Posts tonen met het label literatuurgeschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuurgeschiedenis. Alle posts tonen

zaterdag 14 september 2013

Nederlands-Caraïbische promovendi weer bijeen

De groep in de Regentenkamer van Bijzondere Collecties UBA


Uit Curaçao, Aruba, Duitsland, Denemarken, Indonesië en Nederland waren ze opnieuw bijeengekomen: de promovendi die bezig zijn een proefschrift te schrijven bij de leerstoel West-Indische Letteren van de Universiteit van Amsterdam. De leerstoel wordt sinds 2006 bezet door prof. Michiel van Kempen en leverde enige tijd geleden de eerste promovendus af met Cynthia Abrahams die een proefschrift schreef over de Surinaamse dichter-politicus R. Dobru. Dit jaar kwam het gezelschap op zaterdag 7 september bijeen in de Regentenkamer van de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Vier docenten – prof. Selma Leydesdorff, dr Paul Bijl, dr Francio Guadeloupe en prof. Thomas Vaessens – verzorgden bijzondere colleges. Carl Haarnack zorgde voor een rondleiding over de slavernijtentoonstelling bij de UB. ’s Avonds werd er doorgepraat in gedineerd in literair café De Engelbewaarder; beeldend kunstenaar Rudy Henriquez fungeerde als tafelspreker. Op zondag 8 september gaven drie promovendi (Benoît Verstraete, Joe Fortin en Ellen de Vries) een publieke presentatie bij de Vereniging Ons Suriname, waarna een boekenmarkt met een flink aantal schrijvers volgde (eerder verslag, zie hier). Een fotoreportage.

Prof. Selma Leydesdorff (hier links op de rug gezien bij haar vertrek) sprak over herinnering, trauma en interviewtechnieken bij oorlogsslachtoffers.


Dr Francio Guadeloupe belichtte verschillende opvattingen over ras, etniciteit en racisme in de multiculturele samenleving. 

Dr Paul Bijl ging in op de herinneringscultuur van drie koloniale mogendheden.

V.l.n.r. Jos de Roo, Mieke Groen, Carl Haarnack, Johan Graaven, Francio Guadeloupe.

Johan Graaven (voorzijde z.o.z.).

Carl Haarnack licht koloniale uitgaven toe.

Aandacht voor de vitrine met werk van Stedman.

Zweten voor prof. Thomas Vaessens die nieuwe inzichten op het gebied van de literatuurgeschiedschrijving behandelde.

Diner in De Engelbewaarder.


Tafelspreker Rudy Henriquez vertelde over Boeli van Leeuwen.



Tableau de la troupe

dinsdag 14 mei 2013

Het zilt van de passaten / Alisios salitrosos

Cuadernos de Literatura, no. 30, uitgegeven door Pontificia Universidad Javeriana, Bogotá, Colombia, besteedt aandacht aan de Caribische literatuur in andere talen dan het Spaans. Hierin een bijdrage van Aart G. Broek, die gebaseerd is op zijn studie De kleur van mijn eiland; Ideologie en schrijven in het Papiamentu sinds 1863 (Leiden: KITLV, 2006): Alisios salitrosos: ideología y escritura en papiamento desde la Emancipación en los años 1860 (Aruba, Bonaire y Curazao). Het artikel is als pdf ook op de website van de universiteit te lezen; klik hier op resumen.



En las Antillas holandesas – en las islas de Aruba, Bonaire y Curazao – se habla un criollo auténtico: el papiamento. Desde los tiempos de la abolición de la esclavitud (1863) han sido publicados textos en esta lengua. Entre éstos se encuentran historias y cuentos, poemas, composiciones poéticas de ocasión, ensayos, novelas, panfletos, canciones y diálogos teatrales que, con una recepción entusiasta, fueron o han sido etiquetados como “literatura”. Estos textos literarios testimonian cómo la gente se veía a sí misma y a los demás isleños de los distintos grupos étnicos, cómo veían su pasado fragmentado, los nuevos acontecimientos e ideales prometedores, a los forasteros que visitaban la isla, al mundo exterior en general y a su patria (en particular, los Países Bajos). Este artículo brinda un panorama general para familiarizarse con esos textos que son reflejos de reflexiones de una diversidad innata de fuertes pareceres e ideologías.



