Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren.
Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
Paramaribo -
De Surinaamse reggaeartiest, Simonia ‘Poppe’ Darson, heeft zondagavond het
Carifesta-podium in Latour gebruikt om een vete die zij kennelijk met een
‘zusje’ zou hebben, te beslechten.
Poppe (Facebook)
Nadat zij enkele hits had laten horen en het publiek met
zich mee had, gleed de topartiest af naar een laag niveau. Poppe besprak de
seksuele behoefte van haar vijandin, die volgens haar onvoldoende werd
bevredigd. Zij adviseerde 'zusje' vervolgens liever seks te hebben met een
paard.
Vanuit het publiek waren er afkeurende reacties, terwijl
anderen dit gedrag stimuleerden. De verantwoordelijken, die aanwezig
waren, hebben de artiest haar gang laten gaan en zij heeft haar optreden
normaal afgerond. "Den kill tak mi kan du mi sani.Ma feti un no mus fu
feti", gaf zij trots aan.
De verloofde van Poppe: van harte aanbevolen
De organisatie zegt het gebeurde te betreuren.
Publiciteitsman van Carifesta Latour Giovanny van Kust geeft aan dat de
organisatie de artiest alsnog zal aanspreken over dit gedrag.
In Latour vonden zondag op twee plekken
Carifesta-activiteiten plaats; op het voetbalveld aan de Latourweg en in het
buurtcentrum Stibula. De activiteit op het veld trok veel jongeren. Naast Poppe
hebben daar ondermeer Kolonel, Koyeba en Damaru opgetreden.
Valt Rita Marley samen
met het beeld dat van haar bestaat als inhalige weduwe die de Marley mythe tegen
elke prijs intact wenst te laten om het familiefortuin veilig te stellen? Of
wordt haar daarmee onrecht gedaan en moet zij worden beschouwd als een vrouw
die de erfenis van haar overleden man zo integer mogelijk probeert te beheren?
Deze vragen bestrijken het domein van Marley’s afterlife Daarover valt veel te zeggen. In zijn biografie Catch a Fire had Timothy White meer dan honderd
pagina’s nodig om de lezer een indruk te geven van de nalatenschap van zijn
hoofdpersoon, de vervolgcarrières van Tosh en Wailer en de conflicten en rechtszaken
waarin familieleden, componisten, managers en producers na Marley’s dood verwikkeld
waren. Rondwandelend op 56 Hope Road ontkwam ik niet aan de indruk dat de
erfgenamen uitstekend wisten hoe zij de naam en faam van Marley te gelde moesten
maken. In de rij voor de kassa reageerden bezoekers vóór mij geschrokken nadat
zij te horen hadden gekregen welk bedrag zij voor een toegangskaartje dienden
neer te tellen. Ook de prijzen van Marley memorabilia en van consumpties in het
Marley café logen er niet om.
56 Hope Road
Wie het Hope Road terrein
betreedt, stuit als eerste op een levensgroot standbeeld van de reggaester, gitaar
in de linkerhand, rechtervuist gebald in de lucht. Op het witgepleisterde
voetstuk zijn schilderingen aangebracht van de I-Threes (Marley’s
achtergrondzangeressen) en Haile Selassie. In hetzelfde omrasterde deel van het
erf draaien twee stenen leeuwen waakzaam cirkels rond een bloemperk. Voor Marley’s
lichtblauwe landrover is een plek onder een afdakje ingeruimd. Een bordje maant
bezoekers zich te realiseren dat de wagen uit 1976 afkomstig is. Na het
inspecteren van het terrein is het even wennen aan de jaren zeventig inrichting
van de villa. De fantasieloze geometrie, het weinig comfortabele meubilair, de
schrilheid van de kleuren, het straalt allemaal een ontnuchterende
alledaagsheid uit. De geest van Marley valt er wel bij te bedenken – in de
keuken, in de slaapkamer, in de opnamestudio – maar dat 56 Hope Road ooit een sprankelend
trefpunt is geweest voor musici, vrienden, kunstenaars, handelaren, profiteurs
en meelopers is wat lastiger voor te stellen. Bij het verlaten van het complex had
ik er geen spijt van het bedevaartsoord te hebben bezocht. Tegelijk kon ik het
niet uit mijn hoofd krijgen dat ik behalve mijzelf toch vooral de portemonnee van
de familie Marley een dienst had bewezen.
Muurschildering van Bob Marley en zijn zonen bij het museum
Peter Tosh
Wat lag er precies ten grondslag
aan de breuk tussen Marley, Tosh en Wailer en hoe moet de rol van producer Chris
Blackwell daarbij worden geduid? De documentaire vertelt het volgende verhaal. Na
het maken van Catch a fire – het eerste album dat de Wailers met Blackwell
maakten – vertrok de groep naar Engeland en de VS om hun muziek te promoten. Na
verloop van tijd kwamen Marley, Tosh en Wailer erachter dat deze concerten de
groep geen inkomsten opleverden. Voor Bunny Wailer was daarmee de maat vol. Hij
hield niet van toeren en voelde zich slecht opgewassen tegen het Britse klimaat.
Nu zijn inspanningen bovendien financieel niet werden beloond, besloot hij na
beëindiging van de optredens in Engeland terug te keren naar Jamaica. Peter
Tosh verliet de band na de Amerikaanse tournee. In een interview waarin hij terugkeek
op het uiteenvallen van The Wailers stak hij de beschuldigende vinger uit naar
Blackwell. Naar zijn zeggen had Blackwell de groepsleden als amateurs behandeld
en geen recht gedaan aan hun talenten. Zij werden volgens Tosh de erkenning en
het respect onthouden waar zij recht op hadden. Op de achtergrond speelden ras-
en klassenverschillen. Blackwell was wit, kwam uit een welgestelde familie en
had de naam een gewiekst zakenman te zijn. Hem stond als eigenaar van Island
Records een commercieel doel voor ogen. Hij was ervan overtuigd dat wilde de
groep kunnen doorbreken in Engeland en de VS de muziek aan de smaak van het grote
publiek diende te worden aangepast. Om die reden bevatte Catch a fire veel
overdubs en was de assistentie ingeroepen van enkele sessiemuzikanten. Blackwell
en andere geïnterviewden in de documentaire stellen dat de breuk terug te
voeren is op verschillen in houding. Marley streefde succes na en stelde zich om
die reden tamelijk meegaand op. Wailer en Tosh waren militanter en veel minder
geneigd tot het sluiten van compromissen.
In het vorig jaar
verschenen The Natural Mystics biedt Colin
Grant aanvullende verklaringen voor het einde van de Wailers. In deze elegant
geschreven karakterstudie maakt Grant inzichtelijk dat Marley, Tosh en Wailer veel
met elkaar gemeen hadden. Opgegroeid in kommervolle omstandigheden op het
platteland – Marley en Tosh zonder vader en Wailer met een zeer autoritaire
vader – waren zij erop gebrand om in Kingston voor het grote succes te gaan.
