Posts tonen met het label Marugg Tip. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marugg Tip. Alle posts tonen

donderdag 19 december 2013

Dushi Willemstad van Ko van Geemert

door Eric de Brabander

Recent las ik een blog van de auteur van het boek Het Einde van de Antillen, van Freek van Beetz. Van Beetz was tot 2010 adviseur van de regering van de Nederlandse Antillen. De uitgever van het boek van van Beetz had een recensie-exemplaar gestuurd naar de Nederlandse kwaliteitskrant het NRC. Het boek werd door de redactie teruggestuurd met de vermelding dat de politieke geschiedenis die samenhing met de ontmanteling der Antillen niet direct het interessegebied was van de lezers van het NRC. De volgende dag stond er een uitgebreid en diepgaand artikel in het NRC over vermeende corruptie op Bonaire en de afluisterpraktijken van Nederland. Het artikel 'illegale spionage op Bonaire' verscheen in de editie van 21 november. Klaarblijkelijk lag deze corruptie wel binnen het genoemde interessegebied van de NRC-lezers, meende van Beetz.

Hij noemt de gedragslijn van de Nederlandse media wat betreft de voormalige Antillen hardnekkig. De interesse gaat niet verder dan moord, doodslag en corruptie op onze eilanden. Afstand nemen van ingesleten beeldvorming vraagt kennelijk teveel, zo gaat van Beetz door. Teveel tijd, teveel energie, teveel inlevingsvermogen. Het steekt de eilandbewoners terecht als van de eilanden afkomstige succesvolle sportlieden steevast als 'Nederlanders' worden geprezen en criminelen het etiket 'Antilliaan' krijgen opgespeld. Met de literatuur is het niet veel anders.

Tip Marugg
Zo kreeg een in Nederland wonend neefje van een patiënt van mij het idee om een scriptie te schrijven voor het VWO- eindexamen Nederlands over de schrijver Tip Marugg. De Nederlandse leraar reageerde geïrriteerd. De Antillen, daar komen toch alleen streekromans vandaan, zei hij. Het neefje zette door en de leraar was groots genoeg zijn gebrek aan kennis toe te geven en beloofde de boeken van onze grote schrijvers te gaan lezen. Voor mij behoren Tip Marugg en Boeli van Leeuwen tot de groten der Nederlandse literatuur. Zij horen thuis in het rijtje Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans, Louis Couperus, Karel van den Woestijne en Hugo Claus, om er maar een paar te noemen.

Frank Martinus Arion. Foto © Klaas Koppe
De enige die voor het Europees Nederlandse publiek doorgebroken is, is Frank Martinus Arion. En maar met een enkel boek, Dubbelspel. Dubbelspel heeft alle karakteristieken van een streekroman, een uiterst vernuftige streekroman. Het boek geeft de Europese Nederlander inzicht in het denken van de tropische koninkrijksgenoot, het lezen van het boek geeft de Hollander houvast in onze maatschappij. Denkt hij. Want Dubbelspel ontleent niet alleen de titel aan het op Curaçao populaire dominospel. Het is de dubbele gelaagdheid, die de niet ingewijde gemakkelijk mist. Zonder dat het deert want het ingenieuze van het boek is dat het op twee manieren leesbaar is. Het verhaal zelf is boeiend genoeg, ook als de intrinsieke boodschap niet begrepen wordt.

Jan Brokken schreef een aantal jaren geleden het boek Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin.Voor dit cultuurhistorische werk had Brokken tien jaar lang onderzoek gedaan. Op virtuoze wijze beschrijft hij in dit boek de historie van de Antilliaanse muziek. Muziekminnend Nederland was verbaasd. Antilliaanse muziek, dat was toch oorverdovend negergeroffel op olievaten, geblaas op koeienhoorns en gerinkel met hoefijzers. Daar hoorden folkloristische dansen bij, uitgevoerd door mannen gehuld in meelzakken en vrouwen in fleurige jurken.
Brokken legde het verband tussen de culturen, de smeltkroes, die Curaçao al vijf eeuwen is en de muziek die deze heeft voortgebracht. Hij zorgde ervoor dat de Hollanders aan de overkant van de oceaan een inkijkje hadden in de veelzijdige historie van de Antilliaanse muziek en haar componisten. Holland reageerde eerst verbaasd en direct daarna enthousiast. Klaarblijkelijk hebben we een Hollander nodig om aspecten van onze onderbelichte cultuur naar Europa te brengen.

En nu maken we kennis met Ko van Geemert. Het boek van Van Geemert is een wandeltocht door het Willemstad van vroeger. Al lopende door de straten van Punda en Otrobanda vertelt van Geemert over de geschiedenis van de Curaçaose literatuur en laat daarbij geen auteur, de bekende als ook de minder bekende, onbesproken. In het boek Dushi Willemstad wordt niet alleen Curaçaose literatuur besproken, maar komt ook de culturele en sociale structuur van het eiland aan bod, met al zijn dilemma’s en de voor de buitenstaander moeilijk te doorgronden verhoudingen. Het boek is een zeer uitgebreide feitenverzameling. Van Geemert is erin geslaagd dit materiaal zodanig samen te stellen dat het boek eenvoudig leesbaar is, en de verhaallijn voelbaar blijft, als ware het een roman. De uitgever Bas Lubberhuizen is samen met van Geemert en zijn echtgenote, en een aantal literatuurminnende Nederlanders afgereisd naar Curaçao om het boek te presenteren. Deze presentatie vond in Avila plaats, waar de geest van Boeli van Leeuwen nog voelbaar is. De eigenaar van Hotel Avila, de Deen Nic Moller, was een intieme vriend van Boeli van Leeuwen en heeft aan het boek Dushi Willemstad een bijdrage geleverd over Boeli. Anderen die aan het boek hebben bijgedragen zijn Lucille Berry, Carel de Haseth, Jan Brokken en Wim Rutgers.
Lucille Berry-Haseth. Foto © Aart G. Broek
Op de kaft prijkt een prachtige foto van het Avila van vroeger. Mijn goede vriend Chris Winkel herkende direct zijn opa Gungu Maal op de achtergrond, de zonderlinge oogarts die het gebouw in de Penstraat kocht om er een oogkliniek van te maken, maar die er na zijn pensionering een pier voor liet storten en het hoofdgebouw omtoverde tot een een guesthouse. Het boek zelf is geïllustreerd met talloze foto’s, van de auteurs waarvan velen allang op het kerkhof, van historische momenten, van gebouwen.

Caribisch-Nederlandse literatuur kreeg in Nederland zelf nooit de aandacht die ze verdiende, net zomin als Caribische muziek. Veel van het schrijfwerk is door de auteurs zelf uitgegeven daar het door onze kleinschaligheid vrijwel onmogelijk is om met een locale uitgeverij een boterham te verdienen. In Nederland zijn er maar enkele uitgeverijen die een fonds hebben voor Caribische literatuur. Uitgeverij Conserve in Amsterdam, In de Knipscheer in Haarlem, en nu dus de uitgever Bas Lubberhuizen die met eigen ogen heeft kunnen aanschouwen dat er op Curaçao meer is dan in de Nederlandse mist gezien wordt.
Van Geemert schreef eerder de literaire stedengids Paramaribo Brasa!. Ook publiceerde hij Amsterdam en zijn schrijvers, Het einde. Wandelen rond eindhaltes van de tram in Amsterdam, en Dum Vivimus Vivamus, over de gelijknamige serie schilderijen van zijn zwager Jeroen Krabbé, welke laatste ook geen onbekende op ons eiland is.
Het boek Dushi Willemstad van Ko van Geemert is naar mijn mening nu al een historisch document. Omdat het van Geemert gelukt is om in een enkel geschrift de geschiedenis vast te leggen van 150 jaar Curaçaose literatuurgeschiedenis. Ik mag hopen dat dit boek veelvuldig uit bibliotheken geleend zal worden, op scholen zijn weg vindt, gaat dienen als studiemateriaal voor scripties Nederlands maar ook dat u het onder de kerstboom gaat vinden.

[Ontleend aan Antilliaans Dagblad, 17 december 2013, pp. 14-5.]

zondag 15 december 2013

Tip Marugg en de literatuur: “Ik schrijf om te overleven”

Tip Marugg zou op vrijdag 14 december 2013 90 jaar geworden zijn.
Tip Marugg


Recensenten: de critici, de boekbesprekers, de boekjourna­listen, de boekbabbels, de luizen van de literatuur (Tip Marugg: Amigoe, 26 maart 1977)


De “funeste positieve discriminatie die in bepaalde kringen zowel hier als in het noordoostelijk deel van het koninkrijk wordt bedreven door elk Antilliaans geschrift dat op een rood-wit-blauwe maandag in druk verschijnt, met triomfbogen en luid hoerageroep  binnen te halen” is wel een van de bekendste en meest geciteerde uitspraken van Tip Marugg als criticus.

