Posts tonen met het label Mitrasingh Ben. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mitrasingh Ben. Alle posts tonen

dinsdag 1 april 2014

Leuk boekje over Plantage Mariënburg

Commewijne. Foto © Anne Blondé

door Benjamin Mitrasingh

In de boekhandel is een leuk boekje over de plantage Mariënburg te vinden, alleen schrik je onmiddellijk van de prijs van het boek. Dan is het grote boek van dr André Loor wel redelijk in de prijs. Een compliment verdient zeker de schrijfster van het boek Anne Blondé, maar dan moeten wij ook erbij vermelden dat zij bij elk volgend schrijfproduct van haar wel een nauwkeuriger eindcorrector moet raadplegen. Want het stoort bij het lezen wel enorm, als er bij het woord ‘suikerrriet’ de lidwoorden ‘de’ en ‘het’ door elkaar worden gebruikt. Het woord is ‘het’ suikerriet en dan mag de eenvoudige Toekijan Soekardi in zijn notities wel ‘de’ suikerriet’ hebben geschreven, maar dat mag hij, want het zijn zijn eigen aantekeningen die hij nu nog gebruikt als bescheiden toeristengids van de plantage. Die aantekeningen biedt hij niet te koop aan, wat Anne Blondé wel doet met haar boekje. Hierdoor krijgt haar boekje wel het predicaat van ‘wat zielig, maar wel een leuk boekje’.
Anna Blondé

Sommige fototeksten ontbreken helaas volledig in het boekje en de witte teksten op de foto’s zijn bijna onleesbaar. Want wie zijn de mensen op de foto op bladzijde 92. Die foto is gehaald uit een album van de man op de foto, die alles heeft vermeld behalve zijn eigen naam. Hij was agent op Mariënburg en ergens onthult hij zijn eigen borstbeeld.

Als onderzoekster en schrijfster verdient Anne Blondé wel beter, omdat zij nu al een goed voorbeeld is voor alle politici van het district Commewijne maar vooral ook voor de onaantastbare geniale ‘luchtkastelenbouwer’ van de suikerplantage. In het boekje (bladzijde 54) krijgt het historisch onderzoek naar het massagraf van 1902 ook aandacht en wordt er ook vermeld: ‘de lichamen van de contractarbeiders werden begraven in een kuil met ongebluste kalk, wat het zo goed als onmogelijk maakt iets van hun resten te vinden’. Met deze conclusie heeft Anne Blondé een enorme ondersteuning gegeven aan het werk van het onderzoeksteam op Mariënburg dat steeds dichterbij komt van de juiste lokatie van het massagraf. Voor de boringen zijn nu langere verstelbare ‘Emperor’ assenstaal boren geleend bij de GMD. De archeologie en de Dienst voor Bodemkartering (DBK) werken namelijk met lichtere en kortere galvaanboren.

De foto’s en kleuren schema’s in het boek zijn heel mooi, maar waarvoor Anne Blondé samen met haar vrienden, zeker een dikke pluim verdient, zijn de uitgebreide noten en de gebruikte literatuur in het boek. Die maken het eindeloos zoeken naar de juiste bronnen, en zeker in Nederland, heel makkelijk.

In het verslag van het onderzoeksteam van Stichting Hindostaanse Immigratie zal je straks kunnen lezen wat het woord Mariënburg precies betekent, waar het vandaan komt en hoeveel slachtoffers er op 30 juli 1902 werkelijk ter plaatse zijn gevallen en hoeveel in het ziekenhuis op Mariënburg zijn overleden. Het is ook nog onduidelijk waar opeens de namen zijn verdwenen van de hoofdmoordenaar Budree en waar die van de verzetsleiders Hardat en Wongsoredjo? Als het boek de maand en het jaar van het onderzoek naar het massagraf van 1902 keurig kan vermelden, namelijk als juni 2013, wie gaat dan schrijven over de uitverkoop van Mariënburg en over de minachting en enorme verwaarlozing van de oud-Javaanse arbeiders? Dit proces begon al na de sluiting van de suikerplantage in medio 1985 en in 2013 was dit proces nog steeds in volle gang?

Als Anne dat niet doet, doen wij het wel. Want sinds 1980 praten we in Suriname over de maatschappelijke relevantie van wetenschapsbeoefening en dat stukje hebben wij gemist in het boekje. Jammer, maar de tijd zal ons hopelijk beter leren. Maar aan Anne en aan ‘kan’ Toekijan, in elk geval een heel hartelijk dankjewel voor hun mooi boekje!


Stichting Cultuureducatie 

[van Starnieuws, 1 april 2014]


woensdag 26 februari 2014

Menselijke beenderen bij opgravingen

Paramaribo - Bij het doen van opgravingen op de hoek van de Heffen- en Korte Kerkstraat zijn zaterdag menselijke beenderen aangetroffen en in beslag genomen. Het Bureau voor Openbare Gezondheidszorg was bezig de opgravingen te verrichten toen ze op de beenderen stuitte. De politie werd ingeschakeld en constateerde dat het daadwerkelijk om beenderen gaat. De in ...
beslag genomen beenderen zijn overgebracht naar het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo. Vorige week waren reeds menselijke resten aangetroffen bij het graven van een kuil voor het aanleggen van een vetput op de hoek van de Heeren- en Klipstenenstraat.

Archeoloog Benjamin Mitrasingh zegt dat het niet zozeer om menselijke beenderen hoeft te gaan. "Er zijn vaak beenderen gevonden bij opgravingen en vaak genoeg ging het om dierlijke beenderen", zegt Mitrasingh. Hij heeft de beenderen niet gezien. Mitrasingh vindt het jammer dat hij als archeoloog niet erbij is gehaald toen de beenderen ontdekt werden.

"De ligging van de beenderen is onder andere van essentieel belang om te kunnen constateren als het werkelijk om menselijke beenderen gaat" zegt de archeoloog. Veel meer kan hij niet kwijt over de gevonden beenderen, omdat hij die niet heeft kunnen zien.


[van nospang.com, 26 februari 2014]

vrijdag 31 januari 2014

Spookverhalen op Mariënburg

De Raad van Orzhova, door Velinov

Naast het persbericht over de vermoedelijke locatie van het massagraf van 1902 op Mariënburg, komen volgens onderzoeksleider en archeoloog Benjamin Mitrasingh de spookverhalen nu pas los. Mitrasingh zegt dat het onderzoeksteam aldoor veel pech op Mariënburg heeft gekend en daar heeft tot nu toe niemand ze mee geholpen. Volgens Mitrasingh zijn de spookverhalen echter heel eenvoudig uit te leggen.

“Als men geen buitenstaanders (lees klokkenluiders) wil hebben in een gebied, dan komen deze verhalen opeens los. Uit ervaring weten wij ook dat de ene informant geen kaarten en plattegronden wil afstaan omdat hij daar met geld sjoemelt en van de jagers en vissers weten wij ook, dat elke buitenstaander uit hun jacht- of visgebied geweerd moet worden. In het Blakawatra-gebied werden zelfs de borden van LLB verplaatst totdat men klaar was met jagen en vissen”, aldus de onderzoeksleider.

Het spookverhaal van Mariënburg komt volgens hem erop neer dat jagers en vissers moesten vluchten uit het gebied nabij het massagraf omdat het gehuil en gekrijs van de overledenen ondragelijk was. Mitrasingh weet uit eigen ervaring te vertellen dat hij acht jaar lang op Joden Savanne heeft gewerkt en dat elk spookverhaal van het gebrom in het bos tot en met de vliegende azimma’s, werden ontzenuwd door logisch denken en zeker niet door angst.
De enig bekende foto van een spook gemaakt nabij
 Mariënburg

De ene keer was het gebrom het gesnuif van een tijger die naar een drinkplaats zocht en de andere keer was het een vliegmachine die op Zanderij moest landen. “Een hele tijd zie je de schijnwerpers als twee grote ogen en dan opeens niet meer, want dan verdwijnt het vliegtuig achter de boomgrens en landt dan veilig op Zanderij.

Om de gemoedsrust van de lichtgelovigen op Mariënburg tegemoet te komen, zullen volgens Mitrasingh alle religieuze leiders in de gelegenheid worden gesteld om er te komen en te doen wat men nodig acht voor de rust en vrede op Mariënburg. Want nu gaat het archeologisch onderzoek echt beginnen en dat kan om gebeuren van zonsopkomst tot zonsondergang. Naast de religieuze leiders zullen ook de ‘helderzienden’ er welkom zijn. “Want die zijn nodig voor de betrouwbaarheid van alle kaarten, plattegronden en roddelverhalen van het onderzoeksgebied. Het ‘saaie’ archeologisch werk kan nog spannend worden”, aldus de archeoloog Mitrasingh.

[van GFC Nieuws, 30 januari 2014]


Archeoloog Mitrasingh wil eindelijk kaarten en plattegronden Mariënburg

Mitrasingh roept hulp minister Moestadja in

Archeoloog Benjamin Mitrasingh heeft zich gewend tot minister Soewarto Moestadja van Binnenlandse Zaken, omdat hij eindelijk eens de kaarten en plattegronden van de voormalige suikerplantage Mariënburg wil ontvangen. De documenten zijn nog steeds in het bezit van Michel Sjak Shie, de projectdrager van de Surinaamse Cultuurmaatschappij NV Mariënburg.
 
Bron foto: Mitrasingh.

Moestadja is behalve minister ook partijgenoot van Sjak Shie. Ze zijn beiden lid van Pertjajah Luhur.

In opdracht van de Stichting Hindoestaanse Immigratie zoekt Mitrasingh naar het massagraf van 1902. Al twee jaar timmert hij samen met de stichting aan de weg om dit project van de grond te krijgen. Begin september vorig jaar werden de werkzaamheden voor onbepaalde tijd stopgezet. De archeoloog, die niet te spreken is over het verloop van het onderzoek, zei eerder dat er ‘aldoor sprake is van een soort politieke chantage en powerplay’. Talrijke afspraken met hoge regeringsfunctionarissen ten spijt.

De jongste inspanning van de archeoloog is het inroepen van de hulp van minister Moestadja. De wetenschapper heeft de plattegronden nodig om de mogelijke locatie van het massagraf aan te geven.

Minister Moestadja heeft vrijdag zijn hulp toegezegd. Wat er nu gaat gebeuren, zegt Mitrasingh is, dat ‘we gaan beginnen verklaringen van de oud-bewoners van Mariënburg af te nemen’. Hij roept mensen op die met een beetje zekerheid kunnen vertellen waar het massagraf precies ligt, hun verhaal in de weekenden te komen doen.
 
Ben Mitrasingh
‘Zolang ik geen goed kantoor daar heb, moet ik het voorlopig met een plattegrond en een schoolbord doen op het achterterras van het voormalige recreatieoord’, aldus de archeoloog.

