Posts tonen met het label Sint Eustatius. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sint Eustatius. Alle posts tonen

zondag 16 februari 2014

BES

Bonaire slavenhuisjes

door Sheila Sitalsing

Je bent de minister die verantwoordelijk is voor de bijzondere gemeenten Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Je krijgt een onderzoeksverslag op je bureau. De beerputgeur walmt je tegemoet. Met dichtgeknepen neus ga je bladeren. Je leest wat je al wist: dat de man die jou daar representeert als rijksvertegenwoordiger er een puinzooi van maakt.

Hij heet Wilbert Stolte, CDA. Was ooit wethouder en heeft een politieke kruiwagen in de persoon van Hans Hillen. Voor een politieke benoeming aan de rafelranden van het Koninkrijk is dat een topzwaar cv. Op de eilanden wordt al tijden geklaagd over 's mans warme banden met de Union Patriótiko Boneriano (UPB), zusterpartij van het CDA en bevolkt door onfrisse lieden.

Wilbert Stolte, Ronald Plasterk, Lydia Emerencia. Foto © Belkis Osepa

Je leest dat de hoge Nederlandse ambtenaren met wie Stolte moet samenwerken hem diep wantrouwen. Dat ze elkaar grommend vanuit hun loopgraven beloeren. Dat de mensen op Bonaire zich afvragen wat Stolte in hemelsnaam eigenlijk doet. Dat ze hem op Saba en Sint Eustatius nooit zien omdat hij daar de stagiair heen stuurt op werkbezoek. Dat er geen communicatie is, geen samenwerking, niets. Haal die man daar weg, snel, zo besluit het advies.

Wat doe je dan? Je whatsappt het rapport onmiddellijk naar de Kamerleden die al tijden bezorgde vragen stellen over de wanprestaties van Stolte. Vervolgens neem je de KLM naar Kralendijk, alwaar je Stolte uit zijn strandstoel sleurt en terug naar Nederland schopt. Daarna ga je langdurig ‘sorry’ zeggen tegen de BES-eilanders.

Maar de minister die dit rapport op 18 november 2013 kreeg, stopte het in het mapje 'Kan blijven liggen'. Want er komt binnenkort nog een onderzoekje over de BES, dan kan de boel in een bundeltje naar de Kamer. In april of zo. En op 1 mei 2014 gaat Stolte conform eerdere afspraak toch al weg. Handig: dan is de angel bij voorbaat uit de discussie.

Een betrokkene die hier minder lichtvaardig over dacht, smokkelde het rapport naar het Antilliaans Dagblad, dat sinds 7 februari elke dag nieuwe heerlijke details uit het stuk opdist. En nu heeft Ronald Plasterk een probleem, want hij is de minister die het rapport - dat hij op 7 februari alsnog schielijk naar de Kamer stuurde - bijna drie maanden liet schimmelen in een mapje. D66 is boos en vroeg een Kamerdebat aan, de SGP steunde dat verzoek - van de constructieve oppositie hoeft Plasterk het niet te hebben.
Op het Binnenhof zal de affaire snel worden teruggebracht tot de overzichtelijke vraag: kan Plasterk zich een tweede 'sorry, ik had dit niet moeten doen' veroorloven?
...geen visie, geen sturing...
Foto © Michiel van Kempen

Voor de BES-eilanden houdt de tragiek daarmee niet op. Want het rapport gaat ook over onvermogen. Verbijsterend onvermogen van de Nederlandse politiek om een visie op de toekomst van de eilanden te formuleren, en van Plasterks ministerie om het BES-beleid vanuit talloos veel Nederlandse ministeries fatsoenlijk te coördineren. Er is geen visie, geen sturing, geen planning, geen inlevingsvermogen in elkaar.
Het Antilliaans Dagblad bedacht zelf vier basisvereisten voor verbetering van de relatie tussen hier en daar: 1. visie en toekomstperspectief; 2. één regisseur vanuit de Nederlandse overheid; 3. een permanente vertegenwoordiger van de BES-eilanden in Den Haag; 4. excuses aan de bevolking van Saba, Sint Eustatius en Bonaire. Nummer 1 is al te veel gevraagd.

