Posts tonen met het label Sanders Stephan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sanders Stephan. Alle posts tonen

vrijdag 31 januari 2014

Antoine de Kom in de bloemen

Antoine de Kom in gesprek met Michiel van Kempen. De dichter droeg ook voor
 uit zijn winnende bundel, Ritmisch zonder string. Foto © Marjon Aker.
Noraly Beyer bood Antoine de Kom bloemen aan.
Foto © Maaike Ambags
Dichter Antoine de Kom, werd gisteren, vrijdag 30 januari, in de bloemetjes gezet, nadat hij de dag ervoor de VSB Poëzieprijs had gewonnen. Hij werd door Michiel van Kempen geïnterviewd in de Amsterdamse Academische Club, voorafgaand aan het gesprek dat deze had in ket kader van het door Vera de Kort georganiseerde Boekencafé met schrijvers Karin Amatmoekrim en Stephan Sanders over de zeven hoofdzonden. Antoine de Kom ontving namens de Werkgroep Caraïbische Letteren bloemen uit handen van bestuurslid Noraly Beyer en kreeg ook een boeket van Maaike Ambags, directeur van de Amsterdamse Academische Club.

donderdag 16 januari 2014

Boekencafé in Amsterdamse Academische Club

Boekencafé 27 t/m 31 januari
Karin Amatmoekrim. Foto © dsm

In de laatste week van januari is iedereen welkom in het Boekencafé: vijf avonden achtereen gesprekken met topschrijvers in de Amsterdamse Academische Club. De week heeft het thema ‘de zeven hoofdzonden’. Het Boekencafé opent op maandag 27 januari met Jan Siebelink. Toegang gratis.

Het Boekencafé is nieuw in Amsterdam: een week lang, van maandag 27 t/m vrijdag 31 januari, gesprekken met schrijvers:

-              maandag 27 januari Boekencafé 1: Een verrassend herengesprek tussen Jan Siebelink en John Jansen van Galen.

Stephan Sanders. Foto © Dennis Duijnhouwer
-              dinsdag 28 januari Boekencafé 2: Poëzie en beeldende kunst verenigd in boek: Anton de Goede in gesprek met Menno Wigman en Diana Scherer.

-              woensdag 29 januari Boekencafé 3: Het succes van culinaire boeken: Yvette van Boven in gesprek met Harold Hamersma en Janneke Vreugdenhil.

-              donderdag 30 januari Boekencafé 4: Caraïbische letteren: Michiel van Kempen in gesprek met Karin Amatmoekrim en Stephan Sanders.

-              vrijdag 31 januari Boekencafé 5: Ode aan Bernlef, schrijver en jazzliefhebber. Met live muziek en Bernlefs teksten over jazzmuziek.
 
Michiel van Kempen. Foto @©Reza Djoric
Maandag t/m vrijdag: 27, 28, 29, 30, 31 januari 2014
Tijd: elke dag vanaf 17.00 uur:
• 17.00 uur inloop
• 17.30 uur start gesprek
• 18.30 start gesprek met de zaal
• 18.45 uur borrel en 19.15 uur Clubschotel (optioneel)
Adres: Amsterdamse Academische Club, Oudezijds Achterburgwal 235, Amsterdam
Toegang gratis: iedereen welkom.
Wel graag aanmelden: klik hier 
of hier


Vera de Kort

Het Boekencafé is een initiatief van Boekface en is geprogrammeerd door Vera de Kort.

'De week, gezien door uw huisvriend'

Stephan Sanders. Foto @ Dennis Duijnhouwer


Wat is een goede column en wie is de beste in zijn vak? Stephan Sanders heeft twee favorieten.

door Coen Verbraak

Stephan Sanders schrijft sinds 2001 een column voor Vrij Nederland. Een goede wekelijkse column moet, zegt Sanders, ‘als een schepnet door de week’ gaan.
‘Dat schepnet moet ingrediënten bevatten van the week that was. En dan ook nog eens met een persoonlijke touch: “de week, gezien door uw huisvriend”. Dat schepnet vol krijgen is nooit een probleem. Het gaat er eerder om dat je het leeg krijgt. Want er gebeurt zo waanzinnig veel. Mijn mening vormt zich vaak tijdens het schrijven. Ik heb natuurlijk wel een vaag idee; het is niet zo dat ik bij de PVV begin en uitkom bij de SP.

Het leukste is dat je de lezer meeneemt in een draai die je zelf tijdens het schrijven hebt gemaakt. De mening zelf is ook niet de hoofdzaak. Een mening is maar zelden uniek. Het gaat erom hoe je ’m verwoordt. Daarin onderscheid je je van andere columnisten. Er zijn ongelofelijk veel columns. Maar het woord wildgroei is misplaatst. Want wat is dan “wild” en wat “groei”? Zijn er dan soms ook te veel boeken? Mijn grote voorbeeld is nog altijd Renate Rubinstein. Dat brede klavierbereik van haar – van China en kernwapens tot verliefdheid en ziek zijn – was uniek. Echt prachtige miniatuurtjes. Rubinstein heeft de breedte van de column als genre verder uitgebouwd.

Er zijn meerdere collega’s die ik graag lees. Margriet Oostveen schreef prachtige stukjes vanuit Washington, met zo’n mooie parlandotoon. Beatrijs Ritsema trekt me aan door haar prettig-laconieke ondertoon. Ze heeft altijd een onverwachte zwaai in petto. Bas Heijne neem ik ook zeer serieus. Maar er zijn twee columnisten die favoriet zijn: de ene is Arnon Grunberg. Dat hamerende ratsj-boem-klats zonder enige nuance volg ik met verbijstering en bewondering. Zo totaal anders dan ik. Ik benadruk mijn twijfel juist. Mijn andere favoriet is Remco Campert, omdat er niemand is die zo lichtvoetig het alledaags gebrek kan beschrijven. En dat op een toon die zichzelf nooit overschreeuwt. Grunberg en Campert zijn voor mij De Besten in hun Vak.’ 

[uit Vrij Nederland, 23-12-2012] 

zondag 29 december 2013

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (6 en slot)

door Coen Verbraak


Familie Flodder


White trash

De hoofdfiguur in Badal is van plan een essay te schrijven over de politieke verwording van Nederland, en de verwildersing van normen en waarden. Dat ging evenzeer op voor Ramdas. Op de Belgische website De Buren schreef hij in september 2010 een fel epistel tegen wat hij white trash noemde. ‘Kijk nu eens naar het Nederland van vandaag. Lees de reacties van lezers bij artikelen in De Telegraaf. Zie het aanbod op de Nederlandse televisie, die wordt gedomineerd door de commerciëlen. En zie de aanhang van de PVV, die almaar groeit, en nu al staat op meer dan twee miljoen. Die Hollanders die in eigen huizen wonen en een eigen auto hebben en met vakantie kunnen, zijn voor een groot deel white trash. Het zijn tokkies, het zijn families Flodder, met achterlijke ideeën en onbeschofte omgangsvormen. Wat kun je anders zeggen van de meesteTelegraaf-lezers, SBS-6- en RTL-kijkers en PVV-stemmers, dan dat ze boers, onbehouwen, ruw, plat, vulgair, ordinair en ongemanierd zijn?'
Joost Zwagerman. Foto @ ANP

Vijf dagen later werd er op diezelfde site op het stuk gereageerd door Joost Zwagerman. ‘Anil Ramdas, die in de jaren negentig de gewoonte had achter iedere boom een fascist te ontwaren, bereikt in dit stuk nieuwe dieptepunten – zelfs voor zijn doen. Ramdas zet alle stemmers op Geert Wilders weg als “achterlijk” en inferieur. Natuurlijk. Dat zich links noemende intellectuelen de gemiddelde Jan Modaal als “achterlijk” wegzetten, gebeurt niet voor het eerst. Hoezo, opkomen voor de onderklasse? Maar zelden gebeurde het zo haatdragend als bij Ramdas. Wie maar lang genoeg door types als Ramdas voor achterlijk wordt uitgescholden, wendt zich uiteindelijk tot Wilders. Anil Ramdas is geen haar beter dan de man wiens ideeën hij wenst te bestrijden. Sterker: hij is erger. Verblind door withete haat jegens white trash meent hij dat anderen hem hierom vooruitstrevend zullen vinden. Die taxatiefout zal zelfs Wilders niet maken.’

Ramdas en Zwagerman hadden in 1997 al eens hard gebotst, nadat Ramdas in NRC Handelsblad kritiek uitte op de manier waarop Zwagerman in De Buitenvrouw een zwarte lerares neerzette: ‘Iemand met de mentaliteit, de denkwijze en het taalgebruik van een zwarte bediende of een zwarte hoer.’ ‘Een pijnlijk misverstand,’ aldus Joost Zwagerman. ‘De inzet van het boek was juist om de zelffelicitatie van mensen die beweren vrij te zijn van xenofobie aan de kaak te stellen. Ramdas stelde mij klakkeloos gelijk aan de hoofdpersoon. Alsof ík een racist zou zijn. Dat vond ik uitermate vervelend. Die white trash-column was in feite een herhaling van 1997. Ik vond het een zeer destructieve bijdrage aan een zinvolle discussie: hoe gaan we om met de PVV.’

