zaterdag 24 mei 2014

Verhuizing Caraïbisch uitzicht


Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren.

Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!

woensdag 21 mei 2014

Onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen

Boeli van Leeuwen
door B. Jos de Roo

Een verrassende vondst die ik deed in het draaiboekenarchief van de Wereldomroep is die van een onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen. Van Leeuwen was een van de vele Antillianen en Surinamers die in de jaren 1947 tot 1958 op verzoek van de Wereldomroep verhalen schreef voor de West-Indische uitzending en die ook zelf voor de microfoon voordroeg. Met 36 bijdragen was hij zelfs de meest gevraagde. Curieus is dat zijn bijdragen vaak werden aangekondigd als “Praatje voor de West”, wat me op de titel van mijn dissertatie bracht: Praatjes voor de West. Hierin onderzoek ik de betekenis van de Wereldomroep voor de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur in de jaren 1947 tot 1985. In dat kader paste het niet om het gedicht volledig te publiceren. In Caraïbisch Uitzicht schreef  Klaas de Groot een aantal artikelen over alle tot dan toe gekende gedichten van Boeli van Leeuwen; hij kon natuurlijk niet weten dat er nog eentje was.

Het gevonden gedicht was de laatste bijdrage aan de Wereldomroep van Van Leeuwen. De opname ervan vond plaats op 31 mei 1954 en het werd uitgezonden op 23 juli van dat jaar. De titel is ‘Masroig’, een plaats in Catalonië tussen rotsige bergen. Het gedicht heeft een chronologische opbouw: van de ochtend naar de avond. Het begint met een boer die ontwaakt; zijn vingers zijn verstijfd van het wroeten tussen de stenen om olijven en druiven te planten. In de ochtend gaat de boer met zijn muilezel het land ploegen. Daar vertelt de boer over de Spaanse burgeroorlog, die hij als een gevolg van de erfzonde ziet. ’s Avonds is er een processie, waar de mensen die de ik-figuur ’s morgens in de bergen had gezien in meelopen.

In geen ander Wereldomroepverhaal heeft Van Leeuwen het zo nadrukkelijk en uitgebreid over de aangeboren slechtheid van de mens. Tegelijkertijd besluit hij met te wijzen op de grootsheid van diezelfde mens. Zo drukt het gedicht uit: het leven is een groots en vreselijk mysterie.

Kennelijke tikfouten uit het typoscript heb ik verbeterd; zo werd onder andere boord  brood en steem steen. Een analyse van het gedicht geef ik hier niet. Mijn bedoeling is dat iedereen over de tekst ervan kan beschikken.