[uit de Volkskrant, 14 februari 2014]

dinsdag 17 december 2013

Media laten een ingesleten beeld zien

Curaçao. Foto © Bea Moedt
door Freek van Beetz

Naar aanleiding van de recente aandacht rondom het Caribische deel van ons Koninkrijk hebben we auteur Freek van Beetz gevraagd een gastblog te schrijven.

“Voorlopig komt er geen recensie van uw boek”, kreeg ik dit voorjaar te horen van de NRC. Dat boek: Het einde van de Antillen, zou “alleen voor de echte liefhebbers van de politieke geschiedenis van de Antillen echt fascinerend zijn, maar de meeste lezers van NRC Handelsblad rekenen zich daar niet toe”. En zo serveerde de 'kwaliteitskrant' mijn met persoonlijke ervaringen doorweven kroniek van de recente politieke geschiedenis van het Koninkrijk af, een periode waar ook (Europees) Nederland politiek nauw bij betrokken was. Die staatsrechtelijk cruciale jaren culmineerden uiteindelijk op 10 oktober 2010 in de opheffing van het land de Nederlandse Antillen. Vanaf die datum zijn Sint Maarten en Curaçao ‘autonome landen’ binnen het Koninkrijk, dezelfde status die Aruba al vanaf 1986 geniet. De kleinere eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius gingen als ‘bijzondere gemeenten’ hechtere banden met Nederland aan.
Diezelfde NRC pakt deze weken groots uit met onthullende resultaten van onderzoeksjournalistiek: de betrokkenheid van Nederland en Nederlandse politici bij mogelijke corruptie op Bonaire. De eerste reportage “Illegale spionage op Bonaire” verscheen in de editie van 21 november. Dus nu niet alleen voor ‘echte liefhebbers’?
Cliché beelden worden bevestigd. Foto © EPA

Dergelijke reportages passen in een bestendige, bijna hardnekkige gedragslijn in de media: de eilanden in de voormalige Antillen zijn toch vooral publicitair interessant als er moord, doodslag en corruptie te melden valt. Overigens moet gezegd worden dat aan deze NRC-reportage uitvoerig en gedegen bronnenonderzoek ten grondslag ligt.

De aandacht in de Nederlandse media voor de politieke actualiteit in het Caribische deel van het Koninkrijk, kenmerkt zich in het algemeen niet door een grote mate van diepgang, belangstelling en betrokkenheid. Journalistieke nieuwsgierigheid moet het nogal eens afleggen tegen de aandrang binnen de gebaande paden te blijven: afstand nemen van ingesleten beeldvorming vraagt kennelijk teveel. Teveel tijd, teveel energie, teveel inlevingsvermogen. Een enkele uitzondering (zoals Dick Drayer, correspondent ter plekke) daar gelaten. Het steekt de eilandbewoners in de Cariben terecht dat de van de eilanden afkomstige succesvolle sportlieden steevast als ‘Nederlanders’ worden geprezen en criminelen het etiket ‘Antilliaan’ krijgen opgespeld. Fraude, criminaliteit en integriteitsvraagstukken bepalen het negatieve beeld.
Curaçaose dansgroep

Gemiste kansen
Van 12 tot 21 oktober bezochten koning Willem Alexander en koningin Maxima het Caribisch deel van het Koninkrijk. De lijst met ‘geaccrediteerde pers’ in het officiële programma vermeldt 7 fotografen, 5 journalisten van de schrijvende pers en 25 medewerkers van radio, tv en video, waarvan 8 verslaggevers. Maar liefst 37 personen zouden het bezoek verslaan.

En wat hebben die ons allemaal laten zien? Vanzelfsprekend veel geijkte beelden: zon, zee, volksdans en vrolijke mensenmenigten. En een koningspaar dat duidelijk zichtbaar genoot van de inzet, het enthousiasme en de spontaniteit van hun onderdanen aan de andere kant van de oceaan.

Voor zover de meegereisde journalisten daarvoor al de ruimte kregen van hun redactiechefs en netmanagers, kregen we in het journaal en in de nieuwsrubrieken maar bar weinig te horen en te zien over de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen sinds de wijzigingen in de staatkundige verhoudingen op 10 oktober 2010.
Voor nieuwsgierige nieuwsgaarders zou de recente geschiedenis voldoende aanleiding moeten zijn om te onderzoeken hoe het de eilanden en eilandbewoners sedertdien is vergaan. Het koninklijk bezoek bood een mooie en gepaste gelegenheid om de bestaande stereotype beelden te nuanceren en de kennis over dit deel van het koninkrijk te verdiepen. Die kans hebben de nieuwsmedia voorbij laten gaan.
...overbodig vakantiereisje...

