Posts tonen met het label Hoefte Rosemarijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hoefte Rosemarijn. Alle posts tonen

maandag 30 december 2013

Jansen van Galen: niet-moralistisch, weinig comparatief

Rosemarijn Hoefte
door Rosemarijn Hoefte

John Jansen van Galen heeft een kwartet boeiende Surinameboeken op zijn conto staan: Kapotte plantage, Hetenachtsdroom, Het Suriname-syndroom en Laatste gouverneur, eerste president. Nu is er dan de pil getiteld Afscheid van de koloniën, waarin de auteur het Nederlands dekolonisatiebeleid onder de loep neemt. ‘Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit lang aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de onafhankelijkheid over de toekomt van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?’ (p. 18). De kernvraag is: deed Nederland het inderdaad zo beroerd als vaak wordt beweerd?

Om deze vraag te beantwoorden, heeft Jansen van Galen een wel erg lange aanloop nodig over kolonisatie en dekolonisatie in Azië en de Caraïben. Over de laat-koloniale periode merkt hij op dat het Nederlandse kolonialisme vanouds eerder gekenmerkt wordt door paternalisme, ‘waarbij men van bovenaf in detail de zaken voor de inlanders wilde regelen … dan door verstokt kolonialisme’ (p. 570). Het lijkt mij dat paternalisme (the white man’s burden) een onlosmakelijk deel is van het kolonialisme en geen separaat verschijnsel. In deze hoofdstukken buitelen de gebeurtenissen soms over elkaar heen, vooral in de wat vlakke en traditionele delen over Indonesië; in de stukken over de Antillen en met name Suriname voelt de auteur zich zichtbaar beter thuis en heeft zijn beeldende schrijfstijl de overhand. Helaas maakt hij geen verbindingen tussen de ervaringen en het koloniale beleid in Oost en West, terwijl er toch wel aanknopingspunten zijn. Zo schrijft Jansen van Galen over de ‘ethische intentie’ van gouverneur Lely’s goudspoorlijn (p. 146), zonder een duidelijke lijn te trekken naar de ethische politiek die begin twintigste eeuw opgang deed in Nederlands Indië. En in hoeverre is het beleid van gouverneur Johannes Kielstra beïnvloed door zijn ervaringen in Indië?


Na 516 bladzijden zijn we beland bij de ‘onbetaalde rekeningen’ van het Nederlandse dekolonisatiebeleid, zoals zwarte piet, de TV serie over de slavernij, de kwestie-Rawagede, de levering van Nederlandse tanks aan Indonesië, en het officiële Nederlandse beleid jegens  president Bouterse. De auteur somt allerlei episodes tot eind 2012 op, maar komt uiteindelijk niet veel verder dan te constateren dat dit de naweeën zijn van een onvoltooide dekolonisatie. Het zou interessant zijn dit soort incidenten en processen in een internationaler perspectief te plaatsen: wat zijn de Britse, Franse, Belgische, Spaanse en Portugese ervaringen op dit terrein?

De verovering van de Nieuwe Wereld


De kernvraag die de auteur in de inleiding stelt − was het Nederlandse dekolonisatiebeleid zo slecht als vaak wordt beweerd − wordt beantwoord in het laatste hoofdstuk ‘Slotsom’ (pp. 556-577). Jansen van Galen begint met de herinnering aan een interview met voormalig premier Willem Drees in 1980. Drees wees op de ervaringen van Groot-Brittannië in India/Pakistan, België in Congo en Frankrijk in Algerije en Indochina om te constateren dat Nederland het zo gek nog niet had gedaan. Jansen van Galen is het met hem eens. Met zijn verfrissende, niet-moralistische kijk benadrukt hij de onderlinge tegenstellingen en strijdigheden van het Haagse beleid. Hij verklaart fundamentele discrepanties in het beleid door te wijzen op Nederlands pragmatisme, gericht op eigen belang op korte termijn waarbij principes of algemene richtinggevende uitgangspunten geen rol speelden, ‘al werd het beleid tegenover de buitenwacht doorgaans verdedigd met een stellig beroep op beginselen’ zoals democratie, rechtszekerheid en het waarborgen van mensenrechten (pp. 564-565). Het beleid werd geschraagd door financiële afwegingen en het behoud van prestige en machtspositie. Maar in hoeverre week /wijkt dit beleid dan af van andere West-Europese koloniale machten? Ik had ook graag een diepere analyse gelezen over hoe de ervaringen met de Indonesische dekolonisatie wel of geen een rol hebben gespeeld in Suriname of in hoeverre Surinaamse ontwikkelingen de constitutionele verhoudingen tussen Nederland en de Antillen hebben beïnvloed. Van mij had het slotakkoord uitgebreider en comparatiever mogen zijn, eventueel ten koste van de voorgaande hoofdstukken.

Afscheid van de koloniën is oorspronkelijk geschreven als proefschrift, de auteur heeft er echter voor gekozen zijn promotie niet door te zetten. In deze publieksvriendelijke versie ontbreken noten en verwijzingen, maar op p. 18 wordt vermeld dat de ‘wetenschappelijke academische versie’ inclusief noten online beschikbaar is. Merkwaardig genoeg leverde de genoemde link geen hit op.

 John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën; Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Amsterdam: Atlas Contact, 2013. 608 p., ISBN 978 90 254 3530 1, prijs € 44,95.

[uit Oso 2013, nr. 2]

vrijdag 27 december 2013

Wanneer is Churandy Martina blij?

