 |
| John Jansen van Galen |
door Walter Lotens
Op de cover van Afscheid
van de koloniën worden twee geografische kaarten bij elkaar gebracht. Het
zijn Indonesië en Suriname, twee voormalige Nederlandse koloniën. De eilanden die
vroeger de Nederlandse Antillen heetten, staan er niet op, want daarvan heeft Nederland
nog niet volledig afscheid genomen. In het Nederlandse koloniale rijk ging ooit
de zon nooit onder: als bij de vuurtoren op de westpunt van Aruba het donker
inviel, werd het op Nieuw-Guinea alweer licht en was ook in Nederlands-Indië al
een nieuwe dag aangebroken.
De Nederlandse dekolonisatie duurt al meer dan zestig jaar
en is nog altijd niet voltooid. Daarover heeft de Nederlandse journalist John
Jansen van Galen Afscheid aan de koloniën
geschreven dat eerst als academisch werkstuk bedoeld was, maar dat uiteindelijk
en gelukkig voor vele lezers een journalistieke publicatie is geworden. Het is
een monumentaal werk van meer dan 600 pagina’s over Nederlandse (de)kolonisatie
geworden.
John Jansen van Galen (o.a. de Haagse Post, Het Parool, De Tijd, VPRO-radio) is vooral bekend als
kroniekschrijver van meer dan veertig jaar Surinaamse geschiedenis. Kapotte plantage, een Hollander in Suriname
(een verzameling zeer persoonlijk getinte artikels over Suriname), Hetenachtsdroom (over het Surinaamse nationalisme),
Het Suriname-syndroom (over het
beleid van de Partij van de Arbeid) en Laatste
gouverneur en eerste president (over een biografie van Johan Ferrier, die
voor en na de onafhankelijkheid in Suriname het hoogste ambt bekleedde, wat een
unicum moet zijn in de wereldgeschiedenis) zijn de belangrijkste titels. Ook
andere delen van het Nederlandse koloniale rijk bezocht hij uitvoerig en
daaruit ontstond Ons laatste oorlogje.
Nieuw-Guinea: de pax Neerlandica (over de diplomatieke kruistocht en de
vervlogen droom van een Papoeanatie) en De
toekomst van het koninkrijk (over de dekolonisatie van de Nederlandse
Antillen).
“Een neger uit
Zuremane!”
Voor zijn generatie die kort na de Tweede Wereldoorlog
school liep - Jansen van Galen (°1940) groeit op in Velp, op de oostelijke
Veluwe -, bestond alleen Nederlands-Indië. “En van Soekarno en de Indonesiërs
wilden we kachelhoutjes maken,” riep hij samen met zijn schoolkameraadjes. In
zijn voorwoord beschrijft hij de tijd van toen: “In de klas hing een prent aan
de wand van een blanke militair, sabel opzij, die in de zonsopgang op zijn
paard zit aan de rand van een sawah. Een Javaanse boer plant, beschermd door
het koloniale leger, zijn rijst. We moesten de kaart van het tropische
eilandenrijk uit ons hoofd leren, compleet met de snoeren van eilanden: Bali,
Lombok, Soembawa, Soemba, Flores.” (p. 9) Ook ik, twee jaar jonger dan John
Jansen van Galen, werd in die periode doordrongen van het kolonialisme maar dan
in een Antwerps schooltje waar wij de kaart van Belgisch Congo moesten
bestuderen.
De jonge Jansen van Galen hoorde natuurlijk ook over
Suriname spreken. “Er komt een neger uit Zuremane!” jubelde een klasgenoot op
een dag bij het uitgaan van de school en de volgende middag paradeerde door het
handwerklokaal een zwarte man uit Suriname in een donker drieledig kostuum, die
zichzelf ‘bosneger’ noemde en voordeed hoe hij een emmer water op zijn kroeskop
kon dragen zonder een druppel te morsen.” (p. 11)
Journalistiek
onderzoek
Jansen van Galen studeerde in 1965 af in de politieke en
sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en ging al snel aan de
slag als journalist. Zo bezocht hij in 1970 voor het eerst het rustige
Suriname, vijf jaar voor de onafhankelijkheid. Hij zou er blijven komen en
erover schrijven. Meer dan veertig jaar lang. Hij kent “Zuremane” als zijn
broekzak en ook de Nederlandse Antillen waren hem niet vreemd. Hij keerde zijn blik ook vaak naar de oostelijke
rijksdelen van het Nederlandse koloniale rijk, met name Nederlands-Indië en
Papoea Nieuw-Guinea.