In het veelbekeken acht uur journaal kwamen slechts sporadisch beelden van het bezoek – en dan nog in een flits - voorbij. Correspondenten in ‘Verweggistan’ krijgen daar doorgaans meer zendtijd toebedeeld voor lang niet altijd even diepgravende reportages (dansende aapjes op straat in Djakarta!). In sommige programma’s, bijvoorbeeld in RTL Late Night (met Umberto Tan), maakte de redactie het zich wel erg gemakkelijk: de reis van het Koningspaar werd, met het tonen van enkele plaatjes, lacherig afgedaan als een overbodig vakantiereisje. De NTR beperkte zich tot overigens goed gemaakte reportages: ‘Koningspaar in de Nederlandse Cariben’, die op drie achtereenvolgende vrijdagavonden tussen zeven uur en half acht werden uitgezonden, jammer genoeg niet echt ‘prime-time’.

Tegen die achtergrond valt de kritiek op de eilanden op de wijze waarop zij door de Nederlandse media en de Nederlandse politiek worden bejegend goed te begrijpen: ze worden maar al te vaak met meewarige blik en houding weggezet als ontwikkelingslanden, waar financiële steun in zakken van corrupte politici verdwijnt; eilanden die in de greep van de maffia lijken te worden weggezogen en waarvan we beter vandaag dan morgen afscheid van moeten nemen.

De media hebben de kans om een genuanceerder beeld te geven van de eilanden en hun bewoners voorbij laten gaan. Dat doet geen recht aan de positieve sfeer waarmee het koninklijk bezoek was omgeven en evenmin aan de inzet van velen op die kleine eilanden die met energie, maar met vaak beperkte mogelijkheden en middelen werken aan hun toekomst.

Wél geïnteresseerd in de achtergrond van de voormalige Nederlandse Antillen? Lees het boek van Freek van Beetz: Het einde van de Nederlandse Antillen.


[van Eburon, 28-11-2013]

zaterdag 23 november 2013

‘Koning mocht expositie niet openen’

Volgens de Sint Eustatius Historical Foundation is er op het laatste moment ingegrepen tijdens het bezoek van koning Willem-Alexander en koningin Máxima. Een geplande opening van de expositie Days of Slavery on St. Eustatius viel daardoor in het water. Dat stelt secretaris Walter Hellebrand van de stichting. De opening zou plaatsvinden bij het museum van de stichting door middel van het ophangen van een tak van de flamboyantboom boven de ingang van het museum.

[lees hier verder in het Antilliaans Dagblad, vrijdag 22 november 2013]

zaterdag 16 november 2013

Sint-Eustatius onderzoekt haalbaarheid Engels als schooltaal

Sint Eustatius. Foto © Lau_Rie
Het Nederlands speelt maar een kleine rol in het openbare leven op Sint-Eustatius, maar desondanks is het de belangrijkste instructietaal in het onderwijs. Een haalbaarheidsstudie presenteert nu twee varianten die beter aansluiten bij de taalsituatie op het eiland. In de eerste variant wordt het Engels in het primair en voortgezet onderwijs de instructietaal en het Nederlands een vreemde taal; in de tweede variant wordt het Engels enkel de instructietaal in het primair en beroepsonderwijs, en blijft het Nederlands de instructietaal op de havo en in het vmbo.

[Rijksdienst Caribisch Nederland/Onze Taal, 15 november 2013]

Tropisch Koninkrijk


Felix de Rooy en Kirk Claes - Las tres potencias: Negro Felipe, Maria Lionza, Indio Guacaipuro, triptiek (2013).
Foto Ruben de Heer


De tentoonstelling Tropisch Koninkrijk in Museum de Fundatie in Zwolle vindt plaats in het kader van de viering ‘200 Jaar Koninkrijk’ en geeft een uitgebreid overzicht van de hedendaagse beeldende kunst van Aruba, Curaçao, St. Maarten, Bonaire, Saba en St. Eustatius. Met werk van twintig kunstenaars presenteert het museum een grote variëteit aan kunstvormen: van klassieke schilderijen tot moderne installaties. Een aantal kunstwerken wordt speciaal voor de tentoonstelling op locatie gemaakt. De Nederlands-Caribische kunst onderscheidt zich door haar sterke internationale oriëntatie en multiculturele gelaagdheid.

