Posts tonen met het label Beaujon Aletta. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Beaujon Aletta. Alle posts tonen

maandag 2 december 2013

Boeli

V.l.n.r. Boeli van Leeuwen,.Chris Engels, Aletta Beaujon, W.F. Hermans, Cola Debrot, Elis Juliana.

door Ko van Geemert

Net las ik de ingezonden brief (25 november) van Rob van Buiren, onder de titel: ‘Nalatenschap Boeli niet naar Den Haag’. Hij schrijft: “Als een van de grote schrijvers van Curaçao, van de Nederlandse Antillen hoort de nalatenschap vanzelfsprekend op Curaçao thuis.” Zeker!

Er blijken ‘concrete stappen te worden ondernomen tot oprichting van een eigen Curaçaos literair museum’. In de afgelopen jaren waarin ik me verdiepte in de literatuur op en over het eiland stuitte ik niet op een dergelijk initiatief, maar blijkbaar heb ik iets gemist. Tot de komst van dit Curaçaos Literair Museum ben ik blij dat de nalatenschap van zo’n bijzondere, in het Nederlands schrijvende auteur in een mooi archief/museum terecht is gekomen, al is dat in Nederland.

Curaçao

[uit Amigoe, 26 november 2013]

woensdag 23 oktober 2013

Zoet Willemstad: Hoe smaken Punda en Otrobanda literair?

Ondergaande zon op Curaçao. Foto © Stephen Kennedy

door Klaas de Groot

De Nederlandse wandelaar met veel literatuur in het hoofd kan nu weer naar Schiphol. In 2010  wilde Ko van Geemert met zijn literaire stedengids Paramaribo Brasa! dit type lezer door Paramaribo loodsen, nu is Willemstad op Curaçao aan de beurt. Op 26 september presenteerde uitgeverij Bas Lubberhuizen namelijk de tweede tropische wandelgids van Van Geemert:  Dushi Willemstad. Het  is een flink boek geworden, omdat de auteur behalve twee forse wandelingen ook een lange rij cultureel-maatschappelijke “Curaçaose thema’s” wilde beschrijven. Vijf “Curaçaokenners” komen daarenboven in een eigen bijdrage aan het woord.

Hanchi Warda (Wachthuissteeg). Foto © Klaas de Groot

Het boek is duidelijk voor de Nederlandse toerist geschreven. Het feitenmateriaal, de toelichting op die feiten, bijvoorbeeld de introductie tot genoemde auteurs en andere personen is zeer uitgebreid. De samensteller heeft zo nieuwsgierig om zich heen gekeken en is zo gegrepen door het eiland dat hij na thuiskomst onmiddellijk terug wilde. Zijn inleiding heet dan ook ‘Heimwee naar Curaçao’. De heimwee is met name te zien op p. 6. Daar is een nostalgische tekening van Jo Spier afgebeeld uit 1948. Ook de omslag van het boek getuigt van weemoed. Op die omslag staat een oude ansicht met twee keurige echtparen die genieten van zon en zee op het terras van…Hotel Avila. Het hotel dat in 2013 nog steeds één van de grote toeristische trekpleisters is. Dit laatste ook omdat de geest van de schrijver Boeli van Leeuwen er voelbaar rondwaart. De belustheid op het eiland heeft ook een keerzijde: soms is het materiaal overweldigend. Vooral in de afdeling ‘Curaçaose thema’s'.

Beeld bisschop Niewindt. Foto © Michiel van Kempen

Het zal een hele toer zijn om met deze lijvige gids de Curaçaose zon te trotseren. Waarschijnlijk is de beste methode om voor of na een wandeling in de schaduw, onder een fan, de “Curaçaose thema’s” te bestuderen die eventueel zullen opduiken of al opgedoemd zijn. Het stukje over ‘De snèk’ kan het beste voor de wandeling doorgenomen worden. De opmerkingen over ‘Hato’ eigenlijk alvast in het vliegtuig. Stel nu dat je als Nederlander tijdens de wandeling misschien een keer het woord makamba hebt opgevangen, dan wordt het tijd om de opmerkingen over dat woord te verwerken. Het deel dat “Papiamentu” heet, dus over de taal gaat die het meest op Curaçao gesproken wordt, had beter “Papiaments” kunnen heten om vervolgens uitleg te geven over de benamingen ‘Papiamentu’ en het Papiamento. Het is jammer dat in het boek alle drie deze termen door elkaar gebruikt worden. Dit verheldert de toelichting niet. Waarschijnlijk heeft het te maken met het feit dat Van Geemert af en toe wel erg veel hooi op zijn vork neemt, dit zorgt dan voor scheurtjes in de steel van die vork.  

Twee wandelingen door Willemstad vormen de hoofdmoot van het boek. De eerste leidt door Punda, het stadsdeel achter Fort Amsterdam. Opvallend is dat deze wandeling veelal in de buurt van water blijft. Dat komt natuurlijk doordat het binnenvaren van de Annabaai heel wat keren door schrijvers wordt gereleveerd, laat staan bezongen. De kleine zijbaai het Waaigat ligt vlakbij de Scharlooweg, die voor een groot deel in de route is opgenomen. Een heel stuk Pietermaai wordt overgeslagen, maar gaande naar de Penstraat, loopt de wandelaar toch weer met het zout van de zee in zijn neus. De Penstraat wordt vaak genoemd door auteurs, maar eigenlijk zijn die allemaal op weg naar het Octagon en het veelbezongen Avilahotel. Voordat de wandeling terugkeert naar de stad, noemt Van Geemert nog de plek waar de Penstraat eindigt, namelijk Marie Pompoen. Hierbij had hij wel het gedicht van Frits van der Molen mogen noemen. Die schreef in De Stoep ooit het gedicht ‘Marie Pompoen’:  “Op de vlakte van Marie Pompoen / strooien de meisjes haar fatsoen / als bloemen op een vuilnisbelt / en elke lichaamsruil vraagt geld.” Zo luidt de eerste strofe van dit lange gedicht over het openluchtbordeel op die plek. In het stuk over Campo Alegre, één van “Curaçaose thema’s” wordt beschreven hoe het in 2013 gesteld is met de vervanging van Marie Pompoen. En Campo Alegre ligt tenslotte veel verder weg van Willemstad. De toerist komt daar waarschijnlijk alleen als hij de weg kwijt is.

Willemstad: Pietermaai en Punda


De Otrobandaroute is veel meer dan de Pundaroute een wandeling in de stad. De wandelaar loopt dichter bij de huizen, lijkt het. De stegen van deze wijk hebben heel wat literatuur opgeroepen. “Steegjes overschaduwd door ruïnes”, schrijft Walter Palm. Ook de verhalen van de recent overleden Jules de Palm werpen hun licht op deze bijzondere wijk. Van Geemert besteedt hier nogal wat aandacht aan de populaire bisschop Niewindt uit de negentiende eeuw. Hij vermijdt het echter de gedichten te noemen die Cornelis Ch. Goslinga schreef. Goslinga (genoemd in het persoonsnamenregister) dichtte het bundeltje Martinus Joannes Niewindt in vierentwintig sonnetten (uitgegeven in 1987 door De Schans, Werkendam). Na weer een stukje lopen krijgt het  huis Stroomzigt vanzelfsprekend heel wat aandacht, dat was immers het woonhuis van dichter-dokter Chris Engels. Van Geemert meandert zeer gedetailleerd door Otrobanda. Gelukkig kan de wandelaar even bijkomen in de legedarische Nettobar in de Breedestraat, vereeuwigd bijvoorbeeld door auteur Hans Vaders.
Belvederestraat 43/45. Foto © Klaas de Groot

Daarna had Van Geemert nog wel een paar bochten mogen maken teneinde in de Belvederestraat te komen. Daar woonde  op nr 11 en 43/45 de dichteres Aletta Beaujon in haar jeugd. Van haar verscheen in 2009 de Verzamelde gedichten: De schoonheid van blauw ~The Beauty of Blue (Haarlem, In de Knipscheer). In die bundel staat het gedicht

Piscadera bay – Scardana bay

Music near the sea
reminds me of the bay of Piscadera
soft music near the sea
reminds me of the soothing sea of Piscadera
Smooth music makes me lonely
far from all my childhood moods
All alone in a grown up world
I cry for the music of yesterday
and I want to swim again
at Piscadera bay
I want to float again
on the tunes of long ago
I want to be all alone
at Piscadera bay
to think again my childhood thoughts

Na het maken van de wandelingen en het ter harte nemen van alle gegevens zal het de literaire toerist waarschijnlijk duizelen. Daarom is het goed te weten dat niet ver van Willemstad, aan de Otrobandakant een kleine baai ligt waar het goed zwemmen is: de Piscaderabaai. De omgeving aldaar is inmiddels erg toeristisch geworden, maar er is een tijd geweest dat veel Curaçaoënaars in die baai leerden zwemmen. En daar moeten ook eilandbewoners tussen gezeten hebben, die zich later in de literatuur bekwaamd hebben. 

Carel de Haseth bij Boka Tabla. Foto © Michiel van Kempen

De “Curaçaokenners” die aan het woord komen, verschillen gelukkig nogal van invalshoek. Wim Rutgers doet de literair-historische kant met erg veel aandacht voor het proza en erg weinig voor de poëzie. Lucille Berry-Haseth heeft het over het vertalen in het Papiaments, een prima onderwerp in dit verband, met name voor deze vertaalster van heel wat gedichten en van de bekendste roman van Frank Martinus Arion: Dubbelspel. Een groot vriend van Boeli van Leeuwen, Nic Møller, tevens de man van het Avilahotel, schrijft een mooi stuk over Van Leeuwen. De Penstraat komt terug in een anekdotisch relaas van Jan Brokken. De anekdote is een kleurrijke verpakking van een boodschap voor de literaire wandelaar. Die luidt: Curaçao is geen Nederland, want zegt Brokken: ‘Want hoe Nederlands Curaçao van de buitenkant ook oogt, in de ziel van de eilanders meandert de Congo onverstoorbaar verder door het schimmenrijk van de voorvaderen.’
In hoeverre deze waarneming tot begrip of onbegrip leidt, is natuurlijk de vraag. Maar waarom zouden we alles moeten begrijpen, vraagt Carel de Haseth zich af in zijn veelzeggende bijdrage over de vermeende overzichtelijkheid van Curaçao. Ervaar het eiland, dat is beter dan het voortdurend willen begrijpen. Hij vertelt een jeugdherinnering over een haai die hij iedere middag, om ongeveer vier uur, de Annabaai zag binnenzwemmen, een rondje maken om vervolgens weer naar volle zee te verdwijnen. De Haseth eindigt dan met: ‘Wat het dier kwam doen, wat hem dreef, blijft een raadsel. Maar hij hoefde het eiland niet te begrijpen: hij ervoer het zoals het is en beleefde er ongetwijfeld plezier aan. Anders zou hij niet steeds weer terugkomen.’