Ramdas reageerde direct daarna: ‘Eerlijk gezegd had ik op Joost Zwagerman, een mastodont in kringen van White Trash, niet gerekend. Hij kwam als een geschenk uit de hemel.’ Zwager man schreef het voorjaar daarop, na het verschijnen van Badal, een vlammend opiniestuk in de Volkskrant. ‘Badal is het hele boek lang nijver bezig aan “een belangrijk essay over white trash”. Alleen al dit voornemen tot het schrijven van “een belangrijk essay” maakt Badal tot een potsierlijke hoofdfiguur en Ramdas tot een schertsfiguur. Hij is hoe dan ook geen echte schrijver. Hij imitéért er hoogstens een.’

Zwagerman is achteraf bepaald niet trots op de polemiek. ‘Door wat er nadien is gebeurd, komt alles in een heel ander, tragisch licht te staan. Natuurlijk zit het me dwars. Als ik had geweten hoe zijn geestestoestand toen was, dan had ik het laten rusten. Hij was niet meer de man met dezelfde wapenuitrusting als voorheen. De ironie wil dat ik de polemiek voerde op het moment dat het ook met mij niet goed ging. Daar zit toch een verontrustende parallel in.’

Theo van Gogh

Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad: ‘Ik heb het altijd jammer gevonden dat deze twee generatiegenoten zo enorm met elkaar gebotst hebben. Als ik zijn columns las, dacht ik soms ook: kom, Anil, een beetje minder mag ook. We zitten toch nog niet helemáál in het land van de stampende laarzen. Hij leed aan de tijd, aan de keiharde polarisatie. Beschreef hij dat hij op de avond van de moord op Theo van Gogh op de Dam een klap van een omstander had gekregen, dan verscheen er meteen een stuk van Max Pam dat dat wel gelogen zou zijn. “Lompheid als morele deugd”, zoals Buruma dat noemde, was aan Anil niet besteed.’ 

En toch kan het belang dat Ramdas had voor jonge allochtonen nauwelijks overschat worden, vindt De Jong. ‘Voor veel Surinamers was Anil hét voorbeeld van een geslaagde landgenoot. Een man die iemand gewórden was.’Sheila Sitalsing: ‘Suriname is net een dorp; als een Surinamer elders in de wereld beroemd wordt, dan is dat een gebeurtenis. Maar er was ook inhoudelijke waardering voor zijn schrijverschap, voor het feit dat hij dingen zo goed kon verwoorden. Aan de andere kant kon Anil ook heel scherp zijn over Suriname. Hij wist feilloos bloot te leggen wat er allemaal niet aan het land deugde. Daar kunnen Surinamers niet zo goed tegen. Die directheid is vrij on-Surinaams. Dat leverde hem felle kritiek op. Maar hij bleef een grote zoon van het land, die het in het grote boze Nederland toch maar mooi had gemáákt.’’

Dat tinkelende

Ramdas’ gezondheidstoestand verergerde in het najaar van 2011. Hij was al meermalen gedotterd wegens hartklachten, en zijn conditie was nadien steeds verder verslechterd. De laatste keer dat Stephan Sanders hem zag, was op de begrafenis van Ramdas’ vader, in oktober 2011. Sanders schrok van het weerzien. ‘Anil zag er erg slecht uit: mager, ingevallen. De dag erna heb ik hem gebeld: “Je zag er zo verzenuwd uit. Was je soms dronken?’” Kort daarna belde hij op: “Stephan, we moeten Het blauwe licht weer gaan maken. Dan wordt het weer net als vroeger.” Een echte wanhoopskreet: laten we doen alsof er niets gebeurd is en teruggaan naar toen het nog goed was. Ik zei: “Nee, Anil, dat kan niet meer. Dat is geweest.”’

Zijn programma ZOZ werd ondertussen nog wel steeds uitgezonden. Ramdas schreef begin februari 2012 aan VPRO-directeur Karen de Bok dat hij zelfs nieuwe televisieplannen had: ‘Een prachtige brief, eigenlijk heel optimistisch. Ik had toen helemaal niet in de gaten dat het zo slecht met hem ging.’ Al vond ze het wel raar dat Ramdas de afspraak die ze met hem maakte om over het nieuwe programma te praten op het allerlaatste moment afzegde. Zijn moeder lag in het ziekenhuis. Vandaar. ‘Maar het werd pas echt vreemd toen ik hoorde dat hij op de redactie had verteld dat ík de afspraak had afgezegd, omdat míjn moeder ziek was.’

Suzanne Holtzer van De Bezige Bij zag wel dat Ramdas het moeilijk had. ‘Hij schreef me kort voor zijn dood hoe zwaar de opkomst van Wilders en de slechte ontvangst van zijn boek op hem drukten. Ik zag dat hij onthecht raakte. Dat tinkelende wat hij ooit had, was weg. Hij was een angstige man geworden. De emoties hadden zijn ratio overgenomen. Maar ik bleef hopen dat hij zichzelf kon herpakken.’ Holtzer maakte zich grote zorgen toen Ramdas begin februari 2012 op de nieuwjaarsreceptie van De Bezige Bij verstek liet gaan. Al hield ze met het allerergste toch geen rekening. ‘Dat einde van Badal die de zee inloopt en verdrinkt, vond ik juist nog zo prachtig. Ik heb werkelijk geen seconde gedacht dat hij dat ook zo zou doen.’

Anil Ramdas in De Balie

‘Wóédend. Ik was wóédend op hem,’ zegt Stephan Sanders, op een manier waarbij de ontzetting nog altijd voelbaar is. ‘Ik dacht: mijn God, Anil, hoe is het mogelijk dat jij, uitgerekend jij, een punt achter alles hebt gezet. Je wist zo goed wat de fuiken zijn voor de Hindoestaanse man. En je loopt er godverdómme zelf in. Ik had er verschrikkelijk last van. Hij spookte in mijn kop. Twee, drie maanden na zijn dood had ik zelfs het idee dat ik ’m hóórde: “broertje, broertje…” Als ik in de supermarkt een biefstuk kocht, hoorde ik Anil zeggen hoe ik ’m het beste klaar kon maken. Toen ben ik over hem gaan schrijven. Om het te bezweren.’ Inmiddels is de boosheid bij Sanders geweken. ‘Zijn dood leek alle mooie herinneringen bezoedeld te hebben. Nu is er vooral verdriet om het gemis. Inmiddels ben ik onze vriendschap weer aan het opdelven. Ik probeer me weer dat daverende begin te herinneren. Ik ben meer dan ooit doordrongen van het besef dat ik een heel, heel bijzondere man gekend heb.'

zaterdag 28 december 2013

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (5)

door Coen Verbraak

Ramdas bij een AT5-opname
Neurotische man

Pieter Hilhorst logeerde een paar weken bij Ramdas in Delhi. De herinneringen aan dat verblijf vindt hij dik tien jaar na dato nog steeds beklemmend. ‘Ik voelde daar zijn eenzaamheid zo enorm. Het ritme van zijn dag werd door het drinken bepaald. ’s Ochtends was hij chagrijnig omdat hij nog niet gedronken had. Dan gingen de flessen open en kwam hij ’s middags langzaam tot leven. Dan filosofeerde hij over de wereld, zoals ik hem kende. En later op de dag was hij voornamelijk onvoorspelbaar, vanwege de drank. Onze vriendschap is daar echt veranderd. Ik ging na afloop heel verdrietig naar huis.’

In India kwam Ramdas bovendien tot een pijnlijke vaststelling: hij hoorde daar niet thuis. Net zomin als in Nederland of in Suriname. Stephan Sanders: ‘Hij ging van Suriname via moederland Nederland naar het nog grotere moederland India. Daar ontdekte hij dat hij toch vooral Nederlander was. En in Nederland zagen ze hem juist weer als een Surinamer. Terwijl ze hem in Suriname als Nederlander zagen. De conclusie was dat hij nergens bij hoorde.’

‘Wat is de beste plek om te wonen?’ werd hem bij zijn terugkeer door HP/De Tijdgevraagd. Ramdas: ‘Niet op deze aarde. Ik ben zo’n beetje overal geweest en voel me nergens thuis.’

India is in retrospectief een kantelpunt in Ramdas’ leven. ‘Toen hij terugkwam, zag ik een andere man,’ omschrijft Stephan Sanders de verandering. ‘Dat jongetje met die aanstekelijke bravoure was verdwenen. Er was een aan zichzelf twijfelende neurotische man voor in de plaats gekomen.’