In juni vorig jaar is het onderzoeksteam na veel tegenstand en bureaucratie gestart met de voorbereidingen voor het onderzoek te Mariënburg. Er was al een tracé gekapt langs de oude spoorbaan en er waren schoonmaakwerkzaamheden verricht. Ook waren markeringen geplaatst op de mogelijke liggingen van het graf. De werkzaamheden vorderden ook traag door de zware regens in die periode.

Op 30 juli vorig jaar was het precies 111 jaar geleden dat een aantal arbeiders werd doodgeschoten en in een massagraf werd gedumpt. Over de aard en het aantal slachtoffers zijn er wat onduidelijkheden. Het Koloniaal Verslag van 1903, een jaar na de slachting, praat van 17 slachtoffers. De mensen zijn doodgeschoten tijdens een solidariteitsactie van arbeidscontractanten op het terrein van de suikerplantage Mariënburg.


[uit Obsession Magazine, 21 januari 2014]

dinsdag 14 januari 2014

Werelderfgoed en de Nederlandse cultuurpolitiek

Openluchtmuseum Fort Nieuw Amsterdam. Foto © Mireille Heersma

door Benjamin S. Mitrasingh

Met alle sympathie voor de Stichting Gebouwd Erfgoed kan de directeur ervan, Stephen Fokké hemel en aarde bewegen om Unesco ervan te overtuigen dat het niet de schuld is van zijn stichting dat Suriname onvoldoende aandacht heeft besteed aan zijn twee (monumenten en de natuur) Werelderfgoed-projecten. Dat kon ook niet anders, want het cultuurbeleid van Suriname bevindt zich sinds mensenheugenis in de politieke lappenmand. Geen probleem voor veel ontwikkelde burgers van Suriname, omdat vooral deze hebben geleerd dat ’s lands belang andere prioriteiten kent. De twee en een halve ministers van Financiën hebben dat ook geweten. Dat waren drie Surinaamse academici die ook hart hadden en nog steeds hebben voor de Surinaamse zaak, maar dat stemde niet overeen met het belang van de politieke leiders.
Het Surinaamse cultuurbeleid

In Suriname moeten politici altijd scoren bij het grote publiek, de bekende zogenaamde achterban. Vakbondsleiders kennen dit fenomeen ook maar al te goed; ze mochten nog zo populair bij hun leden zijn, maar als het op stemmen aankomt in de politiek, haalden zij het nooit. Zij werden omhoog getrokken door hun coalitiepartners.

Modderbank 
Dit lot is het Surinaamse cultuurbeleid ook beschoren. Het publiek geniet van alle pracht en praal van de cultuuruitingen van Suriname, maar draagt er zelf nul centen bij. De makers van het monument van Baba en Mai en nu nog steeds de bestuurders van het Lalla Rookh-complex, kennen dit ook maar al te goed; er worden door grote ondernemers en succesvolle bedrijven gouden bergen beloofd maar als het op betalen aankomt, ontdek je dat we eigenlijk nog steeds vastzitten op een modderbank; een culturele modderbank wel te verstaan.

In de cultuursociologie zeggen we dan dat het milieu van de ‘sponsors’ nog niet zo goed ontwikkeld is om culturele projecten te financieren. Het hele Surinaamse cultuurbeleid lijdt hieronder. Al gauw bleek ook dat gestudeerde mensen geen goede culturele bagage hebben en daarom mislukken ook vele leuke culturele projecten.

Nederlandse cultuurpolitiek 
Een slecht voorbeeld is de Nederlandse cultuurpolitiek in het buitenland. In alle gevallen ging het eerst om het Nederlandse belang en dat moeten Surinamers ook nog leren, bij alle buitenlandse hulp moet het belang van de gever altijd zijn gediend. In het september nummer van de Nederlandse National Geographic wordt in een aparte bijlage ‘Werelderfgoed van morgen’ aandacht besteed aan het Nederlandse erfgoed. Suriname en Indonesië worden in de bijlage wijselijk verzwegen, blijkbaar vanwege hun ‘politieke’ onafhankelijkheid. Maar in de bijlage staat al in de intro een pleidooi voor het plantagesysteem van West-Curaçao, het Marine Park op Bonaire en de Mount Scenery op het eiland Saba, die moeten worden geplaatst op de lijst van het Werelderfgoed van de Unesco.
Saba

Tijdens de ICOM-conferentie in Rio de Janeiro in 2013, waar Suriname ook aanwezig was, hadden de ontwikkelingslanden wederom hun misnoegen geuit over de dominante rol van de rijke landen. In zijn eindverslag heeft de Surinaamse vertegenwoordiger [= Benjamin Mitrasingh, de schrijver van dit artikel – red. CU] dit ongenoegen ook tot uiting gebracht in de zin van, wij vertegenwoordigen weliswaar een arm land als Suriname maar wij – gesponsord door Unesco - komen niet op zulke belangrijke museumconferenties van de Unesco om naar’ kinderverhalen’ te luisteren over het moderne museumwezen van de rijke landen.

Erfgoed: oud Indianenhuis. Foto © Sasha Dees


Want wat zouden de rijke landen ervan vinden als wij een project van de leeggeplunderde suikerfabriek van Mariënburg zouden sturen naar bijvoorbeeld de World Monuments Fund in Washington? Dan was er toch weer onmiddellijk ruzie tussen ons en de Nederlandse politiek, maar hopelijk niet tussen ons en de doorsnee Nederlandse burgers, zoals Janneke Braamburg uit Enschede. Zij bekritiseert het Werelderfgoed in de rubriek Forum in het november nummer van de Nederlandse NatGeo. Daarin vraagt zij, waarom er geen aandacht wordt geschonken aan de 445.000 levend aangekomen slaven in Suriname en Curaçao die een zeer grote bijdrage hebben geleverd aan de Nederlandse economie in de zeventiende eeuw (de gouden eeuw). ‘Nakomelingen hiervan worden elke keer gekwetst wanneer wij bij het enthousiasme over wat wij hebben bereikt, hun bijdrage niet genoemd wordt.’
Misschien zou het goed zijn wanneer de Surinaamse burger die in Nederland heeft gestudeerd en ook daar heeft gewerkt, vaker rechtstreekse contacten onderhoudt met zijn oude vrienden in Nederland. 

Architecturaal erfgoed op Barbados. Foto © Leon Jaspaert


Na het grote sociologisch onderzoek: Een nationaal onderzoek voor een cultuurbeleid in Suriname onder 3.161 scholieren en 675 volwassenen, een Unesco-project 00 SUR 602, uitgevoerd door twee Surinaamse academici (B.S. M[itrasingh] en C.R. B[adal]) werd in het eindverslag (van 50 bladzijden) in februari 2002, een kleurenpagina opgenomen met foto’s en de bijpassende tekst: ‘Als wij dit alles hebben beschermd, gered en verzorgd, blijft de culturele vorming van onze medemens nog altijd ons aller zorg. Daar gaat u ons toch ook mee helpen?’
Toen en tot nu, twaalf jaar later, heeft niemand erop gereageerd. Helaas!

[uit Starnieuws, 13 januari 2014]

dinsdag 30 juli 2013

Massamoord Mariënburg 111 jaar geleden

door Benjamin Mitrasingh

Het is vandaag, 30 juli, precies 111 jaar geleden dat de massamoord op Mariënburg plaatsvond. Over de aard en het aantal van de slachtoffers zijn er wat onduidelijkheden.
 
Documentatie over de moord op James Mavor, in het Surinaams Museum
Het Koloniaal Verslag van 1903, dus een jaar later, praat van zeventien slachtoffers maar het bronnenonderzoek in het gedenkboek van de Stichting Hindostaanse Immigratie (SHI) van 1998, praat van zestien slachtoffers. Daarom moet nadrukkelijk worden vermeld dat de slachtoffers niet de daders waren van de moord op James Mavor. Zij waren de vrienden van de daders die niet wilden dat hun collega's door de politie werden meegenomen. Het was dus een solidariteitsactie van de arbeidscontracten op het terrein van de suikerplantage Mariënburg.

Hun protesten waren echter zo heftig, dat de Nederlandse militairen zich genoodzaakt voelden gericht op hen te schieten. In het massagraf liggen dus niet de daders van de moord op Mavor, maar de vrienden van de daders. De daders werden later door de rechter tot een dwangarbeid van twaalf jaar veroordeeld. Het archeologisch onderzoek van de SHI naar het massagraf, moet daarom duidelijkheid brengen in het juiste aantal slachtoffers, dat op 30 juli 1902 in een massagraf werd gedumpt.

Surinamers mogen heel blij zijn dat het archief van Mariënburg heel zorgvuldig is bewaard in de bibliotheek van het Surinaams Museum op Zorg en Hoop. In het gedenkboek van 125 jaar Hindostaanse immigratie dat de Stichting Hindostaanse Immigratie (SHI) in 1998 had uitgegeven, staat een bijna vijftig pagina’s groot artikel van Leo H. Ferrier getiteld: ‘De moord op James Mavor’. Het gedenkboek is een stevige pil van 273 pagina’s en eigenlijk heeft intellectueel Suriname er te weinig aandacht aan besteed. Want in 1998 had men al kunnen weten wat voor pijn en ellende de Hindostaanse contractarbeiders in Suriname hadden meegemaakt.

Surinaamse wetenschappers hebben heel vaak aandacht hiervoor gevraagd en de nakomelingen van de Hindostanen mogen zich zeker gelukkig prijzen dat de ‘knappe mensen’ binnen hun eigen gelederen veel goed en degelijk onderzoek naar de geschiedenis van hun voorouders hebben gedaan. Bekend zijn de werken van pater De Klerk, Kaulesar Sukul, Jnan Adhin, Evert Azimullah, de broers Mitrasingh en tegenwoordig ook van het duo Choennie. In het boekje van Benjamin S. Mitrasingh en R. Motital Marhé, worden in 1978 – dus 35 jaar geleden – in het boekje Mathura, Ramjanee en Raygaroo, verzet tegen uitbuiting en onderdrukking in Suriname voor het eerst de Nederlandse Koloniale Verslagen door twee jonge Hindostanen, een historicus en een taalkundige, kritisch belicht.

Monument voor Baba en Mai, Paramaribo. Foto @ Adri Vollenhouw


Baba en Mai

Uit dat boekje komt ook de naam ‘Baba en Mai’ voor het immigratiemonument dat op 5 juni 1993 naast het Presidentiële paleis door het Surinaamse volk werd onthuld. Toen had Kries Ramkhelawan de Sarnami-versie van ons volkslied ten gehore gebracht. Politiek Suriname heeft de makers van dit monument nooit die ‘grani’ gegeven die ze hadden verdiend, maar blijkbaar zitten de makers van ‘Baba en Mai’ er ook niet op te wachten, want straks beginnen diezelfde mensen met dezelfde ‘good spirit’ met het onderzoek naar het massagraf van 1902 op Mariënburg. Waarom ze het doen? Het antwoord van SHI is kort en krachtig: ‘Voor volk en vaderland, want onze voorouders hebben hier gewoond en gewerkt en ze kunnen niet als een stuk vuil zijn gedumpt in een grote kuil.’