 
Churandy Martina
door Rosemarijn Hoefte

Naast Ranomi, Epke, Marianne en Dorian sloot Nederland in het Olympisch jaar 2012 nog een sporter in de armen. Hoewel Churandy Martina zonder medailles uit Londen terugkeerde, werd hij populair door zijn positieve uitstraling en zijn mantra ‘Ik ben blij!’ In Beijing in 2004 had hij wel een zilveren medaille behaald die hem na een officieel protest van de Verenigde Staten werd ontnomen;  Martina had even buiten zijn baan gelopen. De atleet kwam toen uit voor zijn geboorteland Curaçao dat in rouw was gedompeld na zijn diskwalificatie, maar hem als een held binnenhaalde. De nieuwe zilveren medaillewinnaar, de Amerikaan Shawn Crawford, gaf korte tijd na Beijing zijn medaille aan Martina ’because i believe it’s rightfully yours’ (p. 104). Het kleinood ligt nu in Martina’s huis in Clermont, Florida.
In 2012 was Martina lid van de Nederlandse Olympische ploeg als gevolg van de staatkundige veranderingen op 10-10-10. Uit deze biografie van Frank Woestenburg blijkt dat Martina het allemaal niet erg boeit welk land hij vertegenwoordigt, want hij loopt voor zichzelf.  Zijn biograaf doet erg zijn best om Martina ook Nederlands te laten zijn. Op basis van Martina’s profielfoto op zijn Twitteraccount, met regenjas en capuchon, concludeert hij dat deze foto van zijn kledingsponsor ‘het beste bewijs [vormt] dat Martina zich ondanks zijn Antilliaanse roots een Nederlander is gaan voelen’ (p. 115). Echter uit het verhaal van de atleet die in Texas studeerde, komt naar voren dat hij zijn toekomst en die van zijn dochters in de Verenigde Staten ziet.
Eerbetoon aan Curaçoase atleten onder wie Churandy Martina,
naast Miss Curaçao Monalisa Jansen, september 2012.

De vraag is of Churandy Martina op dit moment al een biografie waard is; het verhaal van Bejing  is met voorsprong het interessantste verhaal over hem. Het wordt voornamelijk verteld door zijn entourage. Martina komt sympathiek over, maar is ‘een man van weinig woorden’ (p. 11) en weinig interesses buiten de atletiek en zijn familie. ‘Martina heeft zijn hele leven ondergeschikt gemaakt aan de atletiek. Zijn dagelijks ritueel bestaat uit slapen, eten en trainen’ (p. 170). Slapen is zijn hobby, en dat wordt tot vervelens toe duidelijk. Daar valt natuurlijk moeilijk wat spannends van te maken en het verhaal is erg uitgesponnen om het tot een boek te maken. Ook al omdat Martina zich op de vlakte houdt over bijvoorbeeld dopinggebruik in de atletiek. Zijn trainer is de voor dopinggebruik geschorste Dennis Mitchell. Martina betwijfelt of de sport de afgelopen jaren schoner is geworden en daarin heeft hij gelijk gekregen want enige maanden na publicatie werden de Amerikaan Tyson Gay en een aantal Jamaicaanse sprinters ontmaskerd.

Wannneer is Churandy blij? Vooral wanneer hij hard loopt of slaapt.

Frank Woestenburg, Churandy Martina; Biografie. Utrecht: Trion, 2013. 173 p., ISBN 978 90 4391 562 5, prijs €16.95.

[uit Oso, 2013-2]



dinsdag 17 december 2013

Nieuwe OSO is uit

Inhoud OSO, jaargang 32, nr. 2, november 2013


Hans Ramsoedh Denken over natievorming en nationale identiteit in Suriname
Freek L. Bakker De Arya Dewaker-mandir in Paramaribo; een hindoetempel met een boodschap
Ine Apapoe  Hedendaags Marronbestuur; de Raad van Kabiten en Basiya van de Okanisi in Nederland
Rosemarijn Hoefte Vertrekken of blijven? Onrust in de Javaanse gemeenschap in de laat-koloniale periode
Thiëmo Heilbron Het vergeten erfgoed; wat vertellen planten over de plantagegeschiedenis van Suriname?
Pim van der Meiden Voltaire, Suriname en Mauricius

Recensies
W.E.H. Winkels, De toover-lantaarn van Mr. Furet, Suriname, 1840 &; W.E.H. Winkels, De toverlantaarn van meester Furet, 1840. Jeugduitgave &  Hilde Neus, Het leven van een blankofficier (door Peter Meel); John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën: Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012 (door Rosemarijn Hoefte); Jeroen Trommelen. Gowtu: Klopjacht op het Surinaamse goud (door Peter Meel); Jeroen Dewulf, Olf Praamstra en Michiel van Kempen (ed.), Shifting the Compass: Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature (door Karwan Fatah-Black); Frank Woestenburg, Churandy Martina: Biografie (door Rosemarijn Hoefte); Safdar Zaidi, De suiker die niet zoet was (door Freek Bakker)

Cynthia Mc Leod signeert. Foto © Astrid Currie
Signalementen
Cynthia Mcleod, Hoe duur was de suiker (door Ellen Klinkers); Samengesteld door Anne de Vries, met medewerking van Surinaamse leerkrachten. Geïllustreerd door Corrie van der Baan, Wij de wereld (door Peter Sanches); Noni Lichtveld,  Anansi, De spin weeft zich een web om de  wereld (door Peter Sanches); Cynthia Mc Leod, Hoe duur was de suiker. 8 CD-Luisterboek voorgelezen door Denise Jannah (door Peter Sanches)
Irene Rolfes Recente Publicaties, I Suriname II Nederlands-Caraïbische eilanden

woensdag 20 juni 2012

'Geschiedenis kun je niet opleggen'

Pepijn Reeser
De Surinaams geschiedenis moet van onderop geschreven worden. De geschiedschrijving moet niet opgelegd worden, met of zonder uzi. "Het moet gedragen worden", zei Rosemarijn Hoefte van het Koninklijk instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) bij de Nederlandse presentatie van het boek Verzamelaars en volksopvoerders, musea in Suriname 1863-2012 van de 28-jarige historicus Pepijn Reeser. Eerder werd het boek in Suriname gepresenteerd. Reeser legt uit dat de titel van zijn boek de mensen beschrijft die zich bezighouden met musea: "Ze vinden het belangrijk om iets te verzamelen, maar ze doen het met een doel." Geschiedenis is een gereedschap, zegt hij, waar je alles uit kunt halen wat je wil.

Bastion Veere
In Leiden kregen de plannen van de Surinaamse regering [geformuleerd in een rapport van adviseur Paul Middellijn] om het Surinaams Museum uit Fort Zeelandia te zetten veel aandacht. Dat kwam naar buiten enkele weken nadat het boek van Reeser op de binnenplaats van het fort was gepresenteerd. "Als je Bastion Veere uit de herdenking (van de Decembermoorden, red.) haalt dan maak je het een soort geuzenplek. Dan krijgt het een nog grotere lading dan het al heeft", zei Hoefte.
Volgens Reeser geeft het plan aan dat de musea door de Surinaamse regering minder belangrijk worden gevonden dan het levende erfgoed, zoals zang, dans en de vertelcultuur. "Maar ik vind het jammer. De instellingen die er nu zitten doen erg goed werk. Ik zie de noodzaak om ze weg te sturen niet." De historicus ziet parallellen met de militaire tijd van de jaren '80.
Dat de regering een eigen visie heeft op de geschiedenis vindt hij niet erg, als andere visies maar niet monddood worden gemaakt. Het Surinaams Museum is belangrijk om een ruimere blik op de geschiedenis te tonen; daar worden dingen getoond die niet meer bestaan. Volgens Reeser is het oude koloniale stempel een van de dingen waar de regering problemen mee heeft.