Terwijl Ramdas in India zat, veranderde in Nederland het politieke landschap drastisch. Na de moord op Pim Fortuyn was ‘links’ niet langer en vogue. ‘Politiek correct’ was een scheldwoord geworden. Maar waar de krantenlezer in Nederland langzaamaan wende aan de felle toon van het maatschappelijk debat, had Ramdas op dat vlak in Delhi een aanzienlijke informatie- en ervaringsachterstand opgebouwd. Bij terugkomst op Schiphol, in 2003, was Nederland onherkenbaar veranderd. Ze waren het hem alleen vergeten te vertellen.

Pim Fortuyn bekogeld


De eerste dag na terugkomst uit India had Ramdas een ontmoeting met Suzanne Holtzer, zijn vaste redacteur bij De Bezige Bij. De jetlag hing nog als een klamme deken om hem heen, herinnert Holtzer zich. ‘Het was net alsof hij niet helemaal teruggekomen was, alsof hij ergens halverwege was blijven hangen tussen droom en werkelijkheid. Ik denk ook dat hij daar het meest thuis was. In zijn verbeelding was hij het dichtst bij zijn dromen.’


Diep gekrenkt

In 2003 werd Ramdas directeur van De Balie in Amsterdam. Tot verbazing van de mensen om hem heen. ‘Anil hoorde daar op het podium te staan, maar was totaal geen man om er directeur te zijn.’ Het ging al snel mis. De Balie leed grote verliezen. Bovendien werd Ramdas’ drankprobleem ook voor de buitenwereld steeds meer zichtbaar. In december 2003 leidde Ramdas een debat met Edward Said. Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad was erbij en zag met eigen ogen hoe de avond pijnlijk uit de hand liep. ‘De zaal was bomvol. Anil was duidelijk aangeschoten. Hij kwam het toneel op met flessen wijn, waar hij als enige van dronk. Je zág het fout gaan. Er bouwde zich in die zaal voelbare agressie op tegen Anil. Opeens sprong er een jongen op de vloer die riep: “Wie zijn geld terug wil, moet mij maar volgen naar de kassa.” Echt een rebellie tegen Ramdas. Er zat ook iets in van: “We zullen die modelallochtoon nu eens even goed aanpakken! We geven hem een koekje van eigen deeg.”’ Ramdas erkende achteraf schuldbewust zijn fout. Maar van terugbetaling van het entreegeld kon geen sprake zijn: ‘Het is hier geen no cure, no pay.’


De Balie in Amsterdam

Achteraf symboliseerde die avond schril dat Ramdas zijn publiek was kwijtgeraakt, denkt Sjoerd de Jong. ‘Hij was heel lang een intellectuele voorloper geweest. Maar Anil begreep Nederland niet meer. En Nederland begreep hém niet meer. Hij was in de ogen van anderen opeens een vertegenwoordiger van het ancien régime geworden, een achterhaalde politiek correcte betweter. Niet langer de progressieve denker, maar de aangenomen zoon van Ad Melkert.’

De periode bij De Balie duurde amper twee jaar. Uiteindelijk richtten Felix Rottenberg, Chris Keulemans en Pieter Hilhorst een comité op om De Balie financieel te redden. Hilhorst denkt met afgrijzen terug aan die ochtend bij Felix Rottenberg thuis, waarop Ramdas werd meegedeeld dat hij zijn baan kwijt was. Hilhorst en de zijnen dachten nog dat ze een mooie oplossing hadden bedacht: Ramdas zou vertrekken, maar zou wel een opdracht meekrijgen. Hij mocht een groot essay schrijven, in combinatie met een thema-avond in De Balie. Maar Ramdas was geschokt. ‘Anil ontplófte. Hij was echt diep gekrenkt. We hebben het nadien wel bijgelegd, maar dat nam niet weg hoe pijnlijk het op dat moment was.’

Heel statusgevoelig

‘Na De Balie was wel duidelijk wat Demon Alcohol bij Anil aan het aanrichten was,’ constateert VPRO-regisseur Fred van Dijk, merkbaar aangedaan. ‘De gesprekken met Anil werden stroever. We kregen mot, over de kleinste dingen. De laatste keer dat ik hem thuis bezocht, was in 2006. We kregen een discussie over Arnon Grunberg. Hij vond Grunberg geweldig, ik niet. Uiteindelijk riep hij fel: “Ach man, wat weet jij er nou vanaf? Jij kunt helemaal niet lezen!” Toen ik in mineur naar huis reed, kon ik de hele weg alleen maar denken: hoe moet het nou toch verder met deze jongen? Vervolgens heb ik Stephan Sanders gebeld. Die zei: “Je kunt er maar beter verder geen energie meer in steken.” Het is inderdaad de laatste keer geweest dat Anil en ik elkaar gesproken hebben.’


Ramdas begon ondertussen steeds meer aan zichzelf te twijfelen. Hij was zijn baan kwijt, werkte niet meer voor de VPRO en had geen vaste column meer in NRC Handelsblad. Stephan Sanders: ‘Die bravoure van hem was altijd al schijn. Hij is de eerste jaren verbijsterd geweest over hoe goed het met hem ging. Altijd was er het gevoel dat hij balanceerde op ijsschotsen. Hij voelde continu de angst om ontmaskerd te worden. Wat zou er ontmaskerd kunnen worden? Hij kón heel veel. Maar ergens zeurde altijd die gedachte dat het succes hem eigenlijk niet toekwam. Tegelijk was Anil heel statusgevoelig. Toen hij niet meer voor de VPRO werkte en zijn NRC-columns onder druk stonden, ervoer hij dat als een ernstige aantasting van zijn eer en status. Dat-ie niet genoeg meer meetelde. Maar ja, je kunt niet je hele leven veelbelovend blijven.’

Fred van Dijk: ‘Hij was zich gaandeweg ook gaan afvragen of hij eigenlijk wel zijn eigen bron was. Alles wat hij te vertellen had, kwam altijd van anderen. Mijn vrouw en ik noemden hem “onze kleine professor” omdat hij ongelofelijk belezen was. Ik heb hem er altijd om bewonderd. Maar in die tijd vroeg hij zich af of hij vanuit zichzelf eigenlijk wel iets te melden had. Hij vreesde dat dit niet het geval was. We spraken er ooit over of hij niet eens een roman moest schrijven. Maar dat durfde hij niet. Die fundamentele onzekerheid begon steeds meer te knagen.’

Een keerpunt

Die roman kwam er uiteindelijk toch. In 2011 publiceerde Ramdas Badal. Een verhaal over een ooit succesvolle essayist/ programmamaker die uiteindelijk teloorgaat door drank, angsten en depressies. Een man die zich maar niet kan neerleggen bij een politiek klimaat waarin de standpunten van iemand als Geert Wilders breed geaccepteerd zijn geraakt. ‘Hij droomde ervan om nog een aantal meesterwerken te schrijven,’ zegt Suzanne Holtzer. ‘Het liefst iets in de trant van Naipal of Rushdie.’ Ramdas nam het project uiterst serieus. Hij stopte met drinken en huurde een appartement in Zandvoort om in alle rust te kunnen schrijven. ‘Dat boek was voor hem een enorm belangrijke ambitie, hij hoopte dat het een keerpunt in zijn bestaan zou worden.’


Badal verscheen in het voorjaar van 2011. De recensies waren bijna over de hele linie negatief. ‘Meer ambitie dan talent,’ luidde de kop in NRC Handelsblad. Bovendien werd het verhaal van Badal in alle besprekingen één op één geprojecteerd op de schrijver zelf. ‘Met niets en vooral zichzelf niet ontziende eerlijkheid portretteert Ramdas in de persoon van Harry Badal vooral zijn eigen persoon,’ schreef John Jansen van Galen in De Groene Amsterdammer. ‘Rest de vraag wat hem bezielt om zo’n ontluisterend zelfbeeld te publiceren. Het is alleen te verklaren uit de neiging tot zelfdestructie die alcoholisten eigen is.’

Suzanne Holtzer kan er nóg kwaad om worden. ‘Badal gaat over de neergang van iemand die ooit succesvol was. Dat werd uitgelegd als de neergang van Anil zelf. Dat is volgens mij echt de ziekte van deze tijd. Het boek werd niet gelezen als kunstwerk maar als de autobiografie van Anil Ramdas. Zeer ten onrechte. Want hoe kan iemand met wie het kennelijk net zo slecht gaat als met Badal anders zo’n sterk boek schrijven?’ Toch zijn de overeenkomsten tussen Badal en Ramdas treffend: Badal heeft óók een drankprobleem, heeft eveneens een Den Uyl-lezing gehouden, en is net als Ramdas ooit Zomergast geweest. Ramdas sprak de overeenkomsten in interviews ook niet tegen. ‘Alleen heb ik natuurlijk nooit zelfmoord gepleegd, zoals Badal.’