Ondanks de goede zorg van het Surinaams Museum voor het dossier, ontbreekt er toch nog het een en ander in. De schrijver Ferrier had het al in 1998 opgemerkt. Het dossier heeft geen kaarten en plattegronden, blijkbaar zijn ze achtergebleven vanwege hun formaat, want ze zijn er wel (!) en veel details over James Mavor zijn opzettelijk of per toeval weggelaten of weggehaald. Ook de juiste schrijfwijze van veel namen moet goed worden gecorrigeerd.


Benjamin Mitrasingh is onderzoeksleider Massagraf Mariënburg


[van Starnieuws, 30 juli 2013 en 3 februari]

maandag 24 juni 2013

Onderzoek Mariënburg vordert zonder plantagekaarten

De werkzaamheden voor de zoektocht naar het massagraf van 1902 te Mariënburg vorderen. Het overtollige hemelwater stagneert, maar is niet zo hinderlijk als het “halsstarig gedrag van Michel Sjak Shie.” De projectdrager van de Surinaamse Cultuurmaatschappij NV Mariënburg weigert nog steeds om de plantagekaarten en plattegronden aan het onderzoeksteam af te staan.

Het onderzoekstraject te Mariënburg is nu schoon voor boringen. (Foto: Benjamin Mitrasingh)


“Geen nood,” zegt projectleider Benjamin Mitrasingh. “Het zou natuurlijk alles veel makkelijker maken en minder tijd kosten, maar nu maak ik de kaarten zelf.” Intussen is het heel tracé van de oude spoorbaan aan beide zijden meter voor meter nauwkeurig bekeken. Het hele gebied is echter door de vele regens zwaar ondergelopen.

Aan de noordkant van de spoorbaan is het brakwater in de sloten al 1,75 meter hoog en staat aan de zuidkant de waterspiegel ruim een meter hoog. “Maar het begin en eind van de spoorbaan zijn nu duidelijk zichtbaar,” zegt archeoloog Mitrasingh.

Bodemonderzoek 
Vanaf maandag worden alle denkbare locaties van het massagraf 1902 grondig onderzocht. “Dan zijn niet alleen alle informanten gerustgesteld, maar dan kunnen we hen ook een absoluut betrouwbaar antwoord geven. Wetenschappers mogen daar geen twijfel over laten bestaan,” stelt de onderzoeksleider.

De vermoedelijke locaties zullen eerst met insecticiden en daarna met herbiciden worden bewerkt, waarna de graafmachine komt. Zo wordt voorkomen dat we te lang bezig zijn met wieden met houwers, legt de archeoloog uit. Om de meter wordt met een grondboor de bodem daarna een meter diep onderzocht. Voor de bodemonderzoeken zullen met een waterpasinstrument meetkundige vlakken worden uitgezet. Alles gebeurt handmatig. Per locatie zal zo’n bodemonderzoek ongeveer een maand duren.

NSP 
Eind jaren tachtig was er al een soortgelijk bodemonderzoek in Mariënburg gedaan, maar toen zonder graafmachine. De staf van de suikeronderneming beschikte toen ook niet over betrouwbare informatie over het massagraf.
De Dienst voor Hogere Geodesie heeft in de jaren tachtig bijna overal in Suriname koperen meetpunten in de grond geplaatst. Die zijn in de bodem gemetseld en geven heel nauwkeurig het Normaal Surinaams Peil aan. In 1963 werd bepaald dat in alle officiële gegevens het NSP zal worden gebruikt. “Dus ook in het eindverslag van dit onderzoek. Het NSP is een vergelijkingsvlak dat overeenkomt met het gemiddeld zeeniveau,” voegt archeoloog Mitrasingh eraan toe.

In januari heeft de Stichting Hindostaanse Immigratie toestemming gehad van president Desi Bouterse om op zoek te gaan naar het massagraf van 1902. 

[van Starnieuws, 24 juni 2013]


donderdag 25 april 2013

Suriname geeft standbeeld Wilhelmina weer glans

Standbeeld Wilhelmina voor het Fort Zeelandia. Foto: Mark Ahsmann, Wikipedia.


De aanstaande troonswisseling in Nederland gaat ook in Suriname niet onopgemerkt voorbij. Speciaal voor die gelegenheid is dinsdagmiddag een jarenlang verwaarloosd standbeeld van koningin Wilhelmina in Paramaribo gewassen. Het initiatief had zelfs de goedkeuring van president Desi Bouterse.

Het was alweer dertien jaar geleden dat het standbeeld van de Amsterdamse beeldhouwer Gerard van Lom aandacht kreeg. "Het zat onder een dikke laag modder en stof. Zo hoort het toch niet? Zeker op de kroningsdag van haar achterkleinzoon hoort ze er helemaal netjes bij te staan", lacht archeoloog en initiatiefnemer Benjamin Mitrasingh, die tevreden toekeek hoe arbeiders met de hogedrukspuit aan de slag gingen. Het beeld uit 1923 maakte in zijn negentigjarige bestaan al heel wat omzwervingen mee. Nadat er in Den Haag de laatste hand aan was gelegd, kwam het met de boot naar Suriname. Daar belandde het eerst op het Gouvernementsplein, vlak voor het huidige presidentieel paleis.

Verdomhoekje
Enkele dagen voordat Suriname in 1975 onafhankelijk werd, verbande een takelwagen het beeld naar een verdomhoekje bij Fort Zeelandia in Paramaribo. Toen Desi Bouterse in 1980 de macht greep en het oude verdedigingsfort omvormde tot zijn hoofdkwartier, ging het van kwaad naar erger met het monument. "De militairen hadden zelfs het idee het beeld gewoon in de rivier te duwen. Terwijl het de bevolking van Suriname zelf is die ervoor heeft betaald, na een inzamelingsactie. Achttienduizend oude Nederlandse guldens, een bom geld in die tijd", foetert Mitrasingh.

Rug
De archeoloog benadrukt dat het werk nu nog niet af is. "De koninklijke emblemen die het beeld versierden zijn gestolen. Er bestaan gelukkig replica's van. Ik zou Wilhelmina ook een kwartslag willen draaien. Nu staat ze nog met haar rug naar het volk."
Volgende week dinsdag, de dag van de troonswisseling, kan iedereen in Suriname die dat wil een bloemenkrans om de hals van Wilhelmina hangen. De ceremonie zal ook op verschillende plekken in de stad live te volgen zijn via grote schermen.

[van Novum]

dinsdag 17 juli 2012

Carifesta 2013, Ivan Graanoogst & Ben Mitrasingh

door Joshua Taytelbaum
Presentatie Carifesta XI, midden Ivan Graanoogst,
 links Stanley Sidoel


Gister werd Suriname verblijd met een vooruitblik op Carifesta XI, het periodieke inter-Caraïbische cultuurfestival, dat in augustus 2013 door en in Suriname zal worden georganiseerd. De Carifesta-commissie, voluit het Carifesta ‘Host Country Management Committee’ (HCMC), onder leiding van Ivan Graanoogst gaf een toelichting op de bestaande plannen. Samen met directeur Stanley Sidoel van Cultuur benadrukte Graanoogst dat het gaat om een investering die vooral een economisch spin-off effect moet hebben. De organisatie verwacht dat enorm veel geld in omloop zal komen in de horeca en het hotelwezen. Volgens Graanoogst is daarom een te investeren bedrag van SRD 17 miljoen niet veel te noemen.

Hoog ‘déjà-vu’-gehalte

Het festival krijgt dit jaar een geheel nieuw karakter wat opzet en organisatie betreft. Gezien de regionale integratie waar vooral Suriname en de rest van de Caricom lid-landen zich voor willen inzetten met landen in Zuid- en Latijns-Amerika, wordt het een Caricom/Unasur cultureel festival. Carifesta 2013 krijgt een ruim cultureel karakter, wat dat ook moge inhouden. De mogelijkheden voor diverse culturele ontwikkelingsgerichte evenementen worden ruim gecreëerd. In het nieuwe model moet Carifesta een dynamischer karakter hebben. Sidoel zegt dat afgerekend gaat worden met alle ad hoc-elementen. Binnen de Caricom wordt ook een permanente organisatie opgezet voor het evenement. Vager had de presentatie niet kunnen zijn.
Geen redden meer aan...

Het festival krijgt volgens Graanoogst dit jaar een geheel nieuw karakter wat opzet en organisatie betreft. Gezien de regionale integratie waar Suriname en de rest van de Caricom lid-landen zich samen met landen in Zuid- en Latijns-Amerika voor gaan inzetten, wordt het een Caricom/Unasur cultureel festival. Op Carifesta 2013 zal veel aandacht besteed worden aan het cultureel erfgoed van Suriname. Graanoogst zegt dat hiervoor gesprekken zullen komen met de eigenaren van de historische panden om na te gaan hoe ze kunnen worden opgeknapt. Hij beklaagt zich erover dat de meeste van deze panden in een vervallen staat verkeren en dat geen gezicht is voor het land. Er zal worden nagegaan of er een apart budget voor het renoveren van deze gebouwen kan worden aangeboord, zegt Graanoogst, kennelijk zonder zich te realiseren dat hij op die manier nog niet één pand gerenoveerd krijgt voor augustus 2013.

Het feit dat Graanoogst van stal is gehaald om Carifesta 2013 (beter) gestalte te geven, heeft –gehoord de presentatie – bitter weinig opgeleverd. En als iets een “ad hoc-element” is (waar Sidoel vanaf wil), dan is het wel Graanoogst’s losse flodder over aandacht voor het cultureel erfgoed van Suriname. Hij beklaagt zich over de vervallen staat waarin veel historische panden verkeren, maar dat doet hij 32 jaar te laat. Gesprekken met de eigenaren is gewoon een lachertje, want alleen geld helpt, en dat hebben de eigenaren – in welke vorm dan ook – nooit gezien. En met een budget van SRD 17 miljoen kun je misschien wel een paar panden renoveren, maar dan heb je nog geen Carifesta. Dit alleen al is genoeg om te weten dat Graanoogst nooit maar dan ook nooit directeur van Staatsolie mag worden. Het is voor iedereen beter dat hij als zaakgelastigde naar China wordt verbannen. Wél blijven we nog uitkijken naar een concreet plan met bijbehorende begroting.

