door Ezra de Haan
(Over: Stephan Sanders - Iets meer dan een seizoen)
 |
| Stephan Sanders en Anil Ramdas. Foto ANP Archief |
Anil is dood
Al enige tijd speelt de dood, en daardoor de rouw, een
belangrijker rol in onze samenleving dan voorheen. Waarschijnlijk begon het met
de (inter)nationale rouw na het sterven van Lady Di. In Nederland denk ik
meteen aan de groteske taferelen rond het eerbetoon aan Pim Fortuyn of André
Hazes. Dit jaar is er een nieuwe fenomeen bijgekomen, dat van de beste vriend
die een eerbetoon schrijft. En ik
begreep meteen dat het moed vereiste. Want hoe blijf je zelf buiten schot? En
hoe eerlijk kun en wil je zijn in je schrijven?
Dirk van Weelden was de eerste die de droevige taak op zich
nam over een overleden vriend te schrijven en deed dat zoals we dat van hem
gewend zijn. Het laatste jaar werd
een boek over een vriendschap met randjes. Helaas koos de auteur voor een vorm
die zo prominent was dat het verhaal eronder leed. En daarmee kwam, weer, het
verschil tussen Martin Bril en Dirk van Weelden tevoorschijn. Het korte,
heldere van de columns van Bril tegenover de zeer doorwrochte, elitaire romans
van de ander. Het succes van de een en de zucht erna van de ander. Toch kun je
Van Weelden van alles verwijten, maar niet dat hij bijzonder eerlijk was
geweest.
 |
| Anil Ramdas: jong en veelbelovend |
Stephan Sanders koos voor een heel bijzondere vorm in zijn
boekje over Anil Ramdas. Het woord boekje klinkt negatief maar is niet zo
bedoeld. Het zijn weliswaar slechts 126 pagina’s en boekje zou dus op zijn
plaats zijn, maar ik moest ook aan de woorden: een boekje opendoen, denken. De
titel van het boek doet aan die van Van Weelden denken. Iets meer dan een seizoen. Waar de een het over het laatste jaar
heeft in de titel, het jaar waarin de vriendschap weer even werd als voorheen,
durft Sanders aan te geven dat zijn vriendschap ‘iets meer dan een seizoen’
duurde. Tegelijkertijd refereert de titel aan Sanders’ kortstondige verblijf in
Almere. Seizoenswerk noemt Sanders cynisch de periode van februari tot en met
juni 2010 die hij als schrijver op verzoek van de Almeerse gemeenteraad in de
polderstad doorbracht.
Toch is de periode in Almere cruciaal voor het boek over
Ramdas geweest. Sanders wilde over zijn door eigen hand gestorven vriend
schrijven, maar hoe? Overmand als hij was door woede en verdriet diende zich
niet direct een vorm aan. Frits Huis, een Almeers politicus, gaf hem een goede
raad toen ze over het schrijven over Almere spraken. ‘Je moet helemaal niet over Almere schrijven. Hoe lang heeft Gerard
Reve in Greonterp gewoond? Geen woord over dat gehucht, alleen zeer indirect.
Je moet niet schrijven over de mensen waar je tussen leeft.’ Het zijn de
woorden van Huis die doorklinken als Sanders over zijn beste vriend schrijft.
De truc lukt, Ramdas wordt Almere en de tekst staat als een huis.
In het begin van Iets
meer dan een seizoen merk je dat die omtrekkende beweging nog niet wordt
gebruikt. Blijkbaar is die er later, al schrijvende, ingekomen. Het begint dus
met voorspelbare nostalgie naar de mooie, ambitieuze jongens die ze ooit waren.
Stephan Sanders, toen nog redacteur bij de Groene Amsterdammer, Anil Ramdas, de
schrijver van De strijd van de dansers
die Sanders met brieven en telefonades bestookte omdat hij door hem besproken
wilde worden. Kleur speelt in hun denken een rol. Sanders schrijft over het
portret achter op Ramdas’ boek: ‘Een
jonge, Surinaamse man. Geen neger - veel beter was ik toen niet ingevoerd in de
Surinaamse verhoudingen.’ Over hun eerste ontmoeting schrijft hij: ‘Hij riep bijvoorbeeld meteen: “Maar jij
bent ook bruin”, en dat was niet minder dan een hartenkreet, een constatering
die alles verklaarde, maar die mij enkel deed blozen.’ Sanders wordt
Ramdas’ Caribische broeder en Anil geeft hem meteen de houding die daarbij
hoort. ‘Een bruine houding moest het
zijn.’ Het is het begin van een intensieve samenwerking, veel gezamenlijke
buitenlandse reizen en een eeuwige
zielsverwantschap. Althans dat was de bedoeling en daar leek het in het begin
ook op. Maar al snel blijken ze totaal anders in het leven te staan. De negatieve
kijk en houding van Ramdas staat haaks op die van Sanders die naar een
verklaring voor dit gedrag begint te zoeken. ‘De wraak van een linkse Hindoestaanse jongeman op het Suriname uit
zijn jeugd, de vernederende verhalen van zijn grootouders, de contractarbeiders?’
