 |
| De Surinaamse politiek |
door Walter Lotens
Op 25 mei 2010
ging ongeveer zeventig procent van de Surinaamse kiezers in een feestelijke
sfeer naar de stembus. Dat moet voor Paramaribo zeker meer dan tachtig procent
geweest zijn omdat door de grote afstanden de opkomst in het verre binnenland veel
lager lag. Die zeer hoge opkomst is waarschijnlijk een wereldrecord. De
Surinaamse kiezers mogen dus zeker gefeliciteerd worden, maar de politici zijn
jammer genoeg niet eerbiedig omgesprongen met zoveel enthousiaste burgerzin.
Toen bleek dat de Megacombinatie, en dan vooral de NDP van Desi Bouterse, een
ruime overwinning had behaald, dacht iedereen dat de kaarten geschud waren.
President Venetiaan (NPS) en het Nieuw Front werden na tien jaar onophoudelijk
regeren teruggefloten en dus was het logisch dat de NDP aan zet kwam voor de
nieuwe regeringssamenstelling. De politici van een aantal partijen dachten er
echter anders over. In achterkamers en via allerlei geheime afspraken ontstond
een politieke koehandel van jewelste waardoor in eerste instantie Bouterse en
de NDP uit het machtscentrum werden gehouden. Na een weinig smakelijke
vertoning waarin woordbreuk en verdachtmakingen hoogtij vierden, vonden de drie
onverzoenlijke vijanden Desi Bouterse, Ronnie Brunswijk van de Marronpartijen
en Paul Somohardjo van de Volksalliantie elkaar. Na een stevig partijtje arm
worstelen om ministersposten en andere hoge functies kwamen zij tot een
vergelijk. Op die manier kwam de noodzakelijke twee derde meerderheid tot stand
die nodig was voor de verkiezing van de nieuwe Surinaamse president. Bouterse
die zich tot dan toe min of meer op de achtergrond had gehouden, zag zijn kans
schoon en zei dat hij ready was voor
het presidentschap.

De
sergeant die met een aantal kompanen in 1980 een militaire staatsgreep pleegde
en uitgroeide tot ‘Bevel’ en die einde 1982 vijftien vooraanstaande opposanten
van het militaire regime liet ombrengen, de man die als drugssmokkelaar
veroordeeld werd door de Nederlandse justitie en die in Suriname terecht stond
voor de decembermoorden werd president van zijn land. Hoe heeft hij dat
aangepakt?
Iets meer
dan twee jaar later verschijnt Bouterse aan de macht. Het is een kanjer van
een boek geworden, geschreven door twee jonge journalisten - een Nederlander en
een Belg - die proberen antwoord te geven op de vraag waarom Desi Bouterse,
ondanks zijn verleden, in Suriname nog steeds zo populair is en hoe hij het er
als president vanaf brengt. Ivo Evers (1983) en Pieter Van Maele (1986) zijn
relatief nieuwkomers in Suriname. Evers werkte anderhalf jaar in Suriname onder
andere bij de Ware Tijd en als
correspondent van Trouw. Van Maele is op dit ogenblik correspondent in
Paramaribo voor onder meer Radio Nederland Wereldomroep, Het Parool, De Morgen
en Trouw. Ook hij werkte voor de Ware
Tijd. Met hun eerder geringe staat van dienst slagen zij erin een
uitstekend boek te schrijven over twee van de meest controversiële jaren in de
recente Surinaamse geschiedenis. Zij doen dat met heel veel lef, deskundigheid,
kritische zin én overgave, en daarmee slagen zij erin niet alleen hun Surinaamse,
maar ook hun Nederlandse collega’s de loef af te steken. Van Surinaamse kant kan
je op dit ogenblik geen journalistieke hoogstandjes verwachten - de slechte
verloning en het eerder dociele karakter van de pers zijn daar niet vreemd aan
-, maar Nederland beschikt wél over Surinamekenners in de persoon van Hans
Buddingh’, Gerard van Westerloo, Jan Janssen van Galen, Jeroen Trommelen, Ellen
De Vries, Joost Oranje en Harmen
Boerboom, die dat waarschijnlijk zouden kunnen. Ik vermoed dat Nederland, en
misschien ook deze heren en dame zich na de machtsovername door Bouterse minder
zijn gaan inlaten met Suriname. Suriname is al lang geen ‘binnenlands nieuws’
meer.