Ben Mitrasingh, het ‘enfant terrible’ van de Surinaamse cultuur

Niet verrassend kwam vandaag het eeuwige ‘enfant terrible’ van de Surinaamse cultuur, Benjamin S. Mitrasingh, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Stichting Cultuureducatie, met ditmaal niet onterechte kritiek. Hij is echter de verpersoonlijking van de Surinaamse onmacht om iets te doen met onze cultuur. Zijn stichting, de Stichting Gebouwd Erfgoed Suriname (SGES) en de Stichting Monumenten Zorg Suriname (SMZS) en wellicht nog een paar goedbedoelde stichtingen, zijn allemaal papieren tijgers die nog te schor zijn om in de marge te blaffen. In dit licht bezien verdient het nog bewondering dat Mitrasingh überhaupt nog blaft, alhoewel, daarvoor kennen we onze Ben. Cultuur klinkt goed, maar verkoopt niet!
Benjamin S. Mitrasingh

Mitrasingh wijst er terecht op dat de 8e in 2003 in Suriname gehouden Carifesta –die overigens minder dan de helft van SRD 17 miljoen heeft gekost– géén goed plan en géén goede begroting had, zodat de beleidsmakers ook niets hebben kunnen evalueren. Zónder een plan en zónder een degelijke begroting, aldus Mitrasingh, zeggen ze nu al dat Carifesta 2013 SRD 17 miljoen gaat kosten. Maar sinds mensenheugenis kijkt de doorsnee Surinamer naar een triest cultuurbeleid met verkrotte monumenten, geen nationaal museum, geen conservatorium, geen dansschool en ook geen respectabele kunstacademie. Helaas heeft Mitrasingh in zijn eerdere functie van Directeur Cultuur daarin ook niet enige verandering kunnen brengen.

maandag 16 juli 2012

Fatsoensnormen minister Shirley Sitaldin

door Benjamin S. Mitrasingh
Shirley Sitaldin

Vandaag wachten wij al langer dan vijftig dagen op een reactie van de minister van Minov, mevrouw drs. Shirley Sitaldin. Wij hebben ons ook blauw gebeld naar haar secretariaat. Wij hadden namelijk de minister op 21 mei schriftelijk gevraagd of zij ons, als voorzitter van de Nationale Unesco Commissie Suriname de NUCS, kon ontvangen over een CLAD-rapport van 2004 – dus acht jaar geleden - aan de hand waarvan de NUCS onze vijf projecten heeft teruggestuurd.

Wij hebben een slechte ervaring met de CLAD, omdat in 2000 de heer Hiwatt van de CLAD niet eens wist dat het Minov uit vier directoraten bestond en zijn baas de heer S.R. Noordwijk wist dat ook niet. Wij hebben dus geen goede ervaring met de CLAD.
Jan Ernst Matzeliger

Onze vijf projecten zijn Unesco-projecten die zijn gemaakt na overleg met de secretaris-generaal van president Desi Bouterse, omdat de projecten publieksgericht moeten zijn en ook voor iedereen toegankelijk. Omdat niemand van ons en ook niemand van het Minov, een CLAD-rapport van 2004 kent, had de vorige minister van Minov mr. R. Sapoen, samen met de secretaris van het Minov mevrouw mr. R. Telting, besloten alvast – vanwege de tijdnood - twee projecten uit het budget van het Minov zelf te financieren. Het betreft de projecten ‘Fundament van Suriname’, een leerboekje dat samen met het Minov (!) is gemaakt voor alle scholieren vanaf de 4e klasse, opdat zij alles kunnen weten over hun vaderland Suriname, zoals vlag, volkslied, wapen, en een korte geschiedenis van het land plus een mooie uitvouwbare kleuren CBL-kaart van het land, inclusief foto’s van de president en van 'golden boy' Anthony Nesty en van de Bosje brug.

Het tweede project betreft een bronzen kop van 'het genie' van Commewijne, Jan Ernst Matzeliger, de uitvinder van de schoenstikmachine. Dit moet onthuld worden op zaterdag 15 september aanstaande, als de 160ste geboortedag van Matzeliger wordt herdacht in het ressort Mon Plaisir.

Vijftig dagen
Deze projecten realiseer je niet in een vloek en een zucht, want het schoolboekje moet over het hele land gratis gedistribueerd worden, dus op alle scholen tussen Galibi en Kwamalasamutu en voor de bronzen kop van Matzeliger moet de kunstenaar Herman Hennink Monkou reizen van Amsterdam via Los Angeles (waar de kop zich bevindt) naar Paramaribo. En dat kan hij ook niet in een dag doen.

Wat was zo moeilijk voor minister Sitaldin om ons desnoods 'op hold' te zetten, dan hadden wij toch keurig op haar gewacht. Maar niets daarvan, wij moeten al langer dan vijftig dagen op de minister wachten en niemand zegt je wat. Heeft het Minov sinds de komst van deze minister opeens geen manieren meer?! Ook niet voor de gepensioneerde directieleden van het ministerie zelf?

Ter illustratie een voorbeeld. Nauwelijks is onze kritiek over Carifesta XI in de openbaarheid of de heer Ivan Graanoogst belt ons op en maakt direct een afspraak voor maandag 16 juli aanstaande. Zo vlot heeft minister Moestadja van BiZa ook op ons verzoek gereageerd over de Dodenherdenking van 1902 en over de Commewijnekrant van ons plantagedistrict. Bij hem moeten wij ook op maandag zijn maar dan om 10 uur. Naar beide heren gaan wij met plezier naartoe en hopelijk kunnen wij daarna ook direct aan de slag. Was dit zo moeilijk voor minister Sitaldin van het Minov?

Benjamin S. Mitrasingh
Stichting Cultuureducatie
(voorzitter)


[uit Starnieuws, 13 juli 2012]


maandag 28 mei 2012

Immigratiesymbool wordt in ere hersteld

door Sabitrie Gangapersad

Het Lalla Rookh complex werd in verband met honderd jaar Hindostaanse immigratie op 5 juni 1973 door Nederland geschonken als gemeenschapscentrum aan Suriname. Het symbool voor de immigratie raakte kort na de officieuze in gebruik name in verval en is tot nu toe niet volledig in ere hersteld. De Nationale Stichting Hindostaanse Immigratie (NSHI) streeft ernaar om volgend jaar tijdens de lustrumviering onder andere een museum in het gebouw te openen.

Tijdens een ontmoeting tussen personen van Indiase origine (PIO’s) en de Indiase ambassade op 11 mei, is door historicus Maurits Hassankhan geopperd om eventueel met hulp van India ook het auditorium te herstellen. De NSHI heeft zelf nog geen middelen hiervoor. Het complex kan volgens Hassankhan de plek worden waar studies over de Hindostaanse cultuur en historie kunnen worden verzorgd. “We willen contacten leggen met instituten en universiteiten in India. Een deel van de Indiase historie ligt hier en een deel van onze geschiedenis is in India. Het is erg belangrijk om met elkaar samen te werken.”

Het Lalla Rookh-gebouw zoals het er nu uitziet. Foto: Irvin Ngariman

Het gebouw Lalla Rookh beeldt een schip uit, als symbool voor het eerste schip dat in Suriname aankwam.

Museum
De plannen om een museum neer te zetten in het Lalla Rookh-gebouw dateren van langer dan een decennium. In december 2000 werd in het blad Hindorama een oproep geplaatst waarin NSHI aangaf op zoek te zijn naar gebruiksvoorwerpen van Hindostanen ten behoeve van het museum. De meningen over een museum in het Lalla Rookh-gebouw waren toen nog sterk verdeeld. Zo gaf Benjamin Mitrasingh in een interview in hetzelfde blad te kennen dat er eerst onderzoek zou moeten komen om na te gaan of er daadwerkelijk een museum of iets anders zou moeten komen op het complex. Rabin Lala, de toenmalige voorzitter van NSHI, was duidelijk in zijn oordeel. “Wel of geen museum? Je kunt dit van twee kanten bekijken. Of je zegt: we hebben al het Surinaams Museum, dus een ander museum is niet nodig. Of je kunt het praktisch bekijken en zeggen dat we in samenwerking met het Surinaams Museum de culturele expositie verder uitbouwen. Zij hebben namelijk nu reeds gebruiksvoorwerpen die zij niet permanent tentoonstellen, aan ons geschonken. We willen geen werk van anderen overdoen, ons werk moet worden gezien als een aanvullende bijdrage.” De huidige voorzitter van NSHI, Faried Ketwaru, bevestigt dat het museum volgend jaar bij de viering van 140 jaar Hindostaanse immigratie wordt opengesteld.

Herstel
De totstandkoming van het Lalla Rookh-complex is niet zonder slag of stoot gegaan. Zo ook de renovatie. Hoewel de eerste steen voor de bouw van het Lalla Rookh gebouw op 5 juni 1973 werd gelegd, begonnen de werkzaamheden pas vier jaar later in 1977. Dit had te maken met de voorwaarde dat Suriname een kwart van de middelen zelf moest opbrengen, terwijl het resterende deel uit de Nederlandse ontwikkelingsgelden werden vrijgemaakt. Het complex werd begroot op acht miljoen NF. Het Lalla Rookh werd op 13 december 1980 officieus in gebruik genomen. In korte tijd traden grote Indiase artiesten als Anup Jalota en Lata Mangeshkar in het auditorium op. Maar door gebrek aan ownership en slecht management raakte het complex vijf jaren later al in verval. Plannen en voorstellen voor renovatie werden niet uitgevoerd.

Toen in 1997 voorbereidingen werden getroffen om 125 jaar Hindostaanse immigratie in 1998 groots te vieren, werd wederom planmatig besloten om het gebouw in ere te herstellen.
Velen zullen zich het vervallen beeld nog herinneren. Het Lalla Rook complex was zodanig in verval geraakt dat het bijna onmogelijk was om het terrein en de gebouwen te betreden. In oktober 1997 besloot NSHI als eerste het terrein op te schonen. Hiervoor werd medewerking gekregen van de dienst Milieubeheer en de Brandweer. Om draagvlak te creëren voor behoud van dit immigratiesymbool, werden daarna verschillende bijeenkomsten en fundraisingactiviteiten georganiseerd zoals een culturele avond waarbij het publiek oude herinneringen aan Lalla Rookh kon ophalen en de viering van Hindostaanse immigratie. Sinds de viering van 125 jaar Hindostaanse immigratie heeft de NSHI een vast programma op die dag met onder andere bloemlegging bij de Niemboom en het beeld van Baba en Mai. Ook de Culturele Unie Suriname laat de Hindostaanse immigratie niet onopgemerkt voorbij gaan. Dit jaar wordt op zondag 3 juni bloemen gelegd bij het standbeeld van Baba en Mai en zal het publiek onder andere door president Desi Bouterse worden toegesproken.

