woensdag 16 april 2014

Cola Debrotprijs voor Lucille Berry-Haseth

Lucille Berry-Haseth op de Amsterdamse presentatie van de biografie van Pierre Lauffer.
Foto © Michiel van Kempen
Afgelopen zondag is bekendgeworden dat de Cola Debrot-prijs 2014 is toegekend aan dichter, vertaalster en Papiamentu-activiste Lucille Berry-Haseth.

Lucille Berry-Haseth (Curaçao, 1937) voelde zich al op jonge leeftijd aangetrokken tot taal en cultuur. Deze belangstelling loopt als een rode draad door haar hele carrière. Ze zag het altijd als haar bijzondere taak een enthousiaste ambassadrice te zijn van de ‘Défense et Illustration’ van haar moedertaal, het Papiaments. In 1990 publiceerde zij de dichtbundel Resonansia (Resonantie). Hieruit zijn verschillende gedichten opgenomen in het standaardwerk over de Antilliaanse letterkunde Pa saka kara, dat in het Nederlands is verschenen onder de titel De kleur van mijn eiland.

Zij heeft als vertaalster en redactrice een grote bijdrage aan beide werken geleverd. In 2010 verscheen So ku palabra (Alleen met woorden), een dichterlijke, melancholieke meditatie over haar leven, haar werk en de mensen die zij heeft gekend en liefgehad. Door haar vertalingen van literaire werken (o.a. Dubbelspel van Frank Martinus Arion in 2011), eerdere publicaties en het organiseren en deelnemen aan talrijke literaire evenementen, heeft zij een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling en het bevorderen van het correcte gebruik van de Papiamentse taal. Kort geleden droeg zij ook bij aan de literaire wandelgids Dushi Willemstad.

Vorig jaar kreeg zij van de Fundashon pa Planifikashon di Idioma (FPI) op 21 februari, de Internationale Dag van de Moedertaal, een plakkaat (plaka di mérito) als erkenning van haar veelzijdige werk ten behoeve van de promotie van haar moedertaal Papiamentu. Voor haar hele activiteit heeft zij nu de Cola Debrotprijs gekregen. De prijs wordt in mei uitgereikt.

dinsdag 15 april 2014

Juryrapport Miep Diekmann Thesisprijs 2014

De Miep Diekmann Thesisprijs werd uitgereikt op de vriendenmiddag van IBBY, afdeling Nederland, in het Nationaal Archief, Den Haag, vrijdag 11 april 2014
Juryleden Miep Diekmann Thesisprijs: Jant van der Weg, Coosje van der Pol en Sanne Parlevliet

Jant van der Weg-Laverman, jurylid, leest het juryrapport  
Eigenlijk is het vreemd dat er niet eerder een prijs werd vernoemd naar Miep Diekmann. Een prijs voor grensoverschrijdende jeugdliteratuur bijvoorbeeld, voor jeugdliteraire kritiek of voor vertalingen. Een prijs voor het behartigen van schrijversbelangen, of voor de promotie van het goede kinderboek. Op alle fronten van de jeugdliteratuur zijn wij schatplichtig aan de inzet van deze auteur. Niet voor niets wordt Miep Diekmann, samen met Annie M.G. Schmidt en An Rutgers van der Loeff, ook wel de ‘moeder’ van de naoorlogse jeugdliteratuur genoemd. Wie een prijs wint met deze naam tooit zich met een jeugdliteraire guirlande die verwachtingen wekt.

 De eer ging naar het jeugdliteraire onderzoek. Want naast al haar andere activiteiten was Miep Diekmann een van de eersten die zich, al in de jaren zestig, beijverde voor wetenschappelijke aandacht voor het kinder- en jeugdboek. Toen al pleitte zij voor een leerstoel kinder- en jeugdliteratuur. Ook kinderboeken moesten bestudeerd worden op de universiteit, vond zij. Alleen zo konden bijvoorbeeld critici opgeleid worden om op een gefundeerde en professionele manier jeugdliteratuur te bespreken.

De masterthesissen die werden ingestuurd voor de prijs laten zien dat het pleidooi van Miep Diekmann nog altijd zijn vruchten afwerpt. Acht literatuurtheoretische en -historische scripties van zes verschillende universiteiten in Nederland en Vlaanderen dongen mee. Jeugdboeken over de Tweede Wereldoorlog werden geanalyseerd op de beeldvorming rond collaboratie en verzet, sprookjesfiguren op leeftijd werden in een typologie geplaatst en de plaats van aandacht voor kinderliteratuur in Vlaanderen werd bepaald. Er is ecokritisch gepionierd in Vlaamse initiatieromans en er is een generatie Assepoesters onderzocht. Onderzocht is hoe dubbeltalenten hun identiteit en verleden vormgeven in autobiografische prentenboeken en hoe jonge vertellers en focalisatoren de discrepantie tussen het zien en het begrijpen van traumatische gebeurtenissen verbeelden. Bovendien is, heel toepasselijk, de betekenis van Miep Diekmann voor de jeugdliteratuur uiteengezet in een heuse biografie.

Miep Diekmann feliciteert de winnaars van de naar haar vernoemde prijs.
De onderwerpen zijn uiteenlopend, maar voor elke thesis geldt dat deze gedegen is opgezet en uitgewerkt. Alle thesissen zijn bovendien opvallend goed geschreven. We hopen dan ook van harte dat de schrijvers hun pen willen blijven inzetten voor de jeugdliteratuur.
Drie thesissen sprongen eruit. Alle drie onderscheiden ze zich door de diepgaande en creatieve analyse. Aan twee thesissen mogen we namens IBBY-Nederland een eervolle vermelding uitdelen (en daaraan verbonden een geldbedrag van 250 euro). Eén thesis krijgt de prijs (en daarmee ook nog 750 euro).

