Posts tonen met het label Marrons. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marrons. Alle posts tonen

woensdag 14 mei 2014

Aminata Cairo geeft vierde Rudolf van Lier-lezing

Krioro dansi: Dansen om Afro-Surinaamse identiteit te verkennen

Vrijdag 27 juni 2014
Aminata Cairo
Faculteit Geesteswetenschappen, Lipsius Gebouw, zaal 011, Cleveringaplaats 1, Leiden

Suriname staat bekend als een land waar diverse etnische groepen in harmonie met elkaar samenleven. Toch is de realiteit van een multiculturele samenleving niet zelden een andere.  Ruimte creëren voor identiteit kan uitermate ingewikkeld zijn. In haar lezing zal Aminata Cairo ingaan op vormen van Afro-Surinaamse identiteitsbeleving aan de hand van een studie over Afro-Surinaamse dans, die zij tussen 2003 en 2005 in Suriname uitvoerde. Daarbij zal zij kijken naar de dynamiek en complexiteit van identiteitsbeleving. Los van de academische aspecten van haar onderzoek zal zij aandacht besteden aan de praktische betekenis van haar bevindingen voor de Afro-Surinaamse gemeenschap. Na het uitspreken van de lezing zal Gloria Wekker, emeritus hoogleraar gender en etniciteit aan de Universiteit Utrecht, optreden als referent.

Aminata Cairo werd geboren in Nederland, waar zij de middelbare school doorliep. In de Verenigde Staten volgde zij verschillende universitaire studies. Cairo is in het bezit van een BA-diploma lichamelijke opvoeding en psychologie (Berea College, 1988), een MA-diploma klinische psychologie (Eastern Kentucky University, 1991), een MA-diploma medische antropologie (University of Kentucky, 2001) en een PhD in medische antropologie (University of Kentucky, 2007). De titel van haar proefschrift luidt: Hebi Sani: Mental Well Being Among the Working Class Afro-Surinamese in Paramaribo, Suriname. Sinds 2009 is Cairo als assistent professor in de antropologie verbonden aan Southern Illinois University in Edwardsville.

De Rudolf van Lier Lezing is vernoemd naar de bekende Leidse hoogleraar (1914-1987) in de sociologie en cultuurkunde van Suriname, de Nederlandse Antillen en het Caraïbisch gebied en auteur van het standaardwerk Samenleving in een grensgebied; Een sociaal-historische studie van Suriname. De lezing, die om de twee jaar wordt georganiseerd door de Werkgroep Caraïbische Letteren, is gewijd aan een sociaal-wetenschappelijk of geesteswetenschappelijk thema en heeft betrekking op de Nederlandstalige Caraïben. Ruben Gowricharn (2008), Francio Guadeloupe (2010) en Hugo Fernandes Mendes (2012) gingen Aminata Cairo voor als spreker in deze lezingenserie.

Programma
19.30 uur Welkomstwoord door de voorzitter van de Werkgroep Caraïbische Letteren, Peter Meel
19.40 uur Van Lier Lezing, getiteld ‘Krioro dansi: Dansen om Afro-Surinaamse identiteit te verkennen’ door Aminata Cairo, assistent professor antropologie aan Southern Illinois University
20.30 uur Reactie door Gloria Wekker, emeritus hoogleraar gender en etniciteit aan de Universiteit Utrecht
20.45 uur  Discussie met de spreekster, de referente en de zaal
21.30 uur Sluiting
Het programma begint om 19.30 uur precies.
Gloria Wekker

Indien u de lezing wenst bij te wonen: u kunt maximaal twee mensen aanmelden. Dat kunt u doen tot uiterlijk 18 juni 2014 onder vermelding van naam, adres, postcode en woonplaat bij Efy Matulessy via e.p.matulessy@hum.leidenuniv.nl.  Zolang er plaats is, ontvangt u binnen een week bericht terug per e-mail. Dit bericht dient uitgeprint als (gratis) toegangsbewijs. U wordt verzocht dit mee te nemen en bij binnenkomst te tonen.
Het Lipsiusgebouw ligt op circa 15 minuten loopafstand van station Leiden CS. De locatie is eveneens per auto te bereiken, maar de parkeermogelijkheden in de omgeving zijn beperkt. U wordt geadviseerd zoveel mogelijk met het openbaar vervoer te reizen. Voor een plattegrond van de locatie: http://www.hum.leidenuniv.nl/contact/adres-faculteit.html. Voor reis- en parkeerinformatie: http://www.hum.leiden.edu/contact/visiting-address.html.


Website van de Werkgroep Caraïbische Letteren: http://caraibischeletteren.blogspot.nl/


zondag 4 mei 2014

Judges, Masters, Diviners: Slaves’ Experience of Criminal Justice in Colonial Suriname

Natalie Zemon Davies
by Natalie Zemon Davis

“Two negroes hanged,” John Gabriel Stedman wrote in his Suriname journal for March 9, 1776, and then two days later, among his purchases of“soap, wine, tobacco, [and] rum” and his dinners with an elderly widow, he records, “A negro’s foot cut off.” Stedman expanded on these events in the later Narrative of his years as a Dutch–Scottish soldier fighting against the Suriname Maroons: And now, this being the period of the [court] sessions, another Negro’s leg was cut off for sculking from a task to which he was unable, while two more were condemned to be hang’d for running away altogether. The heroic behavior of one of these men deserves particularly to be quotted, he beg’d only to be heard for a few moments, which, being granted, he proceeded thus––

“I was born in Africa, where defending my prince during an engagement, I was made a captive, and sold for a slave by my own countrimen. One of your countrimen, who is now to be my judge, became then my purchaser, in whose service I was treated so cruelly by his overseer that I deserted and joined the rebels in the woods . . .”
To which his former master, who as he observed was now one of his judges, made the following laconick reply, “Rascal, that is not what we want to know. But the torture this moment shall make you confess crimes as black as yourself, as well as those of your hateful accomplices.” To which the Negroe, who now swel’d in every vain with rage [replied, holding up his hands], “Massera, the verry tigers have trembled for these hands . . .and dare you think to threaten me with your wretched instrument? No, despise the greatest tortures you can now invent, as much as I do the pitiful wrech who is going to inflict them.” Saying which, he threw himself down on the rack, where amidst the most excruci ating tortures he remained with a smile and without they were able to make him utter a syllable. Nor did he ever speak again till he ended his unhappy days at the gallows.

Verder lezen: klik hier


zaterdag 12 april 2014

Kwik in Suriname

Suriname ligt nog niet echt wakker van het sluipende gevaar van kwikgebruik. De gevolgen van het massale gebruik bij het winnen van goud lijken nog niet echt doorgedrongen. Hier en daar wordt al verslag gedaan van vergiftiging van individuen. Maar ook hele leefgemeenschappen worden bedreigd.
..
 

..
Deel 2..

 

vrijdag 28 maart 2014

Winnaars vierde subsidieronde Dr. Silvia W. de Groot Fonds

Silvia de Groot
Het Dr. Silvia W. de Groot Fonds, dat door de Vereniging KITLV beheerd wordt, is bedoeld om studenten of jonge onderzoekers afkomstig uit het Caraïbisch gebied, bij voorkeur van Marron-afkomst, financieel te ondersteunen bij de voorbereiding van een wetenschappelijke publicatie in de sfeer van de geschiedenis of cultuur van de Caraïben. Jaarlijks is een bedrag van € 10.000 beschikbaar, te verdelen over één of meerdere aanvragers. Het bestuur van het fonds heeft in de vierde subsidieronde de aanvragen van drie onderzoeksters gehonoreerd:
• Wendeline Flores, MA-student Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Onderzoek: ‘De Antilliaanse en Surinaamse studentenbeweging (1950-1975)’.
• Guiselle Starink-Martha, PhD-kandidaat Culturele Studies aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Onderzoek: ‘Mobility, national identity and the politics of black aesthetics in the Dutch Caribbean: The case of the new Caribbean nation of Curaçao’.
• Jenna Marshall, PhD-kandidaat Politieke Wetenschappen, Queen Mary University of London. Onderzoek: ‘Decolonising through education? Caribbean radical politics of development: A study of education in Barbados’.