[uit de Ware Tijd, 6/05/2012]

donderdag 1 maart 2012

Geen medewerking voor herbegraven De Kom

[Tekst e-mail van Ida Does aan Benjamin Mitrasingh. 26 februari 2012]

Geachte heer Mitrasingh,

Ik heb van u twee mails in goede orde ontvangen.
Ik heb mijzelf vele jaren verdiept in het leven en werk van Anton de Kom. Zijn heldendom staat voor vrede en gerechtigheid en niet voor dictatoriaal geweld. Daar verzette hij zich tegen en uiteindelijk kostte hem dat zijn jonge leven. Ik wil u zeggen dat ik op geen enkele wijze wil en zal meewerken aan dit voornemen van Bouterse, die, zoals bij u ook bekend, de hoofdverdachte is in de rechtszaak van de decembernoorden, een van de meest bloedige en schandelijkste episodes uit Suriname's geschiedenis.
Ik adviseer u dan ook dit ongelukzalige idee snel te laten varen.

Vriendelijke groeten,
Ida Does, documentaire filmmaker

woensdag 21 december 2011

Nederlandse spelling Suriname 'hoogbejaard'

Paramaribo - Het Nederlands dat Suriname officieel gebruikt dateert van 1954. Alle inspanningen van de Taalunie ten spijt, hanteert het gros van de ambtenarij de Taalwet van 1954. Minister Soewarto Moestadja van Binnenlandse Zaken reageert verrast als een delegatie van Stichting Cultuureducatie en Helen Chang van de Taalunie hem hierop wijzen. "Als overheid stellen wij ons hoogstwaarschijnlijk onzorgvuldig op, omdat wij de deskundigheid ook niet hebben," zegt hij.

Dilemma
Stichting Cultuureducatie die bezig is met een jaarkalender met daarop alle Surinaamse feestdagen zoals aangegeven in de staatsbladen, stuitte op het probleem met de spelling van 2005. In de staatsbladen wordt immers de spelling volgens de Taalwet van 1954 gehanteerd, wat niet overeenkomt met de spelling die de Taalunie hanteert. Volgens staatsgeleerden staat het woordenboek nog altijd hoger dan het staatsblad. Ondanks dat Suriname zich aan diverse internationale verdragen over de taal heeft gecommitteerd, heeft het de nieuwe ontwikkelingen niet doorgevoerd. Op het lerareninstituut wordt gebruik gemaakt van het Groene Boekje.


V.l.n.r. Helen Chang van de Taalunie, Benjamin Mitrasingh voorzitter van Stichting Cultuureducatie, minister Soewarto Moestadja en Perkash Nathoeni, corrector bij De Nationale Assemblée. Foto: @ collectie Biza

Helen Chang van de Taalunie heeft erop gewezen dat het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling er na bijna tien jaar nog niet uit is. Minister Moestadja kan zich terugvinden in het dilemma waarmee de Stichting Cultuureducatie kampt. "Wij van Binnenlandse Zaken vinden dat we de nieuwe spelling moeten doorvoeren in de beschikkingen en besluiten die we maken. We hebben behoefte aan zuiver Nederlands." Hij heeft beloofd de kwestie in de eerstvolgende vergadering van de Raad van Ministers aan te kaarten en zijn collega's te overtuigen van de functionaliteit van de nieuwe spelling. "Eenduidigheid is belangrijk," merkte de bewindsman op, "als verantwoordelijke ministerie voor publicaties zullen wij het voortouw nemen en vooruitlopend op de officiële aanname de trend bepalen."

Langdradig
Perkash Nathoeni, corrector bij De Nationale Assembleé, wees de minister erop dat het hoogste college van staat al geruime tijd sinds de vorige assembléevoorzitter bezig is de juiste spelling volgens het Groene Boekje te gebruiken. Het personeel van DNA is nu bezig met zijn derde trainingssessie over de juiste spelling. Alle handelingen en correspondentie worden getoetst aan het

Groene Boekje
Chang merkte op dat de ambtenarentaal langdradig en omslachtig is. Het motto van de Taalunie is "Wees simpel, wees duidelijk." Ze heeft de minister een exemplaar van het Groene Boekje overhandigd samen met een aantal exemplaren over ambtenarentaal. Minister Moestadja beloofde deze kwestie met zijn collega en partijgenoot Raymond Sapoen van Onderwijs en Volksontwikkeling te bespreken.

[uit de Ware Tijd, 20/12/2011; taalfouten verbeterd]

donderdag 2 december 2010

Gedicht Bhai op rijstmonument Nickerie

Het rijstdistrict Nickerie krijgt in het eerste kwartaal van 2011 een rijstmonument. Dit monument zal komen te staan op het kruispunt van de Oost-West-verbinding waar gewezen wordt naar Nieuw-Nickerie, Wageningen en Coronie. Het monument moet het middelpunt van alle landbouwactiviteiten voorstellen en het harde werken van de Nickerianen benadrukken.

De projectdrager, Ben Mitrasingh, heeft dit project aan de districtsraadsleden overgedragen. Zij moeten dit verder begeleiden en werken aan de realisatie ervan. Het project kost SRD 150.000. Mitrasingh zegt dat Nickerie het hele land van voedsel voorziet en de drijfveer van Suriname is. Het district heeft nog nooit een geschenk gehad dat te maken heeft met rijst of rijstteelt. “Het moet iets voor en van de Nickerianen worden. Iedereen moet het gevoel krijgen dat het monument van hem of haar is. Hoe klein de bijdrage ook zal zijn, het is altijd welkom. Het ontwerp en de flyers zijn al digitaal bewerkt”, aldus Mitrasingh.

Het gedicht ‘Dhán ka dhukrá’ (Rijstesmart) van Bhai (James Ramlall) zal gegrift worden op het monument, waarvan het ontwerp is gemaakt door Henry Mitrasingh. De letters van het gedicht zijn 20 centimeter groot en worden met groen graniet uit Poki Gron gegoten.

Woordvoerder van dr-en rr-leden, Edgar van Genderen, zegt dat districtscommissaris Roline Samsoedien ook betrokken zal worden bij de realisatie van het project. Ook de scholen moeten een bijdrage leveren. Van Genderen zegt dat de Nickerianen gemobiliseerd zullen worden om dit project tot een succes te maken.

[Bewerkt naar een bericht van Wanita Ramnath in Starnieuws, 2 december 2010]

Foto: de zeedijk in Nickerie, @ Michiel van Kempen

vrijdag 3 juli 2009

Mitrasingh onversneden

Naar aanleiding van mijn eerder hier gepubliceerde artikel Wat bezielt Ben Mitrasingh? van 29 juni j.l. heeft de Werkgroep Caraïbische Letteren mij verzocht het desbetreffende artikel van Mitrasingh in zijn geheel te plaatsen opdat de lezer beter kan oordelen, aan welk verzoek ik hierbij graag gevolg geef.

Het kan inderdaad geen kwaad dat de lezer zelf kennis neemt van het onversneden racisme van Ben Mitrasingh en van het dagblad Times of Suriname, dat deze artikelen op 20 en 27 juni 2009 schaamteloos heeft gepubliceerd.

Creolen mogen na 146 jaar hun geschiedenis grondig herschrijven (deel I)

door Benjamin S. Mitrasingh

Creolen hebben voldoende intellect in huis om de geschiedenis van Suriname te herschrijven, meer nog, om hun eigen geschiedenis eindelijk waarheidsgetrouw op papier te zetten. Rond 1 juli manifesteert deze behoefte zich altijd weer, omdat dan weer eens blijkt hoeveel misvattingen er rond deze bevolkingsgroep in Suriname bestaan. Die misvattingen zijn niet bepaald positief voor de creolen, maar doordat ze steeds weer worden opgesomd in wetenschappelijke werken, beginnen deze onwaarheden en misvattingen een eigen leven te leiden. Dit geldt ook voor de andere bevolkingsgroepen in Suriname, maar die hebben niet zozeer te lijden onder een reeks van streotiepen en vooroordelen waaronder vooral Afrikanen, negers en nu ook creolen, gebukt moeten gaan. Voor creolen lijken al de vooroordelen en stereotiepen bijna op een vicieuze cirkel. Veel wetenschappelijke literatuur en met name die door creolen zelf is geschreven, is nooit internationaal geaccepteerd geworden, omdat zij of te agressief is of te onderdanig en dus nooit eerlijk en objectief. Deze kritieken schijnen de creoolse wetenschappers enorm veel problemen te bezorgen. Zij moeten zich vereenzelvigen met de westerse waarden en normen of zij hoeven als ‘enfant terrible’ niet te rekenen op enige steun en erkenning van de kant van deze ‘beklaagden’.

Volksmonument
Aangezien Suriname nog geen nationaal museum heeft en er ook weinig aandacht wordt besteed aan de nationale geschiedenis van het land, krijgen historici bijna nooit de kans om de juiste toedracht van de geschiedenis te schrijven. Geen enkele sponsor zal ook geld geven voor een publicatie waarin hij moet lezen dat zijn vader of grootvader een ‘notoire schurk’ is geweest. Dit geldt ook voor de musea en archieven in Suriname. Zolang Suriname zijn musea niet zelf kan onderhouden en voeden, moet het als land genoegen nemen met alle soorten zoetsappige verhalen over zijn eigen geschiedenis. Alles mag dan in de musea en archieven mooi bewaard en tentoongesteld zijn, de pronkstukken zijn bijna altijd en aldoor ‘naast de waarheid’. Bovendien, en dat komt nog erbij kijken ook, als je als land in 1975 de ‘guts’ had om het monoument van prinses Wilhelmina te verwijderen, maar tot 2009 je te ‘blut’ bent gebleken of erger nog, je geen idee hebt gehad om er iets anders voor in de plaats te zetten, dan zal daarvan ook nooit iets komen. Zeker niet met buitenlandse hulp. Zo hoeft het Surinaamse kind dus op 1 juli niet te gaan naar een museum om over de slavernij iets te leren en ook niet om te zien hoe wreed de slavernij is geweest en natuurlijk nooit niet te weten wat het aandeel van Nederland in die wreedheden is geweest. Voor deze naschoolse vorming heeft Suriname het geld niet en als het geld er wel is, dan schort er nog een hoop aan het cultuurmilieu van de beleidsmakers. Uit vrees voor het wegvallen van de Nederlandse sponsoring, gaan de Surinaamse beleidsmakers óf de Nederlandse collega’s nadoen óf zij zetten er nog een schepje bovenop. Na 1975 wist men niet wat er op het plein moest komen te staan. Na 5 jaar ook niet en na 35 jaar, dus in 2010, misschien ook nog niet. Want op 25 november 2010 zijn de verkiezingen net achter de rug en dan moeten eerst de politieke drijfnetten uitgezet worden en dan kan het weer een jaar of wat duren alvorens men met een goed idee komt. En aangezien Surinamers houden van lustrumvieringen, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat men dan weer moet wachten tot 2015 en dan ook nog op een datum in de regentijd met een ‘25’ erin.