Miriam van den Nieuwenhof, Kyra Fastenau en Marloes Schrijvers
Graag geven we de eerste eervolle vermelding aan Kussen en koel water. Initiatieromans en ecocriticism van Miriam van den Nieuwenhof van de Universiteit Tilburg. Niet eerder werden Vlaamse initiatieromans vanuit een ecokritisch perspectief bekeken. Miriam van den Nieuwenhof laat mooi zien hoe in vijf jeugdromans van Marita de Sterck natuur en volwassen worden met elkaar verbonden zijn. Ze heeft een heldere schrijfstijl en bouwt haar thesis goed op. Vernieuwend vonden wij hoe zij de stedelijke omgeving in haar analyse betrekt en daarmee de definitie van ecocriticism oprekt. 

De tweede eervolle vermelding gaat naar Kyra Fastenau van de Universiteit Leiden voor haar thesis Traumatic events seen through innocent eyes. Juvenile focalisators and narrators in adult literature. Kyra Fastenau onderzocht vier romans met een kind als focalisator en verbond daarbij de narratieve theorie van Mieke Bal met Ernst van Alphens trauma theorie. Bijzonder aan deze thesis is dat zij geen kant-en-klaar model toepaste, maar op basis van bestaande modellen, begrippen en theorieën haar eigen model ontwierp. Haar heldere analyse laat zien hoe het perspectief van een kind een defamiliarizerend effect kan hebben op een volwassen lezer en daarmee het schokeffect van een traumatische gebeurtenis kan bewerkstelligen.

Miep Diekmann
De Miep Diekmann Thesisprijs 2014 gaat naar Life writing through text and image in children’s literature. A multimodal analysis of authenticity and dual address in autobiographical picture books van Marloes Schrijvers van de Universiteit Tilburg. Marloes Schrijvers onderzocht vier autobiografische prentenboeken en laat zien hoe de wisselwerking tussen tekst en beeld in deze prentenboeken wordt ingezet om het verleden en het ‘zelf’ van de auteur te construeren. Zij schroomt niet kritisch ‘in gesprek’ te gaan met andere onderzoekers en bestaande theorieën en op basis hiervan een nieuwe, eigen definitie van het concept authenticiteit te ontwikkelen. Overtuigend zet zij uiteen dat  het autobiografische prentenboek als een apart genre binnen life writing beschouwd zou kunnen worden. Marloes Schrijvers bewerkstelligt hiermee op bewonderenswaardig goed beargumenteerde wijze een uitbreiding van een genre dat momenteel sterk in de belangstelling staat, en levert hierbij ook meteen een analyse-instrument. Haar thesis laat volgens ons het beste de volwaardigheid van de jeugdliteratuur als wetenschappelijk onderzoeksobject zien. En dat is immers waar het Miep Diekmann al een halve eeuw geleden om te doen was.

De Miep Diekmann Thesisprijs werd uitgereikt op de vriendenmiddag van IBBY, afdeling Nederland, in het Nationaal Archief, Den Haag, vrijdag 11 april 2014; IBBY = International Board on Books for Young People.
foto’s © Matthijs Kamphoff


zondag 13 april 2014

Ashetu in Indië

door Klaas de Groot


Onlangs verscheen bij uitgeverij Rubinstein in Amsterdam  een forse en mooi uitgevoerde bloemlezing: Album van de Indische poëzie. De samenstellers Bert Paasman en Peter van Zonneveld hebben daarin heel wat ‘Oost-Indische’ liedjes en gedichten bij elkaar gebracht en verdeeld over tien rubrieken. Gelukkig is ook Nederlandstalig Indonesisch werk opgenomen. De makers van al deze  verzen komen uit diverse windstreken, dat spreekt vanzelf.

Één van de auteurs komt zelfs uit West-Indië. Cola Debrot is aanwezig met het sonnet ‘Indisch meisje’, dat is vermoedelijk uit 1936. Debrot zelf bundelde het nooit. Oversteegen nam het wel op in deel 2 van het Verzameld werk.

Indisch meisje

Het innig beeld van haar mij bijgebleven
heeft zich vermengd met laatre werklijkheden.
Tot mijn geluk. Want anders was mijn heden
zeer vaal, o, niet zo glinsterend doorweven.

Ik immers ben geland op vele reden
waar eerst de palmen uit de verte wuiven.
Men ziet daarna de grote stofwolk stuiven
tussen de mensen, wrang en ontevreden.

Zij was zo jong. Zij had zulk lieve handen.
Zij kwam uit Padang en sprak van Indië
met de verschrikte ogen van een hinde
alsof zij in het ver groen land belandde
waar zij steeds mij, ook ik steeds haar beminde…
Dit land is, wreed verwoest, niet meer te vinden.

De samenstellers van de bloemlezing hebben dit gedicht in de tiende rubriek ‘Waar is mijn lief Batavia gebleven?’ ondergebracht. Zij hadden het net zo goed in de zesde rubriek kunnen plaatsen. Die behelst het materiaal over ‘Liefde, erotiek en seks’. Oversteegen schrijft namelijk in het eerst deel van zijn biografie  over Debrot dat het gedicht is geënt op een Nijmeegse jeugdliefde. Het meisje moet Amy geheten hebben.

Het mooie van bloemlezingen is dat iedere lezer altijd nog wel iets weet dat er ‘gemakkelijk’ bij gekund had. Paasman en Van Zonneveld  vragen gelukkig  ook expliciet in hun ‘Woord vooraf’ om aanvullingen. Een passend gedicht lijkt mij ‘Baleh-baleh’ van Bernardo Ashetu, ook een West-Indisch dichter.  Een groot dichter, maar helaas: verborgenheid kleeft hem aan. Het vers staat in de bundel Yanacuna van 1962. Een bundel die onder redactie van Cola Debrot verscheen in de reeks Antilliaanse Cahiers.