Paramaribo met het Presidentieel Paleis en de omgeving van Fort Zeelandia

Surinaams perspectief
Erik Schilp van het Nationaal Historisch Museum benadrukt dat geschiedenis nooit kan worden uitgewist: "Geschiedenis is sterker dan enig machthebber op enig moment." Hij zou het interessant vinden om het boek van Reeser over vijf jaar een update te geven met de ontwikkelingen die er dan zijn geweest. En met een ander perspectief: "Laat het door een Surinamer schrijven. Dan is de vergelijking interessant."

[RNW, 19 juni 2012]

donderdag 5 januari 2012

Miriam Sluis: Distantie en sympathie

door Rosemarijn Hoefte

10-10-10: de datum waarop de Nederlandse Antillen als land werden opgeheven en het Koninkrijk der Nederlanden verder verbrokkelde zodat het nu bestaat uit vier landen en drie bijzondere gemeentes. Rond deze afsluiting van een tijdperk bestond er in Nederland wat meer belangstelling voor de eilanden in de Caraïbische Zee, maar over het algemeen is de interesse aan Nederlandse kant gering en dan ook nog vaak negatief. Miriam Sluis is een van de weinige Nederlandse journalisten die met enige regelmaat over de eilanden bericht. In Een koloniale speeltuin geeft de auteur in soepele stijl een beeld van de laatste vijf jaar van de Nederlandse Antillen: ze schetst de verhoudingen op de eilanden, tussen de eilanden, met Nederland en met de grote buitenwereld, lees Venezuela en de Verenigde Staten.


Sluis is op haar sterkst als ze de verschillende krachtenvelden op de eilanden observeert met een mengeling van distantie en sympathie. De hoofdstukken over St. Eustatius en St. Maarten zijn aanraders, maar over het algemeen komt de auteur toch niet veel verder dan het betere krantenartikel. Haar levendige beschrijving van de verkiezingen op Aruba in september 2009 doet een jaar later al weer gedateerd aan, omdat een diepere analyse van de Arubaanse politiek ontbreekt.


Dat gebrek aan echte diepgang kenmerkt het hele boek: het lijkt alsof de auteur op twee gedachten hinkt. Enerzijds gaat ze verder dan de publicaties gericht op de lezende toerist; anderzijds wil ze het leesbaar houden voor de abonnees van de NRC. Sluis poogt een paar rode lijnen in het verhaal te weven, zoals de geopolitieke positie van de Benedenwindse eilanden en de versterkte rol van Nederland. In ruil voor schuldsanering (1,7 miljard euro) krijgt Den Haag toezicht op de overheidsfinanciën en rechtshandhaving. Het zal de liefde tussen de partners in dit ‘gedwongen huwelijk’ waarschijnlijk niet doen toenemen (Sluis 2010: 11). Wat betreft de internationale geopolitieke situatie zijn de trefwoorden Hugo Chávez, George W. Bush, AWACS vliegtuigen en FOLs (Forward Operating Locations). Dat zijn strategische bases van het Amerikaanse leger op bestaande vliegvelden in El Salvador, Aruba en Curaçao. Officieel worden de vliegtuigen ingezet in de strijd tegen drugs, maar Chávez ziet de FOLs op de eilanden vlak voor zijn kust als een springplank voor een Amerikaanse invasie van Venezuela.


Over de verbale schermutselingen tussen Venezuela, Nederland en de Verenigde Staten brengt Sluis niets nieuws te berde; interessanter zijn haar observaties over de economische belangen van deze drie landen. Ze constateert dat steeds meer Nederlandse bedrijven (Shell, ABN Amro, Rabobank) Curaçao verlaten en dat het vacuüm wordt opgevuld door Venezolaanse investeerders die hun kapitaal elders willen inzetten en Amerikaanse bedrijven. Zo’n dertig pagina’s verder schrijft ze dat de economische invloed van Venezuela op het eiland kleiner wordt: ‘Door de instabiele financiële situatie in het Zuid-Amerikaanse buurland zijn steeds minder bedrijven actief op Curaçao’ (p. 62). Ik had graag meer gelezen over deze ‘de-hollandisering’ en ‘de-venezolarisering’ en zijn mogelijke consequenties voor de eilanden. Dat er op demografisch vlak sprake is van ‘internationalisering’ op de eilanden is bekend en al bijna een eeuw lang is in- en uitmigratie een belangrijke economische, sociale en demografische factor. Maar wat zijn de electorale en dus politieke gevolgen van de instroom van bijvoorbeeld Venezolanen, Colombianen en Dominicanen? Sluis stipt het af en toe aan, maar wat betekent het als kiesgerechtigde immigranten hun stempel gaan drukken op de politiek of andersom: als grote groepen buiten het politieke proces zijn geplaatst? En wat voor gevolgen heeft de ‘internationalisering’ van de bevolking voor die toch al gespannen relatie met Nederland?


Een koloniale speeltuin blijft teveel aan de oppervlakte om veel nieuwe inzichten op te leveren. Hoe zal de verhouding tussen de vier landen en de buitengewone gemeentes zich gaan ontwikkelen? Een informante zegt: ‘Er is geen funk’ (Sluis 2010: 239). Die opmerking lijkt de spijker op zijn kop te slaan; maar wat betekent dat voor de toekomst van het Koninkrijk der Nederlanden?


Zoutrif, ook geschreven door Miriam Sluis, is een heel ander boek. Het is een persoonlijk relaas van een zoektocht naar de geschiedenis van Curaçao, de huidige woonplaats van de auteur, en naar plantage Rif St. Marie in het bijzonder. Ze beschrijft haar verkenningstochten in de archieven en op de plantage zelf om zo te onderzoeken ‘of de erfenis van de slavernij als een verborgen gedragscode functioneerde. Een combinatie van versluierd verwijt en onbewuste onderdanigheid die ten grondslag lag aan de ongrijpbare broeierigheid die ik op straat voelde’ (Sluis 2008: 21). Ze gaat nog verder: heeft het slavernijverleden invloed op het staatkundige proces dat Curaçao een zelfstandig land, Pais Kòrsou, zal maken? De stijl verschilt van andere boeken van Sluis of een meer traditionele geschiedenis. ‘Opeens beginnen naast me twee bosjes te schudden. Ik blijf staan, roerloos. Het lijkt een boodschap, maar ben ik de juiste persoon om haar te ontcijferen? Langzaam loop ik verder het nieuwe Curaçao in’ (Sluis 2008: 11).