Silvio Alberto Marugg was niet alleen creatief auteur van de drie bekende romans Weekendpelgrimage (1957), In de straten van Tepalka (1967) en De morgen loeit weer aan (1988) en een relatief klein aantal veel minder bekende want moeilijk interpreteerbare gedichten, maar ook op enkele ver uiteen liggende momenten van zijn leven een kritische criticus van recente publicaties: eind jaren veertig in Today, in La Prensa, een enkele keer in de Beurs- en Nieuwsberichten, en in de jaren zeventig in de Amigoe. In zijn recensies besprak hij zowel lokaal als internationaal werk. Het hiervoor gegeven citaat komt voor in zijn bespreking van Norman de Palm: Onderweg / Na kaminda, een dichtbundel die in 1977 verscheen.

Hoewel Marugg zich wel eens badinerend uitliet over recensenten - de critici, de boekbesprekers, de boekjourna­listen, de boekbabbels, de luizen van de literatuur - (VW 2009: 499) nam hij dat werk persoonlijk echter wel serieus. Waarover schreef Tip Marugg, voor welke auteurs en werken interesseerde hij zich en wat was zijn opvatting over wat goede literatuur naar aard en functie diende te vertegenwoordigen?

                                        [De Nederlandse auteur] Van
                                        het Reve en ik schelen
                                        nauwelijks veertig uur
                                       van elkaar in geboorte-uur.
                                       De Heer moet wel erg
                                       toornig zijn geweest in
                                       de maand december van
                                       dat verschrikkelijke jaar.
                                       (Beurs- en Nieuwsberichten,
                                       21 juni 1979)

Het literaire terrein waarop hij zich bewoog was zo breed en internationaal georiënteerd dat het bijvoorbeeld besprekingen van lokale tijdschriften als De Stoep (1940-1951), het Mikvé Israëls Rosh Hashana-nummer (1949) en het dikke gedenkboek Oranje en de zes Caraïbische parelen (1948) omvatte, maar ook een regionale auteur als de Surinamer T.J Arkieman (Tjark Rudolf Petzoldt), de Nederlandse Adriaan Hulshoff  (Jo van Ammers-Küller), de Noord-Amerikaanse kunstenares Helen Frank en de romanciers Philip Roth en Erica Jong, de Engelse Virginia Woolf  en de Russische schrijver Ljev Nikolajevitsj Tolstoj. Tip Marugg was zowel een creatief schrijver van kaliber, maar ook een erudiete veellezer van heel divers werk.

Wat waren zijn opvattingen over literatuur? Wat vond hij in het werk van anderen belangrijk? Wat bracht hem er toe het werk van collega schrijvers te kritiseren? Tip Marugg was in de Tweede Wereldoorlog in militaire dienst, waar hij onder meer René de Rooy en Luis Daal ontmoette, met wie hij veel over literatuur sprak. Het zal Luis Daal geweest zijn die hem na de oorlog tot het recenseren in diens blad La Prensa heeft aangezet: “De essayist Luis Daal en de dichter Marcel de Bruin: de een stijfkoppig, ietsje hoogmoedig en met een ergerlijk gevoel voor zindelijkheid, de ander Surinaams-verwaand en continu in vuur gerakend, maar allebei van een grote liefde voor de bellettrie be­zeten, die al hun overige zielsgebreken vergeeflijk maakte. (VW 2009: 450)

Twee perioden
Het recensiewerk valt grofweg gezien uiteen in twee, niet minder dan bijna dertig jaar uiteen liggende perioden, maar vertoont desalniettemin een opvallende consequentie van opvatting. In zijn recensies toont Marugg zich een nauwkeurig intrinsiek lezer die de tekst zoveel mogelijk recht wil doen. Van tijd tot tijd lardeert hij deze vorm van recenseren met persoonlijke opmerkingen over wat in zijn ogen aard en functie van literatuur dient te zijn en te bevatten. Hij pleit onveranderlijk voor serieus werk en heeft een hekel aan alles wat zich als ten dienste van de commercie voordoet. Zo wijst hij gemakkelijke sensatie resoluut af bij Adriaan Hulshoff’s ‘Curaçaose’ roman Dorstig Paradijs (1948), want hierin “treffen wij noch sympathie noch antipathie aan, doch hetgeen erger is, een geroutineerde sensatiezucht. (La Prensa, 26 augustus 1949)
Ook het erotiserende werk van Erica Jong moet het ontgelden, niet om het erotische maar om het commerciële ervan: “Haar tweede als afrodisiacum verpakte roman is een vervolg op de eerste sexistentialistische drievuldigheid.” (Amigoe, 8 oktober 1977)

In een van zijn vroege beschouwingen pleit hij daarom voor ruimte die de maatschappij een kunstenaar dient te verschaffen, waar tegenover staat dat “elke ware kunstenaar (…) weet dat erkenning hoort af te hangen van de diepte van zijn schepping …” (La Prensa, 30 mei 1949) De ‘diepte van zijn schepping’ niet het oppervlakkige de lezer naar de ogen zien.
In dezelfde lijn ligt een op het eerste oog hiermee tegenstrijdige opmerking als “Een boekhandel is ook een commerciële instelling en is verplicht ook Mickey Spillanelectuur en zelfs Toon Hermansnonsens te verkopen. (Beurs- en Nieuwsberichten, 24 september 1953) Waarmee een zelfde oordeel tegen gemakkelijke en zelfs gemakzuchtige oppervlakkigheid wordt uitgesproken.
Daartegenover vindt veellezer Tip Marugg dat de Zuid-Amerikaanse literatuur een enorm potentieel heeft, want “geen enkele literatuur ter wereld is zo uitgesproken doordrenkt van en verwant met politiek en natuur, en dan natuurlijk de overwinning van de mens op de politiek en natuur. Ik ken geen literatuur waarin een zo duidelijke plaats is ingeruimd voor de onderdrukte mens en het medeleven met hem.” (VW 2009: 633)

Consciëntieus
In zijn recensiewerk was Tip Marugg zeer consciëntieus. Hij weidt uit over het leven van een auteur (Virginia Woolf, Kurt Vonnegut) maar leest ook alles van zijn te bespreken auteurs vooraf. Voor hij aan zijn recensie over Philip Roth’s negende roman begint geeft hij eerst een korte karakteristiek van de acht voorafgaande. Hij bewondert de natuurbeschrijvingen van de Surinamer Arkieman en duikt in de zieleroerselen van Tolstoj.
Zijn twee bijdragen over het lokale tijdschrift De Stoep getuigen van een brede kennis van de plaatselijke literatuur, als hij schrijft over Luc Tournier (dokter Chris Engels) die een “huzarenstukje uit­haalde door een eind te maken aan de Spaansgerichtheid van een al of niet bestaande Antilliaanse literatuur. Pierre Lauffer publiceerde daarin gedichten die mij destijds levend en louterend leken, maar later sentimen­teel voorkwamen; Charles Corsen ontleedde zijn onthutste ziel in wilde surrealistische kreten; Oda Blinder schreef wenend-zangerige verzen over de meest reine liefde, de onbeantwoorde; zelf ontpopte ik mij ook als verssmeder en Cola Debrot brandmerkte prompt mijn prijsprodukten als ‘Gehirnpoesie’.” (VW 2009: 453)

Taalgebruik
Evenals in zijn creatieve werk getuigen zijn recensies van een origineel taalgebruik en een verbluffende kennis van de Nederlandse woordenschat. Daarom heb ik hem ooit een Van Dale woordenboek uit 1884 cadeau gedaan.
Het is verleidelijk uit zijn recensies te gaan citeren en stijlvondsten aan te halen, maar daarvoor kan de lezer ook terecht bij Pim Heuvels artikel ‘Van aanloeien tot zielstuimel’ in de verzamelbundel Drie Curçaose schrijvers (1991: 358-366). Deze geeft een hele waslijst van taalparticularismen.