Heleen Cornet, Mount scenery (2012)


‘Cross culture and cross time’
Tropisch Koninkrijk brengt de laatste artistieke ontwikkelingen op de voormalige Nederlandse Antillen onder de aandacht. Het gaat om internationaal georiënteerde schilder- en beeldhouwkunst, video, film, fotografie, keramiek en installaties. De kunst van de Caraïben wordt vooral in Midden-Amerika getoond, onder andere op de biënnales van Santo Domingo en Havanna. Kenmerkend is de zoektocht van de bewoners van de verschillende eilanden naar een eigen identiteit. Curaçaoënaar Felix de Rooy vatte de kern van deze zoektocht samen met de slogan: ‘Cross culture and cross time’.
Elvis Lopez - She devil (2005)

Een bepalende factor in de kunst van de Nederlandse Caraïben is de Afrikaanse- en Indiaanse erfenis. Daarnaast manifesteert zich binnen de mix van culturen de invloed van Nederland en Europa en ook die van het Midden-Oosten, want sommige kunstenaars op Curaçao en Aruba hebben Joodse en Libanese voorouders. Belangrijke thema’s, behalve de diaspora, zijn geschiedenis, religie, mythen en gebruiken, alsook de huidige sociaal-politieke situatie en niet te vergeten de overweldigende natuur. In veel gevallen ontstaat een boeiend spel van ‘fusions’ en een multiculturele gelaagdheid die de unieke positie van de zes Caribische eilanden in het Koninkrijk der Nederlanden onderstrepen.

Yubi Kirindongo - Comader Rais (2011)


Verf, brons en sumpiñas
De twintig kunstenaars op de tentoonstelling gebruiken de meest uiteenlopende materialen, van traditionele media als verf en brons tot afvalproducten en organisch materiaal. Zo maakt Herman van Bergen speciaal voor Tropisch Koninkrijk een reusachtige muur van sumpiñas, de typische doornstruiken van Curaçao. Hij geeft daarmee een stekelig commentaar – ook letterlijk – op de in meerdere opzichten gespleten gemeenschap op zijn eiland. Heleen Cornet toont een reeks poëtische aquarellen op doek, gemaakt in het tropisch regenwoud van Saba. Zij laat daarbij geluiden van de eilandbewoners overgaan in klassieke muziek van Benjamin Britten. Yubi Kirindongo is in Nederland onder meer bekend van zijn deelname aan ‘ArtZuid 2011’ in Amsterdam. Werk van zijn hand bevindt zich in de collectie van museum Beelden aan Zee en is als langdurig bruikleen te zien in de beeldentuin van Museum de Fundatie bij Kasteel het Nijenhuis in Heino/Wijhe. David Bade werd uitgenodigd voor ArtZuid 2013. In 2010 was een overzicht van zijn werk te zien in het GEM in Den Haag. Voor de beeldentuin van Museum de Fundatie maakte hij in 2012 de sculptuur Ins Blaue, de kolossale oranje ridderfiguur, die jaarlijks afreist naar het Lowlands-festival in Biddinghuizen. Beide kunstenaars tonen op de expositie in Zwolle hun meest recente werk.
René Emil Bergsma - Mysticism (1991)

Eerste museale overzicht
Tropisch Koninkrijk is het eerste grootschalige museale overzicht in Nederland van de hedendaagse beeldende kunst van alle zes eilanden in het Nederlands-Caribische gebied. In totaal zullen zo’n 130 objecten geëxposeerd worden. Bijzondere aandacht gaat uit naar de specifieke ontwikkelingen en achtergronden van deze kunst, waaronder de relatie met Nederland. De van oudsher sterke culturele band tussen Nederland en de overzeese gebieden blijkt onder meer uit de nauwe samenwerking van het Instituto Buena Bista op Curaçao en Ateliers 89 op Aruba met verschillende kunstacademies en andere Nederlandse kunstinstellingen. Instituto Buena Bista is officiëel partner van KABK, Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.
Halssieraad van Evelien Sipkes