In Zoutrif kiest Sluis niet voor een chronologisch verhaal door een alwetende verteller, maar geeft ze verschillende actoren een stem: Hollandse kolonisatoren, slaven, een rotspunt en ‘Mirjam’ die over haar zoektocht - passie is misschien een beter woord - en haar twijfels en vragen vertelt. Hoofdstukken die in heden en verleden spelen wisselen elkaar af, maar de historische hoofdstukken, die strekken van 1688 tot 1969, zijn wel chronologisch geordend. Het is geen volledige geschiedenis van vierhonderd jaar Rif St. Marie, en dat is ook niet de bedoeling. Zoutrif is een voorbeeld van het momenteel populaire faction; door het af en toe ‘verlevendigen’ van gebeurtenissen, het gebruik van verschillende stemmen en het vervlechten van verschillende familiegeschiedenissen hoopt Sluis een breder publiek te bereiken. ‘Fact’ weegt echter duidelijk zwaarder dan ‘fiction’ in deze geschiedenis. Het boek bevat een verantwoording met verwijzingen naar archiefdocumenten, een personenlijst, een chronologisch overzicht, een woordenlijst en een bibliografie.

Met het verhaal van Rif St. Marie vertelt de auteur het verhaal van kolonialisme en slavernij en legt ze een verband met hedendaagse problemen, zoals de politieke polarisatie op Curaçao. Het verhaal reikt echter verder dan dit eiland. Zoals Mirjam Sluis zelf schrijft, ‘Rif vertelt een verhaal van onderdrukking en geloochende schaamte. Dat is niet alleen een Curaçaos verhaal’ (Sluis 2008: 22).

Miriam Sluis, Zoutrif, Amsterdam: KIT Publishers, 2008. 280 p., ISBN 978 90 6832 472 3, prijs € 19,50;
Miriam Sluis, Een koloniale speeltuin; De Antillen achter de schermen, Amsterdam: Prometheus / Rotterdam: NRC Handelsblad, 2010. 264 p., ISBN 978-90-446-1605-7, prijs €19,95.


Foto's: Dushi Photos

woensdag 4 januari 2012

Geschiedenis van de Antillen

door Els Langenfeld


De band tussen de zes Antilliaanse eilanden en Nederland bestaat al zo’n 275 jaar en de referenda van 1993 en 2005 hebben laten zien dat het overgrote deel van de Antilliaanse bevolking deze band ook wil handhaven. De toenemende belangstelling van de Nederlandse politiek voor de eilanden, de grote migratiestroom van Antillianen naar Nederland, terwijl tegelijkertijd Nederlandse pensionado’s het koude Holland inwisselen voor de warme tropenzon, deed de behoefte ontstaan aan meer achtergrondinformatie over de eilanden.


In 1997 verscheen daarom het boek Geschiedenis van de Antillen. Dit boek heeft nu de oude jas verruild voor een bontmantel. Had de eerste uitgave uit 1997 nog een slappe kaft, de vernieuwde uitgave van 2009 heeft een harde kaft met een losse omslag. Ook is voor de pagina’s dikker papier gebruikt en is de lay-out flink verbeterd. De kaderteksten zijn nu gemakkelijk te herkennen door de gekleurde achtergrond en veel foto’s zijn in kleur afgedrukt. De nieuwe uitgave oogt dan ook zeer luxe en verzorgd.


Inhoudelijk zijn de veranderingen minder opvallend. Geschiedenis van de Antillen geeft, in tegenstelling tot wat de tekst suggereert, geen chronologisch historisch beeld van de zes Antilliaanse eilanden. Via een thematisch overzicht wordt getracht de lezer een beter inzicht te geven hoe het verleden de huidige samenleving heeft gevormd en wat de historische achtergrond is van bepaalde sociale, economische en ecologische problemen. Want ‘kennis van het gemeenschappelijke verleden is onontbeerlijk om elkaar goed te begrijpen’ (p. 7).
Bepaalde aspecten worden nader uitgewerkt in ‘illustratieve teksten’. Veel van deze illustratieve teksten zijn aangepast. De nieuwe tekst ‘Wie is eigenlijk Antilliaan?’ is een zeer waardevolle toevoeging, waarmee wordt ingespeeld op een actueel vraagstuk. Niet alle illustratieve teksten zijn even sterk, zoals de tekst over de goudwinning op Aruba en die over Peter Stuyvesant. Daarin ligt de nadruk teveel op details zonder voldoende feitelijke informatie om deze details op hun juiste waarde te kunnen schatten.


Het boek bevat negen hoofdstukken, waarin rond een bepaald thema vanuit het verleden naar de huidige samenleving wordt toegewerkt. In het eerste hoofdstuk wordt ingegaan op de natuur van de zes eilanden – klimaat, bodemgesteldheid, flora en fauna − en op welke wijze menselijke bewoning deze heeft beïnvloed door de invoer van vee en de massale houtkap voor de winning van verfstof of houtskool. De milieuschade aangericht door de olie-industrie wordt eveneens belicht, maar vreemd genoeg niet de gevolgen van de hedendaagse invoer van dieren en planten die niet op de eilanden thuis horen, zoals de Neemtree op Curaçao en de boa constrictor op Aruba. Het hoofdstuk wordt afgesloten met recente bevolkingsgegevens. Daarbij wordt met betrekking tot het geringe aantal migranten van Curaçao naar Aruba een merkwaardige opmerking gemaakt: ‘De verklaring zal moeten worden gezocht in het feit dat Curaçaose werknemers, vallend onder de sociale wetgeving, veel duurder zijn’ (p. 20). Suggeren de auteurs dat immigranten van andere nationaliteiten niet onder de sociale wetgeving van Aruba vallen? Of dat Curaçaoënaars, dankzij de sociale voorzieningen op Curaçao, niet bereid zijn op Aruba te gaan werken?