[wordt vervolgd]



Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (4)

door Coen Verbraak

Nieuw-Nickerie. Foto © Bram T.
Ramdas ging voor de VPRO ook documentaires maken. Samen met regisseur Fred van Dijk reisde hij naar Suriname. Ze namen hun intrek in hotel Torarica, het duurste hotel van Paramaribo. Want reizen met Ramdas betekent per definitie: logeren in luxehotels. Van Dijk was er aanvankelijk stomverbaasd over. ‘Ik vroeg me af hoe hij dat toch voor elkaar kreeg. Maar hij zei gewoon tegen de VPRO: “Luister, dat is het enige hotel in Suriname waar ze altijd stroom hebben. Dus dáár gaan wij zitten.” Prinsjesgedrag was hem niet vreemd. Voor de research liet hij alle mensen die hij wilde spreken een voor een naar het terras van het hotel komen.’

De tocht door Suriname resulteerde in de vierdelige documentaire Een Surinaamse ballade. Van Dijk: ‘In Nickerie filmden we een oud schoolvriendje van hem. Die man was boer geworden en leefde nog precies zoals dertig jaar daarvoor. Op dat moment realiseerde Anil zich hoe enorm hij zichzelf eigenlijk ontwikkeld had.’ Het mooiste moment was volgens Van Dijk een scène die hij draaide in een bibliotheek. Ramdas was er op dat moment even niet bij. Van Dijk filmde een jongetje dat boeken uitzocht. ‘Hij draaide zich heel even om, keek in de camera en ging weer verder. Toen ik dat in de montage aan Anil liet zien, raakte hij diep ontroerd. Hij herkende dertig jaar later exact de situatie. ‘Zo zat ik daar ook ooit. Je hebt eigenlijk mij gefilmd.’

Perskaart van Ramdas als jong journalist


Stevig alcoholgebruik

Tussen 1997 en 2000 maakte Ramdas met Stephan Sanders het mediaprogramma Het blauwe licht. De samenwerking tussen Sanders en Ramdas was ongewoon intens. ‘We leefden met elkaar, woonden met elkaar,’ zegt Sanders. ‘Onze vriendschap werd daar gesublimeerd. Alsof de televisie het hogepriesterschap van onze vriendschap was. We vierden ’m en offerden ’m.’ Dat ging na afloop van de uitzendingen gepaard met stevig alcoholgebruik. Met name Ramdas had al snel de naam dat hij op dat vlak mateloos was. Het liep soms zodanig uit de hand dat studio De Plantage het programma de toegang dreigde te ontzeggen.

‘Die drank was ook onderdeel van hoe zij hun vriendschap beleefden,’ zegt Pieter Hilhorst, destijds redacteur van Het blauwe licht (en sinds kort wethouder in Amsterdam). ‘Alles was daar nou eenmaal heftig aan.’ Hilhorst bewaart ‘ongelofelijk goede herinneringen’ aan Het blauwe licht. ‘Anil en Stephan leerden je kijken naar de wereld. Op een heel persoonlijke manier analyseerden ze televisiebeelden, die daardoor nieuwe zeggingskracht kregen. Anil was gespreksleider, Stephan bracht de dingen in die we als redactie hadden bedacht. Dat was een ongekend goede combinatie. Ik was jaloers op hun vriendschap.’

Ellen Jens: ‘Die vriendschap was onvoorwaardelijk. Iets waar romans over geschreven worden. Ze hielden van elkaar, maar ze waren ook voortdurend in heftige competitie verwikkeld. Tijdens het afscheidsetentje na de laatste uitzending kregen ze slaande ruzie. Daarna hebben ze elkaar ook heel lang niet gezien.’

Anil Ramdas in India. Foto ©Fred van Dijk


Een fuik van eenzaamheid

Na Het blauwe licht bood NRC Handelsblad Ramdas de baan aan waar hij altijd van had gedroomd: een correspondentschap in India. Hij vertrok in 2000 voor drie jaar naar New Delhi. Maar het verblijf in India viel hem niet mee. In 2003 zei hij in Vrij Nederland: ‘Ik dacht: als je eenmaal in India woont, heb je het land zo in je vingers. Vergeet het maar. Dat grote verhaal waarin ik even een allesomvattend oordeel zou vellen waar heel Nederland van achterover zou slaan, kwam maar niet. Toen ik over mijn eerste hyperventilerende opwinding heen was, realiseerde ik me: maar je bent ook geen Jan Romein of Huizinga. Pas na een half jaar ontdekte ik dat je ook zijdelings kunt kijken, via kleine dingen grote zaken aan kunt kaarten.’

‘Over de invulling van zijn correspondentschap werd op de redactie verschillend gedacht,’ zegt Juurd Eijsvoogel, destijds lid van de hoofdredactie van NRC. ‘Anil was niet primair op nieuws gericht. Een directe reportage, zonder extra laag, was niet aan hem besteed. Je moest hem echt porren om verslag te doen van eengewone aardbevingsramp. Uiteindelijk was hij meer essayist dan journalist.’
Dat jongetje met die aanstekelijke bravoure was verdwenen
Pieter Hilhorst: ‘Voor een deel betekent een correspondentschap: op dingen afgaan. Dat vond hij eigenlijk vreselijk. Daar kwam bij dat hij in India zijn vertrouwde omgeving miste. De erkenning die hij zo nodig had, kreeg hij in India veel minder. Hij had daar geen werkelijke aansluiting met anderen. Dat zorgde ervoor dat hij zich eenzaam begon te voelen.’



‘Ik zag India als een ontsnapping, maar verkeek me op de doem van totale onbekendheid,’ zei Ramdas in 2003 in Vrij Nederland. ‘Delhi bleek een fuik van eenzaamheid. Ik kreeg rare angsten die steeds groter werden, bijna veranderden in wat men levensangst noemt. Wakker worden met de gedachte: is alles wel veilig, waar is de dichtstbijzijnde dokter, waar is het ziekenhuis, zal mijn bankpasje het wel blijven doen? Mijn angsten werden steeds groter, en mijn alcoholisme ook.’

VPRO-regisseur Fred van Dijk bezocht hem in 2002 in India.Van Dijk schrok toen hij merkte hoe ernstig het drankprobleem van zijn vriend was geworden. ‘Als hij ’s morgens in zijn kamerjas rondliep, zei ik wel eens: “Man, als je uitademt en je doet er een fles omheen, dan heb je zo weer een fles whisky.”’ 


[wordt vervolgd]

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (3)

Sanders en Ramdas
door Coen Verbraak

De ster van Anil Ramdas raakte helemaal de randen van de hemel toen hij in 1992 Zomergast was bij de VPRO. De meeste kijkers hadden voordien nooit van hem gehoord, maar raakten onder de indruk van die tengere, welbespraakte Hindoestaanse jongeman van vierendertig. Wat was die man belezen, beschaafd en erudiet. Zo leuk konden ‘ze’ dus óók zijn! Na Zomergasten werd Ramdas als vanzelf door de linkse elite omarmd als favoriete modelallochtoon.

‘Ineens was hij een Bekende Nederlander geworden,’ zegt Stephan Sanders. ‘Dat was voor Anil enorm belangrijk. Vergeet niet: hij is opgegroeid in Nickerie. Een boerengemeenschap in Suriname waar he-le-maal niks te doen is. ’s Avonds gaan de barretjes open, en gaan de mannen zuipen en uiteindelijk op een vrouw liggen. En als het je op een dag te gortig wordt, dan neem je pesticide in. Als je daar vandaan komt, dan is Paramaribo al gigantisch. In Paramaribo zag hij voor het eerst in zijn leven een roltrap. Vervolgens kwam hij in Nederland, dat was nog weer twee stappen hoger. En om dan dáár omarmd te worden als een opvallende intellectueel… ja, dan gaat de hemel voor je open.’

Zijn tv-optreden werd ook onder Surinaamse Nederlanders als een openbaring beschouwd. Volkskrant-columniste Sheila Sitalsing was in die dagen nog student. Ze herinnert zich de opwinding nog goed. ‘We gingen elkaar opbellen: “Heb je het gezien? Er is een Surinamer op tv.” En niet omdat hij goed kon dansen of voetballen, maar omdat hij iets te vertéllen had. Dat was voor Surinamers iets heel groots. Kennelijk kon je dat als Surinamer bereiken. Anil werd daardoor een nieuw rolmodel.’
 
Kirpalani Paramaribo: warenhuis met een roltrap
Xandra Schutte: ‘Na Zomergasten werd hij opeens ook een mooie man gevonden. Hij ging heel bewust modieuze witte hemden dragen. Anil genoot ontzettend van die ongelofelijke erkenning. Hij wás al zelfbewust, maar werd dat na Zomergasten nog veel sterker. Daardoor werd hij al snel te groot voor De Groene. De Groene werd “een van de bezigheden” van de BV Ramdas.’