                                          Op Curaçao leest niemand.
                                          Iemand die schrijft vinden
                                          ze hier gek, niet normaal.
                                          Dat is natuurlijk ook zo,
                                          ze hebben gelijk. Een
                                          normale man schrijft
                                          geen boeken, die werkt
                                          op het land of in de fabriek.
                                          (Tip Marugg: De Volkskrant,
                                          20 mei 1988)

Naast het oordeel over het werk van anderen was Marugg zich ook sterk bewust van eigen creatief schrijverschap. Hij onderging na het succes van Weekendpelgrimage ook “het traditionele lot van zovele tweede boeken van schrijvers met een opzien­barend debuut”, hij wist dat het oppassen was “wanneer een schrijver, elke schrijver, het over zichzelf heeft”, maar was ook overtuigd van nut en macht van het schrijverschap: “wat heeft een schrijver anders dan zijn pen, voor crea­tief werk in de eerste plaats, maar ook als defensief en aanvalswapen als dat moet.” Hij zag zijn beperkingen als auteur ten opzichte van de lezer, wegens “de discrepantie tussen schrijversintentie en de interpretatie die lezers uit een bepaalde hoek aan zijn werk willen geven.” (Amigoe, 26 maart 1977)



Nog persoonlijker wordt hij wanneer hij zich over het eigenlijke schrijfproces bezint: “Ik moet in de ik-vorm schrijven, heel persoonlijk. Mijn taalgebruik is wat archaïsch. (…) Wanneer ik in het Nederlands schrijf, ben ik een absoluut ander mens dan wanneer ik in het Papiamento schrijf, ook al hebben die twee werelden nog zoveel met elkaar van doen.” (VW 2009: 653; 661)

Tip Marugg: De hemel is van korte duur. Verzameld werk 1945-1995.
Amsterdam: De Bezige Bij 2009

[uit Maritza Coomans-Eustatia, Wim Rutgers en Henny Coomans: Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud. Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus Arion.
Zutphen: De Walburg Pers 1991: 277-403.]



maandag 2 december 2013

Boeli (3)

Trudi Guda. Foto © Michiel van Kempen
door Trudi Martinus-Guda

Hierbij steun ik graag het initiatief van de heer Van Buiren en anderen om te komen tot een Letterkundig museum op Curaçao, waar de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen geheel of gedeeltelijk kan worden ondergebracht. Uiteraard als zijn erfgenamen het hiermee eens zijn. Ik hoop wel dat de oprichting van een dergelijk museum een eind zal maken aan de bestaande literaire ‘apartheid’. Ik bedoel hiermee het onderscheid in bejegening tussen schrijvers wier werk een vermeend pro-Nederlands (Europees) karakter zou hebben en die men beschouwt als representanten van de Nederlandse groep c.q. Nederland op Curaçao, en diegenen wier werk een vermeend anti-Nederlands (Europees, what about Curaçaos?) uitgangspunt zou hebben, die beschouwd worden als representanten van een eigenzinnige niet-Nederlandse bevolking, en om die reden met negatieve reserve tegemoet worden getreden. Hiertoe behoren overigens ook niet-Nederlandse schrijvers wier werk wel binnen het gewenste perspectief valt, of wier werk bruikbaar is voor de Nederlandse politiek van het moment, hetgeen de bejegening toch positief kan beïnvloeden.

Met name Aart Broek die kennelijk bezig is, geheel volgens bovengenoemde gedachtelijn, de onverdeelde literaire nalatenschap van Van Leeuwen in het Nederlands Letterkundig Museum onder te brengen, houdt zich al jaren bezig met Nederlands-nationalistische verdeel-en-heers activiteiten binnen het Curaçaose literaire domein. Al dan niet aangestuurd/gesubsidieerd door politiek Den Haag.
Het huwelijk van Boeli van Leeuwen met
 Dorothy Debrot in 1947, ingezegend door
 ds Eldermans.
 Uit Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud.

Ik hoop daarom van harte dat het initiatief om te komen tot een Curaçaos Letterkundig museum zal slagen. We hebben immers al musea voor postzegels en munten! Wat de schrijvers zelf betreft is een dergelijke onderneming, denk ik, zeker oké. Als echtgenote van Frank Martinus Arion moet ik helaas melden dat het kopje koffie waar Boeli van Leeuwen Frank voor uitnodigde, niet is doorgegaan vanwege Boeli’s overlijden. Ik herinner me verder dat, nadat hij zich weer op Curaçao vestigde (begin jaren tachtig) Frank, om de Curaçaose schrijvers bij elkaar te brengen, een barbecue organiseerde bij ‘kluizenaar’ Tip Marugg thuis op Pannekoek. Deze ontmoeting werd het begin van regelmatig contact, voorheen niet bestaand, tussen Tip en Boeli van Leeuwen. Volgens mij zouden/zullen de schrijvers zelf het wel eens zijn met de oprichting van een neutraal, bonafide Letterkundig museum waar zowel werk van Boeli als van andere schrijvers, alsook informatie over hun literaire activiteiten, een permanent thuis zullen kunnen vinden. In het belang van Curaçao en van de literatuur.

[uit Amigoe, 27 november 2013]


zondag 24 november 2013

Lezen is een reis langs het onbekende


Kunsthistoricus Adi Martis

door Quito Nicolaas

Dr. Adi Martis (San Nicolas, Aruba, 1944) vertrok op vijftienjarige leeftijd naar Nederland, studeerde  aan de Kweekschool in Zeist. Na drie jaar in het onderwijs op Aruba werkzaam te zijn geweest, keerde hij in 1972 terug naar Nederland, studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht en promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam in 1990 op het proefschrift Voor de Kunst en voor de Nijverheid. Het ontstaan van het kunstnijverheidsonderwijs in Nederland.  Martis was eind 2001 curator van o.a. de expositie ARTE "Di nos e ta" in TENT. Centrum Beeldende Kunst in Rotterdam. Hij publiceerde onder meer over het kunstonderwijs, het postmodernisme, primitivisme, fotografie en het Caribisch gebied en heeft tal van publicaties op zijn naam staan, waaronder Die Verantwortung der Bilder (1987). Vandaag een nadere kennismaking met de boeken die hij leest.

Hoeveel boeken telt uw collectie?
Lastige vraag! Sinds een jaar of twee ben ik mijn bibliotheek aan het uitdunnen. Op dit moment heb ik in Nederland iets meer dan 5000 boeken en ongeveer 200 op Aruba, schat ik.


In hoeveel tijd is deze verzameling opgebouwd?
Mijn collectie boeken is in ruim 50 jaar tot stand gekomen. In de loop der jaren is de samenstelling regelmatig gewijzigd. Maar de hoofdcategorieën zijn ongeveer dezelfde gebleven met uitzondering van een onderdeel. Toen ik  20 jaar geleden een belangrijk deel van mijn verzameling Nederlandse literatuur kwijtraakte, heb ik dat niet meer aangevuld. De laatste tien jaar zijn de deelcollecties antilliana, arubiana en caribiana met gerichte antiquarische aankopen sterk uitgebreid.


Wat is uw favoriete boek?
Ik heb geen absolute voorkeur. Sinds 1988 behoort De morgen loeit weer aan van Tip Marugg tot een van mijn favorieten: een juweeltje in de Nederlandstalige literatuur. Van zijn Weekendpelgimage bezit ik een tweede druk uit 1966 die ik vaak herlezen heb. Ik ben ook een liefhebber van Joseph Sickman Corsen. Zijn ‘Atardi’ is heerlijk om bij weg te zwijmelen, maar blijft een prachtig gedicht. De Arubaan Martein Lopap, die in zijn korte verhaal ‘Palabra kla’ figureert, beschouw ik als een postmodernist-avant-la-lettre. Traversée de la Mangrove (Tocht door de Mangrove) van Maryse Condé behoort ook al ruim twintig jaar tot mijn favorieten.

Adi Martis aan het werk
Welke zijn de overwegingen die u neemt bij het kopen van een boek?
Ik verzamel boeken niet als objecten. De avond dat het mij lukte om een kopie van Girolamo Benzoni’s Historia del Nouvo Mundo uit 1565 als PDF-bestand te downloaden, voelde ik mij gelukkiger dan op de dag waarop ik een paar honderd euro moest overmaken voor A.J.C. Krafft, Historie en oude families van de Nederlandse Antillen, dat al jaren op mijn verlanglijst stond. Meestal bestel ik boeken om mijn bibliotheek aan te vullen. Zo bezit ik inmiddels – op de eerste na – alle catalogi van de Biënnales van Havana en zoek ik al jaren naar Millefiori di Aruba van pater R.H. Nooyen, van wie ik verder bijna alle publicaties bezit.