Het leven in Trenchtown maakte hen streetwise
en leerde hen behalve hun mond ook hun vuisten te gebruiken wanneer dit nodig
was. De band die het drietal formeerde, kende geen leider. Wederzijds
vertrouwen en gedeelde ambities waren het fundament waarop hun activiteiten
rustten. Na een flirt met een rude boy-achtige
leef- en muziekstijl zouden Marley, Tosh en Wailer vanaf de middenjaren zestig
geleidelijk overgaan tot het Rastafari geloof. Aanvankelijk voelden zij zich
vooral aangetrokken door de ermee verbonden vrijheid en gemakkelijke toegang
tot ganja. Geleidelijk gaven meer levensbeschouwelijke redenen de doorslag. Dat
zij alle drie sterke persoonlijkheden waren die, als het erop aankwam, niet
voor elkaar wilden onder doen, bleek toen zij, naast hun werk voor de band, ieder
afzonderlijk een platenlabel begonnen.
Marley brengt de handen van twee politieke rivalen samen: Michael Manley (PNP) en Edward Seaga (JLP) tijdens het One Love Peace Concert in 1978
Vanaf het moment dat The
Wailers met de muziekindustrie in aanraking kwamen, stonden de verhoudingen
binnen de groep onder spanning. Marley werd door studiobazen en producenten niet
alleen gezien als frontman, maar ook als natuurlijke leider van de groep, tot
ongenoegen van de twee anderen. Die weigerden te erkennen dat Marley van de
drie de beste zanger was, de meest aansprekende liedjes schreef, de meest
innemende uitstraling had en het gemakkelijkst communiceerde met de pers. Hij
was geen koekje en in zelfbewustzijn en assertiviteit zeker de gelijke van de
anderen, maar in de omgang minder uitgesproken en rebels dan Tosh en minder
introvert en ontvlambaar dan Wailer. Tosh deed in 1968 in de voorste linies mee
aan de Walter Rodney rellen en zou in 1978 tijdens het One Love Peace concert
niet als Marley politieke tegenstanders met elkaar proberen te verzoenen. In plaats
daarvan blies hij de aanwezige Michael Manley en diens politieke rivaal, JLP-leider
Edward Seaga, provocerend marihuanarook in hun gezicht en pleitte hij met
kracht voor het legaliseren van cannabis. Hoezo vrede? ‘Peace is the diploma you get at the cemetery.’ Wanneer
het hem teveel werd, liet ook Wailer zich niet onbetuigd. Het gebruik van fysiek
geweld tegen malafide producenten was volgens hem onder bepaalde omstandigheden
geoorloofd. Wailer ontstak in woede toen Marley een relatie begon met de
lichtgekleurde actrice, fotografe en model Esther Anderson, een daad die hij
beschouwde als verraad aan de zwarte onderklasse waartoe het drietal naar zijn
zeggen behoorde. Naarmate hij ouder werd, trok Wailer zich voor steeds langere
perioden terug in zijn eenvoudige buitenverblijf, waar hij trouw aan de
Rastafari filosofie en in harmonie met de hem omringende natuur probeerde te
leven.
Esther Anderson
Zoals Grant overtuigend laat
zien, was Marley behalve de meest getalenteerde en sociaal vaardige ook de
meest gedisciplineerde van de drie. Hij was geconcentreerd bezig met
componeren, opnemen en spelen, sliep weinig en liet zich in alles kennen als een
competitief ingesteld man. Het maakt eens te meer begrijpelijk waarom Blackwell
zijn kaarten op Marley zette. Na het verschijnen van het Burnin’ album veranderde
Blackwell de bandnaam in Bob Marley and the Wailers. Daarmee speelde hij de
vrienden definitief uit elkaar. Volgens Tosh koos Blackwell voor Marley vanwege
diens lichte huidskleur met de bedoeling hem als cross-over-artiest bij een
mainstream publiek in de smaak te laten vallen. Zijn conclusie: Marley liet zich
door een gehaaide kapitalist uit Babylon overhalen om zijn zwarte broeders in
de steek te laten voor eigen gewin. Met bitterheid herinnerde Tosh zich dat
uitgerekend híj Marley gitaar had leren spelen. Hij stelde vast dat zijn
inspanningen hem uiteindelijk alleen maar van zijn vriend hadden vervreemd.
Jasmin Karma, een van de vele door Marley beïnvloede artiesten
Met Tosh zou het niet
lang na Marley’s overlijden dramatisch aflopen. In 1987 werd hij in zijn huis
bij een gewapende overval bruut om het leven gebracht. Wailer treedt sporadisch
nog op, maar mijdt de publiciteit. De betekenis van beide musici wordt alom
erkend, maar hun reputatie wordt nog altijd overschaduwd door die van Marley.
Zíjn liedjes spreken onverminderd een breed publiek aan, zijn onderwerp van
studie en worden bij uiteenlopende gelegenheden gespeeld. Als global brand laat Marley in termen van
omzet en impact vele artiesten achter zich. Een documentaire over het naleven
van Marley, kan Kevin Macdonald het op zich nemen die ook te maken?
Marley, de bejubelde documentaire over reggaelegende Bob Marley, is inderdaad een
indrukwekkende film. Vooral de eerste helft van dit muzikale portret, over de
jaren vóór de internationale doorbraak, geven een meeslepend beeld van de
moeizame carrièrestart van Bob Marley, Peter Tosh en Bunny Wailer. De drie
vrienden verruilden in de jaren vijftig het Jamaicaanse platteland voor
Kingston, vastbesloten om het in de stad te gaan maken. Met wisselend succes traden
zij op, brachten zij nummers uit en hielden zij zich staande in de jungle van
de lokale muziekindustrie. Simmer down, de eerste single van hun groep The
Wailers, haalde in 1964 de top van de hitparade. Veel wijzer werden zij niet
van hun gestaag groeiende populariteit. Inkomsten uit hun platenverkoop
verdwenen in de zakken van louche studiobazen en producers. Ook de opbrengsten
uit optredens waren te gering om de armoede van Trenchtown te kunnen ontvluchten.
Volgens Marley bood het westelijk deel van Kingston in de jaren zestig maar één
troost: er borrelden creatieve muzikale ideeën op.
Bunny Wailer, Parijs 1990
In de documentaire zijn overgeleverde
fragmenten uit interviews met Marley verwerkt en worden veel intimi aan het
woord gelaten. Tot deze groep behoren Bunny Wailer (die ook als associate
producer optreedt), Marley’s vrouw Rita, zijn moederCedella Booker en
vrienden, vriendinnen en kinderen van Marley. Zij laten zich op
een openhartige wijze over de reggaester uit. Dat doen ook muzikanten, managers
en producers met wie Marley samenwerkte. Daarnaast hebben veel historische
opnamen in de film een plaats gekregen (het bezoek van Haile Selassie aan
Jamaica in 1966, Marley’s optreden tijdens het One Love Peace concert in 1978,
Marley’s bezoeken aan Gabon en Zimbabwe) en is er op locatie gefilmd. Er zijn
beelden van zijn geboortedorp Nine Miles, van Trenchtown en van 56 Hope Road,
Marley’s villa in uptown Kingston waar hij vanaf de middenjaren zeventig woonde
en dat tegenwoordig als museum dienst doet. En natuurlijk ontbreken de
zinderende concertfragmenten niet en duiken er af en toe minder bekende opnamen
van beroemde nummers op (waaronder een gospeluitvoering van No woman, no cry met Peter Tosh op piano).