Het duurste hotel

Zijn optreden in Zomergasten smaakte ook volgens Hilversum naar meer. VPRO-directeur Roelof Kiers vroeg aan regisseur Ellen Jens of zij eens met ‘die begaafde jongen’ wilde praten. Misschien had hij wel goede ideeën voor andere televisieprogramma’s. Daar hoefde Ramdas geen seconde over na te denken, merkte Jens. Hij wilde iets met ‘denkers’ doen. Het werd In mijn vaders huis, een serie interviews met onder anderen Stuart Hall en Edward Said. Jens raakte al snel van Ramdas onder de indruk. ‘Zijn enthousiasme was meeslepend. Die tomeloze drang om mensen te overtuigen van de talenten van anderen. Hij sprak over mannen waar ik nog nooit van gehoord had alsof het wereldwonderen waren. “O Ellen, als we díé toch kunnen krijgen…” Je kon zo veel van die jongen leren.’


De tegenkant was dat Ramdas wel erg overtuigd leek van zichzelf. Jens: ‘Hij had niet veel gevoel voor zelfrelativering. Hij kwam altijd met taxi’s. Afspraken maakte hij het liefst in het Amstel Hotel. Er zat iets in van: het duurste is niet goed genoeg voor mij. Al komt zoiets vaak voort uit onzekerheid.’

[wordt vervolgd]

maandag 11 november 2013

Caraïbisch Vers!


Op donderdag 28 november 20.00 uur kan het publiek in de Bibliotheek Bijlmercentrum in  Amsterdam Zuidoost kennismaken met de nieuwste Caraïbische boeken en hun schrijvers. In een flitsend programma met beeld en geluid gaat Michiel van Kempen (bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam) in gesprek met maar liefst negen schrijvers:
Karin Amatmoekrim

* Karin Amatmoekrim: zij schreef een roman over een uiterst delicaat moment in het leven van de Surinaamse publicist, vrijheidsheld en geschiedschrijver Anton de Kom: De man van veel. Het boek deed al veel stof opwaaien: gaat het liggen of dwarrelt het door?

* Leo Balai baarde als historicus groot opzien met zijn proefschrift over het slavenschip Leusden, een wetenschappelijke studie waarvan inmiddels een editie voor het grote publiek is verschenen: het gruwelijke verhaal van de koelbloedige moord op een schip vol slaven.

* Jeannette van Ditzhuijsen is bekend van verschillende boeken over de Antillen, maar presenteert nu voor het publiek het schitterende fotoboek over de Antilliaanse muziek Músika Curaçao van Sinaya Wolfert, waarvoor Jeannette van Ditzhuijsen de tekst schreef.

* Giselle Ecury, Antilliaans evengoed als Nederlands, voegde een nioeuwe roman toe aan haar oeuvre: De rode appel, een roman over de morele, psychologische en seksuele groei van Elisabeth.

* Eardly van der Geld schreef een actuele roman over de gevolgen van het slavernijverleden: Curaçaos bloed.
Giselle Ecury

*  Janny de Heer schreef een forse roman over een Duitse immigrant in het 19de-eeuwse Suriname: Gentleman in slavernij. Voor het boek verrichtte zij uitgebreid historisch onderzoek in  tal van archieven, maar wat telt is het romanverhaal.

*  Ricardo MacNack tekende voor het boek Vervlogen dagen in de voormalige DDR, een van de vele curiosa uit de Surinaams-Nederlandse letterkunde: een dagboek van een stage tussen 1982 en 1983 in het socialistische Oost-Duitsland.

*  Frank Ong-Alok maakte een multimediaal prenten-, liedjes- en verhalenboek met cd voor kinderen van 0 tot 100 jaar, veertien liedjes en zes verhalen onder de titel Bloemies.
Stephan Sanders. Foto © Jan van Breda

* Stephan Sanders, tv-journalist en columnist van Vrij Nederland, schreef een aangrijpend relaas van zijn moeizame vriendschap met Anil Ramdas, een uiterst persoonlijk In memoriam onder de titel: Iets meer dan een seizoen.

U kunt boeken aanschaffen in de boekenstands en de schrijvers zullen hun werk signeren.

De muzikale begeleiding wordt verzorgd door Sanne Landvreugd.
  
 
Sanne Landvreugd
Foto © Michiel van Kempen
Datum: donderdag 28 november
Aanvangstijd:  20.00 uur
Locatie: Bibliotheek Bijlmercentrum, Frankemaheerd 2, Amsterdam Zuidoost

Toegang gratis; reserveren gewenst via brc@oba.nl / 020-6979916

Organisatie: OBA en Werkgroep Caraïbische Letteren






zaterdag 24 augustus 2013

De grootsheid van een kleine man

Knipbaai Curaçao. Foto @ Feika

door Tessa Leuwsha

Ze gingen samen op vakantie naar Curaçao, Stephan Sanders en Anil Ramdas. Ze waren vrienden, meer dan vrienden, soul brothers, zo had Ramdas dat bepaald. In de Knipbaai lag Ramdas op z’n Surinaams steevast in de schaduw. Sanders (half blank, Nederlander) liet zijn lichtbruine bast bruinen in de zon. Ze maakten plannen voor later. Nadat hun ambitieuze dromen waren uitgekomen, zouden ze zich vestigen op Curaçao, gevoelsmatig lag het eiland tussen Nederland en Suriname in. In een voormalig koloniaal landhuis zouden ze in groot familie- en vriendenverband hun dagen slijten. Voor Ramdas droeg dat huis symboliek: aan het einde van zijn loop- en levensbaan zou hij van underdog topdog zijn geworden: geen inwoner meer uit de periferie van het Nederlandse koninkrijk. Hij zou zelf de koloniaal uithangen.

Anil Ramdas. Fotoportret door Nicolaas Porter

Het liep anders. In dat droomhuis van Ramdas school in overdrachtelijke zin het breekpunt tussen de twee schrijvers/journalisten. Een eigen plek op de wereld, een huis en tuin, alles ordelijk: het is een bekend Surinaams streven dat Ramdas weerspiegeld zag in A House for Mr. Biswas, de bekende roman van de Trinidadiaanse schrijver V.S. Naipaul, Ramdas’ rolmodel. Met die wensdroom belandde Ramdas in een spagaat: leven als een burgerman met gezin, zonder zelf middelmatig te zijn. Sanders, opgegroeid in de provincie Twente-Nederland, een jeugd vol rust en regelmaat, beïnvloedde Ramdas in het najagen van die opwinding.
Behendig maakt Sanders in zijn ‘memoir’ een vergelijking tussen zijn tijdelijk verblijf in de polderstad Almere en Ramdas zelf: de stadverhuizer van Amsterdam naar Almere tegenover de landverhuizer. Ramdas maakte zijn niet-Nederlandse achtergrond - the black experience - tot zijn professionele unique selling point, in Nederland een overwegend gemarginaliseerd onderwerp. In latere jaren (Ramdas is dan aan de drank, zijn carrière glijdt bergafwaarts) leverde hem dat een verkokerde visie op over ‘white trash’: de blanke middelmaat van rechtse PVV-stemmers, de partij die Nederland vooral voor de Nederlanders wil. In Almere behaalde die partij een meerderheid van de stemmen. Ramdas, die graag burgerlijk woont maar die anderen hun burgerlijkheid verwijt: er spreekt net zo weinig inleving uit als de Amsterdammer Sanders die zich ingraaft in de in zijn ogen superieure, intellectuele Amsterdamse elite. En toch deelt Sanders de zwart-witmening van Ramdas niet, hij zoekt eerder de nuance. Het is niet het begin van hun verwijdering, maar een voortzetting daarvan. De barsten waren al eerder zichtbaar, de grenzeloze dadendrang van Ramdas viel voor Sanders niet bij te benen. Ze presenteerden samen een tv-programma, Sanders gooide na drie jaar uitgeput de handdoek in de ring. Voor Ramdas was the sky the limit. De Nobelprijs minstens, zoals voor V.S. Naipaul, de schrijver die Ramdas ook in leefstijl imiteerde: arrogant, megalomaan, en uiterst kritisch ten aanzien van zijn Caraïbische achtergrond. Ramdas’ journalistieke opdrachtgevers zagen die eigen nestbevuiling graag; het leverde Ramdas verwijdering op van zijn natuurlijke achterban. Kon Naipaul zich in het grote Engelse taalgebied zijn verwaandheid permitteren, voor Ramdas werd Nederland te krap. Doe maar gewoon. Anil wist niet meer wat gewoon was.
Foto Realworld