Ik denk dat  Dushi Willemstad het ervaren van Punda en Otrobanda heel goed kan bevorderen. Niet bij haaien, wel bij (literaire) toeristen, ook van het eiland.

Ko van Geemert, Dushi Willemtad
Amsterdam 2013, Uitgeverij Bas Lubberhuizen
272 p. € 22.50



zondag 13 mei 2012

Aletta Beaujon



Portret van de Curaçaose dichter Aletta Beaujon, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 43 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

woensdag 11 januari 2012

‘Ik heb overal gewoond’

over De schoonheid van blauw van Aletta Beaujon

door Ezra de Haan

Wanneer er een kattenbelletje van Kafka of een liefdesbrief van Lord Byron gevonden wordt, is dat wereldnieuws. Dat wat voltooid leek, kreeg toch nog een toevoeging. In Nederland juicht men minder snel. Zelfs als er een vrijwel volledig nieuwe dichtbundel aan een oeuvre kan worden toegevoegd, blijft men hier rustig. Iets wat mij verrast, want het is wel degelijk een wonder dat de rode kantooragenda uit 1957, waarin Aletta Beaujon 78 van haar gedichten opschreef, zolang op de planken van bibliotheken kon blijven staan zonder dat iemand iets met de inhoud deed. Gelukkig begreep Klaas de Groot (foto rechts), die samen met Aart G. Broek de bezorger was van de verzamelde gedichten van Aletta Beaujon, meteen dat hij een unieke vondst had gedaan. Hij vergeleek de gedichten in de agenda met wat al eerder was gepubliceerd en wist dat er veel onbekend werk tussen zat. Het bundelen en bezorgen van het werk was vervolgens de meest logische volgende stap.



Aletta Beaujon werd op 1 mei 1933 geboren op Curaçao. Ze groeide daar op maar kende Bonaire ook goed door de vakanties die ze daar doorbracht. De schrijver, jurist, arts en politicus Cola Debrot, beroemd geworden door Mijn zuster de negerin, was haar oom. Hij bezat diverse plantages, zoals Slagbaai waaraan Beaujon regelmatig refereert in haar gedichten. Debrot, die ook aan de wieg van Frank Martinus Arions schrijverloopbaan stond, hielp Aletta met de publicatie van haar gedichten in de beroemd geworden Antilliaanse Cahiers. In dit literaire tijdschrift verscheen werk van Tip Marugg, Frank Martinus Arion, Oda Blinder, Pierre Lauffer, Luc. Tournier en Cola Debrot. Allemaal auteurs die later van groot belang bleken voor de literaire ontwikkeling van het eiland.




Aletta Beaujon debuteerde in 1957 in een dubbelnummer van Antilliaanse Cahiers met de bundel Gedichten aan de Baai en elders. Haar tweede bundel, Poems while in Delos, verscheen in 1959. Wederom in Antilliaanse Cahiers. Het was een reeks van veertien gedichten in het Engels. En nu, in 2009, verschijnen alle gedichten van Aletta Beaujon onder de titel De schoonheid van blauw. Samen met de teruggevonden gedichten uit de rode agenda krijgen we nu eindelijk een beeld van de dichter die Aletta Beaujon was. Wie goed leest, krijgt haar dromen erbij cadeau.

Frank Martinus Arion schreef enthousiast over het debuut van Aletta Beaujon: ‘Alettas bundel is een grillige, fantastische reis: de reis die kinderen soms in hun dromen maken of waarvan heel blijde mensen soms spreken, als het leven hun goedgezind is. Als de hemel blauw is en de zon schijnt en de toekomst enkel vreugde wil beloven.’ Verder heeft Arion het over de weemoed en de heimwee die in veel gedichten doorklinkt. ‘De heimwee, die wij, Antillianen, allen zo goed kennen.’ Arion, die weet wat lezen is, zag toen al dat haar gedichten de hele wereld ademden. Ook hem viel het ongebreidelde levensgeluk op dat in veel van Beaujons gedichten voorkomt. Wanneer je het debuut herleest, waar De schoonheid van blauw mee opent, valt je de intensiteit op waarmee ze schrijft. Neem een passage uit het gedicht ‘Slagbaai’:

Ik voel mij
als Orpheus
in een delirium
van heerlijkheid
verheven zelfs boven de sterren
lichtjaren verwijderd


Slagbaai

Toch wordt deze idylle al snel verstoord. Wat we dan in hetzelfde gedicht zien, is de andere kant van de dichter:

De zee ruist voortdurend
in ritmische
rijmen
Zij heeft in de late middag
het strand verkracht
met geweldige golven
van schuim en zand

Aletta Beaujon moet een vat vol tegenstellingen zijn geweest. Op Curaçao en Bonaire was ze gelukkig. Uit ieder gedicht dat ze erover schreef blijkt de verbinding met de natuur. Ze bejubelde haar omgeving en zag het als een droom die ook na het ontwaken kon worden beleefd. Ik citeer een passage uit ‘Agaven’:

Een onmetelijke vlakte
Agaven
ligt voor ons
in de zon
zoemende zoete dromen
van een onverstoorbare plantensoort
verbegraven
in de wildernis

Andere gedichten uit haar debuutbundel Gedichten aan de Baai en elders beschrijven Nederland en dat valt meteen op door de woorden die Beaujon gebruikt. Meteen is de blijde mens, het kind in haar verdwenen. Eerder afkeer valt er aan haar regels af te lezen.

Holland

Avond
Wanneer het zo vroeg
donker wordt
snellen de mensen
naar huis

de lichten loeren lui
neer
op de pleinen
en staren dof voor zich uit
op eenzame hoeken
van de straten
gele gaten
in de vuile plassen
overal

Morgen
En de vroege morgen
is nog nacht en
naakt
gods gedachte
paradox
van fietsers op de weg

In de vieze ramen
van de grijze treinen
schijnt het licht
traag
moeizaam
en verscholen

Aletta Beaujon lijkt te worstelen met de koude grijze wereld die Nederland heet. Slapeloosheid en dromen komen steeds weer in haar gedichten voor. Er is sprake van een gevangen zijn in een pijn van nooit meer te willen ontwaken. Ook haar dichterschap geeft daarin geen soelaas. ‘De dichter is geen mensenkind / maar heeft zijn hart in hel / gekregen.’ Beaujon schreef meerdere gedichten over dichters. De woorden die we tegenkomen zijn inktzwart. ‘zalen zwartgeverfde woorden spuien ze / de droeve dichters in een toorn van / tranen meegetorst en nooit verspild op / tabernakels van de goden.’ Naarmate je meer gedichten van haar debuut leest, krijg je de indruk dat zowel het schrijven als het leven haar niet makkelijk vielen. Eenzaamheid en onzekerheid klinkt regelmatig in haar werk door. De eerste strofe van ‘Ego’ spreekt boekdelen.

De vreugde van het vieren
maakt de mens zo moe
hij hoopt steeds weer
een vriend te zijn
een tweeling medemens

In de talloze gedichten met dezelfde titel of eigenlijk hetzelfde thema lees je de strijd van de dichter met zijn materie af. Beaujon moet steeds weer geprobeerd hebben zichzelf te overtreffen. En slaagde daar regelmatig in, al is het de vraag of ze dat wel inzag. Wie de twee versies van het gedicht ‘Slagbaai’ naast elkaar legt komt er zelf ook niet uit. Ze staan naast elkaar, vormen een tweeluik. Al is het gedicht op pagina 133 typerend voor de nostalgie in het complete oeuvre van Beaujon:

(fragment uit ‘Slagbaai’)

Ik kom hier elke dag
de avond zoeken
en de dag want beide
heb ik op dit strand voor het eerst gevonden
heel lang geleden

In Words washed away / Weggespoelde woorden, staan zowel de veertien gedichten die bekend staan als de bundel Poems while in Delos als de resterende 64 gedichten uit de kantooragenda van Beaujon die in de Centrale bibliotheek Den Haag, afdeling Antilliana, gevonden werd. Juist in combinatie met de gedichten uit haar debuutbundel komen de teruggevonden gedichten en de reeds bekende tot hun recht. We komen gedichten tegen die we al kenden maar die nu een andere jas dragen. Zo horen we de echo van ‘Slagbaai’ in een gedicht als ‘Late middag in Athene’. Het gedicht speelt zich nu in Athene en omgeving af. Toch lezen we hetzelfde als in het gedicht over de dagen op Bonaire. Woorden als zout en hitte komen weer voor, maar het is vooral de sfeer die identiek is. In haar verbeelding van Griekenland lijkt Beaujon haar geluk gevonden te hebben. In het gedicht ‘Hellas’ beschrijft ze het als volgt:

Why is it that when I dream
I always dream of Greece
the songs of honey mellowed suns
flowing to the winding valleys
and the flower bedded plains

Ze beantwoordt die vraag in het gedicht ‘In Greece I died’ met de regel die haar kinderen haar op haar graf hebben meegegeven:

In Greece I died
ten thousand years ago

Hetzelfde gedicht opent met een veelbetekende strofe:

Moments of madness
of the maker
ignorant of time
inhabitant of all encompassing
spaceless life infection

Weer is het de waanzin die meespeelt. Zelfs in haar imaginaire Griekenland, het land dat de metafoor was voor alles wat voorbij was: de verloren jeugd, de vergeten klassieke wereld. En ook in het volgende gedicht in de bundel, ‘On my way to Delphi’, komen we het tegen.