Tropisch Koninkrijk werd samengesteld door kunsthistoricus en publicist Maarten Jager. Hij selecteerde de volgende kunstenaars: David Bade, Herman van Bergen, René Emil Bergsma, Ruben La Cruz, Yubi Kirindongo, Tirzo Martha, Felix de Rooy & Kirk Claes, Evelien Sipkes, Ellen Spijkstra (Curaçao); Ciro Abath, Stan Kuiperi, Elvis Lopez, Osaira Muyale en Ryan Oduber (Aruba); Nochi Coffie en Winfred Dania (Bonaire); Ras Mosera (St. Maarten); Heleen Cornet en Glenda Heyliger (Saba); Magumbo Muntu (St. Eustatius).

Bij de tentoonstelling verschijnt een drietalige catalogus (Nederlands / Papiaments / Engels), met bijdragen van Maarten Jager, Adi Martis, Felix de Rooy en Maaike Staffhorst, die wordt uitgegeven door Uitgeverij de Kunst. Tropisch Koninkrijk is mede mogelijk gemaakt met steun van de Provincie Overijssel en het Prins Bernhard Cultuurfonds. Hoofdsponsor is Koninklijke De Gruijter & Co., overige sponsors zijn Maduro & Curiel’s Bank N.V. en BCD Holdings.

Museum De Fundatie, Zwolle, van 29 november 2013 t/m/ 16 maart 2014

donderdag 24 oktober 2013

Memoires van tropenarts Sjouke Bakker

door Jeroen Heuvel

‘Het gaat uiteindelijk om je medemens, voor wie je op deze wereld bent, en ik ben blij dat ik in mijn vak iets kon betekenen voor de onfortuinlijke Afrikaan en voor de patiënt in het algemeen. Ik heb met plezier gewerkt en genoten van mijn leven.’ Zo eindigt Sjouke Bakker, in 1964 vier maanden huisarts op Statia, `(op p 253) zijn memoires. Zeer interessant om er hier aandacht aan te besteden, want deze arts is sinds 1983 weer op Statia woonachtig.

De auteur komt uit een gereformeerd gezin. Maar hij heeft al lang een punt gezet achter dit strikte geloof. Zijn vader was streng: geen kerstboom in huis, geen kaartspel omdat dat duivelse prenten zijn. Het was verboden op zondag iets leuks te doen. ‘Ik herinner me dat een zoon van een gereformeerde broeder op een zondag met zijn niet-gereformeerde vrienden in de rivier ging baden en hij verdronk. Dat was volgens de leden der kerk de straf van God. Als kind had ik daar veel moeite mee.’ (p 22)

De auteur is in 1932 in Kollum geboren, hij is de jongste zoon van het gezin. Als de scholen vanwege de oorlog in 1945 nog gesloten zijn, heeft hij een pedofiele onderwijzer voor privélessen. Deze anekdote wordt in de eerste memoire verteld. ‘Zo ziet u maar weer: het waren niet alleen de rooms-katholieke priesters die jonge knapen in het donker knepen. Ook de protestanten hebben hun seksuele aberraties!’ (p 13)
Het boek heeft als titel Ibia van Eket, een honorary chieftain titel die hem werd verleend in 1982 bij zijn afscheid van de Eket gemeenschap en van zijn hospitaal en van Afrika. ‘Dit was een grote eer voor een expatriate.’ Bakker, die in verreweg de meeste verhalen zelf een rol speelt, heeft geprobeerd waarheidsgetrouw zijn ervaringen weer te geven. ‘Ik heb me af en toe wel dichterlijke vrijheden veroorloofd.’ (p 11)

Het boek was oorspronkelijk bedoeld voor vrienden, kennissen en andere belangstellenden. De respons was zo positief dat het Bakker verwonderde, omdat zijn ervaring hem had geleerd ‘dat belangstelling voor andermans verhalen meestal slechts van korte duur is. Men is vaak meer geïnteresseerd in zijn eigen doen en laten. (…) Toch ging mijn belangstelling oorspronkelijk uit naar degenen, die duidelijk hebben laten blijken dat ze met je meeleven en meer diepgang vertonen dan alleen het oppervlakkig geleuter, het uitwisselen van beleefdheden en dan overgaan tot de orde van de dag. Gelukkig zijn er op deze aardbodem nog mensen waarbij je van een werkelijke belangstelling kunt spreken’ schrijft hij in de introductie.

