Caraïbisch uitzicht
Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
woensdag 12 april 2017
zaterdag 24 mei 2014
Verhuizing Caraïbisch uitzicht
Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren.
Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
woensdag 21 mei 2014
Onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen
![]() |
| Boeli van Leeuwen |
door B. Jos de Roo
Een
verrassende vondst die ik deed in het draaiboekenarchief van de Wereldomroep is
die van een onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen. Van Leeuwen was een van de
vele Antillianen en Surinamers die in de jaren 1947 tot 1958 op verzoek van de
Wereldomroep verhalen schreef voor de West-Indische uitzending en die ook zelf
voor de microfoon voordroeg. Met 36 bijdragen was hij zelfs de meest gevraagde.
Curieus is dat zijn bijdragen vaak werden aangekondigd als “Praatje voor de
West”, wat me op de titel van mijn dissertatie bracht: Praatjes voor de West. Hierin onderzoek ik de betekenis van de
Wereldomroep voor de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur
in de jaren 1947 tot 1985.
In dat kader paste het niet om het gedicht volledig te
publiceren. In Caraïbisch Uitzicht
schreef Klaas de Groot een aantal
artikelen over alle tot dan toe gekende gedichten van Boeli van Leeuwen; hij
kon natuurlijk niet weten dat er nog eentje was.
Het gevonden
gedicht was de laatste bijdrage aan de Wereldomroep van Van Leeuwen. De opname
ervan vond plaats op 31 mei 1954 en het werd uitgezonden op 23 juli van dat
jaar. De titel is ‘Masroig’, een plaats in Catalonië tussen rotsige bergen. Het
gedicht heeft een chronologische opbouw: van de ochtend naar de avond. Het
begint met een boer die ontwaakt; zijn vingers zijn verstijfd van het wroeten
tussen de stenen om olijven en druiven te planten. In de ochtend gaat de boer
met zijn muilezel het land ploegen. Daar vertelt de boer over de Spaanse
burgeroorlog, die hij als een gevolg van de erfzonde ziet. ’s Avonds is er een
processie, waar de mensen die de ik-figuur ’s morgens in de bergen had gezien
in meelopen.
In geen
ander Wereldomroepverhaal heeft Van Leeuwen het zo nadrukkelijk en uitgebreid
over de aangeboren slechtheid van de mens. Tegelijkertijd besluit hij met te
wijzen op de grootsheid van diezelfde mens. Zo drukt het gedicht uit: het leven
is een groots en vreselijk mysterie.
Kennelijke
tikfouten uit het typoscript heb ik verbeterd; zo werd onder andere boord brood en steem steen. Een analyse van het
gedicht geef ik hier niet. Mijn bedoeling is dat iedereen over de tekst ervan
kan beschikken.
Maisrog
In deze
bergen is de aarde rood en slaapt het steen van
vele
eeuwen.
en met zijn
blote handen
heeft de
mens de korst der aarde uit elkaar gerukt
en rots tot
vruchtbaarheid gedwongen.
hij bouwt
zijn huizen bloksgewijs gestapeld op elkaar
met schuwe
ramen in de hardheid van het steen
en houdt
zijn deur gesloten.
als de
morgen in de bergen openbarst
en wind de
blaa’ren der olijven zilverwit doet ritselen
ontwaken
eerst de dieren van het huis.
de geiten
met hun gele ogen schrappen in de grond en
schommelen hun
zware uier
en wekken al
de andere dieren in de doffe kelder van
het
huis
waarboven
mensen weerloos van vermoeidheid in hun slaap
gevangen
zijn.