In de drie daaropvolgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de herkomst van de verschillende bevolkingsgroepen: de Indianen, de Afrikanen en Europese, Amerikaanse en Aziatische migranten. De meeste aandacht gaat daarbij uit naar de gedwongen migratie van Afrikanen naar en in het Caribisch gebied. Niet alleen de slavenhandel komt aan bod, maar ook de opstanden, cultuur en religie van de slaven en (het gebrek aan) sociale veranderingen na de afschaffing van de slavernij in 1863.


Wat jammer is, is dat aan de duizenden vrije zwarten en kleurlingen – in de negentiende eeuw de grootste bevolkingsgroep − slechts één kolom wordt gewijd. Ook het niet vermelden van de bronnen is een gemis. Er is een grote verscheidenheid aan onderzoeken over de (transatlantische) slavenhandel, waarbij er flinke verschillen bestaan tussen de genoemde feiten en aantallen. Voor welke hebben de auteurs gekozen? De literatuurlijst achterin is indrukwekkend, maar biedt wat dat betreft geen houvast.


Ook belicht worden de sociale veranderingen die de komst van nieuwe migranten hebben veroorzaakt: de Nederlandse pensionado’s, Chinezen, Colombianen, Jamaicanen en Haïtianen. De gespannen verhouding tussen de Europese en Afrikaanse cultuur wordt eveneens belicht, zowel tijdens de slavernij als in de periode van de olie-industrie en recent met de intensievere bemoeienis van Nederland met de eilanden: ‘De groei van het aantal Nederlanders en hun andere levenswijze gaven bij tijd en wijle aanleiding tot animositeit tussen Antillianen en Europese Nederlanders’ (p. 87). Het gebruik van de verleden tijd is in dit verband onjuist. Jammer is ook dat de auteurs niet dieper ingaan op de oorzaken van deze animositeit.


Het hoofdstuk ‘De Antillen in Nederlands en internationaal verband’ is erg rommelig. Omdat er sprake is van een groot aantal onderverdelingen, zoals bestuurlijke structuur, de relatie met Nederland, Venezuela, de VS en Europa, springt de tekst steeds heen en weer in de tijd. Daarbij speelt mee dat de grenzen van deze onderwerpen niet scherp zijn. Zo werd en wordt de verhouding met Venezuela ook beïnvloed door de relatie met Europa en de VS, zoals recent de situatie rond de Amerikaanse FOL (Forward Operating Locations)-basis op Curaçao.


Hoewel het uitgangspunt van Geschiedenis van de Antillen was om aandacht te besteden aan de historie van alle zes de Antilliaanse eilanden, is het onvermijdelijk dat Curaçao ook in dit boek de boventoon voert. Dit komt heel sterk tot uiting in het zevende hoofdstuk ‘De Opstand van 30 mei 1969’. Hoe deze opstand heeft doorgewerkt op de andere eilanden of de verhouding tussen de eilanden, wordt niet verteld.


Wat door de opzet van Geschiedenis van de Antillen juist opvalt, is hoe weinig de eilanden met elkaar gemeen hebben, zoals het volgende hoofdstuk ‘De Nederlandse Antillen: meer verdeeldheid dan eenheid’ ook duidelijk laat zien. De ongelijke behandeling van de eilanden door Nederland en de dominante positie van Curaçao, zowel in de koloniale tijd als na 1954 in het Land de Nederlandse Antillen, hebben uiteindelijk geleid tot het uiteenvallen ervan. Wat jammer is, is dat de recente staatkundige ontwikkelingen onderbelicht blijven. De relatie tussen de eilanden na het uittreden van Aruba in 1986 krijgt slechts twee pagina’s. De complexiteit van de recente ontwikkelingen komt daardoor niet uit de verf. De uitslag van het referendum van 1993, waarbij de bevolking massaal koos voor behoud van de Antillen van Vijf, wordt toegeschreven aan de vrees voor banenverlies onder de landsambtenaren bij een ontmanteling van het Land Nederlandse Antillen. Ook zouden de bestaande familiebanden tussen de bewoners van de eilanden een grote rol hebben gespeeld. In werkelijkheid was de uitslag vooral een signaal van de bevolking dat zij de bestaande politieke cultuur van corruptie en vriendjespolitiek afwees. Dit verklaart ook de eclatante verkiezingsoverwinning van de PAR een jaar later. Deze partij stond niet alleen voor herstructurering van de Antillen van Vijf, maar ook voor deugdelijkheid van bestuur en transparantie.

Ondanks deze kanttekeningen is Geschiedenis van de Antillen een waardevol boek, doordat er steeds een relatie wordt gelegd tussen het verleden en het heden. De teksten zijn helder en begrijpelijk, de opmaak overzichtelijk. Al met al een prettig lees- en kijkboek dat een plaats verdient in de boekenkast van eenieder die geïnteresseerd is in de Caribische eilanden in het Koninkrijk.

Leo Dalhuisen, Ronald Donk, Rosemarijn Hoefte & Frans Steegh (red.), Geschiedenis van de Antillen. Zutphen: Walburg Pers, 2009. 192 p., ISBN: 978 90 5730 628 0, prijs € 39,50.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Foto's: Dushi Photos

zondag 18 december 2011

Levensbeschrijvingen uit Oost en West

door Jean Jacques Vrij

In hun inleiding bij deze bundel artikelen over prominente, merendeels twintigste-eeuwse, figuren uit Suriname en Indonesië/Nederlands-Indië onderschrijven Rosemarijn Hoefte en Peter Meel (foto links) de stelling dat biografen ‘doodgewoon en vóór alles historici’ zijn. Ik weet niet of dat het beste uitgangspunt is. De biografie is op zijn minst een bijzondere vorm van geschiedschrijving. Het is het verhaal van slechts één enkel leven en als zodanig geschiedenis op zijn smalst. Desalniettemin, zo schreef de grote essayist Samuel Johnson (1709-1784) in het midden van de achttiende eeuw, beschikt de biografie in potentie over een veel grotere aantrekkingskracht dan ‘the general and rapid narratives of history’ waarin de duizenden zaken die individuele mensen bezighouden in enkele paragrafen worden samengevat.

