Posts tonen met het label Bonnemaijers Joop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bonnemaijers Joop. Alle posts tonen

zaterdag 5 november 2011

Dertigduizend dagen (5 en slot)

door Joop Bonnemaijers

Terug in Paramaribo had ik twee “gastgezinnen”, waar ik behoorlijk werd verwend. De mannen waren allebei beroepsmilitair en woonden er met hun vrouw en kinderen. Ik kon er vaak mijn tropisch middagdutje doen en ook blijven eten.

Op een dag vroeg een van die mannen, hij was sergeant-majoor, of ik die nacht bij hem thuis wilde slapen. Ik dacht: ‘Wat krijgen we nou? Waar is dat nou voor nodig?’ Al gauw hielp hij mij uit de droom. ‘Ja, het zit zo, ik moet vannacht werken en dan is mijn vrouw alleen. En dan is ze bang!’ Wat had die sergeant-majoor een blind vertrouwen in mij en duidelijk ook in zijn aantrekkelijke vrouw. Mij werd uitgelegd wat er precies aan de hand was. Als ze ’s avonds in de huiskamer waren hoorden ze soms rare geluiden boven zich. Het leek net of er iemand hardlopend over de zolder liep. Daarom wilde hij zijn vrouw niet alleen laten. Afgesproken dus. Ik was op tijd om de sergeant-majoor te zien vertrekken. Zijn vrouw en ik gingen in de huiskamer zitten. We dronken een glas tamarindesiroop en kletsten wat. Meestal gebeuren de dingen waarop je wacht niet, maar in dit geval hadden we geluk. Na een tijdje hoorde ik het. Het leek net of er een kind met versnellende pas van de ene naar de andere kant over de zolder liep. ‘Ik ga kijken,’ zei ik. ‘Nee, niet doen. Je weet toch niet wat het is’, antwoordde ze. Omdat ik het toch wilde weten ging ik naar de gang. Daar was een trap die naar boven leidde. Maar voordat je de zolder op kon gaan, moest je eerst een luik openen. Ik deed dit voorzichtig. Je kon maar niet weten. Ik wist toch ook niet wat het was. Mijn ogen die wat aan de duisternis moesten wennen kwamen net boven de vloer van de zolder uit, toen ik het zag. Een paar ogen keek mij strak aan en opeens sloeg het gevaarte de vleugels uit en vloog weg. Het was een uil! Als hij over de zolder vloog tikte hij met zijn vleugelpunten tegen de vloer van de zolder wat het eerder genoemde geluid veroorzaakte. Onder het dak van die zolder waren namelijk openingen om voor een soort trek te zorgen. Dat gaf koelte. Het was daar een schuilplaats voor vleermuizen, die ongewild op hun beurt weer een hongerige uil uitnodigden. Ik was natuurlijk de held. Een vraag blijft mij bezig houden. Waarom die sergeant-majoor niet eerder zelf is gaan kijken. Geloofde hij in spoken?

Bezoek Prins Bernhard in het naar hem genoemd kampement aan de Verlengde Gemenelandsweg, Paramaribo, 1950

Mijn verjaardag vierde ik bij hen. Met een tas met volle flessen kwam ik aan en later werd ik achterop de Harley Davidson naar huis gebracht. Dat hobbelende ding deed geen goed aan mijn spijsvertering. Al achterop zittende raakte ik een gedeelte van mijn maaginhoud kwijt. Ik blijf erbij dat het door die hobbelende motor kwam en dat er dus geen andere oorzaak was. Wat ik wel een beetje “lullig” vond van mijn vrienden is, dat ze mij de lege flessen mee terug hebben laten nemen. Zeg nou zelf eens, zoiets doe je toch niet? Of was het een grap?

Tegenwoordig zijn er veel mensen die in de kersttijd naar het buitenland gaan, maar daar waren we in 1949 nog niet aan toe. Kerstmis in de tropen. Stel je voor. Geen dennenboom, alleen maar palmen. Daar staat zo’n zilveren bal toch niet in. Maar er waren wel wat struiken die bij elkaar gestoken wat op onze kerstboom leken. Daar moesten we het mee doen. En wij maar zingen: ‘I’m dreaming of a white Christmas’. En daar droomden we dan ook werkelijk van. Wanneer zouden we weer eens die tintelende vrieslucht op kunnen snuiven en de sneeuwvlokken naar beneden zien dwarrelen? En weer eens de schaatsen kunnen onderbinden?