En zelfs in
’t grauwe laken kan een kromgetrokken hand
niet
opengaan;
de vingers
zijn verstijfd van het wroeten in de rotsen
en blijven
als de wortels van olijven bij elkander.
het
voorhoofd is verweerd, verdord; de haren zijn ver-
verschroeid als gras
dat in de
hete zomer is verbrand
als de man
terug-valt in het leven uit zijn slaap
dan ligt hij
eenzaam zonder te bewegen
en hoort de
adem van zijn vrouw en het vlugge hijgen van
zijn
kinderen.
hij voelt de
donkere ruimte tastbaar om zich heen
en om de
bergen in de verte.
om wijn te
planten en olijven
haalt deze
man eerst stenen uit de grond;
dan legt hij
steen op steen tot kolossale muren
waar de rode
aarde in gevangen wordt
en de
schaarse regen in kan zinken.
een
kathedraal is niet zo groots als zo een muur
die het
brood voor mensen af moet dwingen aan een gierige
natuur.
vele uren
van zijn leven en de zorgen van zijn hart
zijn steen
geworden in die rode muren.
de mens
wacht op de zon en op het snel besluit om op te staan
éérst, vóór
alles, krijgt de mula voer
de mula met
zijn ezelsoren en zijn harde nek.
sterker dan
zijn moeder, het paard,
en taaier
dan zijn vader, de ezel,
zwoegt hij
met zijn stugge pezen in de stroeve grond.
als een gems
kan hij klimmen en dalen
en met
liefdeloos fatalisme meet hij zijn pas
in de
rotsige glooiing der bergen.
hij kent
niet de eerzucht der paarden, noch de weerstand der
ezels
en met gevaarlijk
geblaas en platgetrokken oren
bijt hij de
hand die hem voedt en de hand die hem slaat.
zonder zweep
staat hij stil, met de zweep loopt hij traag
maar
onweerstaanbaar gespierd scheurt hij de grond
stap na stap
na stap
altijd
vermoeid maar nimmer verslagen.
in de
schemerige straat
dof-bruin en
blauwig van schijnsel
begint de
processie van mensen en mula’s de tocht naar de bergen
“bon dia,
tingi”, en dan wordt er gezwegen.
want de
slaap hangt nog zwaar in de straat en de harten
der
mensen.
nergens
scherpt de morgen een geweldiger ruimte
dan hier in
de rollende heuvels
in de verte
gevangen door paarsige bergen.
alle kleuren
ontstaan hier in het komende licht
van een
korrelig rood tot het oker van vincent van gogh.
het is een
fantastische ruimte,
de vierde
dimensie
de genesis
van een gloed-nieuw gebeuren.
de ploeg is
van hout
en de mula
trekt loom en verbeten
een spoor in
de stenige grond der terrassen.
een olijf
wordt gesnoeid
door een
zwijgzame man te paard in de takken,
tot de grond
is bedekt met de fluisterende blaa’ren.
de zepa
en dat is de
plant van de wijn wordt gesnoeid en geënt
door mensen
wier armen lijken te groeien tot lijdzame slierten
van bukken
en werken, werken en bukken.
de boer is
een benige man
met een blos
van de wijn op zijn wangen
en de
lichtblauwe ogen uit noordelijker streken.
hij
vervloekt het gezag met een bittere mond.
“al het
water van de ebro daar”
en hij wijst
met zijn hoornige hand
“heeft het
bloed niet kunnen wassen waarmee deze grond is
bevlekt.
wij hebben
elkaar hier gekeeld en geslacht
mijn oom was
een schoft en ik heb hem vermoord
want hij
heeft mijn vader verraden”
opeens
blijft hij, staan
en met zijn
hand in de lucht
zegt hij
zachtjes en triest in de morgen:
“het is de
herhaling van abel en kaïn, van blinde verdwazing
dat het
bloed der naasten aan onze handen kleeft
verguenza,
verguenza”
en het vocht
van zijn mond schijnt hem bitter te smaken.
en hij spuwt
op de grond en vervloekt het gezag
en ieder der
mannen heeft een verhaal
van de
strijd in de bergen
hoe sommigen
jaren waren gevangen in de bergen van het eigen
land
en anderen
weer zijn gevlucht naar den vreemde.
