Posts tonen met het label Narain Jit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Narain Jit. Alle posts tonen

zondag 24 februari 2013

Update Tori Oso avond 27 februari

Ook aanwezig bij de presentatie van Hecht en Sterk van Shrinivási zijn Hein Eersel, Jerry Dewnarain en Rappa. Samen met Lila Gobardhan zullen zij participeren in het panelgesprek over de bundel. Jerry Dewnarain heeft al een voorzet gedaan. Van zijn hand verschijnt op zaterdag 23 februari een recensie in De Ware Tijd Literair.
Diana Lebacs bij de Curaçaose presentatie van Hecht en Sterk

Op de S’77 avond van woensdag 27 februari zullen er twee boeken worden gepresenteerd. In het eerste deel van de avond gaat het om de nieuwe dichtbundel van Shrinivasi, Hecht en Sterk. Geert Koefoed verzorgt een korte inleiding en Jit Narain, Guillaume Pool en Lila Gobardhan dragen voor uit de bundel. Daarna volgt de paneldiscussie waaraan het publiek mag deelnemen. In het tweede deel van de avond presenteert Karen van Gelder haar boek Hilde. Hilde is een oude dame die terugblikt op haar flamboyante leven. Ze groeit op in de Surinaamse smeltkroes van rassen, rangen en standen. Door een tragische gebeurtenis kiest ze voor een bohemien leven en een glanzende carrière, haar grote liefde achterlatend. Pas na een jarenlange strijd met zichzelf is ze in staat de demonen uit het verleden te overwinnen. Een bijzondere inspiratiebron van Karen is ‘internal voice dialogue’, een concept van de psycholoog Hubert Hermans.

Beide publicaties zullen op de avond te koop zijn en u hebt de gelegenheid het boek Hilde te laten signeren door de auteur. Alle literatuurliefhebbers zijn van harte welkom. De avond is vrij toegankelijk. Aanvang: Stipt 20.00u.

[Mededeling van Schrijversgroep '77]

dinsdag 1 mei 2012

Jit Narain



Portret van de Surinaamse dichter Jit Narain, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 22 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

vrijdag 23 december 2011

Mohan torst in zijn eentje de Sarnámi traditie

door Michiel van Kempen

Met de literatuur in het Sarnámi, de moedertaal van de Surinaamse Hindostanen, is het een wisselvallige geschiedenis geworden. Na 1977 swingde de boel de pan uit rond arts/dichter/taalpropagandist Jit Narain in Den Haag, met zijn zingende broer Rabin Baldewsingh (the singing detective van het Haagse college van B & W), met de lederen feministe Gharietje Choenni, met de ragfijn dichtende Chitra Gajadin (de schrik van het eerste Sarnámi festival in Paramaribo), met Hindi hopman Surj Biere en de wandelende megafoon van de Sarnámi grammatica Moti Marhé. En natuurlijk met Cándani, vers van onder een districtskoe uitgekropen, niet gehinderd door enige kennis van welke schrijfwijze dan ook, maar wel wonderschoon zingend als een treurige leeuwerik aan het hof van koning Akbar. En dan, ploef, zakt het hele zaakje in elkaar, begraaft Narain zich in Saramacca, begint Choenni aan een striptease en kruipt er uit het zwarte leder nog slechts een pensionhoudster op Bonaire, encanailleert Cándani zich met de stankbel van Scientology en lijken alle anderen zich tevreden te hebben gesteld met de rol van voetnoot in de literaire geschiedenis. Rabin Baldewsingh verklaart publiekelijk dat schrijven in het Sarnámi geen zin heeft en de Hindostanen alleen maar terugdringt in groepselement; hier spreekt de brede burgervader in de dop.
Als die storm is overgewaaid duikt opeens Raj Ramdas op, broer van de zoveel beroemdere essayist Anil die nooit iets met de Hindostaanse beweging had, maar die zich wel als een echte pasja in India vestigde, voorzien van tuinman, chauffeur en kokkie. Raj Ramdas maakt indruk op het festival Winternachten met zijn voordracht uit zijn fraai uitgegeven bundel Kahán hai u/Waar is zij (2003). Als ook van die weldadig aanvoelende Sarnámi windvlaag helemaal niets meer te merken is, kondigt Raj Mohan zich aan, hij lijkt bereid de Sarnámi traditie in zijn eentje voort te zetten, eerst met de tweetalige bundel Bapauti/Erfenis (2008), nu met de omvangrijke bundel Tihá/Troost.
De tweede afdeling van de nieuwe bundel geeft 22 gedichten enkel in het Nederlands. De eerste afdeling bevat zeventien gedichten in het Sarnámi met een Nederlandse vertaling ernaast, waarbij direct gezegd moet worden dat deze vertalingen zich soms tamelijk ver van de oorspronkelijke taal begeven. Een dichter mag natuurlijk met zijn teksten doen wat hij wil, maar voor iemand die toch graag de twee versies wil vergelijken is het tamelijk hinderlijk dat de regels niet parallel lopen, ja, dat de Nederlandse vertaling soms meer dan een halve bladzijde langer uitpakt. Neem deze strofe van mooie zegging:

áj phir chhui ke jáylá tor ego puráná dukh

Wat dan in de vertaling tot klein brandhout verhakkeld wordt in zeven versregeltjes, alsof aan elk woord een gewicht van veertig kilo hangt:

vandaag
raak ik
weer eens
een oud
verdriet
van jou aan
en vertrek

Wat direct opvalt is hoezeer de twee afdelingen uiteenlopen naar inhoud én naar taal. De Sarnámi gedichten zijn intiem, geven kleine familiescènes, ontspruiten bijna altijd uit de melancholie over een verdwenen of een verdwijnende wereld. Ze worden gedragen door het verdriet van de migrant die ergens tussen India, Suriname en Nederland de coördinaten van zijn leven en – vooruit maar – zijn identiteit probeert te zoeken. Dat zijn allemaal motieven die ook uit het werk van de andere Sarnámi dichters bekend zijn. Natuurlijk speelt ‘áji’, de grootmoederfiguur, er een belangrijke rol in; bij welke van de Sarnámi auteurs wordt zij – de witgehaakte orhni op het hoofd, de koemest aan de hielen en de moede rimpels in het gezicht – niet tot leven gewekt in vaak liefdevolle versregels? Opmerkelijk is ook hoe eenvoudig het taalgebruik in die eerste afdeling is, hoe beperkt het vocabulaire (ik bedoel dat niet negatief!) en hoezeer dat vocabulaire helemaal in het verlengde ligt van de woordenschat van Narain en Cándani.

tor hawá men milal bá mahak hamár cháhe tor matti jagghá na de hai enrhi dhansáwe khát

mijn geur is vermengd met je wind
al geeft jouw aarde geen plek
om mijn hiel in te planten

De taferelen en metaforen die Mohan ons voortovert zijn traditioneel, het olielampje is er natuurlijk, het vuur, de rijst, de vleermuizen, de bruidsstoet, de diya, kortom: de hele setting van het rurale Hindostaanse leven. Naar de soms overdonderende metaforen die Jit Narain wist te vinden, zoek je bij Raj Mohan tevergeefs. Maar het is misschien niet helemaal fair om hem te vergelijken met een dichter waarvan er maar één per generatie, zo niet per eeuw voorkomt.

Op zich zijn Mohans vertalingen wel acceptabel, al haalt er niet één zelfs maar in de verte de klankrijkdom van het Sarnámi (de gedichten zijn ook als liedteksten bedoeld en je moet er Mohans CD Daayra eigenlijk bij beluisteren). Op enkele plaatsen zijn de vertalingen tenenkrommend prozaïsch, zoals in deze regels waarbij men wijlen J.-P. Balkenende zuinigjes-goedkeurend ziet knikken:

hoe red ik mijn cultuur
te midden van honderd rassen
normen en waarden van anderen

De afdeling met gedichten in het Nederlands herneemt wel enkele motieven uit de eerste afdeling, maar is veelvormiger, het gaat daar ook over het Suikerfeest, over een schietincident in Amerika en zowaar over dik-zijn! Het vocabulaire is ook veel uitgebreider, wat misschien ook wel komt doordat er geen beperking is om de tekst in een liedvorm te brengen. Voor Raj Mohan betekent dat dan dat het fijnzinnig oproepen van een sfeer zoals in de eerste afdeling plaats maakt voor benoemen. De Nederlandse poëzie is veel cerebraler dan die in het Sarnámi:

de muzen van Apollo
worden erbij geroepen.
gewekt uit een eindeloze droom
over kosmische muziek en aards vermaak.

deze fijnzinnigheid van twee werelden
verborgen in een halssnoer van parabels,
tooisel van de nieuwe keizers van theater

Mij lijkt dat de laatste twee versregels de poëzie uitmaken en dat de regel ervóór liever iets had kunnen beschrijven dat de genoemde fijnzinnigheid oproept, dan dat die regel zelf de fijnzinnigheid expliciet benoemt. Dat oproepen lukt Mohan overigens soms wel, zoals in een gedicht over een vakantie in Suriname, waar hij een hete asfaltweg in Suriname laat contrasteren met de schoorsteenmantel in Nederland. Hinderlijk in de bundel zijn wel verschillende taalfouten, zoals ‘jouw ellende kan ik/ niet meer te verdragen’, ‘zonder enig steun’ en ‘een interactief/ breedbeeld tv’. Gewoon niet aandachtig genoeg geredigeerd.
Maar goed, laat ik er nu maar het zwijgen toe doen, tenslotte kreeg ik op pagina 66 toch al een subtiele tik op de neus in het gedicht ‘geschiedenis’:

de blanke
vertelt mij zijn verhaal
en ik luister
de blanke
vertelt mij mijn verhaal
en ik luister


Raj Mohan, Tihá/Troost, Haarlem: In de Knipscheer, 2011. 74 p., ISBN 978 90 6265 661 5, prijs € 16,90.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

donderdag 25 augustus 2011

Interguyanese literatuur in Fort Zeelandia

Het Inter Guyana Cultural Festival gaat deze week van start en duurt het hele weekend door. In samenwerking met Schrijversgroep ’77 is een literair programma uitgezet. Op vrijdag 26 augustus beginnen de workshops Proza en Drama, verzorgd door resp. Ismene Krishnadath en Tolin Alexander. De workshops worden in de Louiseschool verzorgd en duren van 9.00 – 13.00u.