 |
| De Ware Tijd. Foto @ Herman Dulder |
De ‘nieuwkomers’
Evers en Van Maele zijn in dat gat gesprongen en hebben zich vastgebeten in een
Suriname dat almaar meer uit de Nederlandse kranten dreigt te verdwijnen. Zij
hebben waarschijnlijk het voordeel dat zij minder bezoedeld zijn door het
verleden - zeker de Belg Van Maele - waardoor zij gemakkelijker toegang hebben
gevonden tot hun Surinaamse gesprekspartners. Het resultaat is een genuanceerd,
maar kritisch beeld van twee jaar regering-Bouterse, geschreven door goed
geïnformeerde outsiders die ook van binnenuit die periode op de voet gevolgd
hebben.
Het lijvige
boek bestaat uit niet minder dan dertig hoofdstukken. Ongeveer de helft ervan
behandelen de aanloop naar de verkiezingen van 2010, de formatie en de eerste
dagen van Bouterses presidentschap. Welke partijen streden mee om de gunst van
de kiezer? Hoe verliep de regeringsformatie? Welke cruciale momenten waren er
vooraleer Bouterse werd geïnstalleerd? Aan de orde komt ook de belangrijke
vraag hoe de Nederlandse oud-kolonie er
sinds de onafhankelijkheid van 1975 politiek, sociaal-maatschappelijk en
economisch voorstaat. In de tweede helft van het boek wordt voornamelijk
ingezoomd op de grote verkiezingsbeloftes die niet of nauwelijks worden
waargemaakt, op de relatie met Nederland die almaar meer onderkoeld raakt en op
de interne ruzies van de Bouterse-regering.
De auteurs
beschrijven zeer uitvoerig hoe Bouterse steeds meer macht naar zich toe begint
te trekken ten koste van het parlement
en de eigen ministers en na anderhalf jaar is het voor hen duidelijk dat oude
gewoontes weer bij hem bovenkomen. Zo weet de president een omstreden
amnestiewet voor de Decembermoorden door het parlement te jagen.
 |
| Vrouwe Justitia |
De twee
auteurs noemen Bouterse op het einde van hun inleiding ‘de man die onder de
schaduw vaan zijn eigen verleden uit wil komen’, maar dat doet hij op een niet
zo fraaie manier schrijven zij in een epiloog: “De president herschrijft
momenteel zijn eigen geschiedenis, hij zet de gebeurtenissen op Fort Zeelandia
naar zijn hand, hij censureert hem onwelgevallige schoolboeken en richt musea
in die zijn versie van het verhaal vertellen. Daarin zijn de Decembermoorden
een pijnlijke, doch noodzakelijke voetnoot en is de staatsgreep een waarachtige
revolutie. Maar die zelfgeschreven historie is slechts tijdelijk en ruim
interpreteerbaar. Net als er zijn die hem verafgoden, zullen veel Surinamers
hem herinneren als de persoon die een staatsgreep pleegde, verantwoordelijk was
voor de moord op vijftien tegenstanders en vervolgens als democratisch gekozen
president niet in staat was het land bijeen te brengen, maar zichzelf wel
vrijwaarde van een gerechtelijk vonnis.” (p. 421)
Het boek
gaat voornamelijk over de laatste twee jaar, maar doet eigenlijk veel meer: naast
de zeer levendige journalistieke benadering waarmee de twee auteur bijna van
dag op dag beschrijven wat er onder
Bouterse gebeurt, reconstrueren ze ook, en
passant, een stuk Surinaamse geschiedenis zodat de lezer niet alleen twee
jaar Bouterse, maar op een drafje ook een heel land en haar geschiedenis
gepresenteerd krijgt. De auteurs slagen erin om naadloos over te springen van
de dagelijkse politieke realiteit naar boeiende expliciterende passages, zoals
het grensconflict met Guyana en met Frans-Guyana dat al dateert uit de
negentiende eeuw. Vooral in die passages bewijzen zij dat ze veel meer dan
oppervlakkige waarnemers van de actualiteit zijn. Hun voetnotenapparaat en
literatuurverwijzingen illustreren dat trouwens. Het boek geeft ook een zeer
goed inzicht – het is bij momenten zelfs gênant om te lezen hoe figuren als
Somohardjo en Brunswijk aan politiek pro domo doen – in het hoge gehalte van
dorpspolitiek die in Suriname bedreven wordt.
