Posts tonen met het label Naipaul V.S.. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Naipaul V.S.. Alle posts tonen

zondag 10 november 2013

De Caribische literatuur neigt naar onafhankelijkheid

Artwel Cain
door Quito Nicolaas

Dr. Artwel Cain promoveerde in 2007 op een studie naar de sociale mobiliteit van etnische minderheden in Nederland. Daarnaast is hij lange tijd directeur van het Ninsee, het Nationale Instituut voor het Slavernijverleden geweest. In 2009 verscheen onder zijn redactie het boek Tula, de slavenopstand van 1795 op Curaçao met bijdragen van verschillende auteurs. Tegenwoordig zwaait hij de scepter bij de Institute of Cultural Heritage and Knowledge. Vandaag een interview met hem over zijn leesgedrag en de boeken die hij leest.


Hoeveel boeken telt uw collectie?
Ik ga er van uit dat wij meer dan zo’n 1000 boeken hebben, dat zijn inclusief studieboeken en dan geschreven in vijf talen: Engels, Nederlands, Spaans, Frans en Papiaments.

In hoeveel tijd is deze verzameling opgebouwd?
Deze boeken zijn in een periode van ruim 35 jaar verzameld.

Wat is uw favoriete boek?
Mijn favoriete boek is moeilijk te noemen, omdat ik veel boeken ontzettend goed vind, maar als ik toch een moet noemen dan wordt het: Song of Solomon van Toni Morrison. Dat boek heb ik eind jaren zeventig gekocht. Op dat moment was ik vooral een muzikant die belangstelling had in boeken, vooral boeken geschreven door schrijvers uit het Caribische gebied en zwarte Amerikanen.

Ik begon het boek te lezen en was uit het lood geslagen. Ik had nooit eerder zoiets moois gelezen. Zij had ook stukjes van liederen in de tekst opgenomen en zij liet haar karakters praten net alsof ze bezig waren muziekinstrumenten te spelen. Daarna heb ik tot nu toe al haar boeken gekocht en gelezen. Tot dat moment had ik Richard Wright (bekend van Notes of a native son) en James Baldwin (bekend van Go tell it on the mountain) als mijn favoriete schrijvers. Toni Morrison is nog steeds mijn favoriete schrijfster. Uiteraard heb ik ook een aantal van haar essays.

Welke zijn de overwegingen die u neemt bij het kopen van een boek?
Ik ga af van een aantal punten; ken ik de schrijver en haar/zijn werk? Is hij/zij al door vrienden gelezen en hebben ze die aanbevolen? Wat was de toon en inhoud van de recensie die ik in een krant of een tijdschrift gelezen heb? Is deze schrijver een goede verhalenverteller? En tot slot wil ik mijn tijd met deze schrijver doorbrengen?

Welke indeling hanteert u om uw boeken te categoriseren?
Die bestaat in mijn collectie op dit moment niet. Ik ben ruim zes jaren geleden op onze tweede verdieping van een studeerkamer naar de andere verhuisd. Sindsdien heb ik geen tijd vrij gemaakt om alles op de juiste plek terug te zetten net hoe ik dat had in de eerste kamer. Er zijn trouwens in de tussentijd veel meer boeken bij gekomen en die zijn gewoon op de boeken planken voor de anderen gelegd. Wanneer wij na zo veel jaren uit dit huis verhuizen ben ik dan bereid de nieuwe studiekamer netjes in te richten en de boeken nogmaals te categoriseren.

Zijn er ook andere plekken in het huis, waar boeken worden verzameld?
Ja, er zijn andere boeken in de zolderkamer vanwaar ik verhuisd ben. Mijn vrouw Alida Kock heeft ook een werkstudio in huis en daarin zijn ook weer vele boeken.

Leest u naast fictie ook non-fictie of andersom?
In de laatste tien jaar lees ik meer non-fictie dan fictie. Dit vanwege studie en mijn werk. Het zou ondoenlijk zijn op dit moment om ze allemaal te gaan benoemen. De laatste goede fictie dat ik recentelijk heb gelezen is van Maryse Conde: Windward heights. Tussen de bedrijven door lees ik op dit moment Miles een autobiografie van Miles Davis samen met Quincy Troupe. Dat is non-fictie. Het leest ook lekker.

Wanneer leest u meestal, waar en wat (genre) leest u dan ?
Studieboeken lees ik overdag en fictie in het weekeinde of in de avonduren, indien ik thuis ben.

Leest u in het weekend andere boeken dan door de week?
Ja, dat doe ik. Door de week gaat het om wetenschappelijke literatuur en in het weekend leuke boeken, meestal romans.

Behoren tijdschriften ook tot de door u gelezen lectuur?
Op dit moment niet. Ik heb geen tijd ervoor in de laatste jaren vrij gemaakt. Dit is een bewuste keus.

Welk boek zou u voor een tweede keer willen lezen en waarom?
Dat zal Black skin White masks van Frantz Fanon zijn. Ik heb dit boek ruim veertig jaar geleden gelezen. Ik zal het nu beter begrijpen en kunnen analyseren. Intussen heb ik ontzettend veel studies hierover en citaten ervan gelezen. Wellicht is dat een van de redenen dat ik het nog niet herlezen heb. Ik gebruik de tijd om ander werk dat ik nog niet gelezen heb te lezen.

Welk boek beschouwt u als een miskoop en waarom?
Dat heb ik niet. Een boek dat wel in de buurt komt is A Bend in the River door V.S. Naipaul. In dat boek heeft hij een fictief Afrikaans land dat net onafhankelijk was geworden en haar inwoners op een beestachtige wijze neergehaald. Dat was in 1979. Daarvoor had ik al zijn boeken gelezen. Na het lezen van A Bend in the River, kwam ik tot de conclusie dat V.S. Naipaul niet schrijft voor mensen zoals ik en die op mij lijken. Een aantal jaren geleden heb ik A House for Mister Biswas nog een keer gelezen voor een boekenclub die wij in Capelle aan de IJssel hadden, maar daarna heb ik geen boeken meer van hem gekocht en gelezen, behalve Een half leven dat ik in 2001 gratis bij een boekwinkel gekregen heb.

Wie is uw favoriete schrijver/auteur en waarom?
Toni Morrison. Zij weet een verhaal te vertellen en zij heeft veel kennis van zaken. Een van haar boeken, Jazz, vond ik in eerste instantie moeilijk te lezen vanwege de wijze waarop het geschreven is, maar daarna dacht ik het boek niet voor niets Jazz heet.

Wat is zo bijzonder aan de Caribische literatuur?
De Caribische literatuur neigt naar onafhankelijkheid. Men houdt zich niet bezig met “the single story” Dat wil zeggen, datgene wat men denkt dat de lezers in het Westen over het Caribische volk willen lezen. De verhalen zijn meestal herkenbaar. Ze brengen je weer thuis. George Lamming en Maryse Conde zijn twee goede voorbeelden van schrijvers die dit doen. Het zijn twee schrijvers die trouwens nog levend zijn. In het geval van gedichten gaat dat ook op voor wat betreft het werk van Lasana Sekou en Derek Walcott. Uiteraard zijn er veel meer goede schrijvers in de diverse landen en eilanden. Ik kan mij met deze schrijvers identificeren. Ik voel mij thuis bij hun werk.

Hoe kijkt u naar de wereld der wetenschap/letteren?
Zowel bij de wetenschap als bij de letteren dienen Caribische mensen hun eigen verhalen in alle tonen en kleuren zelf te vertellen. Men moet niet meer de fout maken om zich slechts bezig te houden met de 'master’s narrative'. Men dient de ruimte te nemen en te vullen met de eigen fictie en non-fictie.

dinsdag 18 september 2012

1965: V.S. Naipaul schrijft aan Corly Verlooghen

Document: V.S. Naipaul trekt door het Caraïbisch gebied en doet ook Suriname aan. Hij ontmoet de dichter Corly Verlooghen (ps. van Rudy Bedacht) die hem zijn bundel Jachtgebied aanbiedt. Als Verlooghen hem later vanuit Amsterdam eraan herinnert, schrijft Naipaul onderstaande brief, klik op afbeelding voor groter formaat.


woensdag 4 juli 2012

Who More Sci-Fi Than Us?