Op zaterdag 27 en zondag 28 augustus gaat het het literair gebeuren verder in Fort Zeelandia, in de expositiezaal boven de oude apotheek. Het publiek kan de hele dag, vanaf 9.00u boeken bekijken en kopen in de boekenstands. Op zaterdagochtend om 10.00u zijn er presentaties van schrijvers uit Guyana, Suriname en Frans Guyana. Vanuit Frans Guyana schuiven M. Henri Claude Coeta, Tchisseka Lobelt, Monique Dorcy, Marie Benoit aan. Coeta is schrijver, de rest van de delegatie is verbonden aan de Frans Guyanese organisatie Promolivres die regelmatig boekenbeurzen en internationale literatuurfestivals organiseert in Frans Guyana. Uit Guyana komen Jolyon Boston en Petambar Persaud (foto links). Deze laatste is bekend van zijn televisieprogramma’s met spoken word en orale vertellingen en erg actief in Guyanese literaire kringen.

Op zondag is er van 11.30u tot 12.30u een ochtendcauserie, een luchtig gesprek over schrijvers, boeken en leven in de Guyana’s. Hierbij zitten schrijvers Petambar Persaud, Tchissèka Lobelt en Cynthia McLeod aan. Zowel op zaterdag en zondag kunt u aanschuiven bij schrijvers aan tafel om hen de vragen te stellen die u altijd wilde stellen.

Op zaterdagochtend zijn de volgende Surinaamse schrijvers aanwezig: Rappa, Soecy Gummels, Jeffrey Quartier en Sombra. In de middaguren zijn dat: Susan van Dijk, Cobi Pengel en Charles Chang. Zondagmorgen kunt u babbelen met Kadi Kartokromo, Jit Narain, Indra Hu. ’s middags zijn Sombra, Roué Hupsel en Celestine Raalte present. Alphons Levens kunt u beide dagen ontmoeten in de boekenstand. Het is ook een goede gelegenheid om een praatje te maken met onze gasten uit de buurlanden en hun literaire producties te bekijken.

maandag 18 juli 2011

Gekte, daar draait het om

door Eva de Mulder

Jit Narain
Foto's © Michiel van Kempen
Op weg naar Uitkijk passeer je Stichting Educatief Centrum‘De Uitkijk’. Een project ontwikkeld door Jit Narain Baldewsingh. Omdat hij sociaal betrokken is, omdat hij iets wilde betekenen voor kinderen en volwassenen in de buurt. Bibliotheek, cybercafé en op zaterdag film. Hij financiert het project door zijn werkzaamheden als arts. En wie weet ook door de opbrengsten van zijn dichtbundels. Jit Narain over zíjn project en zíjn poëzie.

Verscholen achter de artsenpraktijk van Jit Narain Baldewsingh verrijst een splinternieuw gebouw: Educatief Centrum ‘De Uitkijk’. Jit Narain is de bedenker van het project, en kan niet wachten het te laten zien. Het heeft wat voeten in de aarde om de juiste sleutels te vinden, maar uiteindelijk krijgen we de deur van het slot en wandelen we de bibliotheek binnen. Een goed uitgeruste ruimte met een redelijke hoeveelheid boeken. Allemaal particuliere donaties. Hij vertelt uitgebreid over het idee achter het centrum. “Kinderen én volwassenen zouden zich op een toegankelijke manier meer moeten kunnen ontwikkelen. En hoe kan dat beter dan met een bibliotheek?” Maar omdat in deze tijd van informatievoorziening niet meer zonder computers en internet kan worden gewerkt, heeft hij aangrenzend een computerruimte gebouwd. Je kunt er niet alleen internetten, maar er worden ook lessen gegeven; voor beginners en gevorderden. De apparaten werden aangeschaft met behulp van sponsorgeld. De Sewa-stichting in Den Haag gaf een bedrag van 15.000 euro. De rest financiert hij zelf. Op de bovenverdieping bevindt zich een film- en theaterzaal. Helaas zijn de sleutels hiervan nu even écht onvindbaar. “Maar elke zaterdag worden er films vertoond: overdag voor kinderen, ’s avonds voor volwassenen. De toegang is maar een paar SRD.”

Tot zover het gerealiseerde gedeelte van het project. Jit Narain zit echter vol plannen om het centrum uit te breiden. Een zwembad is in aanbouw en hopelijk klaar vlak voor de schoolvakantie. “Maar door de regen lopen we wat vertraging op.” Aan de linkerkant van het gebouw zijn de vormen van het zwembad al goed zichtbaar.“Verder moet er een muziekschool komen. En een crèche. Tot slot komen er ook logeervoorzieningen voor vrouwen die het minder goed hebben en voor bejaarden. Deze mensen kunnen dan helpen in de crèche of in de bieb. En zo de cirkel weer rond.”