Een terugkerend aspect in
de film is Marley’s gemengde afkomst. Als zoon van een blanke vader (een Engelsman
over wie weinig bekend is en die hij nooit zou leren kennen) en een zwarte
moeder (die toen hij zeventien jaar oud was naar de VS emigreerde) was hij in
de raciaal gestratificeerde samenleving een buitenstaander. Hij werd geplaagd
met zijn lichte huidskleur, maar vaker nog afgewezen. Zelf zei hij er over: ‘Ik
sta niet aan de kant van de zwarten. Ik sta niet aan de kant van de witten. Ik
sta aan de kant van God. De man die mij uit zwart en wit gecreëerd heeft.’ Zijn
bekering tot het Rastafari geloof was volgens mensen in zijn directe omgeving een
bevrijding. Hij zou in Ras Tafari (de als God vereerde Ethiopische keizer Haile
Selassie) de vader hebben gevonden die hij een leven lang had gezocht. Volgens Rita
Marley was haar man vanaf dat moment niet langer gemengd, maar zwart en Afrikaan.
In 1970 zou Marley in het liedje Corner Stone die omslag pakkend onder
woorden brengen. De steen die de bouwer verwierp, was een hoeksteen geworden.
Melanoom onder grote teen
Zijn gemengde afkomst en
geloof zouden een doorslaggevende rol spelen toen in 1977 werd vastgesteld dat Marley
een melanoom aan de grote teen van zijn rechtervoet had. Amputatie was volgens
artsen geboden om de huidkanker effectief te kunnen bestrijden. ‘Zijn blanke
genen waren de oorzaak van zijn melanoom, niet zijn zwarte genen’, merkt Rita
Marley in de documentaire gedecideerd op. De behandelende geneesheren kregen
van de Marley’s geen toestemming om de noodzakelijke medische ingrepen te verrichten.
Volgens Rastafarians is het lichaam een tempel van Jah en mag de integriteit
ervan niet worden geschonden. De verwaarlozing van zijn ziekte en de
ontoereikende behandeling die erop volgde, zouden in 1981 leiden tot Marley’s
vroegtijdige dood. Een half jaar vóór zijn overlijden had hij zich laten dopen
in de Ethiopisch Orthoxe Kerk. Voor de toetreding tot deze gemeente wordt in de
documentaire geen verklaring gegeven. Bij het organiseren van Marley’s
staatsbegrafenis werd er wel rekening mee gehouden. De plechtigheid bevatte verwijzingen
naar het christendom èn het Rastafari geloof.
Regisseur Kevin Macdonald lijkt zich te hebben voorgenomen alle hoogtepunten
uit het leven van Marley in de documentaire voorbij te laten komen. Dit gaat
onvermijdelijk ten koste van de verdieping, ook bij een filmlengte van bijna
tweeënhalf uur. Controle van de kant van de familie Marley en producer Chris
Blackwell zal eveneens van invloed zijn geweest op de vluchtige behandeling die
een aantal zaken ten deel is gevallen. Blackwell en zoon Ziggy Marley treden op
als uitvoerend producent en hebben zich kennelijk op voorhand tegen al te veel reuring
willen indekken. Kijkers die het naadje van de kous willen weten, zullen dat
als een gemis ervaren. Een voorbeeld.
Rita Marley
Wie zat er in 1976 achter
de moordaanslag op Bob Marley? In een in de film gemonteerd interviewfragment
weigert de zanger/musicus hierop een rechtstreeks antwoord te geven. Hij wijst ‘de
duivel’ als dader aan, maar – zo voegt hij eraan toe – ‘God beschermt je’,
verwijzend naar de omstandigheid dat hij de aanslag op 56 Hope Road overleefde.
Andere geïnterviewden laten weten dat de regering van Michael Manley de
reggaelegende had gestrikt voor het geven van een gratis concert en kort daarna
bekend maakte dat er diezelfde maand verkiezingen zouden plaatsvinden. Had
Marley dit van tevoren geweten dan had hij nooit in een overeenkomst met de
regering ingestemd. Want nu laadde hij onbedoeld de verdenking op zich dat hij
Manley en zijn PNP politiek steunde. De aanslag – waarbij Bob en Rita Marley en
familievriend Lewis Griffith licht gewond raakten en manager Don Taylor zware
kwetsuren opliep waarvan hij als door een wonder herstelde – was voor Marley
geen reden het concert af te gelasten. Maar na het optreden nam hij een radicaal
besluit. Teleurgesteld door het aanhoudende politieke geweld in zijn land vertrok
hij naar Engeland. Daar verbleef hij gedurende achttien maanden in vrijwillige
ballingschap.
Er zijn aanwijzingen dat politieke tegenstanders van Manley, verbonden met de
JLP, achter de aanslag op Marley zaten, maar dit is nooit bewezen. De gids die
ik er in 2008 tijdens een rondleiding op 56 Hope Road naar vroeg, weigerde erop
in te gaan. Eerder had hij nog bevlogen verslag gedaan van de beschieting van
de ruimte waar Marley en de zijnen voor het concert aan het repeteren waren
geweest. Nu vroeg hij als bij toverslag aandacht voor de blender in de keuken
van de reggaekoning. Was Marley naïef geweest door met Manley in zee te gaan? Had
hij onvoldoende beseft dat die link (ongeacht of er verkiezingen in aantocht
waren) hem verdacht maakte in de ogen van diens opponenten? Hoe serieus moeten
wij Marley’s tegenwerping nemen dat hij met geen van de twee partijen
sympathiseerde, dat hij politiek geweld verafschuwde en dat hij als toegewijd
Rastafarian geen enkel vertrouwen had in de politiekvoering in Babylon? Manager
Don Taylor zou in 1987 tijdens een rechtszaak in New York verklaren dat de
aanslag behalve een politieke ook een zakelijke achtergrond had. Marley werd er
volgens hem van verdacht met de winst van gemanipuleerde paardenraces vandoor
te zijn gegaan. Bovendien was hij verwikkeld in een conflict over de rechten op
een aantal van zijn liedjes. Taylor – die tussen 1974 en 1979 van Marley een
man in bonus maakte – liet weten dat de zeven schutters ‘door onze vrienden in
het getto’ waren berecht en uit de weg geruimd. Justitie was er niet aan te pas
gekomen. Sprak Taylor de waarheid? Bekend om zijn grootspraak en in 1979 op
beschuldiging van bedrog door Marley aan de kant gezet als manager, kan hij
redenen hebben gehad om zaken op te blazen en de rol van Marley een hem welgevallige
invulling te geven. Maar zeker weten doen we het niet.
Jah
Hoe ging Rita Marley om
met de vrije seksuele moraal van haar man? In de documentaire is de reactie van
de echtgenote soeverein. Zij was naar eigen zeggen niet alleen de eerste onder
zijn vrouwen, zij was de status van vrouw ontstegen en zijn beschermengel
geworden. Hun huwelijk draaide niet zozeer om de instandhouding van een persoonlijke
relatie, maar diende een hoger doel: mensen inspireren met de bedoeling hen dichter
bij Jah te brengen. Zoveel onbaatzuchtigheid kunnen de geïnterviewde kinderen niet
opbrengen. Een van hen laat met veel gevoel voor understatement weten: ‘Bob Marley
was geen overbezorgde vader.’ Als hij er al was, dan ging hij in de beleving van
zijn zonen en dochters tamelijk ruw met hen om. Hij daagde hen uit voor een
partijtje hardlopen of voetbal, maar vermeed intiem contact. De documentaire
houdt het erop dat Marley elf kinderen bij zeven verschillende vrouwen verwekte.