I cried
And your answer was an arrid echo
Of my insanity


Delphi

Het zijn gedichten die aan Keats doen denken en met name aan zijn ‘Ode to a Grecian urn’. Het is poëzie waarin een wereld tot leven gewekt wordt die alleen in de verbeelding van de schepper leeft. Gedichten waarin dromen tot leven komen en dat wat in het werkelijke leven niet meer kan toch gebeurt. In het geval van Aletta Beaujon levert het wonderschone poëzie op.

(uit: ‘Sunrise Delphi’)

there is something so joyful
about the underwater green of the shade
in a sleeping silver stony well
where I can be alone knowing
that the treasures of Delphi surround me

(uit: ‘Madness’)

The birds were mating
In the madness of my soul
Insanity is sanctified
At the well of warm endeavour

(uit: ‘Greece’)

I stand and wait for all that once
was promised to the poets
Inspiration granted finally
to sight unswaying
miracles
and to the smallest life incentive
open memoried attention of the gods

Het zijn niet alleen de in het Engels geschreven, tot nu toe vergeten gedichten die bewondering opwekken. Ook die in het Nederlands mogen er zijn. Het gedicht ‘Bonaire’, een ode aan de maangevormde blauwvinvissen, brengt het eiland en de dromen van Beaujon tezamen. Dat Cola Debrot het indertijd niet in haar tweede bundel opnam is onbegrijpelijk. Misschien was het een persoonlijke keuze die samen met Aletta tot stand is gekomen of koos hij liever voor een reeks gedichten in het Engels.

De schoonheid van blauw / The Beauty of Blue laat voor het eerst Aletta Beaujon zien zoals ze werkelijk was, een kwetsbare dichter die zich liefst in de dromen van haar gedichten verschool. Haar verzamelde gedichten vormen een schatkamer aan gedichten in het Nederlands, Engels en Papiaments. Juist door de toevoeging van de gedichten uit de rode kantooragenda en de verspreide gedichten kunnen we ons eindelijk een voorstelling maken van de wereld die Aletta Beaujon droomde. Hulde aan de Klaas de Groot, die de gedichten terugvond en die samen met Aart G. Broek (foto rechts) er een prachtboek van maakte.

(uit: ‘Solo di mèrdia’)

Muhé
Ta kòrta álue
Pabou
Patras na laira
Kabes abou
Solo
Sin duele di nos niun
Miserikòrdia ku ningun
Ta baha
Riba nan kustia
Ku e fièrnu
Di mèrdia

(uit: ‘Middagzon’)

Daarginds
snijden vrouwen
aloë
Achterste omhoog
hoofd omlaag
De zon
Meedogenloos
deernis voor geen
smijt vanuit het zenit
de helse hitte
op hun lendenen



[Bron: Literatuurplein.nl]

Fotos van Klaas de Groot en Aart Broek: @ Michiel van Kempen

dinsdag 3 januari 2012

Krom gewaaide bomen

door Ezra de Haan


Het Koninkrijk der Nederlanden kreeg op 10-10-2010 een heel ander aanzien. Sint-Maarten en Curaçao werden, net als Aruba, landen binnen het koninkrijk, terwijl Bonaire, Sint-Eustatius en Saba ‘openbare lichamen’ van Nederland werden. De Antillen werden als staatsvorm ontmanteld en toch bleven het zes Nederlandse eilanden, net zoals de zes Waddeneilanden. Klaas de Groot koos deze gelegenheid voor de presentatie van de bloemlezing Vaar naar de vuurtoren (Uitgeverij In de Knipscheer, 2010), waarin dichters hun liefde voor de twaalf eilanden met ruim honderd gedichten vorm geven.

Foto's © Dushi Photos

Alleen iemand met grote kennis van de literatuur en liefde voor eilanden is het gegeven zo langdurig en diepgaand alle archieven en boekenkasten te bestuderen als Klaas de Groot dat deed. Het resultaat mag er dan ook wezen. Vaar naar de vuurtoren is een ‘must’ voor iedereen met het eilandgevoel geworden. Hij slaagde er niet alleen in over vaak bezongen en beschreven eilanden mooie en ontroerende poëzie te vinden, ook over kleine, haast literair vergeten eilanden als Rottum, Sint-Eustatius en Sint-Maarten dook hij gedichten op.

De liefde voor het eiland blijkt niet alleen uit de gedichten in deze bundel maar ook uit de samenstelling. Klaas de Groot bezocht alle eilanden, op Rottum na, en heeft daar de verschillende volksliederen vastgelegd die ook in deze bundel te vinden zijn. De meertaligheid op de eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden klinkt door in de ondertitel van het boek (Eiland, Isla, Island, Eilân) en het siert de samensteller dat hij zowel het origineel als de vertaling van de gedichten in deze bundel de ruimte heeft gegeven. Een mix van eilandgedichten in het Nederlands, Fries, Engels, Papiaments kom je immers zelden tegen.

In zijn langdurige zoektocht naar gedichten over de Nederlandse eilanden stuitte Klaas de Groot op, wellicht, zijn grootste ontdekking in de Openbare Bibliotheek van Den Haag. Tussen honderden gedichtenbundels bleek een vergeten kantooragenda van Aletta C. Beaujon uit 1957 te staan. Met deze vondst groeide het oeuvre van Beaujon aanmerkelijk. Van de achtenzeventig gedichten in de agenda was driekwart nog niet eerder gepubliceerd. Samen met Aart C. Broek bezorgde Klaas de Groot De schoonheid van blauw - The Beauty of Blue waarin alle gedichten van Aletta Beaujon zijn verzameld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat we het gedicht ‘Brandaris’ over Bonaire in deze bundel tegenkomen. De liefde voor de natuur, maar ook de eenzaamheid die het eiland oproept is typerend voor de bundel en zeker voor de gedichten van Beaujon.

Aletta Beaujon - Brandaris (fragment)

Het geraas van planten
in de dorre wind
in een vallei ver boven de zee
een stille eenzaamheid
van steen en wolken
waar ik zo graag van droomde
bestaat daar bovenstaande
Ik heb er niet gespeeld
alleen gezeten
alles zweefde daar
ik dacht nog
van het moeilijke dalen
naar zee
Ik hoorde hier niet thuis
en zag toe
ik wou dat ik hier
kon blijven
overnachten
dicht bij de maan
en de eerste die in de zon wakker werd

Frank Martinus Arion schreef over Curaçao en ook over Bonaire. Hij staat met twee gedichten in deze bundel. Wie de gedichten leest betreurt het dat de man meer proza dan poëzie geschreven heeft.

Frank Martinus Arion - Bonairiaanse wandelingen met Carmelita (fragment)

Want een neger die schrijft heeft geen hart
een neger die schrijft heeft niets te geven
een neger die schrijft heeft minstens gestolen -

Hier sta ik dan weer de weg te wijzen
hoe van neger mes te worden
om thuis te keren zonder menselijkheid
omdat het avondland verging

De woede van Arion klinkt heel anders dan het verdriet, het gevoel nergens meer bij te horen in het gedicht ‘Paradise lost’ dat Giselle Ecury over Aruba schreef. Waar een ander zich compleet zou vertillen aan de verwijzing naar Miltons Paradise lost, komt Ecury ermee weg. In heldere taal en met de eenvoud van het kind dat ze eens op Aruba was, geeft ze weer wat alle eilanders overkomt die ‘hun’ eiland verlaten.


Giselle Ecury - Paradise lost

buiten stond het palmend groen
stil langs de startbaan
in rafels te zwaaien
toen ik moest gaan
eilandskind

de wind draaide zich
de zee verbleekte
liep kolkend leeg
lucht wolkte vormeloos uiteen
de pop op mijn arm huilde
tranen van steen
warmte hield haar adem in
de zon ging uit
ik verdween
kind van zes

het vliegtuig vloog mij uit elkaar
nergens kwam ik aan
ik ben
alleen
niet van hier
niet meer van daar
ertussenin
ontdaan

Van Walter Palm staan er zelfs drie gedichten in deze bundel. Zijn poëzie toont aan dat een eiland niet alleen woede, eenzaamheid of vervreemding op kan roepen. In Palms geval is het melancholie, is het de heimwee naar Curaçao als je er niet meer bent. Zijn gedicht over Bonaire toont ons een wereld vol rust en stilte waar de dieren de dichter dwingen tot schrijven. In de afdeling Varia staat het gedicht ‘De passaat en de Nederlands eilanden overzee’. Het is een Walter Palm-gedicht zoals we dat van zijn voordrachten kennen. Steeds weer lezen we de woorden ‘blaast de passaat’, als een mantra en zo vormt zich een beeld van die altijd aanwezige wind. Je moet direct denken aan de krom gewaaide bomen. En dan komt de humor. In tegenstelling tot de golven en de wolken blijven de Nederlandse eilanden overzee stokstijf staan. Ze blijven staan als een rots in de branding. Zelfs de passaat weet de eilanden niet bij elkaar te blazen.

Walter Palm - Curaçao en ik

Curaçao dat zijn bladeren,
dat zijn de groene bladeren
van de boom in onze tuin
waar ik als baby
mijn gedachten in liet dwalen.

Curaçao dat zijn bladeren,
dat is het luchtpostpapier
van de liefdevolle brieven
van mijn moeder,
toen ik moederziel alleen
en ver van huis studeerde.

Curaçao dat zijn bladeren,
dat zijn vergeelde pagina's
met beelden van mijn herinneringen
die verwaaien op de passaat
en verglijden in de avondschemer

Met slechts een paar voorbeelden blijkt al de diversiteit van deze bloemlezing en dan heb ik het nog niet eens over het verschil tussen de Caribische eilanden en de Waddeneilanden gehad. Overduidelijk blijkt het eiland in de tropen eerder erotiek, warmte en liefde op te roepen terwijl de Wadden vaak doen denken aan de dood. Zo staan er een schitterend gedicht van R.L. Tromp in over de paarden van Ameland en het melancholieke lied van Freek de Jonge over ‘De vondeling van Ameland’. Rottumerplaat krijgt met het gelijknamige gedicht een klein monument voor zijn bezoekers in een gedicht van Ad de Haan.