Vrijdag 25 mei is de tentoonstelling Who More Sci-Fi Than Us, hedendaagse kunst uit de Cariben feestelijk geopend door Lucia Nankoe (literatuurwetenschapper/ publicist) met de speech: 'Het Fort is ingenomen door Kunstenaars.' 


Lucia Nankoe. Foto: Mike Bink



Het Fort is ingenomen door kunstenaars

door Lucia Nankoe


 
De Caribische expositie die vanaf vandaag in Amersfoort van start gaat, is getiteld: Who more sci-fi than us. Deze titel verwijst naar een voetnoot uit een roman van de Dominicaanse schrijver Junot Diaz getiteld: Het korte en wonderbare leven van Oscar Wao. De hoofdpersoon uit het boek - Oscar - is verslingerd aan allerlei verhaalvormen zoals historische romans, games, stripverhalen, films, animatiefilms. Zowel oude als nieuwe vertellingen bekoren hem en maken hem mede daardoor tot een buitenstaander, een buitenaards wezen, die er ook fysiek anders uitziet dan zijn leeftijdgenoten. Oscar is zowel een held, als een anti-held.

De spelregels in deze roman zijn duidelijk: het fictieve verhaal wordt gehoord, maar in de kleine letters wordt het echte gruwelijk verhaal verteld over de geterroriseerde bewoners in de Dominicaanse Republiek onder het bewind van dictator Trujillio, tot zijn dood in 1961. De vorm van de vertelling voegt een adembenemende extra dimensie aan het werk toe.

"Who is more sci-fi than us" , zegt Junot Diaz. Zijn hoofdpersoon Oscar gaat regelmatig vanuit de V.S. Naar de Dominicaanse Republiek op familiebezoek. Hij geniet dan van de schoonheid van het eiland, maar in de suikerrietvelden ervaart hij ook de wrede kant van het dictatoriaal regime.

De titel van deze tentoonstelling Who is more sci fi than us vat in zekere zin de kunstwerken samen die hier tentoongesteld zijn. Het roept associaties op bij de gepresenteerde beelden. Hier kunnen we genieten van de verschillende kunstvormen en tegelijkertijd 'lezen' we het politieke en sociale verhaal dat daaraan ten grondslag ligt. Ook hier is sprake van meerdere lagen. Het grensgebied tussen fantasie en werkelijkheid wordt keer op keer onderzocht.

Een mooie illustratie van connotaties waarbij tekst en context nauw verweven zijn treffen we ook in het boek A Small Place van de schrijfster Jamaica Kincaid:

Antigua

“You are a tourist and you have not yet seen a school in Antigua, you have not yet seen the hospital in Antigua, you have not yet seen a public monument in Antigua. As your plane descends to land, you might say, what a beautiful island Antigua is - more beautiful than any other islands you have seen -” Toeristen die de Caribische eilanden en het Caribisch gedeelte van het vasteland bezoeken, zien meestal slechts de buitenkant. De dubbelheid, de schijnbaar badinerende toon van bovenstaande alinea uit A Small Place, heeft een heftiger impact dan op het eerste gezicht lijkt.

Eenzelfde scherpe blik met een ondertoon van ironie, treffen we ook aan in de tekeningen, schilderijen, foto’s, sculpturen, films en animaties in deze tentoonstelling. Een gefragmenteerde verzameling, denkt u wellicht, maar bij denkers als Edward Braithwaite uit Barbados en Edouard Glissant uit Martinique staat het concept fragmentatie centraal in hun werk. De meer dan 30 kunstenaars hier aanwezig tonen hun veelzijdigheid in allerlei uitingsvormen. Beeldend kunstenaar Tony Monsanto uit Curaçao noemt één van zijn werken 'créolité makes us strong' waarmee hij reflecteert op de huidige tijd, zonder het pijnlijk verleden terzijde te schuiven.

Reeds eerder, dat wil zeggen aan het begin van de 20ste eeuw waren Caribische kunstenaars op zoek naar eigen uitingsvormen en smolten ze tradities uit andere continenten samen om zo hun eigen beeld van de omringende wereld te creëren. Om u maar enkele grootheden te noemen:

Aimé Césaire uit Martinique, de dichter die bejubeld werd door de Franse surrealist André Breton heeft de literaire scene van het Franstalig gebied grondig beïnvloed.

Léon-Gontran Damas bezingt met zijn poëtische creaties de Guyanese Bonis en Saramaccaners. Hier volgt een gedicht uit zijn bundel Névralgies:


Il n'est plus bel hommage

Il n’est plus bel hommage
à tout ce passé
à la fois simple
et composé
que la tendresse
l’infinie tendresse
qui entend lui survivre


Een liefdevol en teder beeld spreekt uit bovenstaand gedicht, een eerbetoon aan het verleden en om met één van de werken van Jungerman te spreken: Promise. Deze kunstenaar is een veelbelovende zoektocht aangevangen naar de relatie tussen abstract geometrische kunst en de esthetiek van de Marrons, de bewoners uit het binnenland van de Guyana's.

De eerste Nobelprijswinnaar literatuur uit de regio Saint-John Perse, geboren in Guadeloupe, gebruikt in zijn poëzie schitterende beeldende taal. Of neem de andere Nobelprijswinnaar, de Trinidadiaanse V.S. Naipaul die in zijn klassiek geworden roman A House for Mister Biswas de Caribische verbeelding ons laat toespreken. Derek Walcott uit St. Lucia en Frankétienne uit Haiti beheersen de verbale kunst en schuwen evenmin de visuele uitingsvorm. Ze zijn zowel schrijver als schilder.

Kunstenaars maken ook meer gebruik van hun moedertaal, zoals beeldend kunstenaar en auteur Frankétienne, die schrijft in het Haïtiaans Creools. Edgar Cairo uit Suriname, schrijft in het Sranan, een Creoolse taal, die hij vermengt met neologismen die rechtstreeks naar zijn culturele erfenis verwijzen. Verschillende kunstdisciplines worden aan elkaar gekoppeld, waardoor een nieuwe taal ontstaat die meerdere lagen heeft.
Edouard Duval Carrié

In de tentoonstelling zult u kunsticonen aantreffen zoals Edouard Duval Carrié uit Haïti die ons keer op keer verrast met zijn kunstwerken. En wat te denken van de jongere generatie zoals Ebony Patterson en Renee Cox uit Jamaica, Wendell Mcshine uit Trinidad, Sheena Rose uit Barbados, Mario Benjamin uit Haïti en de veelzijdige Hew Locke uit Guyana? Deze generatie kunstenaars kiezen voor een nieuwe taal. Ze putten daarbij uit verschillend cultureel erfgoed. Remy Jungermann, Marcel Pinas, Charl Landvreugd - een mooi trio uit Suriname - maken daarbij gebruik van verschillende materialen o.a. metaal, hout, lappen katoen, blauwsel, pimbadoti.

De ketenen zijn afgeworpen en de taal van de kunsten wordt niet meer nageaapt. Het Fort is ingenomen door kunstenaars. Het Caribisch kunstenaarsschap brengt een gedurfd meesterschap voort en curatoren van musea deinzen er niet voor terug om deze authenticiteit te tonen.

Om de Surinaamse dichteres Joanna Schouten–Elsenhout te citeren:

Mi Dren

Yere mi sten
Lek’wan griyo e bari
A baka den bigi krepiston

Een lamento in versregels waarin een apocalyptisch beeld uit het verre of nabije verleden wordt geschetst. Op de tentoonstelling in Amersfoort is 'The Afro-Curse Exorcizing Machine' van Tirzo Martha hier een mooi visueel voorbeeld van.