Eenzaamheid. Sanders hoort Ramdas dat doemwoord maar één keer uitspreken. In die periode staat Ramdas droog. Zonder drank, hun natuurlijke spraakwater, verwatert hun contact tot ongemakkelijke beleefdheid. Onder die plichtpleging suddert een broedertwist als een Griekse tragedie, met alle kenmerkende ingrediënten: concurrentie, jaloezie, eergevoel. Had Sanders zijn soul brother kunnen redden van diens zelfverkozen dood? Met meer aandacht, liefde en begrip? Had hij zich niet moeten afkeren van het pedante mannetje (Ramdas was klein van stuk) dat zijn vriend was geworden? Dat zijn de schrijnende vragen die Sanders zich aan het eind van zijn ‘memoir’ stelt. Ramdas’ persoonlijkheid overschaduwde ook zijn werk. In zijn enige en laatste roman, Badal, beschrijft hij via een alter ego haarscherp de mechanismen van zijn eigen val, tegelijk krijgt hij het voor elkaar door die persoonlijke tragiek een gelaagde sociaal-maatschappelijke studie te verweven. Een oordeel vellen over het werk bood echter de mogelijkheid ongelimiteerd gal te spuien over Ramdas zelf, die zo nadrukkelijk op iedere pagina aanwezig is. Ook Sanders kreeg het niet voor elkaar Ramdas opzij te schuiven. Zoals hij geen verweer had tegen hun symbiotische vriendschap, zo gelaten staat hij tegenover de drukte omtrent Ramdas’ roman. Totdat ook die aan hem voorbij trekt. Sanders’ stille weigering langer een trouwe volgeling van Ramdas te zijn, leverde hem na diens dood slapeloze nachten op. En woede: hoe durf je nota bene op je verjaardag uit het leven te stappen? Hoe narcistisch kan iemand zijn?


De tijd schoot de idealen van wereldverbeteraar Ramdas voorbij. De tijd heelt ook wonden. Sanders leert de stad Almere te zien zoals die is, zonder de voortdurende behoefte er iets aan te willen veranderen. Die berusting geldt ook voor Ramdas’ keuze uit het leven te stappen. Een reden: Ramdas’ deceptie in het ooit door hem bewonderde Nederland. Maar meer nog: de teleurstelling in zichzelf. Zonder drank restte Ramdas een angstaanjagende middelmaat. Daarvoor kan Sanders geen begrip opbrengen.

Stephan Sanders: Iets meer dan een seizoen, memoir. Amsterdam: De Bezige Bij, 2013. ISBN 978 90 234 7741 9

Stephan Sanders
Sanders bij Ons Suriname

Op zondag 8 september a.s. signeert Stephan Sanders zijn boek bij de Vereniging Ons Suriname in Amsterdam. Meer informatie over de dag, klik hier.


zondag 18 augustus 2013

Opening van het letterenseizoen bij Ons Suriname

Benoît Verstraete
Op zondag 8 september 2013 presenteren de Vereniging Ons Suriname, de Werkgroep Caraïbische Letteren en de Leerstoel West-Indische Letteren van de Universiteit van Amsterdam een Letterendag bij Ons Suriname in Amsterdam.

De dag begint met drie lezingen van promovendi die onderzoek doen bij de Leerstoel West-Indische Letteren (prof. Michiel van Kempen). Zij presenteren delen van hun onderzoek en geven het publiek alle gelegenheid tot vragen stellen.


Inloop 13.30 uur.
14.00 Benoît Verstraete – Over de Deens/Surinaams/Nederlandse zendeling/schrijver P.M. Legêne
14.30 Joe Fortin – Over de verhaalkunst van de Arubaanse schrijver Jossy Tromp
15.00 Ellen de Vries – Over de rol van de media ten tijde van de Binnenlandse Oorlog in Suriname
 
Joe Fortin
Vanaf 15.30 uur

Boekenmarkt

Stephan Sanders

Met korte interviews met de volgende schrijvers:
Rudie Kagie – Bikkel
Saiye Safdar Zaidi – De suiker die niet zoet was
Diederik Samwel – Jelaya
Stephan Sanders – Iets meer dan een seizoen (over Anil Ramdas)
Antoine de Kom - Ritmisch zonder string

Karin Amatmoekrim leest uit haar nieuwe, nog te verschijnen roman

Alle schrijvers signeren hun boeken! Boekentafels aanwezig.
Sanne Landvreugd

Muzikale omlijsting door de saxofoniste Sanne Landvreugd.

Locatie: Vereniging Ons Suriname
Hugo Olijfveldhuis
Zeeburgerdijk 19a
1093 SK  Amsterdam
(nabij de molen en het KIT in Oost; vanaf CS stadsbus 22 stopt bij de Nicolaaskerk tegenover CS, richting Indische buurt, 8 min.)
Toegang 3,50.




donderdag 4 juli 2013

Om al die redenen, en vast nog veel meer

door Ezra de Haan

(Over: Stephan Sanders - Iets meer dan een seizoen)


Stephan Sanders en Anil Ramdas. Foto ANP Archief

Anil is dood

Al enige tijd speelt de dood, en daardoor de rouw, een belangrijker rol in onze samenleving dan voorheen. Waarschijnlijk begon het met de (inter)nationale rouw na het sterven van Lady Di. In Nederland denk ik meteen aan de groteske taferelen rond het eerbetoon aan Pim Fortuyn of André Hazes. Dit jaar is er een nieuwe fenomeen bijgekomen, dat van de beste vriend die een eerbetoon schrijft.  En ik begreep meteen dat het moed vereiste. Want hoe blijf je zelf buiten schot? En hoe eerlijk kun en wil je zijn in je schrijven?

Dirk van Weelden was de eerste die de droevige taak op zich nam over een overleden vriend te schrijven en deed dat zoals we dat van hem gewend zijn. Het laatste jaar werd een boek over een vriendschap met randjes. Helaas koos de auteur voor een vorm die zo prominent was dat het verhaal eronder leed. En daarmee kwam, weer, het verschil tussen Martin Bril en Dirk van Weelden tevoorschijn. Het korte, heldere van de columns van Bril tegenover de zeer doorwrochte, elitaire romans van de ander. Het succes van de een en de zucht erna van de ander. Toch kun je Van Weelden van alles verwijten, maar niet dat hij bijzonder eerlijk was geweest.
 
Anil Ramdas: jong en veelbelovend
Stephan Sanders koos voor een heel bijzondere vorm in zijn boekje over Anil Ramdas. Het woord boekje klinkt negatief maar is niet zo bedoeld. Het zijn weliswaar slechts 126 pagina’s en boekje zou dus op zijn plaats zijn, maar ik moest ook aan de woorden: een boekje opendoen, denken. De titel van het boek doet aan die van Van Weelden denken. Iets meer dan een seizoen. Waar de een het over het laatste jaar heeft in de titel, het jaar waarin de vriendschap weer even werd als voorheen, durft Sanders aan te geven dat zijn vriendschap ‘iets meer dan een seizoen’ duurde. Tegelijkertijd refereert de titel aan Sanders’ kortstondige verblijf in Almere. Seizoenswerk noemt Sanders cynisch de periode van februari tot en met juni 2010 die hij als schrijver op verzoek van de Almeerse gemeenteraad in de polderstad doorbracht.

Toch is de periode in Almere cruciaal voor het boek over Ramdas geweest. Sanders wilde over zijn door eigen hand gestorven vriend schrijven, maar hoe? Overmand als hij was door woede en verdriet diende zich niet direct een vorm aan. Frits Huis, een Almeers politicus, gaf hem een goede raad toen ze over het schrijven over Almere spraken. ‘Je moet helemaal niet over Almere schrijven. Hoe lang heeft Gerard Reve in Greonterp gewoond? Geen woord over dat gehucht, alleen zeer indirect. Je moet niet schrijven over de mensen waar je tussen leeft.’ Het zijn de woorden van Huis die doorklinken als Sanders over zijn beste vriend schrijft. De truc lukt, Ramdas wordt Almere en de tekst staat als een huis.