Guiselle Starink-Martha
Guiselle Starink-Martha
Titel van het project: Vooronderzoek 'Mobility, national identity and the politics of black aesthetics in the Dutch Caribbean: The case of the new Caribbean nation of Curaçao'

Het gehonoreerde project van Guiselle Starink-Martha is een eerste stap naar een groter onderzoek naar de samenhang tussen esthetiek en zwarte identiteit in het Caribisch gebied. Starink-Martha gaat onderzoek doen naar visuele representaties van 'zwartheid' in zowel culturele producten als in het dagelijkse leven. Dit vooronderzoek richt zich specifiek op esthetische constructies van zwartheid binnen het fenomeen 'natuurlijk haar' op Curaçao. Hoe wordt Afro-Curaçaos 'natuurlijk haar' beleefd en vormgegeven in het dagelijks leven en hoe gaan Curaçaoënaars om met 'kroeshaar'? Hoe wordt het uitgebeeld in de media en populaire cultuur? Hoe verhoudt dit zich tot de constructie van een Curaçaose nationale identiteit in het algemeen en tot een Afro-Curaçaose identiteit in het bijzonder? Hoe verhoudt deze Afro-Curaçaose beeldvorming zich tot de heropleving van de 'natural hair scene' binnen de mondiale Afro-diaspora?

In het Caribisch gebied zijn de huidige processen van natievorming en collectieve identiteitsconstructie, die gekenmerkt worden door zowel racialisering als post-kolonialisme, niet los te zien van bredere processen van globalisering. Door huidige Curaçaose debatten over ras, kleur en identiteit te koppelen aan visuele representaties en esthetiek, zoekt dit onderzoek nieuwe manieren om te denken over ras en post-kolonialisme in het geglobaliseerde Caribisch gebied van de 21ste eeuw.
Guiselle Starink-Martha is op Curaçao geboren en getogen. Zij heeft Talen en Culturen van Latijns-Amerika aan de Universiteit van Leiden gestudeerd. Zij is als promovenda verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Haar promotieonderzoek betreft constructies van collectieve Curaçaose identiteit onder transnationale Curaçaoënaars door middel van muzikale performances. Haar onderzoek richt zich op hedendaagse populaire cultuur en huidige belevingen en constructies van identiteit. Zij is vooral geïnteresseerd in de verhouding tussen critical theory en alledaagse  beeldvorming en gewoontes.

Wendeline Flores
Wendeline Flores
Titel onderzoek: De Antilliaanse en Surinaamse studentenbeweging (1950-1975) 
Het onderzoek van Wendeline Flores, ondersteund door het Silvia W. de Groot Fonds, richt zich op de Antilliaanse en Surinaamse studentenbewegingen tussen 1950 en 1975. Het wordt verricht in het kader van haar masterscriptie en dient tevens ter voorbereiding van diverse toekomstige publicaties en vervolgonderzoek. De vraag wat de positie van de Antilliaanse en Surinaamse student immigranten in de naoorlogse, (post)koloniale samenleving (1950-1975) was en hoe zij de positie van zichzelf en hun ‘landgenoten’ trachten te veranderen, staat hierbij centraal. Het onderzoek richt zich op de actieve deelnemers, leiders en oprichters van Antilliaanse en Surinaamse studentenverenigingen en studentenbladen in Nederland. Zij zijn de belangrijkste bronnen en zullen in Nederland, Curaçao, Aruba en Suriname geïnterviewd worden. Dit zal verder worden aangevuld met relevante archiefstukken. Het onderzoek is bedoeld om een geschiedenis vast te leggen die vooralsnog onvoldoende aandacht heeft gekregen. De documentatie van de ervaringen van de hoofdrolspelers uit de beide bewegingen is hierbij van essentieel belang en is door middel van de genereuze subsidie van het Silvia W. de Groot Fonds mogelijk gemaakt.

Wendeline Flores (1989) is studente Geschiedenis MA aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Gedurende haar studie heeft zij onderzoek gedaan naar de geschiedenis van Curaçao, het geboorteland van haar vader, maar ook naar het Caribische gebied in bredere zin. Ze heeft stage gelopen bij het Tropenmuseum en daar onderzoek gedaan naar de Suriname collectie. Tevens heeft ze stage gelopen bij het Nationaal Instituut Nederlands Slavernij Verleden en Erfenis, waar zij ook als vrijwilligster actief is geweest. Wendeline Flores schreef haar bachelorscriptie over het Antilliaanse studentenblad ‘Kambio. Portabos Independiente Antiano’ (1965-1968) en haar redactie. Op basis van archiefonderzoek in Nederland en interviews met de voormalige redactieleden in Nederland en Curaçao is de geschiedenis van ‘Kambio’ in kaart gebracht. Thema’s die in haar  onderzoek centraal staan zijn o.a. (post)kolonialisme, ras en slavernij.

Jenna Marshall
Jenna Marshall
Titel onderzoek: Decolonising through education? Caribbean radical politics of development: A study of education in Barbados
Jenna is a second year PhD candidate in the School of Politics and International Relations, Queen Mary University of London. With an MRes from the School, she also holds a bilingual Honours degree from York University (Canada). Her recent work includes Assistant Curator of the Making Freedom Project in partnership with the Windrush Foundation, UK Royal Geographical Society and the Marcus Garvey Library. Additionally, she has undertaken the role of Teaching Assistant for the first-year undergraduate module 'Introduction to International Relations'.

A researcher by training, she has worked on areas related to economic and social development within Latin America and the Caribbean. Prior to joining the School, Jenna has held posts which include Research Fellow for the Barbados Coalition for Service Industries, Print Media Journalist and Correspondent with the United Nations Development Programme.

Her overall research interests seek to explore the impact of global civil, political and economic actors and their relations within the developmental process of small island developing states, with particular reference to the Caribbean. Successfully obtaining a Special Award from the Ministry of Education and Human Resource Development in Barbados, her current research seeks to locate education as part of a broader radical political project in the developmental process in nation-building period after constitutional independence in Barbados.  She aims to identify and analyse the various political and economic actors within informed the politics of development particular in the area of education as conceptualised as a key driver of both social and economic development opposed to other variants of development approaches employed in the Caribbean region.

Cricket in Barbados



donderdag 13 maart 2014

Gevoelige kwesties

Sandew Hira
door Sandew Hira

De afgelopen twee weken in Suriname waren voor mij de meest inspirerende van de afgelopen jaren. Ik ben in een korte tijd veel ervaringen rijker geworden.
Op uitnodiging van Prof. Dr. Henri Ori geef ik colleges op de Anton de Kom Universiteit aan de studierichting Master in Education for Research and Sustainable Development in het vak Ontwikkelingstheorieën. In Europa en Amerika gaat de discussie over duurzame ontwikkeling veelal over de relatie tussen milieu en economie. Ik breng in de colleges de dimensie in van stabiliteit van sociaal-economische verhoudingen in landen die gekoloniseerd zijn geweest. Meer dan milieu zijn politieke, sociale, economische en etnische spanningen een bedreiging voor de duurzaamheid van een samenleving.
Henry Ori

Ik deed een oefening met de studenten met als doel om hun empathie, het vermogen om je in te leven in de gevoelens van een ander, te vergroten. De studenten moesten per etnische groep aangeven welke uitspraken als beledigend worden ervaren door die groep. Er was een discussie of Marrons een apart etnische groep zijn dan ‘Creolen’, want beide zijn Afro-Surinamers, mensen met een basis in Afrika.
Het gaat niet om het benoemen van vooroordelen. Dat klinkt neutraal. Het gaat om het benoemen van beledigingen. Je moet je realiseren dat het beledigend is om negatieve eigenschappen van een individu toe te kennen aan een groep en waarom mensen uit die groep het als een belediging ervaren.

Sheriva Truideman

De studentenpopulatie is behoorlijk gemengd. Er kunnen verschillende dingen gebeuren tijdens deze oefening. Niemand durft beledigingen te noemen uit vrees dat de ander zou kunnen denken dat je je eigen opvattingen daarmee verraadt. Sommigen formuleren de beledigingen met aarzelingen en omslachtige formuleringen, waardoor je niet to the point komt met als gevolg dat het wantrouwen tegen je eerder versterkt dan verzwakt wordt. Om een belediging te formuleren in de context van een oefening moet de moderator eerst een veilige en oprechte omgeving creëren die duidelijk maakt dat het doel is om de empathie te vergroten. En ze kwamen los: Chinezen zijn vies; Hindostanen zijn gierig, Creolen zijn lui, Marrons zijn achterlijk, Javanen zijn corrupt, Inheemsen zijn dom, witte mensen stinken.
We hebben lijstjes gemaakt per etnische groep. We hebben gebrainstormd over de vraag wat iemand uit een etnische groep als een compliment zou ervaren. We hebben gediscussieerd over theoretische vraagstukken over wat de essentie is van etnische identiteit.
Albert Roessingh - Javaans paar

En ik werd met de minuut optimistischer over de toekomst van Suriname. Het is mogelijk om gevoelige kwesties op een ontspannen en eerlijke manier onder ogen te zien. Je moet een open houding hebben om te willen luisteren naar de ander. Je komt dan te weten wat je niet weet.