Op het einde van zijn journalistieke carrière gaat John
Jansen van Galen nogmaals de wetenschappelijke toer op en begint aan een dissertatie
over de dekolonisatieprocessen bij de verschillende Nederlandse koloniën als guest researcher bij het Instituut voor
Migratie- en Etnische Studies verbonden met de Universiteit van Amsterdam. In
2011 komt het manuscript klaar, wordt na herwerkingen door de promotiecommissie
goedgekeurd, maar ten slotte besluit de auteur er toch niet op te promoveren. Dat
vermeldt Jansen van Galen terloops in zijn verantwoording achteraan, maar hij
gaat niet dieper in op zijn beweegredenen. Dat is ook niet ter zake voor de
geïnteresseerde lezer die met deze journalistieke benadering een zeer leesbare
en unieke publicatie voorgeschoteld krijgt. Zijn uitgangsvragen voor het
schrijven van dit boek waren legio: “Waarom had Nederland in de Oost een
geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West (Suriname) een
kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het
Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de
federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe,
sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit land
aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de toekomst van
Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van
Suriname van de hand?” (p.18) Het boek
is een zoektocht om de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse
dekolonisatiebeleid te verklaren en vooral naar de hamvraag: deed Nederland het
zo slecht?

Drie lijvige delen
Afscheid van de
koloniën is een beschrijving van het Nederlandse kolonisatiebeleid tussen
1942 en 2012 en bestaat uit drie lijvige delen die chronologisch zijn
opgebouwd. Om te weten hoe Nederland zijn koloniën is kwijtgeraakt, moeten we
eerst weten hoe de Nederlanders er aan gekomen zijn. Dat doet Van Galen in deel
I ‘Het ontstaan van het Nederlands wereldrijk’. Zoals ook in de twee volgende delen
maakt de auteur een zeer brede schets van de ontwikkelingen zowel in de
oostelijke als westelijke Nederlandse rijksdelen, wat hem in staat stelt de
grote verschillen tussen die twee werelden te duiden. In de Oost hadden de
Nederlanders te maken met hoogontwikkelde culturen waar in de jaren dertig van
vorige eeuw al zestig miljoen mensen woonden. De Caraïbische eilanden en
Suriname aan ‘de wilde kust’ daarentegen waren zeer dun bevolkte gebieden -
minder dan een half miljoen inwoners - waar ook veel minder kolonialen woonden.
In de Oost volgde Nederland een beleid van associatie, terwijl in de
West-Indische kolonies assimilatie van de bevolking nagestreefd werd. “Het zou
te arbeidsintensief en kostbaar zijn om de bevolking van Nederlands-Indië –
bijna dertig miljoen zielen – in de westerse geest te scholen. De massa wordt
daarom in haar eigen, traditionele levenssfeer gelaten. Jansen van Galen: “Zo
wordt het idee van associatie geboren uit praktische overwegingen, maar ook
ligt er waardering, respect een soms ontzag voor inheemse cultuur en religie
aan ten grondslag.” (p. 142) Ook op het vlak van taalgebruik is de aanpak
anders. Terwijl in de Oost het Maleis, ontstaan als mengvorm van lokale talen,
de lingua franca wordt, is dat in Suriname het Nederlands. Nederlands-Indië was
‘de kurk waarop Nederland dreef’ terwijl de Nederlanders de kwijnende gebieden
in de West liever kwijt dan rijk waren. “Dat kan voor een deel verklaren waarom
Nederlanders zo moeilijk en met zoveel pijn afscheid namen van Indië en zo
gemakkelijk, zonder wroeging, van Suriname, en waarom zij ook vandaag nog maar
al te graag afscheid zouden nemen van de Antilliaanse eilanden,” besluit de
auteur.