Baleh-baleh

Och, dat ik rijk ware
dat ik water had
en land
en wolken,
dat ik rijk ware
en de macht had
om zon en duister,
bloed en adem
te zetten naar mijn wil –
Och, dat ik rijk ware
en het beter had
alleen maar om lang te rusten
om lang en zoet en lang
te rusten een baleh-baleh
met klamboe van rode zijde

Dit gedicht past niet alleen vanwege de titel in het Album, maar vooral ook omdat Ashetu werkt met een wending van Multatuli. In diens Max Havelaar staat de bekende parabel ‘De Japanse steenhouwer’ met daarin de volgende zinnen:
‘Hij zuchtte omdat zijn arbeid zwaar was, en hij riep: och dat ik rijk ware om te rusten op eene “baleh-baleh” met “klamboe” van roode zijde.
En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: U zij gelijk gij gezegd hebt.
En hij was rijk. En hij rustte op eene baleh-baleh en de klamboe was van roode zijde’.
(Geciteerd naar de editie van Stuiveling, Amsterdam 1966 / 7, Van Oorschot).


De verbeelding van Ashetu zal misschien wel aangestoken zijn door één van zijn lievelingswoorden: rood. Maar is meer. De ik in het gedicht van Ashetu wil meer hebben dan de steenhouwer, voordat hij rust neemt. Opvallend is dat in het gedicht niet staat ‘rusten op een baleh-baleh’. Zoals Multatuli wel schrijft, en wat in de context past . Misschien zit daar het idee achter dat bij Ashetu de ik ook de rustplek wil zijn en de rust zelf, niet alleen de rustzoeker. Dus  alles wil. Waarmee Ashetu Multatuli naar zich toe haalt en hem gebruikt om de eigen stem te laten horen. Het geeft niet onder welke palmen, Surinaamse of Indische.

Astrid Deira eerste Surinaamse vrouwelijke Boeing 737-piloot

Kapitein Astrid Deira (links) bij de controle
 op de Cheddi Jagan International Airport.
Foto © Min. Public Works Guyana.
“Meisjes worden geen piloten, meisjes worden stewardessen. " Astrid Deira haalt zich deze woorden weer in herinnering. Het zijn de woorden van een van haar leraren toen zij zich als achtjarige presenteerde om piloot te worden. Deira is de eerste vrouwelijke Surinaamse piloot die de Boeing 737 van de Surinaamse Luchtvaartmaatschappij (SLM) vliegt. Op 12 april, gisteren, heeft zij haar inaugurele vlucht als kapitein van de SLM-Boeing 737 vlucht 421 uitgevoerd naar de Cheddi Jagan International Airport.

Deira zegt dat ze door vastberadenheid en veel opofferingen haar droom heeft vervuld. Haar passie om naar de hemel te stijgen, is gevoed door haar vader die bij de SLM heeft gewerkt. Kapitein Deira is 27 jaar geleden bij de SLM begonnen als administratief medewerkster. In die periode heeft ze geld gespaard om haar vliegbrevet te halen. “Het kostte me vijf jaar om dit te bereiken,” zegt ze aan de Guyanese media.

Nadat ze een paar jaar haar vliegvaardigheden in eigen land had aangescherpt, richtte Deira haar blikken op grotere toestellen zoals de Airbus 340, waar ze co-piloot was. Ze heeft zich voorgenomen om er alles aan te doen om de luchtvaartmaatschappij te behouden na haar pensionering. Tot nog toe heeft zij aangename ervaringen met haar job. “...Het was in eerste instantie onhandig als vrouw. Het is een baan die je moet verdienen en je moet hard werken,” zegt de 45-jarige Deira.


In de 22 jaren die zij nu vliegt heeft zij twee Guyanese staatshoofden en tal van Surinaamse regeringsfunctionarissen gevlogen. Nu is zij ingedeeld op de route Suriname-Georgetown-Miami. Deira adviseert jongedames die in haar voetsporen willen treden: “Er zullen tegenslagen zijn, maar als je het echt wil, ga ervoor!”

[van Starnieuws, 13 april 2014]

Op de vleugels van de draak

China, het Nationaal Centrum voor de Uitvoerende Kunsten. Foto © Ray Wise

door Els Moor

De titel Op de vleugels van de draak van het nieuwe boek van de universele schrijfster van Vlaamse komaf Lieve Joris klinkt opwindend. Wie of wat is die draak? En wie vliegen mee op zijn vleugels? Al gauw wordt dat duidelijk. Het uit Europa overgekomen kapitalisme is de draak en op zijn vleugels vliegen China en Afrika een nieuwe toekomst binnen met veel onderlinge handel, welvaart en armoede, zakelijkheid, geweld en bedrog.

Lieve Joris is in 1953 in Vlaanderen geboren. Ze studeerde journalistiek in Nederland en werkte daar bij verschillende kranten. Reizen is haar grote onderwerp. In 1986 verscheen haar eerste boek, De golf. Daarna volgden er nog elf, allemaal over reizen in Afrika, Oost-Europa en de Arabische wereld. Op de vleugels van de draak uit 2013, waarin ook China een grote rol speelt is haar laatste. Het exemplaar uit 2014 dat wij hebben, is al de zesde druk! Dat zegt wel iets over het werk van deze vaak bekroonde schrijfster.