Vorige week donderdag zat ik een bijeenkomst voor met de jurist Patricia Meulenhof en Robert Connell die onderzoek doet naar grondrechten van Marrons in Jamaica en Suriname. Ik had eerder in een column het vraagstuk aangekaart in hoeverre sinds de vredesverdragen de Marrongemeenschappen een staat zijn binnen een staat zijn en of er sprake is van een vraagstuk over soevereiniteit. Ik had niet door dat ik met de introductie van het begrip ‘soevereiniteit’ een heel gevoelige snaar had geraakt in de Surinaamse samenleving. Ik kwam er gauw genoeg achter. De zaal kwam los. “Wat is het doel van die vergelijking? Is het om marrons in een kwaad daglicht te stellen?”
Ik was verbaasd. Ik dacht dat ik een intellectuele discussie had aangekaart, maar er leeft een sentiment dat ik niet kende, namelijk dat Marrons veeleisend zijn en onterecht rechten claimen die anderen niet hebben. Mijn analyse had dat sentiment versterkt, zo bleek mij tijdens de discussie.
Patricia Meulenhof
De opmerkelijke en optimistische kant van de discussie is dat verschillende sprekers zich nadrukkelijk keerden tegen het concept van soevereiniteit. Later vroeg ik Patricia Meulenhof: “Wat willen de marrons nou precies?” Zij legde me uit dat de marrons net als in Guyana en andere landen willen dat de positie van tribale gemeenschappen in de wet wordt vastgelegd. Is dat onredelijk? Het lijkt mij niet.

Mijn optimisme werd versterkt door de reactie in de samenleving op oproepen van o.a. Brunswijk om alle marronpartijen te bundelen in een grote eenheid. Niemand maakte de marrons uit voor racisten. Als Santokhi een oproep zou doen aan alle Hindostaanse partijen om zich te bundelen in één grote Hindostaanse partij, zou hij onmiddellijk voor racist worden uitgemaakt. Hoe verklaar je dat verschil? Het laat zien dat er in de Surinaamse gemeenschap het idee leeft dat sommige etnische groepen achtergesteld zijn en het legitiem is om hun emancipatie te bevorderen door zich samen te bundelen. Marrons worden beschouwd als een achtergestelde groep en Hindostanen niet. Een oproep tot bundeling van Hindostaanse partijen zou niet gezien wordt als een poging om een einde te maken aan achterstelling, maar een poging om een begin te maken met etnische dominantie.

Foto Raw Fotografie
Een geweldige ervaring had ik bij de cursus Herschrijving van de Surinaamse gschiedenis die ik samen met Prof. Dr. Stephen Small verzorgde, Ik deed de eerste week en Stephen de tweede. De cursus werd georganiseerd door het Nationaal Archief Suriname (NAS). Soewarto Moestadja, minister van Binnenlandse Zaken en verantwoordelijk voor het archief, had zich persoonlijk gecommitteerd aan dit traject. Hij opende de cursus en plaatste het in het kader van het regeringsbeleid om de geschiedenis te herschrijven vanuit een gedekoloniseerd perspectief. Toen Stephen Small arriveerde heb ik met hem en Rita Tjien Fooh, directeur van het NAS, een ontmoeting op het ministerie gehad om de follow-up te bespreken. De follow-up bestaat uit vijf onderdelen: het opzetten van een nieuwsbrief voor de community van mensen die geïnteresseerd zijn in de herschrijving van de Surinaamse geschiedenis, het opzetten van een onderzoeksprogramma om wetenschappelijk onderzoek te bevorderen, het uitgeven van een serie bronnenpublicaties door het NAS om originele bronnen te ontsluiten, het publiceren van een boek op 8 maart 2015 over de positie van vrouwen in de Surinaamse geschiedenis en een follow-up cursus in 2015 waarin de geschiedenis van Suriname wordt vergeleken met de geschiedenis van andere landen.

Op de laatste dag van mijn cursusonderdeel kaartte ik een gevoelige discussie aan: hoe behandelen we 8 december in de Surinaamse geschiedschrijving? Er waren ongeveer 40 cursisten aanwezig met uiteenlopende opvattingen over 8 december. Hoe bespreek je in zo’n gezelschap deze super sensitieve kwestie? Rita Tjien Fooh had publiekelijk in de Ware Tijd aangekondigd dat gevoelige onderwerpen niet van de historische agenda moeten worden gehaald. Er zijn verschillende perspectieven die met elkaar in dialoog moeten gaan: “Maar we moeten eruit komen.”
Bij de bespreking had ik het volgende gesteld. Niemand mag een ander onderbreken. Je moet je eigen mening geven en hoef[t] niet in discussie te gaan. Dit is een begin, niet het einde van het traject over 8 december en geschiedschrijving.
Er was een ingetogen sfeer waarin de emoties als zware wolken boven het gezelschap hingen. Eén persoon plaatste 8 december direct in een groter kader: hoe zit het met Moiwana? Waarom alleen 8 december?
Een ander gaf aan hoe zwaar het op haar maag lag: “Ik was lid van de volksmilitie. Ik wil er voorlopig niet over praten.”
En zo waren er verschillende bijdragen vanuit verschillende invalshoeken. Diep in mij woedden verschillende emoties, maar er was één van vreugde. We zijn in staat om toch een tipje te lichten van de sluier op een taboe waarover we niet graag praten. Het was een klein onderdeel van de cursus, maar niet onbelangrijk.
Het Moiwana monument

Deze exercitie heeft me gesterkt in de overtuiging dat er een maatschappelijke oplossing moet komen voor 8 december en Moiwana. De spanning die op dit onderwerp ligt, kan vroeg of laat de stabiliteit van de samenleving bedreiging. Stel je voor dat bij de nieuwe verkiezingen Santokhi wint. Stel dat het 8 Decemberstrafproces leidt tot de uitspraak dat Bouterse schuldig is. Wat gaat Santokhi doen? Hij heeft twee opties.
De eerste is om de uitspraak te respecteren en Bouterse te laten arresteren. Wat gebeurt er dan? Wie dit soort sociale processen analyseert, weet dat het zal leiden tot een geweldsexplosie. Het vragen van buitenlandse hulp bij de arrestatie zal het probleem van geweld alleen maar verergeren.
De tweede optie is verraad te plegen aan iedereen die pleitte voor het proces. En dat verraad houdt in dat Santokhi zelf amnestie geeft om een geweldsexplosie te voorkomen.
Meer opties heeft hij niet. En beide opties zijn loose-loose-opties.

Zelfs als Bouterse morgen aan een hartaanval sterft, zal de spanning van 8 december en Moiwana niet verdwijnen uit de samenleving omdat er dan een erfenis is waarmee gedeald moet worden.
De amnestiewet van de regering is ook geen oplossing. De dader die zichzelf amnestie geeft heeft daarmee iedere morele basis verloren om die amnestie legitimeren. Je kunt jezelf niet vergeven voor een misdaad. Iemand anders moet je vergeven, als vergeving in plaats van waarheidsvinding aan de orde is.

Mijn conclusie is dat in de afgelopen 32 jaar de politiek geen oplossing heeft weten te brengen in dit probleem. Die oplossing moet van het volk komen. Ik pleit voor een oplossing gebaseerd op drie punten:
1. Intrekking van de amnestiewet.
2. Stopzetting van het 8 decemberproces.
3. Instelling van een waarheidscommissie van onderaf met de bevoegdheid om amnestie te verlenen.

Die punten roepen tal van vragen op, die we in de komende tijd ook moeten bespreken. Maar de kern van deze oplossing is dat we kiezen voor een bepaalde vorm van gerechtigheid. Gerechtigheid heeft twee dimensies: straf en waarheidsvinding. Soms kan waarheidsvinding louterend werken en straf overbodig maken.
Het doel van deze oplossing is dat in de samenleving een atmosfeer ontstaat waarbij grote delen van de bevolking erkent dat we 8 december en Moiwana niet afgesloten hebben, maar een afsluiting absoluut noodzakelijk is. De afsluiting houdt in dat mensen van verschillende kampen elkaar recht in de ogen kunnen kijken en tegen elkaar kunnen zeggen: we hebben het probleem samen opgelost via het mechanisme van waarheidsvinding. Het gaat niet om verzoening. Het gaat er niet om dat iemand spijt en berouw toont. Het gaat er om dat de waarheid boven tafel komt, met alle complicaties die horen bij waarheidsvinding. Maar aan het eind kunnen we tegen elkaar zeggen: we hebben het afgesloten en gaan samen verder. We hebben het mechanisme van geweldloosheid toegepast om een oplossing te bereiken.