De twee auteurs zijn kritisch in hun benadering,
maar niet blind zoals sommige Nederlanders en Surinamers die Bouterse rauw
lusten. Zij constateren en vermelden dat na één jaar Bouterse het internationale
isolement verder weg is dan ooit. “Er gebeurt iets in het voorheen doodse
Paramaribo”. Zowel de Amerikaanse als de Franse ambassadeur hebben lovende
woorden over voor de regering-Bouterse, voornamelijk dan voor het
internationale optreden. Het is maar zeer de vraag of ze dat ook vinden van de
binnenlandse politiek van Bouterse. De auteurs schrijven: “Intern gekrakeel en
hoog oplopende partijruzies maken
Bouterses regering instabiel. Halverwege zijn termijn stuurde Bouterse al zeven
ministers de laan uit. Bovendien worden net als onder de vorige president
Venetiaan op de vele ministeries aan de lopende band ambtenaren ontslagen om
plaats te maken voor regeringsgetrouwen.” (p. 415). Er doet zich een NDP-isatie
voor. Uit zeer goede bron weet ik dat niet-partijpolitieke bewegingen van
onderuit, zoals in het district Para bijvoorbeeld, monddood worden gemaakt. Dat is jammer en onbegrijpelijk, te meer
omdat de grondwet van 1987, geschreven door NDP’ers, participatief
democratische principes vooropstelde.
In hun
besluit drukken de twee auteurs uit dat Bouterse pas uit de politieke arena zal
verdwijnen op het moment dat hij zijn laatste adem uitblaast – en dan laat hij
naar verwachting een loodzware erfenis na. Ik vrees dat zij gelijk hebben.
Bouterses aanwezigheid drijft een wig doorheen de Surinaamse samenleving. Hij is
nu 67 jaar …
 |
| Nieuwe leiders voor Suriname? |
Hoe moet
het nu verder volgens hen met Suriname? “Er moet een leider opstaan die
tegelijk het paternalisme, het cliëntelisme en het nepotisme doorbreekt en een
streep trekt onder de jaren tachtig. Een leider die erin slaagt het ambtelijk
apparaat af te slanken, het onderwijs te vernieuwen en een bloeiende industrie
te creëren. Maar alleen al het voornemen om af te rekenen met het accommoderen
van partijgetrouwen staat in Suriname gelijk aan politieke zelfmoord. Bovendien
vertrok de afgelopen decennia zo goed als het complete intellectuele kader uit
het land, ligt het onderwijs op apegapen en lijdt de rechtsstaat onder dezelfde
groeipijnen als waarmee andere jonge democratieën te kampen hebben.”
Een
pessimistisch besluit? Ja en nee, zeggen de auteurs. “Suriname is verre van een
failed state, zoals Haïti of Congo
dat zijn. De Surinamer heeft het stukken beter dan een inwoner van Guyana,
Bolivia, Cuba of Jamaica. Maar de grondstoffen zijn eindig. En wat dan? Maar liefst 60 procent van de bevolking werkt
bij de overheid of in semi-overheidsbedrijven. De braindrain blijft hoog.”
De laatste
zin is tekenend voor de houding van beide auteurs: “In ons rommelt de wanhoop maar
we zetten tegelijkertijd een monter gezicht op, uit onwil en onvermogen
volslagen pessimistisch te zijn. We zien zo’n prachtig land met zulke prachtige
mensen liever niet naar de verdoemenis gaan.”
“Bouterse
aan de macht” is een goed én belangrijk boek. Ik hoop dat het een ruim
lezerspubliek mag vinden, zowel in Nederland als in Suriname, en vooral dat het
gelezen mag worden zoals het bedoeld is: als een genuanceerd kritische schets
van een periode en een figuur waarvoor de meeste journalisten zich wegstopten,
deels omdat zij (de Surinamers dan) vinden dat je op een eerbiedige manier moet
omspringen met de machtshebbers van welke origine ze ook zijn, deels omdat zij
(de Nederlanders dan) menen dat Suriname onder Bouterse een vogel voor de kat
is. Beide auteurs hebben een ‘derde weg’ proberen te bewandelen en dat lijkt
mij de enig valabele.
Ivo Evers en Pieter Van Maele, Bouterse aan de macht, De Bezige Bij, Amsterdam, 2012, 464 blz., ISBN 9789023472933