Een samenvattende Engelstalige versie van De kleur van mijn eiland is in boekvorm verschenen onder de titel The colour of my island, verzorgd door In de Knipscheer, Haarlem, 2010.

zaterdag 4 februari 2012

Lucia Nankoe in gesprek met Hein Eersel

De Caribische literatuur in tekst en context in Galerie Sukru Oso

Op donderdag 26 januari organiseerden de heren dr. Hein Eersel, mr. Carlo Jadnansing en dr. mr. Edwin Marshall een causerie over de Caribische literatuur. De gastspreker was Lucia Nankoe. Zij trad in dialoog met Hein Eersel en het publiek.

Tori Oso

De dialoog begint met de vraag van Hein Eersel, taalkundige, aan Nankoe welke literatuur gerekend mag worden tot de Caribische literatuur. Nankoe laat duidelijk blijken dat zijn geen voorstander is om de Caribische literatuur in te delen vanuit een geografisch optiek. Deze kenner van de Caribische literatuur kiest evenmin voor een historische indeling.

Volgens Nankoe is de tijd aangebroken om naar stromingen te kijken, want achter deze stromingen gaan ook veel ideeën, gedachtes en verwachtingen schuil. “Er moet eerder gekeken worden wat er is geschreven en welke stromingen aanwezig zijn”, vindt deze literatuurwetenschapper. Heel duidelijk en met veel enthousiasme onderbouwt Nankoe haar mening. Zo vrij als een vis zich in het water voelt, zo vrij en boeiend vertelt Nankoe over de geschiedenis van de Caribische literatuur waarin de vele literaire stromingen aan de orde komen. Zij geeft veel voorbeelden van schrijvers die thuishoren bij de verschillende stromingen. Ook worden de thema’s bij elke stroming kort belicht.

De Négritude

Zij begint met de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw waarin auteurs uit de verschillende Caribische eilanden toentertijd Afrika idealiseerden. Alles wat Caribisch Gebied was, was Afrika. Afrika was het moederland, Europa, Azië enz. telde niet mee. Frank Martinus Arion met zijn boek Stemmen uit Afrika is een duidelijk voorbeeld hiervan.

Er was een opkomst van auteurs die zich in een beweging, de Négritude, bundelden met name uit het Frans Caribische eiland Martinique. Deze Négritude-schrijvers stelden Afrika centraal in hun werken.

Gedurende de dialoog kwam Nankoe enkele keren terug op het thema Afrika. “Wat je ziet in de Caribische literatuur is aan het begin van de twintigste eeuw en zeker in Londen en met name Parijs dat er studenten uit de verschillende koloniën bijeenkomen.” Deze aanstaande ‘zwarte’ intellectuelen gaan op zoek naar hun verleden. Uit Martinique is bekend geworden Aimé Césaire (Martinique, 26 juni 1913-17 april 2008). Uit Frans-Guyana kwam Léon-Gontran Damas (28 maart 1912-januari 1978). Uit Afrika, Senegal, Léopold Sédar Senghor (9 oktober 190620 december 2001), die later ook nog president wordt. Zij richtten op de Négritude-beweging.

Deze beweging is volgens Nankoe heel erg belangrijk in de literaire geschiedenis van het Caribische Gebied. Er ontstaat zodoende een link tussen Frans-Guyana (Damas) en de rest van de Frans Caribische eilanden (o.a. Cesairé) en een link met Afrika via Senghor. Afrika werd geïdealiseerd, het moederland, maar dit was de eerste aanzet om het Caribische Gebied te herwinnen of te hervinden. Een belangrijke thema hierbij was het idealiseren van de zwarte vrouw. Alle zwarte personages in hun werken waren de mooiste vrouwen of zwarte godinnen. De gedichten van René André de Rooy (Paramaribo, 1917) staan bekend om de verheerlijking van de zwarte vrouw.

Négritude in Suriname: een voorbeeld

Met deze thematiek (Négritude) toonde ook de Surinaamse Eugène Rellum zich verwant aan dichters uit de négritude-beweging en dan met name met de van Cayenne afkomstige Léon Gontron Damas. Een van de bekendste gedichten over de Surinaamse neger zou ‘Negerschap’ worden:

Negerschap

is als bloeiende vanille

hoog in de bomen van het bos;

in wijde omtrek

laat de geur niemand los,

hij dwingt een ieder

om naar hem

omhoog te kijken


Antillanité

Langzamerhand verandert de ‘Back to Africa’-gedachte in de Antillianiteit (Antillanité) met als bekende schrijver Eduard Glissant (21 september 1928 3 februari 2011). Hij is de absolute grote denker die pleit voor het Antilliaan zijn. Daarom moet, volgens Nankoe, deze schrijver uit Martinique zeker op de leeslijst voorkomen van studenten. “Wij zijn niet meer Afrika, India, en China, wij zijn Antillianen! Daar schrijft Glissant over.”