De biografie behandelt een kosmos waarin iedereen zich kan verplaatsen. Het enkele leven is een opgave waar ieder mens zich voor gesteld ziet. Vandaar dat een lezer snel geboeid kan raken door een beschrijving van de innerlijke worstelingen, de ambities, de tegenslagen, de prestaties van een ander. De lezer van een goed geschreven biografie verplaatst zich in de geportretteerde, vergelijkt en leert, aldus Johnson.
In de inleiding wekken Hoefte en Meel de indruk dat zijzelf inderdaad ‘voor alles’ historici zijn. Maar hebben zij ook voldoende respect voor het eigene van de biografie? Hun prioriteiten lijken waarneembaar in de klaarblijkelijk tevreden, naar ik vermoed zelfs opgeluchte constatering dat de auteurs ‘meer dan alleen een leven’ beschreven hebben. De artikelen bieden, schrijven de inleiders, een ‘spiegel van de tijd’ en ‘een intrigerend beeld van de Nederlandse (post)koloniale wereld’, waarmee ‘de biografie een instrument in dienst van de geschiedschrijving’ is geworden. Ook wordt zonder kennelijke afkeuring opgemerkt dat de auteurs zich hebben laten leiden door ‘een instinctieve terughoudendheid waar het gaat om het doen van al te stellige uitlatingen over hun hoofdpersoon en de eventuele psychologische drijfveren van zijn of haar handelen.’
Mij lijkt dit geen pluspunt. Een goede biografie behoort juist, voor alles, een visie op een persoon te bieden. En wel op heel de mens: innerlijk leven, uiterlijk handelen en het verband tussen beiden.

Vooropgesteld dient te worden dat aan een artikel van twintig pagina’s onmogelijk valt af te meten waartoe de biograaf in staat is. Daarvoor is de omvang veel te gering. De meeste schrijvers werkten in 2007, toen zij tijdens een congres de lezing hielden waarop hun bijdrage is gebaseerd, aan een uitgebreide biografie in boekvorm. Verschillende daarvan zijn inmiddels verschenen en in die gevallen kan de geïnteresseerde lezer beter direct het eindproduct ter hand nemen.
Overigens denk ik wel dat binnen het bestek van twintig pagina’s de zuiver biografische invalshoek – het kruipen in de huid van een persoon – meer kans van slagen heeft dan de ambitie een ‘spiegel van de tijd’ te geven. In ieder geval sprak de bijdrage van Kees Snoek over Soetan Sjahrir mij van alle het meest aan. Daarin wordt zonder reserve ingezoomd op de onvermijdelijk onvolkomen mens achter de anti-kolonialistische strijder (die in 1945 de eerste premier van Indonesië worden zou) en op de relatie tussen diens privéleven en carrière.

Vier van de tien biografische bijdragen hebben een Surinaamse prominent als onderwerp. Michiel van Kempen levert een boeiend stukje tekstverklaring van een werkje dat Lou Lichtveld/Albert Helman in 1978 onder het pseudoniem Hella Bentram-Matriotte publiceerde: De Zwarte Cats of Neokolonisatie der Surinaamse volkswijsheid.

Rosemarijn Hoefte (foto rechts) legt in haar artikel over Grace Schneiders-Howard, ijveraarster voor verbetering van volkshygiëne en andere leefomstandigheden, wel degelijk relaties tussen persoonlijkheidsstructuur en werkzaamheid. Het artikel laat echter ongewis of er ook voldoende intiem bronnenmateriaal voorhanden is, om van deze aan de buitenkant niet bijzonder fascinerende vrouw een meer uitgebreide en tegelijk boeiende biografie te kunnen schrijven.

Cynthia Abrahams’ bijdrage over Robin Ravales/Dobru roept bij mij verschillende prozaïsche vragen op (zoals: waarvan leefde Ravales als ‘fulltime dichter’ in Suriname?) maar ook en wezenlijker: wat waren nu werkelijk zijn afwegingen in de verschillende fasen van zijn leven, zijn diepere innerlijke drijfveren? Vragen die wellicht in haar inmiddels verschenen dissertatie zijn beantwoord.

De insteek van Peter Meel in zijn artikel over Henck Arron (foto links) verschilt duidelijk van die van de onvervalste biograaf, maar dat is ook weinig verrassend gegeven wat hij als inleider van deze bundel schreef. ‘Leven en werk’ van Arron dienen als uitgangspunt, maar doel is ‘de Surinaamse dekolonisatiegeschiedenis in de context van de Surinaamse politieke cultuur en vanuit een Surinaams perspectief te beschouwen en te analyseren’ (p. 173). Dit is kortom een specimen van politieke geschiedschrijving. Het gaat dan ook vooral over het werk van Arron (als politicus) en in geringe mate over zijn leven. Over de mens Arron leren we weinig treffends. Onwillekeurig komt de gedachte bij mij op aan Samuel Johnsons boutade: ‘that more knowledge may be gained of a man’s real character, by a short conversation with one of his servants, than from a formal and studied narrative, begun with his pedigree, and ended with his funeral.’

De overige biografische bijdragen behandelen personages uit de geschiedenis van Nederlands Oost-Indië. Die van Jan de Lang over de Nederlandse militair Frederik Hirschmann (foto rechts), die overigens tussen zijn Indische posten door ook vier jaar in Suriname was gestationeerd (hij was er van 1909 tot 1913 kommandant van de landmacht), is eveneens een schoolvoorbeeld van wat Rosemarijn Hoefte en Peter Meel in hun inleiding aankondigden. De context van Hirschmanns carrière is voorbeeldig beschreven, de man zelf komt als persoon veel minder uit de verf. Een zuivere biografie is dit dus niet. Hetzelfde kan gezegd worden van Nico Kapteins boeiende stuk over de Arabische gouvernementsadviseur in islamitische geloofszaken Sayyid ‘Uthmân, de enige van de geportretteerden wiens leven zich voor het grootste deel in de negentiende eeuw afspeelde.

Ook in Harry Poeze’s (foto rechts) stuk over de ambulante revolutionair Tan Malakka gaat het voornamelijk over de faits et gestes van de hoofdpersoon – zijn buitenkant, niet zijn binnenkant. Daarnaast beschrijft hij hoe met de herinnering aan Tan Malakka is omgesprongen, vanaf diens voortijdige, gewelddadige dood in 1949 aan het begin van de postkoloniale periode tot heden. Ontwikkelingen waarin Poeze zelf ook een rol heeft gespeeld; hij heeft al in 1976 een biografie in boekvorm over de man gepubliceerd en vier jaar geleden nog één, van meer dan tweeduizend pagina’s.