Welke indeling hanteert u om uw boeken te categoriseren?
Ik heb een paar hoofdcategorieën: architectuur, beeldende kunst, design/kunstnijverheid, fotografie, geschiedenis, historiografie, ICT, kookboeken, kunstonderwijs, kunsttheorie, literatuur, nieuwe media, et cetera. Maar ik ben verre van consequent. Mijn collecties antilliana, arubiana en caribiana staan apart. En daarbinnen bestaan diverse ‘bulten’, bijvoorbeeld: bronnen, judaica, papiamento, slavernij, transcripties en andere subcategorieën.


Zijn er ook andere plekken in huis, waar boeken worden verzameld?
In Nederland leef ik tussen de boeken. Bijna alle muren van mijn appartement zijn opgevuld met boeken. Alleen in mijn slaapkamer heb ik aan mijn rechterhand een kale muur  en links van mijn bed staat een klerenkast. Op bed ligt meestal een paar boeken en naast mijn bed op de grond liggen verschillende stapels.

Leest u naast fictie ook non-fictie of andersom? Geef enkele voorbeelden van boektitels.

Ik lees meestal non-fictie. De laatste jaren betreft het steeds meer literatuur over de Cariben. Dat kan variëren van geschiedenis van de oorspronkelijke bevolking tot die van de flora en fauna. Mooie voorbeelden van de eerste zijn publicaties van Esteban Mira Caballos, bijvoorbeeld El Indio Antillano: repartimiento, encomienda y esclavitud (1492-1542), Sevilla 1997. Genoten heb ik van Judith A. Carney, Richard Nicolas Rosomoff, In the shadow of slavery: Africa’s botanical legacy in the Atlantic world, Berkeley / Los Angeles 2009.
 
Antilliaanse auteurs

Leest u meestal  op een bepaald tijdstip, waar en welke genre leest u dan ?

Lezen doe ik zo’n zes à acht uur per dag, vaak in bed en meestal non-fictie: kunsthistorische literatuur of boeken over de geschiedenis van Aruba en de Cariben. Als ik aan fictie begin, dan ben ik geneigd achter elkaar meerdere boeken van een auteur te lezen. Zo was het lezen van Tikkop aanleiding om een vijftal boeken van Adriaan van Dis te (her)lezen. De wandelaar blijf ik een van zijn mooiste boeken vinden. De thematische ordening gaf zijn essays in Leeftocht nieuwe dimensies.



 Leest u door de week andere boeken dan in het weekend?
Ik lees van alles door elkaar: ik lees mijn vermoeidheid weg. Als ik het ene boek zat ben, dan kan ik met frisse moed aan een ander genre beginnen.
Ik ben het koken een beetje zat en eet veel buitenhuis. Ik neem dan altijd een boek mee van een van de stapels ‘Nog te lezen’.

Zijn er bepaalde tijdschriften die tot de door u gelezen lectuur behoren?
Ik heb een jaar of vijf geleden al mijn abonnementen opgezegd, uitgezonderd de VPRO-gids. Overigens gooi ik die ongeopend weg. Want als ik TV kijk, dan is het meestal op mijn Macbook via Uitzending Gemist of www.wwitv.com. En als ik niet kan slapen en niet wil lezen, dan luister ik in bed naar Radio 1. ’s Nachts zijn er mooie herhalingen en kun je de meest maffe mensen aanhoren in Nederlandse varianten van ‘Pueblo na Palabra’.


Welk boek zou u voor een tweede keer willen lezen?
Ik bezit veel bundels van Pierre Lauffer. Begin dit jaar heb ik bij Mensings op Curaçao de biografie van Bernadette Heiligers gekocht. Sindsdien voel ik een aandrang om zijn bundels te herlezen. Ik heb Lauffer altijd bewonderd; om zijn beheersing van het Papiamento, om zijn ritme en zijn beeldend taalgebruik. Ik denk dat hij overeind zal blijven, al ben ik het laatste decennium een beetje allergisch geworden voor folklore; de ziekte die onze cultuur bedreigt.

Welk boek beschouwt u als een miskoop en waarom?
Op een van mijn stapels ‘Nog te lezen’ liggen al jaren twee boeken: Dimitri Verhulst, Godverdomsedagen op een godverdomse bol, Amsterdam /Antwerpen 2008 en Frank Martinus Arion, De Deserteurs, Amsterdam 2006; met boekleggers op respectievelijk pagina 27 en 37.
Van Verhulst heb ik verder niets gelezen en dat zal ik waarschijnlijk niet meer doen. De eerste druk van Frank Martinus Arion, Dubbelspel, Amsterdam 1973 heeft een ereplaats in mijn bibliotheek in Utrecht. Zijn dissertatieThe Kiss of a Slave. Papiamentu's West-African Connections, Amsterdam 1996 siert mijn nog bijna lege boekenrek in San Nicolas.

Wie is uw favoriete schrijver?
De Arubaan Martein Lopap, verder Joseph Sickman Corsen, Tip Marugg en Maryse Condé.


Wat is zo bijzonder aan de Caribische literatuur?
Ni Européens, ni Africains, ni Asiatiques, nous nous proclamons Créoles. Cela sera pour nous une attitude intérieure, mieux: une vigilance, ou mieux encore, une sorte d’enveloppe mentale au mitan de laquelle se bâtira notre monde en pleine conscience du monde, Jean Bernabé, Patrick Chamoiseau, Raphaël Confiant, Élogue de la Créolité, Parijs 1989.



De Cariben worden van oudsher gekenmerkt door migratiestromen: het continentale en interinsulaire verkeer in de prekoloniale tijd; de komst van veroveraars, kapers, piraten, kolonisten en passanten uit Europa; de gedwongen immigratie uit Afrika; de stroom van arbeidsmigranten uit onder andere Azië; de emigratie naar Europa, de VS en Canada en de remigratie naar het (ei)land van herkomst. Identiteits- en ‘roots’-vragen zijn daarom belangrijke thematische constanten in de literatuur en door de oude orale traditie zijn Caribische auteurs boeiende vertellers.


Hoe kijkt u naar de wereld der wetenschap?
Op mijn leeftijd ga je steeds meer terugkijken. De wetenschappelijke en literaire wereld (de laatste samen met de beeldende kunst) vertegenwoordigen twee kanten van mijn persoonlijkheid. Als wetenschapper ben ik soms, ver van mijn ‘roots’ maar met veel voldoening, bezig geweest met vrij theoretische zaken. In moeilijke tijden kon ik mij laven aan de Caribische literatuur en beeldende kunst.
Christopher Cozier, een kunstenaar uit Trinidad die ik sinds 1993 persoonlijk ken en ook als theoreticus erg waardeer, is 11 december a.s. een van de laureaten van het Prins Claus Fonds. Met  de ‘Castaway’– op zijn gelijknamige, schitterend blad uit de Tropical Night Series (2006-heden) – hoop ik terug te vliegen naar de Cariben om op mijn oude dag onder mijn mangobomen te werken aan een geschiedenis van mijn eiland.

donderdag 26 september 2013

Dushi Willemstad

door Aart G. Broek

Welkomstwoord’ bij gelegenheid van de presentatie van Ko van Geemert, Dushi Willemstad (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2013) in het MC Theater, Westergasfabriekterrein Amsterdam, donderdag 26 september, 17 uur.

Het verzoek van de redacteur/auteur Ko van Geemert om u toe te spreken heb ik enigszins misnoegd ontvangen. Het artikel dat ik wilde bijdragen aan het boek dat wordt gelanceerd, Dushi Willemstad, was terzijde geschoven door Van Geemert. Voor mijn beschrijving van een bezoek aan Tip Marugg - die jarenlang woonachtig was op de vroegere plantage Pannekoek, ver buiten Willemstad – was geen plaats. Zo had Van Geemert gemeend, mogelijk op goede maar voor mij minder plezierige gronden. Een kort welkomstwoord voor Dushi Willemstad vond ik dan ook weinig aanlokkelijk. Ik dacht: ‘Zoek het verder ook maar uit zonder mij!’ Of, wat vriendelijker geformuleerd, de publicatie kan uitstekend zonder een tekst van mij ín de uitgave, dan kan de publicatie ook uitstekend zonder een tekst van mij ter ondersteuning van de lancering ervan.

Het verzoek van Van Geemert bereikte mij echter toen ik in ‘dushi Willemstad’ verbleef. Dat stemt mild, al was het maar door de verzengende hitte in augustus/september. Bovendien zat ik ook enkele malen op het terras van het hotel Avila dat op het omslag van het boek staat en werd daar door de vriendelijke ambiance, een witte wijn en een verkoelende passaatwind ontdaan van mijn twijfel. Natuurlijk mocht ik niet kleinzielig zijn, moest ik het boek welkom heten en diende ik uw belangstelling ervoor te voeden. Vooruit!

