Posts tonen met het label Vries Ellen de. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vries Ellen de. Alle posts tonen

zondag 9 maart 2014

1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis

De heilige Cunera
door Els Moor

In 2013 kwam in Nederland een boek uit met wetenswaardigheden over 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. De eerste is Cunera, beschermheilige tegen keel- en veeziekten, uit de vierde eeuw na Christus, de laatste is Karin Adelmund (1949-2005), vakbondsbestuurster en politica van de PvdA. Het is een loodzwaar boek met 1555 pagina’s en weegt minstens 1½ kilo. De tekst is samengesteld door historica Els Kloek, hoofd van het instituut voor digitale naslagwerken, het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en de vormgeving is van Irma Boom. Die vormgeving maakt het tot een boek dat je ondanks de zwaarte met plezier doorbladert en heeft een functionele systematiek, wat het zoekwerk vergemakkelijkt. Heel aantrekkelijk is dat er bij veel van de besproken vrouwen in de tekst zwart-witafbeeldingen van die vrouwen staan en dat na iedere periode meer dan dertig portretten in kleur op volle pagina’s worden weergegeven van geschilderde portretten en uit de laatste eeuwen foto’s. De 1001 vrouwen zijn uit verschillende tijdperken, de middeleeuwen tot en met de 16de eeuw, de 17de, 18de, 19de en 20ste eeuw en wat betreft die laatste eeuw: alleen vrouwen die niet meer leven. Alle vrouwen passen binnen een categorie, een rubriek, waarvan er ook een register is. Enkele voorbeelden van die rubrieken: adel, elite en politie/ beeldende kunst/ dicht- en letterkunde/ kerk en godsdienst/ onderwijs en wetenschappen/  podiumkunsten/ maatschappij en emancipatie (inclusief feministen)/ sport/ toverij en hekserij.


Voor ons is de rubriek koloniën belangrijk. Daar vinden we behalve vrouwen uit de Kaapkolonie, Brazilië, Oost-Indië, Amerika en de Antillen uiteraard ook Surinaamse vrouwen en in Suriname wonende Nederlandse vrouwen die in de Surinaamse en/of Nederlandse geschiedenis een rol gespeeld hebben. Zo staat in deze rubriek Elisabeth Samson (1715-1771), een zwarte zakenvrouw over wie Cynthia Mc Leod-Ferrier binnen de serie ‘Bronnen voor de studie van Afro-Surinaamse samenlevingen’ een uitgebreide bijdrage heeft geleverd (1993). Ook Maria Susanna du Plessis (1739-1795) komt voor onder ‘koloniën’. Zij was dochter van welgestelde ouders, trouwde jong en werd al vroeg weduwe. Ze hertrouwde met Frederik Cornelis Stolkert, eigenaar van plantage  Nijd en Spijt. Met dit huwelijk liep het mis. Haar bekendheid heeft ze te danken aan haar wreedheid als slavenhoudster. Er werden veel verhalen over haar verteld. Het bekendste is dat over slavin Alida van wie zij uit jaloezie (haar echtgenoot zou een oogje op haar hebben) een van haar borsten afsneed die ze aan haar echtgenoot als maaltijd voorzette. Bekendheid in de geschiedenis kun je dus krijgen door goede daden en hoge prestaties maar ook door gruweldaden. Er is veel over Susanna geschreven. Van Hilde Neus-van der Putten kwam in 2003 een studie over Susanne du Plessis uit, de eerste monografie over een blanke vrouw uit de Surinaamse plantagegeschiedenis. Helaas is deze belangrijke studie vanuit Suriname niet opgenomen, terwijl wel andere literatuur genoemd wordt over Du Plessis.

Betje Wolf en Aagje Deken
We kijken even naar de verschillende periodes in het boek. Welke rol speelden vrouwen daarin? In de middeleeuwen domineerden adel en kerk, vaak met veel machtsstrijd. Logisch dat er onder de in deze periode genoemde vrouwen veel adellijke vrouwen en nonnen zijn.
De 17de eeuw heeft de bijnaam ‘Gouden Eeuw’. Dat zegt veel over welvaart en bloei van kunst en cultuur. Veel vrouwen uit de hoogste kringen komen voor, vooral ook uit ‘het huis van Oranje’. In de tweede helft van de eeuw komt er veel geweld en neemt de welvaart af, met als dieptepunt 1672, het ‘Rampjaar’. Naast de ‘hoge vrouwen’ zijn er al veel vrouwen die kunsten beoefenen.
De 18de eeuw is de eeuw van de verlichting. Maatschappelijk komt er meer aandacht voor de vrouw, vooral ook voor de moeder. Het bekende schrijfstersduo Betje Wolff en Aagje Deken besteedde in hun werk aandacht aan de moeders, maar waren ook tegen de slavernij. ‘Adel en elite’ beginnen af te nemen, onderwijs en opvoeding krijgen meer aandacht.

De 19de eeuw is de tijd van industrialisatie en democratisering. Vrouwen beginnen op te komen voor hun rechten. Voor het eerst worden er in deze periode vrouwen beschreven met grote sportprestaties.
En dan de twintigste eeuw met veel bekende namen van al overleden vrouwen. Vrouwen spelen nu een rol in de politiek en het feminisme krijgt vorm in deze eeuw. Veel kunstenaressen en schrijfsters zijn er, met name ook van kinderboeken. Verzetsstrijdsters in de Tweede Wereldoorlog hebben een plaats gekregen. En wie is de jongste van allemaal? Ja, Anne Frank (1929), het Joodse meisje, dat met het gezin moest onderduiken in het ‘Achterhuis’. Ze schreef daar in haar dagboek. In 1944 werd er verraad gepleegd en vielen de Duitsers het Achterhuis binnen. Anne en haar zus kwamen in het concentratiekamp Bergen Belsen terecht, waar ze in 1945, niet lang voor de bevrijding, stierven. Door haar, gelukkig bewaarde, dagboeken is Anne Frank wereldberoemd geworden.

Dit zijn enkele beelden van wat we in 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis tegenkomen. Een aantrekkelijk boek. Je blijft bladeren. Maar de vrouwen die een rol speelden in Suriname? Sommige grote figuren zijn helemaal niet genoemd. Wie ik het meest mis is Nola Hatterman (1899-1984), kunstenares, die in 1953, kennis gemaakt hebbend met Surinaamse kunstenaars van ‘Wie eegie sanie’ naar Suriname verhuisde en daar een kunstopleiding opzette. Ze was dé grote stimulator van werkelijk Surinaamse kunst. Nola voelde zich naar eigen zeggen ‘een neger’. Ze komt niet in het boek voor! Maria Sybilla Merian (1647-1717), gelukkig wel. Deze vrouw van Duitse afkomst heeft lang in Nederland gewoond. Met haar twee dochters ging ze in 1700 naar Suriname en tekende en schilderde daar reptielen, insecten, amfibieën in combinatie met prachtige planten en bloemen: schitterend werk. Veel boeken over haar leven en werk zijn verschenen. Jammer dat ‘Maria Sybilla Merian & dochters’ van Ella Reitsma niet genoemd is, een biografie met veel afbeeldingen van haar werk. Uit de negentiende eeuw is er niemand uit Suriname in het boek en uit de twintigste eeuw alleen Sophie Redmond, arts en schrijfster.

Hoe heeft het onderzoek dat aan de basis van dit boek plaatsvond zich afgespeeld? Is het zo’n beetje toevalzoeken geweest? Is de biografie van Nola Hatterman door Ellen de Vries niet bekend? De samenstelster Els Kloek is toch specialiste op internetgebied, in internetonderzoek? 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis is een aantrekkelijk boek, maar is het ook wetenschappelijk verantwoord?
Els Kloek (samenstelling): 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Nijmegen: uitgeverij Vantilt, 2013. ISBN 978 94 6004 141 9


dinsdag 10 september 2013

Amatmoekrim kruipt in psyche Anton de Kom

Het publiek bij de Vereniging Ons Suriname werd verwend. Foto @ Mitra Rambaran

door Stuart Rahan

Amsterdam - Je zou het de opening van het Caribische literatuurseizoen kunnen noemen. Wat literair Suriname, Nederland en het Nederlands sprekend deel van het Caribisch Gebied de voorbije maanden heeft mogen verwelkomen en ook wat er de komende periode van de hand van schrijvers met voornoemde achtergrond te verwachten is. Zondag sloegen de Vereniging Ons Suriname, de Werkgroep Caribische Letteren en de Leerstoel West-Indische Letteren van de Universiteit van Amsterdam de handen ineen onder de noemer Letterendag.

Benoît Verstraete. Foto @ M.van Kempen

Joe Fortin. Foto @ M.van Kempen


Karin Amatmoekrim en Diederik Samwel. Foto @ Michiel van Kempen

In het jaar dat Nederland en Suriname 150 jaar afschaffing van de slavernij herdenken, komt er van de hand van schrijfster Karin Amatmoekrim een boek over Anton de Kom. Van zijn hand is Wij slaven van Suriname, een spiegel die De Kom beide samenlevingen voorhoudt.

Schrijfster Karin Amatmoekrim leest een stukje voor uit De man van veel dat begin volgende maand uitkomt. In dit boek beschrijft Amatmoekrim de periode van drie maanden waarin de Surinaamse verzetsheld Anton de Kom was opgenomen in een psychiatrische inrichting. Foto @ Stuart Rahan

Safdar Zaidi wordt geïnterviewd door Michiel van Kempen. Foto @ Mitra Rambaran

Opname De Kom
Wat velen over Anton de Kom weten, is zijn verzet tegen de Nederlandse overheersing in Suriname, zijn gevangenschap in Fort Zeelandia gevolgd door verbanning uit zijn geboorteland. In Nederland sloot hij zich aan bij het verzet tegen de Duitse overheersing tijdens de Tweede Wereldoorlog om uiteindelijk in het concentratiekamp Neuengamme te sterven.
Terloops is bekend dat Anton de Kom tijdelijk was opgenomen in een psychiatrische inrichting vanwege overspannenheid. Dat is het moment waarop Amatmoekrim in de psyché kruipt van de verzetsheld en eindigt het verhaal als hij drie maanden later uit de inrichting wordt ontslagen. 'De man van veel' zoals de titel luidt, komt begin oktober uit. Zij las als voorproefje een stuk voor, dat enthousiast werd ontvangen. Sommigen kunnen niet wachten tot het boek uit is.