Pauline Melville

"Who is more sci-fi than us", zegt Junot Diaz. Schrijfster Pauline Melville uit Guyana verwoordt het zo: “Wij in dit deel van de wereld, koesteren een diepe wens voor de leugen, met al haar consequenties en verwikkelingen. Wij nemen de leugen serieus.” Escapisme wordt dan een stijlmiddel en de relatie tussen het fictieve en feitelijke discours blijkt versmolten te zijn. Alle denkbare schildersstijlen van abstract tot hyperrealistisch worden opgezocht en verkend. De grenzen vervagen en verrassen zoals in het werk van David Bade uit Curaçao, Ryan Daniel Oduber uit Aruba en Michael Mcmillan uit St Vincent.

Misschien kunnen we spreken van de kunstenaar als flexwerker, een flexkunstenaar, in zoverre hij dit niet altijd was, schijnbaar onbekommerd en toch zeer bewust, zigzaggend langs genres, disciplines, taal, stijl zonder enige beperking als een zeedier van eiland naar land. En als hij gevangen gehouden wordt dan nog is er een frisse impuls die op een overtuigende manier een visueel en tekstueel verhaal brengt.

Luistert u naar de dichter Nicolas Guillén uit Cuba met El Caribe uit El Gran Zoo:

En el acuario del Gran Zoo, nada el Caribe. Este animal marítimo y enigmático tiene una cresta de cristal, el lomo azul, la cola verde, vientre de compacto coral, grises aletas de ciclón. En el acuario, esta inscripción: «Cuidado: muerde».

Nogmaals: De Caraibe

In het aquarium van de Grote Dierentuin
zwemt de caribe.
Dit raadselachtig zeedier
heeft een kam van christal,
een blauwe rug, een groene staart,
zijn buik is van compact koraal
en hij heeft grijze vinnen
van cycloon.
Op het aquarium staat geschreven:
‘Pas op, hij bijt.’

Who is more sci-fi than us?

maandag 11 juni 2012

Les Empires de l’Atlantique (XIXe - XXIe siècles)

Figures de l’autorité impériale dans les lettres d’expression européenne de l’espace atlantique

sous la direction d’Yves Clavaron et Jean-Marc Moura

éd. Les Perséides, coll. « Le Monde Atlantique »



Les empires coloniaux de l’Atlantique (britannique, espagnol, français, néerlandais et portugais) ont suscité voire déterminé une somme impressionnante de textes littéraires qu’il reste à envisager avec les instruments critiques contemporains. À partir de l’âge des Découvertes et jusqu’à l’ère contemporaine, notamment avec la colonisation, l’esclavage puis la décolonisation, les relations entre les trois continents, Europe, Afrique et Amérique, n’ont cessé de se renforcer et l’Atlantique a de plus en plus joué le rôle d’un pont favorisant les processus d’interaction et de convergence entre les sociétés qui le bordent. Depuis plus d’une vingtaine d’années, l’« Atlantic history » s’est affirmée au sein de l’historiographie anglo-saxonne. Ce paradigme interprétatif présente le monde atlantique comme un espace intercontinental intégré et unitaire. Il livre ainsi une clef de lecture de l’expérience culturelle et littéraire à l’époque moderne, qu’il reste à mettre en œuvre collectivement, pour les lettres d’expression européenne. Avec le concept d’/histoire littéraire atlantique/, il s’agit de proposer un cadre théorique adapté aux dynamiques intellectuelles contemporaines, afin de déterminer puis d’analyser les circulations, échanges et migrations littéraires entre Europe, Amérique et Afrique, non plus donc en termes régionaux (concentré sur l’un des trois pôles) ou linguistiques, mais dans les relations complexes, traversant cultures, régions et langues, établies dans l’espace atlantique.







Jean-Marc Moura : « Les empires et le projet d’une histoire littéraire de l’Atlantique »

Yves Clavaron : « L’autorité des empires de l’Atlantique à travers quelques emblèmes : le triangle, le vaisseau, le gouffre et… le foot »

David Murphy : « Du communisme international au nationalisme panafraicain et transatlantique ? L’anti-colonialisme de Lamine Senghor (1889-1927) »

Charles Forsdick : « Histoires transatlantiques: Les Jacobins noirs de CLR James »

Micéala Symington : « Littérature irlandaise contemporaine et pouvoir. La figuration de l’autorité impériale dans la poésie irlandaise contemporaine »

Mélanie Potevin : « Parodie et démesure dans la réécriture de l’Histoire transatlantique chez Roberto Bolaño et V.S. Naipaul »

Marie-Isabelle Vieira : « Capitaines et Généraux d’Avril : figures paradoxales du maintien et de la chute de l’empire portugais »

Danièle Dumontet : « Les écritures migrantes au Québec ou comment les auteurs haïtiens modifient le système relationnel dans l’empire atlantique »

Thorsten Schüller : « La ‘‘traduction’’ du primitivisme européen dans les avant-gardes latino-américaines »

Barbara Dos Santos : « Brésil-Afrique : l’influence du modernisme brésilien dans les littératures angolaise et mozambicaine »

Véronique Porra : « Amour, colère et folie de Marie Chauvet. Réduplication des structures d’autorité et destin tragique d’une prise de parole indésirable »

Évelyne Lloze : « L’Écrire en pays dominé de Chamoiseau »

Crystel Pinçonnat : « Une femme blanche et un homme noir. Deux auteurs paradoxaux de l’Empire »

Kathleen Gyssels : « L’ancêtre Oayapock dans Hoofden van de Oayapok! (Albert Helman) et Black-Label (Léon Gontran Damas) »
Anton de Kom, @ Nicolaas Porter

Kim Andringa : « Nous, esclaves du Surinam. Une critique surinamienne du capitalisme colonial néerlandais »

Jean-Claude Laborie : « L’empire du Brésil dans l’écriture romanesque de J. Machado de Assis »

Florence Paravy : « D’un Empire à l’autre : l’imaginaire Roi de Kahel »

Odile Gannier : « L’empire fantôme des Indes : L’Ancêtre de Juan José Saer »

Myriam Suchet : « Le sujet du texte hétérolingue n’est pas un empire dans un empire – ou «je» est-il maître dans son propre texte ? »



23 x 15 cm - 308 pages avec index, bibliographie,

jaquette de couverture illustrée, 26 €



Cet ouvrage est commandable dans toutes les librairies. Vous pouvez également

vous le procurer directement auprès de l’éditeur, en envoyant un chèque de 24 €

(prix de lancement) à l’adresse suivante :

Editions Les Perséïdes

5, rue du Faubourg Bertault

35190 Bécherel

(envoi franco de port)

vrijdag 10 februari 2012

Vreemdelingen in het paradijs (4)


door Willem van Lit

[Dit is deel vier van het feuilleton over de Nederlands Caribische eilanden. Het is het vervolg op het 4e hoofdstuk uit mijn boek.]