Ad de Haan - Rottumerplaat

waar Bomans waakte
en Wolkers werkend wakker bleef
maakte de stilte
-het geluid van zee en wind -
van Godfried een ander
een kind van Jan

meeuwen, altijd maar meeuwen
een zeehond en wrakhout
en flessen, altijd maar flessen
na zeven dagen
doodmoe
alleen op een eiland

Tsead Bruinja toont aan dat ook Schiermonnikoog een dichter kan beroeren. Het gedicht ‘Schier’ laat het Fries uit deze bundel opklinken en wie deze mooie taal niet machtig is, vindt op de volgende pagina de vertaling.

Tsead Bruinja - Skier (fragment)

foar 't de nacht mei har tsjustere flústertekken komme kin
lûkt de mist in gerdyn fan flintertinne polonêzespoken
oer de mar fan dit eilân dat mar net op bêd wol
sûnder in ferhaal foar it sachte sliepen no toe dan mar

Tsead Bruinja - Schier (fragment)

voor de nacht met haar fluisterdeken komen mag
trekt de mist een gordijn van flinterdunne polonaisespoken
over het meer van dit eiland dat maar niet naar bed wil
zonder een verhaal voor het zachte slapengaan nou toe dan maar

Vaar naar de vuurtoren is een heerlijk boek dat dwingt tot bladeren, lezen en herlezen. Juist het contrast tussen de gedichten over de twaalf eilanden die, ondanks de enorme afstand die ertussen ligt, toch Nederlandse eilanden zijn, maakt deze bundel zo bijzonder. Terwijl je erin leest hoor je de golfslag, die van de Wadden of van de Caribische Zee.


ISBN 978-90-6265-658-5

[Bron Literatuurplein.nl, 2011]

donderdag 27 januari 2011

Aletta Beaujon - Enfantine

Het negermeisje
was zeer wit
en trouwde met
een vriend die dat
niet wou

Zij kreeg een
heel zwart kindje
dat zo lief was
veel liever
dan de witte kindjes
die de man zo graag
hebben wou
Het kindje werd
steeds zwarter
en de vader
was toch blij
dat hij haar vader was

Toen kreeg het meisje
als maar
witte negertjes
die de vader
helemaal niet liefhad

U kunt hem altijd
spelen zien
met het hele
zwarte kindje

De appel
van zijn hart
had blauwe ogen

[uit Aletta Beaujon, De schoonheid van blauw / The Beauty of Blue, Haarlem 2009, In de Knipscheer]



Foto: Lars Erik Hauklien, Black girl, blue eyes

zaterdag 8 januari 2011

Gedichten over eilanden (III)


Bonaire

door Albert Hagenaars


Bonaire, dit ruim met natuurschoon bedeelde eiland met behalve Nederlandse ook Spaanse en Britse invloeden, kent een kleine bevolking, slechts ruim 13.000 inwoners die bijna allemaal in de meer kernen tellende hoofdplaats Kralendijk wonen, maar was goed voor toch nog zeven bijdragen aan de bloemlezing Vaar naar de vuurtoren. De oproep in de titel kan op vijf verschillende manieren gerealiseerd worden want hoewel lang niet alle eilanden een vuurtoren bezitten, heeft Bonaire er maar liefst vijf, waarvan de Willemstoren uit 1838 de bekendste is. Drie torens zijn zelfs onlangs gerenoveerd en werken inmiddels op zonne-energie. Als daar geen nieuwe poëzie uit voortkomt…
De dichters zijn Frank Martinus Arion, Aletta Beaujon, Cola Debrot, Mery Maduro, Walter Palm en Lupe Reyes, wier werk afgesloten wordt door het volkslied van Hubert E. Booi.

Arion (º1936), die in Nederland vooral naam heeft door zijn roman Dubbelspel, waar bijna driekwart miljoen exemplaren van werden verspreid, komt niet van Bonaire. Hij werd geboren op Curaçao en woonde op Aruba alsmede in Nederland en, tot de militaire coup, in Suriname. Zijn lange gedicht ‘Bonairiaanse wandelingen met Carmita’ werd uit de bloemlezing Vermoeden van tijd – Poëzie van de jongere tijd (Meulenhoff, 1962) gelicht en vormt ongetwijfeld een van de grote verrassingen van Vaar naar de vuurtoren. Het oorspronkelijk in het Nederlands geschreven gedicht bestaat uit 6 delen en neemt net zoveel pagina’s in beslag. En dat betekent dus lang genieten want Arion heeft een gelukkige balans gevonden tussen epiek en lyriek. Lange gedichten verliezen al gauw aan spanning, zo bepalend voor hun wezen, en worden gemakkelijk saai wanneer ze ten gunste van het verhaal aan lyrische hulpmiddelen inboeten. Enerzijds neemt Arion de ruimte om veel informatie te geven, anderzijds weet hij alle delen (elk onderverdeeld in onregelmatige strofen) voldoende bezieling mee te geven om de tekst in de aandacht van de lezer overeind te houden. In dit opzicht doen de wandelingen aan de opzet van Omeros denken, het boek waarmee mede-Antilliaan Derek Walcott (º1930, Saint Lucia) de Nobelprijs binnenrijfde. Arion zet een krachtige, eilandgebonden beeldspraak in, gebruikt zonder het aansprekende parlando los te laten veel klankovereenkomst en heeft het, mede aan de hand van vragen, over existentiële kwesties, wat misschien ook nog een Europese echo van die tijd is. Onder de noemer van het Existentialisme passen in elk geval het definiëren van de eigen realiteit en plaats en daarmee het streven naar vrijheid, de afwijzing van de ratio, en het besef dat de enige zinvolle waarheid die zekerheid biedt die van ons eigen handelen is. Al deze elementen spelen een rol in de ‘Bonairiaanse wandelingen met Carmita’.

Ik citeer alvast het eerste deel:


Om een scheiding gaat het hier
van bloed en land
tranen van pekel zijn in de grond gedrongen
die droogte heeft mij hard gemaakt

om de scheiding van bloed en kleur
die overal de keten van liefde verbreekt
om volledig te vertrekken uit elke ruimte

Gij was mijn schaduw Carmita
en ik schuwde u zeer
gij was mijn hangmat
en ik hing aan u

maar de zon en de zee
zijn zout geworden
van zoveel geboorten:
de aarde loom
dit lichaam traag
van Europa


Over deze introductie valt het nodige te zeggen. De eerste regel rept van een scheiding en dit woord is meteen het hoofdmotief. De bewoording van Arion laat daar geen twijfel over bestaan. Een scheiding wordt eerder negatief dan positief ervaren, maar roept van de weeromstuit gemis en verlangen op, die wel degelijk vruchtbaar kunnen werken. De volgende regel roept het eerste raadsel op: een scheiding van bloed en land. Wanneer land al gescheiden wordt, is dat doorgaans van ander land, door water of een grens. Dat andere land kan echter associatief benoemd worden als een oord waar bloed een grote rol speelde. Opnieuw zal de gemiddelde lezer dit niet als positief ervaren, bijvoorbeeld door aan een plek te denken waar donoren in de rij staan, maar als negatief, als een plaats waar bloed vergoten wordt, zeker als hij doorleest en dan direct met ‘tranen’ geconfronteerd wordt. Arion hanteert daarmee een treffende tegenstelling: tranen en droogte, die echter aannemelijk gemaakt wordt door ‘pekel’. Zout, de economische pijler onder meerdere Antillen, werd in de regio nergens, naar verhouding wel te verstaan, zo’n bepalende factor als op Bonaire. Het was met name zout dat de slavenhandel op gang bracht. De slaven woonden in piepkleine bouwsels, stenen hutten, waarvan nog een aantal, al dan niet gerestaureerd, resteert. Er werden zelfs vier obelisken opgericht om vrachtschepen naar de zoutpannen te dirigeren en dat moet de vroegste versie zijn van de titel waar Klaas de Groot mee aankwam. Slavernij, dat is in Arions werk een van de uitgangspunten, te beginnen met zijn debuut Stemmen uit Afrika (1957). Fragmenten die hiernaar verwijzen zijn in dit lange gedicht: ‘zonzieke neger’, ‘scheiding van bloed en bloed’, ‘blanke negerin’ en vooral ‘keten’ en ‘slavenmuur’.

Een belangrijke uitspraak is ook regel vier, te vertolken als: problemen maken een mens niet alleen hardvochtiger maar ook sterker.
In strofe 2 verliest het bloed aan kleur zoals later, in strofe 5, aan vochtwaarde (‘…doe ik bloed opstuiven’). Gestaag ontrafelt Arion historische en sociale patronen, vervangt feiten door zijn poëtisch geladen taal, vangt de essentie in de gedachte dat zout bloed oplevert, en bloed zout wordt. ‘Keten’ kent twee aspecten, die van band zoals hier in ‘keten van liefde’ en die van ‘kluisters’. Arion speelt die mooi tegen elkaar uit, en tegelijk dus begrippen als vrijheid en gevangenschap, vertrek en gedwongen vertrek.


