschreven
heeft en dat het een hoogtepunt is op het cultureel-historische vlak. In
bepaalde gevallen correspondeert de verwevenheid van levensbeschrijving en de
opgenomen teksten van de dichter niet. Helaas is ook niet ieder gedicht (tekst)
in de context van de tijd van publicatie geïnterpreteerd. Maar dit heeft te
maken met een benadering die niet op close reading gestoeld is, zoals
dat gebeurde bij de New Critics en de Merlynisten.
[uit: Antilliaans Dagblad, 24 december 2012].
Labels:
30 mei 1969,
biografie,
Habibe Henry,
Lauffer Pierre,
recensie
zondag 3 februari 2013
En daar was de muze
Acht
liefdesgedichten van Henry Habibe: Emerge la musa
door Jeroen Heuvel
Hoe dicht je over liefde. Vraag ik aan Henry Habibe. Er is al zo vaak en veel over geschreven. Habibe is zelf dichter en ook literair criticus, dus is de vraag voor hem: wanneer vind je gedichten een kunstvorm? In zijn antwoord komt naar voren dat het literatuur wordt, is en blijft wanneer het gedicht geen cliché is, maar originele beelden, metaforen gebruikt, als de klanken goed gekozen zijn, het samenklinken van vocalen en medeklinkers, als de tekst ritme heeft en als er melodie in doorklinkt. ‘Je moet de woorden zoeken, proeven, je kunt een gedicht niet uit je mouw schudden, een gedicht moet rijpen, je moet het schaven, herschrijven.’
Hoe dicht je over liefde. Vraag ik aan Henry Habibe. Er is al zo vaak en veel over geschreven. Habibe is zelf dichter en ook literair criticus, dus is de vraag voor hem: wanneer vind je gedichten een kunstvorm? In zijn antwoord komt naar voren dat het literatuur wordt, is en blijft wanneer het gedicht geen cliché is, maar originele beelden, metaforen gebruikt, als de klanken goed gekozen zijn, het samenklinken van vocalen en medeklinkers, als de tekst ritme heeft en als er melodie in doorklinkt. ‘Je moet de woorden zoeken, proeven, je kunt een gedicht niet uit je mouw schudden, een gedicht moet rijpen, je moet het schaven, herschrijven.’
De nieuwe bundel van Habibe heet Emerge
la musa, Ocho poemas de amor con su traducción al holandés. In deze kleine
bundel staan ook, zoals de titel aangeeft, de Nederlandse vertalingen. Die zijn
van de hand van Igma van Putte – de Windt. Ik waag me niet aan een bespreking
van de Spaanse gedichten, ik durf wel iets over de Nederlandse afdeling in deze
bundel te zeggen, die de titel Plotseling is daar de muze, Acht
liefdesgedichten, heeft meegekregen.
Ook al gaat het om een gering aantal
gedichten, de inhoud is heel rijk aan beelden. Aan originele beelden. De in
1940 op Aruba geboren criticus Habibe heeft zoveel gedichten gelezen en
besproken dat hij over koffers vol culturele en letterkundige bagage beschikt
in zijn hoofd en hart op zijn gang door het leven. Hij studeerde Spaanse Taal-
en Letterkunde aan de universiteiten van Leiden en Nijmegen. In zijn
studententijd was hij hoofdredacteur van het cultureel-literaire tijdschrift Watapana.
Hij is beroemd geworden door zijn gedicht Lanta para watapana! (1968). Dit
gedicht resoneert in het vierde gedicht in de onderhavige bundel: Stijgend
verlangen waar in de voorlaatste strofe staat:
De boom uit mijn jeugd,
naar de grond gebogen,
ging fier rechtop staan
(…)
Hier zie je de kracht van beeldspraak.
Die boom zelf, de watapana, is natuurlijk niet rechtop gaan staan, deze
waaiboom – het beeld – kan de hard blazende noordoostpassaat niet trotseren,
maar het verbeelde kind dat om welke reden dan ook ooit gebogen ging onder een
be-wind, kan wel de ruggengraat rechten en trots en zelfstandig zijn
levenstocht vervolgen.
| Habibe, de dichter |
Tijdens het interview met Habibe, gaat de
criticus in hem, wel in op vragen van letterkundige aard, maar de dichter in
hem gaat niet in op vragen van biografische aard om de gedichten te duiden.