In het begin van Iets meer dan een seizoen merk je dat die omtrekkende beweging nog niet wordt gebruikt. Blijkbaar is die er later, al schrijvende, ingekomen. Het begint dus met voorspelbare nostalgie naar de mooie, ambitieuze jongens die ze ooit waren. Stephan Sanders, toen nog redacteur bij de Groene Amsterdammer, Anil Ramdas, de schrijver van De strijd van de dansers die Sanders met brieven en telefonades bestookte omdat hij door hem besproken wilde worden. Kleur speelt in hun denken een rol. Sanders schrijft over het portret achter op Ramdas’ boek: ‘Een jonge, Surinaamse man. Geen neger - veel beter was ik toen niet ingevoerd in de Surinaamse verhoudingen.’ Over hun eerste ontmoeting schrijft hij: ‘Hij riep bijvoorbeeld meteen: “Maar jij bent ook bruin”, en dat was niet minder dan een hartenkreet, een constatering die alles verklaarde, maar die mij enkel deed blozen.’ Sanders wordt Ramdas’ Caribische broeder en Anil geeft hem meteen de houding die daarbij hoort. ‘Een bruine houding moest het zijn.’ Het is het begin van een intensieve samenwerking, veel gezamenlijke buitenlandse reizen  en een eeuwige zielsverwantschap. Althans dat was de bedoeling en daar leek het in het begin ook op. Maar al snel blijken ze totaal anders in het leven te staan. De negatieve kijk en houding van Ramdas staat haaks op die van Sanders die naar een verklaring voor dit gedrag begint te zoeken. ‘De wraak van een linkse Hindoestaanse jongeman op het Suriname uit zijn jeugd, de vernederende verhalen van zijn grootouders, de contractarbeiders?’ Het zelf de koloniaal uit willen hangen? Sanders probeerde vaak de situatie te redden, na onmogelijk gedrag van Ramdas. Iets wat niet in dank ontvangen werd. ‘Dat was behoorlijk bourgeois van mij, en typisch Eerste Wereld Gedrag.’ Sanders schetst voorbeeldig hoe deze houding bij Ramdas tot stand moet zijn gekomen. Gruwelijk is de scène waarin Ramdas iets te drinken wil bestellen en door zijn kleur wordt genegeerd. Omdat hij zwart is en dat, nota bene, op Curaçao. De situatie maakt de cowboy in Sanders los. Hij geeft een klap op de bar en beveelt: ‘Woman, give that man a beer!’ Jarenlang blijft het een anekdote die Ramdas keer op keer blijft vertellen. Het wordt de metafoor voor hun broederschap. ‘Nieltje’ mag altijd drinken van Sanders.

Almere


En dan krijgt het boek een draai. We belanden met Sanders in Almere, de gedroomde stad voor sommigen, de vermaledijde stad voor anderen. Zeker nadat de PVV daar een grote verkiezingsoverwinning heeft gehaald. Sanders schrijft eerst met de nodige reserves over de stad, begint er dan aan te wennen en krijgt dan langzaam meer oog voor dat, waar hij eerst aan voorbij ging. Tegelijkertijd lardeert hij zijn verhaal met flarden van momenten met Ramdas. Zijn politiek denken en zijn angst voor het ‘Bruine gevaar’. Zijn problemen met alcohol. Ook sluipt de verwatering van de vriendschap het boek binnen. Sanders gebruikt de woorden jaloezie, verraad, concurrentie, broedertwist en verwijst, heel terecht, naar de Griekse tragedie. ‘Vroeger konden we eroverheen drinken. Vroeger dronken we zoiets weg.’

Stephan was, en is, een te scherpe observator om aan de waarheid voorbij te gaan. Zijn woorden over Anil Ramdas mogen misschien niet vriendelijk zijn, ze zijn wel pijnlijk waar.

‘Anil was een achterblijver, de beheerder van een failliete boedel, die ziet dat zijn levenswerk toen hij even niet oplette een andere richting heeft genomen dan hem oorspronkelijk voor ogen stond. De man die zichzelf en zijn idealen ‘overleefd’ heeft en dus ‘overbodig’ dreigt te worden.’

‘Anil Ramdas werd niet meer serieus genomen, althans, niet zo serieus als behoorlijk zou zijn. Hij was zijn veelbelovendheid kwijtgeraakt – dat gebeurt met elk talent dat geen eendagsvlieg blijkt te zijn. Maar erger nog: hij was ‘verwaarloosbaar’ geworden.’

Het is een situatie die niemand ambieert en zeker iemand als Ramdas niet. Die had zijn portie al gehad. Het verhaal dat Sanders over Ramdas’ jeugd ophaalt, liegt er niet om. Die tienerjaren waren niet makkelijk in Paramaribo. Samen met zijn moeder probeerde hij, voor de buitenwereld, een bepaalde klasse voor te stellen. Maar de middelen daartoe ontbraken.  Het huis was ruim, maar leeg. Niemand kon op bezoek komen. Er werd bezuinigd op het eten en de jonge Anil kende ‘vlagen van honger’. Hij stal soms wat blikjes bij zijn vader. Belangrijk was: ‘Geen woord tegen niemand, we laten ons niet te schande maken.’ Zo ontstond Anil Ramdas ‘een jongeman, met een bijzonder talent bovendien: voor verhalen, voor fabuleren, voor keeping face en grootspraak.’

Ondertussen schrijft Sanders door over Almere, de stad die zoveel verwachtingen waar moest maken en uiteindelijk een tochthol werd voor vluchtende Amsterdammers. Dat Almere wordt een metafoor voor Anil Ramdas. Veelbelovend en toch… Sanders gebruikt de metafoor met verve.

‘Kan een stad mislukken? Ik geloof het niet, een plan kan mislukken maar een stad niet.
Net zomin als een leven - dat kan anders lopen dan verwacht, gehoopt, voorzien, gewild en nog zo wat. Het kan stranden in middelmaat, verworden tot sleur, uitlopen op een deceptie. Maar mislukken kan een leven niet.’


Moedig zijn Stephan Sanders woorden als hij naar zijn eigen rol in de teloorgang van Anil Ramdas kijkt. Hij weet waar en wanneer hij een nieuwe samenwerking uit de weg ging, geeft zichzelf mede de schuld als hij het over de drankproblemen van zijn vriend heeft. Was hij niet degene die Ramdas op een andere manier van leven wees, waarin alcohol hem wat losser kon maken? En ook dat de vriendschap op zo’n laag pitje stond dat hij Ramdas' zuster vaker dan hemzelf zag. Zelfs zijn verjaardag, de dag van zijn zelfverkozen dood, had hem niet de impuls van een telefoontje of bezoek gegeven…

Iets meer dan een seizoen is een voorbeeldig boek. Ondanks dat op vrijwel iedere pagina het woord ‘maar’ voorkomt. Het gaat over afscheid nemen en vriendschap. Het is een pijnlijk boek, door zijn eerlijkheid en door zijn formaat. Want waar in hun jonge jaren Ramdas meerdere pagina’s nodig had voor zijn commentaar op Sanders stukjes, blijkt nu Iets meer dan een seizoen zoveel meer te bieden dan Ramdas laatste schrijven. Eigenlijk zet dit veel dunnere boekje Ramdas’ Badal in de schaduw. Soms is minder meer.

[Bron: Literatuurplein]



woensdag 1 mei 2013

Nieuwe Bijlmer Boekt: Starke, Raymann, Berry, Sanders en Opoku

Sabrina Starke: wel aangekondigd, komt niet!

Op dinsdag 14 mei  is er in het Bijlmer Parktheater een nieuwe Bijlmer Boekt. Medewerkenden zijn Jörgen Raymann, Jan van Mersbergen, Kris Berry, Stephan Sanders en Clara Opoku. Muziek: Raoul Fou a Man
  
Bijlmer Boekt is hét literaire variété-programma van Zuidoost. Vier keer per jaar nodigt schrijfster en initiatiefneemster Christine Otten vijf uiteenlopende bekende en minder bekende gasten uit die één ding met elkaar gemeen hebben: de liefde voor literatuur.  Het resultaat is een grensoverschrijdende krachtenbundeling vol uitdagende crossovers waarbij literaire voordrachten afgewisseld worden met spoken word, muziek, hiphop, stand-up comedy, dans en theater. Verwacht het onverwachte! Bij Bijlmer Boekt is dat de norm.
Stephan Sanders

Aan de eerste vier edities deden opkomende talenten uit Zuidoost mee, waaronder rapper Typhoon en spoken word-artiest Esperanzah.  Zij stonden op het podium met grootheden als Kees van Kooten, Jetty Mathurin, Abdelkader Benali, Adriaan van Dis, Herman Koch, Gerda Havertong en Huub van der Lubbe.

Bijlmer Parktheater, Anton de Komplein, Amsterdam-Zuidoost
Aanvang: 20.00 uur.
Prijs: 11 euro


zaterdag 3 maart 2012

Herdenking Anil Ramdas

Anil Ramdas. Foto: © Klaas Koppe
door Annemiek Onstenk

Met een witte kaars, een sigaret en een glaasje water onder zijn portret stond een volle Balie op 2 maart stil bij het leven en werk van de onlangs overleden Anil Ramdas. Vrienden en collega’s organiseerden een herdenking voor de journalist, schrijver, programmamaker, Hindoe van stand en nog veel meer. Een maatschappelijk afscheid dat ergens over ging, een bloemlezing van zijn werk, met o.a. een voordracht van Ramdas’ Brief aan mijn jongere ik uit 2006 door Roger Goudsmit, fragmenten van zijn talkshows Het Blauwe Licht en ZOZ en een bespreking van zijn laatste boek Badal. Behalve erudiet (‘Peter van Ingen had in Zomergasten waar Anil te gast was, moeite om hem bij te benen.’) was Ramdas een geëngageerde, soms zelfs woedende presentator, die de teloorgang van tolerant Nederland nauwelijks kon verdragen. Ook andere tegenstrijdigheden passeerden de revue. Zo maakte hij stijl tot motto van zijn werk en hield hij een beschavingsideaal hoog, maar zette PVV-stemmers weg als ‘white trash’.