Ik pleit al lang voor deze oplossing, maar het heeft tot nu toe geen maatschappelijke weerklank gevonden. De sessie met de cursisten van NAS hebben [heeft] me gesterkt in de overtuiging dat we een open houding moeten ontwikkelen over de kwestie.
Melvin Linscheer

Toeval bestaat niet. Kort na mijn aankomst in Suriname had ik een gesprek met een goede vriend van me. Na onze warme ontmoeting zei hij dat hij een boodschap voor me had van Melvin Linscheer, directeur Nationale Veiligheid. Linscheer wil een gesprek met me. Hij kent Linscheer heel goed.
Ik was stomverbaasd. Linscheer? Dat is toch de beul van het binnenland, de rechterhand van Bouterse. “No way”, antwoordde ik geschokt. Ik heb gezworen om me nooit in de positie te plaatsen dat ik in de nabijheid van Bouterse zou komen. Met Linscheer lijkt het alsof ik direct met Bouterse praat.
Ik heb veel respect voor mijn vriend. We delen gemeenschappelijke ervaringen en gaan lang met elkaar terug in de tijd. Hij legde me omstandig uit hoe zijn contact met Linscheer zich heeft ontwikkeld. De beeldvorming rond Linscheer is in zijn ervaring onjuist.
Wat is mijn beeld van Linscheer? Ik weet niet eens hoe de man eruit ziet. Ik had het idee van een sinister en duister type uit de onderwereld van veiligheidsdiensten, CIA, geweld en zaken die het daglicht niet kunnen verdragen. Later zou ik hem googelen en zag foto’s van hoe hij eruit zag.
Mijn vriend en ik spraken heel lang over zijn ervaringen met Linscheer. Zijn boodschap was: Linscheer zoekt naar oplossingen voor 8 december (Moiwana was niet in zijn verhaal opgenomen, zoals ik het heb leren opnemen door de bijdrage van een cursist).
“Wat verlies je om met hem te praten?”, zei mijn vriend. “Misschien moet je een open houding ontwikkelen in deze kwestie.”
Ik liet me overtuigen. Tegen het advies van mijn vrouw in en met veel tegenzin ging ik naar een ontmoetingsplaats die mijn vriend had georganiseerd. Ik kwam eerst aan. Ik was in een lege kamer met een bureau en twee stoelen naast het bureau. Linscheer kwam later binnen.

Bij de voorbereiding denk je veel na over hoe je het gesprek in wilt gaan en hoe je eruit wilt komen. Wat wil de man van mij? Ik ben een eenvoudige columnist bij een veelgelezen medium dat vecht om het hoofd boven water te houden. Ik heb geen macht, geen organisatie. Ik kan niemand opdragen om iets te doen. Ik heb alleen de kracht van het idee, zoals het idee van Decolonizing the Mind of het idee van een morele oplossing voor 8 december en Moiwana. Ik weet dat als een gedachte eenmaal maatschappelijk worteling vindt het transformeert van een idee naar een sociale kracht.
Hij kan met mij ook niet over iets onderhandelen. Ik wil geen geld, dus heeft het geen zin om me geld aan te bieden. Ik wil geen positie, dus kom daar niet mee. Wat valt er dan verder te bespreken?

Linscheer kwam binnen met een uitstraling van een intellectueel in plaats van een CIA-baas. Na plichtplegingen van beschaving en wat omcirkelende small talk begon hij met een analyse over zijn zorgen m.b.t. de langetermijnveiligheid van Suriname en de noodzaak van een structurele en fundamentele oplossing van de kwestie van 8 december (en Moiwana voor mij).
Hij zag de noodzaak in, kende mijn voorstellen uit mijn columns – hij leest al mijn columns - en stelde voor om een vertrouwensrelatie met elkaar te ontwikkelen om een oplossing te vinden. Ik luisterde, onderbrak hem af en toe met wat vragen en probeerde in te schatten: wie heb ik voor me en waarom zou ik hem vertrouwen?
Hij had één voordeel die mijn mind niet liet dichtklappen. Hij analyseerde als een intellectueel en stelde zich open voor discussie. Hij vroeg naar mijn mening en wilde niets van me hebben. Er was geen onderhandeling ergens over. Het was een gesprek over analyses.
We spraken bijna anderhalf uur over de spanningen in de Surinaamse samenleving en onze visies over hoe die op te lossen. We spraken lang over mijn oplossing en de praktische problemen hieromtrent. Hij stelde voor om onze gesprekken in de komende maanden te continueren en te proberen oplossingen te formuleren.
Ik stelde het volgende voor. Mijn oplossing is helder en duidelijk. De vraag aan jou is: wil je de mogelijkheden onderzoeken om een maatschappelijk draagvlak te scheppen voor deze oplossing? Dan hebben we iets om over te praten in de komende maanden. In dat proces kunnen wij dan een vertrouwensband opbouwen om die oplossingen te realiseren.
Hij antwoordde bevestigend. Hij wil de mogelijkheden onderzoeken.
Ik zei dat ik niets en niemand vertegenwoordig en alleen de kracht heb van ideeën. Ik zie dus geen geheim onderhandelingstraject, maar een publieke discussie. Ik stelde voor om ons gesprek in de openbaarheid te brengen via een column, die ik nota bene niet eens vooraf aan hem zal voorleggen hoewel hij daar recht op heeft, gegeven het feit dat het ook een verslag van zijn bijdrage aan het gesprek is. Hij had er geen probleem mee.
We wisselden onze gegevens uit en namen afscheid.

Hoe moet het nu verder?
Ik wil een maatschappelijke discussie die moet leiden tot een situatie waarin we 8 december en Moiwana een respectvolle plek geven in het leven en het geheugen van ons volk en het tijdperk van taboe en spanning kunnen afsluiten. Ik wil een maatschappelijke discussie over de drie punten. In beide kampen zullen er tegenstanders zijn, maar ik hoop dat voorstanders in beide kampen voor de drie punten oplossing zich in de komende maanden gaan buigen over dit idee.
Ik weet niet waar dit naartoe zal leiden. Misschien kost het Linscheer zijn kop als directeur Nationale Veiligheid omdat hij een oplossingsmodel overweegt dat zijn baas niet ziet zitten. Misschien krijg ik weer bedreigingen van mensen om mij een kopje kleiner te maken. Ik heb lang geleden al een besluit genomen over de vraag hoe om te gaan met angst voor de dood: liever staande te sterven dan knielend te leven.

Ik weet dat mijn ouders zich tegen mijn handelingen zouden keren, omdat hun verdriet een onmetelijke omvang had bereikt. Dat verdriet en die wetenschap draag ik met me mee.
Ik put kracht uit de Bhagvad Gita waar Arjuna in gesprek met Heer Krishna het dilemma tussen persoonlijke wensen en sociale verantwoordelijkheid trotseerde met de gedachte dat persoonlijke gevoelens ondergeschikt moeten worden gemaakt aan sociale plichten.
Ik put kracht uit de uitspraak van Mahatma Gandhi over oog-om-oog, tand-om-tand: een eye for an eye makes everyone blind.

Deze hele week ben ik bij mijn vrienden van Fundashon Museo Tula op Curaçao voor een traject van Decolonizing the Mind. Ik heb besloten om het contact met Linscheer voorlopig voor te zetten tegen alle emoties in mijn lichaam in die hiertegen pleiten.

[van Starnieuws, 10 maart 2014]

dinsdag 25 februari 2014

Een Surinaams recept tegen overspel

Dresi/kruiden in Suriname. Foto © J. van Leeuwaarde

door Marjolijn van Heemstra

De man van Ria heeft een probleem. Met monogamie. Ria heeft een oplossing die in het Surinaamse dorp waar ze woont heel gewoon is: een vaginaal stoombad.
Ria zit al zeker tien minuten met gespreide benen op de plank. Ze heeft me net gierend van het lachen voorgedaan hoe haar man Roy vanavond zal klaarkomen. Schreeuwend, met zijn ogen stijf dichtgeknepen. Nu staart ze peinzend naar de grond.