Sjouke Bakker krijgt de titel Ibia van Eket
Eenendertig herinneringen staan er in het boek beschreven, gelardeerd met foto’s en illustraties, afgerond met een epiloog. Het is bijzonder goed leesbaar. De dokter is een echte causeur. Voor ons in de Cariben is het extra leuk dat het derde en vierde verhaal over Statia gaan, waar Bakker in 1964 gedurende bijna vier maanden waarnemend huisarts is geweest. Zijn eerste keer in de tropen en weg van het koude Nederland. ‘Als jonge arts besefte ik niet helemaal wat het betekende huisarts te zijn voor de ongeveer elfhonderd bewoners van het rustige Statia. Ik had weinig ervaring als huisarts, kwam vers uit militaire dienst en werd verondersteld de verantwoordelijkheid te dragen voor de geneeskundige diensten op het eiland. Ik was de enige arts en kon niet even een collega laten komen om een second opinion te geven.’ In de eerste nacht op het eiland was er prematuur een kindje geboren. Om vijf uur in de ochtend werd hij om advies gewekt door de vroedvrouw. ‘Het zag er niet goed uit, het kind was zijn laatste adem aan het uitblazen, gasping zoals de Engelsen dat noemen. Ik zag het kindje sterven. Ik kon niets zinnigs meer doen, alleen de moeder troostend toespreken. Geen couveuse, geen zuurstof, geen mogelijkheid om het kind alsnog snel naar St. Maarten te sturen. Al met al een zeer droevige situatie. Dat was mijn eerste patiënt op St. Eustatius. Een niet erg bemoedigend begin. Ik ben het nooit vergeten en wanneer ik de moeder op straat tegenkom, denk ik nog steeds aan die vroege ochtend in 1964 in het Prinses Beatrix Hospitaal.’(p 31-32)
De nieuwe Chief Ibia van Eket wordt uit-
geleide gedaan door twee Chiefs van de
'Council of Traditional Rulers'.
Hij waagde zich op Statia ook aan de tandheelkunde. ‘Er was geen tandarts en die kwam ook nooit. Dat was duidelijk te zien aan de gebitten van jong en oud. Kerkhoven!’ Hij heeft kiezen en tanden die door cariës reddeloos waren aangetast getrokken ‘voor een bescheiden bedrag van vijf gulden. Een welkome aanvulling op het toch al niet zo riante salaris.’ (p 37) De mensen die hij in 1964 op Statia aantrof waren uiterst vriendelijk en begrijpend. ‘Als je goede intenties toonde maar het probleem niet direct kon oplossen, werd dat niet gezien als een schande.’
Bakker kan ook meedogenloos eerlijk zijn in zijn observeringen. Dat maakt het zo’n heerlijk boek, je hebt te maken met een mens die zich inzet voor anderen, het hart op de juiste plaats, met gevoel voor humor, schijnheiligheid ontmaskerend en, ook niet onbelangrijk, eindelijk eens een Nederlands boek waarin voor de seks geen prominente rol is toebedacht.
In het tweede verhaal in Statia, gaat het over een Hollandse huisarts van adel, die zich arrogant gedroeg. Het verhaal eindigt met de conclusie ‘Het komt nogal eens voor dat ‘deskundigen’ uit Nederland naar dit eiland komen met een vooropgestelde mening het wel even te zullen klaren, niet beseffend dat de mensen op St. Eustatius ook een mening hebben en de omstandigheden ter plaatse beter kunnen inschatten dan de arrogante en kritische ambtenaar van het moederland, de goede adviseurs niet te na gesproken.’ (p 45) Het is tegenwoordig – helaas – niet meer het alleenrecht van buitenlanders om zich arrogant te gedragen.