Gelet op wat andere bronnen melden, is dat een conservatieve schatting. Volgens
de geïnterviewden lag voor vrouwen de aantrekkingskracht van Marley in zijn
verlegenheid. Vrouwen kwamen naar hem toe, hij hoefde hen niet het hof te maken.
Er zijn fragmenten in de film die dit weerspreken.
Paramaribo - De Frans-Guyanese artiest met Surinaamse roots General D heeft met zijn nieuwe single Ay Na Yu plagiaat gepleegd. Volgens gospelzangerenrapper-Epee is het oorspronkelijk zijn lied. Het nummer zou gejat zijn van het album Hopo da Hemel dat in 2009 uitkwam. “Er is bijna niets veranderd aan het lied. De melodie is nog hetzelfde alleen de tekst is een beetje veranderd”, reageert Epee.
“Ik heb heel veel telefoontjes van mensen gekregen die het hebben opgemerkt. De meeste bellers denken dat het mijn lied is”, vervolgt hij. De gospelrapper zegt geen juridische stappen te zullen ondernemen. Hij zoekt eerst het pad van onderhandeling. Ondertussen vernemen we dat Epee en General D al on speaking terms zijn. General D - die eigenlijk Danny Alasa heet - lanceerde een week geleden tijdens een korte promotietour in Suriname Ay Na Yu die hij samen opnam met de Jamaicaanse reggaeartiest Turbulence . Van het nummer is ook een videoclip op de lokale tv-zenders te zien. General D ziet de lancering van Ay Na Yu in Suriname als een eerste stap naar meer naamsbekendheid. Het nummer is door de media op Jamaica al goed ontvangen.
Hieronder (zie link) mijn verwerking van een gedicht van de in 1948 op Saba geboren Wycliffe Smith (foto rechts). Het betreft het gedicht ‘I died’. Dit gedicht is gepubliceerd in de gedichtenbundel A voice from W-inward (1976) waarmee Smith debuteerde.
Het gedicht ‘I died’ sprak mij in deze bundel het meeste aan, hoewel er ook andere lezenswaardige in staan. De schoonheid (of kracht) van het gedicht ‘I died’ zit naar mijn mening in de dramatiek ervan, en de interessante vermenging van Caraïbische, zwarte en persoonlijke geschiedenis die het lijkt te verwoorden.
Ik heb er een song van gemaakt - door mezelf gezongen - op een Jamaicaans reggae “riddim” (instrumental), en heb ter vorming van een refrein wat Rastafari-verwijzingen toegevoegd, welke ik wel in lijn vond met de algehele strekking van het gedicht.
Het Jamaicaanse riddim waarop ik zing is het “viool-rijke” Nylon riddim, o.m. succesvol op gezongen door bekende Jamaicaanse artiesten/vocalisten Sizzla (song ‘Chilling In Chile’) en Busy Signal (song ‘Trading Places’). Deze nummers zijn vanuit muzikaal/vocaal oogpunt waarschijnlijk interessanter of beter dan mijn song erop – ik erken het -, met name het catchy ‘Chilling In Chile’ van Sizzla (hoewel Busy Signal’s ‘Trading Places’ tekstueel ook interessant is). Het ging er mij echter vooral om het gedicht ‘I died’ meer exposure te geven, via een andere Caraïbische (Jamaicaanse reggae) connectie die mij wel leuk leek.
In de dia-video zijn (recente) foto’s van Wycliffe Smith en Saba te zien en in de Info staat de gehele tekst (en dus het gedicht)
Ter nagedachtenis van de 67ste geboortedag van Bob Marley, presenteert Caribbean Creativity, in samenwerking met Each One Teach One, de vijfde editie van Rootical Vibrations op vrijdag 10 februari. Het evenement vindt plaats in Studio/K en bestaat uit de Europese première van de aangrijpende documentaire Bad Friday: Rastafari after Coral Gardens en een Roots Reggae afterparty met The Skankin' Monks en Drunken Lion Sound System.
Bad Friday is een nieuwe documentaire die zich richt op een Rastafari-gemeenschap in westelijk Jamaica die elk jaar het Coral Gardens-incident herdenkt. Dit incident vond net na de onafhankelijkheid van Jamaica in 1962 plaats, toen de Jamaicaanse overheid honderden Rasta’s arresteerde, gevangen zette en martelde. De film documenteert de schokkende geschiedenis van geweld tegen Rasta’s in Jamaica door de ogen van de meest iconische Rastafari-gemeenschap en laat zien hoe mensen herinneringen van traumatische gebeurtenissen gebruiken om nieuwe mogelijkheden voor een gezamenlijke toekomst te creëren.
De vertoning van Bad Friday wordt gevolgd door een Q&A met de filmmakers, Deborah A. Thomas and Junior “Gabu” Wedderburn, die speciaal voor de Europese première naar Amsterdam afreizen. Na afloop, rond 22.30 uur, gaat de avond en nacht (tot 3 uur!) door met een Roots Reggae afterparty met een optreden van de Amsterdamse reggaeband The Skankin' Monks en de groovy DJ’s van Drunken Lion Sound System.
De vijfde editie van Rootical Vibrations, getiteld “Rasta Struggles”, wordt gehouden ter nagedachtenis van Bob Marley’s 67e geboortedag (6 februari 1945). De muziek van Bob Marley bracht de Rastafari-beweging internationale bekendheid. Zijn reggae zorgde voor wereldwijde (h)erkenning van Rastafari in een periode dat Rasta’s in Jamaica nog steeds werden geteisterd door aanvallen en vervolgingen van de Jamaicaanse overheid.
Howard Campbell spoke to Ky-Mani Marley about his new biography, Dear Dad, for the Jamaica Gleaner. Here are some excerpts, with the link to the complete article below.
Although he is the son of music royalty, Ky-Mani Marley says life has not always been a bed of roses. The 33-year-old singer/actor tells his story in Dear Dad, his autobiography to be released February 6, just in time to celebrate his father’s birthday.
Marley is best known for minor hit songs like Dear Dad and Warriors and roles in movies such as One Love, as well as starring in a hit reality show on Black Entertainment Television (BET). But he says his childhood was difficult, even though his father was reggae superstar Bob Marley.
“I’ve lived a life many cannot imagine. Many people don’t even know half the things I’ve been through,” Marley told The Sunday Gleaner.
In Dear Dad, he revisits those years of strife. He said he lived with his mother Anita Belnavis in a two-bedroom board house in her hometown of Falmouth, Trelawny, where he was born. Belnavis was a leading table tennis player in the Caribbean in the 1970s, and one of several women with whom Bob Marley had children outside of marriage.
Marley said things did not improve after he and his mother moved to Miami, Florida, when he was nine years old. They lived in the tough, crime-prone community of Liberty City, scene of many riots during the 1980s. “That was another two-bedroom house worse than where we were living in Jamaica,” he said.
Life changed for the better in 1994, 13 years after his father’s death from cancer at age 36. He gained a considerable financial settlement from the Marley estate, which, among other things, provided for Bob’s ‘outside’ children. “I can tell you that that was a big relief for me, my mother, my auntie. We were living on nothing, really,” Marley recalled.
He also comments on his relationship with his father’s wife, Rita, and her children for Marley but stays clear of sensationalism.http://www.blogger.com/img/blank.gif
“I tell the truth; I’m not stepping on toes to create conflict. But I tell no lies,” he said.
Dear Dad, which will be distributed in five languages, was done with the assistance of a professional writer. It will be released in association with Dr Farrah Gray, the influential African-American empowerment guru who lives in Las Vegas, on what would have been Bob Marley’s 65th birthday.