 |
| Kruithuis Nieuw Amsterdam. Foto H. Sevenoaks |
In deel II beschrijft Jansen van Galen de ondergang van het
Nederlandse imperium. De Tweede Wereldoorlog heeft, zoals overal ter wereld,
ook het dekolonisatieproces van het Nederlandse imperium versneld. Daarvan was
zich ook koningin Wilhelmina bewust en daarvoor verwijst Jansen van Galen naar
haar historische radioredevoering vanuit Londen op 7 december 1942. De koningin verklaarde in haar toespraak dat
het in de bedoeling lag van de Nederlandse regering om na de bevrijding een
rondetafelconferentie bijeen te roepen voor ‘gezamenlijk overleg over een voor
de veranderende omstandigheden passende bouw van het koninkrijk’. Intentioneel
wilde Nederland een geleidelijk dekolonisatiebeleid doorvoeren voor de oost,
maar Soekarno stak daar een stokje voor door in 1945 eenzijdig de
onafhankelijkheid af te roepen. Van Galen gaat uitvoerig in op de twee ‘politionele
acties’ die in de jaren daarop volgden waarbij het Nederlandse leger geen
geweld schuwde tegen de Indonesiërs. In Suriname liep het heel anders. De
toenmalige regering-Den Uyl wilde na de afgang in Indonesië een voorbeeldige
dekolonisatie realiseren en op de manier waarop dat in 1975 is gebeurd, valt
volgens hem weinig af te dingen.
 |
| Sint Eustatius |
In het derde deel van dit boek onder de titel “De ongewilde
vestiging van een postkoloniaal koninkrijk” gaat Jansen van Galen uitvoerig in
op de zes koloniën in de West - in feite gaat het om kleine eilanden in de
Caraïben - die ofwel een status aparte hebben ofwel als een gewone Nederlandse
gemeente worden beschouwd. Hoe moet het verder daar? Hoe moet het verder met de
aanzienlijke groep postkoloniale immigranten die zich in Nederland hebben
gevestigd? Naar schatting wonen er ongeveer 450.000 Indische Nederlanders,
330.000 Surinamers, 130.000 Antillianen en ruim 40.000 Molukkers in Nederland.
Geen eenduidige
conclusie
Op het einde van zijn lange rit benadrukt Jansen van Galen
dat hij niets voelt voor een moralistische benadering van schuldbelijdenis en
zelfbeschuldiging. “Geschiedenis,” zo eindigt hij, “is nooit eenduidig.” En dat
gaat volgens hem ook op voor het Nederlandse dekolonisatiebeleid: “Het is in
Indonesië ontspoord in laakbare gewelddaden, heeft de Papoea’s achtergelaten
met teleurgestelde verwachtingen en in Suriname, ondanks de beste bedoelingen,
een begin van chaos geschapen. Maar ook heeft het geprobeerd in Indonesië een
toekomstbestendige vorm van federalisme ingang te doen vinden, met het Statuut
voor het Koninkrijk een postkoloniaal rijk op basis van gelijkwaardigheid
geschapen en het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s tegen de klippen op
verdedigd.” (p. 577)

Afscheid van de
koloniën is een rijk boek en dat maakt het een recensent niet
gemakkelijk. Meer dan veertig jaar
kennis én journalistieke ervaring op het terrein laten zich niet in enkele
regels samenvatten. Het dekolonisatieproces dat hij beschrijft is niet alleen
het resultaat van veel studie maar ook van veel persoonlijk beleven. Voor dat
laatste putte hij uitvoerig uit eerder werk, dat hij naadloos weet in te passen
in het groter historisch geheel. Afscheid
van de koloniën is een ambitieuze onderneming van een gedreven journalist
die naar mijn smaak cum laude in zijn opzet is geslaagd. Daarom is het jammer
dat er een schoonheidsfoutje is blijven staan: de Parijse Commune dateert
immers niet van 1891 (zie p. 98) maar van 1871, maar dat doet natuurlijk niets
af aan de waarde van dit werk dat misschien gelukkig niet in de academische
sfeer is blijven hangen, want door de zeer goede journalistieke pen van de
auteur zal dit werk veel meer lezers aantrekken. Dat hoop ik althans.
John Jansen van Galen, Afscheid
van de koloniën, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen,2013, 606 blz, ISBN
9789025435301, prijs: € 44,95.