Ik weet dus van één tekst dat die er níét in staat, maar welke teksten er wél in staan, weet ik niet. Dat blijft nog even een verrassing, al doen het omslag en een aangekondigde bijdrage van de hand van Nic Møller – eigenaar van voornoemd hotel – vermoeden dat persoon en werk van Boeli van Leeuwen ter sprake komen. Het terras van Avila had Van Leeuwen tot ‘a home away from home’ gemaakt, hij hield er audiëntie, tekende exemplaren van zijn boeken, charmeerde er dames en schoffeerde er politieke, artistieke en intellectuele zwaargewichten.

Boeli van Leeuwen, ets, Bert Kienjet, 2009


Hoort Avila eigenlijk wel tot Willemstad? In de negentiende eeuw lag het indrukwekkende gebouw dat nu onder meer de lobby en kantoorruimtes van het hotel omvat, buiten de stad, buiten Willemstad. Het vormde ooit zelfs het ‘landelijke’ buitenverblijf van de gouverneurs die bestuurlijk huisden in het paleis dat in het fort in de Punda ligt. Willemstad omvatte: de Punda, Otrobanda, Scharloo en Pietermaai. De wijk waar Boeli van Leeuwen woonde – Van Engelen – was ooit een plantage, ver weg van Willemstad. Het maakt in ieder geval nieuwsgierig waar Van Geemert de grenzen van Willemstad legt. Het valt niet te ontkennen dat, ondanks de groei van Willemstad in de afgelopen honderd jaar, de plantage Pannekoek, waar Tip een woning huurde, nog steeds niet bij Willemstad hoort. Een bijdrage over een tocht naar Marugg schiet voorbij het doel van de uitgave – begrip gloort.

Havenmonding Willemstad, brugverbinding Punda / Otrobanda


In die stad heeft ooit één wijk niet alleen de belangrijkste personages voor romans maar ook de meeste lezers ervan opgeleverd: Otrobanda. Tussen ca. 1920 en 1935 werden ruim een dozijn Papiamentstalige romans geschreven, die de rooms-katholieke moraal verdedigde. Wie zich daar niet aan wist te houden, zou kommerlijk ten ondergaan, zo wilde de nadrukkelijke boodschap. Deze tendensromans – van de hand van Willem Kroon, Manuel Fray en Miguel Suriel – waren vooral bedoeld voor mannen met een ambachtelijke achtergrond, hun vrouwen en jong volwassen kinderen. Die woonden in Otrobanda en liepen gevaar om te worden ‘opgeslokt’ door de westerse genoegens die de uitdijende raffinaderij met zich meebracht. Deze romans waren grotendeels gesitueerd in Otrobanda.

Molenplein, Otrobanda, Willemstad.


Het zal niet meevallen een kwalitatief interessant fragment in de Papiamentstalige romans te vinden, dat zou kunnen tippen aan de beschrijving die Tip Marugg ons achterliet van Otrobanda, de wijk waar hij werd geboren en opgroeide. Dat fragment verscheen in het Curaçaose tijdschrift Kristòf en werd natuurlijk ook opgenomen in zijn verzameld werk (De hemel is van korte duur [2009]). Hoe het ook zij, enige kennis van de Curaçaose letteren maakt in ieder geval nieuwsgierig naar wat Van Geemert binnen de grenzen van Willemstad de moeite waard vindt om onze aandacht op te vestigen. Die Papiamentstalige romans wel of juist niet?

Pasfoto van Tip Marugg


Wandelend door ‘dushi Willemstad’ in de hitte van eind augustus/begin september werd ik alleen maar meer nieuwsgierig naar het gelijknamige boek van Van Geemert. Hoe hadden schrijvers van eilandelijke bodem eigenlijk naar hun stad gekeken? Zij niet alleen. Doen literaire passanten ook mee of worden die buiten het literaire Willemstad gelaten? Hoe hadden die passanten erop gereageerd, er zich door laten inspireren? Door de stegen, pleintjes, forten, het waaigat, de grote stadshuizen, de erven, de markten, de bars, winkels, de begraafplaatsen, de openluchtbordelen in de mondi aan de stadsrand, de kust, de haven, binnenwateren met mangroven ... en bovenal door de mensen van zo een divers pluimage. Wandelend door ‘dushi Willemstad’ wist ik Van Geemert te vergeven, dat hij mij buiten het boek had gelaten. En straks, wanneer ik door de bladzijden van Dushi Willemstad struin, zullen de laatste kruimels aan wrevel ongetwijfeld worden weggeveegd.

Gouverneurspaleis, Punda, Willemstad


Want ... voor wie zich aan ‘dushi Willemstad’ overgeeft, merkt hoe louterend de stad werkt. Het zal met het gelijknamige boek niet anders zijn. Kortom, mijn welgemeende felicitaties voor de uitgever, Bas Lubberhuizen, voor Hein Aalders, de redactionele steun achter de coulissen, en bovenal voor Ko van Geemert, auteur en redacteur, met deze verleiding om zich langdurig in dushi Willemstad te verpozen.

[foto's © Aart G. Broek, tenzij anders vermeld]

zondag 13 mei 2012

Tip Marugg


Portret van de Curaçaose schrijver Tip Marugg, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 45 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

woensdag 28 december 2011

Julien Ignacio - Reis naar het middelpunt der aarde

Literatuur lezen is als reizen. Het start met een willing suspension of disbelief, het achterlaten van het bekende en vertrouwde. Bepakt en bezakt met deze vruchtbare leegte onderneemt de lezer mentale expedities, ontwaart hij onvermoede vergezichten.
Persoonlijk prefereer ik een ongemakkelijke voettocht door onherbergzame hoogvlakten boven een gezellige maar vlakke wandeling langs het Pieterpad. Ik wil uit mijn comfortzone gehaald worden, door middel van stijl, vorm en inhoud een geestelijke schop onder mijn kont krijgen. Kortom, als lezer wil ik getuchtigd worden. Deze masochistische reflex heb ik overgehouden aan de katholieke opvoeding van mijn Curaçaose vader, een strenge vorming die mij er ooit toe bewoog tijdens een spreekbeurt in de Bijbelklas een T-shirt te dragen waarop Jesus, zwoegend aan het kruis in een Nike lendendoekje, werd aangemoedigd door de slogan Just do it.
Boeli van Leeuwen en Tip Marugg voorzien in mijn diepgewortelde behoefte aan zelfkastijding. Ze geselen me met hun streng archaïsche, poëtische taal van Bijbelse allure. Ze laten me de worsteling voelen tussen het thuis zijn op één plek, Curaçao - die tropische openluchtgevangenis in het centrum van de planeet -, maar je toch als blanke Antilliaan ontheemd voelen, een gegeven dat ik als zwarte Nederlander in spiegelbeeld herken. Doodsangst, existentiële twijfels en saudade zijn hun thema’s, middelpuntvliedende krachten dusdanig uitgewerkt dat ze een bewustzijnsverruimend pijneffect hebben op de lezer.
“Gelijk het eiland grenzen stelt aan mijn schreden”, schreef Van Leeuwen, “zo stelt het grenzen aan mijn denken en dromen.” Geen mierenneukerij en oppervlakkige theepraat dus, daar is op die rots van Openbaringen waar een Oud Testamentische zon schijnt geen ruimte voor. Geen tijd ook: de klok tikt op het vulkanische eiland dat ooit verrees uit de Caribische wateren en in het jaar des oordeels (2012 volgens de Maya’s) weer zal “verdwijnen in de neerzuigende wieling van de waanzinnige zee.” De kamikazevogels die zich te pletter vliegen tegen de rotswand van de Grote Berg als de morgen weer aanloeit, zijn een dagelijkse herinnering aan de naderende Apocalyps.
Over vier dagen vlieg ik naar Japan voor onderzoek naar een romanpersonage. Voor het geval ik mij verweesd mocht voelen tussen de gothic Lolita’s in Rippongo en de tempeltuinen van Kyoto gaan Van Leeuwen en Marugg mee de reiskoffer in. Soms is lezen ook een vorm van thuiskomen.


[Column voorgelezen op de Vierde Caraibische Letterendag, 1 oktober 2011]

dinsdag 22 november 2011

Theatergroep Flint presenteert: De Morgen Loeit Weer Aan

Een hallucinerende vertelling naar de gelijknamige roman van de Antilliaanse schrijver Tip Marugg (1923-2006).