Het werk van Lieve Joris is voor Suriname uitermate interessant en vaak herkenbaar. In De hoogvlaktes uit 2008 bijvoorbeeld schrijft zij over het binnenland van Congo, waar de bewoners dagelijks grote afstanden lopen naar hun kostgronden, terug met veel hout en cassave op hun rug, omhoog en omlaag, door modder en moeilijk begaanbare bossen. Kent u het Surinaamse binnenland? Ook de invloed van het christelijke denken is er herkenbaar en de problemen om er het onderwijs draaiend te houden.
Lieve Joris

Lieve Joris schrijft journalistiek, maar haar werk heeft ook veel literaire kwaliteit. Ze heeft haar heel eigen manier van kijken naar situaties en mensen. Vaak is het voor haar anders wat ze ziet en beleeft, maar nergens heeft ze de afstand van een buitenlandse - vaak Europese - auteur die een ‘ontwikkelingsland’ bezoekt en alles zo goed weet en met arrogantie bekijkt.

In Op de vleugels van de draak vertelt Lieve Joris wat er gebeurt als volken die geen koloniale ervaringen samen hebben gehad (zoals bijvoorbeeld Suriname en Nederland wel) met elkaar aan de slag gaan, vooral op commercieel gebied. Na jarenlang door veel Afrikaanse landen gereisd te hebben, komt Lieve Joris aan het begin van dit boek in Dubai, op de grens van een Arabische republiek, richting China. In Dubai zijn veel Afrikanen die koopwaren uit China komen halen, om daar in hun eigen land winst mee te maken. Die waren worden in grote containers naar de verschillende landen gestuurd. Ook met die containers gebeurt veel, vooral als de Afrikaan de vracht eigenlijk niet kan betalen. Van daar gaat de schrijfster naar verschillende steden in China, waar ook veel Afrikanen wonen of komen handelen. Er zijn er nogal wat die gestudeerd hebben aan Chinese universiteiten en er daarna gebleven zijn om hun studievak uit te oefenen en daarnaast... handel te drijven. Er zijn ook veel Afrikanen tijdelijk in China, puur om producten te kopen voor de handel in hun land. Chinese waren zijn goedkoop! Afrikanen worden niet altijd menselijk behandeld in China, vooral als het om geld draait. Ook speelt racisme vaak een rol.

Etienne, een Afrikaanse kennis van Lieve Joris in China, zegt erover: ‘De Chinezen die ons zwarte duivels noemen, zijn onwetend. Ze gaan ervan uit dat alle Afrikanen in de brousse wonen. Over onze steden weten ze niets, ze hebben alleen films over de slavernij gezien. Sommige Chinezen vinden dat Afrikanen stinken, terwijl ze zichzelf in de winter maandenlang niet wassen. Dan ruikt het in de bus als in een schapenhok!’(pp. 59-60)

Veel steden van het kapitalistische China zijn modern, met veel dure huizen en zaken, druk verkeer, heel luxe wagens, en alle soorten restaurants met eten van verschillende streken in de wereld, uiteraard ook Afrikaans. Zo’n consumptiemaatschappij in steden, zo stellen wij ons het ‘communistische China’ niet voor, maar na Mao Zedong zijn er veel veranderingen gekomen, hoewel ook veel armoede op het platteland is blijven bestaan. Op een socialistische wijze met je geld omgaan, dat is er meestal niet bij! En de Afrikanen die goedkope goederen naar hun land willen sturen, ondervinden maar al te vaak veel dyugudyugu.

Lieve Joris legt makkelijk contact met mensen, overal waar ze komt. Ze wordt dan ook vaak thuis of in een restaurant uitgenodigd door degenen met wie ze kennis heeft gemaakt. Contacten zijn open en gemakkelijk en daardoor komt ze veel en op een eigen wijze, te weten van het land waar ze verblijft. Over het China van deze tijd waarover vanuit Europa maar mondjesmaat informatie komt. Het land blijft nog dat oude beeld houden van een communistische dictatuur. De meeste verhalen uit China komen uit de steden Guangzhou, Beijing, Shanghai en Jinhua. Wij lezers krijgen een goed beeld van hoe men in een andere samenleving zaken doet en wat de psychologische gevolgen zijn van ontmoetingen met andere culturen, zoals tussen China en Afrikaanse landen. Heel bijzonder aan dit boek is dat het nu eens niet gaat over de westerse wereld en hun relatie met de zogenaamde ‘derde wereld’, ‘ontwikkelingslanden’, maar dat het draait om ontmoetingen tussen Afrikanen en Aziaten. De westerse wereld blijft totaal op de achtergrond!


Tot slot een citaat: Lieve Joris reist in China per trein met studenten en docenten naar een conferentie. Li Baoping, die ook in Afrika geweest is en daar nare dingen meegemaakt heeft met een controleur in de trein, praat erover met Lieve Joris: ‘Wij hadden in China een filosoof die Confucius heette’, vervolgde Baoping tegen de controleur, hij zei: ‘Iedereen houdt van geld, maar laten we het op een eerlijke manier verdienen.’ Al die tijd zat zijn paspoort in het borstzakje van de controleur. Nu gaf die het hem terug en zei: ‘Scheer je weg.’ Baoping heeft zitten vertellen met een mengeling van plezier en afgrijzen. Nu lacht hij bevrijd. Confucius in een trein in Kameroen, denk ik, dat is eens wat anders dan de blijde boodschap van Christus of de leer van Mohammed. (p.146)

Lieve Joris: Op de vleugels van de draak. Reizen tussen Afrika en China. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Augustus, 2013. Zesde druk 2014. ISBN 978-90-450-24 2461-5


zaterdag 12 april 2014

Belastingdienst Suriname neemt skalians in beslag


Een skalian woensdag op de Marowijnerivier. De Belastingdienst heeft woensdag en donderdag tijdens een actie een aantal van deze drijvende goudmijnbedrijven in beslaggenomen nadat de eigenaren niet konden voldoen aan hun betalingsverplichting. Vanwege de vele miljoenen dollars die hiermee gemoeid gaan, worden de belastingambtenaren en leden van de commissie Ordening Goudsector (OGS), uit veiligheidsoverwegingen tijdens de operatie begeleid door politietroepen.