In Suriname lijkt gedurende de jaren ‘60 en de eerste helft van de jaren ‘70 het merendeel van alle schrijvers - en zeker van alle dichters - er zich terdege rekenschap van gegeven te hebben dat hun inzet een ernstig en concreet realiseerbaar doel diende: de strijd voor de onafhankelijkheid van Suriname! De maatschappelijke betrokkenheid van auteurs was ook altijd groot, maar vanaf het einde van de jaren ‘60 zijn alle maatschappelijke ontwikkelingen praktisch van dag tot dag te volgen in vooral de poëzie. De auteurs identificeerden zich met hun land in de meest letterlijke zin. Eugène Rellum:

Sranan na mi,

mi na Sranan.

Suriname ben ik;

ja, ik ben Suriname.

In dit opzicht was de literatuur van Suriname helemaal in lijn met de massa van niet-westerse letteren.


Creolité

Vervolgens komt de nieuwe generatie van auteurs. Hun stroming wordt de la Creolité genoemd. Bekende auteurs zoals Patrick Chamoiseau (Martinique, 1953), Jean Bernabé (Martinique, 1942), Raphaël Confiant (Martinique, 1951). “Dat zijn drie wilde jongens die gigantische veel schrijven. Zij schrijven niet alleen gedichten en of romans. Zij gaan verder. Zij probeerden bepaalde gedachtengoed te verwoorden”, weet Nankoe dit op een humorvolle manier het publiek mee te delen.

In het Frans Caribische Gebied komen de auteurs op het punt dat de natuur belangrijk werd. Uit de andere taalgebieden zou er een raakvlak getrokken kunnen worden om te kijken welke auteur binnen deze stroming past, “want er zijn nog steeds mensen die leven vanuit de literaire ervaring met de Afrika-gedachte”’, eveneens met de ‘India-gedachte’”, volgens Nankoe.

“Dit betekent dus dat de we het Caribisch Gebied de indeling van letterkunde in talen zouden moeten loslaten, concludeert Eersel. “Een regio met een eigen cultuur, een eigen geschiedenis die tot uitdrukking komt in minimaal vier talen: het Engels, het Spaans, het Nederlands en het Frans. Nankoe vult aan, dat tegenwoordig ook het Frans Creools een erkende taal is. Vooral Haïti schijnt hele goede schrijvers in deze taal voort te brengen.

Thema’s

De thema’s die vaak dan nog aan de orde komen zijn: het slavernijverleden, de koloniale geschiedenis, ras, kleur, exodus naar de metropool etc. Eersel geeft een mooi voorbeeld van de Cubaanse dichter Nicolás Guillén (Nicolás Cristóbal Guillén Batista, 10 juli 190216 juli 1989). In een van zijn mooiste gedichten ‘Balada de los dos abuelos’ probeert hij een duidelijke tegenstelling tussen blank en zwart op te lossen in het mulat zijn.

Ook de klassentegenstellingen komen aan de orde. De Surinaame Dobru heeft het over de bakadyari. Dobru doorbreekt het taboe door het naar buiten brengen van het leven op de bakadyari (achtererven) te beschrijven. Maar niet dit alleen, hij doorbreekt ook het taboe op winti en dat is zeker een groot verdienste van deze grote Surinaamse dichter geweest!


Lucia Nankoe (links), Renate de Bies & Hein Eersel

Tekst en context


Nankoe vervolgt haar gesprek door te vertellen dat auteurs op gegeven moment naar de metropool (moederland) gaan: Parijs, Londen en Amsterdam. Zij geraken ver weg van de Caribische ervaring. De vraag is in hoeverre zijn deze auteurs nog Caribische auteurs. Als voorbeeld wordt de jonge schrijver Karin Amatmoekrim genoemd. Deze schrijfster is geboren in Suriname, maar is opgegroeid in Nederland. In hoeverre is zij nog een Surinaamse auteur? Want in sommige romans zijn deze auteurs weggeraakt van de Caribische context, want hun verhalen spelen dan ook in Europa af.