Safdar Zaidi luistert naar een video-opname met babbelkous Rappa. Foto @ Mitra Rambaran


Versurinamiseren
Opmerkelijk tijdens deze middag was de verantwoording door de Pakistaans-Indiaas-Nederlandse schrijver Saiye Safdar Zaidi over zijn boek De suiker die niet zoet was. Zaidi vertelt dat er een Surinaamse versie komt waarin het gevoelige woord 'neger' of foute benaming 'pannenkoek' vervangen zullen worden door bijvoorbeeld 'Afro-Surinamer' en 'roti'. Maar de hilariteit ontstond toen de schrijver vertelde dat voor de Surinaamse versie hij toestemming gegeven heeft aan Robby 'Rappa' Parabirsing het fictieverhaal uit te breiden met nog eens vijftig pagina's omdat er volgens Rappa ook enkele feitelijke onjuistheden in zouden voorkomen. Daarmee zou het verhaal 'Surinaamser' worden.


Ellen de Vries. Foto @ Michiel van Kempen


De dag bood promovendi, die onderzoek doen bij de Leerstoel West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam, de gelegenheid een uiteenzetting te geven over hun huidige onderzoek. Schrijver Ellen de Vries, die eerder publiceerde over kunstenares Nola Hatterman, onderzoekt de rol van de Nederlandse en Surinaamse media in de periode 1982 1992. Haar vertrekpunt is de Decembermoorden met een nadere focus op de Binnenlandse oorlog.



[uit de Ware Tijd, 10/09/2013]

Sanne Landvreugd sloot de middag stemmig af met werk van Jobim. Foto @ Michiel van Kempen

zondag 18 augustus 2013

Opening van het letterenseizoen bij Ons Suriname

Benoît Verstraete
Op zondag 8 september 2013 presenteren de Vereniging Ons Suriname, de Werkgroep Caraïbische Letteren en de Leerstoel West-Indische Letteren van de Universiteit van Amsterdam een Letterendag bij Ons Suriname in Amsterdam.

De dag begint met drie lezingen van promovendi die onderzoek doen bij de Leerstoel West-Indische Letteren (prof. Michiel van Kempen). Zij presenteren delen van hun onderzoek en geven het publiek alle gelegenheid tot vragen stellen.


Inloop 13.30 uur.
14.00 Benoît Verstraete – Over de Deens/Surinaams/Nederlandse zendeling/schrijver P.M. Legêne
14.30 Joe Fortin – Over de verhaalkunst van de Arubaanse schrijver Jossy Tromp
15.00 Ellen de Vries – Over de rol van de media ten tijde van de Binnenlandse Oorlog in Suriname
 
Joe Fortin
Vanaf 15.30 uur

Boekenmarkt

Stephan Sanders

Met korte interviews met de volgende schrijvers:
Rudie Kagie – Bikkel
Saiye Safdar Zaidi – De suiker die niet zoet was
Diederik Samwel – Jelaya
Stephan Sanders – Iets meer dan een seizoen (over Anil Ramdas)
Antoine de Kom - Ritmisch zonder string

Karin Amatmoekrim leest uit haar nieuwe, nog te verschijnen roman

Alle schrijvers signeren hun boeken! Boekentafels aanwezig.
Sanne Landvreugd

Muzikale omlijsting door de saxofoniste Sanne Landvreugd.

Locatie: Vereniging Ons Suriname
Hugo Olijfveldhuis
Zeeburgerdijk 19a
1093 SK  Amsterdam
(nabij de molen en het KIT in Oost; vanaf CS stadsbus 22 stopt bij de Nicolaaskerk tegenover CS, richting Indische buurt, 8 min.)
Toegang 3,50.




maandag 4 maart 2013

Een nog niet in kaart gebracht land

door Jan Kuijk

Geen enkel bezwaar tegen de titel: Tropenstijl; Amusement en verstrooiing in de (post)koloniale pers. De ondertitel geeft immers aan waar het om gaat in dit verslag van het symposium dat in mei 2011 in Leiden is gehouden bij de presentatie van Realisten en reactionairen; de afronding van Gerard Termorshuizens imponerend standaardwerk over de geschiedenis van de Indisch-Nederlandse pers.
Openluchtamusement voor de Nederlandse Stoottroepen in Indië, 1947-48

Geen bezwaar dus. Alleen diende zich tijdens het lezen bij mij een alternatief aan, iets in de geest van: ‘Een nog niet in kaart gebracht land’. Dat is een optimistische gedachte, want dat betekent dat er nog veel te doen is en blijkbaar ook nog op een zo uitgestrekt terrein. Want het gaat in dit boek niet alleen om de journalistiek in het voormalige Nederlands-Indië. Ook Curaçao, Suriname en Zuid-Afrika komen langs. En dan dringt zich één conclusie op: er is nog veel uit te zoeken in het buitengaatse Nederland en daar wordt hier een begin mee gemaakt.

De titel van het boek suggereert dat het accent op de stijl ligt, de vorm waarin de in de tropen werkende journalist zich wilde (en vooral: kon) uiten. Wat dat betreft lijkt het boek vooral een door velen ondernomen uitwerking van de eerste stelling bij Termorshuizens proefschrift uit 1988 over P.A. Daum: ‘Dat zich in de Nederlands-Indische pers een zogenaamde ‘tropenstijl’ kon ontwikkelen, wordt vooral verklaard door de omstandigheid dat bedoelde pers de belangrijkste uitlaatklep vormde voor de in de koloniale maatschappij levende spanningen en frustraties’.

Het woord ‘tropenstijl’ is dus al zeker 25 jaar oud, maar kennelijk nog steeds niet rijp voor een korte definitie. Termorshuizen zelf heeft in elk geval in zijn eigen grote bijdrage een paar honderd woorden nodig als hij het tussenkopje ‘(Tropen)stijl’ heeft gebruikt. Duidelijk is dat het begrip een historische ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zo vertrouwde Busken Huet uit Batavia in 1870 zijn kompaan Potgieter in Amsterdam toe dat de Indische dagbladschrijver iemand was ‘wiens kracht schuilt in de vijandschap die hij opwekt’. Weliswaar moderniseerden de koloniale samenleving en cultuur na 1900, maar het bestuur bleef autoritair en zo werden ook de daarmee samenhangende ‘in de koloniale samenleving levende spanningen en frustraties’ een blijvertje. Ik maak me sterk dat in de jaren twintig en dertig journalisten als Zentgraaff en Wybrands Huets uitspraak meteen zouden herkennen. De gekruide en persoonlijke stijl (een omschrijving van Termorshuizen) bleef een kenmerk en de aartsconservatief Karel Wybrands beschikte over het vermogen te schrijven ‘langs het prikkeldraad van de wet’.

Dat is allemaal mooi en soms prikkelend om te lezen, maar Termorsnhuizen heeft blijkens de op zijn betoog volgende bijdragen in de loop van de jaren zijn collega’s, vrienden en leerlingen ook op heel wat zijwegen gewezen. ‘(Tropen)stijl’ is dus een thema, waarop veel variaties mogelijk zijn. Twee voorbeelden.
Ellen de Vries

Het dichtst sluit Ellen de Vries aan bij het thema met haar verhaal ‘De geboorte van winied – de terugkeer van de satire in de Surinaamse pers’. Het is een even spannend als amusant relaas over de manier waarop drie journalisten (de Nederlandse Marie-Annet van Grunsven van de gpd en de nos, Wim Noordergraaf van de Volkskrant en de Surinaamse Nita Ramcharan van de Ware Tijd, met op de achtergrond Nita’s man Edward Troon) gezamenlijk in de onzekere en spannende tijd voor en na Bouterse de columnist winied tot leven brachten. Dat was hun manier om zo dagelijks een samenvatting te kunnen brengen van alle zaken die in Paramaribo van mond tot mond gingen en niet altijd geverifieerd konden worden. winied bleef lang een geheimzinnige en gezaghebbende onbekende. Zelfs de hoofdredacteur van de Ware Tijd wist enige tijd niet wie voor die rubriek verantwoordelijk was) en in 1989 riep Radio Rapar Winied zelfs tot ‘man van het jaar’ uit.



Fascinerend is Huub de Jonge’s verhandeling ‘Spot en provocatie’ (met als ondertitel ‘De strijd van het tijdschrift Aliran Baroe tegen misstanden in de Arabische gemeenschap in Indië’). Niet alle lezers zullen in staat zijn te toetsen in hoeverre de bijdragen in het tijdschrift voldoen aan de norm van de ‘gekruide stijl’, aangezien dit blad grotendeels in het Arabisch verscheen, maar de inhoud is duidelijk. De Jonge levert een interessante historische bijdrage over de pogingen tot inpassing van de Arabische minderheid in de koloniale samenleving; pogingen die ook in eigen kring niet altijd voor lief werden genomen, vooral wanneer de positie van de Indo-Arabische vrouw als een door haar man ‘letterlijke gekooide en figuurlijk geboeide echtgenote’ werd beschreven. Waren er geen belangrijker onderwerpen en wist de redactie wel waar ze aan begonnen was, zo kwamen de vragen. Zelfs het oude Nederlandse spreekwoord over de slapende honden die niet gewekt moesten worden, kwam hier goed van pas. Om het geheel samen te vatten citeer ik een andere stelling van Termorshuizen bij zijn proefschrift: ‘Wanneer men met de historicus Johan Huizinga van oordeel is dat de krant de “eigenlijke geestesuiting” is van een samenleving, kan men zich er slechts over verbazen dat er aan de geschiedschrijving van de Nederlands-Indische pers tot dusver zo weinig aandacht is besteed’.