Tip Marugg (foto: Enid Hollander, 1987)

In een lange nacht laat de als een kluizenaar levende hoofdpersoon – gespeeld door Felix Strategier - zijn leven aan zich voorbijtrekken. Met vier bloeddorstige honden, een grote drankvoorraad, een doorgeladen pistool en messcherpe observaties in een prachtig archaïsch taalidioom brengt hij de lange nacht door. Koning Alcohol in de vorm van lauwe whisky en ijskoud bier zijn de vloeibare ingrediënten van een broeierige avond die wordt om lijst met klaterende Caribische gitaarklanken.

Felix Strategier (foto: Krijn van Noordwijk, 2011)

De schrijver Tip Marugg heeft de Nederlandse literatuur verrijkt met drie exotische romans van ongewone kwaliteit, enkele dichtbundels en een serie opmerkelijke statements:
“Zonder alcohol kan een mens niet nadenken”
“Ik ben niet gelovig, daarom drink ik, je moet ergens houvast aan hebben”
“Ik bemin niemand, want ik vind geen object voor mijn liefde”
“ik ken geen patriottisme, want ik heb geen land om patriottistisch voor te zijn”
“Ik leef in het voortdurende besef dat ik mijn tijd verpruts, gruwelijk verpruts”
“Ik leef op een negereiland en ben vernegerd”

Idee, script, spel : Felix Strategier
Muziek, gitaren : Joeri de Graaf
Kaartverkoop via Roode Bioscoop of bel naar 020 6257500 .

Speeldata:
Roode Bioscoop in Amsterdam / 6 t/m 30 december [di t/m za]
Theater Bouwkunde in Deventer / 16 december 2011
Theater Achterom in Hilversum /29 maart 2012
Theater ‘t Beest in Zeeland / 13 april 2012
Theater aan Zee in Zeeland / 14 april 2012

woensdag 9 november 2011

Het Open Boek van Jules Sedney - econoom staatsman

door Chandra van Binnendijk

Wat ligt er momenteel naast uw bed?
De Eeuw Van Azië. Een onafwendbare mondiale machtsverschuiving van Kishore Mahbubani. Een prachtig boek van een groot intellectueel en denker uit Singapore. Het behandelt hoe Azië eeuwenlang aan de zijlijn van de wereldgeschiedenis heeft gestaan en hoe nu Aziaten de toekomst hebben. Ik beveel het alle politici,alle intellectuelen en alle denkers in Suriname aan. Het boek is ook voor Suriname van grote waarde.

Welk boek neemt u mee naar een onbewoond eiland?
Niet al te ingewikkelde literatuur, want je bent daar helemaal alleen en kunt het genot van het lezen niet met anderen delen. Mijn eerste keus is ‘Sternstunden der Menschheit’ ook wel ‘Decisive Moments in History’ van de Oostenrijker Stefan Zweig. Twaalf historische miniaturen over beslissende momenten in de wereldgeschiedenis,die de loop van de mensheid hebben bepaald. Mijn tweede keus is ‘A Handful of Dust’ van de Engelse schrijver Evelyn Waugh.

Wat is uw lievelingskinderboek?
Het mooiste kinderboek aller tijden is voor mij: Sans Famille van Hector Malot. Het verhaal ontroert en maakt bij mij elke keer als ik het lees tranen los. Op school las ik het eerst in het Engels (Nobody’s Boy) en later kwam ik het tegen in het Nederlands onder de titel Alleen op de wereld. En mijn meest geliefde schrijver van kinderboeken is Roald Dahl.

Met welke schrijver zou u een avondje uit willen?
De eerste keus is Tip Marugg. Omdat hij bizar is, een zonderling en in zekere zin ook een misantroop. Hij schuwt het contact met mensen en dat is precies wat mij in hem aantrekt. Hij heeft mooie literaire werken voortgebracht. Daar wil ik dan wel het een en ander van weten. Ik heb geprobeerd hem te ontmoeten toen ik een keer op de Antillen was. Maar dat is niet gelukt.

Van welk boek vond u de film beter?
Van Gone with the Wind van Margaret Mitchell. Als je die film ziet, denk je niet aan het boek.

Welk uitgeleend boek moet u nog steeds terug krijgen?
Ah, een heleboel, teveel om op te noemen. Ik ben zoveel boeken kwijt geraakt. Ik heb vrienden van wie ik zeg:slechte rekenmeesters maar goede boekhouders!

Bij welk boek heeft u moeten huilen?
Zonder na denken zeg ik Alleen op de wereld. Toen ik nog een kindwas huilde ik elke keer als ik dat boek las.Als volwassene zeg ik The Deer Hunter, geschreven en verfilmd door Michael Cimino. Dat gaat over het leven in een Amerikaans dorp voor, tijdens en na de Vietnamoorlog. Het is hetzelfde thema als van Fiddler on the Roof van Joseph Stein over een dorpje in Rusland voor, tijdens en na de Oktoberrevolutie.

Welk boek hoort eigenlijk niet thuis in uw boekenkast?
Ik ben geen bewonderaar van Albert Helman. Als ik lees wil ik bewogen worden, of wijzer, maar dat heb ik niet bij Helman. Toch handhaaf ik zijn boeken in mijn boekenkast omdat hij volgens mij de stamvader is van de Surinaamse letterkunde.

Welk boek heeft diepe invloed gehad op uw leven?

Twee boeken van Richard Wright - Black Boy en Native Son. Ze stammen uit de tijd van de officiële discriminatie van negers in Amerika. Wright laat de lezers weten hoeveel vernederingen hij als negerjongen heeft ondergaan en hoeveel strijd hij heeft moeten leveren om in Amerika de literaire top te bereiken.

Eten en lezen
Vroeger ging dat wel samen. Ik was geen grote lezer, maar als ik eenmaal in een verhaal zit, ben ik niet meer te stoppen. En als het dan tijd is om te eten, doen we dat samen.

vrijdag 16 september 2011

Theatergroep Flint met De morgen loeit weer aan


Theatergroep Flint presenteert: De Morgen Loeit Weer Aan
In De Roode Bioscoop, Amsterdam.

Een hallucinerende vertelling naar de gelijknamige roman van de Antilliaanse schrijver Tip Marugg (1923-2006)

In een lange nacht laat de als een kluizenaar levende hoofdpersoon zijn leven aan zich voorbijtrekken. Met vier bloeddorstige honden, een grote drankvoorraad, een doorgeladen pistool en messcherpe observaties in een prachtig archaïsch taalidioom brengt hij de lange nacht door. Koning Alcohol in de vorm van lauwe whisky en ijskoud bier zijn de vloeibare ingrediënten van een broeierige avond die wordt om lijst met klaterende Caribische gitaarklanken.
De mysterieuze schrijver Tip Marugg heeft de Nederlandse literatuur verrijkt met drie exotische romans van ongewone kwaliteit, enkele dichtbundels en een serie opmerkelijke statements:
“Zonder alcohol kan een mens niet nadenken”
“Ik ben niet gelovig, daarom drink ik, je moet ergens houvast aan hebben”
“Ik bemin niemand, want ik vind geen object voor mijn liefde”
“ik ken geen patriottisme, want ik heb geen land om patriottistisch voor te zijn”
“Ik leef in het voortdurende besef dat ik mijn tijd verpruts, gruwelijk verpruts”
“Ik leef op een negereiland en ben vernegerd”

Idee, script, spel: Felix Strategier
Muziek, gitaren: Joeri de Graaf

Speeldata: 30 november t/m 30 december [di t/m za]
Entree: €17,50 wijzigingen voorbehouden
Reserveren/kaartverkoop:
http://www.roodebioscoop.nl/

zaterdag 9 juli 2011

Herlezen: Charles Corsen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag het In Memoriam dat Wim Rutgers schreef in de Amigoe bij het overlijden van Charles Corsen.


In Memoriam Charles Corsen (Curaçao 1927-1994)

door Wim Rutgers

Het was een advertentie in deze krant, waarin Boeli van Leeuwen en Errol Cova de kennelijk net overleden Charles Corsen herdachten als iemand die veel voor de cultuur van Curaçao, betekend had, die me de schok bezorgde. Ik pakte de telefoon en belde Henry Habibe op, die me de bijzonderheden verschafte.

Een van de beste Nederlands-Antilliaanse dichters is heengegaan. Zonder Charles Corsen zou Chris Engels' tijdschrift De Stoep, zeker in de jaren 1948-1951, niet geweest zijn wat het nu nog in de Antilliaanse literatuurgeschiedenis betekent. Maar Corsen had ook bemoeienis met Simadán. Hij heeft impulsen gegeven aan de moderne Antilliaanse poëzie, die er zonder hem beslist anders uitgezien zou hebben. Hij was een poëtische pionier die de grenzen van de traditionele literaire smaak in de jaren veertig en vijftig doorbrak - en daarmee veel weerstand opriep.