Later wordt de verschuiving van het perspectief duidelijk. De schrijver verplaatst zich steeds minder naar het gezichtsveld van de ver-weg-lezer; hij schrijft van binnen uit het eigene naar de lezer buiten, de vreemde. Hierbij probeert de auteur de lezer als het ware te dwingen de binnenkant vanaf het standpunt van die auteur waar te nemen. Van Kempen noemt in deze rij van auteurs onder andere Dobru, Lauffer, Trefossa, Garmers, Henriquez en Gajadin. Maar het blijft voortdurend om migratie draaien, zoals ook Rutgers bedoelde omdat men de ander toch rond moet leiden in de eigen wereld om die begrijpelijk te maken. De onrust groeit naarmate de ontvoogding en de emancipatie vordert. Er gaan andere dingen meespelen. Kinderen gaan als student naar Nederland. Ze emigreren dus en vernederlandsen. Het Papiamentu als cultuurtaal groeit intussen op de Antillen, maar de landskinderen in Nederland spreken steeds meer en beter Nederlands, waardoor de achtergeblevenen hun kinderen als vervreemd gaan ervaren, “… die hun bloed verloochenen” . Op deze manier ontwikkelen de verhoudingen in het koninkrijk zich op complexe wijze. Aan de ene kant wordt de vervlechting inniger onder andere door meer mogelijkheden voor onderlinge uitwisseling en migratie; aan de andere kant groeit de kloof en lijken we elkaar steeds minder te begrijpen. De generatie auteurs die alleen nog maar in het Papiamentu schrijven, ontwikkelt de gidsfunctie voor specifiek de eigen mensen, maar de externe functie blijft bestaan voor buitenstaanders. Zo schetst Van Kempen de in complexiteit groeiende tweedeling tussen reisleiders en toeristen op verschillende gemeenplaatsen in de literatuur en dus ook op divers cultureel en algemeen maatschappelijk gebied. Hij noemt thema’s als “ontmoeting der culturen als interraciale vermenging, als uitdrukking van begrip, misverstand en onbegrip, meervoudige lokaliteit, nationale identificatie en individuele zelfidentificatie” . Op al die terreinen ontstaat dezelfde of soortgelijke onrust die wordt gevoed door zinsbegoocheling en beloften die voortdurend wisselen. De vreemde zal de gids nooit helemaal kunnen volgen, al doet hij nog zo zijn best. Zelfs de Antilliaanse auteurs worstelen met het eigene, zoals het voorbeeld van Van Leeuwen eerder in dit stuk aangeeft, hoe het “eiland grenzen stelt aan zijn schreden”.


Rechts: Michiel van Kempen, foto @ Serge Warbowsky

De motor hiervoor is de voortdurende migratie, het ontheemde bestaan dat op zichzelf al een bron is voor verdriet. Tegelijkertijd draagt het de kiem in zich van het meest menselijke, zegt Van Kempen weer: “het reiken naar de ander, het begrijpen van de ander en uiteindelijk dat waar alles om begonnen is: de liefde” . Dit laatste – de liefde – is dan nog een andere gemeenplaats in de literatuur, waaruit weer een belofte ontstaat. Maar zover is het nog lang niet; de toerist is nog steeds niet in staat het geheel eigene van de Antillen of Suriname te doorgronden, zo veronderstelt de gids. En dat gegeven is nog altijd wrang aanwezig. Haard van onbehagen. Voorlopig is de kracht van beschaming nog groter, zoals bij Van Kempen in een andere publicatie naar voren komt.

In die andere beschouwing over de literatuur in de voormalige koloniën – Rigoletto in de tropen uit 2004 – beschrijft hij het probleem of het raadsel van de onleesbaarheid . Dit fenomeen treedt op in de literatuurwetenschap die zich bezig houdt met teksten uit de voormalige koloniën. Van Kempen constateert dat er sprake is van een cultuurkloof tussen de Nederlandse schrijvers en recensenten enerzijds en de auteurs uit de voormalige koloniën anderzijds. De Nederlanders zien zich altijd geplaatst voor de ondoorgrondelijkheid van het kunstwerk van de schrijvers uit die gebieden en de “ondoorgrondelijkheid van het kunstwerk van de Ander wordt toegeschreven aan de cultuurkloof, niet van de aard van het kunstwerk op zich. Jij hoort niet tot de groep en dus kun je het onmogelijk doorgronden” . Hij noemt vier uitdrukkingen van onbehagen: “We zijn nu eenmaal andere mensen”, het “jullie tegenover ik”, de “fatale driehoek” (in dit geval gaat het om Oost-Indië, waarbij de Totoks, de Indo’s en de Belanda’s tegenover elkaar staan) en “Jij kunt deze werkelijkheid niet kennen”. Hij illustreert dit aan de hand van verschillende voorbeelden waarbij Nederlandse schrijvers en recensenten de wind volop van voren krijgen. Het dilemma wordt nog versterkt door het feit dat juist die auteurs ook niet zonder de beschouwingen en recensies kunnen en er kennelijk geen mogelijkheden zijn criteria te stellen voor reflectie. De gids verwacht geen kritisch weerwoord.

Hier heerst de veronderstelling dat de cultuur van de gekolonialiseerden (die tegelijkertijd gids zijn) voor mensen van buiten niet invoelbaar en onkenbaar is. Als je dit zegt, ga je er vanuit dat er culturen zijn die hermetisch gesloten zijn. Culturen zijn allesbehalve hermetisch gesloten, zoals Van Kempen terecht opmerkt. Men zou dan geen uitspraak kunnen doen over de waarde van culturen. Het cultuurrelativisme is een mythe, de mythe van de cultuurkloof, die onoverbrugbaar zou zijn. De pathetische omhelzing laat zich op deze manier kenschetsen als de paradox tussen de mythe en de hoop “de Ander ten diepste wel (te) kunnen begrijpen”. En ook willen begrijpen. Men wíl doordringen tot de kern van het geheim van de verleiding, de Caribische verrukking zelf. En beide – zowel de mythe als de hoop – zijn illusoir, zijn zinsbegoocheling of zelfbedrog: “de mythe omdat het niet de cultuurkloof op zich is die de principiële onkenbaarheid van het kunstwerk uitmaakt, de hoop omdat de aard van het kunstwerk met zich meebrengt dat het diepst ervan zich niet ontsluieren laat” . Het is de patstelling in de volledigheid van de verwarring. We kunnen dan niet meer de kennis toepassen, alleen nog naast elkaar bestaan binnen het geheel van zelfde uitdrukkingsmogelijkheden zonder ooit tot elkaar te kunnen komen, waarbij men hoe dan ook toch aan elkaar verbonden blijft. Hoe men overeind kan blijven met bedrog?

Maar ook de fascinatie blijft: men (de toerist) wil de verrukking blijven begrijpen en men (de gids) wil zichzelf bijzonder verklaren, ten diepste onkenbaar, onverklaarbaar. De verzoening is alleen mogelijk in het merkwaardige guichelspel zelf, dat ondoorgrondelijk door passie wordt bestuurd en dát lijkt pathetisch van aard te zijn. Het eindresultaat van deze patstelling lijkt – niet verstandig – beschaming en wederbeschaming te zijn, zoals ook in de oplaaiende emoties bij dit onderwerp – de literatuurkritieken – duidelijk wordt.

Als ik bij mezelf ga kijken, hoef ik niet ver te zoeken om flarden van die passievolle begoocheling te vinden. Ik citeer hieronder een lang fragment uit mijn weekboekaflevering “De voortdurende belofte”

“De bibliotheek van Willemstad bevat een grote afdeling die gaat over reizen, volkenkunde en vreemde culturen. Ik vind dat opvallend. Het is net alsof mensen hier – meer dan elders – nieuwsgierig zijn naar hoe het anderen vergaat, alsof alles buiten het eiland exotisch is. Ik heb er series boeken gevonden die me met een instant opgejaagde interesse langs de rijen deed wandelen, de wijs- en middelvinger dolend over de ruggen. Prevelend. Ik zocht langs het rijtje dat ging over de Caribische cirkel en ik vond V.S. Naipaul. Hij schrijft over zoektochten. In dit boek gaat het over het speuren naar de basis van de wonderlijke eigenheid waar hij onthutst naar kijkt. Toen ik bij dat rek stond en door Het verlies van Eldorado bladerde, kwam er een vreemde zin bij mij op: “… waaraan we zijn ontleend”. Zo’n flard fleemt als een fragment van rafelend besef. Ik noem het maar even zo omdat ik er geen andere betekenis voor weet. De lezer begrijpt misschien dat ik nu over de randen van intuïtie schrijf en dat ik denk over de legenden, waaruit mijn eigen realiteit is samengesteld. Zo’n fragment blijft hangen.