Deskundigen
Het onaangename van veel gedenkdagen is ook, dat er bijna nooit een officiëel staatsorgaan valt aan te wijzen dat ook werkelijk belast is met de totale organisatie van alle activiteiten over het hele land. Waar zijn bijvoorbeeld al die ‘geweldige’ organisatoren van Carifesta 2003, toch niet bij het Directoraat Cultuur? Waar zijn ook al die ‘betweterige sweet talkers’ en waar is het evaluatieverslag van die Carifesta?

Rond 1 juli zal men, zoals gebruikelijk, weer bekvechten over de juiste naam van die dag; is het Dag der Vrijheden, Emancipatiedag (Manspasi), Keti Kotidag of gewoon Afschaffing van de Slavernij. In haar afstudeerscriptie over de introductie van Holi en Idul Fitre als nationale feestdagen, schrijft de jonge sociologe Kirtie Algoe wel heel nadrukkelijk, dat 1 juli Keti Kotidag heet. Waarom doen andere wetenschappers dit ook niet met een reeks van andere onduidelijkheden rond 1 juli? Waarom worden er niet door gezaghebbende deskundigen tijdens gedenkdagen elk jaar weer rubrieken, flyers of boekjes gemaakt en ook gratis verdeeld? Drukwerk waarin de historische juistheden staan vermeld, die elke Surinamer over zijn land moet weten. Of heeft zo een soort vorming niets te maken met volksontwikkeling? Rond elke 1 juli zouden enkele historische feiten over de creolen steeds opgesomd moeten worden. Daardoor kan er een beter begrip ontstaan over het wel en wee van hun ontwikkeling.

Aan de hand van de bestaande literatuur volgen hieronder enkele historische feiten over de slavernij, die elke Surinamer heel goed moet kennen.
Het woord creool is afgeleid van het Franse créole, dat weer is afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord crioulo in het Portugees, dat ‘niet gekocht’ betekent, dus in huis geboren of opgevoed. De slaven werden al vroeg verdeeld in ‘creolennegers’ en ‘zoutwaternegers’. Creolennegers waren in het land geboren en zoutwaternegers werden van overzee aangevoerd. De Nederlandse West-Indische Compagnie monopoliseerde de slavenhandel op Suriname tot 1789 (zie foto). Tot 1844 mochten slavenkinderen geen onderwijs volgen. Pas in 1844 kregen de zendelingen van de Evangelische Broeder Gemeente toestemming tot het geven van onderwijs aan de kinderen van slaven.

Aankondiging van een aanbesteding voor de Zeeuwse Kamer der W.I.C. voor levering van goederen bestemd voor haar kolonies in de West, waaruit men kan opmaken van welke artikelen deze zoal uit Nederkand werden voorzien. Zij dienden slechts voor een klein gedeelte als compensatie voor de uitgevoerde koloniale waren, soms echter ook voor de ruilhandel in Afrika tegen de zozeer begeerde negerslaven.
(Bron van foto en tekst: Albert Helman, Avonturen aan de Wilde Kust, 1982, blz. 103)


Reeds een jaar voor de afschaffing van de slavernij, richtte het Gouvernement in 1862 in Totness (Coronie) een vestigingsplaats in voor ex-slaven. In Nieuw-Amsterdam gebeurde dit in 1875 en in Domburg in 1877.

Het West-Indische familiesysteem
Binnen bepaalde bevolkingsgroepen in Suriname hanteert men een term voor het familiesysteem van de groep zelf. Zo kent de literatuur voor hindostanen de term ‘joint family’ ofwel de grote familie, javanen kennen de term ‘rukun’, ofwel saamhorigheid, maar bij creolen is dat niet zo duidelijk. Wel concluderen wetenschappers dat ‘proletarisering’ als vanouds het levenspatroon heeft bepaald van de slaven en van hun nakomelingen, de creolen. Het was een familiesysteem van de armoede en van de bezitlozen. In de loop der tijd waren de creolen gedwongen hun familieleven aan deze ongunstige omstandigheden aan te passen. Dit familieleven hebben sociologen gelarakteriseerd als het West-Indisch familiesysteem. Men treft het in heel ‘Plantation America’ aan en daarmee bedoelt men te zeggen, het gebied dat bekend staat als de West-Indische Eilanden, de ‘Deep South’ van de VS, de Atlantische kusten van Midden-Amerika, Venezuela, de drie Guyana’s (dus ook Suriname) en het noordoosten van Brazilië.

De belangrijkse kenmerken van dit familiesysteem zijn volgens de sociologen en antropologen:
1. De aanwezigheid van erkende alternatieve man-vrouw verhoudingen. Naast het huwelijk kent men het concubinaat, waarbij man en vrouw samenleven zonder gehuwd te zijn.
2. Veelvuldig voorkomen van vrouwelijke huishoudhoofden. De vrouw vervult een centrale rol in het huishouden.
3. De vrouw is in veel huishoudens de dominerende autoriteit, waardoor kinderen zowel gevoelsmatig als economisch van haar afhankelijk zijn.

Verder leest men in de literatuur dat de kenmerken van het familiesysteem van de creoleen vanf de vroegste dagen van de slavernij tot op de huidige dag aan te wijzen zijn. Het systeem is nauwelijks van karakter veranderd, ondanks de vergaande sociale wijzigingen zoals emancipatie, industrialisatie en dekolonisatie. Het familiesysteem van de creolen is dan ook, zo gaat de literatuur verder, te beschouwen als een aanpassing aan ongunstige omstandigheden zoals armoede, werkeloosheid en discriminatie. Door de creoolse intellectuelen in Suriname wordt te weinig op deze zaken de nadruk gelegd, en ook te weing verklaard, ontkend of ontzenuwt.

Creoolse intellectuelen hebben ook te weinig kritiek geleverd op zaken als ‘zakenrecht’ en ‘personenrecht’. Zo viel de slaaf onder het zakenrecht, wat wil zeggen dat hij geen huwelijk kon sluiten, hij mocht dus niet trouwen. Hij kon wel het ‘slavenhuwelijk’ sluiten en daarna bepaalde zijn meester of hij ‘s avonds of op zondagen zijn vrouw mocht bezoeken. Dit slavenhuwelijk moet worden beschouwd als het begin van de ‘vaderloze’ gezinnen. Dit verschijnsel is helaas nooit goed in Suriname onderzocht, althans niet op een wijze die een beter begrip voor de vaderloze gezinnen heeft bewerkstelligd.


De vaderloze kinderen bij creolen (deel II)

door Benjamin S. Mitrasingh

De vraag naar hedendaagse studies over creolen wordt het best verwoord op bladzijde 89 van het boek ‘Geschiedenis van Suriname' uit 1993 van Frans Steegh en anderen, waarbij er wordt gesteld: “Dat op deze wijze het matrifocale gezin ontstond lijkt zeer aannemelijk. Maar daarmee is niet verklaard waarom het matrifocale gezin zo lang bleef voortbestaan nadat de historische noodzaak was weggevallen.” Simpel gezegd komt het dus hier op neer dat historici en alle andere sociaal wetenschappers zich in gemoede afvragen hoe het komt dat alleen de creolen in Suriname, populair gezegd en ook volgens de internationale normen en waarden van een traditioneel gezinsleven, zo een losbandig leven hebben. En dat al langer dan 146 jaar. Los van de gemakken, vooropgesteld dat losbandigheid ook gemakken kent, van de moderne term West-Indisch familiesysteem of van de sociologische term ‘matrifocaal’, is het heel duidelijk, dat Surinamers te doen hebben met met al die duizenden kinderen, die bij lange na niet kunnen zeggen wie hun vader is. Dat zulke kinderen soms op jonge leeftijd al ontsporen, baart veel Surinamers zorgen. Zolang ze nog jong zijn kan men om ze lachen, maar zodra ze jong volwassen zijn, dus na hub 15de jaar, is er helaas vaak sprake van schoolverzuim, criminaliteit, seksueel geweld en de laatste jaren ook drugsgebruik. Dan is opeens de lol ervan af. Surinamers vragen zich ook af waaraan het precies ligt dat creoolse vrouwen de losbandigheid van de mannen blijven accepteren. In Suriname is het algemeen bekend dat creoolse vrouwen heel goed geëmancipeerd zijn. Dat waren ze al voor ‘gender’ ontstond en toch moeten ze nu zo gebukt gaan onder een bijna primitief gezinsleven. Hoewel Surinamers het verschil tussen een marron en een creool wel heel goed kennen, wordt iedereen die maar een beetje op elkaar lijkt na elk maatschappelijk incident, gestigmatiseerd met de populaire Surinaamse term ‘Blakaman’. Deze onviendelijke term is afgeleid van het Engelse ‘Blackman’, wat niets anders betekent dan zwarte man, neger of Asfrikaan. Net zoals ‘baljaren’ (= dansen) is afgeleid van het Portugees/Spaanse ‘bailar’, wat uitbundig feestvieren betekent.

Een manumissie-brief uit 1857, waarin de vrijheid wordt gegeven aan de zevenjarige slavendochter Mimie. Zij kreeg hierbij de naam Maria Arkard.
(illustratie uit Evelien Bakker e.a., Geschiedenis van Suriname, Zutphen 1998)


Vrolijke cultuur
Over het algemeen staan creolen in Suriname bekend als vrolijke mensen die goedlachs zijn. Ze hebben altijd enorm veel lol en daarom houden ze van feestvieren en van dansen. Van creolen is ook bekend dat ze heel goed kunnen zingen en dat hun gevoel voor ritme de duidelijke verbinding aangeeft voor hun ‘Roots’ ergens in Afrika. De kerkdiensten bijvoorbeeld van de Evangelische Broeder Gemeente, kennen het gezang bij uitstek, in tegenstelling tot de iets saaiere diensten van de katholieken om nog maar te zwijgen over de eentonige monologen met bijna geen gezang van de hindoes en de moslims. Creolen hebben dus altijd veel lol en hun goede humeur brengt ook met zich mee dat ze veel moppen en ook veel zelfspot kennen. Ze lachen zich ‘dood’ om hun eigen zelfspot en die zelfspot kan variëren van mislukte liefdesrelaties tot de verzonnen ‘lollige’ doodsoorzaak van een kennis of van een belangrijk persoon. Hun uitbundige levensbvorm gaat vaak ook samen met lekker eten en drinken. Creolen zijn daardoor ook de consumenten bij uitstek in Suriname, en veel restaurants en cafetaria’s zou men gevoeglijk kunnen sluiten als creolen zouden besluiten een bepaald gerecht niet meer te eten. Een bekend merk bier in Suriname gaat zelfs zover dat het bijna alleen maar creoolse modellen gebruikt voor zijn reclame. Ook radio-advertenties pakken volgens marketing deskundigen (en Joost mag weten wie dat zijn) beter in het Sranantongo dan in een taalcombinatie met bijvoorbeeld een duidelijke Hollandse strekking. Het moet in Suriname nog onderzocht worden wat het effect is van deze taalvariaties op de officiële taal van Suriname. Het is wel algemeen bekend dat creoolse kinderen mondiger zijn dan bijvoorbeeld de kinderen met een Aziatische achtergrond. Maar het is nog niet wetenschappelijk aangetoond dat een ‘vlotte babbel’ ook ‘een foutloze’ schrijfwijze van de Nederlandse taal impliceert. Volgens correctoren bij Surinaamse dagbladen is het nog steeds bar en boos gesteld met een goede taalbegeersing van de Surinaamse journalist. Bovendien moet ook nog onderzocht worden in welke taal een Surinaams kind denkt en in welke taal hij zijn gedachten onder woorden wil brengen. Ten aanzien hiervan moet het sluiten van het Taalinstituut jaren geleden beschouwd worden als een van de grootste culturele blunders van het MINOV sinds de onafhankelijkheid, en ook als een flagrante miskenning van de taal als het belangrijkste vehikel van communicatie binnen elke multiculturele samenleving.