Op 8 april was de onofficiële opening. Scholieren werden uitgenodigd en nu draait het als het ware proef. Later volgt een grootse opening. “Als in ieder geval het zwembad af is. Dan moeten ook bussen gaan rijden, zodat iedereen het centrum makkelijk kan bereiken.”

Toen hij nog in Nederland woonde, was Jit (winnen) Narain (god) al zeer sociaal bewogen en maatschappelijk geëngageerd. Zo was hij actief in de politiek, was hij huiswerkbegeleider en liep hij in de jaren ‘80 samen met duizenden anderen mee in de protestactie tegen de atoombom. Al in de bewogen jaren ‘60 kwam hij naar Nederland. Om te studeren: medicijnen in Leiden. Hij hield zijn Surinaamse paspoort om zo in Nederland de militaire dienst te ontduiken. Hij trouwde, kreeg twee dochters en werkte jaren als huisarts in Den Haag. “Maar Nederland was mijn plek niet. Ik werd onrustig, omdat ik besefte dat wonen op één bepaalde plek niet in mijn aard ligt. En omdat ik me er niet prettig voelde als arts: de houding dat patiënten koning zijn, dat de politie niets deed aan de in de poli bivakkerende drugsverslaafden (‘ja meneer, dat is úw probleem’) en de manier waarop psychiatrische patiënten werden doorverwezen. Nederland is geen goed land voor de zorgsector.” In Suriname leek men hem als arts bovendien meer nodig te hebben, en zijn medische kennis dus beter besteed dan in Nederland. Uiteindelijk leidde dit in 1991 tot de terugkeer naar zijn geboorteland, om er een nieuw bestaan op te bouwen. Hij kocht een stuk grond en stichtte zijn nieuwe poli. Zijn uiteenlopende interesse is gebleven en gelukkig blijft het ook in Suriname niet alleen bij denken.


Eenbevlogen man, Jit Narain Baldewsingh. Bevlogen, strijdvaardig en mateloos enthousiast. Niet alleen over Stichting Educatief Centrum ‘De Uitkijk’, ook wanneer hij spreekt over zijn poëzie. Want bovenal is hij dichter. En een productief dichter bovendien. Hij laat zijn bundels zien, draagt voor en legt uit. “Het begon allemaal toen ik op de MAVO zat. Ik keek naar films en neuriede de muziek mee. Op de bestaande muziek bedacht ik nieuwe teksten. Niet bewust, het ging gewoon vanzelf.” Hoewel de Nederlandse taal op deze manier goed tot hem doordrong, werd het besef van zijn eigen taal (Sarnami) steeds sterker.Vanaf dat moment groeide de liefde en begon hij ook in het Sarnami te dichten. Talent zorgde voor de rest. “Talent is een opwelling die continu in je is”, zegt Jit Narain. “En het zorgt ervoor dat je iets kan zeggen, in geschreven woorden gevat. Die woorden brengen een emotie teweeg die uniek moet zijn. Dan is het kunst.” Sommige gedichten bedenkt hij in het Nederlands, anderen in het Sarnami. Deze taal heeft dezelfde woorden als het Hindi, alleen de grammatica verschilt.

Verzen ontstaan in een emotioneel denkproces. Jit Narain máákt gedichten.

Met een glinstering in zijn ogen en een onaangestoken sigaret verkeerd om in zijn mond,vertelt hij over zijn thema’s. “Ik heb geen muze, het leven is mijn inspiratiebron. Daar schrijf ik ook over. Over pubertijd en over mijn voorouders, over maatschappijkritische onderwerpen. Over dichter zijn en bewustzijn. Over de liefde, uiteraard, en over vriendschap. Onbedorven en onbevangen vriendschap, zoals kinderen die kunnen hebben. Zonder de dingen die het leven alleen maar kunnen bederven, zoals erotiek”.

In het Sarnami: Dosti ke cáh (wat vriendschap verlangt).

Wanneer weer
armen over elkaars schouders
zonder de aanraking te beseffen

Een aantal van zijn gedichten is ook in het Engels vertaald. Dat het vertalen van poëzie een kunst op zich is, ervoer Jit Narain met zijn vaste vertaler. Een voorbeeld:

De pen ligt er
het papier is willig
geen tekenen van klank

is vertaald als The pen is there, the paper is willing, no signs of sound. De nuances van de taal gaan soms verloren in de vertaling. Juist deze subtiliteiten zijn bij poëzie onontbeerlijk wil een gedicht je raken. Van de ene moederstaal kan Jit Narain het zelf makkelijk in de andere vertalen. “Omdat zowel het Nederlands als het Sarnami me van nature zijn bijgebracht, is het eenvoudig om het gevoel, de betekenis over te brengen. Zeker als je de componist bent van de tekst. Voor iemand die de woorden niet zelf heeft bedacht, is het idee erachter vaak moeilijk in woorden te vatten. En dat is nou precies de taak van een vertaler.”