Omdat ik gitaar speelde zat ik al gauw in twee bandjes. De “Jolly Fellows”, bestaande uit vijf man en samengesteld uit twee accordeons, trompet, drums en gitaar en de “Melodiens”, ook vijf personen, samengesteld uit sax, gitaar, bas, drums en een zangeres. We hadden ook een groepje van drie mannen waar we mee optraden. Het was erg leuk werk en we konden goed met elkaar overweg. Met de Jolly Fellows hadden we veel succes. De drummer in het bijzonder zorgde daarvoor met zijn komische manier van optreden.

Optreden De Melodiens in het Prins Bernhard Kampement, 1950.

Twee vrouwen en ik zongen ook. Op een middag hadden we met zijn drieën een afspraak bij een van hen thuis. We zouden repeteren. Ik was er al een tijdje, maar de andere vrouw kwam maar niet opdagen. ‘Waar blijft ze nou’, vroeg ik. Ik zat in een stoel en plotseling kwam de vrouw waar ik bij was op mij af. Ze boog zich voorover en zei: ‘Kus me’, terwijl ze met haar gezicht op mij toekwam. Ik voelde daar niets voor en leunde naar achteren in de stoel. Haar lippen kwamen steeds dichter bij mij en ik kon eigenlijk niet weg! En ineens was daar redding. Haar kind zat in een schommelstoel die omviel. En blèren dat het kind deed. Het moederinstinct won het van het dierlijke dat ze tegenover mij aan de dag legde en ze liet mij verder met rust. Dat ze alleen met mij zou zijn was duidelijk gepland. De andere vrouw was niet gekomen. Wat moet je als man toch veel doen om je “maagdelijkheid” te bewaren!

Op een dag werd ik aangesproken door de luitenant van de RAO. De huidige omroeper van het strijdkrachtenprogramma was ziek geworden en of ik dat maar even die avond wilde overnemen. Het kwam als een donderslag bij heldere hemel. Zo plotseling zonder voorbereiding. Ik voelde me er helemaal niet prettig bij, zo zonder enige uitleg en opleiding. Tegelijk moest ik invallen bij de Surinaamse omroep omdat de ziek geworden militaire omroeper daar ook voor werkte. Het moest gebeuren en die middag werd ik wat vertrouwd gemaakt met de situatie in de studio. Je moest het allemaal alleen doen. Aankondigen, het nieuws lezen, de apparatuur bedienen en plaatjes opzetten, de telefoon opnemen en de deur openen om mensen te woord staan als er iemand kwam om bijvoorbeeld een overlijdensbericht om te laten roepen. Je was een soort duvelstoejager, die omroeper bij de AVROS, zoals de omroep heette. Al die werkzaamheden hoefde ik niet direct te doen, maar het was wel je toekomstige taak. Nou, ik had die eerste avond behoorlijk kramp in mijn buik met het oorzakelijke gevolg! Gelukkig bediende de eerste dagen een geroutineerde collega van de AVROS de knoppen. De zieke omroeper werd afgekeurd en ging naar Nederland terug, zodat ik het werk bleef doen. En ik had het gelukkig redelijk snel onder de knie.

De studio was een oud gebouwtje, aan de binnenkant afgewerkt met zachtboard om de warmte te weren en ook wat geluid van buiten tegen te houden. Akoestisch niet voldoende. Achter dat board was ruimte en insecten maakten er dankbaar gebruik van om zich daar op te houden. Bijvoorbeeld kakkerlakken. Als je binnen liep viel er plotseling zo’n beest naar beneden, soms op je schouder of in je haar. En, hoewel ramen met screen afgedekt waren, kwamen er toch wel beesten naar binnen. Natuurlijk muskieten en zoals op een avond, dat ik zat om te roepen, er horden vliegende mieren het gebouwtje in kwamen. Ze vlogen op de hete lamp af, die boven mij hing om mijn plek te verlichten en lieten zich dan vallen. In je nek, op je haar en op de grond. Van de vloer kropen ze in je broekspijpen! Nu hadden ze de onhebbelijkheid ook nog te steken. Omdat ik toch licht moest hebben, kon ik de lamp niet uitdoen. Als oplossing zette ik mijn pet op, deed mijn kraag dicht, mijn mouwen naar beneden en stopte mijn broekspijpen in mijn sokken. Daar zat dan “Jopie de DJ”! En voor het luisterend publiek was er niets aan de hand, als uit de radio je stem klonk: ‘Goedenavond, u luistert naar radio Suriname, de AVROS, op golflengten van 19 en 52 meter.’