De afschaffing van de slavernij werd met behulp van deze proclamatie aangekondigd. Wie de proclamatie leest, zal kunnen constateren dat de vrijheid niet direct ook gelijkheid met zich meebracht. De ex-slaven moesten wel hun plaats weten.
(illustratie uit Evelien Bakker e.a., Geschiedenis van Suriname, Zutphen 1998)


Vaderloze kinderen
Behalve dat veel Surinamers begaan zijn met het lot van de jonge creoolse kinderen die hun vader niet kennen en misschien ook nooit zullen kennen, hebben ze ook te doen met de moeders van deze kinderen. Die staan er letterlijk en figuurlijk bijna altijd alleen voor, en zeker als het gaat om de opvoeding en begeleiding van het jonge kind. Het zijn deze zelfde jonge kinderen van wie bekend is dat zij het stadsleven door en door kennen, maar waarvan ook bekend is dat zij alles wat los en vast zit van de vruchtenbomen eraf halen en dat zij ook geen enkele loslopende straathond met rust laten. Het zijn kwajongens ten voeten uit, die de samenleving nog net geen overlast bezorgen en die leven volgens het oeroude Surinaamse principe ‘dat wij allen kinderen van een vader zijn’. Dus zijn ook deze kwajongens de kinderen van alle Surinamers. Hoewel er bij deze kinderen vaak ook van een lichte verwaarlozing sprake is, zien deze kinderen er in de naschoolse tijd zichtbaar hongerig uit. Het komt ook vaak voor dat zulke kinderen thuis moeten wachten tot moederlief in de late middaguren thuis komt. Maar het zijn uitgerekend deze kinderen in Suriname die altijd vrolijk en blij door de straten huppelen. De meeste van deze kinderen kennen helaas hun vaders niet. Papa heeft nooit naar ze omgekeken, waardoor ze ook nooit door hem zijn erkend, laat staan verzorgd. Deze kinderen hebben daardoor ook de familienaam van hun moeder. Doordat ze hun vader niet kennen en ook niet aan hem kunnen refereren zijn ze ook bijna altijd in de samenleving de ‘underdog’. Binnen het matrifocale familieleven kennen zulke kinderen vaak ook geen enkele mannelijke voorbeeldfiguur. Surinamers zouden er daarom uitdrukkelijk voor moeten waken, dat dit verschijnsel van de vaderloze kinderen geen algemene vormen begint aan te nemen. Dit familiesysteem heeft nog nergens in de wereld positief gewerkt en het is ook niet een systeem waarover men trots moet zijn.

Emancipatieboodschap
Over het algemeen hebben Surinamers echt te doen met deze vaderloze kinderen, maar na 146 jaar afschaffing van de slavernij, dus na tweemaal een mensenleven, kunnen de boosdoeners zich niet blijven beroepen op een slavernijverleden dat ze bovendien niet eens goed kennen. Maar om alle soorten wandaden van onmenselijk gedrag goed te kunnen praten, lenen sommige negatieve aspecten van de slavernij zich nog altijd uitstekend voor. Waar zijn al de onderzoekers die keer op keer erop hebben gewezen dat bepaalde creoolse gebruiken en gewoonten anno 2009 volstrekt onaanvaardbaar zijn geworden? De bestuurskundige August Boldewijn heeft onlangs een duidelijke uitspraak gedaan ten aanzien van de interne strubbelingen in de politieke partij SPA. Heel ongezouten verweet hij de politici van de SPA dat als zij niet eens in staat zijn orde op zaken te stellen binnen hun eigen partij, hoe in hemelsnaam willen ze dan een land besturen? Niet leuk voor de SPA, maar Boldewijn is ook niet de eerste en de beste, maar waarom zijn zulke uitspraken nooit eerder gedaan door creoolse voorbeeldfiguren ten aanzien van het creoolse gezinsleven? Waar is het creoolse intellect en waar is hun lotsverbondenheid met hun eigen zwakke zusters en broeders? En dan weer voor de zoveelste maal, en meer nog naar analogie van de uitspraak van Boldewijn, “Wat Jupiter mag, mag de os nog niet”, maar waar zijn al die creoolse Jupiters? Vooral die van de Surinaamse politiek, en ook die van de wetenschap.

Moesten de creolen als de meest geëmancipeerde Surinamers er niet voor zorgen dat elk geboren kind heel nadrukkelijk moet weten wie zijn ouders zijn, en dat ook de hele Surinaamse samenleving van elke mannelijke verwekker moet eisen dat hij zijn kind moet erkennen en tot een bepaalde leeftijd moet verzorgen. Dat moet na 146 jaar nu toch wel heel duidelijk bij wet worden vastgesteld en de uitvoering van die wet moet ook op een hele rigide wijze gebeuren zonder aanzien des persoons. Want het kan toch niet zo zijn, dat Surinamers op alle gedenkdagen en feestdagen alleen maar in staat zijn een hoop ‘kiekeboe-achtige’ cultuurevenementen te ontplooien met ‘dromerige’ slogans op spandoeken en billboards, die zo onwerkelijk zijn als maar wezen kan. Op 1 juli 2009 zouden alle Surinaamse mannen elkaar eens eindelijk moeten beloven dat zij voortaan een duidelijk oordeel zullen uitspreken over al die andere mannen die hun kinderen niet hebben erkend en ook nooit hebben verzorgd. Dan hebben Surinamers tenminste een daad gesteld op een van hun herdenkingsdagen. Daar lijkt 1 juli als emancipatiedag uitstekend voor geschikt.

P.S.: de illustratie bij deel I is een keuze van de auteur; de illustraties bij deel II zijn door mij toegevoegd om de woordenbrij zo mogelijk iets te verlevendigen, RvdM.

maandag 29 juni 2009

Wat bezielt Ben Mitrasingh?

door Rolf van der Marck

Bij gelegenheid van de Dag der Vrijheden van woensdag 1 juli a.s. heeft Benjamin S. Mitrasingh, archeoloog en kunsthistoricus zoals hij wordt genoemd, voormalig directeur Cultuur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (MINOV), in het dagblad Times of Suriname twee artikelen geplaatst, één op zaterdag 20 juni en één op zaterdag 27 juni j.l., respectievelijk getiteld Creolen mogen na 146 jaar hun geschiedenis grondig herschrijven, en De vaderloze kinderen bij creolen, die alleen al door hun titel niets aan duidelijkheid te wensen overlaten: Mitrasingh provoceert (weer eens).

Misvattingen, stereotiepen en vooroordelen
Het begint al onmiddellijk met de intro van het eerste artikel: “Creolen hebben voldoende intellect in huis om de geschiedenis van Suriname te herschrijven, meer nog, om hun eigen geschiedenis eindelijk eens waarheidsgetrouw op papier te zetten. Rond 1 juli manifesteert deze behoefte zich altijd weer, omdat dan weer eens blijkt hoeveel misvattingen er rond deze bevolkingsgroep in Suriname bestaan.”

Zonder deze misvattingen te benoemen vervolgt hij: “Die misvattingen zijn bepaald niet positief voor de creolen, maar doordat ze steeds maar weer worden opgesomd in wetenschappelijke werken, beginnen deze onwaarheden en misvattingen een eigen leven te leiden. Dit geldt ook voor de andere bevolkingsgroepen in Suriname, maar die hebben niet zozeer te lijden onder een reeks van stereotiepen en vooroordelen waaronder vooral Afrikanen, negers en nu ook creolen gebukt moeten gaan.”


Alhoewel Mitrasingh vaststelt dat het hier gaat om misvattingen, stereotiepen en vooroordelen, die volgens hem rond 1 juli altijd weer leiden tot de behoefte een en ander “eindelijk eens waarheidsgetrouw op papier te zetten”, doet hij er integendeel nog eens een schepje bovenop: “Voor creolen lijken al de vooroordelen en stereotiepen bijna op een vicieuze cirkel. Veel wetenschappelijk literatuur en met name die door creolen zelf is geschreven, is nooit internationaal geaccepteerd geworden, omdat zij of te agressief is of te onderdanig en dus nooit eerlijk en objectief zijn. Deze kritieken schijnen de creoolse wetenschappers enorm veel problemen te bezorgen. Zij moeten zich vereenzelvigen met de westerse waarden en normen of zij hoeven als ‘enfant terrible’ niet te rekenen op enige steun en erkenning van de kant van deze ‘beklaagden’.”

Met veel omslag van woorden, maar zonder man en paard te noemen, laat staan met ook maar een spoor van bewijsvoering, beweert Mitrasingh hier in feite dat de creolen de misvattingen, stereotiepen en vooroordelen over zichzelf hebben afgeroepen. Welk een gotspe.

Volksmonument op het Vrijheidsplein
Volgt een verward ‘tussendoortje’: “Aangezien Suriname geen nationaal museum heeft, en dat er ook weinig aandacht wordt besteed aan de nationale geschiedenis van het land, krijgen historici bijna nooit de kans om de juiste toedracht van de geschiedenis te schrijven”, uitmondend bij het verwijt: “Bovendien, en dat komt er nog bij kijken ook, als je als land in 1975 de ‘guts’ had om het monument van prinses Wilhelmina te verwijderen, maar tot 2009 je te blut bent gebleken, of erger nog, je geen idee hebt gehad om er iets anders voor in de plaats te zetten, dan zal daar nooit iets van komen.” Maar van de VHP moest op datzelfde plein wél het beeld van Lachmon komen, die mag immers niet onderdoen voor de daar al aanwezige Pengel, alhoewel het nu volledig misplaatst is.