één nam mij
mee naar een grot
in het
binnenste der aarde
waarin hij
een tijd was verborgen;
in een
smalle gang
leek het
gewicht van de rotsen mijn borstkas te kraken.
hier lag hij
weken als een levende begraven
terwijl hem
de haren vergrijsden van angst.
nu bewerkten
zij samen de grond
maar hun
ogen verraden de schaamte en pijn van de gruwelijke
jaren
die in de
bergen door de mens is beleefd.
een karavaan
van zigeuners komt nu langs de weg
donkerbruine
vorstelijke schooiers in het rood en in het geel
wie niets
bezit, dat is hun spreuk, is heerser van de wereld
zij stelen
druiven op de bergen
en wasgoed
uit de tuin.
zij leggen
zangerig de toekomst aan uw voeten
terwijl het
kostelijk zoontje
op zijn
tenen naar uw zakken tast.
hun handen
pakken, tasten, kruipen, stelen
alles waar
een ander zorgelijk voor heeft gezwoegd.
in het
heetst van de namiddag
wordt het
eten hun gebracht
en stroomt de
wijn uit een zak in de klokkende kelen.
de bergen
die blazen
in de trilling van het warme licht
en de mula’s
staan onder
narcose in de schaduw der bomen.
kijk naar de
slapende mens door vermoeidheid gebroken
als
marionetten van hout
met armen en
benen toevallig gespreid in de buurt van een
zielloze
romp
zo sliepen
de boeren van breughel
verzadigd
van eten en verdoofd door de wijn.
als de
schaduw der bergen
de kleur der
olijven doet stollen tot brons
en de zon
als een schijf op de punt van een rots balanceert
dan
schreeuwt de boer door zijn hand met een zingend geluid
dat de dag
is volbracht.
die avond
een heilige
avond
zou
christus, begeleid door zijn moeder, de maagd
in processie
worden gedragen.
lampionnen
worden in de ramen ontstoken
en met
takken van palmen gesierd.
de jassen
der mannen zijn zwart en versleten
en te kort
bij de benige pols
gelijk de
jas van een jongen die opeens is gegroeid.
het kruis is
zeer zwaar en heel moeilijk te dragen
want de
stervende christus is groot en de mens is maar zwak.
de sterkste
der mannen had amper kracht
om het
wankelend kruis op zijn schouder te nemen.
hij heette
ramon
een
kinderlijk mens met verwonderde ogen
die voor gek
werd versleten omdat hij nog nooit had bedrogen
toen werd
het stil
en niemand
bewoog in de grijzende schemer
en de mensen
zij wachten (als leden ze pijn)
op de stem
van de klok in de toren-
de christus
van gips
was bedekt
met karmijnrode wonden:
de kleur van
een bloem die nauwelijks maar hevig bestaat.
zo wil de
mens hier het lijden verstaan
zonder
schaamte voor wonden die nimmer genezen
en het bloed
dat altijd nog stroomt.
ramon droeg
het kruis
en zijn
lendenen leken te kraken bij iedere stap die hij deed
en het zweet
lag als een dauw om zijn mond
en zijn
verwonderde ogen.
hoe schoon
droeg hier een mens de mensenzoon
op zijn
afgewerkte schouders
naar het
licht van lampions en walmende flambouwen.
en achter
hem kwamen de meisjes gekleed in het zwart
met een
ketting geboeid
en het
gezicht in een masker verscholen.
daarna maria
ten troon in
armen van oudere mannen
keek neer op
een wonderlijk kindje van gips.
en achter
haar kwamen, stug en gesloten
versleten
als hun zwarte jas
de mensen
die ik ’s ochtends op de bergen had gezien.
en ik was
bewogen
om het
wonder van de mens die wordt geboren en die sterft
die op de
bergen in het zweet van zijn aangezicht
voor zijn
kinderen het brood en de wijn uit de stenen perst
die oorlog
heeft gekend
van broeder
tot broeder
en vader
tegen zoon;
die honger
heeft geleden toen een pest de wijnplant had ge-
dood
en het loon
naar werken uit zijn handen sloeg.