Zoals ik eerder zei moesten er ook overlijdensberichten worden omgeroepen. Je was in de tropen, dus begrafenissen konden niet zo lang op zich laten wachten. Men kwam dan aan de deur van de studio en als omroeper moest je, tijdens je programma, de mensen te woord staan. De tekst noteren, geld in ontvangst nemen en tegelijk je programma in de gaten houden.
Voor vijf gulden werd dit bericht een maal omgeroepen, met op de achtergrond de “Marche Funèbre”.

Iedere veertien dagen maakte ik een programma dat uitgezonden werd in Hilversum, in het Nederlandse Strijdkrachtenprogramma. “Contact met de West”, heette dat. Een klein verhaaltje over Suriname met daarna groeten door militairen aan hun familie of geliefden in Holland. Mijn meisje in Amsterdam vond dit natuurlijk geweldig. Haar ouders hadden hun kruidenierswinkel in de Warmondstraat en iedere klant luisterde mee. Later heb ik nog eens geprobeerd om de naar Nederland toegestuurde programma’s te pakken te krijgen. Jammer maar in het archief te Hilversum konden ze het niet vinden.

In Suriname had ik ook een groetenprogramma. Soms kocht ik met een plaatje, dat ik op verzoek van hem voor zijn vrouw draaide, de kok van het kampement om. Die kookte dan iets bijzonders voor mij. Fanmail kreeg ik ook. Als ik een paar dagen eens niet omgeroepen had, kwamen er brieven van “Lieve omroeper, u bent toch niet ziek?” Reden we met de jeep met daarop de letters RAO door de stad, dan begonnen soms de mensen spontaan onze tune te zingen. Dat was wel leuk.

Iedere dag kreeg de AVROS uit Nederland een telex met daarin het nieuws. Zelf hadden wij geen verslaggevers of anderen die ons informatie konden verschaffen. De berichtgeving in die telex was zo lang dat je dat niet allemaal in die twintig minuten nieuws kon voorlezen. Je moest erin schrappen. Ook moest je zinnen wijzigen of verbeteren, want er mankeerde veel aan. Bijvoorbeeld stond er bij een brand in een pakhuis, dat het een “kakhuis” was. Nou, die vergissing wilde je voor de radio natuurlijk niet maken.

De dagen volgden elkaar op, de een na de ander en je hoopte eindelijk eens op terugkeer naar Nederland. Suriname is een prachtig land, maar daar, duizenden kilometers van je af, was dat meisje waar je naar terugverlangde. De plannen voor de toekomst bleven plannen. Zo lang je niet thuis was kon je er niet aan werken. Feitelijk was het verloren tijd. Tot overmaat van ramp werd ons verblijf dat anderhalf jaar zou zijn, tot twee jaar verlengd. Als betrokkene had je niets in te brengen. Er werd niet gevraagd of het je wel uit kwam. Wat een tegenvaller.

Foto's van de auteur

zaterdag 29 oktober 2011

Dertigduizend dagen (4)

door Joop Bonnemaijers

Ze hadden mij een functie aangepraat. Die van kantinebaas. Nou stelde dat niet zo veel voor maar ik moest zorgen voor de frisdranken. Die waren opgeborgen in een koelkast die met petroleum gestookt werd!
Ik heb daar zelfs nog gevoetbald. Een “interlandwedstrijd” gespeeld tegen indianen, die uit Frans Guyana kwamen. Zij speelden op blote voeten. Wij op gympies. Reservespelers hadden we niet, want we waren maar met zijn elven en allemaal samen waren we de scheidsrechter! Wie er gewonnen heeft weet ik niet meer. Het maakt mij trouwens niet zo veel uit want ik ben niet bepaald een voetbalenthousiasteling. Dus sorry voor de liefhebbers, die het wel zijn. En in de rust moest ik nog even dienst doen als kantinebaas.