Dat is niet vergeefs geschreven. Termorshuizen zelf heeft met zijn twee indrukwekkende handboeken van de Indisch-Nederlandse pers een woest en ledig landschap in kaart gebracht en daarmee Huizinga’s verbazing gedateerd. Zijn collega’s, vrienden en leerlingen bewijzen nu met de bundel Tropenstijl dat er elders een nog niet in kaart gebracht land op ontdekkers ligt te wachten.


Gerard Termorshuizen (red.), Tropenstijl; Amusement en verstrooiing in de (post)koloniale pers. Bundel opstellen opgedragen aan Gerard Termorshuiizen. Met bijdragen van Gerard Termorshuizen e.a. Leiden: KITLV Uitgeverij, 2011. 280 p., isbn 978 90 6718 385 7, € 19,95.

[uit Oso 2012.1]

woensdag 3 oktober 2012

Jimmy van der Lak (2)





Van schildersmodel tot souteneur?


Op het terras van beeldend kunstenaar Nola Hatterman (1899-1984) is verhuisd van het Amsterdams Historisch Museum naar het Stedelijk in Amsterdam. In 2009 koos criminoloog Frank Bovenwerk het schilderij voor de kaft van zijn boek Etniciteit, criminaliteit en het strafrecht. Hij wierp nieuw licht op de man die ervoor model stond: de Surinaamse Jimmy van der Lak (1903-1990). Was Van der Lak behalve schildersmodel, kelner, danser, bokser, acteur, eigenaar van een boksschool, ook pooier, zoals Bovenkerk suggereerde? Doét het er eigenlijk toe wat ie was?

door Ellen de Vries

Ongetwijfeld zocht hoogleraar criminologie Frank Bovenkerk met zorg deze illustratie uit voor het omslag van Etniciteit, criminaliteit en het strafrecht: de redevoering waarmee hij afscheid nam van het Utrechtse Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen.
In het voorwerk van de uitgave verklaart hij:

'Het schildersmodel heette Jimmy van der Lak. (...) Uit de beschrijving van de man, (…) in het Amsterdams Historisch Museum, blijkt dat Jimmy problemen had met de zedenpolitie. (1) Was hij een van de eerste loverboys (of po's - pooiers - zoals Surinamers zeggen)?' (2)

Bovenkerk schreef zijn boek toen Jimmy nog in het Historisch Museum hing. In een interview met de Volkskrant vertelt Bovenkerk, hoe Jimmy in Parijs destijds een café aan diggelen sloeg en in Amsterdam rondhing in een jazzclub die later gesloten werd vanwege het rekruteren van prostituees. Bovenkerk was een van de eersten die het taboe op het openbaren van misdaadcijfers onder migranten doorbrak. Verrassend genoeg concludeert hij aan het eind van zijn loopbaan: 'Ik keer mij (...) tegen de welhaast onweerstaanbare neiging om de misdaad in de multiculturele samenleving te herleiden tot een etnisch of cultureel probleem.'(3)  
In de Volkskrant stelt hij: 'Vandaag de dag zou Jimmy loverboy heten. Maar wat was nou zijn cultuur? Hij was niet typisch Surinaams, voldeed aan alle stereotypen van een Amerikaanse neger in die tijd. Jimmy was een cultureel hybride crimineel avant la lettre.' (4)

Amstel
Cultureel hybride crimineel avant la lettre? Het klinkt haast als een compliment. Toch weet ik niet of ik het een geruststelling vind, dat Jimmy niet 'typisch Surinaams' was, maar aan alle 'stereotypen van een Amerikaanse neger' voldeed. Ik kijk nog eens goed naar de te donker uitgevallen reproductie van Op het terras. Voor mijn ogen verandert de man op het schilderij van een gedistingeerde gentleman in een duistere figuur. De gebalde vuist voorspelt ineens niet veel goeds. De leren handschoenen op het tafeltje evenmin. Voor je het weet heeft hij ze van tafel gegrist en je er een striemende slag mee in je gezicht gegeven. Wat een ander onderschrift: Etniciteit, criminaliteit en het strafrecht wel niet vermag! De originele titel Op het terras daarentegen, wekt associaties op met een lome, zomerse vakantiedag.

Tijdens mijn research voor de biografie van de schepper van dit werk - de Amsterdamse kunstenares Nola Hatterman - kwam ik Jimmy's naam zelden tegen. Zeker niet als pooier of crimineel. Wel las ik in De eerste neger van journalist Rudie Kagie, dat generatiegenoten van Jimmy van pooierij beschúldigd werden. Namen werden niet genoemd.(5) Mij kwam slechts een verhaal over Jimmy ter ore. Dat is de anekdote die Nola Hatterman haar oud-leerling, pleegzoon en lieveling Armand Baag vertelde. Nola zou van de Amstelbrouwers opdracht hebben gekregen om een deftige heer te schilderen die op een terras een glas Amstelbier drinkt. Nola schilderde een deftige, zwárte heer. Verschrikt zouden de brouwers hebben afgezien van de aankoop. De huidige eigenaar van Amstel, Heineken, kon het verhaal niet bevestigen. Nola had – ontdekte ik – een grote fantasie, maar helemaal onvoorstelbaar is haar verhaal niet. Zeker niet als je bedenkt dat reclamemakers zwarte mensen vooral vereenzelvigden met hun huidskleur. (6) Uitheemse producten als koffie en cacao, maar ook oer-Hollandse als kachelglans en zoute drop werden aan de man gebracht met afbeeldingen van breed lachende 'negers' op de verpakking. In advertenties voor zeep werd de zwarte huid juist dankbaar aangegrepen om eens fijn 'schoon' te schrobben. Een zwarte consument die producten aanprees voor de Nederlandse markt? Dat gaf geen pas! Het aantal zwarte migranten - veelal Surinamers - was verwaarloosbaar klein en vormde dus nog geen interessante doelgroep voor marketeers.

Een naam
De anekdote stelde discriminatie aan de kaak. Over Jimmy zelf vertelde Nola blijkbaar niets dat degenen die ik over haar sprak is bijgebleven. Ik vermoed dat Nola en Jimmy - die in hetzelfde uitgaanscircuit verkeerden - elkaar vaak moeten zijn tegengekomen. Maar misschien behoorde Jimmy niet tot haar intimi. Ze gaf het doek in elk geval niet de naam van de geportretteerde mee, zoals ze wel deed met het zoekgeraakte schilderij Surinamer (Frits Frezer) dat in hetzelfde jaar verscheen. Lange tijd was onduidelijk wie de terrasganger was. In recensies uit de jaren dertig werd hij slechts aangeduid met 'neger' of 'man'. Pas in 1999 kreeg hij een naam: Jimmy van der Lak. Dat was te danken aan de kunsthistoricus Karin Söhngen die het schilderij selecteerde voor de tentoonstelling Magie en Zakelijkheid - realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945. De gelijknamige catalogus schetste voor het eerst zijn bestaan. Het schilderij, eigendom van het Stedelijk Museum, was tot 2012 in bruikleen van het Amsterdams Historisch Museum. Daar stond Jimmy min of meer model voor de Surinaamse nieuwkomers die in de jaren twintig en dertig werk vonden in de sport, jazz- en amusementsindustrie.
Suikerplantage Merveille. Diorama van Gerrit Schouten

Journalist Rudie Kagie sprak Jimmy een half jaar voor zijn dood in 1990. Zestien jaar later deed Jimmy in de herziene druk van De eerste neger (2006) postuum zijn relaas. Désiré Max Jules Constantijn van der Lak - beter bekend als Jimmy van der Lak, alias Jimmy Lacky of Jimmy Lucky - werd in 1903 geboren in Paramaribo. Hij was de nazaat van slaven, afkomstig van de suikerplantage Merveille (ook bekend als Adjakka) langs de Surinamerivier. (7) Aan Kagie vertelde hij dat zijn vader architect was en bruggen ontwierp. Het lijkt onwaarschijnlijk dat Jimmy uit een dergelijk milieu afkomstig was, maar hoe dan ook: als jongetje droomde Jimmy van verre landen voorbij de bruggen en einders. In een interview met Elsevier uit 1970 pochte hij over zijn danstalent. Het revuegezelschap van de Amerikaan Louis Douglas dat Suriname aandeed, zou Jimmy hebben meegevraagd op tournee naar Trinidad. Vandaar trok het gezelschap naar Europa. In Parijs stapte Jimmy om onduidelijke redenen uit de groep en nam de trein naar Amsterdam. (8) Om met Albert Helman - pseudoniem voor de Surinaamse schrijver Lou Lichtveld - te spreken: 'Herinneringen zijn als schuwe vogels die fladderen van dak tot dak, die nauwelijks de toppen raken en weer zweven in de lucht'. Het is aannemelijker dat Jimmy als verstekeling aan boord van motorschip de Cottica uit Paramaribo vertrok. In elk geval wijst de gezinskaart van het Stadsarchief Amsterdam uit dat Jimmy van der Lak in 1926 in Amsterdam werd ingeschreven. Als 'plaats waarvandaan de persoon is gekomen' werd 'Paramaribo' en niet 'Parijs' genoteerd. Achter 'ambt, beroep of bedrijf': 'knecht' in plaats van 'danser'. Dat dansen moet van later datum geweest.