Ik ontmoette Charles Corsen eenmaal in kleinere kring, samen met Carel de Haseth, bij Henry Habibe thuis. Ik herinner me er voornamelijk van dat Corsen zelf veel aan het woord was en dat hij voornamelijk Nederlands sprak. Verder is Corsen een papieren figuur voor me gebleven - maar iemand wiens gedichten je beurtelings geïntrigeerd en geërgerd omdat je er geen vat op kreeg, toch steeds weer las. We bespraken hem op onze maandelijkse poëziebijeenkomsten van de Sectie Nederlands op het Colegio Arubano. Onze leerlingen zetten steevast enkele gedichten van hem op de eindexamenlijst. En toch bleef hij ongrijpbaar mysterieus. Van zijn door Daphne van Schendel-Labega zo mooi verzorgde Verzamelde Gedichten kwam het reststapeltje bij De Slegte terecht - waar het nu waarschijnlijk nog wel te koop zal zijn.

Charles Corsen is kleinzoon van de bekende dichter-musicus J.S. Corsen en broer van Oda Blinder. Hij is veelzijdig werkzaam geweest als dichter, schilder, decorontwerper, fotograaf en vertaler. Hij werkte als telegrafist bij de P.T.T., werd later directeur van Tele-Curaçao en runde sinds 1977 een eigen t.v.-productiemaatschappij.

Hieronder wil ik nagaan hoe de dichter Charles Corsen door de kritiek gepositioneerd werd in de Antilliaanse literatuur.

Nederland - Sticusa
In 1953 bracht een uitnodiging van Sticusa om zeven maanden in Nederland een schildersopleiding te volgen, Charles Corsen voor het eerst in aanraking met de Nederlandse kunstwereld. Het maakte kennelijk diepe indruk op hem. Geheel in de stijl van de jaren vijftig noteerde de Beurs- en Nieuwsberichten (8 V 53): "Charles Corsen is een ernstig jongeman, die het ernstig neemt met de literatuur en die men minstens met een stok uit een boekenwinkel moet jagen, als hij daar eenmaal in verzeild raakt."
Het Nederlandse Algemeen Dagblad wijdde op 25 IV 53 een uitgebreid artikel aan de jonge Curaçaose dichter: 'Op Curaçao bloeit een Nederlandse dichtkunst'. Corsens werk heeft volgens
het AD kenmerken van 'hartstochtelijke geladenheid, speelse woordvondsten, bezeten rhythme en po‰tische kracht', het is kortom volgens Europese begrippen experimenteel. De krant drukt daarbij als voorbeeld 'Nostalgia' af. Maar de dichter verzet zich tegen die term: "Het woord experimenteel heeft voor mij iets onvoltooids, iets dat gedoemd is te mislukken. Dat kan men van deze poëzie toch niet zeggen."

Stoep-dichter
In die tijd had Charles Corsen inmiddels naam gemaakt met talrijke gedichten in De Stoep, die op het eiland bepaald niet onopgemerkt waren gebleven. 'Ik presenteer U met onverholen genoegen een Cura‡aose jongeling, een dichter, die toch zeker op het bezit van een pikante verbeelding zich beroepen mag,' schreef Chris Engels, toen hij in 1948 eigenlijk zijn tijdschrift De Stoep wilde beëindigen, maar plotseling de gedichten van Charles Corsen op de proppen kwamen, die hem deden besluiten door te gaan. Corsen publiceerde in korte tijd (1948-1951) een groot aantal gedichten, die hij naar eigen zeggen echter al op zestien-, zeventienjarige leeftijd geschreven had en in een schoenendoos bewaarde. Huisarts Engels ontdekte ze, en hoewel hij ze als puberteitsgedichten karakteriseerde, publiceerde hij ze in zijn tijdschrift. Toen Engels het in 1951 met zijn tijdschrift eindelijk voor gezien zou houden, publiceerde Corsen nauwelijks meer; hij schreef nog wel, maar pas na zijn dood zou dat werk het licht mogen zien. Corsen gaf als oorzaak van het niet meer publiceren het kritischer worden op hoger leeftijd en het ontbreken van een klankbord van gelijkgestemde vrienden.

Corsens publicaties kregen veel contemporaine aandacht, meer dan die van zijn dichtende zuster Oda Blinder en Tip Marugg samen. De gedichten werden uitgebreid geprezen of gelaakt, nooit genegeerd. Heel vaak werden enkele voorbeelden in een recensie geciteerd. De reacties wezen steevast op de onbegrijpelijkheid, maar besteedden ook aandacht aan de (taal)vorm en thematische inhoud.

Bij de lacherige reacties op elk nieuw nummer moest Corsen het door middel van pastiches en persiflages nogal eens ontgelden. In de Amigoe (25 X 48) schreef een onbekende recensent dat
Corsen zijn wezen op geheel eigen wijze wist uit te zingen; de gedichten vond hij weliswaar moeilijk te verstaan: 'die naar het spoor van de dichter blijft zoeken, wordt tenslotte een schoonheid geopenbaard, die treft door aanvoeling en zegging. Deze zegging dreigt echter zich soms in het duister te verliezen.' Maar op 6 XII 48 was vWk (H. van Wijk) in dezelfde Amigoe heel negatief: 'Nee, meneer Tournier, nee meneer Corsen, wij willen U eerlijk verklaren, dat wij van Uw gedichten geen syllabe snappen, niets, maar dan ook niets. Wij vinden ze eerlijk gezegd waanzin, uitgekristalliseerde waanzin.'

Het weekblad Curaçao (31 XII 48) trachtte het gedicht 'Maanziek' via een persiflage geheel belachelijk te maken. "Maanziek / Ik heb een spaarpot / waar bij avond / de maan in gaat/ met open mond.- / En later loop / ik op straat te dansen; / Ik geloof (en hoop) / dat niemand weet / van waar ik de blik krijg" wordt als volgt uitgelegd: "De dichter is een beetje 'teut'. Hij zit in een klein knijpje naar z'n zoveelste bolsje te staren en ziet nu in de spiegelende alcoholische oppervlakte het lamplicht. Dat is de maan, hij neemt een slok (met open mond, natuurlijk) en de maan gaat naar binnen. Hij is behoorlijk kachel, loopt op straat te dansen, maar hoopt dat niemand hem door heeft..." Spotvogel Lorito Real kwam ook met pastiches van Corsens gedichten.

Het in een afzonderlijke Stoep-uitgave gepubliceerde 'Con sordino' werd door La Prensa (5 X 49) als een hoogtepunt geprezen wegens zijn originele beeldspraak, de weg die de dichter moedig wist te banen naar een nieuwe werkelijkheid van 'heerlijke individuele vereenzaming', of misschien juist wel een poging om aan die vereenzaming te ontkomen. De criticus noemde de jonge dichter scherpzinnig, blijk gevende van tere vervoering en 'ontegenzeggelijk met 'n vreemde originele distinctie'. Deze kritische aandacht was niet alleen uitvoerig maar klonk positief. Maar de Amigoe (27 I 50) sprak van 'gewilde bizarheid' en ergerde zich aan de beeldspraak, toen ze aan de persiflage in Curaçao refererend schreef: 'Loop de stoep eens af, recht in een Curaçaose maannacht, maar vermijd de knekelvelden, die voor jouw poëzie even fataal gevaar vormen als een mijnenveld voor een soldaat.' De West-Indische Gids (XXX, 1949: 88) was het met de Amigoe eens en voegde eraan toe: 'Ik geloof niet, dat het schande is, als men bekent, dat er in De Stoep gedichten voorkomen, die men niet begrijpt. Zou het teveel gevraagd zijn een dichter te verzoeken tevens mee te delen wat hij met een gedicht heeft willen zeggen?'