‘Het moet niet zo zijn dat je de dichter moet vragen wat hij bedoelt. Close
reading is voldoende.’ Oké, denk ik. En voel de uitdaging.
Close reading, is een door critici
toegepaste manier van literatuur lezen waarbij de tekst wordt gezien als een
zelfstandig geheel, zonder daarbij de biografie van de auteur te betrekken,
noch de historische context. In Nederland volgden de critici verenigd rond het
tijdschrift Merlyn deze manier van lezen. Volgens onder andere Hans Ulrich
d’Oliveira en Kees Fens was een literaire tekst een ‘zinvol samenhangend geheel
van woorden waarin een werkelijkheid beschreven of aanwezig gesteld wordt, die
niet rechtstreeks naar een daarbuiten bestaande werkelijkheid verwijst.’
| Habibe, de criticus |
De bundel is niet alleen rijk aan
beelden, in deze liefdesgedichten zitten een heleboel juweeltjes verborgen. Ik
kan er in deze krantenbespreking maar een paar noemen, hopelijk voldoende om er
een goede indruk van te krijgen. Hier komen ze, in willekeurige volgorde.
De kaft, een afbeelding van een
schilderij van de Colombiaanse dichter en schilder Patricio La Rotta Gonzaléz,
stelt een zeelandschap voor met een anemoon en koralen als vuurwerk plus twee
visjes, waarom Habibe voor deze kaft heeft gekozen, ik heb het hem niet
gevraagd en ik blijf het antwoord schuldig. Tijdens het interview wees Habibe
wel op de afbeelding van het schilderij van Clyde Lo-A-Njoe, dat rouw en
afscheid uitbeeldt, op de kaft van Vulkanisch samenzijn, de vorige
bundel van Henry Habibe.
De recente bundel is opgedragen aan María
Inés. Het zesde gedicht in het Spaans, De Viaje, is geschreven in 2002
en door de auteur voorgelezen tijdens de bruiloft van hem met María op 15
december 2003. In dat licht is het interessant om zijn vorige bundel,
Vulkanisch samenzijn, bij deze bespreking te betrekken. Die cyclus van 17
gedichten in het Nederlands geschreven, is in 2008 gepubliceerd bij uitgeverij
In de Knipscheer, maar was volgens de dichter al in 2003 gereed. In het jaar
van zijn huwelijk. Nader onderzoek kan uitwijzen of de vrouw die in die cyclus
wordt omschreven als een witte roos waarin de ik-figuur verstrengeld raakt in
de kustplaats Calella ten noorden van Barcelona, de bruid van het huwelijk was.
Ook al maakt dat gegeven niet uit voor de literaire waarde van de gedichten, er
zijn wel heel veel overeenkomsten tussen beide bundels die gaan over fysieke
liefde, zintuiglijke liefde. De eerste bundel van Habibe heet Aurora
(1968). ‘Dat is een jeugdwerk, ik was nog zoekende, het zijn probeersels om in
het Papiamento te schrijven, rond 1964. Vingeroefeningen, geen hoogtepunten.
Wel oprechte sentimenten. In die tijd was er nog een taboe op het schrijven
over erotiek. Het was poesia prohibí.’ Een terugkerend thema van Henry Habibe
is de vleselijke liefde. Een eruptieve coïtus, noemde ik het in een bespreking
van Vulkanisch samenzijn.
Om het bijzondere van de liefde te
beschrijven gebruikt Habibe grootse, universumbeelden: het tuimelen langs de
melkweg /hemelse smart, mijn dromen sierlijk doorklievend, / de witte roos
straalde en een regenboog werd / de nacht heeft ons gesmeed tussen de rails
naar de horizon / in een kosmische doolhof / de morgenster zuchtte. Dit
zijn beelden uit Vulkanisch samenzijn. In de nieuwe bundel komt de vulkaan weer,
in het tweede gedicht, de voorlaatste strofe daarvan:
Mijn hart ontvlamde
door het vuur in je vleugels,
talloze buitelingen maakte mijn ziel
gleed uit over het hemelgewelf
en stortte voorover
in de diepte van een
vuurspuwende vulkaan.
Ook in de laatste strofe van het laatste
gedicht staat:
kwam de vulkaan tot zwijgen.