En als je verweg bent geraakt van de Caribische cultuur, ben je dan nog een Caribische auteur of een Nederlandse auteur?, werpt Nankoe deze vraag op aan de aanwezigen. Misschien een leuk onderwerp voor een volgende causerie! Nankoes babbeltje in Sukru Oso heeft ongetwijfeld zelfs de aanwezige leek in de Caribische literatuur op deze avond absoluut een interessant beeld over de Caribische literatuur gegeven!

[uit DWT, 28-01-2012]

Foto's: Carmen Lie (behalve die van de Arion, Cesaire en Rellum)

dinsdag 19 juli 2011

Buitenlandse literatuur in Nederland

Op vrijdag 23 september 2011 organiseert het Instituut voor Neerlandistiek te Oldenburg een studiedag met als thema: ‘Profiter selon ses besoins avec ce household common sense’. De receptie van buitenlandse literatuur in Nederland en Vlaanderen sinds 1700.

Tijdens deze dag wordt ook ingegaan op de aandacht die besteed wordt aan de internationale literaire context in de nieuwe Taalunie-Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, waarvan inmiddels vijf imposante delen zijn verschenen. Tijdens de studiedag geven ook auteurs van de laatste delen van deze nieuwe literatuurgeschiedenis die de komende twee jaar zullen verschijnen hun visie op de rol van de buitenlandse literatuur in de periode die zij beschrijven. Inger Leemans, Gert Jan Johannes en Tom Verschaffel gaan in op de rol van de buitenlandse literatuur in hun deel over de achttiende eeuw. Jacqueline Bel zal vervolgens, als auteur van het deel over de jaren 1900-1945, ingaan op de plaats die de (receptie van de) buitenlandse literatuur toebedeeld krijgt in het deel over de eerste helft van de twintigste eeuw en toelichten welke overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld.

Illustratie: NRC Next

donderdag 10 februari 2011

Pim Heuvel overleden

door Michiel van Kempen

Op 6 februari 2011 is op Curaçao Pim Heuvel overleden. Hij behoorde tot de eerste generatie critici die serieus aandacht begonnen te besteden aan de literatuur van het Nederlands-Caraïbisch gebied, in zijn geval in het bijzonder aan die van de Antillen.

Willem Frederik Heuvel, die publiceerde als Pim Heuvel, werd geboren in Den Haag op 28 april 1926. Hij werkte als leraar in Nederland en op Curaçao (onder meer aan het Maria Immaculata Lyceum). Voor de Amigoe begon hij kritieken te schrijven over voornamelijk Antilliaanse literatuur. In boekvorm verschenen twee boeken die voor de kennis van de Antilliaanse literatuur van belang waren en ook verspreiding vonden in het onderwijs: Autonoom; Nederlandstalige literatuur op de Antillen, dat hij in 1975 uitbracht samen met C.G.M. Smit en dat al spoedig werd herdrukt; en Met eigen stem; herkenningspunten in de letterkunde van de Nederlandse Antillen en Aruba, dat hij samen met Freek van Wel uitbracht in 1989 (een herdruk van het boek onder dezelfde titel dat Van Wel had uitgebracht in 1980 met Andries van der Wal). Beide boeken lieten zien hoezeer Pim Heuvel gefascineerd werd door de complexe, meertalige literatuursituatie op de Antillen. Dat hij toch niet tot in alle finesses van de Antilliaanse literatuur had weten door te dringen, maakte een bespreking van Met eigen stem door Carel de Haseth duidelijk (Amigoe, 10 februari 1990); deze betreurde het dat passages met citaten van gezaghebbende lieden hadden moeten plaats maken voor minder diepgaande eigen beschouwingen, en hij stelde tamelijk veel feitelijke onjuistheden vast.

In 1999 publiceerde hij een Erwtjes blazen naar de zon: over het lezen van moderne poëzie. Als groot poëzieliefhebber organiseerden hij en zijn vrouw nog tot vrij recent leesbijeenkomsten aan huis. De ziekte van Alzheimer zal de laatste van die bijeenkomsten voor hem moeilijk te volgen gemaakt hebben.

Pim Heuvel was gehuwd met Ita Nicolas en had uit een eerder huwelijk één zoon, Jeroen, die als criticus het stokje van zijn vader overnam.