Several Marley biographies have been written since the singer’s death.
Zoetermeer maakt zich op voor de 8ste editie van het reggaefestival Rastaplas op 30 juli. De absolute headliner dit jaar is roots reggae-vocalist Harry Mo (Maagdeneilanden), die op Rastaplas aan zijn langverwachte eerste Europese tournee begint. Het onderstreept de status van Rastaplas: het is langzaamaan uitgegroeid tot een van de grootste openluchtreggaefestivals van Nederland. Uitgangspunt blijft echter dat Rastaplas voor alles een gezellig, laagdrempelig familiefeest moet blijven.
Rastaplas is er uiteraard trots op dat Harry Mo (foto rechts) zijn Europese debuut onder eigen naam op dit sfeervolle festival aan de Noord AA maakt. Er is een strand, zwemwater, een bosrijke omgeving, en dus ook de aansprekende roots reggae van Harry Mo, die diepe indruk maakte met de albums Runaway Slave en Back To Africa.
Mo leerde spelen op het eiland Dominica. Instrumenten worden hier eigenhandig gemaakt, en de sound in dit eiland waar nog geen elektriciteit is aangelegd, is Afrikaans georiënteerd. Mo bouwde stapje voor stapje aan zijn carrière. Als geluidstechnicus en vervolgens backing vocalist/toetsenist reisde hij met de L.A.-reggaestar Boom Shaka overal ter wereld op.
Andere artiesten op het hoofdpodium zijn Star David (roots reggae uit Rotterdam), Wahwahsda (winnaar van Benelux Reggae Contest) en de talentvolle jonge Amsterdamse zangeres Leah Rosier. Al met al een uitgebalanceerde line-up met een topartiest en aankomende talenten.
In de Dub Area is het podium voor verschillende sound sistems, waaronder de Belgische sensatie Dub Front Association en Crucial Warrior Sound. Vinylfreaks rael, Jan en Serge komen met gasten obscure tracks en persoonlijke favorieten draaien. Veelal roots reggae, maar ook early dance hall, zo valt te verwachten.
Naast de muziek, is er een kleurrijke RastaMarket, boordevol kraampjes, w.o. gezellige eetgelegenheden. Voor de kinderen is er een springkussen, er kan worden gevoetbald, en bij mooi weer is er het traditionele strandvertier aan de Noord AA. Door het wegvallen van verschillende sponsors, moet dit jaar helaas een bescheiden toegangsprijs (€10,-) worden gevraagd. Kinderen tot 12 jaar hebben gratis toegang.
Rastaplas vindt dit jaar voor het eerst op zaterdag plaats, zodat de concerten twee uur langer door gaan (tot middernacht). Dit is ook prettig voor de vele buitenlandse bezoekers: circa 70% van de bezoekers komt van buiten Zuid-Holland, met opvallend veel bezoekers uit België. Bij mooi weer worden 3.000 bezoekers verwacht.
Rastaplas: 30 juli. Toegang: €10,-. Aanvang festival: 13:00 uur. Einde 24:00 uur. Kinderen tot 12 jaar gratis entree. Locatie: Recreatiegebied Noord AA, Kooienswater 1, 2715AD Zoetermeer. Programma-informatie www.rastaplas.nl
Buju Banton, de Jamaicaanse zanger die eerder dit jaar nog een Grammy ontving voor zijn album Before the Dawn is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar wegens zijn rol in het opzetten van een cocaïnedeal in 2009.The rechtbank van Tampa legde de zanger, die in het echt Mark Myrie heet, ook vijf jaar reclassering op na zijn gevangenisstraf.
Banton heeft altijd gezegd dat hij alleen maar heeft opgeschept over de deal. Hij zou nooit geld erin hebben gestopt of ervan hebben geprofiteerd. Het bewijsmateriaal, nodig om hem te kunnen veroordelen, bestond voornamelijk uit video- en audio opnames. Een informant ontving hiervoor 50.000 euro.
In februari werd Banton veroordeeld voor samenzwering voor het bezit van cocaïne met de intentie tot het verspreiden ervan, drugs dealen en wapenbezit. Hij werd toen vrijgesproken voor een vierde aanklacht voor drugsbezit. Dit was overigens de tweede keer dat Banton voor de rechtbank verscheen. In september vorig jaar kreeg de rechtbank het niet voor elkaar om hem te veroordelen.
Several biographies have appeared on Bob Marley by now. The recent work titled ‘I & I : the Natural Mystics: Marley, Tosh and Wailer’ (2011) by Colin Grant, is partly another one, moving thus on a well-trodden path. Yet it is more than that, and is more original. Actually, it’s a biograhy of the Wailers, all three original Wailers: including Bunny Wailer and Peter Tosh - to an equal degree - elaborating on the developing relationships between Bunny, Bob and Peter, as well as of these three with other influential persons in Jamaican music and society, such as studio owner Coxsone Dodd, Rasta ”leader” Mortimmo Planno, Joe Higgs, Chris Blackwell and others.
Thus, you get the combined life stories of the three original Wailers who met in the ghetto of Trench Town in Kingston, Jamaica, up to international stardom of Bob and later careers (and lives) of Peter and Bunny. The author, Colin Grant, knows how to write. He has the ability to write engagingly, humourously and at the same time educationally. I noticed this already with one of my favourite books, also by Grant: ‘Negro With a Hat : Rise and Fall of Marcus Garvey’ (2008), a biography of Marcus Garvey.
A difference with the book on Garvey is that in ‘I & I’ Grant interchanges information and stories on the Wailers’ lives with his personal travel experiences in Jamaica. A great skill of Grant is further the way he elucidates the essence of human relationships, in such a way that all dilemmas and complexities of human beings come to the fore in an insightful manner. Jah knows that all three Wailers are/were interesting, strong personalities.
He furthermore places these personal stories in the context of Jamaican history, culture, and Rastafari’s development in Jamaica, including in Trench Town. Rastafari is mostly discussed socially and less spiritually. How the three Wailers “converted” to Rastafari gets attention, but less why. That is a criticism I can give to an otherwise outstanding work. Bunny Wailer’s and Peter Tosh’s fathers were both ministers of local (Protestant Christian) churches, and were generally raised in a Christian context, as was Bob Marley. The social dilemmas of turning Rasta in conservative Jamaican society are well-described in the book. Rastas were often seen as undesirable outcasts, made to pay social prices for their alternative, rebellious thinking and way of life.
There are thus various threads in this work, skilfully intertwined and combined by Grant, and based on various sources, biographical, press, archival, strictly scholarly etcetera.
Especially on Bunny Wailer's and Peter Tosh's lives and backgrounds not much is widely known. The information on Bob Marley is more known to more experienced “reggae readers”, but is presented from another perspective.
I considered the most interesting parts the Wailers’ dealings with producers, such as Coxsone Dodd, the depictions of ghetto life in Trench Town around the 1960s, as well as the added background knowledge on Jamaican history and on cultural and social customs, such as the value placed on having many children or several women. Information on or anekdotes illustrating Bunny's, Peter's, or Bob’s personal character, attitude or temperament are very interesting to read as well, as are Grant’s memoirs while travelling. How growing up in the ghetto necessarily “roughened” the characters of the Wailers becomes clear, as do influences from other life experiences, such as gaol time for Bunny Wailer (accused of ganja possession).