[©Waterkant.Net/2014]

Schrijversgroep 77 op Made in Suriname-beurs


Schrijversgroep ’77 doet mee aan de Made in Suriname Beurs die van 30 april tot en met 4 mei wordt gehouden in de hal en op het terrein van de Kamer van Koophandel. De openingstijden zijn van 17.00u – 22.00u. Het standnummer is 206. In de stand zullen boeken worden verkocht. Het publiek kan rekenen op speciale aanbiedingen en koopjes. Ook kan men schrijvers ontmoeten in de stand. Er zal een boekpresentatie van Sombra zijn. Schrijvers die hun boeken via de stand van S’77 willen verkopen kunnen contact maken met Alphons Levens over de voorwaarden daartoe (alphlevens@hotmail.com of 8504362). De beurs zal een ruime variëteit aan Surinaamse producten laten zien en is alleszins de moeite van een bezoek waard. Een normaal entreekaartje kost srd 6,-. Voor kinderen en seniorenburgers is het srd 3,-.

[Mededeling Schrijversgroep '77]

Kwik in Suriname

Suriname ligt nog niet echt wakker van het sluipende gevaar van kwikgebruik. De gevolgen van het massale gebruik bij het winnen van goud lijken nog niet echt doorgedrongen. Hier en daar wordt al verslag gedaan van vergiftiging van individuen. Maar ook hele leefgemeenschappen worden bedreigd.
..
 

..
Deel 2..

 

Ellen Ombres Wie goed bedoelt en andere reisverslagen

door Jerry Dewnarain

De Surinaamse auteur Ellen Ombre (Paramaribo, 1948) heeft de verhalenbundels Maalstroom (1992), Vrouwvreemd (1994) en Valse Verlangens (2000) geschreven. In 1996 schreef zij een autobiografisch reisverslag Wie goed bedoelt (2de uitgebreide druk 2007) en in 2004 verscheen haar debuutroman Negerjood in moederland. In het oeuvre van Ombre staan centraal de verlangens en teleurstellingen van migranten in Nederland. Maar een ander belangrijk thema is ook zelfbeeld. Haar autobiografisch boek Wie goed bedoelt vind ik Ombres mooiste boek. Het is een reisverslag en hiervoor heeft ze ook nog wat onderzoek gedaan. Het verhaal wordt onderbroken door lange flashbacks en literatuurverwijzingen die ook hun nut hebben. Ze gebruikt verschillende stijlen en daarom is het voor mij een reisverslag. Door haar manier van verslag doen, goed gedocumenteerd, krachtig van observatie, en opgesmukt met een veelheid aan ontluisterende details weet Ellen Ombre de lezer veel duidelijk te maken omtrent haarzelf. Ze voert de lezer mee naar een zeereis op een vrachtschip met alleen maar mannen. Als sterke en zelfbewuste vrouw bereikt ze haar bestemming: Benin.
Ombre kent het gebied van een vorige keer. Ze verbleef er enkele maanden tijdens haar bezoek aan een bevriende Nederlandse arts die zich daar tijdelijk samen met haar man had gevestigd. Ombre veegt de vloer aan met tal van even goedbedoelde als mislukte ontwikkelingsprojecten, analyseert de moeizame verhoudingen tussen Afrikanen en westerse hulpverleners, toont de treurigheid van zwarte Amerikanen op zoek naar hun Afrikaanse roots en beschrijft - mede aan de hand van herinneringen aan haar jeugd in Suriname - een deel van haar eigen (familie)geschiedenis.

Voodoo-danser in trance in Quidah, Benin. Foto © Kwekudee


In totaal was Ombre drie maanden weg. Eerst tien dagen op zee. De reis per schip ervoer ze als heel prettig. Ze kon zich langzaam voorbereiden op waar ze heen ging. Bovendien werd ze verzorgd; de maaltijden kreeg ze op tijd en dat voortdurende heen en weer wiegen was voor haar heel behaaglijk. ‘Het is alsof je niet gek bent en toch bent opgenomen in een rusthuis. Ik was de enige passagier op een groot vrachtschip. Daardoor kon ik redelijk anoniem blijven, want de andere mensen aan boord moesten gewoon hun werk doen en dat geeft een enorme afstand, die ik overigens zeer waardeer. Als passagier kun je bijvoorbeeld samen met de officieren eten, maar ik wilde dat niet. Ik vind gezamenlijk eten nogal intiem, het ligt heel dicht bij andere vormen van intimiteit en dat wilde ik vermijden. Die boot bleek volgeladen met allerlei rotzooi. Oude auto's, oude computers tot en met koelkasten die vol zaten met cfk’s. Ik had weleens horen mompelen dat Afrika de chemische dumpplaats van Europa was, maar ik had niet verwacht daar zo direct mee geconfronteerd te worden. Dat ik in Benin en dus aan de Slavenkust terechtkwam, was echt toeval. Als die kennis van mij die ik jaren geleden heb opgezocht niet naar Benin maar naar Kenya was uitgezonden, was ik waarschijnlijk daarheen gegaan’, vertelt Ombre aan verslaggever Marja Vuijsje in april 1996. (http://www.opzij.nl)

Voodoo-markt Abomey, Benin. Foto © Kwekudee

Wat Ombre in eerste instantie bezighield was ontwikkelingssamenwerking. Ze was geboeid door het feit dat er al zolang Nederlandse hulpverleners naar Benin gingen. In een voorlichtingsboekje las zij dat er een directe relatie was tussen die ontwikkelingshulp en het feit dat Benin na de treinkapingen in de jaren zeventig een aantal Molukse nationalisten had opgenomen. Dus wilde zij onderzoeken wat er van die hulp terechtkwam. Maar deze interesse kwam ook vanwege Suriname natuurlijk. Hier maakte ze zelf mee hoe een land van het ene vijfjarenplan naar het volgende tienjarenplan voortsukkelde. Haar bezoek aan Quidah was dus niet zozeer bedoeld de plek te zien waar vandaan misschien ook een aantal van haar voorouders naar Suriname werd gebracht.