Indiaanse woning in Galibi, 1949

Tijdens de wacht in de nacht, moest je de elektriciteitscentrale in de gaten houden.
Dat is een weidse benaming voor een aggregaat dat het dorpje van stroom voorzag en dat even buiten de bebouwing lag. Vanwege de herrie ervan. De hele nacht zat daar een man bij en wij moesten er op toezien dat hij niet in slaap viel zodat de elektriciteitsvoorziening permanent zou blijven functioneren.
Er was ook een gevangenis in Albina. Dat was een apart gebeuren want gevangenbewaarders waren er niet. Het was eigenlijk een “zelfregulerend bedrijf”.
Om zes uur in de morgen werd de gevangenis van het slot ontdaan. De gedetineerden konden zich dan door het dorp bewegen voor het uitvoeren van allerlei klusjes. Wat vegen of repareren of andere zaken. Een prachtig systeem toch? Ze kostten niet veel en maakten zich nog nuttig ook. De “taakstraf”, is dus al veel eerder uitgevonden.
Als ze buiten het gebouwtje kwamen hesen ze eerst de Nederlandse vlag en gingen aan het werk. Hoe ze aan eten kwamen weet ik niet.
‘s Avonds om 6 uur streken ze de vlag en gingen weer het gevang in. De politie deed de boel op slot. Opgeborgen staat netjes, hè?
Zoals gezegd lag aan de overkant van de rivier Saint-Laurent. Daar was tegen spotprijzen drank te krijgen. We huurden dan van een bosneger een korjaal en vroegen schriftelijk toestemming aan de douane om erheen te gaan. Saint-Laurent was heel anders dan ons Albina. Het was geheel uit steen opgebouwd, terwijl in Albina de huizen van hout zijn. Voor Frankrijk was het toen de gedetineerde dwangarbeiders er waren, een koud kunstje om die mankracht te gebruiken voor de bouw van die stenen woningen.
Dan sprongen de Nederlanders toch wat milder om met hun delinquenten, door ze wat simpele klusjes in Albina te laten doen. Dat Saint-Laurent had geen sfeer en Albina wel, al was het dan armoediger. Ik denk ook dat het komt omdat dat plaatsje nu door vrijgelaten gedetineerden bewoond werd, die misschien jaren opgesloten hadden gezeten en geen “jeu de vivre” meer hadden. Saint-Laurent was namelijk sinds 1946 geen strafkolonie meer maar de vrijgelaten gestraften mochten niet terug naar Frankrijk. De film Papillon, die over een onterecht veroordeelde gaat, speelt zich daar af.

Wij wilden echter wat meer inhoud aan ons leven geven en spoedden ons dus, al pagaaiend met de korjaal, naar de overkant voor de aankoop van wat levenselixer…
Ik denk dat we bezig waren met smokkelen, want voordat we ons bij terugkomst in Suriname bij de douane afmeldden, hadden we eerst de flessen vuurwater uitgeladen op ons kampement. Ik kan het nu wel bekennen want het is toch verjaard. Met de lege boot meerden we aan bij de douane.
Die avond was het gezellig. We hadden er een kampvuur bij aangestoken en de verhalen kwamen los, doordrenkt met sentiment over het meisje dat velen van ons in Holland achterlieten. De drank smaakte ons goed en werd op een bepaald moment wat schaars.
Het was al donker en een paar dorstigen wilden met de korjaal terug naar Frans Guyana, om nieuwe voorraad te halen. Dat zou levensgevaarlijk zijn. In de nacht, die twee kilometer brede diepe rivier oversteken. Er waren er die toch de boot ingingen en aanstalten maakten om weg te varen. Een paar anderen, jongens die nog bij hun volle verstand waren, doken het water in en hielden de boot tegen. Door er wat mee te schommelen, vielen de dorstigen uit de boot en wij legde die op het droge. De boot, wel te verstaan, hoewel de drankzuchtigen ook drooggelegd werden.


Indianen In Berlijn (Suriname), 1949

Op een avond had ik een romantische bui. Ik had een gitaar die mij “van dienstwege was verstrekt” en nam die mee naar buiten.
De maan scheen. Ik peddelde wat weg in een korjaal en ging een eindje de rivier op om gitaar te spelen. Een liedje voor mijn meisje in Nederland. Ze kon het wel niet horen, maar ik zou haar erover schrijven. Over die romantische avond.
Nu waren die uitgeholde boomstammen niet zo diep, dus werden er wel eens planken tegenaan getimmerd om als boorden te dienen. Ik denk dat ergens een lek was, want tijdens die romantische bui begon opeens de korjaal water te maken. Tot het volop tussen de planken en de boot naar binnen gutste, waardoor de boot snel begon te zinken. Om mijn gitaar niet te bederven legde ik die dwars over het vaartuig en zelf ging ik het water in. Aan de kant stonden een paar maatjes te lachen, toen ik zwemmend achter de boot aan kwam varen.
Binnen, op de slaapzaal wilde ik op mijn tampatje, een soort bed, gaan zitten, maar mijn maten, die nog niet tevreden waren, hadden dat op “scherp” gezet. Ik zakte er doorheen. Dat was me nog eens lachen voor de anderen. Wat een lol hadden ze van mijn ellende! Mijn romantische bui was abrupt over.
Dat is juist het fijne met een groep kerels: Je hebt plezier mét en óm elkaar.
In Albina hebben we ook een keer een verjaardag meegemaakt. Het was een oudere vrouw. Dat feest begon midden in de nacht en de gasten slopen eerst zonder geluid te maken naar het huis toe, waar de jarige woonde. We sleepten van alles mee, bier, etenswaren en ook een versierde stoel voor de jarige. Toen we allemaal onze plaats hadden ingenomen liepen we rond het huis en werden er hardop verjaardagsliedjes gezongen, “Verjari Singi” heette dat, totdat de jarige open deed en wij het huis binnen gingen. Ik ging verkleed als kotomissie en die outfit stond me goed.