toen ik
wegtrok uit de catalaanse bergen
stond ik
lang nog op de stoffige weg
tot dit
beeld in mijn hart was gekomen
![]() |
| Rotstekening (Aruba) |
Hoe het vreemde-talenonderwijs om zeep wordt geholpen
| Klik voor groter formaat |
door Michiel van Kempen
Hoe het leren van vreemde talen om zeep wordt geholpen? Kijk maar naar de foto hierboven. Het is een opname van pagina 2 van het Nederlandse landelijk eindexamen Frans dat vandaag, 21 mei 2014, is afgenomen. Er staat: "Let op: beantwoord een open vraag altijd in het Nederlands, behalve als het anders is aangegeven. Als je in het Frans antwoordt, levert dat 0 punten op." Dus je hebt zes jaar zitten zwoegen op de Franse taal, in de hoogste afdeling die het Nederlands middelbaar onderwijs heeft: het VWO, en dan word je keihard afgestraft als je wilt laten zien dat je je Frans beheerst.
Waar houdt dit op:
"Als je in het Duits antwoordt, levert dat 0 punten op."
"Als je in het Engels antwoordt, levert dat 0 punten op."
en uiteindelijk biij het eindexamen Nederlands:
"Als je in het Nederlands antwoordt, levert je dat 0 punten op."
Is die club malloten die dit eindexamen heeft opgesteld, misschien bij elke sessie begonnen met het aanbreken van een kistje Grand Cru?
Ik ben bang dat ze niet eens weten wat een Grand Cru is.
De vrek (van Molière) - Klassieke komedie in full colour
Hebzucht kent geen grenzen. Na 350 jaar trekt Van Engelenburg De Vrek een eigentijds jasje aan. Met: Kenneth Herdigein, Sergio Hasselbaink, Rogier Komproe, Maikel van Hetten, Imanuelle Grives, Werner Kolf, Shertise Solano
Hebzucht kent geen grenzen.
O, geld, mijn arme geld,
mijn lieve, lieve geld.
Wat moet ik zonder jou?
De enige vriend die ik heb.
O, geld, mijn arme geld,
mijn lieve, lieve geld.
Wat moet ik zonder jou?
De enige vriend die ik heb.
In deze
karakterkomedie van Molière zien we hoe een man zijn menselijkheid verliest
omdat hij de munt verkiest boven zijn zoon. Dé thematiek van deze tijd.
Regisseur Hans van Hechten maakt hier een eigentijdse toneeluitvoering van.
Uitbundige speelstijl en taalgrappen maken dit stuk tot vermaak voor iedereen. Gun
uw toneelpubliek een vrolijk en verrassend avondje uit!
Regie en idee: Hans van Hechten
Regieadviezen: Ivar van Urk
Vertaling en bewerking: Karlijn Stoffels
Dramaturgie: Jenny Mijnhijmer
Muziek: Mattie Poels
Producent: Henrike van Engelenburg
Vertaling en bewerking: Karlijn Stoffels
Dramaturgie: Jenny Mijnhijmer
Muziek: Mattie Poels
Producent: Henrike van Engelenburg
Kijk ook op www.DeVrek.nl
R. Dobru - Wan bon/Egy fa
Wan bon
Wan bon
someni wiwiri
wan bon.
Wan liba
someni kriki
ala e go wan se.
Wan ede
someni prakseri
prakseri pe wan bun mu de.
Wan Gado
someni fasi tu anbegi
ma wan Papa.
Wan Sranan
someni wiwiri
someni skin
someni tongo
wan pipel.
R. Dobru 1973
Wan bon
someni wiwiri
wan bon.
Wan liba
someni kriki
ala e go wan se.
Wan ede
someni prakseri
prakseri pe wan bun mu de.
Wan Gado
someni fasi tu anbegi
ma wan Papa.
Wan Sranan
someni wiwiri
someni skin
someni tongo
wan pipel.
R. Dobru 1973
| Boom in het park van Gödöllö bij het zomerpaleis van Sisi, keizerin van Oostenrijk, nu Hongarije. Foto © Michiel van Kempen |
Egy fa
Egy fa
s annyi levél
a fán
Egy folyó
s mennyi patak
mind egy tengerbe szalad
Egy fő
s mennyi gondolat
az üdvös is közöttük akad
Egy isten
s annyi fajta hódolat
de egy atya.