De naam Carmita in strofe 3 lijkt belangrijk. Hoe belangrijk? De naam komt uit het Hebreeuws. De betekenis is heel toepasselijk ‘lied’. Er is ook een relatie met de Karmel, samentrekking van Karem-El ofwel de wijngaard van God. De beboste flanken van deze berg in Israël, 20 km lang, 8 breed en 600 meter hoog, genieten al sinds vele eeuwen de faam een paradijselijk oord te vormen. In de oudheid waren er wijngaarden. De profeet Elia daagde hier de priesters van Baal uit en bracht het mentaal dolende volk terug tot haar verbond met God. Zelf moest ik dan ook nog aan Karma denken. Is dit alles te ver gedacht? Te ver voor Arion die behalve dichter ook taalwetenschapper is? Hij studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde, deed veel voor het standaardiseren van het Papiaments en kreeg dus ook te maken met vergelijkend taalonderzoek. Zou hij deze fascinatie, die hij al vroeg onderging, uitgeschakeld hebben gelaten terwijl hij aan dit gedicht werkte? Te ver voor Frank Efraim Martinus zoals de naam van de schrijver in het dagelijkse leven luidt? Efraim is eveneens Hebreews en is afkomstig van de tweede zoon van Jozef, die, en dit kan haast geen toeval meer zijn, in ballingschap werd geboren. Er zijn kortom teveel zinvolle links om alleen maar uit te gaan van een geliefde. Als extra argumenten om niet alleen voor deze laatste mogelijkheid te kiezen, gelden twee inhoudelijke punten. Ten eerste het plechtstatige voornaamwoord Gij, dat in de Zuidelijke Nederlanden populair is (ik gebruik het zelf regelmatig in mijn dialect) maar verder alleen in de Bijbel voorkomt. Ten tweede het woord ‘schuwen’. Waarom zou je namelijk een minnares schuwen? Eerbied of angstvalligheid ten aanzien van een godheid, eventueel het welslagen van een goddelijk lied, ligt eerder voor de hand. Arion maakt echter dankbaar gebruik van de meerduidigheid. Hij verschaft overdrachtelijk een seksuele waarde aan hangmat maar waarom zou de sprekende persoon daar dan aan gaan hángen? De tweede duiding, hangen aan iemand, gehecht zijn aan iemand, kan echter wel. De eerste heeft de tweede dan al wel de voet dwars gezet. Dit taalspelletje werd een misstap.


In strofe 4 zijn, net als het bloed verder in de tekst, de zon en de zee zout geworden maar dan wel het zout van zoveel geboorten zodat Arion aan het zout der aarde raakt, letterlijk ook met aanhaling van het woord ‘aarde’ na de dubbele punt die een conclusie aankondigt.
Waarom een lichaam traag van Europa is, is een vraag die ook tot enig filosoferen leidt. Gemakshalve kan geopteerd worden voor de mogelijkheid dat de Europese invloeden slecht passen bij de fysieke en culturele realiteit van het eiland. En Europese invloed kende Arion in 1962; zijn eerste periode in Nederland begon in 1955.

Tot zover het eerste deel van het vers. Bij de andere vijf zijn minstens zoveel openingen te maken. Welke van de andere dichters die over Bonaire schreven zouden met hun product nu graag achter dit meesterwerk van Arion geplaatst worden? De Groot hanteerde voor de dichtersnamen een alfabetische indeling per eiland dus het werd het gedicht ‘Brandaris’ van Aletta Beaujon. Een betere keuze was gelukkig ook niet mogelijk want Beaujon lokaliseert haar talige handelingen op de Karmel van het eiland, de 240 meter hoogte bereikende Brandaris, en gebruikt dezelfde soort slagwoorden als Arion: dor, steen, zon, rotsen, zee. Ook de zegging komt overeen, al is die van Arion krachtiger. Wat beiden delen is bovendien het respect voor de natuur, beter gezegd het ondergaan van het wezen van de natuur, de vereenzelviging soms ook. Het laatste deel van haar gedicht:


Als ik straks dalen ga
rollen de stenen naar beneden
ik ben zo moe en zo bang
om voort te gaan
waarom kan ik hier niet blijven
zo rustig is het nergens
de wind zoemt
langs de toppen van de rotsen
en brengt zo nu en dan
het schreeuwen van de vogels
in de bomen daar beneden
zelfs een schot van de jager
een echo wordt gefluister
in de bergen
Ik wou dat ik elk plekje kende
in de verte


Beaujon biedt dus eveneens een solitair beleefd perspectief dat toch geen eenzaamheid oplevert. Eerder evoceert zij geborgenheid. Dat levert dan wel frictie op, enerzijds het verlangen om op de rustige helling of top te blijven, anderzijds elk plekje in de verte willen kennen. Dat heeft wel het voordeel dat de beweging neerwaarts omgebogen wordt tot een horizontale zichtlijn en de ruimte, aanvankelijk beperkt tot het kleine eiland, bezit neemt van de zee en andere kusten (bij helder weer zijn Curaçao en Venezuela te zien). Dat compenseert eventueel verontrustende elementen als rollende stenen en een schot. Beaujon geniet even van rust en reflectie, temeer daar ze weet dat deze serene ervaring maar kort duurt.


Ik wil, om in dit verband tot een nog beter vergelijk te komen, een paar regels uit deel 2 van Arions gedicht aanhalen:


…en ik heb genoeg
aan alles wat ik kan zien
zonder van dit eiland op te staan.

Hierna is het de beurt aan Cola Debrot, die wel op Bonaire geboren werd, in 1902 in Kralendijk, en als een van de belangrijkste schrijvers van de Antillen beschouwd moet worden. Hij vervulde tal van functies, variërend van arts tot gouverneur van de Nederlandse Antillen. Daarnaast bouwde hij een ongemeen boeiend oeuvre op, dat in het uit meerdere delen bestaande Verzameld Werk z’n beslag kreeg. Aan waardering had Debrot dus geen gebrek, wat het beeld van z’n trieste laatste jaren extra wrang maakt. Hij leed aan depressies en misschien schreef hij vanuit die staat het gedicht ‘Talbes’ dat door een onbekend gebleven vertaler goed in het Nederlands is overgezet, al heeft die niet, net als de dichter, de slotwoorden “tur os pena na caminda” gecursiveerd en dat is een gemiste kans want Debrot zette niet voor niets daar een accent.


Misschien

Misschien komt de dag weer,
een dag van louter blijheid.
Of was het zo’n lichte maannacht
vol weemoed onder de siaboom?

Misschien komt de dag weer
dat cactus en siaboom
elkaar omhelzen
als toegenegen verwanten.

Misschien komt de dag,
- alle maïs heeft zijn zaad -
dat zelfs arbeider en kapitalist
elkaar zullen mogen.

Misschien… die dag is nog ver
verder dan de knoekoe van Ma Linda.
Maar verlies het geloof en de hoop niet,
ondanks al ons lijden onderweg.


Poëtisch legt de nestor van de Antilliaanse letteren het, met deze tekst althans, af tegen Arion (bij wiens debuut hij zeer nauw betrokken was) en ook nog tegen Beaujon. Dat ik het toch graag in z’n geheel citeer komt voort uit m’n respect voor Debrot. Ook kan ik ermee tegemoet komen aan een van de bedoelingen van samensteller Klaas de Groot, namelijk om vooral gedichten op te nemen die het eigene van het betreffende eiland benadrukken. Met vermeldingen van de siaboom, cactus, en zeker de knoekoe van Ma Linda voldoet Debrots tekst aan dit criterium.

Met de gedichten van Mery Maduro, Lupe Reyes komen we aan een zwak punt van het boek. Vrijwel alle gedichten in het Papiaments (op Bonaire niet Papiamentu zoals op Curaçao of Papiamento zoals op Aruba genoemd maar Papiamen) zijn vertaald, waarom deze twee dan niet? Uit ervaring weet ik wat er zoal komt kijken bij een dergelijke bloemlezing maar het zou toch niet een te zware belasting geweest zijn om ook ‘Naturalesa di Bonaire’ van Maduro en ‘Boneiru’ van Reyes een Nederlands jasje te geven, zeker niet wanneer er genoeg goede vertalers voorhanden zijn? Jammer!

Daarom volgt hier de opname van ‘Boneiru’, de kortste tekst van de twee, opdat lezers die geen Papiaments beheersen maar enige kennis van Spaans of Portugees hebben, en dat zijn er tegenwoordig toch een heleboel, nog een eind komen:


Boneiru

Kada be mi despedí
di mi isla tan stimá
tristesa mi ta sinti
tur momentu; tur lugá
N’e momentu ku mi mira
solo bias: ‘Té mañan’,
nostalgia mi ta sinti
di mi isla adorá…

Boneiru, kuna di mi hubentut.
Tistiga muda di mi legría,
tristesa I soledat…
‘Zonida klá mi ta sinti,
di bo olanan I lamán.
Promesa firme mi ta hiba,
den mi alma, bon wardá.
Promesa ku lo mi kumpli
fo’I e momentu ku mi alehá,
aunke lew destinu hibami
semper lo bo ser rekordá.


Behalve het volkslied, wel in twee talen, is er dan nog het korte maar beeldenrijke ‘Bonaire’ van Walter Palm (º1951, Curaçao):


Bonaire

Flamingo’s beelden
rozezachte stilte uit

Groen gekrijs van papegaaien
omlijst de rust.

Naast de schildpad
zwemt de tijd.

Op de zeepaarden
hobbelt een glimlach.

Plots opduikende
dolfijnen, een flits

van inspiratie.


Hoewel Palm al acht dichtbundels publiceerde en aansprekende beelden weet weg te zetten, heeft hij nog geen meesterschap bereikt. Flamingo’s bijvoorbeeld roepen als vanzelf de kleur roze op, zoals schimmels wit en raven zwart, daarom zou je die kleur niet nog eens moeten noemen. Dat is een zwaktebod, de klankovereenkomst met ‘zacht’ ten spijt. ‘Groen gekrijs van papegaaien’ is vergeleken hiermee veel beter gekozen. ‘Een op zeepaarden hobbelende glimlach’ is daarentegen dan weer een ronduit rammelend beeld. Een tweede pleonasme vinden we in de verbinding van ‘plots’ en ‘opduiken’. Opduiken houdt immers al in dat iets plots verschijnt. Daar had een redacteur een stokje voor moeten steken.

Zoals bij andere eilanden eindigt het deel over Bonaire met het volkslied, in het Papiaments ‘Himno Bonaireano’ geheten, in het Nederlands dankzij Fred de Haas flamboyanter ‘Land van zon, gestreeld door de passaatwind’.
Behalve de muzikale elementen zit er niet veel poëzie in maar het kent wel een even ontroerend als dapper einde:


Ningun poder lo por kita e afecto
Cu nos ta sinti pa e isla di Nos
Maske chikito cu su defecto
Nos ta stimele ariba tur cos.


ofwel


Geen macht op aarde kan de liefde doden
Die JIJ in ons hart laat wonen!
O eiland, onvolmaakt en klein,
Dat altijd nummer één zal zijn!