Van gemis te kunnen schrijven, zo, dwalend langs geruchten die vaak vergissingen bleken te zijn of een herontdekking van uitdrukkingen, die steeds weer bedoelingen waren, maar die lang niet als zodanig herkenbaar waren: een gewaarwording die met het loskomen van de wielen van het asfalt van onze herinnering ongewis achterblijft. Hoe ging het ook alweer met dat land van goud? Alsof er steeds iets overblijft… van St. Eustatius bijvoorbeeld waar de gedachte – zoals het was in de 18e eeuw – nog steeds speelt dat het een “Gouden Rots” kan zijn of ook van Aruba waar eind 19e eeuw kortstondig een echte goudkoorts op gang kwam. Maar dat is het niet alleen. Het gaat ook om teloorgang van andere dingen.

Sint Eustatius. Foto @ C.K. van Sichem

Een geheel ander temperament. Barche Baromeo vertelt over zijn jeugd op Curaçao, over zijn schoolgang bij de nonnen en hoe hij daarna los probeerde te komen: “Datzelfde gevoel van machteloosheid deed mij van Koningin Zingha (een geïdealiseerde schoolvriendin, WvL), die zich uitleefde in de Tambu, dromen en zo mijn hartstocht bevredigen, terwijl de maatschappij hamerde op een lichte huid om je ras te verbeteren en hogerop te komen. Je vrat jezelf van binnen op, gefrustreerd als je was door het gemis dat je voelde je niet in je eigen taal te kunnen uiten. Om voor eens en altijd, voor de eeuwen en eeuwen die nog moeten komen, vanuit het diepst van je zijn, het uit te gillen en je te ontdoen van al wat het onderwijs in het opgelegde Nederlands, zonder de basis van Moeder Papiaments, je heeft aangedaan” (“de nieuwe Antilliaan”). Hier roept iemand die verwacht lelijk terecht te komen in de vijzel van de geschiedenis, zoals zo velen voor hem in deze archipel met V.S. Naipaul als referentie van deze mogelijkheid, teneinde alweer onthutst herontdekt te worden in de teloorgankelijke realiteit. Het Papiaments staat momenteel opnieuw onder druk, terwijl men eerder niet eens de kans heeft gekregen de werkelijkheid in eigen taal te vertolken. Er ontrolt zich reeds een nieuwe geschiedenis, die van de globalisering en in deze beweging sneven nu weer kleinoden. Het heden is nu al een legende, klaar om herontdekt te worden. Zo groeit de verbijstering weer aan in deze ring van de Cariben.

Rechts: Barche Baromeo. Foto @ Serge Ligtenberg

Om heel wat redenen volgen we veelal niet onze hartstocht, de oorsprong “… waaraan we zijn ontleend”, zoals Baromeo vertelt en zoals ik plots dacht bij die boekenkast. We blijven achter, de taal ontbreekt, de verhalen zijn vergeten, de archieven zitten overvol, men overstelpt elkaar, hele volkeren vergaan, we zinken weg in moed, we ontsnappen aan elkaars bewustzijn, we verbergen onszelf. Dat is een kwestie van niet willen of niet kunnen natuurlijk en daarvoor is dan – parhttp://www.blogger.com/img/blank.gifadoxaal vermogen – de passie toegerust op hart en ziel; we mogen gissen naar vermogen: zo is het in het atelier van onze autonomie. Over een aantal weken gaan we trachten te ontsnappen. Weg van hier. Ik denk niet dat dat lukt – het ontsnappen met de opzet alles onachtzaam achter ons te laten, bedoel ik – , want er dienen zich in onze nieuwe situatie weer andere dingen aan terwijl de oude dingen blijven; hetgeen we zullen missen”.

[wordt vervolgd, klik hier voor deel 5]

Klik hier voor deel 1 , voor deel 2 en deel 3.

dinsdag 6 september 2011

De afgang van V.S. Naipaul

door Sandew Hira

Ooit was ik een grote bewonderaar van de Trinidadiaanse schrijver en Nobelprijswinnaar V.S. Naipaul. Dat kwam vooral door zijn vroege werken, zoals A House for Mw. Biswas, The Mystic Masseur, The Suffrage of Elvira, Miguel Street en The mimic man. Naipaul is het sterkst als hij verhalen vertelt over het dagelijkse leven van mensen als een strijd om boven jezelf uit te stijgen met alle beperkingen die je kunt hebben in een gekoloniseerde samenleving. Zijn stijl van vertellen is superieur: losjes, humoristisch, gezellig en soms meeslepend. Maar zijn latere werk is meer en meer afstompend en vervelend geworden. Het is het gezeur van een oude brompot met een enorm minderwaardigheidsgevoel dat hij probeert te camoufleren door steeds scherper af te geven op zijn eigen mensen.

Onlangs las ik zijn bundel beschouwingen getiteld Schrijversmensen. In het hoofdstuk “Kijken zonder te zien: de Indiase manier” bespreekt hij het dagboek van Munshi Rahman Khan dat ik in 2003 heb gepubliceerd.

Ik kreeg het manuscript van Albert Rahman, een kleinzoon van Munshi Rahman Khan. Dat bestond uit met de hand geschreven schoolschriften in het Indiase Devanagri-schrift. Ik kon het niet lezen en vroeg aan een Indiër van de Universiteit van Leiden, Mohan Gautam, om het te vertalen naar het Engels of Nederlands. Gautam weigerde.

Ik besloot een bureau in India in te huren om het handgeschreven manuscript in de computer in te typen in het Devanagri-schrift en vervolgens de tekst in het Engels te vertalen. Dat heeft me flink wat duiten gekost. Vervolgens heb ik op basis van de Engelse tekst een Nederlandse vertaling gemaakt onder de titel Het dagboek van Munshi Rahman Khan en voorzien van een inleiding.

Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam was geïnteresseerd om een Engelse uitgave in samenwerking met een Indiase uitgever te realiseren. Zij heeft Kathinka Kerkhoff en Ellen Bal bereid gevonden om het Engelse manuscript te redigeren. Ik stuurde het IISG het materiaal toe en uiteindelijk werd het boek in het Engels gepubliceerd onder de namen van Kerkhoff, haar Indiase partner Alok Deo Singh en Bal.

Tot mijn stomme verbazing hebben de dames een volledige verkeerde weergave van het hele proces van de uitgave gegeven. Gautam kreeg alle eer voor de uitgave. Hoewel de rechten van de Engelse vertaling bij mij lagen, reppen ze met geen woord over dat proces om het boek uit de vergetelheid te rukken. Het is het oude liedje: de kolonialisten proberen weer over de ruggen van Surinamers eer te behalen met werk dat door anderen is verricht.

Naipaul had een exemplaar in India op de kop getikt. Hij heeft kennelijk wel de juiste informatie over het proces van de publicatie. Want hij schrijft: “Het boek zou vrijwel zeker in de vergetelheid zijn geraakt, ware het niet dat het vele jaren later gered was door een soort politiek-academische belangstelling van mensen die zich in Suriname, net als in andere Caribische kolonies, inzetten voor de plaatselijke cultuur en die het zelfrespect onder de bevolking wilden versterken. Het licht des Levens, voor vergetelheid behoed, was in het Nederlands vertaald.” Ik weet niet hoe Naipaul aan de juiste informatie is gekomen; in de Engelse uitgave is een verkeerde weergave van het verhaal opgenomen.

Naipaul beschrijft in zijn boek Suriname consequent als “achterlijk”. Dat karakteriseert zijn houding naar veel Derde Wereldlanden. Engeland wordt gezien als superieur en door de Britten gekoloniseerde volkeren als inferieur. Hij schept er een genoegen in om steeds uit te leggen doe achterlijk die volkeren wel niet zijn. De Palestijnse intellectueel Edward Said heeft Naipaul heel terecht bekritiseerd als een typische derde wereld-intellectueel die het verhaal kan vertellen dat sommigen in het westen graag horen: hoe superieur de blanken en hoe dom de zwartjes en kleurlingen zijn. Zijn islamofobie, waarbij hij opvattingen ventileert over de “achterlijke islam die onverenigbaar is met de moderniteit”, plaatst hem in hetzelfde milieu als de nieuwe rechtse krachten in de wereld.