Maisrog

In deze bergen is de aarde rood en slaapt het steen van
                                                                          vele eeuwen.
en met zijn blote handen
heeft de mens de korst der aarde uit elkaar gerukt
en rots tot vruchtbaarheid gedwongen.
hij bouwt zijn huizen bloksgewijs gestapeld op elkaar
met schuwe ramen in de hardheid van het steen
en houdt zijn deur gesloten.
als de morgen in de bergen openbarst
en wind de blaa’ren der olijven zilverwit doet ritselen
ontwaken eerst de dieren van het huis.
de geiten met hun gele ogen schrappen in de grond en
                              schommelen hun zware uier
en wekken al de andere dieren in de doffe kelder van
                                                                          het huis
waarboven mensen weerloos van vermoeidheid in hun slaap
                                                                          gevangen zijn.
En zelfs in ’t grauwe laken kan een kromgetrokken hand
                                                                          niet opengaan;
de vingers zijn verstijfd van het wroeten in de rotsen
en blijven als de wortels van olijven bij elkander.
het voorhoofd is verweerd, verdord; de haren zijn ver-
                                                                verschroeid als gras
dat in de hete zomer is verbrand
als de man terug-valt in het leven uit zijn slaap
dan ligt hij eenzaam zonder te bewegen
en hoort de adem van zijn vrouw en het vlugge hijgen van
                                                                          zijn kinderen.
hij voelt de donkere ruimte tastbaar om zich heen
en om de bergen in de verte.
om wijn te planten en olijven
haalt deze man eerst stenen uit de grond;
dan legt hij steen op steen tot kolossale muren 
waar de rode aarde in gevangen wordt
en de schaarse regen in kan zinken.
een kathedraal is niet zo groots als zo een muur
die het brood voor mensen af moet dwingen aan een gierige
                                                                                                       natuur.
vele uren van zijn leven en de zorgen van zijn hart
zijn steen geworden in die rode muren.
de mens wacht op de zon en op het snel besluit om op te staan
éérst, vóór alles, krijgt de mula voer
de mula met zijn ezelsoren en zijn harde nek.
sterker dan zijn moeder, het paard,
en taaier dan zijn vader, de ezel,
zwoegt hij met zijn stugge pezen in de stroeve grond.
als een gems kan hij klimmen en dalen
en met liefdeloos fatalisme meet hij zijn pas
in de rotsige glooiing der bergen. 
hij kent niet de eerzucht der paarden, noch de weerstand der
                                                                                                       ezels
en met gevaarlijk geblaas en platgetrokken oren
bijt hij de hand die hem voedt en de hand die hem slaat.
zonder zweep staat hij stil, met de zweep loopt hij traag
maar onweerstaanbaar gespierd scheurt hij de grond
stap na stap na stap
altijd vermoeid maar nimmer verslagen.
in de schemerige straat
dof-bruin en blauwig van schijnsel
begint de processie van mensen en mula’s de tocht naar de bergen
“bon dia, tingi”, en dan wordt er gezwegen.
want de slaap hangt nog zwaar in de straat en de harten
                                                                          der mensen.
nergens scherpt de morgen een geweldiger ruimte
dan hier in de rollende heuvels
in de verte gevangen door paarsige bergen.
alle kleuren ontstaan hier in het komende licht
van een korrelig rood tot het oker van vincent van gogh.
het is een fantastische ruimte,
de vierde dimensie
de genesis van een gloed-nieuw gebeuren.
de ploeg is van hout
en de mula trekt loom en verbeten
een spoor in de stenige grond der terrassen.
een olijf wordt gesnoeid
door een zwijgzame man te paard in de takken,
tot de grond is bedekt met de fluisterende blaa’ren.
de zepa
en dat is de plant van de wijn wordt gesnoeid en geënt
door mensen wier armen lijken te groeien tot lijdzame slierten
van bukken en werken, werken en bukken.
de boer is een benige man
met een blos van de wijn op zijn wangen
en de lichtblauwe ogen uit noordelijker streken.
hij vervloekt het gezag met een bittere mond.
“al het water van de ebro daar”
en hij wijst met zijn hoornige hand
“heeft het bloed niet kunnen wassen waarmee deze grond is
                                                                                                       bevlekt.
wij hebben elkaar hier gekeeld en geslacht
mijn oom was een schoft en ik heb hem vermoord
want hij heeft mijn vader verraden”