Pim Heuvel wordt op zaterdag 12 februari in besloten kring gecremeerd. Met hem is een buitengewoon aimabel mens heengegaan.






Martinus Nijhoff - Het derde land


Zingend en zonder herinnering
Ging ik uit het eerste land vandaan,
Zingend en zonder herinnering

Ben ik het tweede land in gegaan,
O God, ik wist niet waarheen ik ging
Toen ik dit land ben in gegaan.

O God, ik wist niet waarheen ik ging
Maar laat mij uit dit land vandaan,
O laat mij zonder herinnering

En zingend het derde land ingaan.

dinsdag 25 januari 2011

Het postkoloniale Indische debat

door Alfred Birney

Het probleem met het postkoloniale debat in Nederland is dat er geen postkoloniaal debat is. Nou klinkt dit wat flauw, dus ik zal het wat genuanceerder zeggen: het postkoloniale debat in Nederland is afhankelijk van incidentele oprispingen bij de aandacht voor de Indische, Surinaamse en Caribische literatuur en, breder getrokken, voor boeken afkomstig van immigranten en hun nazaten. Wie wil weten wat koloniale en postkoloniale literatuur behelst, moet lezen Europa Buitengaats; koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen onder redactie van Theo D’Haen.

Onlangs trok een nieuw Indisch boek de aandacht van recensenten, onder wie er velen zaten die dachten dat het wiel was uitgevonden. Het boek is van Eveline Stoel, getiteld Asta’s ogen. Het is een documentair geschreven boek dat toevallig zijn weg vindt naar het grote publiek. Ik zeg toevallig, omdat er jaarlijks tientallen van dergelijke boeken verschijnen, al decennia lang. De meeste van die boeken belanden in de prullenbakken van de redactielokalen, een enkele titel vindt zijn weg.

Boeken als Asta’s ogen hebben als voordeel dat de Indische geschiedenis weer even levend wordt. Ik zeg: even. Want die geschiedenis wordt niet werkelijk levend gehouden, althans niet in de officiële canon. Onze beroepslezers hebben beroerd geschiedenisonderwijs genoten en in het kielzog daarvan dus net zulk beroerd literatuurgeschiedenis. Ze hebben geen helder zicht op de verschillen in perspectief tussen blanke en niet-blanke schrijvers uit Nederlands-Indië en de Cariben. Vanzelfsprekend geven zij hun beperkte kennis van de (post)koloniale literatuur door aan hun studenten, die op hun beurt doodleuk boeken als Orpheus in de dessa en Oeroeg hoogtepunten noemen in de Indische literatuurgeschiedenis.

Let wel: het gaat hier niet over smaak, maar over perspectief. Een voorbeeld hiervan is de kritiek van Tjalie Robinson op Oeroeg, een stuk geschreven in 1948. Dit stuk, vol met sterke argumenten, heeft nooit enige invloed gekregen op de smaakmakers van de Nederlandse literatuur. Hoe komt dat?

Dit soort vraagstukken behoren bekend te zijn bij deelnemers aan een postkoloniaal debat. Anders weet je niet waarover het gaat. Afgelopen zaterdag werd er een dergelijk debat gevoerd in Nijmegen, er werd althans een poging ondernomen.

Op het podium nemen plaats Wim Willems, Eveline Stoel, Lizzy van Leeuwen en ik. Gespreksleider is Wim Brands.

Wim Willems zit al 30 jaar met zijn neus in de materie, is biograaf van Tjalie Robinson en ziet soms door de vele bomen het bos niet meer. Eveline Stoel is een nieuwkomer die het zich kan permitteren onbevangen en ongehinderd door een veelheid aan kennis haar zegje te doen. Lizzy van Leeuwen doolt rond in het niemandsland tussen wetenschap en essayistiek en heeft de neiging het gesprek al te technisch voor de toehoorders te maken. Ikzelf doe vooral aan het begin van zo’n debat niets anders dan iedereen maar meteen in de rede vallen omdat ik denk dat ik het allemaal beter weet. Mij wordt herhaaldelijk door Wim Brands ingefluisterd dat ik even mijn mond moet houden en dan gedraag ik me wel. Diezelfde Wim Brands is een journalist (en dichter) met veel ervaring op het gebied van postkoloniale en etnische literatuur. Hij leidt het debat in strakke banen, omdat het anders een gekijf van jewelste wordt.