Naipaul, een geweldige verteller, is nu niets minder geworden dan de zoveelste bruine poedel die zijn onmiskenbare schrijftalent in dienst stelt van een ideologie die in Europa nog wel zwang is, maar in de 21ste eeuw zijn langste tijd heeft gehad. Naipaul is een grote schrijver, maar geen grote denker.

[overgenomen van Starnieuws, 5 september 2011]

donderdag 1 september 2011

Ken Mangroelal - Panta rhei (7)

Zhong guo da. Zhong guo hen da. China is groot. China is zeer groot

Zoals de busjes in handen van de Hindoestanen, zijn hier alle supermarkten in handen van de Chinezen. In de busjes klinkt Bollywoodmuziek en in de supermarkten wachten je beeld en geluid van een Chinese televisiezender. De Chinezen zijn de echte koelies. Zij werken zich te pletter. Ik heb menig Chinees achter de toonbank zien knikkebollen. Pogende slapend rijk te worden? Een dutje tijdens de arbeid, mogelijk; een normale nachtrust, een wensdroom.

Buiten de stad zijn er ook Chinezen die lange uren maken met het kappen van het oerwoud en koortsig zoeken naar bodemschatten. Dit land was kolonie af, met de komst van de Chinezen wordt het kolonie revisited. De Chinezen doen het nogmaals voor wat de bevolking hier zelf moet ondernemen. Begin zestiger jaren van de vorige eeuw, ja zo lang geleden, moet een zekere Dr. Jan Verhoeve in de hoofdstad van dit land in de herkansing een radiopraatje hebben gehouden over de koloniale samenleving. Naipaul nam een deel van die toespraak op in zijn boek The Middle Passage (1962). In die toespraak vond ik een stukje tekst dat wat mij betreft nog steeds opgaat: “A few exceptional people […] come to great achievements, but thereby lose their nationality [… ] And what goes for them does not go for them thousand others who must remain stuck in a soulless imitation, never achieving anything of their own. They learn to despise their own, but get nothing in its place.” Ondanks revolutie en onafhankelijkheid leeft men hier nog in tempo doeloe. “Met de Chinezen is het goed zakendoen” luidt hier de algemene kreet en “ze stellen geen lastige vragen en zeker niet aan je staatshoofd.”

De hoofdweg richting het centrum wordt opgesierd met stalletjes van sappelende burgers en lagere middenstand die hun schamele koopwaar aanbieden. Stalletjes met groente of fruit uit eigen tuin of kostgrondje, vis uit de rivier niet op ijs, hoe lang blijft dat vers in deze hitte, eten uit eigen keuken, zelfgemaakte kleding, ga zo maar door. Ik kan het niet nalaten rekensommetjes te maken. Ik kom uit op inkomens fluctuerend rond de armoedegrens. De schatkist is ook leeg. De regering wilde het onafhankelijkheidsfeest groots vieren. Geld daarvoor was er echter niet. De regering stuurde bedelaars langs de burgers en bedrijven om wat geld te hosselen. Een woord dat nogal met dit land wordt verbonden is ‘pinaren’. Etymologisch gaat het terug op het oudGriekse woord penía (armoede, gebrek, nood) en het Latijnse penúria (nijpend gebrek, grote verlegenheid). Dan vinden we het terug in het Nederlandse woord ‘penarie’. In de penarie zitten (geldzorgen hebben). Goed de mensen proberen hier oprecht het hoofd boven water te houden. Initiatieven te ontwikkelen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Maar deze struggle for life onder de blote hemel komt mij voor als laatste wanhoopsdaad. Het lijkt alsof de Chinezen deze marginalen uit de winkels de straat op hebben gejaagd of ze hebben daar zelf om gevraagd. Konden vroeger de conquistadores de Indianen in ruil voor spiegeltjes het goud ontfutselen, nu doen de Chinezen dat middels de aanleg van infrastructuur, in het bijzonder wegen, even strak en efficiënt als die van de Romeinen. En het plebus juicht.
[wordt vervolgd]

maandag 13 juni 2011

Perspectives on Naipaul

Created in the West Indies: Caribbean Perspectives on V.S. Naipaul, ed. Jennifer Rahim and Barbara Lalla, a collection of essays from a symposium and lecture series at the University of the West Indies, St Augustine, in 2007, commemorating the seventy-fifth birthday of Trinidad’s most famous literary figure. No writer has vexed Caribbean critics more utterly — indeed deliberately — than Naipaul. The thirteen essays here reflect a half-century of debate over his subjects and themes, his style and authorial stance, and his life and personality as well. They range from Edward Baugh on Naipaul’s “Making and Self-Making” to Gordon Rohlehr on “The Confessional Element in Naipaul’s Fiction” to Bridget Brereton on “Naipaul’s Sense of History”.

Ian Randle Publishers, ISBN 978-976-637-412-9, 234 pp

[Caribbean Review of Books]

Picture: Sir Vidia and lady Naipaul in 2003

dinsdag 7 juni 2011

V.S. Naipaul legt vrouwelijke schrijvers over de knie

Schrijver en Nobelprijswinnaar V.S. Naipaul (Trinidad, 1932) weet opnieuw de gemoederen op te hitsen. In een interview met de Royal Geographic Society liet hij zich laatdunkend uit over het schrijftalent van vrouwelijke auteurs in het algemeen (zie The Guardian). In zijn ogen is er geen enkele vrouw die aan zijn schrijftalent kan tippen. Hij kwalificeert de vrouwelijke schrijfstijl als "sentimenteel, met een beperkte kijk op de wereld." "En bij een vrouw, die onvermijdelijk niet de heer des huizes is, is dat meteen in haar schrijfstijl te merken."

Lees hier verder op De Papieren Man

zondag 27 maart 2011

Caribbean Writers Nominations

De OCM Bocas Prize for Caribbean Literature zal dit jaar voor het eerst worden uitgereikt tijdens het OCM Bocas Literatuurfestival in Port of Spain, Trinidad. De winnaar ontvangt een prijs van US $10.000,- Dit jaar zijn er tien schrijvers genomineerd, in de categorieën Poëzie, Romans en Non-fictie. In de categorie Poëzie zijn de volgende dichters genomineerd: Kamau Brathwaite met Elegguas, Kei Miller (foto rechts) l A Light Song of Light en Nobelprijswinnaar Derek Walcott met White Egrets. Myriam Chancy (The Loneliness of Angels), Karen Lord (Redemption in Indigo), Rabindranath Maharaj (The Amazing Absorbing Boy) en Tiphanie Yanique’s (How to Escape a Leper Colony) zijn de genomineerde romanschrijvers. In de non-fictie categorie vinden we Andre Alexis (Beauty and Sadness), Edwidge Danticat (Create Dangerously) en Nobelprijswinnaar V.S. Naipaul (The Masque of Africa).

maandag 29 november 2010

Turkse schrijvers zien komst V.S. Naipaul naar 'Europees Schrijversparlement' niet zitten

door Hans Cottyn

Enkele Turkse schrijvers protesteren tegen de komst van Sir V.S. Naipaul naar het European Writers Parliament, dat de komende dagen in Istanbul doorgaat. De Nobelprijswinnaar uit Trinidad deed in het verleden nogal wat omstreden uitspraken over de islam, onder meer dat "islamisering gelijkstaat met kolonisering".

Sommige Turkse scribenten zullen nu uit protest het festival boycotten. Dat precies Naipaul de eregast van het festival zou zijn, vinden ze een "belediging voor de moslims", aldus Zaman. Maar organisator Ahmet Kot heeft al laten weten dat Naipaul "niet de eregast is, maar slechts de openingsspeech zal geven". Kot zegt aan Hürriyet dat "hij positieve reacties had verwacht, voor het samenbrengen van mensen met verschillende meningen".