opeens blijft hij, staan
en met zijn hand in de lucht
zegt hij zachtjes en triest in de morgen:
“het is de herhaling van abel en kaïn, van blinde verdwazing
dat het bloed der naasten aan onze handen kleeft
verguenza, verguenza”
en het vocht van zijn mond schijnt hem bitter te smaken.
en hij spuwt op de grond en vervloekt het gezag
en ieder der mannen heeft een verhaal
van de strijd in de bergen
hoe sommigen jaren waren gevangen in de bergen van het eigen
                                                                                                       land
en anderen weer zijn gevlucht naar den vreemde.
één nam mij mee naar een grot
in het binnenste der aarde
waarin hij een tijd was verborgen;
in een smalle gang
leek het gewicht van de rotsen mijn borstkas te kraken.
hier lag hij weken als een levende begraven
terwijl hem de haren vergrijsden van angst.
nu bewerkten zij samen de grond
maar hun ogen verraden de schaamte en pijn van de gruwelijke
                                                                                                       jaren
die in de bergen door de mens is beleefd.
een karavaan van zigeuners komt nu langs de weg
donkerbruine vorstelijke schooiers in het rood en in het geel
wie niets bezit, dat is hun spreuk, is heerser van de wereld
zij stelen druiven op de bergen
en wasgoed uit de tuin.
zij leggen zangerig de toekomst aan uw voeten
terwijl het kostelijk zoontje
op zijn tenen naar uw zakken tast.
hun handen pakken, tasten, kruipen, stelen
alles waar een ander zorgelijk voor heeft gezwoegd.
in het heetst van de namiddag
wordt het eten hun gebracht
en stroomt de wijn uit een zak in de klokkende kelen.
de bergen
die blazen in de trilling van het warme licht
en de mula’s
staan onder narcose in de schaduw der bomen.
kijk naar de slapende mens door vermoeidheid gebroken
als marionetten van hout
met armen en benen toevallig gespreid in de buurt van een
                                                                          zielloze romp
zo sliepen de boeren van breughel
verzadigd van eten en verdoofd door de wijn.
als de schaduw der bergen
de kleur der olijven doet stollen tot brons
en de zon als een schijf op de punt van een rots balanceert
dan schreeuwt de boer door zijn hand met een zingend geluid
dat de dag is volbracht.
die avond
een heilige avond
zou christus, begeleid door zijn moeder, de maagd
in processie worden gedragen.
lampionnen worden in de ramen ontstoken
en met takken van palmen gesierd.
de jassen der mannen zijn zwart en versleten
en te kort bij de benige pols
gelijk de jas van een jongen die opeens is gegroeid.
het kruis is zeer zwaar en heel moeilijk te dragen
want de stervende christus is groot en de mens is maar zwak.
de sterkste der mannen had amper kracht
om het wankelend kruis op zijn schouder te nemen.
hij heette ramon
een kinderlijk mens met verwonderde ogen
die voor gek werd versleten omdat hij nog nooit had bedrogen
toen werd het stil
en niemand bewoog in de grijzende schemer
en de mensen zij wachten (als leden ze pijn)
op de stem van de klok in de toren-
de christus van gips
was bedekt met karmijnrode wonden:
de kleur van een bloem die nauwelijks maar hevig bestaat.
zo wil de mens hier het lijden verstaan
zonder schaamte voor wonden die nimmer genezen
en het bloed dat altijd nog stroomt.
ramon droeg het kruis
en zijn lendenen leken te kraken bij iedere stap die hij deed
en het zweet lag als een dauw om zijn mond
en zijn verwonderde ogen.
hoe schoon droeg hier een mens de mensenzoon
op zijn afgewerkte schouders
naar het licht van lampions en walmende flambouwen.
en achter hem kwamen de meisjes gekleed in het zwart
met een ketting geboeid
en het gezicht in een masker verscholen.
daarna maria
ten troon in armen van oudere mannen
keek neer op een wonderlijk kindje van gips.
en achter haar kwamen, stug en gesloten
versleten als hun zwarte jas
de mensen die ik ’s ochtends op de bergen had gezien.
en ik was bewogen
om het wonder van de mens die wordt geboren en die sterft
die op de bergen in het zweet van zijn aangezicht
voor zijn kinderen het brood en de wijn uit de stenen perst
die oorlog heeft gekend
van broeder tot broeder
en vader tegen zoon;
die honger heeft geleden toen een pest de wijnplant had ge-
                                                                                                       dood
en het loon naar werken uit zijn handen sloeg.
toen ik wegtrok uit de catalaanse bergen
stond ik lang nog op de stoffige weg
tot dit beeld in mijn hart was gekomen                
              