Rastafari reference in Trench Town, which I visited in 2008. Not far (around the corner) was the “yard” where Bob Marley lived
A well-written and insightful work that may be interesting for Marley “novices”, but also for those who know already more about the Wailers and reggae history.
Still, on a sidenote, a thought repeatedly came in my head, while and after reading this work: it is time for a biography on other “icons” of Jamaican musical history, equally well-written and insightful. I mean, more scholarly, and not superficial biographies. The names Dennis Brown, Gregory Isaacs, Joseph Hill of Culture, Mikey Dread, Lucky Dube, Alton Ellis, Yabbi You, Sugar Minott, Coxsone Dodd, I Roy, Garnett Silk, Augustus Pablo, Hugh Mundell, Jacob Miller, Junior Delgado - all unfortunately no longer among us - come to my mind.
The lack (largely) thereof may be explained by commercial/marketing reasons, problematic often also in academic circles. A market beyond (albeit international) reggae enthusiasts for a more thorough biography on, say, Mikey Dread or Hugh Mundell, should maybe not be exaggerated, but it’s the loss of that wider public. Jah knows that their lives in themselves are surely interesting and multidimensional enough for an insightful elaboration. Even, I think, for a monography/book and not just a shorter article. At least a combined biography (like Grant’s book) seems an option.
The sudden (natural and unnatural) deaths of many of these illustrate issues of their lives. In general, - as one of the world’s sad truths - the poor and hard-working die younger. Drugs (cocaine) or other habits may furthermore exert influence. The causes of these artists' mostly premature deaths ranged from cancer, other, suddenly fatal diseases (cardiovascular, lung-related or otherwise), as well as car accidents (Jacob Miller) or being shot (Hugh Mundell and Lucky Dube). One’s death often – though not always - says something about one’s life, while on the other hand these artists “live on I-tinually”, such as through their music. Well worth biographies!
Several of these deceased artists I mentioned grew up in Kingston ghettoes (Trench Town or other), though there are variations. Joseph Hill came from outside Kingston (Linstead, near Spanish Town I believe), Mikey Dread also (from Portland), while Augustus Pablo had exceptional middle-class ties and an equally exceptional Indian background. How they started in music, their developing career, how they grew up, family and other social relations, personal beliefs: all interesting.
Still, the biggest, international name of reggae remains Bob Marley, that is a fact also in 2011. The biggest and therefore most “marketable” name. At the very least Colin Grant’s book, by discussing e.g. also Bunny Wailer’s and Peter Tosh’s post-Wailers work, treats Marley in a broader reggae and social context than other biographical works on Bob, adding to its quality, and, perhaps, necessity. Recommendable.
I & I : the Natural Mystics: Marley, Tosh and Wailer: Colin Grant . – 305 p. – London : Jonathan Cape, 2011. ISBN: 9780224086080
Op vrijdag 27 mei 2011 presenteert Caribbean Creativity in samenwerking met Each One Teach One en Studio/K de derde editie van Rootical Vibrations, een avondvullend evenement waarbij Roots Reggae en Rasta Livity centraal staan.
De avond begint om 20:30 uur met een Nyabinghi welkomstsessie, gevolgd door de Nederlandse première van Awake Zion. Deze unieke documentaire, gemaakt door filmmaakster Monica Haim, verkent de onverwachte connecties tussen Rastafari en het Jodendom. De film laat zien dat beide religieuze culturen, alhoewel ze op het eerste gezicht veel van elkaar lijken te verschillen, opvallende overeenkomsten vertonen. Haim, een Joodse reggaeliefhebster, zal tijdens de voorstelling aanwezig zijn en na afloop vragen uit het publiek beantwoorden.
Na de film en Q&A, zo rond een uurtje of elf, wordt de zaal omgebouwd tot club en gaat de avond swingend verder met live optredens van Raphael en Leah, twee opkomende Amsterdamse reggaeartiesten. Rond middennacht neemt DJ Rastology het stokje van ze over met Strictly Roots Reggae classics tot diep in de nacht. Voor de feestgangers die even willen uitrusten tussen al het dansen door, is er een markt met ital food en reggaemerchandise.
Datum: Vrijdag 27 mei 2011 Tijd: 20:30 – 3:00 uur Film: Awake Zion (incl. Q&A met regisseuse Monica Haim) Live acts: Raphael en Leah Sound System: DJ Rastology Entree: €10 (film plus feest) of €6 (na 23:00 uur, alleen feest) Adres: Timorplein 62, Amsterdam Oost (bus 22, tram 14) Reserveren voor de film kan via Studio/K (tel. 020-6920422). Meer info: www.studio-k.nu, www.caribbeancreativity.nl, www.awakezion.net
De inspirerende uitspraak van reggae-legende Bob Marley ‘One good thing about music: when it hits you, you feel no pain’ geeft aan waar het allemaal om draait tijdens het Barbados Reggae Festival, namelijk genieten van originele reggae muziek. Het festival vindt plaats van 25 april t/m 1 mei.
Dit jaar heeft de organisatie internationaal superster en muziekfenomeen Wyclef Jean weten te strikken voor een van de vele acts op het Barbados Reggae Festival 2011. Het is de zevende editie en het festival heeft een reputatie opgebouwd bij zowel de lokale bevolking als bij reggaefans over de hele wereld. Het is dan ook het grootste reggae event buiten Jamaica, de oorsprong van deze muziek.
Op maandag 25 april begint het festival met de Reggae Beach Party op het pittoreske strandje Brandon’s Beach. Hier treedt Grammy Award-winnaar en reggae-zanger Bennie Man op samen met de ‘Queen of the Dance hall’ Lady Saw. Andere namen die voorbijkomen zijn Peter Ram, Jon Doe, Peter Coppin en Kirk Brown. Op woensdag 27 april is het Garfield Sobers Gymnasium in St. Micheal de place to be. Hier wordt de Vintage Reggae Show and Dance georganiseerd, erg populair onder de wat oudere generatie reggaefans vanwege de legendarische artiesten uit de jaren ‘60, zoals Fab 5 Band, Boris Gardener, Barrington Levi, Ken Boothe en Eric Donaldson. Ook Biggie Irie en Lil’Rick uit Barbados treden hier op. Verder vindt op vrijdag 29 april Bajan Reggae Night plaats waar de grootste namen uit de lokale reggae scene meer dan 20 optredens zullen geven. Op zaterdag 30 april is de bijzondere Reggae Party Cruise. Deze cruise geeft reggaefans de mogelijkheid om de artiesten te ontmoeten die de volgende dag optreden op Reggae on the Hill.
Reggae on the Hill is hèt hoogtepunt van het hele festival en vindt plaats in het historische Farley Hill National Park. Jaarlijks komen hier ongeveer 12.000 mensen op af en dit jaar wordt dat gevierd met de komst van superster Wyclef Jean. Andere namen zijn Sizzla, Queen Ifrica, Gyptian en Junior Kelly. De echte Bajan reggae artiesten zijn er ook, zoals Daniel, Lisa Angel, LRG, Buggy Nhakente en de Fully Loaded Band. Voor meer informatie zie: www.thebarbadosreggaefestival.com
Tanya Stephens, Jah Cure en Chaka Demus (op de foto's van boven naar beneden) treden op tijdens het Rotterdam Reggae festival op eerste paasdag in Ahoy in Rotterdam. Dit heeft de organisatie dinsdag bekendgemaakt.