Verstekeling
Jimmy was niet de enige die de oceaan overstak. Studie was in die tijd de meest voor de hand liggende reden voor de overtocht naar Nederland. In Suriname waren de mogelijkheden beperkt. Vaak waren de studenten afkomstig uit rijke, lichtgekleurde Surinaamse elite. De andere groep die Nederland aandeed bestond uit varensgezellen. En dan waren er nog gelukzoekers zoals Jimmy. (9)
In reclames werden ze misschien belachelijk gemaakt, in de horeca en amusementsindustrie waren zwarte mensen in de jaren twintig, begin jaren dertig bijzonder gewild. Dat gold ook voor de kunstwereld. Nederland volgde Parijs. In de lichtstad had de belangstelling voor jazz en de zwarte cultuur die was overgewaaid vanuit New-Yorkse wijk Harlem, zich ontwikkeld tot een ware negrofilia. (10) Op schilderijen, foto's, in populaire muziek, dans, literatuur, theater en meubelontwerpen, 'negercabarets' overal was de invloed van de Afrikaanse en Afro-Amerikaanse zwarte cultuur zichtbaar. (11)  Ook Nederlandse schilders lieten zich erdoor inspireren. De meeste Surinamers in Amsterdam kenden elkaar. Het zong zich als snel rond dat je als schildersmodel een centje kon bijverdienen. Vanaf 1926 poseerden Surinaamse en Antilliaanse modellen voor studenten op de Rijksacademie, andere onderwijsinstellingen en individuele schilders. (12) Via haar privéleraar Charles Haak kwam Nola met Jimmy in aanraking. Hij moet een van haar eerste modellen zijn geweest. (13) 
   
Revue
Op het terras beeldt, conform de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid waartoe het gerekend wordt, attributen af die iets vertellen over de Jimmy's functie in het dagelijks leven. (14) In het opengeslagen avondblad lezen we advertenties voor de operette Wenn der weisse Flieder wieder bluht, en de revues O, Yes Kitty, Hallo! met Lou Bandy en Sonny Boy. Heel goed mogelijk dat Jimmy figureerde of danste in een of misschien wel alle afgebeelde producties. In het interview met Elsevier in 1970 bevestigt hij dat hij met Lou Bandy in Carré op de planken stond. Jimmy had met andere woorden zijn knechtenbestaan ingeruild voor de revue. Of zijn gebalde vuist en leren handschoenen dan al naar zijn bokscarrière verwijzen en het pilsje naar zijn kelnerschap, weet ik niet helemaal zeker.
Willy Walden

Zo rond 1930 vermoed ik, moet Jimmy naar Parijs zijn vertrokken om te dienen in het Nederlandse restaurant van Leo Faust, vlak achter Place Pigalle. Het was befaamd om zijn 'Hollandsche Gerechten, opgediend door Hollandsche kellners'. Hier in Parijs zou hij, zoals Bovenkerk suggereert, een café aan diggelen hebben geslagen en Frankrijk zijn uitgezet. Hoe het ook zij, Jimmy keerde rond 1932 weer terug naar Nederland; in het voorjaar danste en zong hij in de revue Blank en Bruin van Willy Walden en Frits Schakels uitgedost als Afrikaan. (15) Wanneer zijn professionele carrière als bokser precies begon, is ook niet duidelijk. Boksen leerde hij in de Amsterdamse boksschool De Jonge Bokser in de Wagenstraat. Pas in 1934 duikt zijn naam op in Het Vaderland. In de krant van 9 februari wordt de mededeling gedaan dat Jimmy zijn training - blijkbaar na een pauze - hervat. Nog geen maand later op 8 maart 1934 volgt de aankondiging van een internationale bokswedstrijd in de Dierentuin te Den Haag waaraan Jimmy Lacky deelneemt: 'bekend Haagsch negerinstructeur'. Dat sloeg op het feit dat Jimmy inmiddels een boksschool was gestart in Den Haag aan de Elandsstraat 54. Aan Kagie vertelde Jimmy dat de wedstrijd in de Dierentuin zijn laatste was. Jimmy verscheen gedrogeerd door hoffmanndruppels, die zijn middagdutje hadden moeten bespoedigen, in de ring. 'Ik kreeg een enorm pak slaag. De scheidsrechter kwam tussenbeide en dat was het einde van mijn bokscarrière.' (16) Hierna vond Jimmy emplooi als kelner in café-restaurant De Sport in Scheveningen. De zaak liep als 'jewelste'. De zwarte Jimmy zou een bezienswaardigheid zijn geweest. Als hij er niet was kon de eigenaar de tent wel sluiten. Op straat hielden mensen Jimmy aan. 'Bussen stopten. (...) Ik was een attractie.'  (17)

'Negercabarets
'
In Parijs was de rage alweer op zijn retour, maar in de Randstad schoten 'negertenten' als paddestoelen uit de grond. Jimmy keerde terug naar Amsterdam en vond werk in de Negro Kit Cat Club in de Wagenstraat, vlakbij de school waar hij zijn eerste bokspartijtjes speelde. De Negro Kit Cat Club was - evenals the Negro Palace - razend populair. Zwarte obers serveerden mixdrankjes met exotische namen als Bamboo cocktail en East-Indian. Jimmy was bevorderd tot chefkelner. Terwijl zwarte jazzmusici - onder wie de legendarische Teddy Cotton en Kid Dynamite - zich de longen uit het lijf bliezen, wervelden verhitte mannen en vrouwen over de dansvloer. De hoofdinspecteur van politie de heer Versteeg, sloeg het bezorgd gade. Hij had het niet zo op deze muziek en vergeleek een bezoek aan The Negro Kit Cat Club met een uitstapje naar Artis. 'In dat dierenparadijs kan men de fratsen van de apen nog waarderen. In The Negro Kit Cat Club is echter het optreden dezer "mensapen" walgelijk om aan te zien.' (18) In het politiedossier met als titel Negercabarets dat in het Stadsarchief ligt opgeslagen, bevindt zich een brief waarin Versteeg waarschuwde voor de 'naar onze inzichten onsmakelijk uitziende, sexueel uitermate veel presteerende negers'. Hollandse meisjes waren het met het eerste zeker niet eens en het tweede vormde misschien juist reden voor bezoekjes aan de clubs. Er kwamen klachten over onzedelijk gedrag. Een van die klachten waarvan op 27 november 1936 rapport werd opgemaakt, had betrekking op - jawel - Jimmy van der Lack.

'Op 21 november jl werd aan bureau Zedenpolitie door een onbekend gebleven man telefonisch medegedeeld dat de oberkellner Jimmy Lucky en de eerste kellner genaamd Emanuel (...) er hun werk van maakten om plm. 18 jarige vrouwen die meergenoemde zaak bezoeken [Kit Cat Club] in contact te komen. Ze maken dan een afspraak met die vrouwen om hen na sluiting van de zaak omstreeks 1.30 uur 's nachts op te wachten. De vrouwen worden dan volgens denzelfden man mee naar de kamers van die kellners genomen, waar dan allerlei ontucht wordt gepleegd. Zelfs moet het wel voorgekomen zijn, dat die kellners een meisje naar binnen hebben gesleept. Namen van de meisjes kon de zegsman niet noemen.'

Blonde Geertje
De Zedenpolitie begaf zich op vrijdag 27 november 1936 naar de Negro Kit Cat Club om poolshoogte te nemen. Ze vatten twee vrouwen in de kraag: Hermina Burggraaf en haar vriendin Geertruida de Boer, beiden circa 18 jaar oud. De blonde Geertruida - Geertje of Gray genoemd - bleek verliefd op Jimmy. Desgevraagd ontkende Jimmy tegenover de zedenpolitie seks met haar te hebben gehad. Als reden gaf hij op: '(...) omdat ik trouwplannen met haar heb.' In het dossier bevinden zich twee brieven van Jimmy aan Gray. Uit de tweede brief van 19 november 1936, blijkt dat Gray problemen heeft thuis.

'Baby, hoe hard en ellendig of je 't ook thuis heb, houd dit altijd voor oogen, er is toch iemand, een jongen die met me mee leefd en voel en dat is Jimmy. Die gedachte alleen helpe je leed verzachten. Nu Gray, je weet wat we hebben afgesproken. Ik ben iedere middag van 1 tot 2 in de Cityhal. Daarna ben ik thuis tot 4 uur. Je kan altijd naar me toekomen.'
Teddy Cotton

Het lijkt erop alsof Gray niet geheel tegen haar zin met Jimmy omging. De zwaarste verwijten richting Jimmy kwam van dezelfde anonieme bron, die later ontmaskerd werd als de Surinamer Frederik Willem Reigman, artiestennaam Kid Johnson. Reigman beschuldigde Jimmy ervan 'hoofd van een Surinaamsche bende' te zijn die 'voor talloze minderjarige Hollandse meisjes' een gevaar vormen. Tot de Surinaamse bende behoorden muzikanten en kelners die in de Negro Kit Cat Club werkten. Onder anderen de namen van de muzikanten Walter Rens, Michael Hidalgo en Teddy Cotton vielen. Volgens Reigman waren het eigenlijk souteneurs, die meisjes trouwden om ze de baan op te sturen. Rancune leek een rol te spelen. Jimmy zou Reigmans baan als chefkelner hebben ingepikt. Het was Reigman die stelde dat Jimmy in het café van Leo Faust de boel kort en klein had geslagen, tot drie maanden gevangenis was veroordeeld en in 1930/1931 zou zijn uitgewezen.