Rotstekening (Aruba)

Hoe het vreemde-talenonderwijs om zeep wordt geholpen

Klik voor groter formaat

door Michiel van Kempen

Hoe het leren van vreemde talen om zeep wordt geholpen? Kijk maar naar de foto hierboven. Het is een opname van pagina 2 van het Nederlandse landelijk eindexamen Frans dat vandaag, 21 mei 2014, is afgenomen. Er staat: "Let op: beantwoord een open vraag altijd in het Nederlands, behalve als het anders is aangegeven. Als je in het Frans antwoordt, levert dat 0 punten op." Dus je hebt zes jaar zitten zwoegen op de Franse taal, in de hoogste afdeling die het Nederlands middelbaar onderwijs heeft: het VWO, en dan word je keihard afgestraft als je wilt laten zien dat je je Frans beheerst.

Waar houdt dit op:
"Als je in het Duits antwoordt, levert dat 0 punten op."
"Als je in het Engels antwoordt, levert dat 0 punten op."
en uiteindelijk biij het eindexamen Nederlands:
"Als je in het Nederlands antwoordt, levert je dat 0 punten op."

Is die club malloten die dit eindexamen heeft opgesteld, misschien bij elke sessie begonnen met het aanbreken van een kistje Grand Cru?

Ik ben bang dat ze niet eens weten wat een Grand Cru is.

De vrek (van Molière) - Klassieke komedie in full colour



Hebzucht kent geen grenzen. Na 350 jaar trekt Van Engelenburg De Vrek een eigentijds jasje aan. Met: Kenneth Herdigein, Sergio Hasselbaink, Rogier Komproe, Maikel van Hetten, Imanuelle Grives, Werner Kolf, Shertise Solano 

Hebzucht kent geen grenzen.
O, geld, mijn arme geld,
mijn lieve, lieve geld.
Wat moet ik zonder jou?
De enige vriend die ik heb.

In deze karakterkomedie van Molière zien we hoe een man zijn menselijkheid verliest omdat hij de munt verkiest boven zijn zoon. Dé thematiek van deze tijd. Regisseur Hans van Hechten maakt hier een eigentijdse toneeluitvoering van. Uitbundige speelstijl en taalgrappen maken dit stuk tot vermaak voor iedereen. Gun uw toneelpubliek een vrolijk en verrassend avondje uit!



Regie en idee: Hans van Hechten
Regieadviezen: Ivar van Urk
Vertaling en bewerking: Karlijn Stoffels
Dramaturgie: Jenny Mijnhijmer
Muziek: Mattie Poels
Producent: Henrike van Engelenburg

Kijk ook op www.DeVrek.nl


R. Dobru - Wan bon/Egy fa

Wan bon

Wan bon
someni wiwiri
wan bon.

Wan liba
someni kriki
ala e go wan se.

Wan ede
someni prakseri
prakseri pe wan bun mu de.

Wan Gado
someni fasi tu anbegi
ma wan Papa.

Wan Sranan
someni wiwiri
someni skin
someni tongo
wan pipel.

R. Dobru 1973

Boom in het park van Gödöllö bij het zomerpaleis van Sisi, keizerin van Oostenrijk,
nu Hongarije. Foto © Michiel van Kempen 


Egy fa

Egy fa
s annyi levél
a  fán

Egy folyó
s mennyi patak
mind egy tengerbe szalad

Egy fő
s mennyi gondolat
az üdvös is közöttük akad

Egy isten
s annyi fajta hódolat
de egy atya.

Egy Szránán
s annyi féle bőrszín
és hány hajazat
s mennyi nyelv
de egy nép.

R. Dobru 1973
(fordította: Feuer Sebestyén 2014)


[Hongaarse vertaling van het gedicht ‘Wan bon’, op de website surinamehu.weebly.com]

Bhai - Gedicht

Ver van hier
Veel verder
Van ver
Slaapt de zee
Stil
Alleen
In zichzelf gekeerd
Geen leed
Geen smart
Alleen maar stil en zee
Geen wind
Geen wee
Alleen maar zee
Alleen maar
Wind en zee



Bhai (28-4-2014)


Beeld © Erik Johansson

Een eigen geschiedenis vraagt om eigen geschiedschrijving

Geschiedschrijving: het is maar met welke bril je het bekijkt.
Foto © Michiel van Kempen

door Ruben Bakker

Geschiedenis kan ‘over’ Suriname gaan, maar is die dan ook ‘van’ Suriname? Voor geschiedschrijving (of historiografie) is het uitermate belangrijk vanuit welk perspectief gekeken wordt. Dit komt al naar voren in de ondertitel van de bundel Verkenningen in de historiografie van Suriname, die de ambitie aangeeft om te komen Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deze ambitie spreekt ook uit het symposium ‘Geschiedschrijving van Suriname’, gehouden in 2013, waar deze bundel uit voortgekomen is.