Ria heeft een probleem. Of eigenlijk heeft haar man een probleem. Met monogamie. En aangezien hij in de stad werkt en Ria hem alleen in het weekend ziet, als hij naar zijn dorp hier aan de rivier komt, is ze als de dood dat hij zijn heil bij andere vrouwen zoekt.

Ik kwam in dit dorp op weg naar de Voltzberg in Suriname, waar we opnames maken voor een volgende voorstelling. Toen ik vroeg of iemand hier nog een oplossing had wees iedereen naar de hut van Ria.

Want Ria heeft een oplossing gevonden voor haar probleem: een dagelijks vaginaal stoombad. Niks nieuws in dit Marrondorp. Wel nieuw is de combinatie van kruiden die Ria gebruikt. Nieuw en geheim. Ze heeft lang gezocht naar de juiste combinatie, die waarmee ze Roy bij zich kan houden. Ze probeerde van alles. Bijvoorbeeld de Paranamklem, die de man het gevoel geeft dat hij klem zit tijdens de seks. En ook de wasidoekoe (alsof je het met een handdoek doet). Niks hielp. Roy was er altijd na een dag alweer vandoor terwijl zijn weekend toch twee-enhalve dag duurt.

Tinde van Andel zoekt kruiden op de markt in Accra. Foto © C. van der Hoeven


Een oud vrouwtje gaf haar dit geheime recept. Kruiden mengen, kokend water eroverheen en dagelijks vijftien minuten stomen. De eerste keer dat ze het gebruikte bleef Roy het hele weekend en meldde hij zich maandag ziek. Nu wil iedereen van haar weten wat ze gebruikt. Ze vertelt het niet. Straks pikken ze Roy van haar af. Maar als ik het echt wil weten mag dat. Ik ben toch niet Roy's type. Veel te wit en weinig vlees. Ze lacht zo hard dat ze bijna van de plank valt.

Ze steekt een mollige vinger met een lange paarse nagel in de lucht en begint op te sommen: "Grote pinya. Klein swietboontje. Papegaaiennagel. Hoor je me?", vraagt ze streng.

Ik vraag of het niet handiger zou zijn als Roy het probleem zou oplossen door minder vreemd te gaan. Ze kijkt me stuurs aan vanaf haar plank. Dat vindt ze een typische opmerking voor een witte, zegt ze. "Voor jullie moet de oplossing altijd van een ander komen. Aanpassen dit, aanpassen dat. Waarom niet gewoon doen wat je kan? Zo is iedereen blij."

Ze slaat haar grote ronde handen op de plank en even denk ik dat ze me de badkamer uit zal zetten. Maar ze laat haar stoombad niet door mij verpesten.

Ik kijk naar de geruite doek over haar schoot, naar haar treurige ronde gezicht. Ik wil zeggen dat Roy het niet waard is, dat een man die alleen maar bij je blijft als je elke dag met je benen wijd boven dampende kruiden hangt misschien wel geen leuke man is. Maar Ria wacht op Roy, niet op mijn adviezen.

Of het wel gezond is, durf ik snel te vragen. Ze schudt haar hoofd en klakt met haar tong. "Je bent net die witte dokter, een vrouw die hier was, die begon over scheuren en schimmels. Als je van hem houdt is hij een paar scheurtjes waard. Ik vroeg die dokter: hoe lang ben je van huis? Een maand, zei ze."

Ria schudt meewarig haar hoofd.

"Eindstand heb ik haar een zakje meegegeven. Voor als ze haar man weer zou zien."
Marjolijn van Heemstra
Foto © Thomas Huisman



Marjolijn van Heemstra is schrijver en theatermaker. Ze zoekt oplossingen voor prangende problemen.


[uit Trouw, 13/10/12]


maandag 24 februari 2014

Begrip Marron discriminerend? Raakt kant noch wal!

De Surinamerivier. Foto Lucento Mijnals

door Bert Eersteling

De heer Monhansingh heeft in het artikel met als kop,’Begrip Marron discriminerend, het zijn jagers’, op GFC Nieuws [zie bericht hieronder – red. CU] onomwonden gesteld dat de 6 stammen die in het Surinaamse binnenland voorkomen uit gevluchte slaven van één en dezelfde stam in West-Afrika gevormd zijn. Deze stelling raakt kant noch wal en verdient mijns inziens het predikaat van wilde verkeerde leer.
Dat de trans-Atlantische slavenhandel zich merendeel vanuit West-Afrikaanse landen heeft voltrokken, is in diverse literatuur en archiefmaterialen alom bekend. Overigens is deze route economisch bekeken voor de slavenhandelaren voordeliger. In de diverse West-Afrikaanse landen kwamen en komen nog steeds per land verschillende stammen voor, die elk een eigen taal spreken. Het is waar dat enkele stammen, leden van andere stammen hebben verkocht aan de slavenhandelaar.

Een marrondorp aan de Surinamerivier, 1955


Maar de blanken hebben zelf met eigen legers Afrikaanse dorpen geplunderd en bewoners van die plaatsen gevangen genomen en getransporteerd naar de Amerika’s. Als er voldoende slaven volgens de twee methoden verzameld waren in een factorij, kon de verscheping plaatsvinden. De diverse etniciteiten werden willekeurig in de schepen geplaatst. Er werd niet gekeken naar de etnische komaf. Het zou mijns inziens onstrategisch zijn zijdens de slavenhandelaar om de verscheping op etnische basis uit te voeren.
In de geschiedenis is bekend dat de slaven moeilijk met elkaar konden communiceren gedurende de oversteek van de Atlantische oceaan. Vele taferelen over de overtocht zijn vastgelegd in boeken en films.
Een zeer belangrijke factorij van waaruit slaven vervoerd zijn door met name de Hollander naar de Amerika’s, is St. Georges del Mina. De Asantahene van het Koninklijke huis der Ashanti stam, heeft zich schuldig gemaakt aan het verruilen van gevangenen voor voedsel, spiegels etc.
Maar zoals ik eerder gesteld heb, hebben de slavenhandelaren zelf Afrikanen gevangen genomen en getransporteerd naar de Amerika’s. Zo is ook bekend dat leden van het Koninklijke huis der Ashantie ook in de nieuwe wereld beland zijn.

Kaart van de zgn. "driehoekshandel"(West-Afrika, Nieuwe Wereld, Europa)


In Suriname aangekomen, na eerst enkele andere havens te hebben aangedaan, waar ook slaven verkocht werden aan de plantage-eigenaren, werden de rest van de slaven verkocht aan diverse plantage-eigenaren. Deze eigenaren kwamen van Commewijnerivier, de Cotticarivier, de Surinamerivier, de Saramaccarivier. Deze kocht de slaven naar hun eigen keus. Vanwege het systeem dat gehanteerd werd bij de verkoop, was het vrij onmogelijk dat eventuele stamgenoten of familieleden die Suriname bereikten op dezelfde plantage konden belanden. Eerder heb ik gewezen op de manier van transport vanuit de factorijen in West-Afrika.

De vlucht naar de bossen
De slaven die naar de bossen gevlucht zijn komen van diverse plantages van de Cotticarivier tot de Coppenamerivier. Een stam bestaat uit diverse clan of lo. De clan of lo is de verzamelnaam van gevluchte slaven die van dezelfde plantage afkomstig zijn. Zij noemde zich zelf naar de plantage van afkomst of naar de plantage-eigenaar. Een voorbeeld ter illustratie. De mensen van het dorp Langatabiki aan de Marowijnerivier komen van de plantages Hazard en Entros. Deze mensen noemen zich zelf, tot vandaag ,de Asaiti-nengre (Hazard)en de Antosi  (Entros) nengre.

De mensen van het dorp Kajana aan de Granrio, noemen zich zelf de Kadosi-nengre, naar de plantage eigenaar Cardoso.

De mensen van het dorp Dan aan de Boven-Surinamerivier noemen zich zelf de Nasi-nengre, afgeleid van de Portugees -Joodse plantage eigenaar Samuel Nassy van Jodensavanna.
West-Afrikaanse slaven worden verdeeld over de plantages. ( Stedman)

De talen die gesproken worden namelijk het Aucaans, het Paramaccaans, het Kwinti, het Aloekoe, het Matawai en het Saramaccaans, zijn gevormd uit het Engels, Nederlands, diverse Afrikaanse talen en het Portugees. Het Saramaccaans heeft veel meer Portugese woorden, terwijl de overige talen meer Engels en Nederlandse woorden naast de diverse Afrikaanse woorden bevatten.