Dit soort reacties bewijst de onmacht van de critici tegenover de tot dan toe onbekende wijze van dichten, waarover de dichter zelf later zou opmerken: 'Dichten is feitelijk code. Er is geen zinnig mens die zich wil bloot geven (...) In de kunst geef je uiteindelijk geen werkelijkheid; je begint er wel mee, maar al tijdens het maken gaat het werk een eigen kant op (...) Ik voel me geen Curaçaose dichter. Ik voel me dichter, punt. De rest is een toevalligheid (...) Ik maak een gedicht waarschijnlijk met associaties van woorden. Er komt een bepaald woord bij me op, of een bepaald gevoel dat bepaalde woorden omvat, daar bouw je het gedicht omheen. En dan schrijf je dat ding neer. Daarna lees je het nog een paar keer over (...) Dan ga je er een beetje aan schaven (...) Meestal komt er ook niet ‚‚n gedicht, maar een paar gedichten samen (...) een cyclus (...)' (Jos de Roo: Amigoe 19, 27 V 78)

Ernst en mystificatie
Het was niet allemaal verheven ernst in de poëziewereld van Corsen. Hij deed met graagte mee aan wat Cola Debrot de mystificatiedrang noemde. Zo publiceerde hij in De Stoep zogenaamde 'vertalingen' die hij gemaakt zou hebben van een totaal onbekende Miguel H. Romano: 'La cabeza de algodon; Carmina de Aurora y sus 15 l grimas'. (De Stoep III-4/5,6) Debrot wist al in 1955 dat het hier een mystificatie betrof en in een Amigoe-interview (19 V 78) onthulde Corsen ze zelf: "Samen met Henk Dennert en Tip [Marugg] hebben we een biografie van Romano opgesteld. Met plaatsen waar hij gewoond heeft, zusters, authentieke handschriften, brieven van hem..." Het idee bleef kenelijk zo aantrekkelijk voor hem dat hij er in de Kerst-beurs 1984 over deze 'vertalingen' nogmaals uitvoerig uitweidde tegenover Beurs-interviewer 'Igor Kooperman' - wat een dubbele mystificatie van interviewer en genterviewde opleverde.

Simadán
Charles Corsen heeft ook te maken gehad met het Papiamentstalige tijdschrift Simadán, al werkte hij er zelf nauwelijks aan mee. Ook hier verdedigde hij zijn nieuwe opvattingen van dichten, dwars tegen een meer behoudende stroming in. Dat Simadán al na twee nummers strandde, zou volgens Charles Corsen en René de Rooy te wijten geweest zijn aan een conflict binnen de redactie: 'Je kreeg aan de ene kant Nicolas Piña en René de Rooy, die lyrischer en conservatiever waren, en aan de andere kant een Tip Marugg, een Charles Corsen, die meer naar het abstracte toegingen. En daardoor hadden we bij elke redactievergadering heibel.' (Amigoe 19 V 78) R. de Rooy schreef hierover nog in 'Letterkundig leven op Curaçao' (Vox Guyanae I: 17-24): 'Simadán ging te gronde na een heftig dispuut, waarbij verscheurde verzen en hartstochtelijke beschuldigingen over de redactietafel geslingerd werden.' Charles Corsen en Tip Marugg stapten op, en dat betekende het einde van het tijdschrift.

Verzamelde Gedichten
Naar aanleiding van de in 1978 verschenen Verzamelde Gedichten verschenen er enkele diepgravende recensies. Hans Vaders karakteriseerde Corsens werk uitgebreid en grondig: 'Zijn eerste gedichten laten zich lezen als barokke legpuzzels, rijk aan kleurschakering (Corsen de schilder), met een veelvuldig gebruik van alliteratie en assonantie als voornaamste stijlmiddelen (Corsen de tijdgenoot der experimentelen). De thematiek is traditioneel. Het verlangen naar de verre, onbereikbare geliefde, de hoop op hereniging, de droefheid van een laatste afscheid en nieuwe hoop op toenadering. De uitwerking wisselt van kwaliteit, en neemt soms meer pathetische vormen aan met een overdreven hang naar sentimentalisme. In Corsens gehele oeuvre blijft het liefdes-thema, over een al dan niet verloren gegane, liefde overheersen, dwingend gebracht met zich repeterende beelden: de droom, het schilderen, de opengekerfde wond, afgewisseld met beelden uit de wereld der muziek, waarin Corsen zijn grootvader Joseph Sickman Corsen navolgt... De gevoelswereld van een getalenteerde, tweeëntwintigjarige dichter, een jonge bohémien die 's nachts de uitkomst van zijn bestaan beschrijft op de top van de Ceru Domi.'

Frank Martinus Arion besprak de gedichten in NRC-Handelsblad (21 VII 78) en kwam juwelen en minder goede, want onheldere en doodlopende gedichten tegen. Criticus Enrique Muller (Amigoe 22 IV 78) schreef over persoonlijke beelden, soms gezocht en verrassend wat betreft de combinatie van concreet met abstract, die hij soms moeilijk te interpreteren vond zodat ze duister bleven. Hij wees op literaire technieken als het gebruik van begin-, midden- en eindrijm, de veelvuldige alliteraties, de typografische technieken met verschillende lettertypes, het gebruik van vet, de verzen trapsgewijs of diagonaal plaatsen, zoals Paul van Ostayen dat bijvoorbeeld ook deed. Hij constateerde Corsen's voorliefde voor het extreme, voor het schokeffect, het uitzonderlijk verrassende: 'Een onbeheerst verlangen naar geluk, een hart overlopend van levenslust, maar tegelijkertijd de beklemmende angst bedrogen uit te komen in het leven, dit alles preekt steeds weer uit de gedichten... onzekerheid over het bestaan en angst om het voorbijgaanvan de liefde... de vraag of echte liefde mogelijk is in het leven...'

Caraïbisch Surrealisme
Had de Sticusa de dichter al in 1954 een plaatsje bij de Nederlandse experimentelen, naast Lucebert, gegeven (Sticusa Jaarboek 1954), ook Hans J. Vaders zag in 1978 nog verwantschap met de Nederlandse experimentele Vijftigers. Invloed was er van Paul van Ostayen, Theo van Doesburg en vooral 'de geest van Luc Tournier', maar 'de Antilliaanse auteur kan gezien worden als een individualist, als een enkeling, die zijn collega-auteurs alleen ontmoet in een bloemlezing. Op de Antillen wordt - gelukkig niet programmatisch geschreven.' Corsens belang was 'dat hij samen met Tournier en Marugg, één van de na-oorlogse poëzievernieuwers is geweest.' Dat was dan zijn Antilliaanse plaatsbepaling. Martinus Arion zag invloed van zowel Parijs als de Spaans-Amerikaanse poëzie, terwijl hij bovendien wees op de talrijke meta-poëtische gedichten: over poëzie en de maatschappelijke positie van de dichter (evenals de Franse Poètes Maudits en de Nederlandse Vijftigers).


Werd Charles Corsen aanvankelijk ook wel bij het surrealisme ingedeeld, later werd deze indeling ter discussie gesteld. Al in het begin van de jaren vijftig plaatste criticus Cola Debrot de dichter in een Carabische traditie, toen anderen nog over de onbegrijpelijkheid klaagden: 'Het surrealisme van De Stoep vertoont aanmerkelijk verschil met het surrealisme van een andere Antilliaanse groep, en wel die van de Franse Eilanden. Vergelijk maar eens Charles Corsen uit Curaçao met Aimé Césaire uit Martinique. Bij Charles Corsen gaat het om het uitzingen van zijn 'metaphysische ziel', Aimé Césaire is raciaal ingesteld.'

Maar in 1977 kwam Debrot zelf op deze indeling terug en plaatste hem toen bij het 'ultraïsme', dat tot kenmerk heeft een emotioneel extremisme of een extremisme van de verbeelding, in elk geval het doorbreken van conventionele barrières. 'Het heeft aanknopingspunten met het Europese expressionisme en surrealisme of het Mexicaanse 'estredentismo' (de literatuur van de snerpende uitingsvormen), maar kan toch niet daarmee worden geïdentificeerd.'

Meulenhoff-uitgever Laurens Vancrevel maakte in 1989 van dat soort nuanceringen geen probleem toen hij boudweg beweerde: 'Samen met Luc Tournier en Oda Blinder vertegenwoordigt Corsen het heftige en sensuele Antilliaanse surrealisme.' Marion Snetselaar toonde in Drie Curaçaose schrijvers (1991) echter aan dat voorzichtigheid geboden was met dit soort etikettering en wees er na analyse van Tip Maruggs poëzie op, dat Corsen's gedichten eerst grondig geanalyseerd zullen moeten worden, want de diverse vlaggen kunnen geen van alle zonder meer de lading dekken. Snetselaars kanttekeningen betekenden een misschien voorlopige, maar vooralsnog grondige exit van het surrealisme. Over zowel de onbegrijpelijkheid van de gedichten zelf, de verwantschap en invloeden, de stroming waarin Charles Corsens poëzie thuishoort, is voorlopig het laatste woord niet gezegd. De dichter is niet meer - het zijn de lezers die zijn werk levend moeten houden.

Charles Corsen: Verzamelde gedichten 1948-1961. Bijeengebracht en van bibliografische gegevens voorzien door Daphne M. van Schendel-Labega Rotterdam: Flamboyant/P 1978