In de artikelen van Wim Willems en Frank Okker over Jan Boon (beter bekend als Tjalie Robinson en onder de schrijversnaam Vincent Mahieu) respectievelijk Madelon Székely-Lulofs (afb. links) is meer aandacht besteed aan de innerlijke persoon van de geportretteerden. Dat deze laatsten zelf literatoren waren, gedisponeerd om in de huid van een ander te kruipen, zal daar wel niet vreemd aan zijn. Treffend is dat Willems een uiteenzetting van Boon aanhaalt die gelezen zou kunnen worden als richtlijn voor een goede biografie. Waarachtig schrijven, parafraseert Willems, betekende het zich verplaatsen in een persoon, het observeren met alle zintuigen, de werkelijkheid op de huid zitten. Wie op afstand bleef, kon alleen de buitenkant schetsen en bediende zich maar al te vaak van overgeleverde clichés (p. 56).

Willems schrijft over Tjalie Robinsons vormende vooroorlogse jaren, als straatslijper, onderwijzer en journalist in Nederlands-Indië. Okker tracht de hele persoon achter het oeuvre te vangen. Het resultaat is in dit korte bestek tamelijk schematisch. We komen zo van Szekely-Lulofs te weten dat zij vaak het gevoel had tussen twee werelden te leven en een rechtvaardigheidsgevoel bezat dat ook wel wat merkwaardige kantjes had, inclusief begrip voor mensen die een halsmisdrijf begingen en een wat macabere fascinatie voor de tragische dood. Beide biografen hebben overigens inmiddels een boek over hun onderwerp gepubliceerd.

Rechts: Samuel Johnson, portret door Joshua Reynolds

De laatste twee artikelen, van Gerry van Klinken en Peter Meel, hebben een afwijkend karakter. In Indonesië zijn tot nu toe een honderdtal geselecteerde personen van regeringswege tot nationale held verklaard. Deze praktijk bestaat ook in een aantal Caraïbische landen (zoals Jamaica), maar niet in Suriname. In Meels bijdrage, over Suriname en landen uit dezelfde regio, passeren voornamelijk straatnamen, standbeelden en namen van gebouwen de revue. Maar Van Klinken behandelt de (grote) invloed van de officiële heldencultus op de moderne Indonesische biografie. Het resultaat heeft veel weg van de doorsnee Engelse biografie uit het midden van de achttiende eeuw, waarover Samuel Johnson verzuchtte dat de schrijver ‘endeavours to hide the man that he may produce a hero.’ Duidelijk is dat hierdoor veel van de waarde én de aantrekkingskracht van het genre verloren gaat. ‘Echt populair’ is de ‘heldenliteratuur’ in Indonesië dan ook niet, schrijft Van Klinken met gevoel voor understatement (p.234).

Rosemarijn Hoefte, Peter Meel & Hans Renders (red.), Tropenlevens; De [post] koloniale biografie. Leiden: KITLV Press/ Amsterdam: Boom, 2008. 275 p.,ISBN 978 90 8506 5524, prijs € 24,50.

[uit Oso, nr. 2, 2011]

Foto van Peter Meel: @ Marc de Haan

dinsdag 11 januari 2011

Tracing the life history of Javanese-Surinamese

by Alpha Amirrachman

When Lisa Djasmadi got involved in writing and editing a book on Javanese people in Suriname, she discovered many heartening stories. She had never heard stories like them before, chronicles of how her forefathers had departed from Java and arrived in Suriname, enduring numerous hardships along the way. “They were very poor and had to work very hard. I am very proud that they had the courage to leave their motherland, settle in Suriname and later move to the Netherlands to build a new life. Very courageous,” Lisa said during the book launching in The Hague.

The 158-page book — Migratie en cultureel erfgoed: Verhalen van Javanen in Suriname, Indonesië en Nederland (Migration and cultural heritage: Stories of Javanese in Suriname, Indonesia and the Netherlands) — was published by the Royal Netherlands Institute of Southeast Asian and Caribbean Studies (KITLV) in collaboration with the Memorial Foundation Committee (STICHJI) in the Netherlands, the Indonesian Institute of Sciences (LIPI) in Indonesia and the Memorial Javanese Immigration Association (VHJI) in Suriname.

The book assembles the life stories of three groups — the Javanese who migrated and settled for good in Suriname, the people who eventually left Suriname and settled in the Netherlands and those who had settled in Suriname but decided to return to Indonesia. Between 1890 and 1939, 32,956 Javanese arrived in Suriname, mostly as contract laborers. Only a quarter of them returned to Java when their contracts ended. Others returned to Indonesia later, stayed in Suriname or moved to the Netherlands.

KITLV, LIPI and VHJI tracked down Javanese-Surinamese in Indonesia and Suriname and interviewed them for the book, while STICHJI utilized life history methods to record people’s stories. For the book, Lisa (picture to the left), who is half-Javanese, half-Dutch, interviewed Wim Soekarman Kromoredjo, who was born in Lelydorp, Suriname, but now lives in the Netherlands. “I found him fascinating because he is very active in introducing Javanese traditions to the younger generation here in the Netherlands, like ludruk [Javanese theater] and gamelan [Javanese traditional orchestra]. He uses Dutch when performing ludruk to reach younger audiences,” Lisa said.

Wim, who plays both Surinamese and Indonesian versions of gamelan, says in the book that he is already accustomed to multiple identities, taking on Javanese roles at home and Dutch qualities outside the house. A study by Verkuyten and Brug in 2004 showed that for ethnic minorities like Surinamese in the Netherlands, personal achievement was positively correlated with ethnic identity for Surinamese men, but not Surinamese women. In Wim’s case, he sets aside his Javanese identity when outside the home and is a “real Dutch man” in the workplace.

Unlike Wim, whose parents brought him to the Netherlands, Sakri Ngadi’s grandparents brought him back to Indonesia. “The issue of returning to Indonesia was so hot at that time that it could cause a split within families,” said Sakri, who was born in Saramacca, Suriname, but now lives in Jakarta. Sakri’s grandparents settled in Tongar, a small village in Sumatra, where they tried to open up the forest. But life was much harder than they expected. They were lured by wishes and hopes, as well as misleading stories that gold was everywhere in Sumatra. They were bitterly wrong. Sakri’s grandparents and many other Surinamese regretted their decision to return to the motherland and became deeply frustrated, advising others still in Suriname not to return to Indonesia. Some returnees even committed suicide.