Het zelf de koloniaal uit willen hangen? Sanders probeerde vaak de situatie te
redden, na onmogelijk gedrag van Ramdas. Iets wat niet in dank ontvangen werd. ‘Dat was behoorlijk bourgeois van mij, en
typisch Eerste Wereld Gedrag.’ Sanders schetst voorbeeldig hoe deze houding
bij Ramdas tot stand moet zijn gekomen. Gruwelijk is de scène waarin Ramdas
iets te drinken wil bestellen en door zijn kleur wordt genegeerd. Omdat hij
zwart is en dat, nota bene, op Curaçao. De situatie maakt de cowboy in Sanders
los. Hij geeft een klap op de bar en beveelt: ‘Woman, give that man a beer!’
Jarenlang blijft het een anekdote die Ramdas keer op keer blijft vertellen. Het
wordt de metafoor voor hun broederschap. ‘Nieltje’ mag altijd drinken van
Sanders.
 |
| Almere |
En dan krijgt het boek een draai. We belanden met Sanders in
Almere, de gedroomde stad voor sommigen, de vermaledijde stad voor anderen.
Zeker nadat de PVV daar een grote verkiezingsoverwinning heeft gehaald. Sanders
schrijft eerst met de nodige reserves over de stad, begint er dan aan te wennen
en krijgt dan langzaam meer oog voor dat, waar hij eerst aan voorbij ging.
Tegelijkertijd lardeert hij zijn verhaal met flarden van momenten met Ramdas.
Zijn politiek denken en zijn angst voor het ‘Bruine gevaar’. Zijn problemen met
alcohol. Ook sluipt de verwatering van de vriendschap het boek binnen. Sanders
gebruikt de woorden jaloezie, verraad, concurrentie, broedertwist en verwijst,
heel terecht, naar de Griekse tragedie. ‘Vroeger
konden we eroverheen drinken. Vroeger dronken we zoiets weg.’
Stephan was, en is, een te scherpe observator om aan de
waarheid voorbij te gaan. Zijn woorden over Anil Ramdas mogen misschien niet
vriendelijk zijn, ze zijn wel pijnlijk waar.
‘Anil was een
achterblijver, de beheerder van een failliete boedel, die ziet dat zijn
levenswerk toen hij even niet oplette een andere richting heeft genomen dan hem
oorspronkelijk voor ogen stond. De man die zichzelf en zijn idealen ‘overleefd’
heeft en dus ‘overbodig’ dreigt te worden.’
‘Anil Ramdas werd niet
meer serieus genomen, althans, niet zo serieus als behoorlijk zou zijn. Hij was
zijn veelbelovendheid kwijtgeraakt – dat gebeurt met elk talent dat geen
eendagsvlieg blijkt te zijn. Maar erger nog: hij was ‘verwaarloosbaar’
geworden.’
Het is een situatie die niemand ambieert en zeker iemand als
Ramdas niet. Die had zijn portie al gehad. Het verhaal dat Sanders over Ramdas’
jeugd ophaalt, liegt er niet om. Die tienerjaren waren niet makkelijk in
Paramaribo. Samen met zijn moeder probeerde hij, voor de buitenwereld, een
bepaalde klasse voor te stellen. Maar de middelen daartoe ontbraken. Het huis was ruim, maar leeg. Niemand kon op
bezoek komen. Er werd bezuinigd op het eten en de jonge Anil kende ‘vlagen van
honger’. Hij stal soms wat blikjes bij zijn vader. Belangrijk was: ‘Geen woord tegen niemand, we laten ons
niet te schande maken.’ Zo
ontstond Anil Ramdas ‘een jongeman, met
een bijzonder talent bovendien: voor verhalen, voor fabuleren, voor keeping
face en grootspraak.’
Ondertussen schrijft Sanders door over Almere, de stad die
zoveel verwachtingen waar moest maken en uiteindelijk een tochthol werd voor
vluchtende Amsterdammers. Dat Almere wordt een metafoor voor Anil Ramdas.
Veelbelovend en toch… Sanders gebruikt de metafoor met verve.
‘Kan een stad
mislukken? Ik geloof het niet, een plan kan mislukken maar een stad niet.
Net zomin als een
leven - dat kan anders lopen dan verwacht, gehoopt, voorzien, gewild en nog zo
wat. Het kan stranden in middelmaat, verworden tot sleur, uitlopen op een
deceptie. Maar mislukken kan een leven niet.’
Moedig zijn Stephan Sanders woorden als hij naar zijn eigen
rol in de teloorgang van Anil Ramdas kijkt. Hij weet waar en wanneer hij een
nieuwe samenwerking uit de weg ging, geeft zichzelf mede de schuld als hij het
over de drankproblemen van zijn vriend heeft. Was hij niet degene die Ramdas op
een andere manier van leven wees, waarin alcohol hem wat losser kon maken? En
ook dat de vriendschap op zo’n laag pitje stond dat hij Ramdas' zuster vaker dan
hemzelf zag. Zelfs zijn verjaardag, de dag van zijn zelfverkozen dood, had hem
niet de impuls van een telefoontje of bezoek gegeven…
Iets meer dan een
seizoen is een voorbeeldig boek. Ondanks dat op vrijwel iedere pagina het
woord ‘maar’ voorkomt. Het gaat over afscheid nemen en vriendschap. Het is een
pijnlijk boek, door zijn eerlijkheid en door zijn formaat. Want waar in hun
jonge jaren Ramdas meerdere pagina’s nodig had voor zijn commentaar op Sanders
stukjes, blijkt nu Iets meer dan een
seizoen zoveel meer te bieden dan Ramdas laatste schrijven. Eigenlijk zet
dit veel dunnere boekje Ramdas’ Badal
in de schaduw. Soms is minder meer.
[Bron: Literatuurplein]