[wordt vervolgd]


Foto's van de auteur

dinsdag 25 oktober 2011

Dertigduizend dagen (3)

door Joop Bonnemaijers

Het kamp was ook een opslagplaats van oud legermaterieel. Dat was door de Amerikanen achtergelaten en werd nu gebruikt door het Nederlandse leger. Als er voertuigen of wapentuig die wij gebruikten stuk waren, werden de onderdelen die vervangen moesten worden van die Amerikaanse voorraad afgehaald.



Moskee, Paramaribo, 1949

In Paramaribo liep een rijzige creoolse vrouw rond. Deels in de authentieke kleding van een kotomissie, maar dan niet met kussens opgevuld. Nee, dat zou niet passen bij het werk dat zij deed. Wel had zij zichzelf behangen met veel goud. Ze was dus nogal opzichtig in haar verschijning en dit had een doel: Mannen lokken! Zij was dé prostituee van Suriname en bekend over alle wereldzeeën, zoals ze zelf zei! Maxi Linder was haar naam. Ook nu nog is zij bekend, hoewel ze al dertig jaar geleden overleden is. Ze is legendarisch.
Maar terug naar de tijd dat ik in Suriname was. Als we dan met een paar collega’s in Paramaribo liepen, hoorde je ineens een zware stem achter je: ‘Hé Jan, heb je een cola voor me?’ Dat was Maxi dus, die probeerde aan te pappen. Of je op haar avances in zou gaan zou je eigenlijk moeten laten afhangen van de straat waar je liep. De Knuffelsgracht in Paramaribo lijkt mij daar meer geschikt voor dan de Maagdenstraat terplaatse. Wij liepen toen in de Maagdenstraat dus konden de verleiding weerstaan.

In die tussentijd werd ik ook zes weken in Albina gedetacheerd. We waren daar met tien man en een sergeant om de politie en de douane te ondersteunen.
De reis daarheen ging met een dieselboot van het leger. Het was een prachtig belevenis die reis over de rivier, door die majestueuze jungle. Het puffende geluid van de dieselmotor klonk hol en echode tussen het geboomte, alsof je je in een kathedraal bevond. Prachtig gekleurde vogels vlogen verschrikt en krijsend op en soms liet een kaaiman zich vanaf de kant in het water glijden.
Af en toe zag je aan de oever bij een opening in het bos een stok horizontaal tussen bomen hangen met wat verdroogde bladeren eraan. Daar achter bevond zich een dorpje. De bosbewoners meenden dat de riviergeesten dan niet onder die afscheiding door konden gaan en zo wegbleven. Met de boot konden we niet doorvaren naar Albina. Dan hadden we over zee moeten gaan. Nu gingen we naar Moego, waar bauxiet opgegraven werd en gingen we met militaire trucks over de roodgekleurde bauxietweg naar ons eindpunt.