Alle teksten in Vaar naar de vuurtoren werden in de originele taal afgedrukt, die in het Fries en Papiaments op een paar na tevens in vertaling, de Engelse om begrijpelijke redenen niet.

Het resultaat is hoe dan ook een in alle opzichten afwisselend boek dat velen zal boeien én zelfs de koffers doen pakken!


Vaar naar de vuurtoren - Gedichten over eilanden. Samenstelling en redactie: Klaas de Groot. Uitgeverij In de Knipscheer. ISBN: 978-9062-656585.€ 18,50

donderdag 2 december 2010

Dubbelpresentatie in Leiden


Onder de titel Leiden – de andere zijde van het Koninkrijk – Curaçao worden op woensdagmiddag 8 december twee dichtbundels gepresenteerd bij ‘Bibliotheek plus Centrum voor Kunst en Cultuur’, kortweg BplusC, in de Burchtzaal.

Muziekproject
Deze presentatie zal de banden onderstrepen tussen Leiden en de andere zijde van het Koninkrijk der Nederlanden. Het Koninkrijk kent tenslotte naast Nederland, ook nog de landen Curaçao, Aruba en St. Maarten. De kleinere eilanden Bonaire, Saba en St. Eustatius zijn ‘bijzondere gemeenten’ van Nederland.

Zonder dat wij ons dit realiseren is er al eeuwenlang een komen en gaan van mensen tussen het eiland Curaçao en de stad Leiden. Zo hadden in de negentiende eeuw Nederlandse bestuurders van het eiland, waaronder gouverneurs, hun opleiding dikwijls genoten in Leiden. Tot de eilandbewoners die zich voor langere of kortere tijd in Leiden nestelden, kennis opdeden en weer teruggingen, behoren tal van juristen, medische specialisten en bekende literaire auteurs als Frank Martinus Arion, Boeli van Leeuwen en Aletta Beaujon.

Bij de muziekafdeling van BplusC wordt een bijzonder muziekproject ontwikkeld (combinatie van muziek en Antilliaanse poëzie) om deze verbondenheid een verrassend nieuw cachet te geven. Directeur Willem van Moort zal hiervoor de aftrap geven.


Vaar naar de vuurtoren

Tijdens deze bijeenkomst wordt aandacht besteed aan het literaire werk dat aan de andere zijde van het Koninkrijk wordt geschreven en dikwijls aan deze zijde wordt uitgegeven. De literaire rijkdom wordt tastbaar in een recentelijk verschenen bloemlezing: Vaar naar de vuurtoren; Gedichten over 12 eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden. Naast de al genoemde eilanden in de Caribische Zee, kent Nederland nog zes eilanden in zout water: Ameland, Rottum, Schiermonnikoog, Terschelling, Texel en Vlieland. Klaas de Groot bracht dichters van al deze eilanden bijeen. Hij wordt geïnterviewd door Aart G. Broek.



Eerste dichtbundel van Aart G. Broek

BplusC onderkent de inspiratiebron die de eilanden aan de andere zijde van het Koninkrijk kunnen zijn. Dat blijkt uit het muziekproject. Het wordt tevens onderstreept door de presentatie van een nieuwe dichtbundel: Het lichten van de jaren. De auteur Aart G. Broek woonde en werkte twintig jaar op Curaçao en streek vervolgens neer in Leiden. Hij laat de nieuwe bundel los om een eigen leven te beginnen.

U bent van harte welkom op:
woensdagmiddag 8 december
van 16.30 en 18.00 uur
BplusC, locatie Nieuwstraat 4, 2312 KB Leiden
Contactpersoon BplusC
Wilma Raaijmakers
Tel. 071 5168519
w.raaijmakers@BplusC.nl
Graag aanmelden

Meer informatie over de dichtbundels klik hier.


Afbeelding boven: Admiraal Lodewijk van Boisot trekt in 1573 met zijn watergeuzen op naar Leiden dat na een langdurige beleg wordt bevrijd. Boisot laat een groot deel van Zuid-Holland onder water stromen om de Spanjaarden te verdrijven.

Links onderin ligt Delft, waar Willem van Oranje in de Prinsenhof woont, rechtsbovenin is Leiden en daaronder Zoeterwoude waar op 17 en 18 september zwaar is gevochten tegen de Spanjaarden. Daarna ging de tocht verder naar Leiden dat op 3 oktober vrij was. De bastions in het midden zijn in Leidschendam (Veur en Strompwijk) gebouwd. Het dorp Haghe is nu Den Haag.

maandag 29 november 2010

3 x Aletta Beaujon, of de treurnis van het Nederlandse bibliotheekwezen

door Michiel van Kempen

Ik denk dat als je een top-5 zou samenstellen van Antilliaanse dichters Aletta Beaujon een gerede kans zou maken om daar bij te komen. Onlangs verscheen bij In de Knipscheer De schoonheid van blauw, de prachtig verzorgde uitgave van haar verzamelde gedichten, keurig gebonden en met leeslint, sympathieke inleiding, instructief nawoord. Ik besprak het boek voor Biblion, de instelling die boeken voorziet van een zgn. a.i., een korte aanschafinformatie die wordt toegestuurd aan alle 1100 Nederlandse openbare bibliotheken, die vervolgens kunnen beslissen of zij het boek in hun collectie opnemen. In vroegere jaren kon het wel eens gebeuren dat een uitgeverij zoveel exemplaren via Biblion aan de bibliotheken kwijt kon, dat zij daar in één keer mee uit de investeringskosten was. Wat is het totale aantal exemplaren dat de 1100 bibliotheken bestelden van Beaujons De schoonheid van blauw? 3, zegge: drie! De uitgever heeft 2 exemplaren ter beoordeling moeten inzenden naar Biblion en krijgt van 1100 bibliotheken een bestelling van 3 exemplaren. Nederland, anno 2010.

Ik dacht nog een moment: heb ik mijn a.i. niet aanbevelend genoeg geschreven? Oordeel zelf:


Aletta Beaujon (1933-2001) werd op Curaçao geboren, maar bracht veel tijd door op de familieplantage Slagbaai op Bonaire, en later ook in Europa. Tijdens haar leven publiceerde zij één dichtbundel waarmee zij zich direct schaarde onder de belangrijkste Antilliaanse dichters. Die bundel, aangevuld met een grote niet eerder gepubliceerde collectie poëzie en verspreide gedichten, vormt deze uitgave van haar verzamelde gedichten. Beaujon schrijft in het Nederlands en het Engels, een enkele maal in het Spaans of Papiamentu (met vertalingen). Zij overschrijdt moeiteloos alle geografische grenzen en zowel de Antillen als Nederland, Griekenland en nog andere landen vormen het decor van haar poëtisch universum. Wat zij schrijft is bijna altijd even raak als sensitief, en bedrieglijk lichtvoetig. Haar motieven vindt men bij alle grote dichters: natuur, eenzaamheid, dood, ontheemding, Met een biografisch voorwoord van haar zoons en een indringend nawoord met verantwoording van de bezorgers is deze uitgave voorbeeldig verzorgd. Aanbevolen voor alle bibliotheken


Ik wed dat de Eskimo’s op Groenland, alias de Inuit, van een vergelijkbare uitgave (zeg: De schoonheid van wit) nog 300 exemplaren hadden besteld. Groenland: zou dat nou een mooi land zijn om naar te emigreren? Ik ga het eens uitzoeken.

vrijdag 5 maart 2010

Antilliaanse Poëzie

Het Woord in Ruigoord presenteert zondag 14 maart 2010 Antilliaanse Poëzie met Walter Palm, Giselle Ecury, Jan Brokken en met Klaas de Groot over Aletta Beaujon (van wie onlangs de verzamelde gedichten verschenen onder de titel De schoonheid van blauw/The beauty of blue).

Gerben Hellinga leest in de rubriek Poëzie Klassiek werk van Vasalis.

De presentatie van de avond is in handen van Peter de Rijk.


Aanvang: 16.00 uur
Toegang: gratis
Locatie: Ruigoord Kerk
Bereikbaarheid klik hier

donderdag 24 december 2009

Weg uit een schaduwtroebel land

door Joop Leibbrand

Aletta C. Beaujon (Curaçao 1933 – Aruba 2001) studeerde in Illinois en Utrecht psychologie en werkte als klinisch psychologe (met een speciale belangstelling voor criminologie en pediatrie) achtereenvolgens op Curaçao, in Leiden en op Aruba. Zij publiceerde als jonge vrouw van begin twintig en begeleid door haar oom Cola Debrot (1902-1981) een verzameling Nederlands- en Engelstalige poëzie, Gedichten aan de Baai en elders, waarmee zij in 1957 een dubbelnummer mocht vullen van het literaire tijdschrift Antilliaanse Cahiers: 67 Nederlandse gedichten, tien Engelse en een in het Papiamentu. De ontvangst was in het algemeen positief. Zo noemde Ed. Hoornik het werk ‘niet minder verrassend dan verblijdend’, sprak Pierre H. Dubois van ‘prille zuiverheid’, ‘dichterlijke trefzekerheid’ en van ‘visionaire landschappen’ die ontstegen aan de aardse werkelijkheid en schreef Frank Martinus Arion over de poëzie van zijn eilandgenote: ‘Aletta’s bundel is een grillige, fantastische reis: de reis die kinderen soms in hun dromen maken of waarvan heel blijde mensen soms spreken, als het leven hun goedgezind is.’

In 1959 verscheen in een keuze van Debrot in Antilliaanse Cahiers onder de titel 'Poems while in Delos' nog een veertiental Engelse gedichten. In 2008 werd in de collectie Antilliana van de Openbare Bibliotheek van Den Haag een kantooragenda uit het jaar 1957 gevonden met daarin onder de titel Words washed away / Weggespoelde woorden 78 met de hand geschreven gedichten van Beaujon (het overgrote deel in het Engels), waaronder de veertien 'Poems while in Delos'. Beaujon bleek dus twee bundels van 78 gedichten geschreven te hebben, waarvan het merendeel uit de tweede bundel ongepubliceerd bleef.