Egy Szránán
s annyi féle bőrszín
és hány hajazat
s mennyi nyelv
de egy nép.
R. Dobru 1973
(fordította: Feuer Sebestyén 2014)
Egy fa
s annyi levél
a fán
Egy folyó
s mennyi patak
mind egy tengerbe szalad
Egy fő
s mennyi gondolat
az üdvös is közöttük akad
Egy isten
s annyi fajta hódolat
de egy atya.
Egy Szránán
s annyi féle bőrszín
és hány hajazat
s mennyi nyelv
de egy nép.
R. Dobru 1973
(fordította: Feuer Sebestyén 2014)
[Hongaarse
vertaling van het gedicht ‘Wan bon’, op de website surinamehu.weebly.com]
Bhai - Gedicht
Een eigen geschiedenis vraagt om eigen geschiedschrijving
| Geschiedschrijving: het is maar met welke bril je het bekijkt. Foto © Michiel van Kempen |
door Ruben Bakker
Geschiedenis kan ‘over’ Suriname gaan, maar is die dan ook ‘van’
Suriname? Voor geschiedschrijving (of historiografie) is het uitermate
belangrijk vanuit welk perspectief gekeken wordt. Dit komt al naar voren in de
ondertitel van de bundel Verkenningen in
de historiografie van Suriname, die de ambitie aangeeft om te komen Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis
van het volk. Deze ambitie spreekt ook uit het symposium ‘Geschiedschrijving
van Suriname’, gehouden in 2013, waar deze bundel uit voortgekomen is.
In een geschiedenis van het volk staat het volk centraal,
dit in tegenstelling tot een koloniale geschiedenis, waar de relatie met de
kolonisator centraal staat. Als men spreekt van dekolonisatie van de
geschiedschrijving wordt bedoeld dat niet alleen het bestuur van een land, maar
ook de geschiedschrijving onafhankelijk wordt. Maar wat betekent dit precies?
En hoe kunnen we dat bereiken? Dit zijn de vragen die in de bundel centraal staan.
De bundel bestaat uit 25 Nederlands- en Engelstalige essays,
geschreven door Surinaamse en buitenlandse (vooral Nederlandse) historici.
Hiermee beslaat de bundel - die in twee delen is uitgekomen - zo’n 656 pagina’s in totaal.
Door de veelheid aan essays worden veel aspecten die
relevant zijn voor de historiografie van Suriname belicht. Zo benadrukt Chan Choenni
de urgentie en het belang van ‘oral history’, gaat Mildred Caprino in op (de
mogelijkheid van) vrouwengeschiedenis en bespreekt Hilde Neus de rol van
historische romans voor de geschiedschrijving. Naast het gezichtspunt en de
plek in de Surinaamse geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen is er
ook aandacht voor de ontwikkelingen in de historiografie van andere voormalige
kolonies.
De breedheid van de onderwerpen en de veelheid aan auteurs
maken de essaybundel echter ook kwetsbaar. Doordat de essays erg los van elkaar
staan, komt herhaling nogal eens voor en wordt de lezer niet altijd
aangemoedigd om ook het volgende essay te lezen. Dit had voorkomen kunnen
worden door de essays meer te rubriceren, zodat er een duidelijker opbouw ontstaat.
Ook was het wellicht beter geweest als alle essayisten aan het einde van hun artikel
concrete aanbevelingen deden van hoe de historiografie van Suriname verbeterd
kan worden. Nu is dat slechts bij enkele essays het geval. Want weet de lezer
uiteindelijk wat er concreet moet veranderen om de Surinaamse historiografie
een ‘geschiedenis van het volk’ te maken?
In ieder geval is daar een dappere poging toe gedaan en is
veel kennis gebundeld.
De tweedelige bundel vormt een belangrijke bijdrage aan de
Surinaamse historiografie en houdt bovendien de lezer een spiegel voor: een
eigen geschiedenis maak je zelf!