Het Aucaans en het Saramaccaans worden gezien als de twee meest gesproken talen. Het Aloekoe, het Paramaccaans zijn meer dialecten van het Aucaans, terwijl het Matawai als dialect van het Saramaccaans gezien kan worden.

In de geschiedenis wordt ook gezegd en dat is het meest aannemelijke in de Surinaamse context, dat het woord marrons afgeleid is van het Spaanse woord Ci-Marron. Dit betekent wild vee, paard. Dit wild vee, paard kwamen voor op de bergen van Hispanola. Deze bracht veel schade aan de plantage op het eiland Hispaniola (Haïti en Dominicaanse republiek).Deze term werd gebruikt door de plantage-eigenaren tegen de gevluchte slaven, die steeds terugkwamen om andere slaven te bevrijden en het noodzakelijke (bijl, tjap, geweer en houwers) mee te nemen. Kennelijk raakten de plantage-eigenaren gefrustreerd van deze actie van de gevluchte slaven en uit hun frustratie hebben ze deze denigrerende naam gegeven aan deze moedige mensen.

Hopelijk heb ik met deze korte samenvattende uitleg de verkeerde leer weerlegd.  Dit is overigens met een positieve intentie.

[uit GFC Nieuws, 24 februari 2014]


Begrip Marrons discriminerend, het zijn jagers

Een sula in de Surinamerivier. Foto Lucento Mijnals

door Robbie Mohansingh


Het begrip Marrons dat in Suriname sinds kort worden gehanteerd is een discriminerend begrip. Het begrip is afkomstig uit de Britse heerschappij, te weten: Marronage; het in opstand komen tegen en het vluchten uit.
Eigenlijk is de gemeenschap in Suriname die Marrons worden genoemd, uit West- Afrika. Het zou dus beter passen om het begrip West-Afrikaan te gebruiken. In Afrika komt de slavernij van oudsher voor, bepaalde stammen onderwierpen andere stammen om werkzaamheden uit te voeren voor de overheersende stam. Pas eeuwen later namen de Europeanen dit over om hun overzees kapitaal veilig te stellen.


In Amerika (de Nieuwe Wereld) bijvoorbeeld zijn de oorspronkelijke bewoners Indianen. Als er een nationale herdenkingsdag moet zijn dan is het de dag dat Indianen hun woon- en leefgebied hebben verloren. Alle andere dagen kunnen worden afgeschaft). Indianen waren echter niet bestand tegen ziekten die werden overgebracht door de Europeanen. Vandaar dat West- Afrikanen werden ingezet op de plantages.
Na de afschaffing van de slavernij werden contractarbeiders verworven. West -Afrikanen zijn eigenlijk van oudsher jagers en zijn geen landbouwers, terwijl de cultuur van de contractarbeiders al verder was ontwikkeld en dat naast jagen ook landbouw werd toegepast. Vergelijkbaar met de Aboriginals uit Australië, die ook jagers zijn.

Het belangrijkste verschil tussen contractarbeiders uit Indonesië en India met West -Afrikanen is dat laatstgenoemden door hun eigen volk werden verkocht aan Europeanen. Eigenlijk moeten de stammen die medeplichtig zijn hieraan worden gedagvaard voor een VN-tribunaal en schadevergoeding betalen aan de West -Afrikanen in Suriname. Terwijl contractarbeiders met mooie verhalen werden overgehaald om op de plantages te werken. De bewering dat de Marrongemeenschap uit verschillende stammen bestaat is in het geheel niet waar.
Een gewapende marron. Afbeelding uit Stedman

Tegenwoordig is het mogelijk door DNA -testen uit te voeren, vast te stellen waar iemand oorspronkelijk vandaan komt. West- Afrikanen uit Suriname kunnen dan hun voorouders opzoeken en eventueel kiezen om terug te keren.

Dus eigenlijk is het begrip Marron discriminerend, het zijn jagers afkomstig uit West- Afrika. Dit zit nog steeds in hun genen. Vandaar dat zij nog steeds jagen, maar nu op bezittingen van andere bewoners. Het zijn geen criminelen, maar zij weten het niet anders. Dit kan alleen worden doorbroken door hun met hun voorouders in contact te brengen. Bijkomend voordeel is dat zij dan hun originele naam kunnen hanteren in plaats van de naam dat door de Europeanen is gegeven. Door het begrip Marrons te vervangen in West- Afrikaan zou al een stap voorwaarts worden gezet naar de waarheid.


[van GFC Nieuws, 23 februari 2014]

maandag 3 februari 2014

Rituele taal uit Suriname is 200 jaar geleden bedacht

Een Ndyuka (Aukaner) vrouw in Kumanti trance

door Berthold van Maris

Als de Aukaners in de binnenlanden van Suriname communiceren met voorouders of geesten, noemen ze de zon opeens geensan meer, maar iyamudadipantanplan. En een baby is opeens geen beibi, maar eenmlekuboi. Ze spreken dan ‘Kumanti’, een rituele taal waarvan ze zeggen dat het een overblijfsel is van een West-Afrikaanse taal. Taalkundig onderzoek wijst nu uit dat deze rituele taal in Suriname zelf is ontstaan. Robert Borges promoveert er vandaag op aan de Radboud Universiteit.

De Aukaners zijn Marrons: afstammelingen van ontsnapte slaven in de binnenlanden van Suriname. „De Aukaners zien zichzelf als een Afrikaans volk”, zegt hij. „Maar dat is een geconstrueerde identiteit. En zo je wilt ook een soort nostalgie, naar het West-Afrikaanse verleden.” De slaven die in de zeventiende en achttiende eeuw naar het Caraïbisch gebied verscheept werden, kwamen uit heel uiteenlopende delen van West-Afrika en spraken heel uiteenlopende talen. Die talen gingen in Suriname verloren. Op de plantages was Engels aanvankelijk de voertaal en uit verbasterd Engels ontwikkelden de slaven heel snel nieuwe talen: creooltalen, waaronder het Surinaams (Sranantongo).

De Aukaners, bij wie Borges onderzoek deed, zijn nakomelingen van slaven die in de achttiende eeuw uit de plantages ontsnapten en zich dieper het oerwoud in vestigden, als zelfstandige gemeenschappen. Zij ontwikkelden hun eigen creooltaal: het Aukaans. Dat de meeste woorden daarin uit het Engels afkomstig zijn is nog steeds wel te zien. „Een week heeft zeven dagen” is in het Aukaans: Wan wiki abi seibin dei. Dat lijkt op het Engelse One week has seven days.

Borges kreeg de Aukaners zover dat zij hem allerlei voorbeeldzinnen gaven van hun rituele taal. Hij stelde vast dat dit Kumanti de grammatica heeft van de gewone Aukaanse taal, en ook dezelfde voorzetsels, voegwoorden en voornaamwoorden. Maar de zelfstandige naamwoorden, werkwoorden een een groot deel van de bijvoeglijke naamwoorden zijn totaal anders: die zijn uit andere Surinaamse talen overgenomen of verzonnen.

Een beperkt aantal Kumanti-woorden is nog te herleiden tot een West-Afrikaanse oorsprong. Kokolo (kip) lijkt verdacht veel op het Ghanese okokolo. Maar de meeste woorden zijn anders tot stand gekomen. In mlekuboi (baby) zijn gewoon twee bestaande woorden aan elkaar geplakt: mleku (melk) en boi (jongen). Sawa (wassen) is een omkering van het gewone woord wasi. Het woord voor vier – tinafo – is afgeleid van het gewone woord voor veertien.

Waar dat lange woord voor zon vandaan komt, weet Borges niet. „Ze konden dat niet uitleggen. Of ze wilden het niet uitleggen. Maar het zou zoiets kunnen zijn als grotegelebalindelucht.”
Interessant is dat het Kumanti ook woorden gebruikt die in Surinaamse teksten uit de achttiende eeuw voorkomen maar daarna uit het Surinaams verdwenen zijn. Het Kumanti-woord voor persoon, pipli, is gelijk aan het woord dat in het Surinaams van twee eeuwen geleden gebruikt werd voor mensen. Dat wijst erop dat het Kumanti geen recente uitvinding is.
Marronmeisje. Foto @ Henk Nijssen

Als die rituele taal niet Afrikaans is, hoe zit het dan met de rituelen zelf. Zijn die Afrikaans? Borges: „De antropologen zijn het er inmiddels wel over eens dat ook die rituelen een mix zijn van allerlei verschillende elementen. Bits and pieces waar een nieuw geheel van gemaakt is. Sommige Aukaners zeggen dat al hun goden uit Afrika komen, anderen zeggen dat sommige goden uit Afrika komen en sommige bij Suriname horen. Ze zijn het daarover niet helemaal eens.”