Dat een dergelijk debat nooit een bevredigend einde krijgt, dat weet je van te voren, al is het maar omdat meer dan de helft van de gesprekstijd opgaat aan het uitleggen van waar het nou eigenlijk allemaal om gaat. Toch zijn dit soort gesprekken zinvol. Want er zijn altijd mensen in de zaal die ermee aan de gang gaan, erover gaan nadenken, ook al hebben ze de helft maar begrepen.

Mijn punt is dat het postkoloniale debat een vanzelfsprekend onderdeel zou moeten zijn van het algehele literaire debat. Dat de postkoloniale geschiedenis als een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel zou moeten worden gepresenteerd van de algemene Nederlandse geschiedschrijving.

Maar ja… ís er überhaupt wel een literair debat? En wordt de canon van de Nederlandse geschiedenis wel écht vernieuwd met dat beetje VOC-gelul dat eraan is toegevoegd? Wanneer zijn we zover dat we vanuit verschillende perspectieven naar onze eigen (literatuur)geschiedenis kunnen kijken?

Wim Willems brak aan het einde van het debat, voor een volle zaal, een lans voor de Turkse schrijver Sadik Yemni, die klaagde dat hij als Turk alleen maar om zo te zeggen over kamelen mag schrijven. Dat vond Wim Brands wel aardig om de avond mee af te sluiten. Nieuw is de klacht van Yemni natuurlijk niet. Ik schreef het al tien jaar geleden in mijn Yournael van Cyberney, een e-zine dat ik later herschreef en in boekvorm liet uitgeven. Dit zeg ik niet uit gelijkhebberigheid. Maar om te illustreren dat conclusies die ooit door schrijvende immigrantenkinderen worden getrokken niet direct door blanke Nederlanders worden overgenomen. Nee, die nemen ook nog eens tien jaar de tijd om tot dezelfde conclusie te komen. En als het even kan brengen ze het alsof het zelf hebben bedacht. Het komt er uiteindelijk toch steeds weer op neer dat je pas wordt geloofd zodra je een heel blank peloton achter je hebt. Een van de weinigen die dat tot dusver voor elkaar kreeg was Salman Rushdie. Maar daarvoor moest ie wel eerst een fatwa over zich heen krijgen. En zo ben ik weer terug bij af bij mijn eerste aflevering van Yournael van Cyberney, tien jaar geleden.

zondag 10 oktober 2010

10-10-2010: Oude concept vervangen door nieuwe


door Quito Nicolaas

Vannacht werd de Antilliaanse vlag voor de laatste keer gestreken. Een nationale vlag die de eenheid tussen de vijf eilanden bewaakte. Drie decennia lang passeerden allerlei modellen zoals een Bondstaat, een Unie, een Gemenebest de revue. In de jaren ’90 was er een optie om de drie bovenwindse eilanden respectievelijk de twee benedenwindse eilanden elk onder een aparte bestuurslaag onder te brengen. Een terugblik in de volkerenrechtsgeschiedenis leert ons dat het samenvoegen van eilanden, met ieder een eigen cultuur, geschiedenis en economische belangen, iedere kans van slagen mist. Na jarenlang gekrakeel is er eindelijk de ontmanteling van de Federale staat De Nederlandse Antillen een feit.
.



Nadat Aruba al bijna 25 jaar geleden het staatsverband van de Nederlandse Antillen verliet, begon het al op de overige eilanden te roeren. Eerst gingen er stemmen op op Bonaire en vervolgens op St. Maarten, die beiden eveneens een Status aparte nastreefden. Op Curaçao, het economisch meest welvarende eiland, werd het alternatief van onafhankelijkheid vermeden. Terwijl voor Aruba de stelling opging: meer welvaart kweekt het ontstaan van een lokaal nationalisme, dat vertaald werd in politieke eisen, gold dit niet voor het grootste eiland Curaçao. De vraag die zich stelt is of de onderlinge verdeeldheid en het geringe vertrouwen in de toekomst hieraan debet zijn?