Ontucht
Wat er werkelijk gebeurd is, wordt uit het dossier niet duidelijk. Wel lees ik wat Geertje de Boer tijdens een verhoor over Jimmy vertelde. Zij verklapte op dinsdag 9-2-37, dat ze nadat ze door de inspecteurs was aangehouden, Jimmy was blíjven zien. Ze zocht hem op in zijn woning aan de Prinsengracht 755. Geertje gaf uiteindelijk toe 'intiem' te zijn geweest met Jimmy, maar ontkende 'ontucht met verschillende mannen' te hebben gepleegd. De inspecteurs rapporteerden:

 'Op onze vraag hoe zij dan aan geld kwam, verklaarde zij zich drie maal als mannequin beschikbaar te hebben gesteld, waarmeede zij gezamenlijk f 30 had verdiend. Zij wilde echter niet zeggen voor welken firma dit was geweest waarom wij rapporteurs deze verklaring in twijfel trokken.'

Ook verklaarde Geertje dat Jimmy haar, in zijn woning meermalen om geld had gevraagd en dat zij hem bedragen variërend van f 1 tot f 2,50 had gegeven.

'Ook had ze wel tegen hem gezegd wanneer hij om geld vroeg, dat zij geen geld bezat. Hij onderzocht dan haar tasch en wanneer hij dan geld vond, dan kreeg zij een pak slaag van hem, omdat zij hem had voorgelogen. Eenmaal had hij haar zo’n harde klap in haar gezicht gegeven, dat ze op de grond viel. Daarom gaf ze hem, uit vrees steeds haar geld. Haar genegenheid voor hem was volgens haar bekoeld doch zij durfde den omgang met hem niet te verbreken, omdat hij haar had bedreigd wanneer zij den omgang zou verbreken, dat hij dan haar gezicht zou verminken. Tenslotte verklaarde ze nog dat zij des morgens omstreeks 9 uur van huis ging en dat zij daarin pas tegen middernacht terugkwam. De tijd daartusschen bracht zij door, in de woning van Jimmy en in dancings, ondermeer La Gaité in de Reguliersbreestraat alhier. Deze zaak is daarmee doorgegeven aan het bureau Zedenpolitie alhier.'

Uit een dossier van bureau Zedenpolitie zou ook blijken dat Jimmy in pension Van den Berg aan de Prinsengracht no 636 enige nachten sliep met een toen nog minderjarig meisje dat hij op straat had leren kennen en dat zich volgens de pensionhouder vervolgens 'aan prostitutie overgaf.'

Ontslagen
Op woensdag 31 maart 1937 werd Jimmy zelf gehoord, 'zonder vast beroep, wonende Singel 387 boven'. Vreemd genoeg zegt hij tijdens dat verhoor, dat ie vanaf 1931 in Nederland woont, wat bewijsbaar onjuist is. Bedoelde hij misschien: wéér?

'Ik ben vanaf 1931 in Holland. Voorheen heb ik gewerkt in Parijs, Spanje, België en Duitsland als kellner, bokser, danser en zanger. Ik pak alles aan. Vanaf 1931 heb ik gewerkt als zoodanig in Den Haag, Rotterdam en andere grote steden. In october 1936 ben ik weer in Amsterdam teruggekeerd. Ik heb ook boksles gegeven,alsmede dansles en gymnastiekles.'

Toen de rapporteur vroeg of hij in Parijs had werkt in een Hollands café, ontstak Jimmy in woede.

‘Nu begrijp ik wie of u die inlichtingen heeft verstrekt. Mijn kop er af als Johnson [Reigman] u die inlichtingen niet heeft verstrekt. (...) Johnson is de grootste kinderverkrachter die er rondloopt. Verscheidene meisjes hebben een kind van hem, waar hij zich niets van aantrekt. Hij is de grootste oplichter die er rondloopt.' 

Hij begreep niet 'dat de Politie van zo iemand inlichtingen wil ontvangen'. Reigman was inderdaad niet van onbesproken gedrag. Jimmy liep kwaad weg. De rapporteur schreef bedrukt: 'Al mijn pogingen om het verhoor voort te zetten, faalden. Van der Lak bleef bij zijn besluit, om niet meer te antwoorden, reden waarom geen uitvoerig gehoor plaats kon hebben.’ Vanwege alle klachten over onzedelijk gedrag was het zwarte personeel van 'negerclubs' inmiddels ontslagen.

Wel of niet?
Was Jimmy een pooier? Als je de rapporten leest, lijkt hij geen brave borst. Toch werd Jimmy voor zover mij bekend niet veroordeeld. De inspecteur deed blijkbaar evenmin pogingen om hem nog eens te verhoren. Het zou kunnen dat hij een tijdje de pooier uithing, maar keiharde bewijzen ontbreken.
Doet het ertoe? Het is verleidelijk - en misschien ook wel de kracht van de voorstelling - om heden, verleden en de toekomst erin te projecteren. De rapporten van de zedenpolitie dateren van 1936-1937; Op het terras is van 1930.
Nola Hatterman

Uit de beschrijvingen - ook van kunsthistorici - lijkt het verhaal achter de man op het schilderij in toenemende mate van belang te zijn geworden. In het bijschrift dat het Stedelijk naast Op het terras plaatste wordt behalve over Jimmy nu ook informatie verschaft over Nola Hatterman die – misschien wel om af te rekenen met het koloniale milieu waaruit ze afkomstig was – beweerde zich ‘van binnen een neger’ te voelen. Het zijn notities om bij weg te dromen en je fantasie de vrije loop te laten. Maar zijn ze van  belang? Zit de zeggingskracht van Op het terras 'm niet vooral in het werk zelf, in plaats van de onderschriften die het model en de motieven van de schilder in een tijdsbeeld proberen te vangen. Een verslaggever van het Algemeen Handelsblad schreef in 1939, zich van dit alles niet bewust, onbekommerd: 'Het groote portret van den man voor zijn café is zoowel in zijn expressie als door zijn compositie en kleurencombinatie een getuigenis van diepe innerlijke beschaving en smaak.' (19) Of zoals de jonge verkoper in de boekwinkel van het Stedelijk - die feilloos wist in welke zaal Jimmy hing - opmerkte: ‘Cool schilderij.’


[Dit artikel is een bewerking van het artikel dat in 2009 werd gepubliceerd op de website Researchlab Black is beautiful.]

Ellen de Vries is publicist en auteur van Nola - Portret van een eigenzinnig kunstenares.

Literatuur

Archer-Straw, Petrine (2000). Negrophilia, Avant-Garde Paris and Black Culture in the 1920s. New York: Thames & Hudson.
Bovenkerk, Frank (2009). Etniciteit, criminaliteit en het strafrecht. Den Haag: Boom Juridische uitgevers in samenwerking met het Willem Pompe Instituut voor Strafwetenschappen in Utrecht
Cottaar, Annemarie (2004), Cornelis Kogeldans en Carmen van Vliet: Surinaamse modellen aan de Rijksacademie, in: De kunst van het overleven - Levensverhalen uit de twintigste eeuw, uit de serie: Cultuur en Migratie in Nederland, (o.r.) Wim Willems. Den Haag: Sdu-Uitgevers.
Haarnack, Carl en Schreuder, Esther (2008), Op het terras, Jimmy van der Lak, p. 312-313, in: Black is beautiful - Rubens tot Dumas, Kolfin, Elmer en Schreuder, Esther (red.) (2008). Zwolle: Waanders Uitgevers.
Kagie, Rudie (2006). De eerste neger. Amsterdam: Mets & Schilt
Nederveen Pieterse, Jan (1990). Wit over zwart - beelden van Afrika en zwarten in de westerse populaire cultuur. Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen
Oostindie, Gert en Maduro, Emy (1986). In het land van de overheerser II - Antillianen en Surinamers in Nederland 1634/1667-1954. Leiden: Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde
Schreuder, Esther (2008), Afrika in het onderbewuste 1920-1960, p 317, in: Black is beautiful - Rubens tot Dumas, Kolfin, Elmer en Schreuder, Esther (red.) (2008). Zwolle: Waanders Uitgevers.
Söhngen, Karin (1999), De thematiek van het nieuwe realisme, het eerherstel der genres p.61-88. In: Magie en zakelijkheid, realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945, Blotkamp, Carel en Koopmans, Ype (or). Zwolle: Waanders Uitgevers
Vries, Ellen de (2e herziene druk 2009). Nola - Portret van een eigenzinnig kunstenares. Amersfoort: Klapwijk en Keijsers Uitgevers.


 
Noten:
 
[1] Die beschrijving luidt: 'De meeste Surinamers die in de jaren 20 en 30 naar Nederland emigreerden, kwamen terecht in het amusement of de sport. Zo ook Jimmy van der Lak (artiestennaam Jimmy Lucky) die in 1903 geboren was in Paramaribo. Na een verblijf in Parijs trok hij naar Amsterdam waar hij zijn geld verdiende als bokser, zanger, tapdanser en filmacteur. Ook was hij chef-kelner in de Negro Kit Cat Club in de Wagenstraat, totdat in 1937 op aandrang van Hoofdcommissaris van Politie Versteeg al het zwarte personeel van de 'negercabarets' ontslagen werden na klachten over verleiding van Nederlandse meisjes.'
[2] Bovenkerk, 2009
[3] Bovenkerk, 2009:28
[4] 'Meten en benoemen', interview met Frank Bovenkerk, door Janny Groen en Annieke Kranenberg, in de Volkskrant van 6 juni 2009.
[5] Kagie, 2006:106-115
[6] Nederveen Pieterse, 1990:198-199
[7] Schreuder en Haarnack, 2008:313
[8] 'Het hart op de tong' - interview met Jimmy van der Lak door Frits van der Molen, in Elsevier van 10 januari 1970 
[9] Oostindie en Maduro, 1986: p 26 e.v., p. 45-e.v. 
[10] Bedoeld wordt de Harlem Renaissance: een culturele stroming van zelfbewuste zwarte schrijvers, muzikanten, kunstenaars, activisten en politici in de New Yorkse wijk Harlem die tot 1929 bestond.
Zie Archer-Straw, 2000: 159 e.v.
[11] Archer-Straw, 2000:9-16
[12] Cottaar: 2004:67
[13] De Vries, 2009:45
[14] Haarnack en Scheuder: 2008:313
[15] Kagie, 2006:84
[16] Kagie,2006:84-85
[17] ibidem
[18] Kagie, 2006:110
[19] In het Algemeen Handelsblad (avondblad) van 8 maart 1939

woensdag 26 september 2012

Promovendi Surinamistiek & Antilleanistiek bijeen

De Vereniging Ons Suriname bood gastvrijheid tijdens het vijfde promovendiweekend van de leerstoel West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam, op zaterdag 22 en zondag 23 september j.l. Uit alle windstreken waren de promovendi weer bij elkaar gekomen om op zaterdag te luisteren naar PHD-colleges van specialisten op terreinen die voor de post-koloniale literatuur van belang zijn. Op zondag kwamen de promovendi zelf met publieke presentaties. Daarvan hierboven een verslag. Hier een foto-impressie van de besloten bijeenkomst op zaterdag door Michiel van Kempen.