Om dan de overstap te maken: “Zo hoeft het Surinaamse kind dus op 1 juli niet te gaan naar een museum om over de slavernij iets te leren en ook niet om te zien hoe wreed de slavernij is geweest en natuurlijk nooit niet om te weten wat het aandeel van Nederland in die wreedheden is geweest. Voor deze naschoolse vorming heeft Suriname het geld niet, en als het geld er wel is dan schort er nog een hoop aan het cultuurmilieu van de beleidsmakers.” Helaas heeft Mitrasingh als directeur Cultuur daaraan ook niets bijgedragen, althans niet voor zover mij is gebleken.

Dag der Vrijheden
Ook schiet Mitrasingh zijn giftige pijlen af op 1 juli, althans op de naamgeving van die dag: “Rond 1 juli zal men, zoals gebruikelijk, weer bekvechten over de juiste naam van die dag; is het Dag der Vrijheden, Emancipatiedag (Manspasi), Keti Kotidag of gewoon Afschaffing der Slavernij. In haar afstudeerscriptie over de introductie van Holi en Idul Fitre als nationale feestdagen schrijft de jonge sociologe Kirtie Algoe wel heel nadrukkelijk dat 1 juli Keti Koti heet.”

Algoe is daar waarschijnlijk nog te jong voor, maar Mitrasingh met zíjn jaren –en al helemaal als voormalig directeur Cultuur– had moeten weten, sterker: wéét dat in 1959 1 juli door de toenmalige regering Emanuels is gedoopt tot Dag der Vrijheden, hetgeen ook is gepubliceerd in het Staatsblad (SB). In 1959 werden in het kader van de natievorming enkele nationale symbolen bij wet ingevoerd: de vlag, de tekst van het Volkslied (Trefossa), het wapen, en de Dag der Vrijheden (1 juli). Met deze Dag der Vrijheden hoopte de regering een compromis gevonden te hebben voor de wens van de grote bevolkingsgroepen een eigen, voor die bevolkingsgroep, gedenkwaardige dag tot nationale vrije dag te verheffen. Dat deze naam nog altijd geen gemeengoed is geworden is te wijten aan mensen als Mitrasingh die keer op keer die benaming weer als probleem aan de orde stellen.

Het West-Indische familiesysteem
Aan de hand van enkele historische feiten omtrent de slavernij belandt Mitrasingh dan eindelijk bij het punt waar hij wilde uitkomen: de bandeloosheid van de creool, echter niet dan na eerst (heel even maar) te tippen aan andere groeperingen. “Binnen bepaalde bevolkings- groepen in Suriname hanteert men een term voor het familiesysteem van de groep zelf. Zo kent de literatuur voor hindostanen de term ‘joint family’ ofwel de grote familie, javanen kennen de term ‘rukun’ ofwel saamhorigheid, maar bij creolen is dat niet zo duidelijk. Wel concluderen wetenschappers dat ‘proletarisering’ als vanouds het levenspatroon heeft bepaald van de slaven en hun nakomelingen, de creolen. Het was een familiesysteem van de armoede en van de bezitlozen. In de loop der tijd waren de creolen gedwongen hun familieleven aan deze ongunstige omstandigheden aan te passen. Dit familiesysteem hebben sociologen gekarakteriseerd als het West-Indische familiesysteem.”

Wéér zo’n Mitrasingh-gotspe: “bij creolen was dat niet zo duidelijk.” Wat héét?! Hadden de creolen een ander keuze? Nee toch zeker.


Een groep slavenwoningen op (suiker)plantage Dordrecht, getekend door Winkels in 1859. (Illustratie uit Geschiedenis van Suriname, Zutphen, 1998.)

Mitrasingh vervolgt: “Men treft het West-Indische familiesysteem in heel ‘Plantation America’ aan en daarmee bedoelt men te zeggen het gebied dat bekend staat als de West-Indische eilanden, de 'Deep South' van de VS, de Atlantische kusten van Midden-Amerika, Columbia, Venezuela, de drie Guyana’s (dus ook Suriname) en het noordoosten van Brazilië. De belangrijkse kenmerken van dit familiesysteem zijn volgens de sociologen en antropologen:
1. De aanwezigheid van erkende alternatieve man-vrouwverhoudingen. Naast het huwelijk kent men het concubinaat, waarbij man en vrouw samenleven zonder gehuwd te zijn.
2. Veelvuldig voorkomen van vrouwelijke huishoudhoofden. De vrouw vervult een centrale rol in het huishouden.
3. De vrouw is in veel huishoudens de dominerende autoriteit, waardoor kinderen zowel gevoelsmatig als economisch van haar afhankelijk zijn.”

En dan krijgen de creolen er weer van langs: “Het systeem is nauwelijks van karakter veranderd, ondanks de vergaande sociale wijzigingen zoals emancipatie, industrialisatie en dekolonisatie. Het familiesysteem van de creolen is dan ook, zo gaat de literatuur verder, te beschouwen als een aanpassing aan ongunstige omstandigheden zoals armoede, werkeloosheid en discriminatie.” En nu komt het: “Door de creoolse intellectuelen in Suriname wordt te weinig op deze zaken de nadruk gelegd en ook te weinig verklaard, ontkend of ontzenuwd.” Zo kan die wel weer, Ben.

En dan in één adem door: “Creoolse intellectuelen hebben ook te weinig kritiek geleverd op zaken als ‘zakenrecht’ en ‘personenrecht’.” Zómaar, alsof hij ‘t over het heden heeft in plaats van over het verre verleden, toen er nog geen creoolse intellectuelen waren, lees maar verder: “Zo viel de slaaf onder het zakenrecht, wat wil zeggen dat hij geen huwelijk kon sluiten, hij mocht dus niet trouwen. Hij kon wel het ‘slaven- huwelijk’ sluiten en daarna bepaalde zijn meester of hij `s avonds of op zondagen zijn vrouw mocht bezoeken. Dit slavenhuwelijk moet worden beschouwd als het begin van de ‘vaderloze’ gezinnen. Dit verschijnsel is helaas nooit goed in Suriname onderzocht, althans niet op een wijze die een beter begrip voor de vaderloze gezinnen heeft bewerkstelligd.”

Bandeloosheid bewezen volgens Mitrasingh. De gevolgen hiervan komen in een vermoeiend tweede deel.

De vaderloze kinderen bij creolen
Om te beginnen citeert Mitrasingh in het tweede deel van zijn betoog Frans Steegh e.a., Geschiedenis van Suriname, 1993, die stelt: “Dat op deze wijze het matrifocale gezin ontstond lijkt zeer aannemelijk. Maar daarmee is niet verklaard waarom het matrifocale gezin zo lang bleef voortbestaan nadat de historische noodzaak was weggevallen.” En dan slaat Mitrasingh –zonder naar die verklaring te zoeken– weer op hol: “Simpel gezegd komt het dus hierop neer, dat historici en alle andere sociaal wetenschappers zich in gemoede afvragen hoe het komt dat alleen creolen in Suriname, populair gezegd en ook volgens de internationale normen en waarden van een traditioneel gezinsleven zo een losbandig familieleven kennen. En dat al langer dan 146 jaar.”

Waar Mitrasingh begon in algemeen verband, Plantation America, vernauwt hij zijn focus nu tot “alleen creolen in Suriname”, die zich in tegenstelling tot internationale normen en waarden (welke?) van een traditioneel gezinsleven (hoe, waar?) aan bandeloosheid overgeven. Niet meer en niet minder dan een slag in de lucht, een trap onder de gordel.

Emancipatieboodschap
Ik zei het al, Mitrasinghs verhaal is vermoeiend, eentonig, langabere. U zult mij moeten vergeven dat ik méér van hetzelfde oversla en even verder de draad weer oppak. Alhoewel, er zit weinig draad in. Na een uitweiding over de vrolijke cultuur van de creolen, dat ze houden van feestvieren en dansen, dat ze goed kunnen zingen en daarmee hun ‘roots’ aantonen van ergens in Afrika, dat een bekend merk bier (Parbo durft hij niet in de mond te nemen) zelfs zover gaat bijna alleen maar creoolse modellen te gebruiken voor haar reclame, dat ook radio-advertenties pakkender zijn in het Sranantongo, etcetera, etcetera, etcetera, komt hij tot zijn emancipatie-boodschap: “Surinamers zouden er daarom nadrukkelijk voor moeten waken dat dit verschijnsel van vaderloze kinderen geen algemene vormen begint aan te nemen.”

“Moeten de creolen als de meest geëmancipeerde Surinamers er niet voor zorgen dat elk geboren kind heel nadrukkelijk moet weten wie zijn ouders zijn en dat ook de hele Surinaamse samenleving van elke mannelijke verwekker moet eisen, dat hij zijn kind moet erkennen en tot een bepaalde leeftijd moet verzorgen. Dat moet na 146 jaar nu toch wel heel duidelijk bij wet worden vastgesteld en de uitvoering van die wet moet ook op een heel rigide wijze gebeuren, zonder aanzien des persoons. Want het kan toch niet zo zijn, dat Surinamers op alle gedenkdagen en feestdagen alleen maar in staat zijn een hoop ‘kiekeboe-achtige’ cultuurevenementen te ontplooien met ‘dromerige’ slogans op spandoeken en billboards, die zo onwerkelijk zijn als maar wezen kan. Op 1 juli 2009 zouden alle Surinaamse mannen elkaar eens eindelijk moeten beloven dat zij voortaan een duidelijk oordeel zullen uitspreken over al die andere mannen die hun kinderen niet hebben erkend en ook nooit hebben verzorgd. Dan hebben Surinamers tenminste een daad gesteld op een van hun herdenkingsdagen. Daar lijkt 1 juli als emancipatiedag uitstekend voor geschikt.”

Wat bezielt Ben Mitrasingh?
Provocatie, zoals ik in het begin al heb gesteld, is één ding. Maar er is meer. Het verband met die andere provocatie van kort geleden, het aan ons volkslied toe te voegen derde couplet in het Sarnami, is natuurlijk onmiddellijk duidelijk. Het is nog net geen georkestreerde actie om de etnische kaart te spelen, maar het zou wel de opmaat daartoe kunnen zijn.

Graag wil ik daarom verwijzen naar het eerder hier gepubliceerde artikel van Ricardo E. Meyer van zaterdag 20 juni j.l., getiteld “Een Sarnami couplet in het Surinaamse volkslied?” Meyer stelt daar, en ik sluit me daarbij volledig aan: “Volgens mij is het hoog tijd om elementen in deze samenleving die puur etnisch denken, streven en handelen voor eens en voor altijd de pas af te snijden. Zij dreigen anders het nationaal bewustzijn en daarmee de broodnodige natievorming van dit land en volk te frustreren.”