Maurits S. Hassankhan, Jerome L. Egger, Eric R. Jagdew
(samenstellers): Verkenningen in de
historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van
het volk. Deel 1 en 2. Paramaribo: Anton de Kom Universiteit van Suriname
(AdeKUS), 2013. ISBN: 978-99914-7-254-6
dinsdag 20 mei 2014
Nieuw nummer OER
OER Digitaal Vrouwenblad is uit met een nieuw nummer getiteld Black is Beautioful. Klik hier om de digitale versie te bezoeken.
Osopasi gepresenteerd
De avond begon weinig hoopvol met een flinke regenbui.
De groene tuin vol fruitbomen zag er uitnodigend uit met
honderden
afgevallen blozende manja’s onder de oude boom en nog
tientallen aan draden hangende in afwachting van een windvlaag.
Wij werden welkom geheten door Els Tjon Joe Wai en Marisa
Piepelenbos, onze gastvrouwen,die de sfeer hadden bepaald met grote schalen
fruit van het erf op de ruwhouten tafels: manja, pomerak, appeltjes, pomme de
citerre, kersen in diverse tinten rood en een wit emaillebekkentje met de naam
Betsy in blauw , gevuld met kleine oranje palulu.
Rijen stoelen en een kleine tent met de geluidsinstallatie
stonden uitnodigend klaar. De gasten konden komen.
Als eerste was daar Celestine Raalte, opgewekt als altijd.
Zij zou een van de vier
Presentaties verzorgen, naast Tolin Alexander, Bongo
Charley, Pieter van der Hijden en Ronald Snijders.
De mensen begonnen in groepjes binnen te komen.
Daar was de eregast, Hein Eersel, die het eerste exemplaar
zou krijgen.
Het was voor mij een hele eer deze taalkundige autoriteit
mijn boek te mogen aanbieden. Jaren geleden had ik hem in Amsterdam horen
praten en was aangenaam getroffen door zijn taalkundige virtuositeit. Van zo
iemand had ik graag les gehad.
Ronald Snijders arriveerde en iedereen begon verwachtingsvol te praten.
Het duurde even, maar
toen opende Els de avond en kon Ronald deze influiten op zijn geheel eigen
enthousiaste manier. Het publiek was enthousiast en klapte op de maat mee.
Pieter hield zijn inleiding met een leuke verwijzing naar
fietsenmaker Junker in de Klipstenenstraat waar je terecht kunt voor elk
schroefje, moertje en veertje uit de jaren 50. Hij vroeg zich af of het soms
een foute Duitser was die met ticket naar Paraguay per ongeluk in Paramaribo terecht was gekomen
en daar een zaak was begonnen. “Maar het is een hele aardige man”, vergoelijkte
hij.
Daarna gaf Tolin zijn visie op Kallianni’s liefdevolle
omgang met de binnenlandbewoners, die hem zeer aanspreekt.
Bongo Charley omlijstte de lezing van enkele fragmenten en
het gedicht “Nocturne”.
Een zeer ingenomen Hein Eersel belichtte het begrip “oso”
uit de titel. Van Trefossa tot dedeoso alata.
Hierna kon men een gesigneerd exemplaar aanschaffen bij een
drankje, een knabbeltje en een babbeltje, wat nog uren doorging.
Cat, 19 mei 2014
maandag 19 mei 2014
De dichter en het woord
Bij uitgeverij In de Knipscheer is Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord verschenen, een multimediaal
eerbetoon aan drie Surinaamse dichters: Trefossa, Shrinivási en Dobru.
In een opstel ‘Over nationale letterkunde’, gepubliceerd in Sticusa-Journaal
van 1974 ontvouwde Albert Helman zijn visie op de vijf ontwikkelingsfasen in
het ontstaan van een eigen literaire productie in de dekoloniserende landen. In
de derde fase kenmerkt Helman de Surinaamse poëzie als volgt: ‘Er ontstaan
sterker op het lokale milieu betrokken gedichten en echte streekverhalen en
streekromans, al dan niet in de algemeen gangbare cultuurtaal of in een van de “vernaculars”.