Het Europees Schrijverparlement is een idee van wijlen José Saramago en Orhan Pamuk. Bedoeling was om Europese schrijvers te verzamelen in "een van de meest inspirerende en unieke metropolen van de wereld, om hun kennis en perspectieven te delen". Het evenement wordt ondersteund door de Europese Unie. Uit Vlaanderen trekt Erik Vlaminck naar de stad aan de Bosporus - momenteel de Europese Culturele Hoofdstad, uit Nederland Gustaaf Peek. Verder zullen ook onder meer Germaine Greer, Vikram Seth, Hari Kunzru en Nedim Gürsel aanwezig zijn. Er zal bijvoorbeeld worden gediscussieerd over 'literatuur als een product van massaconsumptie' of 'literatuur in de digitale wereld'.


Naschrift:
Ondertussen heeft Naipaul laten weten dat hij zich terugtrekt en niet naar Istanbul zal afreizen, zo meldt de BBC. Een van de organisatoren liet weten dat het bezoek van de Nobelprijswinnaar "gepolitiseerd" werd door de Turkse media. "Daarom zijn het ultieme doel van het evenement en van Naipauls bijdrage overschaduwd".

[uit De Papieren Man, woensdag 24 november 2010]


Foto: Sir Vidia en Lady Naipaul op de Nobelprijsuitreiking

woensdag 24 november 2010

V.S. Naipaul ziet einde van zijn literaire carrière naderen

De controversiële Britse, op Trinidad geboren schrijver en Nobelprijswinnaar Literatuur 2001 V.S. Naipaul, zegt dat zijn 50-jarige literaire carrière naar zijn eind loopt. Hij kan hooguit nog overtuigd worden om één boek te schrijven, meldt The Hindu. "Ik zou nog een boek schrijven indien Andrew [zijn agent, Andrew Wylie] er werk van zou maken", zo zou hij gezegd hebben. "Daarna is het genoeg, dan kan ik stoppen."

[Lees hier verder]


Foto: Naipaul, wenend tijdens de Nobelprijsuitreiking in 2001

donderdag 28 januari 2010

De methode Naipaul

Een middag in het centrum van Mumbai. Smog, uitlaatgassen, wild blaffende claxons. Ik zit opgevouwen op de achterbank van een taxi. Twee andere passagiers zitten naast mij. Bij iedere hobbel in het wegdek schampt mijn hoofd tegen het dak. Mijn benen lijken ingebouwd in de stoel voor mij. Alleen mijn linkerarm heeft enige bewegingsvrijheid. Hij steekt door het open raam naar buiten.

Als we bij een verkeerslicht halt houden, steekt door het andere achterraam plotsklaps een onderarm naar binnen. Als een magneet worden mijn ogen naar het uiteinde ervan getrokken. Een klomp verbrand vlees. Zwart geblakerd en bij de pols overwoekerd met strakgespannen rode blaren. Met moeite kan ik twee vingers onderscheiden Bijna organisch zijn ze met elkaar verkleefd. Ze herinneren mij vagelijk aan het lichaamsdeel dat ooit aan de onderarm bevestigd moet hebben gezeten. De bezitster van de vleselijke resten brengt een zacht klagend geluid voort. Een smeekbede om geld.

Tegenstrijdige gevoelens en gedachten maken zich van mij meester. Mededogen, begrip en genegenheid. Maar evenzeer irritatie, afkeer en wantrouwen. Beelden uit Slumdog Millionaire trekken aan mij voorbij. Scènes waarin volwassenen figureren die straatkinderen ronselen en hen opdragen om voorbijgangers geld uit de zak te kloppen. Inspelend op het medeleven van hun klandizie verminken zij de weerloze kinderen om de opbrengsten van hun bedelpraktijken te vergroten. Heeft deze vrouw haar toevlucht genomen tot een soortgelijke handeling om de gulheid van argeloze westerlingen af te dwingen?
.


Ik voel mij geblokkeerd in mijn handelen en verstrikt in mijn denken. Laat ik mij leiden door verstand en nuchtere berekening of ben ik bezig mij als een laffe rat aan mijn verantwoordelijkheden te onttrekken? Als de taxi weer optrekt, heeft geen van de inzittenen de smeekbede van de vrouw verhoord. Op onze bestemming aangekomen, vernemen we dat de chauffeur ons bij het afrekenen onbarmhartig heeft getild. Straf voor het weigeren van een uitgestoken hand? Afkoopsom voor een morele schuld?

V.S. Naipaul schreef ooit dat observaties van buitenstaanders over armoede in India zonder enige waarde zijn. Het zijn platitudes zonder betekenis, die steeds in dezelfde bewoordingen worden geuit. Ze onthullen weinig over de gevoeligheid van de waarnemer, maar verraden vooral zijn beperkte blik. De buitenstaander ziet het voor de hand liggende, maar heeft geen oog voor het omringende en voor het detail. In India moet je volgens Naipaul het voor de hand liggende negeren en dingen scheiden van mensen om van het onaangename te kunnen herstellen en zelfrespect te kunnen koesteren.

Een succesvol recept voor mentaal overleven? Dat moet worden betwijfeld. Naipaul zelf had drie boeken nodig om zijn verhouding tot India te kunnen bepalen. Werken waarin het weinig benijdenswaardige lot van de massa een terugkerend punt van aandacht is. Kennelijk zette de auteur zich toch niet zo gemakkelijk over het Indiase miljoenenleed heen. Maar toegegeven: bij het behandelen van dit thema is zijn observatievermogen ongeëvenaard. Zijn onblusbare nieuwsgierigheid brengt hem ertoe voorbij de mensen en achter de dingen te kijken. Hij neemt waar en rapporteert, maar hoedt zich voor iedere vorm van engagement.

En ikzelf? Het beeld van de uitgestoken stomp is scherpomlijnd en blijft ongemakkelijk stemmen. Zwart verbrande hand, onbruikbaar geworden, onbruikbaar gemaakt, het doet er niet toe. De kwetsuren vormen een stigma dat niet kan worden geheeld. Een merkteken van beschadigd leven, dat Mumbai in duizelingwekkende aantallen bevolkt en het zelfrespect van buitenstaanders op de proef stelt. De methode Naipaul schiet hier tekort.

dinsdag 12 januari 2010

Naipauliaans gedoe: ‘The World Is What It Is’, the authorized biography of V.S. Naipaul

door Tessa Leuwsha

De titel van de biografie van de schrijver V.S. Naipaul (1932) is de openingszin van zijn indrukwekkende roman A Bend in the River. Die zin lijkt het leven van de Nobelprijswinnaar samen te vatten tot één grote schouderophaling: alsof hij er zelf weinig invloed op heeft. Naipaul komt in zijn biografie naar voren als een pure egoïst. Hij neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden en met zijn ongezouten meningen weet hij hele volksstammen te beledigen. Zo wijdt hij in zijn reisverslag The Middle Passage (1962) een hoofdstukje aan Suriname, Coronie, onder de troosteloze aanhef ‘Desolation’. In het district gaat Naipaul op zoek naar de laatste hindostaan. Hij, die nog niet is verdreven door de plaatselijke negers voor wie de doortastende energie van Indiërs bedreigend zou zijn. Naipaul, hoewel zelf afkomstig uit een multiculturele samenleving, deinst niet terug voor een beetje racisme. Het lijkt een doorzichtig maniertje om de aandacht op zich te vestigen. De ontmoeting tussen de Indiërs wordt een treurige. De schrijver ziet een verlaten man in een verlaten landschap. Hij is opgelucht te kunnen vertrekken. V.S. Naipaul raakt doorgaans in een opperbeste stemming wanneer hij mensen op de kast kan jagen. Het is een Trinidadiaanse gewoonte van harde grappen maken, playing ole mas. Dat spel leverde Naipaul een levenslange vijandschap op met Derek Walcott, dichter en eveneens Nobelprijswinnaar voor de literatuur. De literatuurreuzen vechten hun vete in alle openlijkheid uit. Walcott dichtte op het Calabash Literary Festival 2008 in Jamaica:

I have been bitten, I must avoid infection
Or else I’ll be as dead as Naipaul’s fiction

Enzovoort, enzovoort, 108 lasterlijke pagina’s lang.