Albina, 1949


Albina, het dorpje, waar later Ronny Brunswijk nog heeft huisgehouden bestaat uit wat huisjes, een kerkje, een gevangenis en een toko. Het ligt aan de Marowijnerivier, tegenover Saint-Laurant in Frans Guyana. Dat Franse Saint-Laurant, was vroeger een strafkolonie en ergens voor de monding van de Marowijnerivier ligt het bekende Duivelseiland.
Ons kampement was nieuw en lag vlak aan de rivier. We leidden daar een vorstelijk leven.
Als hulp hadden we een Surinaamse man die voor het eten zorgde en de boel wat schoon hield. Om de zoveel dagen deden we een nachtdienst en voor de rest waren we grotendeels vrij. Het was dan vissen en zwemmen en ook met een korjaal, een uitgeholde boomstam, de rivier op. Van piranha’s die in de rivier waren hebben we geen last gehad. Misschien zou dat meer stroomopwaarts wel het geval zijn geweest.
De vis, dat waren vaak hele grote, werd door onze Surinaamse hulp bereid en eenmaal hadden we zelfs schildpaddensoep op het menu. Nee, we hadden geen Michelinster en het smaakte best zoals onze Surinaamse man het had klaargemaakt. Hij had er duidelijk verstand van. Maar dat zit denkelijk in de Surinaamse genen, want een Surinaamse vriend van mij kan ook zo lekker koken.
Die schildpad was in de Marowijne gevangen. Toen het vlees eruit was, opgegeten dus, heb ik het schild in een mierenhoop gegooid, om de binnenkant schoon te krijgen. Dat lukte niet helemaal, want ze vraten wel het vlees op dat nog was achtergebleven, maar lieten het vet zitten. Zeker bang voor hun cholesterolspiegel!

[wordt vervolgd]


Foto's van de auteur

maandag 24 oktober 2011

Dertigduizend dagen (2)

door Joop Bonnemaijers

De tijd brak aan dat we het bosbivak zouden verlaten en naar Paramaribo gingen. Onze tropenopleiding zat erop, dus we waren nu tropenbestendig. Nou had ik dat wel een beetje gezien. Dat rennen over zanderige savannes, het kruipen door modderige zwampen en je met een houwer een weg banen door dichte begroeiing van lianen, waarbij zich soms hele legers mieren op je storten. Ik besloot me dus niet al te zeer in te spannen en het lot in eigen hand te nemen.
Militairen aan boord van het ss Cottica, 1949

’s Morgens vroeg gingen we op pad. We zouden met veldoefeningen optrekken naar Lelydorp, richting Paramaribo en vandaar met vrachtauto’s naar het Prins Bernhard kampement in Paramaribo worden gebracht. Ik denk dat de afstand waarover we die oefening deden ongeveer vijfentwintig kilometer was. Af en toe werd er ook een stuk gemarcheerd, als we over de weg naar Lelydorp liepen. Ik ben toen uitgevallen en door de bezemwagen opgepikt. Volgens mij had ik me al genoeg uitgesloofd voor die eenguldenvijftig die ik per dag verdiende. Ik was dus al veel eerder in Lelydorp dan de anderen en kocht er gauw een kam bananen. Ze hebben daar van die kleine banaantjes, die een aparte en zoetige smaak hebben. Lui liggend in het gras wachtte ik op de meute. De luitenant-kolonel, die de baas van het hele spul in Suriname was, kwam persoonlijk naar mijn welstand informeren. Dat waren nog eens bazen, die zo geïnteresseerd waren in het lot van hun ondergeschikten!

Na de ontscheping, toen we net in Paramaribo waren, was ons gevraagd of er soldaten waren die mee wilden doen aan een radioprogramma dat later in Nederland zou worden uitgezonden. Ze zouden geïnterviewd worden over de reis en de eerste indrukken van Suriname. Twee militairen werden daarvoor uitgekozen. Daar was ik ook bij.
We moesten eerst de tekst “droog” lezen en die zou daarna worden opgenomen. Tijdens dat lezen, stond de chef van die afdeling, een luitenant van de RAO (Recreatie & Algemene Ontwikkeling) mee te luisteren. Ik kreeg steeds opmerkingen naar mijn hoofd geslingerd, dat mijn stem en toonhoogte niet goed waren. De andere militair werd prijzend toegesproken dat hij een goed stemgeluid had en gevraagd of hij binnen enige tijd de huidige omroeper, die nu het interview deed, wilde vervangen. Want die zou afzwaaien. Die soldaat had er natuurlijk wel oren naar. Een leuke job in het vooruitzicht.

Links: de studio in Paramaribo


Daarna werd de tekst opgenomen; dat was toen nog op de plaat snijden. Ik zie nog de luitenant, wanneer ik moest spreken, grimassen trekken omdat ik het volgens hem nog steeds niet goed deed. Hij kon nu natuurlijk niet praten, omdat dit dan ook opgenomen zou komen.
Na de opname werd de plaat afgespeeld. De luitenant draaide om als een blad aan de boom. Het geval wilde dat de opgenomen stem van die andere collega helemaal niet goed klonk en die van mij juist wel!
Nu werd mij gevraagd of ik tezijnertijd radio-omroeper van het strijdkrachtenprogramma wilde worden. Daar voelde ik natuurlijk wel voor. Eer het zover was, gingen er nog wel wat maanden voorbij.
In Suriname was de enige mogelijkheid om contact met thuis te hebben door te schrijven. Mijn meisje en ik schreven elkaar veel. Wat wil je! Telefoneren ging niet en een weekje verlof naar huis was er niet bij. Ons soldij was anderhalve gulden per dag en daar kan je niet veel mee doen. Trouwens, het was geen gewoonte toen. Je bleef gewoon een paar jaar weg en daar moest je het maar mee doen. Geen gezeur. Tussentijds verlof kreeg je niet. Alleen bij een sterfgeval kreeg je permissie en een vrije reis naar huis.