Ramdas bleek (voor mij), naast alles wat hij al deed, ook een wegbereider te zijn geweest voor de Bollywood-film in Nederland.

Het eerbetoon was inhoudelijk voorbereid door onder andere presentator Pieter Hilhorst, met medewerking van Amar Soekhlal, Usha Marhé, Stephan Sanders, Sjoerd de Jong, Mohammed Benzakour, Chris Keulemans, Manon Uphoff, Asis Aynan, Sadik Harchaoui en zang van Denise Jannah.

Eigenlijk was de herdenking een ouderwets goed en geestelijk voedzaam avondje Balie. Bedankt!

[van de blogspot van Annemiek Onstenk, 3 maart 2012]

Voor een indringend gesprek van Stephan Sanders met Anil Ramdas bij de OBA klik hier.


dinsdag 28 februari 2012

Anil Ramdas herdacht in De Balie


Op vrijdag 2 maart wordt Anil Ramdas herdacht in het Amsterdamse debatcentrum De Balie, waarvan hij zelf korte tijd directeur was.

Het Sarnamihuis denkt met pijn in hart aan het heengaan van Anil. Anil Ramdas was ongekend veelzijdig; hij was schrijver, televisiemaker, columnist en filmkenner. Hij presenteerde in het Sarnamihuis o.a. prachtige bijdragen over Bollywoodfilms. Anil is van grote betekenis geweest voor de Hindostaanse gemeenschap in Nederland.

Op 16 februari is hij, op zijn 54ste verjaardag, overleden. Het Sarnamihuis, De Balie, MTNL en Forum hebben de handen ineengeslagen om op vrijdag 2 maart een Anil Ramdas herdenking te organiseren. Een twee uur durend programma belicht de rijkdom van zijn intellectuele erfenis. In aanwezigheid van familie, collega's en vrienden presenteert de organisatie een avond met theater, muziek, film, fragmenten uit televisieprogramma’s, interviews. Sheila Sitalsing en Amar Soekhlal gaan onder meer in gesprek over het boek Paramaribo.

Aan het programma dragen verder bij: Stephan Sanders, John Leerdam, Manoushka Zeegelaar Breeveld, Pieter Hilhorst, Sadik Harchaoui, Chris Keulemans, Xandra Schutte en Nuweira Youskine.

Vrijdag 2/3/2012 om 20.00 uur - entree gratis
Co-productie: Het Sarnamihuis, De Balie, MTNL, Forum
Locatie: De Balie, De Balie, Kleine Gartmanplantsoen 10, 1017 RR Amsterdam,
tel: 020 - 5535151 Amsterdam

De bijeenkomst in De Balie, Amsterdam, is inmiddels uitverkocht. Omdat er in Den Haag grote vraag blijkt naar een bijeenkomst rond leven en werken van Anil Ramdas, organiseert het Sarnamihuis in Den Haag, op een later tijdstip, een Ode.

Voor meer informatie volg de website, www.sarnamihuis.nl en het facebook van het Sarnamihuis.

Sarnamihuis
Brouwersgracht 2
2512 ER Den Haag
Tel. 070-365.18.28
E-mail: sarnamihuis@yahoo.com

donderdag 5 mei 2011

Edgar Cairo: de schrijver als schilder

Eerbetoon aan Edgar Cairo

door Connie van Gils

Foto © Michiel van Kempen
De eerste keer dat ik met het werk van Edgar Caïro in aanraking kwam, was tijdens de Suriname-tentoonstelling bij IHLIA twee jaar geleden. Het was een sobere, maar indringende tentoonstelling die de weinige donkere bezoekers urenlang deed blijven rondkijken en lezen. Edgar Cairo hing er ook, o.a. met het mij bij de kladden grijpende Dat boelgedicht (Ik ben een boeler) waarin hij blijk geeft zich verscheurd te voelen tussen de liefde van/voor een man en een vrouw. Naar aanleiding van het gedicht en vragen van klanten heb ik gezocht naar boeken van hem. IHLIA heeft er een aantal in haar collectie, maar verder zijn ze bijna niet meer te vinden.

Enige maanden later bezocht ik het Dolhuys te Haarlem, het nationaal museum voor psychiatrie. Tot mijn verrassing kwam ik Cairo daar weer tegen en wel als een van de beroemdere psychiatrische patiënten (die zelfmoord hadden gepleegd, meen ik, maar dit wordt niet bevestigd in dit boek [Edgar cairo stierf aan een maagbloeding - red. CU]). Er was een herinneringsplekje voor hem ingericht. Er stond bij de informatie over hem, zijn werk en zijn leven niets over zijn homo/biseksualiteit.

Tien jaar na zijn dood in 2000 is er een ode aan hem en zijn kunstenaarschap in de vorm van de documentaire Ik ga dood om jullie hoofd van Cindy Kerseboom, een tentoonstelling van zijn schilderijen en dit bijbehorende boek. De tentoonstelling is inmiddels afgelopen en het spijt mij dat ik deze niet heb bezocht.
Edgar Cairo, de schrijver als schilder bevat, naast een gul aantal reproducties van zijn schilderijen, essays van de schrijvers Van Weelden, Sanders en Van Kempen. Opvallend is de kwaliteit van schrijven. Er is met zó veel zorg geschreven dat het bijna angstvallig lijkt. Alsof één verkeerd geplaatst of gekozen woord een andere waarheid zou kunnen onthullen.

Van Weelden gaat in zijn 'Eenzame koning' los op drie schilderijen van Cairo. Het is een verhelderend beeldend verhaal geworden dat je op een andere manier laat kijken naar de besproken schilderijen, langer en vaker ook.

Stephan Sanders laat zijn ijdelheid deze keer thuis en heeft met zijn 'Creool en creolismen' een fantastisch en liefdevol betoog geschreven over taalpolitiek en de taal van Caïro, een combinatie van Sranang, Creools en Nederlands, van straattaal en academische taal, rap avant la lettre, een taal vol swing en expressie die ertoe neigt uit te monden in onbegrijpelijkheid.

Michiel van Kempen die Caraïbische literatuur doceert aan de universiteit besluit met een essay over het schrijverschap van Caïro dat een enorme productie opleverde, maar onvoldoende erkenning kreeg in de ogen van Caïro zelf.

Neger zijn was Cairo's belangrijkste thema, van negerprins op de kust van Afrika naar negerslaaf, van plantageneger naar stadsneger, van negerstudent in Nederland naar gevierd negerschrijver/columnist en vervolgens weer afgeserveerd, van negerhetero naar negerhomo en weerom. Cairo droeg dit alles in zich en wilde dit alles ook uitdragen in zijn kunst. Een man was hij die veel identiteiten in zich herbergde en deze probeerde met elkaar te verenigen. Uiteindelijk is hij psychotisch geworden.

Edgar Cairo, de schrijver als schilder is een prachtig dun boekje. Wat mijns inziens ontbreekt is een aantal bijdragen van jongeren van nu die zich verwant voelen met zijn werk. Daarover wordt wel uitgebreid gerept, maar er wordt niets mee gedaan. Zij krijgen geen stem, nog geen bladzijde. Het enige Surinaams in het boek is daarom van Cairo zelf, waardoor het geheel nogal Bakra is geworden. Dat is jammer. Iets meer homo had trouwens ook wel gemogen. Cairo had niet alleen een huid en een verleden, maar ook een hart en een tollie die hij beide in zijn werk liet spreken.

Meer over Cairo en zijn homoseksualiteit in de IHLIA-collectie:

Dat boelgedicht (1980)/ Edgar Cairo
Nijmegen: Homoseksuele Uitgeverij Nijmegen (HUN). - 2 p.
Homodok: cat. (cairo/dat) fk

Edgar Cairo: eigenlijk ben ik geen homo; ik ben boeler (1982)/ Klaas Breunissen ; Edgar Cairo
Sek, 12, 5 (mei), p. 3-5
Gesprek met de schrijver Edgar Caïro over homoseksualiteit.


Edgar Cairo: de schrijver als schilder
Voorwoord: Abram de Swaan
Tekst: Dirk van Weelden, Stephan Sanders, Michiel van Kempen
Nawoord: Artwell Cain
Amsterdam: Stichting Cinemaké Foundation, 2010

ISBN: 9078909170


[overgenomen IHLIA]