During Indonesia’s crisis in 1965, Sakri’s mother nervously requested her return to Suriname. He refused because he did not want to leave his grandmother alone to face the country’s bloody turbulence as his grandfather had already passed away. After a long, difficult time, he finally found a better life after moving to Jakarta and finding work at the state banknote printer Peruri. Sakri has returned to Suriname several times to visit his mother and his siblings.

Sakri’s story is a page from the life for Javanese-Surinamese who returned to Indonesia, and is one of many difficult and saddening accounts, said Hariëtte Mingoen, who is one of the editors of the book. Interestingly, many Javanese-Surinamese who determined to return to Indonesia did not return to Java, but to Sumatra instead. This movement perhaps shows the courageous character of the Javanese from Suriname to explore another new frontier, facing an ever-uncertain future in building a new life.

.

One of among many groups of Javanese arriving in capital Paramaribo, Suriname in 1923 (taken from the book, page vi).

Those who stayed in Suriname also struggled with identity issues and self-esteem. Rita Tjien Fooh-Hardjomohamad, who was born in Suriname’s capital Paramaribo, said no one in her family ever attempted to return to Indonesia. Even after Suriname’s independence on Nov. 25, 1975, her family chose to stay in Suriname while many were moving to the Netherlands because of fears of instability in the newly independent state. But, Rita found teenage life in rural Koewarasan restricting. Her parents were stern and raised her and her siblings under the strict rule of Islam. “I did not have access to Javanese culture like ledek [dancer] or gamelan,” she said. In order to liberate herself, Rita aspired to a university education. She ended up getting a two-year diploma in history in order to get a teaching job, as she did not want to burden her family for too long. She became fascinated with history and eventually became the director of the National Archives, which often collaborates with similar institutions in Indonesia and the Netherlands. Rita said, “Javanese women have to know what they stand for. They must be self-assured and know their own identity and not deny it. We are in Suriname, so we must be a part of Surinamese society, but we will never lose sight of our identity as Javanese”.

The book project included young Javanese-Surinamese who acted as interviewers in the Netherlands, “to make them appreciate the legacy of the history of their ancestors,” Hariette said. The book is not intended as an academic book, she said. It was written by Javanese-Surinamese about themselves. “This is the first book of its kind that comprehensively covers three historically significant countries: Suriname, Indonesia and the Netherlands,” she said.

After the book launch in The Hague, Erasmus Huis in Jakarta plans to have its own book launch with related activities on Jan. 20, 2011. A photo exhibition will run from Jan. 20 to Feb. 18, 2011. More info can be found by clicking here


Migratie en cultureel erfgoed: Verhalen van Javanen in Suriname, Indonesië en Nederland. Editors: Lisa Djasmadi, Rosemarijn Hoeftre, Hariëtte Mingoen.
Publisher: KITLV Press, the Netherlands 2010
158 pages


[from The Jakarta Post, Sunday, January 09, 2011]

zondag 5 december 2010

First lady krijgt boek over migratie Javanen

De Surinaamse first lady, Ingrid Bouterse-Waaldring ontving afgelopen vrijdag het eerste exemplaar van het boek Migratie en cultuur erfgoed: verhalen van Javanen in Suriname, Indonesië en Nederland. De voorzitter van de Vereniging Herdenking Javaanse Immigratie, Kim Sontosoemarto overhandigde het boek aan de First-lady. De overhandiging geschiedde mede namens de Stichting Herdenking Javaanse Immigratie uit Den Haag en het Koninklijk Instituut voor Talen, Landen en Volkenkunde (KITLV) uit Leiden-Nederland.

Op 9 augustus 2010 was het precies 120 jaar geleden dat de eerste lichting Javaanse contractarbeiders uit Nederlands-Indië in Suriname aankwam. Javaanse Surinamers hebben een rijke migratiegeschiedenis. Vanuit Indonesië vertrokken zij vanaf 1890 naar Suriname en vandaar weer naar Indonesië, Nederland en andere delen van de wereld.

De organisatie presenteert in het kader van 120 jaar Javaanse immigratie in Suriname, behalve dit boek aan het Surinaamse publiek in dit historisch jaar ook een website “Javanen in diaspora” gelaunched. De presentatie vindt vanavond in Sana Budaya, plaats.

[Bericht uit Starnieuws]

Foto: First lady Ingrid Bouterse (in het midden) ontving het eerste exemplaar van het boek “Migratie en cultuur erfgoed: verhalen van Javanen in Suriname, Indonesië en Nederland”. Geheel links van haar prof. Henk Schulte Nordholt en dr Rosemarijn Hoefte van het KITLV in Leiden. Uiterst rechts: voorzitter van VHJI, Kim Sontosoemarto.

donderdag 4 november 2010

Boek en website met Javaanse verhalen

Op 27 november 2010 worden boek en website van het levensverhalenproject over Javaanse migranten gepresenteerd. Het boek krijgt de titel Migratie en cultureel erfgoed: Verhalen van Javanen in Suriname, Indonesië en Nederland. De website zal doorgaan onder de naam Javanen in diaspora.

Het idee voor het project kwam van Hariëtte Mingoen en Yvette Kopijn, voor de samenstelling van het boek tekende Rosemarijn Hoefte (KITLV), Hariëtte Mingoen en Lisa Djasmadi (Stichting Comité Herdenking Javaanse Immigratie). De selectie van citaten uit de levensverhalen voor de website werd gemaakt door Hariëtte Mingoen, Lisa Djasmadi en Yvette Kopijn. De interviews werden uitgewerkt door Mingoen en Djasmadi, de eindredactie van de website kwam voor rekening van Kopijn.

Deze nieuwe aanwinsten voor het Javaans erfgoed kwamen mede tot stand door de eigen inspanningen van de Javaanse gemeenschap in Nederland. De inzet van vrijwilligers verdient hierbij extra vermelding.

Wie de presentatie wil bijwonen moet zijn komst voor 19 november aankondigen via: stichji@yahoo.com
lisadjasmadi@hotmail.com
sitinjak@kitlv.nl


Datum: 27 november 2010
Plaats: Bibliotheek, Spui Den Haag;
Tijd:13.00-18.00 uur.


Op 3 december wordt het boek ook in Suriname op feestelijke wijze gepresenteerd in Sana Budaya. Tijdens de presentatie kan men genieten van muziek en dans. Ismene Krishnadath zal voorlezen uit haar roman Satyem.