In Paramaribo was alles te krijgen. Veel dingen die in Nederland nog op de bon waren kon je daar gewoon kopen. Voor ons dus prettig. Een pakje sigaretten, merk Four Aces met een inhoud van 12 stuks kostte 17 cent. En de Amerikaanse sigaretten kostte 60 cent per twintig stuks. Uit Nederland kregen we ook wel eens een pakketje, van familie maar ook van de NIWIN.
Op de markt, aan de Waterkant kon je beter niet kopen. Als je zoals wij met het schip aan komt varen en op die krioelende massa kleurige mensen kijkt, is dat wel leuk. Maar dichterbij gekomen zag je toch wel veel ellende. De spulletjes, meestal etenswaar, die te koop werden aangeboden lagen vaak op een gore lap op de grond. Kopers schuifelden daar langs, ook blootsvoets en deden het stof opwaaien. Daar liepen ook mensen bij met zogenaamde olifantsbenen. Dat was een ziekte die door de steek van een mug werd veroorzaakt. Philaria werd hij ook wel genoemd. De voeten en onderbenen dijden zo erg uit, dat er spontaan scheuren in ontstonden omdat de huid openbarstte. En dat ging natuurlijk zweren. Schoenen werden niet verdragen. Nog wel open sandalen. En een goor verband was de enige bedekking van de wonden.
Waar ik hier over spreek zag ik in 1949. Hoe de situatie nu is, weet ik niet. Het lijkt mij dat er nu wel iets verbeterd zal zijn, zo lang erna.
In Suriname heerste ook melaatsheid. Je had daar leprozerieën, een met de naam Bethesda. Ik ben daar wel eens in geweest. Op trapjes, voor de kleine huisjes, waar de patiënten woonden zaten ze. Met afzichtelijke verminkingen. Vreselijk voor die stakkerds, die daar geïsoleerd werden gehuisvest.
Paramaribo was een stad met veel houten huizen. Een van de mooie straten was de Herenstraat. De naam doet dit eigenlijk al vermoeden. Ons kamp heette het Prins Bernhardkampement en lag aan de Gemenelandsweg, even buiten de stad. Met een militaire bus konden we naar de stad.

[wordt vervolgd]

Foto's van de auteur

Dertigduizend dagen (1)

door Joop Bonnemaijers

Aan de monding van de Surinamerivier zag je mangrovebos. De wortels van die bomen kwamen hoog boven het water uit. Het water van de rivier was niet helder, maar zandkleurig en dat was in zee waarin de rivier uitmondde, duidelijk te zien. Het verschil tussen het smoezelige rivierwater en het blauwe van de zee. Verderop, in het midden van de Surinamerivier, lag een gekapseisd zeeschip. Een Duitse vrachtboot en hij stak half boven water uit. Het schip was tijdens de oorlog door de kapitein zelf tot zinken gebracht, omdat hij en zijn bemanning werden geïnterneerd.
We stoomden de rivier op en ons schip meerde aan op een plek aan de Waterkant. Daar werd ook markt gehouden met alle bedrijvigheid, die erbij hoorde. Roepende verkopers, lachende en vrolijke mensen, kotomissies, bosnegers, Javanen, creolen, Hindoestanen. Ofschoon er ook veel Chinezen in Paramaribo wonen, zag je ze daar niet. Die hadden vaak een eigen toko in de stad. In Paramaribo waren ook Libanezen maar die kwamen ook niet aan de Waterkant. Zij hadden in de stad textielwinkels. De oorspronkelijke bewoners, de Surinen, zijn Indianen. Het land is naar hen genoemd. Je vindt ze niet veel in Paramaribo. Zij verblijven in het bos waar ook de bosneger woont. Die laatste wordt Djoeka genoemd en dat wordt niet altijd even sympathiek bedoeld door de stedelingen. Maar over het algemeen kan deze smeltkroes van rassen goed met elkaar opschieten.