In cultureel opzicht hebben niet alle eilanden zich evenveel kunnen ontwikkelen en profileren. Alleen op Curaçao en St. Maarten zien we de nodige voorzieningen en een draagvlak voor deze culturele uitingen. Op literair vlak heeft Curaçao de zgn. Grote Drie – Boeli van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Marinus Arion - voortgebracht. Dat is dan wat de Antilliaanse Nederlandstalige literatuur betreft. Het heeft echter weer drie decennia geduurd, voordat een nieuwe generatie schrijvers als Jules de Palm, Erich Zielinski en Myra Römer zich aandiende. Op St. Maarten zien we zich eveneens een bruisend literair leven ontwikkelen, met de House of Nehesi Publishers als belangrijkste actor.Namen als Lasana Sekou, Fabian Badejo en Shujah Reiph zijn niet meer weg te denken. En op Bonaire wordt de SKAL gedreven door de dynamische Hubert Vis die maandelijks Luna Jen, een podium voor lokale dichters organiseert.

Op het vlak van de Papiamentstalige literatuur heeft men veel vorderingen gemaakt, maar die bijna onopgemerkt zijn gebleven. Schrijversnamen als Amador Nita, Ornelio Martina, E. de Jongh zijn in de vergetelheid geraakt. Alleen aan de in Venezuela geboren Guillermo Rosario wordt en passant aandacht besteed. Maar dat is meer omdat hij een voorvechter was van het Papiamentu en als zodanig een rol van betekenis in het geheel heeft gekregen, echter niet zozeer om zijn werken. Opnieuw is dit een erfenis uit een koloniaal verleden, waarbij het eigene ondergewaardeerd wordt en lang niet evenveel populariteit geniet. De gevoerde taalstrijd voor de invoering van het Papiamentu, had gedurende de laatste veertig jaren bij wijze van spreken het volk in verwarring gebracht.

De BES-eilanden (Bonaire, St. Eustatius en Saba) zullen nu rechtstreeks onder de Nederlandse regeringsverantwoordelijkheid komen te resorteren. In principe betekent dit dat zij eenzelfde aanspraak maken op de Nederlandse fondsen voor kunst en cultuur. Het toepassingsgebied van de wetgeving laat dit in principe toe. Met de nieuwe status zullen de eilanden door middel van het herwonnen vertrouwen het literair leven van een glanzende en duurzame cosmetica moeten voorzien. Opnieuw is de verwachting of, zoals op Aruba na 1986 een explosie aan auteurs en literaire werken viel waar te nemen, dit ook op de andere eilanden het geval zal zijn. Ironie van dit heugelijk feit 10-10-2010, is dat alleen de Christen Unie en de PvdA nog een Antiliaanse vertegenwoordiger in de Tweede Kamer hebben. In de gemeente- en stadsdeelraden zijn de meeste vertegenwoordigers niet herkozen.

Foto: Curaçao 2006, @ Michiel van Kempen

dinsdag 25 augustus 2009

On line Nederlandse literatuurgeschiedenis nu compleet


Terwijl het ene kloeke deel na het andere verschijnt van de nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis onder auspiciën van de Nederlandse Taalunie, is nu ook eindelijk een nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis on line gecompleteerd. Grotendeels was die er al een paar jaar, maar het stuk over de 20ste en 21ste eeuw liet nog op zich wachten. Dat is nu dus, onder redactie van Thomas Vaessens en Yra van Dijk van de Universiteit van Amsterdam, gebeurd. Deze internet-literatuurgeschiedenis richt zich niet op een academisch publiek, maar op een doornsee publiek, of meer in het bijzonder op de middelbare scholieren. De geschiedenis wordt verteld in 20 hoofdstukken, en dan zijn er nog zoekmogelijkheden op teksten, schrijvers en thema’s. De on line Nederlandse literatuurgeschiedenis heeft ook niet een pretentie van volledigheid, zoals de grote gedrukte Taalunie-literatuurgeschiedschrijving die wel min of meer heeft, maar focust in op de belangrijkste verschijnselen, auteurs en werken. Bij elke paragraaf staan dan ook slechts enkele andere titels van secundaire werken, die de gebruikers op weg moeten helpen om verder te zoeken in het moeraslandschap van de Lage Landen.

Dat die Lage Landen al heel vroeg maar toch vooral in de 20ste eeuw ook veel volk van elders hebben getrokken, wordt niet over het hoofd gezien. Er zijn paragrafen over immigranten, de jonge Marokkaans-Nederlandse auteurs komen voorbij (bijvoorbeeld Hafid Bouazza), de Indische letterkunde is redelijk vertegenwoordigd, en uit de West maken drie schrijvers hun opachting: Albert Helman met De stille plantage, Frank Martinus Arion met Dubbelspel en Astrid Roemer met Was Getekend.



Wie er wil gaan kijken, kan hier klikken.