De rituele taal die Borges kon optekenen is Tapuwataa Kumanti (‘boven-water’ Kumanti). Maar er is ook nog zoiets als Dipi (diepe) Kumanti. „Tapuwataa Kumanti kun je leren, uitleggen, vertalen. Dipi Kumanti niet: daarvoor moet je bezeten zijn. Ze zeggen soms dat ze zelf niet weten wat ze zeggen als ze bezeten zijn.”

Taalkundige Robert Borges
Borges heeft één keer mogen meemaken dat een jongen van 14 bezeten raakte. „Ik had helaas geen recorder bij me. Ik werd gewenkt, mocht erbij komen zitten. Ik heb alleen wat foto's kunnen maken. Ik voelde me daar erg ongemakkelijk bij. Maar de Aukaners zelf hadden er geen probleem mee. Die stonden zelf ook allemaal met hun mobieltjes om die jongen heen.”

[van NRC.nl, 31 januari 2014]


zondag 12 januari 2014

Sint Maarten: 27th Martin Luther King Jr. Lecture

Wednesday, January 15 the 27th Annual Dr. Martin Luther King, Jr. Lecture will be given at the Philipsburg Jubilee Library, “A Revolution of Values ...”, a discussion and new book launch with Lasana M. Sekou and Fabian Adekunle Badejo

Organized by Conscious Lyrics Foundation in corporation with Sos-Radio Billy D 95.9 FM, House of Nehesi Publishers, PJD2 1300 AM .

Klik voor groter formaat

zondag 15 december 2013

‘André Pakosie (58) vergreep zich aan meer kinderen’

Utrecht – Net als zijn collega ridder Jan Wubbeling, blijkt dat de 58-jarige André Pakosie, een waar seksueel roofdier is. In het geval van André Pakosie is bekend geworden dat hij zijn drie dochters jarenlang en stelselmatig in zowel Nederland als in Suriname heeft misbruikt. De incestzaak rond de invloedrijke intellectueel zou veel groter zijn dan tot nu toe naar buiten is gekomen.
André Pakosie

André Richard Matiematie Pakosie is een Surinaams schrijver, kruidenkenner, natuurgeneeskundige, kabiten van de Okanisi of Ndyuka Marrons in Nederland en kenner van de Aukaanse cultuur. Hij is geboren en opgegroeid in het Surinaams tropische regenwoud en komt uit een Ndyuka Marron familie van genezers en spirituele leiders. Sinds 1977 is hij ‘dobuu-komfo’, één van de hoogste spirituele leiders van de Ndyuka Marrons. In 1980 stichtte hij in Suriname het dorp en spiritueel- en gezondheidscentrum Sabanapeti. André Pakosie schreef proza en poëzie in het Nederlands, Sranan, Saamaka en Ndyuka over de Surinaamse geschiedenis.
André Pakosie zit sinds 19 oktober 2012 in detentie op verdenking van jarenlange verkrachting van zijn dochter. Bij zijn aanhouding werden diverse computers in beslag genomen. Voorts wordt hij ervan verdacht enkele verkrachtingen te hebben laten filmen of zelf op video te hebben vastgelegd. Zijn vrouw Truus en ex-vrouw Suzette zijn medeverdachten. In deze incestzaak is Peter Plasman zijn advocaat. Vandaag kwam in het nieuws dat hij niet alleen een dochter hier in Nederland heeft misbruikt, maar ook twee andere dochters in Suriname.

André Pakosie z’n dochter verteld: “Hij heeft ook mijn twee zussen in Suriname misbruikt. Dat begon toen ze 16 en 17 jaar waren. Hij en mijn stiefmoeder Truus hebben het zelf aan me verteld. Truus ronselde iedereen. Ze woonde vroeger bij ons in de buurt en maakte een soort indeling: de ene dag sliep hij bij mijn moeder Suzette, de andere dag bij mij. Hij had iedereen in zijn macht, en speelde het zo dat mijn broers het misbruik niet konden ontdekken. Het misbruik gebeurde veelvuldig vanaf mijn 12e jaar, zowel thuis in het Utrechtse Kanaleneiland als in een hotel in Vianen waar hij me naartoe nam. Ik moest seks hebben, anders zou ik ziek worden, of doodgaan. Hij deed het ’uit bescherming’. Gaandeweg kwam het filmen erbij. Hij heeft kasten vol.”
Pas toen zij 21 jaar was deed André Pakosie z’n dochter aangifte bij de politie: “Mijn vader leidde aan grootheidswaanzin, werd op handen gedragen. Hij brainwashte iedereen. Ik werd uit het niets beloond met een televisie of 200 euro. Ondertussen mocht ik nergens heen, zelfs niet naar een schoolfeest. Hij was denk ik bang dat ik hem dan zou verraden.”

De strafzaak tegen André Pakosie gaat op 10 maart 2014 verder. Zowel advocaat Peter Plasman, als justitie-woordvoerster van het parket Midden-Nederland, wilde niet op de zaak ingaan. In 2001 werd André Pakosie onderscheiden tot ridder in de orde van Oranje-Nassau.

[van Crimesite Camilleri, 13 december 2013]


dinsdag 3 december 2013

Promovendus Hu slaat alarm over toename bosyaws infecties

De dermatoloog Ricardo Hu heeft gisteravond bij de verdediging van zijn proefschrift de alarmbel geluid over de verontrustende toename van gevallen van bosyaws onder patiënten, die mede ontstaan is door de toegenomen economische activiteiten in ons binnenland. Hu die promoveerde tot doctor in de medische wetenschappen, heeft zijn promotieonderzoek gedaan in het kader van het Integrated Programme ‘Leishmaniasis in Suriname’, dat wordt geleid door zijn co-promotor dr. Henk Schallig, die researchcoördinator Parasitologie is bij het Nederlandse Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT).


[uit De West, 28-11-2013]

dinsdag 5 november 2013

Weinig leerkrachten geïnteresseerd in binnenland

Brownsberg. Foto © L. Lieuw Kie Song

Zover directeur Kenneth Biervliet van het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling weet, zijn alle scholen al van start gegaan met het nieuwe schooljaar. Enkele scholen zoals SO Lelydorp en het Imeao4 zijn later van start gegaan wegens organisatorische redenen. ‘Mocht het zijn dat tot nu toe niet alle scholen van start zijn gegaan, zou het dan gaan om een tiende procent. Wat nu als een heet hangijzer boven het hoofd hangt, is een tekort aan leerkrachten in het binnenland. In het Indiaans dorp Palumeu zijn de mensen ontevreden en in actie, omdat de school daar niet beschikt over voldoende leerkrachten. De school is wel draaiende.

Leerkrachten zitten niet te springen om in het binnenland te wonen en te werken. Voor het ministerie is het daarom geen makkelijke taak om leerkrachten te vinden die daartoe bereid zijn. Het ministerie heeft al enkelen dagen sollicitatieoproepen voor leerkrachten geplaatst in dagbladen om in het binnenland te werken.

Slechte leefomstandigheden zijn één van de redenen waarom leerkrachten weigeren om naar het binnenland te gaan. Serita Dewinie deed twee maanden geleden onderzoek naar de problematiek van het tekort aan gekwalificeerde leerkrachten in het binnenland. ‘In alle opzichten is het binnenland het minst ontwikkeld gebied van Suriname. De ouders beschouwen het als regelrechte discriminatie dat het onderwijs aan hun kinderen verzorgd wordt door ongekwalificeerde onderwijzers.’

Een Saramakaner dorp gezien vanuit een Cesna.

Het binnenland is om verschillende redenen niet erg populair bij leerkrachten. De grote afstanden die men er moet afleggen, moeilijk en duur transport, slechte huisvesting, de kans op malaria, sociale en geografische isolatie, slechte schoolgebouwen, tekort aan materiaal en training en gebrek aan mogelijkheden voor verdere studie zijn de redenen die men noemt.

[uit Dagblad Suriname, 05-11-2013]

zaterdag 2 november 2013

Saramaccaans voor beginners

Minke deelt ballonnen uit, de vraag is groot. ‘Ik heeft nok keen blaas’. Foto: Tinde van Andel

door Tinde van Andel

Het Saramaccaans is een stuk moeilijker dan het Aucaans of het Sranantongo. De Saramaccaners vluchtten veel eerder het bos in (sommigen al  voor 1700), en veel van hen waren slaven van uit Brazilië weggestuurde Joodse plantagehouders. Dus zit er behalve Engels, Nederlands, Indiaans en Afrikaans ook een hoop Portugees in. Laat dat mengsel van talen een paar honderd jaar gisten in een verafgelegen oerwoud, gooi zoveel mogelijk medeklinkers eruit en je krijgt Saramaccaans.

