Al aan het begin van zijn rapportage Gowtu; Klopjacht op het Surinaamse goud laat onderzoeksjournalist Jeroen Trommelen
doorschemeren dat hij zichzelf een onmogelijke opdracht heeft gesteld. Aan de
vragen waarmee hij op pad is gegaan, ligt het niet. Deze zijn hoogst relevant
en houden iedereen bezig die ook maar enigszins geïnteresseerd is in de
achtergronden van de goudkoorts die Suriname sinds de jaren 1990 heeft bevangen
en die vanaf de eeuwwisseling in toenemende mate heeft bijgedragen aan de
economische groei van de republiek. Trommelen wil weten wie de grote spelers
zijn in de hedendaagse goudsector in Suriname, welke bedragen er omgaan, hoe de
naar schatting tienduizenden kleine ploeteraars die met hun voeten in de modder
staan zich verhouden tot de grote bazen die achter de schermen aan de touwtjes
trekken, wat de opbrengsten betekenen voor de nationale schatkist, hoe de
goudwinning en goudhandel zijn georganiseerd, en wat de ecologische effecten
zijn van het op grote schaal afgraven van grond en het gebruik van kwik.
![]() |
| Een goudmijn waar op grote schaal wordt gewonnen. Foto © ANP |
Op basis van naarstig verzamelde informatie en geholpen door
een groepje deskundigen (onder wie de onderzoekers Marieke Heemskerk en Marjo
de Theije) laat Trommelen zien dat op meerdere plaatsen in het midden en oosten
van Suriname lokale bewoners, Brazilianen, Chinezen en stedelingen in een
welhaast symbiotische relatie met elkaar leven en op grond van semilegale of
ronduit illegale afspraken zoveel mogelijk aan de exploitatie van de
begerenswaardige bodemschat proberen te verdienen. De inkomsten voor de gewone
man en vrouw (goudzoekers, kokkinnen, winkeliers, prostituees) liggen tamelijk
hoog (voor Brazilianen gemiddeld hoger of zelfs veel hoger dan in hun eigen
land), maar fluctueren in bepaalde perioden sterk en worden gedempt door de
hoge kosten van levensonderhoud en de benodigde investeringen (voor goudzoekers
vooral in apparatuur en brandstof) die er tegenover staan. De veiligheid en
bescherming van bezit zijn bovendien niet gegarandeerd, wat de bedrijfsrisico’s
vergroot, en de verontreiniging van water en lucht hebben gevolgen voor de
volksgezondheid en biodiversiteit, die echter nog altijd moeilijk te overzien
zijn.
Het opkopen en exporteren van het gewonnen goud blijkt
volgens de gegevens van Trommelen een zaak van een aantal Chinese handelaren,
die niet zelden ook vergunninghouder zijn van een cambio (geldwisselkantoor) en banden onderhouden met een politieke
partij (in meerderheid, maar niet uitsluitend, de NDP). Trommelen traceert
fiscale gegevens waaruit blijkt dat het gros van hun bedrijven nauwelijks
belasting betaalt. Het verlenen van exploratie- en exploitatieconcessies hangt
in hoofdzaak af van de goodwill van de betrokken minister en is daarmee niet
alleen ondoorzichtig, maar ook corruptiegevoelig. Het is vooral op dit niveau
dat dwarsverbanden tussen bedrijfsleven, politiek, de presidentiële Commissie
Ordening Goudsector en de onder dezelfde president en zijn zoon ressorterende Counter Terrorism Unit (CTU) – een
elitegroep van gewapende krachten – hun invloed laten gelden. De politiek lijkt
daarbij het laatste woord te hebben. In de top tien van grootverdieners in de
goudindustrie nemen volgens Trommelen Ronnie Brunswijk de eerste en Desi en
Dino Bouterse de tweede plaats in. Op de andere posities staan namen van andere
bekende, maar ook minder bekende of onbekende Surinamers − wat lezers van Parbode (het tijdschrift waarin
Trommelen eerder zijn lijstje publiceerde) al enige tijd bekend is. Overigens
moet opgemerkt worden dat deze rangorde op basis van schattingen tot stand is
gekomen en een enigszins willekeurige indruk maakt. Vooral de tweede plaats
voor de president en zijn zoon is niet meer dan een educated guess, want in hoofdzaak gebaseerd op de politieke invloed
van de president (die inderdaad groot is) en op de veronderstelling dat deze
zich als zakenman bedient van stromannen (wat waarschijnlijk is, maar niet
wordt hardgemaakt). Overtuigender is de conclusie die Trommelen trekt, namelijk
dat – anders dan veel politieke retoriek en een deel van de publieke opinie
willen – buitenlandse bedrijven als Lamgold en Newmont verhoudingsgewijs veel
en Surinaamse bedrijven onvoldoende belasting over hun verdiensten in de
goudsector betalen.
Trommelen doorspekt zijn relaas met een drietal casestudies:
één over de spraakmakende moord op een jonge goudzoeker in oktober 2011 in
Maripaston, één over de ‘free for all’ activiteiten in Benzdorp (Oost-Suriname)
en één over de teloorgang van het beschermd natuurpark Brownsberg door illegale
goudzoekers. Uit alle drie voorbeelden blijkt eens te meer hoe ondoordringbaar
de goudsector in Suriname is. Basale gegevens over concessies, omzet- en
winstcijfers en belastingafdrachten zijn geheim of gelden als onbetrouwbaar. Er
wordt weinig geregistreerd en tegenover de buitenwereld wordt bij voorkeur het
stilzwijgen bewaard, ook door de grote buitenlandse ondernemingen. Trommelen
slaat deuken in dit gesloten bastion en werpt licht op aspecten van de sector,
echter zonder de achterliggende zakelijke en politieke netwerken en de
bijbehorende geldstromen geheel bloot te kunnen leggen. Dat doet echter niets
af aan zijn inzet en vasthoudendheid om de onderste steen boven te krijgen.
Zijn naspeuringen leveren een vlot lezende rapportage op, waarin, zoals de
auteur het zelf formuleert, de reis in het Surinaamse informatiedoolhof evenveel
aandacht krijgt als het resultaat van zijn belangwekkende graaf- en spitwerk.
Jeroen Trommelen. Gowtu;
Klopjacht op het Surinaamse goud. Schoorl: Conserve, 2013. 223 p., ISBN 978 90 5429 346 0, prijs € 19,99.
[uit Oso 2013-2]
[uit Oso 2013-2]






.jpg)