In De schoonheid van blauw / The Beauty of Blue worden nu door de ontdekker van het manuscript, neerlandicus Klaas de Groot, en zijn mederedacteur dr. Aart G. Broek beide bundels in één band uitgegeven, aangevuld met enkele verspreide gedichten gevonden tijdens bibliotheekonderzoek op Curaçao en met vertalingen van de Papiamentstalige gedichten. De twee zoons van Aletta Beaujon, beiden medisch specialist in de West, schreven gezamenlijk een levensbeschrijving van hun moeder, die daaruit naar voren komt als een veelzijdig begaafde vrouw met een zeer sterk gevoel van eigenwaarde en een sterke drang tot onafhankelijkheid.


.

Aletta Beaujon deelt haar geboortejaar met Hans Faverey, Cees Nooteboom, Wilfred Smit en Paul Snoek en is een jaar ouder dan Judith Herzberg, Rutger Kopland en Gerrit Krol. 1957 is het precieze jaar van verschijning van Uit slaapwandelen van Vroman, Weerszij van een wereld van Ellen Warmond, Amulet van Lucebert, Sonnetten van de kleine waanzin van Hans Andreus, maar ook van Achterbergs Spel van de wilde jacht. Guillaume van der Graft, Ida Gerhardt en Remco Campert hebben al volop gepubliceerd. Het innerlijk behang en andere gedichten van Lodeizen dateert al 1952, Vasalis’ Vergezichten en gezichten is van1954. Deze plaatsbepaling zegt veel over de grote diversiteit van de poëzie eind jaren vijftig van de vorige eeuw, maar wie in het Nederlandstalige werk van Beaujon zoekt naar invloeden of overeenkomsten komt er niet verder mee. Met geen van deze dichters blijkt Beaujon te vergelijken. Hoe zeer dit ook jeugdwerk is en de onderlinge stijlverschillen in de gedichten verraden dat zij duidelijk zoekende is en allerlei registers uitprobeert, van het soms bombastische gebruik van grote woorden voor grote gevoelens, tot eenvoudige, heldere onnadrukkelijkheid, daarachter klinkt wel degelijk een specifiek on-Hollands eigen geluid: zintuiglijk, picturaal, ongebonden, vrij. Kosmopolitisch ook, want in haar gedichten stapt zij moeiteloos over van de Antillen naar Amsterdam, en van daar naar Griekenland, met name het eiland Delos, waar veel gedichten, vooral ook de Engelstalige, gesitueerd zijn. In ‘Slagbaai’ (de familieplantage van de Beaujons op Bonaire) verwoordt zij op volstrekt natuurlijke wijze een arcadisch gevoel:


Slagbaai


We hebben
toen ’s middags de zon
wat minder fel werd
gezwommen
in zout helder water
over rode riffen
en wit zand

Pas toen het avond werd
zijn we ons gaan wassen
onder de pomp
tussen de twee huizen
in de reeds koele passaat

Wij zijn buiten gaan zitten
Ons haar is nog vochtig
van het wateren de avondbries
is strelend koel
ongelooflijk zoet
na de zoute hitte
van de dag

Ik voel mij
als Orpheus
in een delirium
van heerlijkheid
verheven zelfs boven de sterren
lichtjaren verwijderd

De zee ruist voortdurend
in ritmische rijmen
Zij heeft in de late middag
het strand verkracht
met geweldige golven
van schuim en zand

Als je beweegt
knarst de stoel
op de witte steentjes
om het huis

Wij begrijpen
dit oneindig ogenblik
van één zijn
door onmeetbare tijden
van zijn en worden

Het gedicht laat mooi Beaujons talent zien. De haast naïeve zuiverheid van de innemende eerste drie strofen, op een onnadrukkelijke manier vanzelfsprekend, wordt verbonden met een diepere filosofische laag, waarbij zij het grote gebaar niet schuwt. Sterren en lichtjaren, oneindige ogenblikken en vooral ‘onmeetbare tijden/ van zijn en worden’, vormen gevaarlijk materiaal voor een jonge dichter, maar door het te verbinden met de knarsende stoel op de witte steentjes – te vergelijken met die ene vlinderslag die de balans van het hele universum kan veranderen -, bereikt ze een geslaagd evenwicht. Er staan veel meer goede gedichten in deze bundel, en als een gedicht als geheel minder is, of ronduit onbeholpen, staan er altijd nog wel regels in die de moeite waard zijn. Zo verbeeldt zij in het gelijknamige gedicht het mythologische Griekenland: ‘In Griekenland/ wil ik beelden/ vangen in verf/ op perkamenten van vlezige stengels [...]// Op nimfen loeren/ goden en /gouden stieren ontvoeren/ mooie maagden/ met/ masturbatie/ mania’. Na haar levenswijze in ‘Spel”, dat voortborduurt op het daaraan voorafgaande ‘Nocturne’, vergeleken te hebben met die van een vlinder, vervolgt zij met ‘Zo heb ik met het denken/ gespeeld/ waar ik bloemen blozen zag// Ik heb gestreeld/ de eenvoud/ van de eerste droom’. Beaujon moet in Nederland – ‘een grijs en/ schaduwtroebel land’ – niet haar beste jaren gehad hebben. ‘Het hele gore noorden/ sluipt koud en donker samen’, schrijft zij in ‘Tropenmensen’ en zo beleefde ze er soms de eerste uren van de dag:


Winterochtend


In de nacht is het koud
verlaten lichten van de stad
in de zwarte ochtendtram
huilende ramen gebroken kleuren
de hemel breekt open en nat

Werkende mensen hebben al
vochtige jassen en
scheve schouders
slapende grote hoofden
winter schreeuwt
elektrische vlagen buiten
adem vlekt de ruiten

Wie vervolgens de zevendelige cyclus ‘Symbolen aan de Baai’ leest (het hoogtepunt van het eerste deel), kan gemakkelijk vaststellen hoezeer Beaujon een kind was van die andere wereld, ‘waar in de vroege koele rilling van de wind/ alles weer ontwaken moet/ en vergeten doet het dromen van iets anders’.

Als jonge dichter zal Beaujon zeker ambities hebben gehad: ‘Hooghartig heersen/ wil je/ met je schrijven/ en je denkt/ het ware/ te hebben gezien/ met de eigen ogen/ van je denken’, schrijft zij immers in ‘De jonge dichter’. Dat ze die in de poëzie niet heeft kunnen of willen waarmaken, ‘het klare denken verraadt de eigendunk‘, is jammer. Aan de andere kant: zo is een belofte altijd een belofte gebleven, en dat heeft ook wel iets moois.


Aletta Beaujon, De schoonheid van blauw / The Beauty of Blue
Uitgever: In de KnipscheerJaar: 2009
ISBN: 9789062656462
Prijs: € 34,50
300 blz.


[Overgenomen uit Meander, literair e-zine; foto: @ Michiel van Kempen]

vrijdag 11 december 2009

De schoonheid van blauw

Het verlaten verre ochtendlicht
woei naar de kusten van mijn droom
en het brandde daar
tot as
de middagzon rustte in de bomen
aan de baaien
tot zij niet meer was

[uit: Middagdroom]


The beauty of blue is found
around the finite shores of Delos’ lakes
the silent screams of diamonds
on the surface of the sea

[uit: Delos]
.



Onlangs verscheen De schoonheid van blauw/The Beauty of Blue, het verzamelde dichtwerk van de Antilliaanse dichteres Aletta Beaujon (Curaçao 1933 – Aruba 2001), bezorgd en van een nawoord voorzien door Aart G. Broek en Klaas de Groot.

Als jonge vrouw van begin twintig publiceerde zij in 1957 een cyclus van 78 gedichten, een sprankelende verzameling Nederlands- en Engelstalige poëzie: Gedichten aan de Baai en elders. Onder anderen Ed. Hoornik, Pierre H. Dubois en Adriaan Morrën staken de loftrompet over haar debuut. Alsook Frank Martinus Arion: «Aletta’s bundel is een grillige, fantastische reis: de reis die kinderen soms in hun dromen maken of waarvan heel blijde mensen soms spreken, als het leven hun goedgezind is.»

In Antilliaanse Cahiers in 1959 werden op verzoek van haar oom Cola Debrot nog 14 gedichten van haar afgedrukt, maar daarna werd het stil rond Aletta Beaujon en raakte zij als dichter in de vergetelheid. Ze ging op Aruba werken als psychologe, waar zij in 2001 overleed.

In april 2008 ontdekte neerlandicus Klaas de Groot in de Openbare Bibliotheek van Den Haag (waar zich de voormalige Sticusa-collectie bevindt) een kantooragenda uit het jaar 1957. Hierin staan achtenzeventig handgeschreven gedichten die Aletta Beaujon schreef gedurende haar verblijf in Griekenland in de zomer van dat jaar: de 14 gedichten uit Antilliaanse Cahiers en 64 tot nu onbekende en niet eerder gepubliceerde gedichten.

Het merendeel van de gedichten is in het Nederlands geschreven, een kleiner deel in het Engels (vandaar de tweetalige titel) en slechts twee gedichten in het Papiaments (speciaal voor deze uitgave ook vertaald in het Nederlands). De twee cycli van elk 78 gedichten vormen, tezamen met nog een handvol getraceerde verspreid gepubliceerde gedichten, haar volledig poëtisch werk. Dat is nu voor het eerst in één uitgave verschenen: 300 bladzijden.

Wim Brands sprak met medesamensteller Klaas de Groot jongstleden zaterdag 5 december voor de VPRO-radio. Klik hier om dat gesprek te beluisteren.

Op donderdagmiddag 17 december 2009 wordt Klaas de Groot van 15.00 uur tot 15.30 uur Nederlandse tijd (10.00 uur tot 10.30 uur Antilliaanse tijd) live geïnterviewd door Peter de Rijk op Radio Amsterdam FM in het programma Kunst&Cultuur. De uitzending vindt plaats vanaf de 4de etage in de nieuwbouw van de Openbare Bibliotheek Amsterdam (op 5 minuten loopafstand van het Centraal Station) en is door publiek bij te wonen. De OBA is gevestigd aan de Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam. Radio Amsterdam FM is te beluisteren op 106.8 FM, op de kabel 103.3 en via internet door op deze site te klikken op het volgende logo luister live! Het interview is via deze site nog 1 week na uitzending te beluisteren en tot 2 maanden na uitzending door hier te klikken.