Het festival vond al drie keer plaats in Amsterdam onder de naam Amsterdam Reggae Festival en krijgt een vervolg in Rotterdam. Ook Vybz Kartel staat op het podium in Ahoy. Hij had hits in Jamaica en werkte samen met Jay-Z, Rihanna en Eminem.
De Nederlandse band Punky Donch staat tussen de internationale artiesten op het festival. Punky Donch maakt reggae met Caribische invloeden, hiphop en rock.
Now that their usual gay rights target, reggae star Buju Banton, is under house arrest and facing a new drug trial, rights activists are turning their attention to another reggae singer, the Caribbean World News site reports.
Last Sunday, over four dozen gay activists showed up outside Harlow`s, a restaurant and nightclub in Sacramento, California, to protest the performance there of reggae star, Capleton.
The protesters accused Capleton of using anti-gay lyrics in his music, including words like `kill` and `burn` in reference to cleansing the world of homosexuality.
Capleton`s manager insists critics have mistranslated his lyrics. Similar claims have been made against Banton, born Mark Anthony Myrie, for his lyrics.
`We`ve had a lot of suicides; youth suicides because of hate speech that kids are inundated with sometimes,` Ken Pierce of Equality Action NOW, a gay rights organization, was quoted as saying of the protest.
However, the show went on despite the protest with Harlow`s Victor Torza, one of the managers of this family owned business, stating, `We`ve never censored anyone else; any other artist before. I don`t see a reason to do so now. Never in the history of booking the shows have we censored anyone because of their lyrics and what not. So, we`re sticking to our guns on this.’
De verontreiniging van de Marowijnerivier - de grensrivier van Suriname en Frans Guyana - als gevolg van het gebruik van kwik (le mercure) bij de goudwinning, is een ernstige bedreiging voor het woongebied van de Wayana-inheemsen. De problemen in Oost-Suriname bezongen door de Wayana Boys, Mercury Reggae, op Youtube.
On the occasion of the 80th anniversary of Selassie’s Coronation, Caribbean Creativity in collaboration with Each One Teach One and Africa in the Picture present Rootical Vibrations: Rasta Journeys in Het Ketelhuis (Amsterdam) on Friday November 5,. The event will start at 20.00 hrs (8pm) with a Nyabinghi chant followed on 20.30 hrs (8.30pm) by a screening of the rare Rasta docu drama The Journey of the Lion (1992) and a sneak preview of the new documentary RasTa: A Soul’s Journey (2011). Afterwards, the night will continue in the lobby with acoustics vibes by Lenny Ryan and strictly roots reggae selected by Locks-N-Sound and DJ Rastology.
The Journey of the Lion (1992, Fritz Baumann, Jamaica/Duitsland, 90 min.) - Brother Howie is a Jamaican Rastafari who dreams of returning to the land of his ancestors: Africa. On a journey in search of his roots and his identity, he travels through three continents and, with great humor and sensitivity, discovers the world and, eventually, Africa.
RasTa: A Soul’s Journey (2011, Stuart Samuels, Canada, +/-30 min.) - Bob Marley, reggae's most loved icon, was inspired by Rastafari to spread the message of love, peace and unity throughout world. Now, 29 years after his death, his granddaughter, Donisha Prendergast, embarks on a global journey to explore his legacy. She treks through time and geographic space – USA, Israel, Ethiopia, South Africa, UK, India, Canada, Jamaica – to reason with elders and new-school Rastas about the evolution and global impact of Rastafari since its beginnings in the 30's.
Date: 5 November, 2010Time: Entrance from 20.00 hrs, films start at 20.30 hrs Music: Roots Reggae (live act and sound system) Location: Het Ketelhuis (Westergasfabriek, Amsterdam) Prize: € 8,50 More info: http://www.caribbeancreativity.nl/
The importance of Bob Marley for reggae is without question. There is no doubt about it: reggae’s internationalization is mostly due to Bob Marley’s popularity. Reggae was a local music genre that evolved from earlier forms ska and rocksteady in Jamaica, originating as such (with the term “reggae”) first around 1968.
An almost unanswerable question is: if it were not for Bob Marley’s popularity, would reggae have remained a mainly local Jamaican genre? The only external/foreign people “into it” then would be restricted to very unusual and radically alternative “niche” seekers, cultural anthropologists, or those connected through social or familial bonds with locals (somewhat similar to the Surinamese genre ‘kaseko’, or Indonesian ‘gamelan’). This question, while intriguing, is nonetheless useless. For several reasons: not only did Bob pave the way for reggae’s international spread, he was also the first “third world musical super star” paving the way, in a sense, for the World Music genre as such. It’s hard to overstate this importance: an importance which is not absolute or singular, but certainly definite and proven.
Photo left: “Government Yard” (means state-provided housing) where Bob Marley used to live in Trench Town, Kingston. When he had become famous, he went to live in wealthier uptown (see below)
I myself heard some reggae “before Bob”, but really got into reggae in my teens beginning with a Bob Marley album. Bob was by then deceased, but his music lived on, and helped me make me the reggae fan I am now. Not just Bob, however: another album soon following Bob Marley and the Wailers albums I really got into was, for instance, by the Wailing Souls, a band then certainly qualifiable as “authentic” roots reggae (“ghetto sufferers sound”).
In Jamaica there are a Bob Marley Museum (in Kingston) and a Mausoleum (with his Ethiopian-style grave) in his also birth village Nine Miles, parish of St Ann, as well as several other referents, which of course are mostly - but not always – tourism-driven. I’ve been to the museum and mausoleum, as well as to Bob’s once place of residence in the West Kingston ghetto of Trench Town (where the line “inna government yard in Trench Town” in Bob’s song No Woman No Cry refers to). Jamaicans recognize Bob’s importance, as do reggae musicians, evident in many tribute songs and cover versions.
Entrance to the Bob Marley museum in uptown Kingston
View of the Bob Marley museum. Bob lived here later. It also was the home of the Tuff Gong recording studio
Still, despite Bob’s undeniable importance I have an ambivalence about this superior status attributed to Bob within reggae. This is also evident in Jamaica itself where there is a Bob Marley museum, but as yet no broader ”reggae museum” or “reggae centre”, despite the, for a small island, many reggae recording studios (some say about 200!) and many – past, recording, or aspiring - reggae artists, in Jamaica. My ambivalence thus also relates to the fact that I in time got to know a lot of other, earlier, and later reggae artists besides Bob Marley. I got to locate Bob within reggae, rather than above it. Secondly, because of what I got to know about Bob’s career. Particularly emblematic is a documentary I saw under the title: ‘Classic albums : Catch A Fire’ (it is in parts on YouTube). This was on the crossover/breakthrough album of Bob Marley ‘Catch A Fire’ (1973), with which Bob Marley and the Wailers first reached an international audience, such as in the US and Europe. Specifically, it is stated, it reached “rock” fans (however that can be defined…heavy electric guitars come to my mind). White producers, including Chris Blackwell, and white musicians, even active in genres as country, were trying to make the translation to the broader, non-Jamaican “rock” audience, and reach other markets. “Making radio friendly” (outside of Jamaica) was another typical expression made by producers in this documentary.