We doen ons best het te verstaan, mensen komen ons tegemoet met hun versie van het Sranantongo. Net als je denkt dat je alles begrijpt, gaan ze met elkaar praten: niet alleen het volume wordt met 100 decibel opgeschroefd, ook versta je er opeens geen klap meer van. Zo kom je er achter dat je al die tijd in een soort Saramaccaans voor sukkels bent toegesproken. De toeristen die hier komen, spreken geen woord met de lokale bevolking. Voor mensen die hier komen en toch eens een praatje willen maken, hieronder onze klunzige samenvatting:

wóóóy = Hé, jij daar! (kan ook geroepen worden in een telefoon)
un dé noooooo = (lett. wij zijn er): hoi
i kon akii? = (lett. ben jij gekomen?): hoi
weki-oooooooo = goedemorgen
mi weki taangaaa = (lett. ik ben sterk wakker geworden): ook goedemorgen
duumi weki = (lett.: slapen wakker worden): slaap lekker
saai sèèèèèèèfi = van hetzelfde

Let op als mensen zich voorstellen met een bekend klinkende naam: zo heten ze dus niet. Niemand kent ze bij hun paspoortnaam, je moet hun bijnaam weten:
Georgio heet Jamesi, Agnes heet Akkie, Cor heet Abèlle, George heet Sioorie, Angelo heet Djanko, Hesdy heet Adadu

Moni (geld): kwaliki = kwartje (0,25 Surinaamse dollar)
tiensensi = dubbeltje (0,20 SRD)
dala = 1 Surinaamse dollar (100 ct) in de stad zeggen ze ‘doller’
gaan dala, baaka dala (grote / zwarte dollar) = 250 ct

tu yuuu te mi doooo (lett. twee uur tot ik deur) = ik ben er pas om twee uur.

alibi – boontje (een soort klein bruin capucijnertje)
alibi alibi – boontje-boontje (Senna occidentalis), onkruid met oneetbare boontjes

baaka = zwart, blauw of paars of wit (bakra)

Saalaaamakka stilaati in Palamaliboo = Saramaccastraat te P’bo, hier pak je de bus naar ‘t binnenland. Je hoort het Aucaans en Saramaccaans al op de stoep.

mi lij, mi lij = ik rij al (roept Doksi in zijn cell als er nog iemand mee wil die te laat is)

Ik ben geen rasta, ik draai gewoon mij haar.
Djamaika = toeristenverblijf op Jawjaw, niet het eiland. Bob Marley? Wie is dat?

Hoe oud ben jij zonder vrijpostig? = Mag ik zo onbeleefd zijn te vragen hoe oud je bent?

Ik heeft nok niet blaas = ik heb nog geen ballon (dus mag ik er een?)

Saramakaners in Atjoni, waar goederen uit de busjes worden overgeladen in korjalen. Foto C. van der Hoeven


sembe buka (lett. iemands mond): kwalijke dingen die mensen over je kostgrondje zeggen, zodat er niets meer groeit. Om dit tegen te gaan plant je een pakopesi (Canavalia brasiliensis, een hele grote oneetbare boon) aan de ingang van je veldje. In Benin gebruiken voodoo priesters een boon van Canavalia ensiformis tijdens rituelen, die heet….akpaku.

tinde = klein vogeltje dat de rijst opeet. Je schiet erop met je ‘slinger’ (katapult).
Niemand heeft hier dus moeite met mijn naam uitspreken

kakisa = huid, schil, boombast.

mi nango bakasei (lett. ik ga naar de achterkant) = ik ga het bos in

switi mofo (lett. zoete mond) = vlees uit het bos of een lekkere vis

disi boy no taki neks = deze jongen zegt niets (Jorik heeft moeite met Saramaccaans)

djanga futu = hert (eet alle napibladeren op)

genge = twee pannendeksels die op elkaar klapperen om vogels weg te jagen.

blina bal- een zoet broodje dat bakker Betsy bakt (Berliner bol)

hanse muyee = lekker wijf (van ‘handsome’ (Engels) en ‘mulher’ (Portugees)

loli = slijmerig, zoals sesambladeren in een kruidenbad
lolo = rollen
luile = ruilen
lalu = oker
kalu = mais
palu = Heliconia

beee = brood    bee = buik   be = rood
Als dus wil zeggen: “mijn rode buik zit vol brood”, dan klink je als een sukapu (schaap)

ketre kendi kendi kendi -pas op die ketel is heet!

Ik ga voor jou een onderkomen bouwen hier = ik vind jou leuk

sakwati kula: ‘dat is een vrijpostig ding, dat draagt een man in zijn broek!’




[van bushblogsuriname, woensdag 7 augustus 2013]

zondag 13 oktober 2013

Marrondag mist draagvlak

Enkele marrons dansen er op los op 10 oktober. Veel volk kwam echter niet op de activiteiten in verband met de herdenking van het eerste vredesakkoord met de marrons af. Foto: Jason Leysner.



door Donovan Mijnals

Paramaribo - De explosieve expansie van marrons is opmerkelijk in de resultaten van de laatste volkstelling. Het is de enige groep binnen de Surinaamse bevolking die een groei van 62 procent kent. Echter, wanneer die groei gekoppeld wordt aan de opkomst bij de activiteiten op Marrondag op 10 oktober, dan is dat niet terug te zien. Slechts een marginaal deel van de marrongemeenschap in het bijzonder en van de Surinaamse bevolking komen op de activiteiten af. Over de reden waarom het zo aan belangstelling schort, zijn de meningen uiteenlopend.

Niet ondersteund

Leo Atomang, voorzitter van de stichting 10 oktober 1760, wijst er weliswaar op dat de eerste viering van de dag al in 1974 een feit was. Maar misschien is adequate support daarvoor nog steeds niet verworven. Cultureel antropoloog Salomon Emanuels twijfelt er namelijk sterk aan of Marrondag bij alle marrons ingeburgerd goed is. "Mensen doen voorkomen alsof het vanaf 1974 wordt gevierd en ondersteund, maar dat is niet helemaal zo", benadrukt hij.

Buiten Paramaribo
Marrondag is volgens de deskundige een begrip van hoogstens de laatste twintig jaar. Een idee van een groep intellectuelen die aansluiting mist bij de rest van de marrongemeenschap. Ifna Vrede van het Marron Vrouwen Collectief denkt dat ook andere oorzaken ten grondslag liggen van de lage opkomst. "We moeten er rekening mee houden dat een groot deel van de marrongemeenschap niet in Paramaribo en verspreid over verschillende districten woont."

Foto @ Nicolaas Porter


Afwijzing
Toch moet ze onderkennen dat een brede ondersteuning van Marrondag ook nu nog ontbreekt. Er mist volgens haar een stukje bewustwording over de betekenis van de dag. Regelmatige discussies zouden daarin verandering kunnen brengen, oppert ze. "Het is nog niet door alle stammen geaccepteerd en wordt door sommigen gezien als iets van de Aucaners." Die groep was namelijk de eerste die met de koloniale overheersers tot een vredesovereenkomst kwam. Echter was het ook die overeenkomst die de deuren opende voor integrale vrede.

Awo Nenge
Emanuels denkt dat het als oplossing kan dienen dat de feestdag wordt gekoppeld aan een activiteit die voor alle stammen eender is. "Awo nenge, de herdenking van de gestorven voorouders, wordt door alle stammen in een speciale tijd van het jaar gevierd", geeft hij als voorbeeld. De huidige activiteiten staan echter los van dit traditionele gebruik. "Mochten ze het daaraan koppelen, zal het misschien meer mensen aanspreken."

'Je moet ervoor voelen'
Ook de informatiestroom zou volgens Vrede uitvoeriger kunnen. "Naar mijn gevoel kon de promotie beter." Toch heeft ze een pluimpje voor de Nationale Commissie Herdenking Jubileumjaar. "Die heeft prachtwerk verricht om alle groepen van de bevolking bij elkaar te krijgen, maar je moet ervoor voelen." Ze merkt op dat er wellicht meer activiteiten georganiseerd moeten worden waarbij bewust alle Surinamers worden betrokken. "Laten we als Surinamers naar die eenheid toe werken. Mi lobi en!"


[uit de Ware Tijd, 12/10/2013]