Droevige gebeurtenissen, spannende avonturen, grappige herinneringen, Bakker beschrijft veel emoties en doet dat zeer geloofwaardig. Ook als het smeuïg wordt blijft het, naast het vaak verrassende aspect, zeer herkenbaar. Als hij als dokter net zo vaardig zijn instrumenten heeft gehanteerd als als auteur zijn pen of toetsenbord, dan zou ik me als me wat lichamelijks mankeerde zeker aan zijn kundigheid hebben toevertrouwd.
Het verblijf in 1964 op Statia heeft zo’n goede indruk op hem gemaakt dat hij zich heeft voorgenomen om zich op latere leeftijd op dit eiland te vestigen en er zijn carrière af te bouwen. In 1983 vestigt deze vrijgezel zich voorgoed op het dan nog op een na kleinste eiland van de Nederlandse Antillen waar hij als arts en hoofd van de GGD en directeur van het Queen Beatrix Medical Center tot zijn pensioen in 2000 heeft gewerkt. De laatste drie memoires gaan dan ook weer over Statia.

Op een receptie in de residentie van de gezaghebber
van St Eustatius in 1992 vraagt Koningin Beatrix naar
de trainingsmogelijkheden voor de verpleegsters van
het naar haar vernoemde Medisch Centrum
Het grootste deel van het boek gaat over zijn belevenissen in Afrika. In 1965 vertrekt Bakker naar Nigeria, verblijft daar zeventien jaar en maakt daar onder andere de Biafra-oorlog (1967-1970) mee. In 1970 deed hij mee aan twee missies voor het Internationale Rode Kruis in de Amazonen, Brazilië en Libanon. Van 1971 tot 1982 had hij de leiding van een missiehospitaal in Eket, Nigeria.
‘In het begin van mijn verblijf in Afrika was ik erg sceptisch over native medicine, maar ik besefte later dat deze goede native doctors een fundamentele rol speelden in het leven van de Afrikaan. Ze vervulden zo ongeveer de rol van een psycholoog. Ik sluit de kwakzalvers uit, die de patiënt uitbuitten en vaak een schuldige aanwezen die de ziekte van de patiënt op zijn geweten zou hebben. (…) Ik heb wel patiënten naar de ‘goede’ native doctor verwezen, want ik had geen antwoord op de vraag van de patiënt: waarom gebeurt mij dit? Ik had later op Statia een schilderijtje uit Haïti op mijn spreekkamer dat een voodoo happening voorstelde en wees heel af en toe een patiënt, bij wie ik de wanhoop nabij was, op het ju-ju gebeuren op het schilderijtje, om daar zijn geluk te beproeven.’ (p 214-215)
‘Een Afrikaan zal je, in de rural areas althans, zelden vragen: “Welke ziekte heb ik?” De enige ziekte die populair is onder de mensen is malaria, of zoals sommigen zeggen: yellow fever. Een diagnose is niet zo belangrijk voor een Afrikaan. Hij zal je eerder vragen: “Waarom is de harmonie in mijn leven verstoord? Er moet een diepere oorzaak voor zijn dat ik ziek ben.” Daar heeft de witte, westerse dokter vaak geen antwoord op (…).’ (p 213)
Waarom moest Sjouke Bakker uit een Fries dorp, waar bijvoorbeeld ook de bekende kinderboekenschrijver Anton Hildebrand was geboren, zo nodig naar Afrika? De huisartsenpraktijk in Nederland sprak hem niet erg aan. ‘In de jaren van mijn jeugd had ik belangstelling ontwikkeld voor Afrika (…) Ik las vrij veel over deze landen en de behoefte aan medische hulp in de binnenlanden. Ik las alles over Albert Schweitzer en zijn ziekenhuis in Lambarene, Gabon. Het onbekende lonkte mij, maar ik had geen notie van wat mij werkelijk te wachten stond.’ (p 28)

Veel verhalen die zich in Afrika afspelen hebben te maken met de dood. ‘Het verschijnsel dood is in Afrika nauw verweven met het dagelijks leven. (…) De dood wordt niet weggemoffeld, het is een oog in oog confrontatie met de werkelijkheid en wordt geaccepteerd als een noodzakelijke vanzelfsprekendheid. In Afrika hoort de dood bij het leven. Ik was hier erg van onder de indruk.’ (p 11)

In 1993 heeft Bakker een Koninklijke onderscheiding ontvangen voor zijn veelzijdig werk in Afrika en op Statia. Hij is tot op heden nog actief als voorzitter van het bestuur van het Auxiliary Home, een verpleeghuis en bejaardentehuis op Statia, waar hij samen met zijn twee Dobermanns geniet van het leven.