For some reason I felt irritated by this. Maybe it’s because of the obvious, in essence commercial, “crossover” attempt which can only violate authenticity. Maybe it’s, relatedly, because of the “fooling the public” element in it. As I thought about it I concluded that another reason for my irritation – about an otherwise interesting documentary – was the self-congratulation the producers only barely occulted. Possibly, in addition, I was annoyed because it seemed to tell something I did not want to hear: all the time I considered myself rebellious and open-minded for becoming a true reggae fan, now it turns out that (white) Island producers “prepared” my white man’s/European ears for this exotic sound. That’s too much honour for these Island producers, and I don’t think that this is the case. Even though I must admit that the first Bob Marley album I heard was post-Catch A Fire.
Besides this the documentary showed another important thing about Bob’s career: Bob did not really have the intent to adapt his work to “cross over”, they more or less made him/convinced him to do this. That further convinced me of Bob’s authenticity: this shined through in his work, even if adaptations for other markets were partly audible.
Moreover, another interesting aspect of Bob’s career is the fact that he (himself, not producers) expressed his hope to cross over not just to whites, but also to African Americans in the US. “For obvious reasons” one can say. This effort was overall limitedly successful. Some of his albums seemed to be more popular among (US) African Americans than others, but all in all white liberal university students – not seldom with an affinity for marijuana – seemed a relatively more secure fan base in the US. Bob’s other aim – spreading his music to his motherland Africa – for even more “obvious reasons” (seeing his Rastafari beliefs) was more successful. This was stimulated by concerts in Zimbabwe, Ethiopia and elsewhere in Africa in the latter years of his life, and that certainly helped in making reggae popular in Africa, which it continues to be in the present.
In the very nice and interesting written biography ‘Bob Marley. A life’ (2008) by Gary Steckles Bob’s authenticity was evident, even though he knew he “adapted” to reach a non-Jamaican market. In this biography it is related how Bob Marley played another type of reggae in Jamaica than outside it. Also, it is related how Bob had an interesting life and personality, showed perseverance, and certainly did not have a privileged background, despite having a white father and a lighter skin, which in Jamaica usually was and is associated with higher-class status and more wealth.
All in all, my respect for Bob remained intact. I have objections, however, toward his altered status of “best reggae musician”. This “best” is all too often conflated with “best selling/commercially and internationally successful”, which says little about musicianship or artistry per se. It says – maybe – something about appeal, and much more about marketing. Also those who don’t know much about reggae thus tend to opine this: he was the best reggae artist. My personal opinion is this: he was a very talented (above average) songwriter, with a charismatic and strong personality, who remained connected to the poorer Jamaicans. His strongest musical quality was inventing good melodies, as reggae producer Lee “Scratch” Perry once said about Bob. Besides strong melodies, he further had good, intelligent and appealing lyrics, combined with strong backing music (made with other musicians and the Wailers of course). He had timeless music, such as for the song ‘Heathen’ or other songs, music which I still find to have a magic appeal. The Heathen “riddim” (instrumental), for example, has been recently reused (read: sung/chatted over) by current deejay/singer reggae artists, often to good effect. Also a way to live on..
To my taste, Bob didn’t have the best singing voice in reggae, though it was good enough. Better singers to my opinion in reggae? Donald “Tabby” Shaw of the Mighty Diamonds,
Ijahman Levi, Little Roy, Dennis Brown (R.I.P.),
Don Carlos, Michael Rose, Bushman and several others. These, and others, like Bob have a talent for writing several good songs.
In addition, as online reggae reviewer Mark H. Harris once wrote, Bob "didn’t put out golden material all of the time”: he had more mediocre songs between them, as well as (some, not all) albums with a too “slick” or polished production and sound, possibly reflecting the tension between “crossing over” and authentic roots. A strong point is Bob’s productivity. Unfortunately, he lived only 36 years, but released, since young, a song book of about two hundred songs. Most of these were good. But also that is not so uncommon in reggae.
However, despite this, I can live with the epithet of “king of reggae” for Bob: due to the unusual combination of talent, charismatic personality, and (international) influence.
Op vrijdag 14 mei presenteert Bassculture samen met Caribbean Creativity en Each One Teach One de eerste editie van Rootical Vibrations, een swingend evenement waarbij reggae roots, heartical sounds en bass rhythms centraal staan. De avond begint een vertoning van de reggaefilm Holding on to Jah (inclusief Q&A met de filmmaker) en gaat vervolgens door met een heerlijke muzikale mix van live acoustics en DJ sets. Ook is er een reggaemarkt en exotisch voedsel.
“Rootical Vibrations” begint om 21.00 uur met de Amsterdamse première van de unieke reggae-film Holding on to Jah. Deze nieuwe bioscoopdocumentaire, gemaakt door regisseur Roger Landon Hall en producent Harrison Stafford (Groundation), vertelt het verhaal van de opkomst van rastafari en roots reggae aan de hand van origineel archiefmateriaal en vele interviews met bekende Jamaicaanse zangers en muzikanten. Roger Hall zal tijdens de voorstelling aanwezig zijn en na afloop vragen uit het publiek beantwoorden.
Na de film en Q&A, vanaf een uurtje of elf, gaat de avond swingend verder met een acoustische live act en roots reggae classics. Rond middernacht neemt Bassculture het over met verrassende cross-overs en dikke beats, variërend van cumbia en dubstep tot booty en wonky. De DJ’s zijn DJ Mataklap (Bomb Diggy), DJ Gibbo (Swagga/Cheeky Monday) en DJ Partime Warrior (Bassculture). Hun beats en rhythms worden visueel ondersteund door beelden van bijpassende films. Voor de feestgangers die even willen uitrusten van het dansen is er naast de bar een marktje met reggae merchandise en overheerlijk eten.
Er is geen voorverkoop, kaarten kunnen aan de deur voor 8 euro (film + feest) of, vanaf 23.00 uur, voor 6 euro (alleen feest) worden verkregen. De deuren gaan om negen uur open voor de filmvoorstelling. See you there! Datum: Vrijdag 14 mei 2010 Tijd: 21.00 – 3.00 uur Film: Holding on to Jah (incl. Q&A met de regisseur!) Muziek: Roots reggae, cumbia, dubstep, booty, wonky Live act: Heartical Acoustics DJ’s: Mataklap, Gibbo, Parttime Warriors Entree: € 8,- (film plus feest) of €6,- (na 23.00 uur, alleen feest) Adres: Overtoom 301, 1054 HW Amsterdam Meer info: www.OT301.nl, www.bassculture.nl, www.caribbeancreativity.nl
Op zaterdag 24 oktober vindt in Amsterdam De Baarsjes het allereerste Unity Festival plaats, een groots reggae buurtfeest met live optredens van onder andere Fyan Nation (Ziggy Renaissance Bandmembers), Black Prophet, Fullan NY en Kenny B. Daarnaast kunnen bezoekers zich vermaken met wisselende dj’s, Caribische films, tropische lekkernijen, een sneltekenkunstenaar en verschillende kinderactiviteiten. Het Unity Festival is dus voor de hele familie, en voor jong en oud!
.
Het gratis toegankelijke festival is georganiseerd door United One in samenwerking met de Gemeente Amsterdam en Caribbean Creativity, en vindt plaats van 12.00-20.00 uur in het kunst- en cultuurcentrum Meneer de Wit aan de Baarsjesweg 202. Tot zaterdag de 24e!
Unity Festival
Datum: zaterdag 24 oktober 2009
Tijd: 12.00-20.00 uur
Locatie: Kunst- en Cultuurcentrum Meneer de Wit, Baarsjesweg 202, Amsterdam