Dat een gedicht meer is dan slechts woorden op papier, zegt de rest van het gedicht:

Wat waren ze wel
Bange, suffe, ontevreden
Betekenissen die zich schamen
Dat ze zouden binnentreden
En zich hullen in de spiegels van het blad
Willen ze onuitgesproken
Blijven
Nu kerf ik ze in glas

(Uit: wat vriendschap verlangt, door Jit Narain)


Alleen woorden op papier, blijven slechts woorden op papier. In glas gekerfd, zijn ze onontkoombaar, lijken ze betekenis te krijgen. Pas als je ze uitspreekt, gaan ze leven. “Juist daarom is het van belang dat gedichten hardop en bij voorkeur door de auteur zelf worden uitgesproken en voorgedragen. Klemtonen, accenten, ingelaste pauzes. Stuk voor stuk elementen die bijdragen aan de bewustwording van de tekst en de bedoeling van de ontwerper.” En dat Jit Narain kan voordragen, mag ik aan den lijve ondervinden. Niet alleen uit werken uit het verleden. Ook van zijn nog uit te brengen oeuvre licht hij een tipje van de sluier op.


Het afgelopen jaar heeft hij niet geschreven door de drukte met het opzetten van het Educatief Centrum. Nu hij alleen nog hoeft te adviseren en het verder allemaal ‘vanzelf’ gaat, richt hij zich weer op de poëzie. Het thema voor zijn nieuwe bundel: psychoses, schizofrenie en gekte. “Gekte, daar draait het om. Gespleten persoonlijkheid, het van binnenuit constant veranderen van perspectief.” Volgens Jit Narain roept schizofrenie hetzelfde op bij buitenstaanders. Die buitenstaander moet namelijk meegaan in de gedachte van iemand met een gespleten persoonlijkheid. Jit Narain licht dit toe met een voorbeeld uit zijn eigen praktijk. “Eén van mijn patiënten zette constant de tafels en stoelen in een andere opstelling neer. Wij zouden denken dat zo iemand gek is geworden. Maar de jongen zelf ziet het waarschijnlijk als de creatie van een architectonisch hoogstandje. De tekeningen in zijn hoofd wijzigen steeds, waardoor hij ook zijn opstelling moet bijstellen. Gek? Wij vinden waarschijnlijk van wel. Maar voor hem is het doodnormaal.” Verschil van inzicht leent zich natuurlijk uitermate goed voor poëzie. Hij zegt: “Terwijl het onderwerp vaststaat, denken de woorden magisch mee”.

Jit Narain: nog lang niet uitgedacht.

[uit Parbode, 1 juni 2006]

Jit Narain

Met twee voeten in de modder van de rijstvelden, de blik speurend naar het altijd wijkende vaderland in de verte: zo heeft Jit Narain zijn poëzie geschreven. Hij werd geboren op 7 augustus 1948 te Livorno, een plaats niet ver ten zuiden van Paramaribo in Suriname. Hij groeide op binnen een homogeen hindostaanse cultuur en kwam op de lagere school in contact met de `buitenwereld': andere talen, andere bevolkingsgroepen. Hij maakte de overgang naar de stad, behaalde het middelbare school-diploma en ging naar Nederland om medicijnen te studeren. In 1979 vestigde hij zich als huisarts in Den Haag, om eerst in 1991 weer te repatriëren. Hij beheert nu een polikliniek in het district Saramacca en bouwde achter zijn huis een cultureel centrum.


Rechts: Michiel van Kempen en Jit Narain;
foto @ Ruben


In zijn jaren in Nederland ontplooide Jit Narain zich als de peetvader van de literatuur in het Sarnami, de taal van de Surinaamse hindostanen, waarin tot aan het einde van de jaren '70 nooit boekuitgaven waren gerealiseerd. Narain stichtte een collectief van schrijvers, gaf een tijdschrift in het Sarnami uit en schreef samen met de indoloog Theo Damsteegt een leerboek Sarnami. Begin 1978 kwam eerste dichtbundel Dal bhat chatni: Rijst, gele erwten, chutney - het dagelijkse voedsel van de eenvoudige hindostanen. Jit Narain stond tussen hen in, bezong voor hen de eigen geschiedenis in hun `boerentaal', tilde die taal op tot een literair niveau en toonde met vertalingen van die poëzie en met zijn Nederlandstalige werk in een achttal bundels de buitenwacht het wezen van de hindostaan. `Ik schrijf voor mijn ajá [grootvader van vaderskant] en zijn generatie; ik ben hun verschuldigd hun geschiedenis en hun taal niet weg te laten vagen.' In zijn laatste poëzie bezint hij zich op het leven als een deelhebben aan de begrensde tijd, een leven dat vuil maakt, maar dat ook kleurrijk is en hoop geeft, soms tegen de wanhoop van het schrijven en de dood in.