In een geschiedenis van het volk staat het volk centraal, dit in tegenstelling tot een koloniale geschiedenis, waar de relatie met de kolonisator centraal staat. Als men spreekt van dekolonisatie van de geschiedschrijving wordt bedoeld dat niet alleen het bestuur van een land, maar ook de geschiedschrijving onafhankelijk wordt. Maar wat betekent dit precies? En hoe kunnen we dat bereiken? Dit zijn de vragen die in de bundel centraal staan. De bundel bestaat uit 25 Nederlands- en Engelstalige essays, geschreven door Surinaamse en buitenlandse (vooral Nederlandse) historici. Hiermee beslaat de bundel - die in twee delen is uitgekomen -  zo’n 656 pagina’s in totaal.

Door de veelheid aan essays worden veel aspecten die relevant zijn voor de historiografie van Suriname belicht. Zo benadrukt Chan Choenni de urgentie en het belang van ‘oral history’, gaat Mildred Caprino in op (de mogelijkheid van) vrouwengeschiedenis en bespreekt Hilde Neus de rol van historische romans voor de geschiedschrijving. Naast het gezichtspunt en de plek in de Surinaamse geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen is er ook aandacht voor de ontwikkelingen in de historiografie van andere voormalige kolonies.

De breedheid van de onderwerpen en de veelheid aan auteurs maken de essaybundel echter ook kwetsbaar. Doordat de essays erg los van elkaar staan, komt herhaling nogal eens voor en wordt de lezer niet altijd aangemoedigd om ook het volgende essay te lezen. Dit had voorkomen kunnen worden door de essays meer te rubriceren, zodat er een duidelijker opbouw ontstaat. Ook was het wellicht beter geweest als alle essayisten aan het einde van hun artikel concrete aanbevelingen deden van hoe de historiografie van Suriname verbeterd kan worden. Nu is dat slechts bij enkele essays het geval. Want weet de lezer uiteindelijk wat er concreet moet veranderen om de Surinaamse historiografie een ‘geschiedenis van het volk’ te maken?

In ieder geval is daar een dappere poging toe gedaan en is veel kennis gebundeld.
De tweedelige bundel vormt een belangrijke bijdrage aan de Surinaamse historiografie en houdt bovendien de lezer een spiegel voor: een eigen geschiedenis maak je zelf!


Maurits S. Hassankhan, Jerome L. Egger, Eric R. Jagdew (samenstellers): Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deel 1 en 2. Paramaribo: Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS), 2013. ISBN: 978-99914-7-254-6

dinsdag 20 mei 2014

Nieuw nummer OER

OER Digitaal Vrouwenblad is uit met een nieuw nummer getiteld Black is Beautioful. Klik hier om de digitale versie te bezoeken.


Osopasi gepresenteerd



door Cary-Ann Tjong-Ayong

De avond begon weinig hoopvol met een flinke regenbui.
De groene tuin vol fruitbomen zag er uitnodigend uit met honderden
afgevallen blozende manja’s onder de oude boom en nog tientallen aan draden hangende in afwachting van een windvlaag.
Wij werden welkom geheten door Els Tjon Joe Wai en Marisa Piepelenbos, onze gastvrouwen,die de sfeer hadden bepaald met grote schalen fruit van het erf op de ruwhouten tafels: manja, pomerak, appeltjes, pomme de citerre, kersen in diverse tinten rood en een wit emaillebekkentje met de naam Betsy in blauw , gevuld met kleine oranje palulu.
Rijen stoelen en een kleine tent met de geluidsinstallatie stonden uitnodigend klaar. De gasten konden komen.
Als eerste was daar Celestine Raalte, opgewekt als altijd. Zij zou een van de vier
Presentaties verzorgen, naast Tolin Alexander, Bongo Charley, Pieter van der Hijden en Ronald Snijders.