Reisverslagen zijn sinds de koloniale expedities en ontdekkingsreizen in de zestiende eeuw onlosmakelijk verbonden met een autobiografische ik-verteller die zich op onbekend terrein begeeft. Deze ik-verteller en hoofdpersoon is heldhaftig en avontuurlijk en de hoofdpersoon krijgt als het ware ‘mannelijke’ eigenschappen. De onbekende oorden waarheen gereisd wordt, worden vaak beschreven als van verlangen in klassiek vrouwelijke termen zoals schoonheid. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben feministische literatuurwetenschappers in Amerika en in Engeland een groot aantal reisteksten met vrouwelijke ik-verteller/reiziger belicht. Vergeten negentiende-eeuwse reisteksten van vrouwen werden herontdekt en uitgegeven. Voor Suriname is bijvoorbeeld belangrijk het reisverslag van Elisabeth van der Woude (1657-1698). In haar Memorije van ’t geen bij mijn tijt is voorgevallen beschreef Elisabeth van der Woude haar reis naar Guyana, de Wilde Kust, in 1676 en 1677. Als 19-jarige verliet zij het vaderland om samen met haar vader, broer, zus en honderden anderen een kolonie te stichten aan de rivier de Oyapoc in het huidige Frans-Guyana. Een expeditie die al snel op een mislukking uitliep. Een half jaar na aankomst keerde Elisabeth alweer terug in haar geboortedorp Nieuwe Niedorp. Haar vader en zus waren overleden, haar broer was achtergebleven in de West. Zelf werd Elisabeth op haar thuisreis enige tijd gevangen gehouden door de beruchte Duinkerkse kaperkapitein Jean Bart. Het opmerkelijke en intrigerende verslag is onderdeel van een kroniek die zeventig jaar beslaat. In een boekje in zakformaat beschreef Elisabeth van der Woude familieaangelegenheden, plaatselijk nieuws, maar ook (inter)nationale gebeurtenissen.

Kim Isolde Muller studeerde af op de Memorije van Elisabeth van der Woude. Haar speurtocht naar de historische context leverde interessante informatie op. Niet alleen Elisabeth en haar familie kregen zo meer gestalte, ook over de reis naar Guyana werd bijzonder materiaal gevonden wat voor Surinaamse literatuurwetenschappers en historici heel belangrijk kan zijn. (http://www.dbnl.org)
Gravure uit Posts Reinhart

Een ander voorbeeld van een bijzonder reisverslag is van Maria Elisabeth Post (1755-1812). Zij schreef onder andere De negerslaaf als goede wilde en Reinhart, of natuur en godsdienst.
Reinhart of natuur en godsdienst (Amsterdam, 1791-92), een roman, is gedeeltelijk een bestrijding van de slavernij, gedeeltelijk echter ook een verdediging van de goede slavenmeester. In het levensverhaal van Violet, de eerste slaaf van haar held Reinhart, treffen wij het klassieke beeld van de goede wilde aan. De roman Reinhart werd geschreven naar aanleiding van het verblijf van haar broer H.H. Post in Guiana. Hij bezat waarschijnlijk een plantage in Demerara. (Zie H.D. Benjamins, ‘Oude verdichte verhalen over Guiana’, in de ‘West-Indische Gids’, jrg. VII (1925/26), pp. 17-30, [en zie potverdrie vooral het proefschrift van Bert Paasman – red. CU].) Reinhart beschrijft met afschuw de slavenhandel en slavernij op de plantage, tijdens een reis in het binnenland geeft hij nauwgezet het leven van de Indianen weer, enigszins geïdealiseerd in de geest van de goede-wilde-traditie. Opvallend is het hoe de woeste, tropische natuur en het landschap, met flora en fauna, tot leven gewekt wordt. Vanuit haar stad Arnhem vertoefde de auteur in haar verbeelding in het moerassige Wildekustgebied, de savannen en de door de rivieren doorsneden oerwouden - haar geheel onbekend.

De verhalen van ontdekkingsreizigers en missionarissen wekten grote beroering onder de Europese geleerden. Daarin werd verhaald van onbeschaafde, heidense wilden, die een veel gelukkiger leven leidden dan de beschaafde, christelijke Europeaan. Men trok in de 18de eeuw de voor de hand liggende conclusie: de beschaving is de bron van alle kwaad, retournons à la nature. Dit bracht grote veranderingen in leven en streven van het 18de-eeuwse Europa. Ook in de literatuur: de belangstelling der schrijvers werd gericht op de primitieve mens in het tropische decor. Eerst vooral op de Indianen. Langzamerhand was het onvermijdelijk, dat ook de neger en dus de negerslaaf deel kreeg aan de Europese mythe van de goede wilde. Een vroeg voorbeeld is de bekende 17de-eeuwse roman van Aphra Behn: Oroonoko, or The royal slave, waarin de held een Surinaamse slaaf is. Het spreekt vanzelf dat men moeilijk in de slavernij kan blijven geloven, wanneer de slaaf als goede wilde (als voorbeeld voor de verdorven Europeaan) beschouwd wordt. Dit verhaal vormt dan ook tevens een kroniek van de vroegste geschriften tegen de slavernij.