Michiel van Kempen



Jit Narain


arkáthi se máre kantráki
tohre pe ká gujral, orhni ká ká chipáis

denh pháre khun bujbujáy
i ghát man ná bháwe, u pardesi sujháy
kabbo man karke kabbo dil tút jáy

ham atkal holland men jiw bhatke
ká sikhli tose itihás re

bakrá ke mailá sáth ham baih jáb
talphalát ohí orhni tare nánk dabáy ke


[Vertaling:]

contractarbeiders zo talrijk dankzij de ronselaars
wat is u niet overkomen, hoeveel houdt de sluier niet bedekt

het bloed bruist 't lichaam scheurend omhoog
deze oever is niet goed voor mij, de andere voelt vreemd
soms barst 't innerlijk soms breekt 't hart

als een graat in de keel blijf ik in holland hangen, mijn ziel doolt
wat heb ik door uw geschiedenis geleerd

met het vuil van de hollanders drijf ik weg
spartelend onder die sluier, neus dicht voor de stank

[Vertaling: Jit Narain & Effendi Ketwaru]


Nickerie, Zeedijk, foto @ Michiel van Kempen

dinsdag 17 mei 2011

Ah had ah right to leave an go...

door Effendi N. Ketwaru

Mensen verhuizen. Dat doen ze al eeuwen. Duizenden jaren terug verplaatsten indianen zich uit Siberië naar Noord- en Zuid Amerika en kwamen zo in Suriname terecht. Europa onderging de grote volksverhuizingen waarbij volkeren uit Azie en Oost-Europa zich te vuur en te zwaard daar vestigden. Ieren vluchtten na de grote hongersnood van 1848 naar Amerika, Turken begonnnen in de jaren zestig van de vorige eeuw West-Europa schoon te maken en Surinamers vluchtten in de jaren zeventig en tachtig massaal naar Nederland. Tegenwoordig lopen Mexicanen zich te pletter tegen de grens van de Verenigde Staten, wagen Afrikanen in schamele bootjes de oversteek naar Europa en komen Chinezen met vliegtuigladingen en - volgens velen - met winkelvergunningen aan in Suriname.
Ruim een eeuw geleden kwam de migratie van hindostanen uit India door contractarbeid naar Suriname op gang. Wie migreert, laat echter niet alleen zijn geboortegrond maar ook vaak zijn vrienden en familieleden achter. Hoe ervaren en hoe vangen zij dit vertrek op? Kahe gaile bides, Why did you go overseas? gaat over de wijze waarop van elkaar gescheiden familieleden (zowel in India als in Suriname) uiting aan deze scheiding gaven.


Hindostanen in traditionele klederdracht. Foto P.H. Hiss, ca. 1945, collectie Tropenmuseum 60006530. Deze foto siert het omslag van de besproken uitgave

Bides
In Calcutta werden de gerekruteerde contractarbeiders bijeengebracht en van hieruit werden ze naar plantages, verspreid over de aardbol, verscheept. Reeds aan het einde van de negentiende eeuw duidden de dorpelingen van Bhojpur met de term ‘bides’ een ver gebied, een onherbergzaam eiland ergens in het Oosten (in de richting van Calcutta), aan. En ‘bidesia’ sloeg zowel op een permanent vertrek naar een onherbergzaam gebied met het karakter van een bannelingenoord als op degene die daarheen vertrokken was.

In veel liederen en toneelstukken werd de scheiding van familieleden, vooral de scheiding tussen man en vrouw, gevarieerd en geproblematiseerd. Vaste thema’s in de liederen en toneelstukken waren slechte schoonmoeders, grote armoede en onmenselijke werktijden voor de vrouw (omdat haar man als buffer tegen de familieleden en als werkkracht thuis, maanden en soms jaren of zelfs permanent afwezig was). Het duurde niet lang of men kon van de zogenaamde Bidesia-cultuur van Bhojpur spreken: de vertolking in muziek, dans of drama van het verdriet om de scheiding van een geliefde die zich langdurig elders bevond.

Groene spin
Om dit verdriet, de eenzaamheid en het lijden, te uiten en te verlichten, schiepen de achtergeblevenen ‘migratie’-goden die ze van tijd tot tijd raadpleegden en offers brachten. Een van de migratiegoden had volgens het volksgeloof zelfs een postbestelwagen als vervoermiddel om de brieven naar het plaatselijke postkantoor te brengen. En als de post weer eens in gebreke bleef, hadden de dorpelingen nog altijd allerlei voortekenen waarop ze konden rekenen: wanneer de roep van een bepaalde vogel klonk, zou de man thuiskomen met geld en geschenken, wanneer een groene spin de linkerschouder van de vrouw zou beklimmen, betekende dit dat de man opmaakmiddelen voor de vrouw mee zou brengen. En jeuk aan de linkerhandpalm of dromen over kleine vissen of een bijtende slang was eveneens een goed voorteken.

Bidesia-project
Een tiental jaren geleden vroeg een socioloog in Allahabad zich af of de bidesia-cultuur van Bhojpur een pendant had in de gebieden waar de migranten zich gevestigd hadden. Suriname was een van die migratiegebieden en zo werd een onderzoek, het Bidesia-project, geboren. Drie onderzoeksinstituten – het G.B. Pant Social Science Institute in Allahabad, het Koninklijk Institituut voor de Tropen in Amsterdam en het IMWO van onze universiteit – bogen zich vanaf 2005 over dit onderwerp. Echter, louter onderzoek naar bidesia-parallellen was de instituten niet voldoende: men zou de orale erfenissen van de drie landen optekenen en bestuderen, de muziek- en dramatradities van Bhojpur vergelijken met die van de hindostanen in Nederland en Suriname en de structuur en beeldspraak van het Sarnámi en het Bhojpuri met elkaar vergelijken.