De mensen begonnen in groepjes binnen te komen.
Daar was de eregast, Hein Eersel, die het eerste exemplaar zou krijgen.
Het was voor mij een hele eer deze taalkundige autoriteit mijn boek te mogen aanbieden. Jaren geleden had ik hem in Amsterdam horen praten en was aangenaam getroffen door zijn taalkundige virtuositeit. Van zo iemand had ik graag les gehad.
Ronald Snijders arriveerde en iedereen begon verwachtingsvol te praten.
Het duurde  even, maar toen opende Els de avond en kon Ronald deze influiten op zijn geheel eigen enthousiaste manier. Het publiek was enthousiast en klapte op de maat mee.
Pieter hield zijn inleiding met een leuke verwijzing naar fietsenmaker Junker in de Klipstenenstraat waar je terecht kunt voor elk schroefje, moertje en veertje uit de jaren 50. Hij vroeg zich af of het soms een foute Duitser was die met ticket naar Paraguay  per ongeluk in Paramaribo terecht was gekomen en daar een zaak was begonnen. “Maar het is een hele aardige man”, vergoelijkte hij.
Daarna gaf Tolin zijn visie op Kallianni’s liefdevolle omgang met de binnenlandbewoners, die hem zeer aanspreekt.
Bongo Charley omlijstte de lezing van enkele fragmenten en het gedicht “Nocturne”.
Een zeer ingenomen Hein Eersel belichtte het begrip “oso” uit de titel. Van Trefossa tot dedeoso alata.
Hierna kon men een gesigneerd exemplaar aanschaffen bij een drankje, een knabbeltje en een babbeltje, wat nog uren doorging.

Cat, 19 mei 2014

maandag 19 mei 2014

De dichter en het woord

door Jerry Dewnarain

Bij uitgeverij In de Knipscheer is Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord verschenen, een multimediaal eerbetoon aan drie Surinaamse dichters: Trefossa, Shrinivási en Dobru.
In een opstel ‘Over nationale letterkunde’, gepubliceerd in Sticusa-Journaal van 1974 ontvouwde Albert Helman zijn visie op de vijf ontwikkelingsfasen in het ontstaan van een eigen literaire productie in de dekoloniserende landen. In de derde fase kenmerkt Helman de Surinaamse poëzie als volgt: ‘Er ontstaan sterker op het lokale milieu betrokken gedichten en echte streekverhalen en streekromans, al dan niet in de algemeen gangbare cultuurtaal of in een van de “vernaculars”. Gemakshalve worden beide taalsoorten (het Nederlands en het Sranan) vaak dooreengemengd, of opzettelijk, terwille van de lokale kleur, incidenteel of exclusief gebruikt. De gedichten zijn meest van lyrisch-protesterende aard of illustreren populaire slogans.’ De derde fase is de periode van eind jaren ’50 en de jaren ’60: veel protestliteratuur, volop ontplooiing van de volkstalen, verdieping in de historische anekdotiek. Voorbeelden hiervan zijn: ‘gronmama’ (Trefossa), ‘Suriname’ of ‘De dichter en het woord’ (Shrinivási) en ‘Holi Phagwa 1973’ of ‘geen plaats’ (Dobru).

Buste van Trefossa op de hoek van het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo.
Foto © Michiel van Kempen

Met andere woorden de periode 1957-1975 stond in het teken van het engagement met het volk, de strijdliteratuur en de nationale of nationalistische literatuur. Daarbij moet ook worden aangetekend dat deze periode verrassend veel werk opleverde dat meer dan een kwart eeuw later als gecanoniseerd zou gelden. Trefossa, Shrinivási en Dobru maken zeker deel uit van de Surinaamse poëziecanon. Dat bewijst ook de keuze van de dichters. Maar deze drie ‘groten’ zijn niet de enige grote Surinaamse dichters... er zijn er veel meer in dit poëzieland. In de inleiding van Cynthia Abrahams staat: ‘De gedichten zijn gekozen uit het werk van de drie meest geliefde dichters van Suriname, Trefossa, Shrinivási en Dobru.’ (p. 12) En Mavis Noordwijk zegt in een interview: ‘De manier waarop Trefossa typische Sranan-woorden en uitdrukkingen in zijn poëzie gebruikt, geeft een meerwaarde aan het Sranan. Hij is voor Suriname van buitengewoon grote betekenis zowel voor de literatuur als voor de cultuur geweest. Trefossa gebruikte in zijn vertalingen vaak beelden die aansluiten bij de Surinaamse belevingswereld’. (p. 28)