Hersenkraken: Carl Haarnack

In de schaduw op een zonnige zaterdag

V.l.n.r. Ellen de Vriies, Maarten De Pourcq, Joe Fortin, Jos de Roo, Anja en Paul Hollanders

Prof. Ieme van der Poel (UvA) sprak over waarom "creolisering" niet geldt voor Noord-Afrika

Diner in restaurant De Ponteneur

Dr Maarten de Pourcq (RUNijmegen) sprak over intertekstualiteit

Jos de Roo en Mieke Groen naast hun promotor prof. Michiel van Kempen

Radjin Gena en Bert Paasman in gesprek met Mieke Groen

Prof. Susan Legêne (Vrije Universiteit) sprak over gematerialiseerde geschiedenis

Prof. em. Bert Paasman (UvA) hield de slotrede over zijn onderzoek in Guyana naar Elisabeth Maria Post. Tim de Wolf luistert.

maandag 26 december 2011

Cairo's roman over de decembermoorden

door Ellen de Vries


‘Maar een ding weet ik: Sranan gaat niet rusten! Niet om geweld, maar om de liefde! Liefde, liefde, brandende liefde. Om liefde, vrijheid en respekt voor alle zonen, alle kinderen van één trutru en waardig Sranan. Dát is de smaak van Sranan Libre. Dát is de ware geest van ’t vrije, vrije Suriname!’
Dát schreef Edgar Cairo december 1982 naar aanleiding van de liquidatie van vijftien vermeende tegenstanders van het militaire regime in zijn rouwklacht De smaak van Sranan Libre, destijds uitgezonden als hoorspel. In 2007 – 25 jaar na de zogenoemde ‘decembermoorden’ van 1982 – verscheen het hoorspel als roman bij De Knipscheer. Het is niet het eerste boek van deze uitgeverij over de militaire staatsgreep en de ‘decembermoorden’.



In vier hoofdstukken schetst Cairo het relaas van een familie aan weerszijden van de oceaan, in Amsterdam en Paramaribo. Het verhaal begint op 7 december in Amsterdam. De ik-figuur, Armand, kan de slaap niet vatten. Als de ochtend gloort verschijnt zijn broer voor zijn geestesoog ‘bedekt met een massa aangekoekt bloed’. Armand schreeuwt het uit: ‘Help, mijn broer is dood, vermoord!’ De andere familieleden komen verschrikt aanrennen. De brief van zijn broer Jusu (Jozef) die de vorige dag arriveerde, vormt de aanleiding voor zijn droom. Jusu is na de revolutie naar Suriname vertrokken om het land te helpen opbouwen. Zijn ‘klinkende briefschrijfsels’ eindigen doorgaans optimistisch, maar de revolutie heeft rafelige randjes gekregen. De toon van zijn laatste brief is bezorgd en angstig: ‘P’pa Kwa en Mama Dina, groeten aan jullie en me broers. En aan al die mensen waarvan jullie weten dat ik die gekend heb. Ik heb dat rare gevoel dat ik… ach, laat maar! Jullie zien me heus wel terug.’ In de brief vertelt Jusu over de droom die híj heeft gehad over rookwolken en een oerwoudhoge, bloedrode golf. Winti-goden, bange voorgevoelens en voortekenen, spelen een grote rol in de roman. Als ppprrringgg… de telefoon gaat, is er bericht uit Paramaribo: Jusu is vermoord. De familie is verbijsterd. Wat er precies gebeurt is weten ze niet. Alleen dat hun zoon en broer is doodgeschoten. Er zijn branden geweest, horen ze via de radio. Executies. Later komen er verhalen los over martelingen. Armand huilt, huilt. In zijn hoofd nestelt zich de Kromanti, een hogere geest, die het zal opnemen tegen de Leba, de god die hier het kwaad symboliseert. Voor Armand doemt het beeld op van een duif die door aasvretende beesten wordt belaagd. ‘Zo wordt de Kromanti belaagd door Leba’s. (…) Zo wordt het wezen van onze vrijheid belaagd door de onheilskrachten van die moordenaars. De kromanti gaat winnen, je zal ’t zien.’

Verrassend is de korte passage waarin het perspectief wisselt en een sprong terug in de tijd wordt gemaakt. De verteller kruipt in de huid van ‘de majoor-opperbevelhebber-extra sergeant, tegelijk opperstinkdier en aanstaande dictator’ . Het is een paar weken voor de noodlottige gebeurtenissen. Ook de ‘aanstaande dictator’ kan niet slapen. Al weken niet. Boze dromen kwellen hem. Hij is verlamd door angst en paranoia. Hij heeft al een paar keer zijn uzi op zijn eigen schaduw leeggeschoten ‘En elke keer dat hij watert gaat hij zijn urine inspekteren. Om te kijken of hij niet iets vreemds te drinken heeft gekregen van zijn eigen ‘vrienden’. Of hij steekt zijn vinger aan zijn kak, ruikt en proeft zijn bilprodukt. Om te weten of hij toch niet ongemerkt vreemde dinges heeft gegeten.’ Voor de wandspiegel spreekt hij het volk toe. Hij somt op wat hij allemaal zal doen met zijn vijanden: met Daal, met de intellectuelen, de coupplegers en hun advocaten…’Professor, journalisten, student, alles. We rampeneren ze.’ Hij besluit zijn oratie met de woorden: ‘Kom uzi! We gaan slapen. Morgen is er weer een onderdrukkingsdag! Aaahh!’.

Cairo schetst hoe de ‘refolusie’ verdeeldheid zaait binnen families. In Paramaribo rukt oom Frenkel zich los uit een demonstratie al roepend, dat de vlag halfstok moet, dat het volk moet mogen rouwen. Zijn tweede zoon, neef van Armand en een overtuigd revolutionair, legt hem het zwijgen op. De roman eindigt met de constatering, dat Suriname niet zal gaan rusten voordat de vrijheid herwonnen is. Het vrije Suriname - Sranan Libre – is de ware geest van Suriname.
Het is de vraag hoe de in 2000 overleden Cairo zou terugkijken op zijn roman als hij wist dat Bouterse – in zijn roman aangeduid als ‘stinkdier met uzi’ – nu aan de macht is. Zoveel jaar na dato weten we – dankzij het decemberstrafproces dat in 2007 van start ging – meer over wat er werkelijk gebeurd is. Duidelijker is komen vast te staan dat de schietpartij niet in de nacht van 8 op 9, maar daarvóór plaatsvond. Het alibi van Bouterse is daardoor op losse schroeven komen te staan. Of Bouterse – zoals Cairo’s roman veronderstelt – de (enige) kwade genius was achter een weken van tevoren geplande liquidatie, is een van de zaken waarin de rechters hopelijk klaarheid brengen.
Michiel van Kempen merkte in een recensie eerder al op: ‘De roman vertoont alle sporen van haastwerk: rommelige opbouw, geen overtuigende karakters, weinig diepgang.’ Mee eens. Het grootste plezier heb ík beleefd – het treurige onderwerp ten spijt – aan de geestige formuleringen, de − soms platvloerse maar tegelijkertijd ook schrijnende − familietafereeltjes, de ritmiek, en speelsheid van Cairo’s taalgebruik: een mengeling van Surinaams-Nederlands, Sranan en eigen woordbrouwsels doorspekt met onomatopeeën. Toch lenen die zich naar mijn smaak misschien beter voor een orale vertelling dan voor een roman.


Edgar Cairo, De smaak van Sranan Libre; Roman over het bloedblad van Paramaribo op 8 december 1982. Haarlem: In de Knipscheer, 2007. 136 p., ISBN 978 90 6265 594 6, prijs € 13,50

[uit Oso, 2011, nr. 2]

woensdag 6 juli 2011

The making of Ronnie Brunswijk in Nederlandse media (5 en slot)

Ronnie Brunswijk en het Junglecommando in de Nieuwe Revu van 24 oktober 1986


door Ellen de Vries

Begin Binnenlandse Oorlog

Toen de militaire posten in de nacht van 21 op 22 juli 1986 werden overvallen – algemeen wordt die datum gezien als het begin van de Binnenlandse Oorlog – was aanvankelijk onduidelijk wie daarachter stak. Het NRC publiceerde – gebaseerd op een bericht van Associated Press (AP) – op 23 juli een vrij neutraal berichtje met als kop: ‘Aanval kazernes in Oost-Suriname’. Ook de Volkskrant van 23 juli plaatste een klein bericht. Het Parool – een avondblad – kwam met een uitgebreider artikel en meldde dat het al enkele maanden onrustig was in dit deel van Suriname, waar enkele bank- en roofovervallen waren gepleegd.