Nieuwe biodiversiteit voor Curaçao

Curaçao. Foto © Laszlo Ilyes
Van 16 oktober tot 19 november 2013 hebben drie leden van het Naturalis Mariene Biodiversiteitsteam veldwerk verricht op de koraalriffen rondom Curaçao. Hun onderzoek concentreerde zich op krabben, garnalen en weekdieren die in symbiose leven met andere ongewervelde dieren. Om data te verzamelen is er gedoken op 23 plekken langs de zuidwestkust en op één locatie langs de noordoostkust. Eén duik naar de dieper gelegen riffen is gemaakt met de onderzeeer 'Curasub' van Substation Curaçao. Binnen dit onderzoek zijn veel nieuwe soorten ontdekt voor Curaçao, inclusief nieuwe symbiotische relaties en zelfs soorten die nog niet eerder door de wetenschap beschreven zijn.

Lees verder in het Engels…

From 16 October to 9 November 2013, three members of the Naturalis Marine Biodiversity Team performed fieldwork on the reefs of Curaçao investigating crabs, shrimps and molluscs living in association with various invertebrate groups. Dives were made at 23 locations along the southwest coast of Curaçao and one location on the northeast coast. One dive was made by submersible with the 'Curasub' from Substation Curaçao, exploring the deep reefs. Many new records for the Curaçao marine fauna were established, including new associations and even species new to science.

Atlantic Pearl Oyster Shrimp (Pontonia manningi) among the gills of the bivalve Atlantic Thorny Oyster (Spondylus americanus). Photo © Charles Fransen.


Exploratory marine biodiversity research in the Caribbean and Curaçao in particular has been carried out extensively in the early and mid-20th century. Both deep and shallow water research was carried out by scientists mainly from the United States, France and the Netherlands. The historical collections from the Dutch Caribbean were generated by trawling and dredging from large research vessels, shore collecting, and to some extend using SCUBA. The most extensive Dutch Caribbean collections are now housed in Naturalis Biodiversity Center in Leiden, the Netherlands. In the last three decades, the focus of research shifted from biodiversity to ecology, behaviour and conservation among others. In recent years however there is a renewed interest in the biodiversity of the Dutch Caribbean as it is threatened by human-mediated processes like climate change, coastal development, biotic invasions, tourism and overfishing. The Naturalis Marine Biodiversity Team is presently developing research projects in the area. The combination of taxonomic expertise and historical collections at Naturalis provides a solid basis for the study of biodiversity shifts caused by human-mediated processes Selected taxonomic groups are used as a proxy to detect biodiversity changes in the area.

A common sight on the reefs of Curaçao, Flamingo Tongue (Cyphoma gibbosum) on a Pseudoplexaura sp. Photo © Bastian Reijnen.


Charles Fransen studied a group of symbiotic shrimp, which form associations with various reef organisms such as sponges, anemones, echinoderms, sea squirts and molluscs. Worldwide about 600 species have been recognized of which 59 have been recorded in the Caribbean. From Curaçao, only 7 species were previously recorded in the scientific literature. The recent surveys recorded a total of 25 species, constituting many new records for Curaçao. Among the findings is a new species of shrimp that lives in association with a stony coral. This type of association has not been recorded for the Caribbean, and for the entire Atlantic Ocean, before. Another interesting observation was made during a dive with the Curasub. Invited by its owner, Adriaan ‘Dutch’ Schrier, the research team joined him in a dive on the southwest shore of Curaçao to a depth of 270 metres. At about 220 metres they observed sea urchins hosting shrimps. These sea urchins, Paleopneustes tholoformis, were collected together with the shrimps by the meticulous manoeuvring of Curasub pilot Bruce Brandt and skilled handling of the submersible’s collecting gear by Adriaan ‘Dutch’ Schrier himself. The shrimp (Diapontonia maranulus) turned out to be a species known only from a dive to 244-309 metres with the Johnson Sea Link submersible off Grand Bahama Island. From the present study, it is expected that more extensive research on shallow and deep reefs using SCUBA and the Curasub submersible will yield many new records for the marine fauna of Curaçao.

Sancia van der Meij studied coral-gall crabs (Cryptochiridae), a family of small crabs that live in obligate symbiosis with stony corals. Currently around 50 gall crab species are recognized from both shallow and deep reefs worldwide. Most species have been described from the Indo-Pacific, only four species are known from the Caribbean. One of these species was recorded from Piscadera Bay by the Dutch carcinologist L.B. Holthuis in 1957. No other historical records of gall crabs are available for Curaçao or, in fact, any other of the Dutch Caribbean islands. During the expedition at least three gall crab species were recorded from 21 different coral hosts, seven of which are new associations. One of the newly recorded gall crab species may constitute a range extension of a species described from Brazil. This is currently being studied in more detail.

Members of the Naturalis Marine Biodiversity Team in the Curasub. Left to right: Charles Fransen, Bastian Reijnen and Sancia van der Meij. Photo: Barry Brown, Substation Curaçao.


The third member of the team, Bastian Reijnen, studied Octocorallia (gorgonians and soft corals) as well as members of the gastropod family Ovulidae. Most ovulid snails live in obligate symbiosis with octocorals and are therefore highly dependent on their coral hosts. Like the gall crabs, the highest species diversity of both species groups can be found in the Indo-Pacific, but the Atlantic has its own unique species. The shallow water Octocorallia were studied and described by F.M. Bayer in the 1960s, nevertheless the expedition may have discovered three new species of gorgonians in the shallow waters around Curaçao. Close examination of the octocoral samples also revealed new host species for a number of Atlantic Ovulidae, for example the Fingerprint Flamingo Tongue (Cyphoma signatum) was found on a Purple Sea Fan (Gorgonia ventalina), whilst it was only known from the octocoral Plexaurella dichotoma. In addition, while deep diving with the Curasub, many rarely seen species of soft coral (Octocorallia) were recorded. One of the questions that arose from this deep dive with a submersible is if the gorgonians and soft corals found in deep water have associations with new shrimp and/or ovulid species.