Zand tussen de kiezen
Helaas hebben de auteurs/onderzoekers er met de pet naar gegooid. Het begint al op de binnenflap van het boek: '...a massive global churning in the form of huge populations of Indians to various countries like Suriname, Fiji, Mauritius, Guyana, Trinidad, and other Caribbean countries. All these Indians, most of whom belonged to the Bhojpuri region of Bihar…' Sinds wanneer bevinden Fiji en Mauritius zich in het Caraïbisch gebied? En elke geïnteresseerde leek weet inmiddels dat het gros van de contractarbeiders voor Suriname niet uit Bhojpur maar uit de toenmalige United Provinces (het huidige Uttarakhand en het noordelijk deel van Uttar Pradesh) kwam!

Herkomstgebieden van de Brits-Indische contractarbeiders die naar Suriname migreerden

Wie het boek openslaat, krijgt meteen zand tussen de kiezen bij de eerste regels van de inleiding: In the colonial period when the European colonial countries like the United Kingdom, France and the Netherlands were extending their domain across the globe through their colonies, they set up a large number of sugar, coffee, cocoa, jute and other plantations in some of the Caribbean countries that were their colonies like Suriname, Fiji, Mauritius, Guyana, Trinidad etc. These plantations, which were owned and overseen by Europeans from the colonial countries, needed labourers to work in them. After the abolition of slavory from the world… [11]
Het heeft er veel van weg dat de oorspronkelijke tekst eerst in een soort Broek-in-Waterland-Nederlands opgesteld was om deze vervolgens in Kaaskoppen-Engels aan de lezers te presenteren. Nog een kleine greep: …started being met from population rich regions… (19), …narrate a funny joke (155), Gradually however the Hindustanis rapidly progressed socially…. (89), And one who doesn’t know it better (107), enzovoorts, enzovoorts.

Natte vingerwerk
Het zou te ver voeren om uitgebreid op de potpourri van misslagen, verwarrende passages, mythes en tegenstrijdigheden in dit boek in te gaan. De hoofdstukken lijken zonder inhoudelijk overleg tussen de auteurs geschreven te zijn. Vrijwel nergens wordt de folkloristische cultuur van Bhojpur met die van Suriname vergeleken en zo dit gebeurt, is er geen diepgang, gewoon omdat er veel te weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan is. Over beeldspraak in het Sarnámi, laat staan een vergelijking met het Bhojpuri, rept men met geen woord. Over de positie van het Sarnámi in Suriname en Nederland zijn de auteurs erg onduidelijk: The status of Suriname is once again reviving... (96), Since the beginning of the 1990s, however, hardly any activity has been discernable in the area of Sarnámi, and the movement does not seem to have had a lasting impact (135), However there seems to be hope for Sarnámi language, (…), a few concerned persons including poets and researchers have been trying hard over the years to make the Hindustanis aware of the richness of the language and revive its lost prestige in their eyes so that the language does not die out althogether (136/137). Met het muziek- en dramagedeelte van het boek is het niet veel beter gesteld. Veel beweringen over de muziek van de hindostanen ontberen enige wetenschappelijke grond en lijken vooral op natte vingerwerk. Helemaal verwarrend is het gedeelte over de chutney-stijl waarbij we niet weten wanneer we te maken hebben met louter commerciële dansmuziek met scabreuze teksten die we zouden moeten toejuichen of afkeuren, want de auteurs steken niet onder stoelen of banken dat ze alles wat ‘eigen’ is - of, paradoxaal genoeg, sterk op de Bhojpuri-cultuur lijkt - bijzonder waarderen. Over het dramagedeelte valt weinig te zeggen. De meeste informatie leunt op het verkennend onderzoek van Michiel van Kempen en veel verder is men met dit boek niet gekomen.

Brahmanen
Het is opvallend dat de auteurs van het boek de kritiek van Jit Narain, Chitra Gajadin en Cándani (foto links) op bepaalde aspecten van de contractarbeiders en hun nakomelingen - een toch wel heel wezenlijk deel van het oeuvre van deze dichters - niet belichten. Waarschijnlijk laten de auteurs dit na omdat het niet in het beeld past dat zij van de hindostaanse groep wensen te scheppen: door list en bedrog naar Suriname gelokt, dwangarbeid op de plantages verricht, tegen de verdrukking in muziek, literatuur en drama geschapen en van dwangarbeider tot succesvolle zakenman of intellectueel opgeklommen. Een hardnekkige mythe over de contractperiode is die van de misleiding door de wervers. De auteurs blijken aanhangers van deze mythe omdat ze instemmend Rahman Khan ten voorbeeld stellen die in zijn autobiografie vertelt dat hij door de glib tongue (21) van de wervers overgehaald werd om naar Suriname te gaan. Dit is op zich al heel merkwaardig omdat Rahman Khan een ontwikkeld persoon was en bovendien door zijn vader voor de wervers gewaarschuwd was. Rahman Khan had zijn vader zelfs geantwoord dat hij zich niet zou laten pakken door de gladde praatjes van de wervers. Hoe dan ook, deze mythe, namelijk dat het merendeel van de contractanten onontwikkeld en goedgelovig was en daarom gemakkelijk door de wervers bedrogen en misleid kon worden – tussen haakjes, hebben de auteurs ooit wel eens een hedendaagse wervingsadvertentie voor de marine gezien? - wordt door de auteurs zelf tussen neus en lippen door ontkracht: Since no high cast Brahmins were allowed to immigrate, many Brahmins changed their name by dropping their surnames and giving up religious symbols like the holy thread (25) Brahmanen waren ontwikkelde mensen, ze waren alfabeten en ze konden niet gemakkelijk voor de gek gehouden worden (behalve munshi Rahman Khan dan). Maar blijkbaar was de armoede zo schrijnend dat zelfs Brahmanen - die toch wel wisten dat ze niet naar een vakantiekamp gingen - voor ‘bides’ kozen.