Shrinivási, april 2014
Foto © Michiel van Kempen
Shrinivási is de dichter die tegenstellingen overbrugt of met elkaar verzoent: die tussen het district en de stad of die tussen religies (hindoeïsme en christendom). Maar hij brengt ook talen bijeen, want hij schrijft in het Nederlands, Hindi, Sarnámi, wat hij steeds vergezeld doet gaan van een eigen vertaling in het Nederlands. Shrini is eigenlijk ook de dichter van ballingschap en vervreemding. Een terugkerend thema is de pijn van ballingschap en vervreemding. Het gedicht ‘Deháti’ uit Anjali is zo een voorbeeld (p. 48). Dobru is het Sranan-woord voor dubbel en is afgeleid van zijn initialen R(obin) R(aveles). Terugkerende thema’s in zijn werk zijn: vaderlandsliefde, het bekritiseren van sociale wantoestanden, de eenwording van het Surinaamse volk, liefde en armoede. Al in 1965 schreef hij zijn gedicht ‘Wan’ of ‘Wan bon’, geïnspireerd door het nationaal jeugdcongres dat in Paramaribo werd gehouden. Dit gedicht is intussen uitgegroeid tot het nationale gedicht en neemt in de multiculturele Surinaamse maatschappij een centrale plaats in (p. 76). De boom staat symbool voor Suriname en de bladeren voor de diverse bevolkingsgroepen in het land, dat één moet worden.

Saxofoniste Sanne Landvreugd speelt mee op de cd.
Foto © Michiel van Kempen
Kortom Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een mooie, informatieve en zeer creatieve uitgave waarin poëzie van drie stonfutu Surinaamse dichters Trefossa (Henny de Ziel), Dobru (R. Raveles) en Shrinivási (Martinus Lutchman) is verwerkt tot prachtige muziek op dvd. Dave MacDonald (singer/songwriter) componeerde muzikale gedichten die worden vertolkt door een groep artiesten, onder wie Desiree Manders, Claudio Ritfeld, Julya Lo’ko, Martin Buitenhuis, Zanillya Farrell, Raj Mohan, Sim’Ran, Norman van Geerke, Sarah-Jane Wijdenbosch en Sanne Landvreugd. Er is gestreefd naar een harmonieus samengaan van woord en muziek, een ‘blend’ van literatuur en muziek; zo verwoordt Cynthia Abrahams het in haar inleiding (p. 12). Het is ongetwijfeld een bijzondere manier van documenteren van de rijkdom van gemeenschappelijk Surinaams cultureel erfgoed. Ieder van de drie dichters heeft zijn eigen prachtig vormgegeven deel van het boek gekregen, met veel foto’s, informatie over hun leven en werk door kenners en uiteraard een keuze uit hun gedichten.

De invloed van de drie behandelde dichters op de Surinaamse literatuur is bijzonder groot. Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een sieraad voor elke liefhebber van de Surinaamse literatuur. Ook jongeren kunnen op een moderne manier kennis maken met dit muzikaal bewerkte culturele erfgoed en zelfs aangespoord worden werken van Surinaamse dichters te gaan lezen en deze creatief te gebruiken.
Cynthia Abrahams

Cynthia Abrahams, Hein Eersel, Geert Koefoed (samenstelling en inleidingen): Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord. Dobru, Shrinivási, Trefossa. Drie Surinaamse dichters op muziek gezet. Boek en dvd. Haarlem: In de Knipscheer i.s.m. IKO Foundation, 2014. ISBN 978 90 6265 852 7


Shrinivási - De dichter en het woord (Kavi aur shabd)

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een land.
Het vaderland van de dichters.
De woonplaats van de dichters.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een mond.
Zij schenken troost
en scheppen geluk.
Vrucht van de gedachten
en uiting van het hart zijn zij.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een ploeg.
De menselijke gemeenschap is de grond.
De dichter de ploeger ervan.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een krans.
Van dankbaarheid
de toetssteen.
Het kenmerk van dichters geheim.
Teken en schepping van zijn mond.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een land.
Het dierbare Vaderland van
de dichters.
Zij vormen de grootheid van de dichters.



[in: Pratikshá, 1968]