De autoriteiten verdenken Ronnie Brunswijk, een vroegere lijfwacht van legerleider Desi Bouterse van deze overvallen. Brunswijk heeft de beschuldigingen echter altijd ontkend. Hij heeft slechts toegegeven goederen en transporten uit Frans Guyana bestemd voor het Surinaamse leger, te hebben onderschept. De goederen heeft hij volgens eigen mededelingen ‘als een moderne Robin Hood’ verdeeld onder de veelal arme bevolking van Moengotapoe, een dorp niet ver van Albina, waar hij zich schuilhoudt.

In de periode vanaf 21 juli tot en met 31 juli gebeurde er veel. Nieuwsberichten volgden elkaar in snel tempo op. Niet alleen overviel Brunswijk – naar later bleek – de militaire posten in Stolkertsijver en Albina, Brunswijk gaf ook een communiqué uit waarin hij het Surinaams Nationaal Bevrijdingsleger proclameerde. Bovendien gijzelde hij twaalf militairen. Ten slotte werd een groep huurlingen die van plan was de macht in Suriname over te nemen in de VS gearresteerd. [xv] Over die zaken verschenen in vier grote kranten, De Telegraaf, de Volkskrant, het NRC en Het Parool (toen nog een landelijke krant) in die tien dagen ten minste 29 artikelen (niet alle edities van de kranten werden bekeken). Al deze kranten namen de beschrijving van Brunswijk als Robin Hood – al dan niet tussen aanhalingstekens – over.[xvi]

Ook een regionale krant als de Leeuwarder Courant deed dat (zie editie van 24 juli 1986). Omdat in het begin vooral werd geleund op het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), de Gemeenschappelijke Pers Dienst (GPD) en AP is het waarschijnlijk dat ook andere (regionale) kranten dergelijke berichten publiceerden. In de Volkskrant van 25 juli en 31 juli 1986 en in Het Parool van 25 juli 1986 en het NRC van 2 augustus werd Brunswijk bovendien vergeleken met Boni.[xvii]

Opvallend is dat Haakmat (foto links) in Het Parool, de Volkskrant, het NRC en De Telegraaf in de genoemde 29 artikelen maar liefst negen keer als bron werd opgevoerd. Dat hij zo vaak aangehaald werd, had ongetwijfeld ook te maken met vragen over de relatie tussen het verzet en de in de VS opgepakte huurlingen. Het verzet en Brunswijk ontkenden daarmee iets van doen te hebben. Haakmat – en ook andere vertegenwoordigers van het Surinaamse verzet – namen de gelegenheid te baat om hún verhaal te vertellen. In het interview met de Volkskrant van 25 juli 1986 sprak Haakmat over de strijd van Boni en legde hij uit: ‘De tactiek van toen wordt nu herhaald door de Brunswijkguerrilla’s.’ In Het Parool van 30 juli vergeleek hij in een ingezonden brief Brunswijk wederom met Boni die streed tegen de blanke kolonisator.

Curieus is dat de rolverdeling krijgskundig nu zo is, dat het zich revolutionair noemend regiem Bouterse de positie inneemt van de koloniale huurlingenlegers in hun strijd tegen de marrons van Boni. Interessant is dat Herrenberg (foto rechts) later – zoals we hierboven zagen – beweerde dat juist Brunswijk de huurling was. De figuren uit het koloniale verleden werden gebruikt als symbolen in de (media)strijd. Boni was de good guy, de vrijheidsstrijder; de ‘redi musu’ en ‘huurlingen’ waren de bad guys.

De aanduiding van Brunswijk als een Surinaamse, zwarte Robin Hood was in Nederlandse media in die eerste week na de overvallen op militaire posten in Oost-Suriname populairder dan de vergelijking met Boni. Vóór de overvallen op Stolkertsijver en Albina in de nacht van 21 op 22 juli waren Brunswijks acties al geïnterpreteerd als een ‘guerrillastrijd’. In de Leeuwarder Courant van 27 mei 1986 – die zich baseerde op GPD- en ANP-berichten – werd Brunswijk aangeduid als een ‘gedeserteerde’ sergeant die sinds april een guerrilla-oorlog tegen het Bouterse-regime voerde. Het was de Raad voor de Bevrijding van Suriname van wie de informatie klaarblijkelijk afkomstig was. Het is twijfelachtig of de acties van Brunswijk op dat moment als zodanig geïnterpreteerd moeten worden. Was er niet eerder sprake van een ‘wraakmotief’ en deed niet pas later een politiek motief, herstel van de democratie, zijn intrede (Volker 1998:166)? In het interview dat ik met hem had zei Brunswijk letterlijk, dat het Surinaams verzet hem vroeg de democratie te helpen herstellen. Edwin Marshall, die ook betrokken was bij het Surinaams verzet, bevestigde tegenover mij: ‘In 1985 begon Brunswijk hier en daar met overvalletjes; hij deelde geld uit. Er was toen nog geen sprake van een ideologische strijd (De Vries 2005:16, 20).’


Brunswijk - verkiezingsbijeenkomst - 2010

Al te gemakkelijk namen media (in navolging van De Telegraaf en Nieuwe Revu) aan, dat Brunswijks streed tegen de ‘dictatuur’ of de gevestigde macht. De kranten stonden weinig kritisch tegenover de aanklachten die Brunswijk ten laste waren gelegd en schreven dat Brunswijk gestolen geld en goederen uitdeelde zonder iemand aan het woord te laten die dat kon bevestigen. De Volkskrant van 24 juli en Het Parool van 25 juli 1986 stelden dat Brunswijk destijds geschorst werd, omdat hij kritiek had op ‘de revolutie’ en de ‘verwording’ ervan afkeurde. Ook dat is dubieus. Daar stond tegenover dat Nieuwe Revu als eerste naar Moengotapoe toog om te kijken welke schade daar was aangericht. Artikelen daarover waren niet eerder verschenen.

Het is níet zo dat media Brunswijk blind geloofden. De Volkskrant van 29 juli 1986 belde inwoners van Moengo om te verifiëren hoe men daar over Brunswijk dacht. Brunswijk – zo bleek – werd gezien als een ‘misdadiger die wegens criminele activiteiten uit het leger is gezet en die zijn voormalige collega’s nu uit rancune bestrijdt.’ Men zag het militaire regime graag verdreven worden, maar dan wel door iemand anders. Romeo Hoost, woordvoerder van het Surinaams verzet in Nederland, ontkrachtte de beschuldigingen: ‘Brunswijk heeft geen bankovervallen gepleegd. Hij is een idealist die een einde wil maken aan de corruptie van de militaire machtskliek, een idealist die het voor het volk opneemt.’ In dezelfde krant werd de ‘oude’ politieke leider Lachmon geciteerd die namens het Topberaad zijn ernstige bezorgdheid uitsprak. ‘Wij hebben gekozen voor democratisering langs de weg van de dialoog en niet langs die van geweld.’

NRC-journalist Van Klaveren kaartte op 2 augustus 1986 in een achtergrondartikel aan dat Suriname zelden zo dicht bij herstel van de onontbeerlijke ontwikkelingshulp was geweest, nu de ‘oude’ politieke partijen in het machtscentrum waren teruggekeerd. Nederland stelde als eis voor hervatting van de hulp herstel van de democratie. De oude politieke partijen eisten vrije verkiezingen. Van Klaveren wees erop dat de acties van Brunswijk onderdeel vormden van de nieuwe strategie van het Surinaams verzet in Nederland ‘dat met de hulp van een boze bosneger een wig tussen beide landen heeft weten te drijven’.

Het beeld (frame) van Brunswijk als vrijheidsstrijder overheerste echter die eerste week de berichtgeving. Door Brunswijk te vergelijken met Boni, maar vooral met Robin Hood, werd dat imago versterkt. Nederlandse media kopieerden elkaar, zo lijkt het. Daarnaast – zou je kunnen zeggen – slaagde het Surinaams verzet in Nederland er goed in om het frame van Brunswijk als vrijheidsstrijder te propageren en te bevestigen.

Terechte kritiek?

Onmiskenbaar speelden Nederlandse media een rol in de making of Ronnie Brunswijk. De Telegraaf verzon de naam Robin Hood, Pieter Storms van Nieuwe Revu bracht het verzet in Nederland in contact met Brunswijk. Ruim voor de proclamatie van het Surinaams Nationaal Bevrijdingsleger merkte De Telegraaf op 10 juni 1986 op, dat Brunswijk nog ‘geen steun van de verzetsbeweging’ in Nederland had gekregen. En Nieuwe Revu (nr. 29, week 11 t/m 18 juli 1986) – wist die soms meer? – beweerde dat Brunswijk als hij terugkeerde naar Suriname in zijn eentje een grotere bedreiging voor de militairen in Paramaribo vormde dan ‘tien pelotons getrainde commando’s’. Het kan goed zijn dat media ingingen op suggesties van het Surinaams verzet, zoals eerder gedaan in de Leeuwarder Courant van 27 mei 1986, in plaats van, zoals Herrenberg beweerde, zelf een ‘burgeroorlog’ te propageren. Het is een nadere analyse waard.