Naipaul spaart met zijn uitspraken ook zijn eigen geboorteland niet. Trinidad is een ‘vlek in de zee’ en wie zich tot het waardeloze eiland beperkt is gek. Zijn speelterrein is de wereld, over vele landen schreef hij artikelen en reisverslagen. Die nadrukkelijke afwijzing van zijn geboorteland verschafte de nakomeling van Brits-Indische contractarbeiders waarschijnlijk het geheime ingrediënt voor zijn succes. Hij wilde zich bewijzen. Hij wilde ontstijgen aan zijn armoedige milieu, beter worden dan zijn geliefde vader was: een matig journalist en schrijver. Dat er een vleugje brahmaans bloed door zijn aderen vloeit kwam van pas. Aan die vermeende geestelijke adelstand ontleende Naipaul al op vroege leeftijd een sterk gevoel van eigenwaarde.

De fictie van V.S. Naipaul is zeker niet dood, zoals Walcott het in zijn gedicht doet voorkomen. Miguel Street (1959), Naipauls eerst gepubliceerde roman, is een melancholisch en indringend portret van een stel aanmodderende mensen in Port of Spain. Een van hen, Elias, zakt telkens voor zijn examen. ‘Is the English and litricher that does beat me,’ zegt Elias in zijn dialect. Litricher (een verhaspeling van literature) is voor de naamloze verteller, de jonge Naipaul, een woord dat rijk klinkt als chocolade. Aan het einde van Miguel Street laat de jongen zijn wuivende familieclan achter op het vliegveld en hij vertrekt, zoals ook de schrijver in werkelijkheid, voor literatuurstudie naar Engeland.

Het op Trinidad gedroomde beeld van het machtige moederland blijkt al gauw niet overeen te komen met de werkelijkheid. Het zijn de jaren vijftig, Groot-Brittannië na de Tweede Wereldoorlog is arm, grauw en koud. Het Britse Rijk is aan het afbrokkelen. Naipauls integratie op de statige universiteit Oxford verloopt stroef. Er gelden diepgewortelde tradities die voor de bruine student uit de kolonie vreemd zijn. In overspannen staat vindt hij troost in de armen van medestudente Patricia Ann Hale. Ze trouwen, hoewel Pat niet zijn grote liefde is. Pat is flets, mager en later ook ongewenst kinderloos. Ze offert zich timide op aan haar echtgenoot, die ze in haar dagboeken ‘Genius’ noemt. Naipaul transformeert zich tijdens zijn studiejaren tot een upper class Brit, met hete aardappel in de mond en gereserveerde manieren. Hij besluit in de voetsporen van zijn vader te treden en schrijver te worden. Pats voorzichtig geformuleerde meningen op zijn manuscripten worden daarbij onmisbaar. Dit ook voor Pat zelf: het verschaft haar een identiteit, een reden van bestaan. Na een periode van armetierig geploeter neemt het succes van de Genius toe en daarmee zijn stress. In hun cottage in Wiltshire scheldt hij Pat geregeld de huid vol. Het echtpaar is, gedurende de perioden dat Naipaul aan een boek werkt, in de beslotenheid van het platteland tot elkaar verdoemd. Pat koestert ook zelf ambitie tot schrijven, maar ze laat zich in de schaduw van haar wederhelft beperken tot het bereiden van de maaltijden, tot de vaat en tot het beschouwen van zijn teksten.

Was een boek af, dan haastte de schrijver zich de cottage uit naar Argentinië, naar zijn minnares. Met Margaret Murray, getrouwd Gooding, onderhoudt hij decennialang een relatie. Margarita is alles wat Pat niet is: naïef, sexy en vruchtbaar. Tijdens haar affaire met Naipaul ondergaat ze meerdere keren een abortus. Ze zet man en kinderen aan de kant om hem op zijn reizen te vergezellen. Het is een relatie van aantrekken en afstoten. Niet zelden is de schrijver geïrriteerd door haar frivole aanwezigheid en wordt ze door hem naar huis gestuurd. Tijdens een bezoek van het stel aan Trinidad weigert ma Naipaul haar zoon met zijn buitenvrouw toegang tot haar huis. Ma dealt alleen met de wettige echtgenote, ook al is die echtgenote volledig van de romance op de hoogte. Haar zoon is furieus, maar ma houdt voet bij stuk: ze heeft de billen van de beroemdheid nog gewassen en is niet van plan nu naar zijn pijpen te dansen. Naipaul verbreekt vanaf dat moment ieder contact met haar.

Bij Margaret ontdekt de schrijver de kracht van lust en passie. Gevangen in een sleets, bijna platonisch huwelijk, zocht hij regelmatig zijn toevlucht tot prostituees. De wanhopige routine van de betaalde seks lijkt neerslag te krijgen op zijn werk. Met zijn grote roman A House for Mr. Biswas was volgens Naipaul zijn emotionele plafond bereikt. De gevoelens van de personages, gestoeld op zijn eigen familieleden, zijn zoals die van Naipaul zelf, bedwongen en kort gehouden. Dankzij Margaret gaan in A Bend in the River de remmen los. Naipaul valt het corrupte wanbeleid aan van een gedekoloniseerde Afrikaanse staat. Salim, een Indiase handelaar in dat land, raakt al zijn bezittingen kwijt aan het nieuwe zwarte bewind. Zijn aarzeling het land definitief de rug toe te keren wordt hem fataal. Salims minnares vertrekt wel op tijd. In hun laatste vrijpartij geeft Salim wraakzuchtig uiting aan zijn frustratie en wanhoop. Salims verhouding is die van Naipaul met Margaret: aantrekken en afstoten.

Pat wordt door haar echtgenoot steeds meer aan de kant geschoven. Ze is eenzaam en ze wordt ziek, borstkanker. De behandeling slaat aan, maar wanneer Naipaul in een interview onomwonden zijn vroegere hoerenloperij uit de doeken doekt, keert de ziekte in alle hevigheid terug. Pat weigert verdere behandeling. Naipaul is zonder haar praktische hulp onthand, hij mist de concentratie op zijn werk en heeft geen geduld met haar lijden. Pat sterft hem eigenlijk niet snel genoeg. Een paar dagen na een vlug georganiseerde begrafenisceremonie pakt hij de draad van zijn bestaan al weer op. De nieuwe Lady Naipaul trekt in de Wiltshire cottage, de Pakistaanse Nadira. De schrijver heeft haar op een van zijn reizen ontmoet. Good old Margaret heeft het nakijken.

Vidiadhar (Vidia) Surajprasad Naipaul is tegen zijn biograaf uitzonderlijk openhartig geweest. Zijn bewogen leven, dat hij volledig ondergeschikt maakte aan zijn werk, laat zich zo nu en dan lezen als een prachtige literaire soap. Een kijkje in de keuken van zijn vakmanschap krijgen we echter niet. Hoe zijn sterke personages en krachtige stijl ontstaan, laat de schrijver in het midden. Ergens is er een zinnetje over meervoudige bijzinnen die plotseling uit zijn pen vloeiden, that’s it. Het is alsof Naipaul, het kind uit een arm gezin, de immigrant in een vreemd land, zegt: ik heb ook niets cadeau gekregen. Zijn geheim blijft dus dat van de schrijver.


Patrick French, The World Is What It Is. The Authorized Biography of V.S. Naipaul.
London: Uitgeverij Picador.
Nederlandse vertaling: Jan Braks: V.S. Naipaul, een biografie. Amsterdam/Antwerpen: Atlas 2009
ISBN 978 90 450 10076

[Gepubliceerd in: De Ware Tijd Literair, 9 januari 2010, 53ste jaargang, no.13408]