Andere grootse beelden in de nieuwe
bundel: Ik wil mijn vuurengel ontmoeten / Voorbij de horizon / en de hemel
werd een carrousel / in de smidse van een nieuwe dageraad.
Geniet ook van het samenspel van de
klanken, bijvoorbeeld van de letter ‘v’ in
Amazone van vlees en bloed
engel met je vuurspuwende vleugels
Het bovenzinnelijke proberen te
beschrijven, en in de zintuiglijke wereld toe te passen, te passen, aan te
passen, dat doet de dichter.
Een ander aspect is het metrum dat vaak
de dactylus laat horen, niet als een dreun, maar als het ritme van een wals,
een driekwartsmaat, met of zonder opmaat. Alleen al de titel met de naam van de
bruid samen:
Emerge la musa María Inés
elf lettergrepen, waarvan de tweede wat
meer klemtoon heeft, de vijfde, de achtste en de elfde. Ik zou soms kiezen voor
een ritmische vertaling, bijvoorbeeld “En daar was de muze”, maar dit is pertinent
geen kritiek op Igma van Putte – de Windt, zij heeft uitstekend werk geleverd,
ook in de Nederlandse vertalingen zit een sterk ritme, getuige de titel van het
vierde gedicht, Stijgend verlangen, waarin de wals – zonder opmaat –
weerklinkt en in de titel van het laatste gedicht als je de stomme ‘e’ van het
eerste woord inslikt, Onaardse Amazone zes lettergrepen (met opmaat).
Veel aandacht verdient ook de echo van
letters in de titels onderling, die daardoor aan elkaar geregen worden en nog
meer een verbond smeden in het geheel van de bundel, bijvoorbeeld de medeklinker
‘m’ in de eerste drie titels:
I Plotseling is daar de muze, II Mijn
moeder zei (let ook op de ‘z’ in muze en zei) III
Verlangen naar moederliefde
En kijk dan naar het woord dat echoot in
de titels van III Verlangen naar moederliefde en IV Stijgend
verlangen.
Uit zijn overvloedige bagage put de
dichter beelden, die hij kan comprimeren, verdichten, en die de lezer dan -
afhankelijk van zijn of haar bagage - in een bredere context kan plaatsen.
en in de geborgenheid van je vleugels
bleef ik verlangen naar moederliefde
de koestering van haar schoot
Uit de schoot van de moeder, in de schoot
van de minnares. En in het vijfde gedicht doet de minnaar de minnares aan haar
moeder denken vanwege de tranen die hij plengt, ze maant hem aan tot vrolijk
zijn, zoals haar vader altijd was.
Een ander aspect dat verdere studie
behoeft is het kleurgebruik in de poëzie van Habibe.
Kleuren die de mens voor altijd
kwijtraakte
bij het ontstaan van de wereld
en in Vulkanisch samenzijn:
en het landschap
werd van een groen
waarvan ik niet eerder
geproefd had
Habibe verdient een diepgaande studie van
zijn poëzie, zoals hij zelf in het Nederlands verschillende studies over de
Curaçaose dichters Joseph Sickman Corsen, Luis Daal en Pierre Lauffer, heeft
gepubliceerd. De criticus Habibe heeft onlangs na vier jaar schrijven de
laatste hand gelegd aan een in opdracht van UNOCA geschreven studie over de
Arubaanse literatuur, getiteld Aruba in literair perspectief, tussen
traditie en vernieuwing. ‘Ik heb het in het Nederlands geschreven, omdat ik
de lezerskring niet wil beperken tot mensen die het Papiamento beheersen. Het
begint bij het in 1907 gepubliceerde gedicht Atardi van Fedji Beaujon en
loopt tot 1975. Tien jaar daarvoor begonnen jonge Arubaanse studenten die in
Nederland aan het studeren waren een nieuw soort poëzie te schrijven. Alleen
echte literatuur komt aan bod, in de vier op Aruba gebruikte talen.’ Ik ben
heel benieuwd hoe de criticus over zichzelf als dichter heeft geoordeeld. Met
zijn twee recente bundels heeft Habibe onherroepelijk zijn waarde als dichter
bewezen.
Abonneren op:
Posts (Atom)













.jpg)