Waarom het NRC, Het Parool, de Volkskrant en De Telegraaf die eerste week minder oor hadden voor bijvoorbeeld de visie van Lachmon is gissen. Interviews met journalisten en sleutelfiguren uit die periode zouden licht kunnen werpen op deze kwestie. Achteraf leek de scepsis van het Surinaams verzet terecht. In 1990 grepen militairen opnieuw de macht tijdens de zogenaamde telefooncoup. Maar doet dat iets af aan Lachmons opvatting een gewapende strijd af te keuren? Bij Karskens en Burlage – en wie weet ook bij andere journalisten – bestond als het om Suriname ging al een beeld, namelijk van Bouterse als bad guy die nog steeds aan de touwtjes trok. Bovendien wisten ze zich in hun persvrijheid beknot. Niet alleen Pieter Storms en Gerard Wessel, ook Telegraaf-journalist Guido van de Kreeke was al eens in de cel beland.[xviii]

Brunswijk was zich er al snel van bewust dat je voor een ‘moderne guerrilla’ niet alleen wapens, maar vooral ‘bezoekende journalisten’ nodig had.[xix] Hij slaagde er beter in dan Bouterse de Nederlandse pers voor zich te winnen. Ook de ‘mythische jungle’ zal ongetwijfeld tot de verbeelding van de Nederlandse journalisten hebben gesproken. Oorlog wordt in de media vaak gepresenteerd als een spannend verhaal, drama, de strijd tussen goed en kwaad (Wieten 2002:21). Brunswijk paste daar uitstekend in. Bovendien mag verondersteld worden dat Nederlandse media al voor Brunswijk op de proppen kwam, contacten hadden met het Surinaams verzet in Nederland. Volgens Schalkwijk (1994:173) zocht die groep ‘grif’ de media en had belang bij ‘gekleurde reportages’.

Frames zijn behoorlijk stabiel, maar niet onveranderbaar (Vasterman 2004:43). In het eerste nummer van 1987 plaatste Nieuwe Revu misschien voor het eerst (?) ook vraagtekens bij Brunswijks strijd. Er waren inmiddels doden gevallen. Ronnie werd omringd door ‘ex-politici’ die wel wisten wat goed was voor Ronnie, de ‘bosnegers’ en Suriname. ‘Mensen die de macht per se terug willen.’ Storms en Karskens hadden heimwee naar het begin van 1986, toen Ronnie nog geknipt leek voor de rol van ‘charmante hoofdpersoon voor een leuk en spannend jongensboek’: De Nederlandse pers heeft overwegend partij gekozen voor Ronnie, maar als het zo doorgaat krijg je zo’n hopeloze oorlog. Zonder good guys en bad guys. Niemand noemt Ronnie nog een kwajongen. Of Robin Hood.

Nieuwe gebeurtenissen of onverwachte ontwikkelingen kunnen leiden tot reframing (Vasterman 2004:43). Niet alleen bij journalisten maar ook bij actiegroepen of bewegingen. Zo bekende Romeo Hoost (foto rechts) in Vrij Nederland van 16 juni 2010 naar aanleiding van het zojuist beklonken politieke bondgenootschap tussen Bouterse en Brunswijk: ‘Als ik zeg dat ik nooit een grotere opportunist dan Brunswijk ben tegengekomen, dan druk ik me voorzichtig uit.’

Verder onderzoek moet uitwijzen waarom bepaalde frames wel en andere niet doordrongen tot de media. Had dat behalve met al bestaande opvattingen over Suriname soms te maken met de tijdgeest, met de journalistieke cultuur in Nederland destijds? Het was de tijd dat Nederlandse journalisten ook naar Nicaragua en El Salvador trokken om daar de ‘vrijheidsstrijd’ te verslaan. Hoe ‘neutraal’ of geëngageerd waren bladen toen? Andere interessante kwestie is: wie had toegang tot welke bronnen en welke relaties bestonden er precies tussen Nederlandse journalisten en Surinaamse bronnen in Nederland én in Suriname. Wie gingen er schuil achter anonieme zegslieden die werden opgevoerd als ‘betrouwbare bron uit Paramaribo’?

[i] http://www.rnw.nl/suriname/article/karskens-binnenlandse-oorlog-suriname-mooie-reis, laatst geraadpleegd 30 oktober 2010.

[ii] Zie voor verschillende meningen De Vries 2005:20-24.

[iii] Media zouden er de oorzaak van zijn geweest dat de VS zich terugtrokken uit de oorlog.

[iv] Gesprekken met Burlage vonden plaats op 30 september en 19 oktober 2010.

[v] De juiste spelling van zijn roepnaam is Ronnie.

[vi] Zie noot 4.

[vii] De Surinaamse media en met name De West waren naar de mening van Hoogbergen en Kruijt (2005:136) ‘fel anti-Brunswijk’.

[viii] http://www.volkskrant.nl/archief_gratis/article630012.ece/Nationale_amnesie_redt_Brunswijk_niet, laatst geraadpleegd 30 oktober 2010.

[ix] Gebaseerd op ANP- en GPD-berichten.

[x] Als bron werd het ANP genoemd.

[xi] Nieuwe Revu nr. 26, 20 t/m 27 juni 1986.

[xii] Nieuwe Revu nr. 27, 27 juni t/m 4 juli 1986.

[xiii] Nieuwe Revu nr. 28, 4 t/m 11 juli 1986.

[xiv] Later zouden ook andere verslaggevers, onder wie Albert de Lange van Het Parool, Frans van Klaveren van het NRC en Arnold Karskens van Nieuwe Revu in hun reportages de magische krachten van Brunswijk en de rituelen die hij en zijn medestrijders, Jungle Commando’s, ondergingen kleurrijk beschrijven. Verslagen van de strijd kregen het aureool van een spannend jongensboek. Karskens begon zijn artikel in Nieuwe Revu nr. 44, week 24 t/m 31 oktober 1986 letterlijk met de woorden: ‘Het leest als een oorlogsroman.’

[xv] Op 28 juli arresteerde de FBI nabij New Orleans twaalf Amerikaanse huurlingen die op weg waren naar Suriname. Hun leider, Tommy Lynn Denley, verklaarde tijdens verhoren dat hij door de Nederlandse overheid en de Ansus Foundation – in casu de Surinaamse Nederlander George Baker –was ingehuurd. Baker ontkende iedere betrokkenheid. Brunswijk cum suis ook. Nederland idem dito. Hoogbergen en Kruijt (2005:126) vermoeden dat er ondanks de ontkenningen wel contacten waren tussen Brunswijk/het Surinaams verzet en de Ansus Foundation.

[xvi] Zie Het Parool van 23 en 24 juli, de Volkskrant van 24, 25 en 31 juli 1986; De Telegraaf van 29 juli 1986 en het NRC van 2 augustus 1986.

[xvii] In Nieuwe Revu nr. 35, 22 t/m 29 augustus 1986 vergeleek Brunswijk zichzelf met Boni en werd hij door zijn medestrijders Boni II genoemd.

[xviii] Zie noot 4.



Literatuur

Beek, F. van der, 1987 - Ronnie Brunswijk. Dagboek van een verzetstrijder. Weesp: Centerboek.

Haakmat, A., 1987 – De revolutie uitgegleden. Politieke herinneringen. Amsterdam: Jan Mets.

Herrenberg, H.F., 1988 – Het verschijnsel Ronnie Brunswijk. Lezing gehouden in het IVP gebouw, centrum VFB, 20 september 1986. S.l.: s.n.

Hoogbergen, W. & D. Kruijt, 2005 – De oorlog van de sergeanten. Surinaamse militairen in de politiek. Amsterdam: Bert Bakker.

Leurdijk, A., 1999 – Televisiejournalistiek over de multiculturele samenleving. Amsterdam: Het Spinhuis.

Mc Quail, D., 2000 – Mass Communication Theory. An Introduction. London: Sage. [4th edition]

Meel, P., 1993 – ‘The March of Militarization in Suriname.’ In: A. Payne & P. Sutton (eds.), Modern Caribbean politics. London: The Johns Hopkins University Press, pp. 125-147.

Polimé, T. & B. Thoden van Velzen, 1988 – Vluchtelingen, opstandelingen en andere bosnegers van Oost-Suriname, 1986-1988.Utrecht: Universiteit Utrecht.

Ramcharan, N., 2008 – ‘Het donkerste tijdperk voor de persvrijheid. De media tijdens de militaire dictatuur, 1980-1987.’ In: A. Sumter, A. Sens, M. de Koninck & E. de Vries (red.), K’ranti! De Surinaamse pers 1774-2008. Amsterdam: KIT-Publishers/Persmuseum, pp. 173-191.

Schalkwijk, M., 1994 – Suriname. Het steentje in de Nederlandse schoen. Van Onafhankelijkheid tot Raamverdrag. Paramaribo: Firgos.

Scholten, O., N. Ruigrok & P. Heerma, 2002 – In Sarajevo wordt geschoten, in Genève wordt gepraat. Een onderzoek naar de berichtgeving in vier landelijke dagbladen over het conflict in voormalig Joegoslavië van januari tot en met december 1993. Amsterdam: The Amsterdam School of Communications Research/NIOD.

Scholtens, B., 1994 – Bosnegers en overheid in Suriname. De ontwikkelingen van politieke verhoudingen 1651-1992. Paramaribo: Afdeling Cultuurstudies/Minov.

Sedney, J., 2010 – De toekomst van ons verleden. Democratie, etniciteit en politieke machtsvorming in Suriname. Paramaribo: Vaco. [2e herziene druk]

Vasterman, P., 2004 – Mediahype. Amsterdam: Aksant.

Volker, G., 1998 – ‘De Surinaamse burgeroorlog 1986-1992’. Oso, Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied 17 (2):157-168.

Vries, E. de, 2005 – Suriname na de Binnenlandse Oorlog. Amsterdam: KIT-Publishers.

Wieten, J., 2002 – Srebrenica en de journalistiek. Achtergronden en invloed van de berichtgeving over het conflict in voormalig Joegoslavië in de periode 1991-1995. Een onderzoek naar opvattingen en werkwijze van Nederlandse journalisten. Amsterdam: The Amsterdam School of Communications Research/NIOD.



Ellen de Vries studeerde Massacommunicatie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Ze bereidt – met steun van onder andere het NiNsee en de Treubmaatschappij – een dissertatie voor aan de UvA. Onderwerp: de rol van media in de postkoloniale verhouding tussen Nederland en Suriname (1975-2000).

Dit artikel is ook gepubliceerd in: Oso, Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied nummer 30 jaargang nummer 1