Gemakshalve worden beide taalsoorten (het Nederlands en het Sranan) vaak
dooreengemengd, of opzettelijk, terwille van de lokale kleur, incidenteel of
exclusief gebruikt. De gedichten zijn meest van lyrisch-protesterende aard of
illustreren populaire slogans.’ De derde fase is de periode van eind jaren ’50
en de jaren ’60: veel protestliteratuur, volop ontplooiing van de volkstalen,
verdieping in de historische anekdotiek. Voorbeelden hiervan zijn: ‘gronmama’
(Trefossa), ‘Suriname’ of ‘De dichter en het woord’ (Shrinivási) en ‘Holi
Phagwa 1973’ of ‘geen plaats’ (Dobru).
| Buste van Trefossa op de hoek van het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo. Foto © Michiel van Kempen |
Met andere woorden de periode 1957-1975 stond in het teken
van het engagement met het volk, de strijdliteratuur en de nationale of
nationalistische literatuur. Daarbij moet ook worden aangetekend dat deze
periode verrassend veel werk opleverde dat meer dan een kwart eeuw later als
gecanoniseerd zou gelden. Trefossa, Shrinivási en Dobru maken zeker deel uit
van de Surinaamse poëziecanon. Dat bewijst ook de keuze van de dichters. Maar
deze drie ‘groten’ zijn niet de enige grote Surinaamse dichters... er zijn er veel
meer in dit poëzieland. In de inleiding van Cynthia Abrahams staat: ‘De
gedichten zijn gekozen uit het werk van de drie meest geliefde dichters van
Suriname, Trefossa, Shrinivási en Dobru.’ (p. 12) En Mavis Noordwijk zegt in
een interview: ‘De manier waarop Trefossa typische Sranan-woorden en
uitdrukkingen in zijn poëzie gebruikt, geeft een meerwaarde aan het Sranan. Hij
is voor Suriname van buitengewoon grote betekenis zowel voor de literatuur als
voor de cultuur geweest. Trefossa gebruikte in zijn vertalingen vaak beelden
die aansluiten bij de Surinaamse belevingswereld’. (p. 28)
| Shrinivási, april 2014 Foto © Michiel van Kempen |
| Saxofoniste Sanne Landvreugd speelt mee op de cd. Foto © Michiel van Kempen |
De invloed van de drie behandelde dichters op de Surinaamse literatuur
is bijzonder groot. Tiri fu den wortu ...
di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een sieraad voor elke
liefhebber van de Surinaamse literatuur. Ook jongeren kunnen op een moderne
manier kennis maken met dit muzikaal bewerkte culturele erfgoed en zelfs aangespoord
worden werken van Surinaamse dichters te gaan lezen en deze creatief te
gebruiken.
Cynthia Abrahams, Hein Eersel, Geert Koefoed (samenstelling
en inleidingen): Tiri fu den wortu ... di
no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord. Dobru, Shrinivási, Trefossa. Drie
Surinaamse dichters op muziek gezet. Boek en dvd. Haarlem: In de Knipscheer
i.s.m. IKO Foundation, 2014. ISBN 978 90 6265 852 7
Shrinivási - De dichter en het woord (Kavi aur shabd)
Wat zijn
woorden eigenlijk?
Een land.
Het
vaderland van de dichters.
De
woonplaats van de dichters.
Wat zijn
woorden eigenlijk?
Een mond.
Zij schenken
troost
en scheppen
geluk.
Vrucht van
de gedachten
en uiting
van het hart zijn zij.
Wat zijn
woorden eigenlijk?
Een ploeg.
De
menselijke gemeenschap is de grond.
De dichter
de ploeger ervan.
Wat zijn
woorden eigenlijk?
Een krans.
Van
dankbaarheid
de
toetssteen.
Het kenmerk
van dichters geheim.
Teken en
schepping van zijn mond.
Wat zijn
woorden eigenlijk?
Een land.
Het dierbare
Vaderland van
de dichters.
Zij vormen
de grootheid van de dichters.
[in: Pratikshá, 1968]
Abonneren op:
Posts (Atom)