Tegendraads
De passages over de bidesia-cultuur en de hedendaagse arbeidsmigratie van Bhojpur zijn het interessantse deel van het boek omdat ze enerzijds een poëtisch en anderzijds een schrijnend beeld geven van respectievelijk muziek en drama in Bhojpur en van de huidige seizoensmigratie. Ronduit verfrissend en tegendraads is het hoofdstuk waarvoor Chitra Gajadin (foto rechts) tekende. Openlijk heel subjectief – dus niet in omfloerste quasi-wetenschappelijke taal - gaat ze lijnrecht tegen tal van (politiek correcte) beweringen van de andere auteurs in en ze is niet bang de plank mis te slaan (wat ze dan ook vaak doet). Zij is niet voor niets de enige persoon die expliciet als auteur van een hoofdstuk wordt opgevoerd, waarschijnlijk omdat de overige auteurs – die als medewerkers in het colofon worden vermeld - zich van haar bijdrage wensten te distantiëren.

In dezelfde no-nonsense stijl van de Nederlandse Chitra Gajadin en de Trinidadiaanse chutney-queen Rawytee Ramroop zou daarom het antwoord van de migrant op de vraag ‘Why did you go overseas?’ eenvoudigweg luiden: ‘Ah had ah right to leave an go!


Kahe gaile bides, Why did you go overseas?; Mango Books/KIT Publishers/Spot Creative Services, Amsterdam/Allahabad, 2010
Compiled and edited by Mousumi Majumder. Contributions by:Badri Narayan Tiwari and Nivedita Singh (India), Narinder Mohkamsingh, Elizabeth den Boer, Sahiensha Ramdas en Maurits Hassankhan (Suriname), Chitra Gajadin (the Netherlands) ISBN 987 90 6832 740 3

donderdag 27 januari 2011

Jit Narain - Dosti ke cáh/Wat vriendschap verlangt

kab phir, kandhá pe háth dharke, aklese apne men satke,
gattá gattá, merhi merhi, peti jhalási, per per
u dosti ke yád karke, yád men dohrái.

bacpan ke kai bát to bhul gaili, katne khiyál se bhi utar gail
bhul ná já ki bacpaná bit gail, chor ke yád dosti ke dhang ke,
kare men sapre kaise.

sáth men calo to bic se baisikil pás ho jáe,
atpat lage ki dehin, dehin se chuwáe,
bacáike hamlog calilá algiyáe.

baki apnese dosti pe kit ke dág phailal hai,
caddar puráná hai hiláke jhár de, bisai dostiye ke hai
to dág men larakpan ke rup hoi.

jaun dosti men larakpan ke lakchuwái tak bhi ná,
jaun cij men bacpaná ná
okre jar men karári aur punai men wádá pale hai.
omen apne men bhet kare khát jagáh khoje ke pare hai.

[Sarnami]



wanneer weer,
armen over elkaars schouders,
zonder de aanraking zelfs te beseffen,
sawa's dammen plassen struiken bomen,
zal ik de herinnering aan die vriendschap
in mij voelen leven.

hoeveel van wat in de jeugd gebeurd is ben ik niet vergeten,
hoeveel is allengs niet uit mijn aandacht getreden,
vergeet niet dat de jeugd voorbij gegaan is,
achterlatend de herinnering aan de kunst om vriend te zijn,
om te worden lijkt die kunst nu onmogelijk.

lopen wij nu samen dan kan een fiets er tussen door,
als een schande voelt het aan wanneer het lichaam het lichaam raakt,
daarom lopen wij voorzichtig uit elkaar.

maar vanzelf breidden vlekken vuil zich over die vriendschap uit,
de deken is oud klop hem uit.

als het om de vriendschap gaat, zal in de vlekken de kinderlijkheid
terug te vinden zijn.

in vriendschap waarin geen schijn van kind zijn is,
in alles waaraan de jeugd ontbreekt,
gedijt in de wortels het afspreken, in de takken het belo¬ven,
om elkaar te raken is een keuze van een plek nodig.

[Uit: De Gids, jrg. 153, nr. 10/11, oktober/november 1990; vertaling: Jit Narain, Geert Koefoed & Effendi Ketwaru]