Aletta Beaujon De schoonheid van blauw / The Beauty of Blue Gedichten. Haarlem: in de Knipscheer, 2009. Genaaid gebonden met stofomslag, met leeslint, 300 blz. ISBN 978-90-6265-646-2 € 34,50
Het boek is sinds afgelopen week ook verkrijgbaar in Curaçaose en Arubaanse boekhandels. Er wordt gedacht over een presentatie van het boek op Curaçao binnen afzienbare tijd.

woensdag 2 december 2009

Een levenslustige dichter met een ongerijmd verlangen



Dichter Aletta Beaujon was een vrolijk mens en kende geen grens tussen de eilanden. Ze werd geboren op Curacao, bracht haar vakanties door op Bonaire en was tot haar overlijden op Aruba als psychologe werkzaam. Beaujon is nooit aan een eigen publicatie gekomen, terwijl er voldoende materiaal aanwezig was. Ze conformeerde zich met datgene in tijdschriften verscheen. Uit haar tweetalige gedichten ademt een complexe geest vermengd met tropisch temperament. Samen met Aart Broek werd de inhoud van de agenda in de vorm van een manuscript gegoten en drukklaar overhandigd. Het is echt een juweeltje van een publicatie geworden. De Antilliaanse literatuur is met deze uitgave van In de Knipscheer plotseling met zo’n honderden pagina’s verrijkt.Vandaag deel twee van het interview met Klaas de Groot.

Meestal schrijft een dichter in een zekere gemoedstoestand. Opgewekt, depressief, vrolijk. Is er een tussen de data/dagen in de agenda en de boodschap van de gedichten? Kunt u een voorverband beeld geven?

Een verband tussen data en gedichten heb ik niet kunnen ontdekken; ik heb hieraan trouwens helemaal niet gedacht. Het boekje is m.i. gebruikt, omdat het de ruimte bood. Het meest bittere gedicht On hearing of an accident, bijvoorbeeld, is geschreven op de bladzijden van 20 t/m 22 maart 1957. Wat het verband is tussen deze dagen en het gedicht, dat zal wel altijd een raadsel blijven.

Gewoonlijk plaatst een auteur zijn naam of pseudoniem onder zijn geschriften of ze wel of niet gepubliceerd worden. Werden de gedichten van een datum of een handtekening dan van haar naam voorzien?

Nee, de gedichten hebben geen eigen datum. De aanwijzingen dat de gedichten van Aletta Beaujon zijn, is het visitekaartje en het feit dat de Poems while in Delos een onderdeel van de reeks vormen. Het handschrift is herkend door de zoons van Beaujon, die ik kopieën heb gegeven.

Dat zo’n agenda zolang onopgemerkt tussen andere boeken in de Collectie Antiliana zat en bij de overdracht van de Sticusa aan de Bibliotheek niet werd gemeld, moet een mysterie zijn. Hoe reageerden de bibliotheekmedewerkers op uw vondst?

Het hoofd van de Antilliaanse afdeling, Marije Stolp, was natuurlijk ook verrast. Ze werkte van harte mee. Ik mocht zelfs de agenda lenen om te laten zien aan mederedacteur Aart Broek en uitgever Franc Knipscheer. Die moesten natuurlijk eerst het boekje zien, want het nieuws over plotseling gevonden manuscripten wil nog wel eens sceptisch ontvangen worden. Om het voorzichtig te zeggen.

Waarschijnlijk vond u sommige gedichten zo mooi, dat u meteen aan een publicatie dacht. Wanneer besloot u dat de inhoud van de agenda wereldkundig moet worden gemaakt?

Allereerst begrijpt een mens niet dat zulke mooie gedichten zolang verborgen zijn gebleven. Meer mensen moeten de agenda in handen hebben gehad. Gelukkig dachten Franc Knipscheer en Aart Broek hezelfde als ik, en we doken in het diepe. Het is toch een waagstuk, zo’n uitgave, vooral voor de uitgever. Er gaat veel tijd en geld in zitten. Denk alleen maar aan het bibliotheekonderzoek op Curaçao. Daar heb ik kunnen werken in de Centrale Bibliotheek en de Mongui Maduro bibliotheek, met alle medewerking.Aan het prachtig vormgegeven boek dat nu in de winkel ligt, is te zien dat we heelhuids opgedoken zijn.

Er is zo weinig bekend van onze schrijvers van voor en na de ondertekening van het Statuut in 1954. Hoe kijkt u zelf terug naar deze hele affaire, waarmee u de Antilliaanse literatuur wist te verrijken met een juweeltje van een uitgave.

Laten we hopen dat de lezers en de kritiek dit werk als een verrijking zien, ik heb geen moeite met het woord. Vooral niet omdat het boek opgenomen is in het fonds van uitgeverij In de Knipscheer, waarin nog meer schatten uit de Antilliaanse schrijverij zijn opgenomen. Daar ligt heel wat verrijking.

dinsdag 1 december 2009

Aletta Beaujon: de schoonheid van het woord


Vorig jaar werd een opmerkelijke vondst gedaan in de Collectie Antilliana van de Centrale Bibliotheek Den Haag. Het betrof een uit de jaren vijftig van de vorige eeuw daterende agenda van dichter Aletta Beaujon.Een agenda vol met ongepubliceerde gedichten. Gedichten die het rijpingsproces hadden doorstaan en hun configuratie zag veranderen. Als dichter was tot nu toe heel weinig van haar bekend. Alleen de gedichten die in Antilliaanse Cahiers en in de Sticusa-uitgave Kennismaking met de Antilliaanse en de Surinaamse poëzie (1973) zijn verschenen, geven een beeld van de stijl en thematiek van de dichter. Echter vorig jaar kwam Klaas de Groot tot deze ontdekking, reden genoeg voor Caribe magazine om hem te interviewen. Vandaag het eerste deel van ons interview met hem.

U was bezig in de bibliotheek en liep langs de kasten vol met boeken op zoek naar bepaald materiaal voor uw werkzaamheden. Kunt u zich herinneren hoe u de agenda van Aletta Beaujon op het spoor kwam?

Ja, dat kan ik me goed herinneren. Op 2 april 2008 was ik in de Centrale Bibliotheek in Den Haag. Daar is een Antilliaanse afdeling. Ik werkte de rij gedichtenbundels in de Antilliaanse kasten alfabetisch af, op zoek naar gedichten over de Caribische eilanden van het koninkrijk. En als je iets alfabetisch onderzoekt, kom je vanzelf bij Beaujon.

Gedurende ettelijke minuten of zelfs uren had u de agenda in handen. U bladerde de agenda door en las misschien enkele gedichten hieruit. Wat was uw eerste reactie toen u tot deze ontdekking kwam?

Eerst grasduinde ik door de agenda en vergeleek wat gedichten met het materiaal dat in de Antilliaanse Cahiers is gepubliceerd. Die Cahiers staan keurig gebonden op dezelfde planken. Na wat telwerk werd duidelijk dat 64 van de 78 agendagedichten niet terug te vinden waren. Toen werd ik wakker en rende naar het kopieerapparaat. Verrassend mooi vond ik die “nieuwe” gedichten. En ik twijfelde geen moment aan de echtheid van de agenda, met allemaal Sticusa-stempels, hier en daar een potloodkruis en een keurig ingeplakt visitekaartje.


Meestal staat de eerste versie van een manuscript nog niet in de juiste chronologische volgorde en hangen er een paar gedichten los tussen elkaar.

Dit is duidelijk een manuscript in een late versie, misschien wel de laatste. De gedichten zijn heel leesbaar geschreven met zeer weinig doorhalingen. Uit de agenda zijn ooit veertien gedichten geselecteerd voor een uitgave in de Antilliaanse Cahiers. Dat zijn de Poems while in Delos, die in 1959 verschenen. Bij bepaalde gedichten staat een potloodkruis. Misschien zijn die kruisen wel van Cola Debrot. Hij was een oom van Beaujon en hielp zijn nicht bij haar dichtwerk. Ook was hij één van de redacteuren van de Antilliaanse Cahiers.


Welk gedicht staat als eerste genoteerd in die agenda? En welke emoties kwamen toen bij u op?

Het eerste gedicht heet Aigaion: Meeuwen en als je verder leest, zie je dat deze gedichten in een hecht verband zijn geplaatst. De hele reeks is eigenlijk ook een reisverslag met aankomst, verblijf en vertrek. As je dat ziet en je houdt van poëzie en verslagen van zeereizen, ja, dan ben je een gelukkig mens.

U bent een Antillenkenner met bijzondere belangstelling voor de Antilliaanse literatuur. Kende u de dichter van eerder werk?

Haar gedichten uit de Antilliaanse Cahiers kende ik. De bundel Gedichten aan de baai en elders en de reeks Poems while in Delos heb ik eerder gelezen, haar gedichten over Slagbaai heel vaak. Maar echt goed gelezen had ik het werk niet, merkte ik nu. Ik kende haar portret van Cola Debrot in de opstellenbundel De eenheid van het kristal , maar wist van Beaujon zelf verder weinig. Trouwens, het etiket Antillenkenner vind ik te veel eer. Ik houd van het werk van veel Antilliaanse auteurs en ken een beetje de weg op Curaçao en Aruba, omdat ik er gewoond heb. Dat is het wel.

Wellicht dacht u bij de vondst van de agenda: Hoe bestaat het dat zo’n agenda zomaar tussen andere boeken ligt. Toen het bij u doordrong dat het gedichten betrof die een halve eeuw eerder werden geschreven. Wat meende u toen?

Dat het manuscript zo goed bewaard is, hebben we te danken aan de Sticusa en de Haagse bibliotheek. Maar de agenda moet wel achter slot en grendel, het is tenslotte een unicum. De gedichten zijn dan wel een halve eeuw oud, maar dat zegt niets. Een goed gedicht van eeuwen geleden is nog steeds een goed gedicht.

Morgen verschijnt deel 2 van mijn interview met Klaas de Groot.