Material collected will be further analysed at Naturalis Biodiversity Center in the Netherlands using, among others, molecular techniques to reveal phylogenetic relationships and discover possible cryptic species. Several scientific publications describing new species, new associations and other interesting observations are expected to be published from 2014 onwards.

Lees het hele artikel in BioNews

Bericht uitgegeven door Dutch Caribbean Nature Alliance (DCNA) op vrijdag 14 maart 2014
Tekst: Sancia E.T. van der Meij, Bastian T. Reijnen and Charles H.J.M. Fransen, Naturalis Biodiversity Center
Foto's: Barry Brown, Substation Curaçao en Charles Fransen/Bastian Reijnen, Naturalis Biodiversity Center
Gepubliceerd door: Dutch Caribbean Nature Alliance (DCNA)

Nederlandse inleiding: Paul Westerbeek (Dutch Caribbean Nature Alliance)

Kunstroof in Cuba

Carnaval Infantil van Eduardo Abela

Verzamelaar Ramón Cernuda was de eerste die de Cubaanse autoriteiten waarschuwde voor een mogelijke kunstroof. Twee weken geleden verkocht iemand aan de Cubaanse verzamelaar een schilderij in een kunstgalerij in Miami. Het werk was gestolen uit het Museum van Schone Kunsten in Havana. 

Luz Merino, de adjunct-directeur van het museum, zei dat niemand een roof had gemeld, maar dat ze zou kijken in de opslagruimte. Na een zoektocht van drie uur meldde ze Cernuda dat het schilderij dat hij had gekocht inderdaad uit het museum was gestolen. Door wie en wanneer was een raadsel. 

Nog erger was dat Merino verklaarde dat zo’n honderd kunstwerken met een geschatte waarde van duizenden dollars, waren verdwenen. Carnaval Infantil van de Cubaanse avant-garde schilder Eduardo Abela, die zijn bloeiperiode periode in de vroege jaren vijftig van de vorige eeuw, was het eerste werk dat Cernuda in februari in een galerie in Miami vond. Het kleine olieschilderij van 30 bij 20 cemtimeter werd verkocht voor 15.000 US$. 
“We ontdekten dat het was gestolen toen we het werk gingen catalogiseren en een reproductie ervan zagen in een boek over Abela, gepubliceerd in Sevilla, dat duidelijk vermeldde dat het origineel toebehoorde aan de collectie van het Nationale Museun”, aldus Cernuda. “We belden meteen het museum.” 

Cernuda is sinds 2000 eigenaar  van de Cernuda Kunstgalerie in Coral Gables, Florida en heeft in het verleden samengewerkt met speciale FBI-eenheden die zich bezighouden met gestolen kunst en antiek. Na Carnaval Infantil, kreeg Cernuda tien werken te zien van Leopoldo Romañach, die met een mes waren bewerkt. De dieven hadden de schilderijen losgesneden in plaats van de spijkers uit de lijst te halen. Ook deze werken waren gestolen uit het museum in Havana. 

Op 28 februari bevestigde de Cubaanse Nationale Raad van Cultureel Erfgoed dat “een belangrijke roof in het museum was ontdekt.” De meeste gestolen werken dateren uit de periode Arte Cubano, waarin een overgang plaatsvond van de academische naar de moderne school, waarvan Leopoldo Romañach een van de bekendste schilders was. 

Het Nationale Museum voor Schone Kunsten in Havana is in 1913 gesticht en herbergt de meest complete collectie van Cubaanse kunt tussen de zestiende en twintigste eeuw. Dit is niet de eerste maal dat er is gestolen, maar het is wel voor het eerst dat de Cubaanse overheid het heeft toegegeven. 

Carnaval Infantil is nu in handen van de FBI en zal tenslotte worden teruggegeven aan het museum in Havana. 


[van LA Chispa, 5 maart 2014; Bron: El País

Orville Breeveld geeft gratis concert

Paramaribo - Gitarist componist en producent Orville Breeveld is na 14 jaar terug in Suriname en geeft een cadeau door te laten zien waar hij goed in is. Muziek met passie ten gehore brengen tijdens een gratis concert. Het thema van het concert luidt dan ook 'Suriname synchroniseert mij met de hartslag van mijn ziel'. 

Volgens Rosita Leeflang van Roseternal Media, die de organisatie van het concert in handen heeft, wordt het een melange van soul, jazz, funk en fusion muziek. Het afgelopen jaar tourde Orville met een 120 man sterk ensemble in het project Tribute to Orfeo Negro. Het Sweelinck Orkest aangevuld met Braziliaanse musici, sopraan Sylvia O'Brien, de journalisten Max Westerman en Nina Jurna vormden ook onderdeel van het gezelschap. Suriname maakte in 2010 reeds kennis met de muziek van Orville Breeveld. "Het track record van deze muzikant strekt zich ver buiten de grenzen van Paramaribo en wel in Brazilië, Indonesië, Israël, Turkije en Frankrijk", verklaart Leeflang over Breeveld.

Hij is ook vaker gastdocent geweest in conservatoria op het gebied van muzikale vorming en workshops. Met legendarische grootheden als Angie Stone, R&B zanger Joe en het wereld bekende Metropole Orkest heeft hij ook vaker concerten verzorgd. "Al met al mag Suriname tijdens het optreden van Orville Breeveld beslist genieten van een echt Surinaams en Internationaal repertoire", verklapt Leeflang. Het concert is op zondag 13 april in Restaurant Spice Quest aan de Nassy Laan.

[overgenomen van Parbonieuws, 11 april 2014]