Foto links: Joop Bonnemaijers als omroeper in Suriname



Wat nu in de wereld hoe langer hoe meer tot problemen leidt lijkt in Paramaribo ondenkbaar. Daar staan de moskee en de synagoge broederlijk naast elkaar. En om de hoek staat de kathedraal. Eigenlijk is er totaal geen reden voor die godsdiensten elkaar te haten. Ze hebben allemaal hun eigen dag. Dat is de vrijdag voor de moslims, de sabbat (zaterdag) voor de joden en de zondag voor de christenen. Ze lopen elkaar dus niet in de weg en dat heeft men in Paramaribo goed begrepen, zodat de drie gebedshuizen vredig bij elkaar zijn gevestigd.

Voor ons was het een hele ervaring, die eerste dagen in Suriname. Om te acclimatiseren werden we in het bosbivak Zanderij gelegerd. Dat ligt ongeveer vijftig kilometer verderop in het binnenland. Vlakbij is het vliegveld Zanderij. We gingen daar met de tropen kennis maken, op een manier zoals soldaten die ervaren. Al gauw moesten we wachtlopen. Je stond dan moederziel alleen en ook midden in de nacht in die voor jou vreemde en onbekende omgeving.
Uit ondervinding had de kampcommandant geleerd de nieuwelingen tijdens dat wachtlopen wel een geweer te geven, maar dan zonder munitie. Het was al eens voorgekomen dat een soldaat zijn geweer leegschoot op voorvallen in het donkere bos. Je kon daar niet veel schade aanrichten, maar stel je voor dat de wachtcommandant even komt kijken en een soldaat hem voor een vijand aanziet. Als die er al was.

In de nacht was het in het oerwoud een herrie van jewelste. In de jungle liet een miljoenenleger van krekels en cicaden zich horen en soms viel er spontaan een boom om, als die al wegrottende aan het einde van zijn bestaan was gekomen.
De apen schrokken op van dat gekraak en de zware bons die dat veroorzaakten en schreeuwden uit alle macht. Daar sta je dan, gekomen uit dat rustige kikkerlandje alleen op een plek in een tropisch woud! Met allerlei onbekende geluiden en dingen om je heen.
Er waren padden, die het pokkend geluid maakten, als dat van een oude motorfiets.
Je zag zwevende lichtjes van vuurvliegen en een verscheidenheid aan insecten vloog door de lucht en om je gezicht. Muskieten waren er in overvloed. Als je in het “plantonhuisje” zat, een open wachthuisje met een dak op palen en een gloeilamp aan het plafond, dan vlogen de kotkotties en vliegende torren tegen je hoofd. En ook reptielen zoals de anaconda, ratelslang of boa constrictor huisden in de jungle. Net als jaguars, poema en andere roofdieren. Het was echt wel even wennen daar in de rimboe van Suriname voor een stadse asfalt-tarzan uit Amsterdam. In de wc’s, die opgetrokken waren van hout en een soort riet, met een gat in de grond, trof je af en toe een tien centimeter grote vogelspin aan. En kijk ook uit als je je schoenen aantrekt. Die je onder je tampatje hebt gezet. Allerlei hagedissen lopen er rond en het lijkt wel of ze een voorkeur hebben voor je schoenen. Daar zitten ze vaak in. En ook torren en zo. Zeker een behaaglijk plekje voor ze.
Het weer in de tropen was ook iets waar je aan moest wennen. Feitelijk altijd warm, met uitzondering van de nachten. Als je op je tampatje lag onder je klamboe zonder een deken over je heen te gooien, dan kreeg je het ’s nachts koud.
Waar men in andere tropische streken over moessons spreekt, heeft men het in Suriname over de kleine regentijd en de grote regentijd. De kleine duurt van half december tot de tweede helft van januari en de grote van de tweede helft van maart tot de eerste helft van augustus.
Op de buien kan je haast de klok gelijk zetten. In Paramaribo hoor je op de golfplaten daken de regen aankomen. Het geruis komt dichter en dichter bij, totdat het bij je is en je je niet meer hoeft af te vragen, wat dat voor geluid was. Je wordt zowat verzwolgen door die stortbui. En wat dan zo apart is, dat die bui in die regentijd iedere middag een minuut of tien later komt. En ineens houdt het weer op en is het droog. De zon schijnt weer en het lijkt dan wel een sauna, met die warme vochtige damp.

[wordt vervolgd]

Uit: Joop Bonnemaijers, Dertigduizend dagen, isbn 9789491080654

Foto's van de auteur