Bakker, Sjouke: Ibia van Eket, Memoires van een tropenarts. 2012. Leeuwarden, Uitgeverij Elikser. ISBN 978 90 8954 442 1

maandag 7 oktober 2013

Nederlands dekolonisatieproces ambitieus beschreven

John Jansen van Galen
door Walter Lotens

Op de cover van Afscheid van de koloniën worden twee geografische kaarten bij elkaar gebracht. Het zijn Indonesië en Suriname, twee voormalige Nederlandse koloniën. De eilanden die vroeger de Nederlandse Antillen heetten, staan er niet op, want daarvan heeft Nederland nog niet volledig afscheid genomen. In het Nederlandse koloniale rijk ging ooit de zon nooit onder: als bij de vuurtoren op de westpunt van Aruba het donker inviel, werd het op Nieuw-Guinea alweer licht en was ook in Nederlands-Indië al een nieuwe dag aangebroken.
De Nederlandse dekolonisatie duurt al meer dan zestig jaar en is nog altijd niet voltooid. Daarover heeft de Nederlandse journalist John Jansen van Galen Afscheid aan de koloniën geschreven dat eerst als academisch werkstuk bedoeld was, maar dat uiteindelijk en gelukkig voor vele lezers een journalistieke publicatie is geworden. Het is een monumentaal werk van meer dan 600 pagina’s over Nederlandse (de)kolonisatie geworden.

John Jansen van Galen (o.a. de Haagse Post, Het Parool, De Tijd, VPRO-radio) is vooral bekend als kroniekschrijver van meer dan veertig jaar Surinaamse geschiedenis. Kapotte plantage, een Hollander in Suriname (een verzameling zeer persoonlijk getinte artikels over Suriname), Hetenachtsdroom (over het Surinaamse nationalisme), Het Suriname-syndroom (over het beleid van de Partij van de Arbeid) en Laatste gouverneur en eerste president (over een biografie van Johan Ferrier, die voor en na de onafhankelijkheid in Suriname het hoogste ambt bekleedde, wat een unicum moet zijn in de wereldgeschiedenis) zijn de belangrijkste titels. Ook andere delen van het Nederlandse koloniale rijk bezocht hij uitvoerig en daaruit ontstond Ons laatste oorlogje. Nieuw-Guinea: de pax Neerlandica (over de diplomatieke kruistocht en de vervlogen droom van een Papoeanatie) en De toekomst van het koninkrijk (over de dekolonisatie van de Nederlandse Antillen).



“Een neger uit Zuremane!”

Voor zijn generatie die kort na de Tweede Wereldoorlog school liep - Jansen van Galen (°1940) groeit op in Velp, op de oostelijke Veluwe -, bestond alleen Nederlands-Indië. “En van Soekarno en de Indonesiërs wilden we kachelhoutjes maken,” riep hij samen met zijn schoolkameraadjes. In zijn voorwoord beschrijft hij de tijd van toen: “In de klas hing een prent aan de wand van een blanke militair, sabel opzij, die in de zonsopgang op zijn paard zit aan de rand van een sawah. Een Javaanse boer plant, beschermd door het koloniale leger, zijn rijst. We moesten de kaart van het tropische eilandenrijk uit ons hoofd leren, compleet met de snoeren van eilanden: Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores.” (p. 9) Ook ik, twee jaar jonger dan John Jansen van Galen, werd in die periode doordrongen van het kolonialisme maar dan in een Antwerps schooltje waar wij de kaart van Belgisch Congo moesten bestuderen.
De jonge Jansen van Galen hoorde natuurlijk ook over Suriname spreken. “Er komt een neger uit Zuremane!” jubelde een klasgenoot op een dag bij het uitgaan van de school en de volgende middag paradeerde door het handwerklokaal een zwarte man uit Suriname in een donker drieledig kostuum, die zichzelf ‘bosneger’ noemde en voordeed hoe hij een emmer water op zijn kroeskop kon dragen zonder een druppel te morsen.” (p. 11)



Journalistiek onderzoek

Jansen van Galen studeerde in 1965 af in de politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en ging al snel aan de slag als journalist. Zo bezocht hij in 1970 voor het eerst het rustige Suriname, vijf jaar voor de onafhankelijkheid. Hij zou er blijven komen en erover schrijven. Meer dan veertig jaar lang. Hij kent “Zuremane” als zijn broekzak en ook de Nederlandse Antillen waren hem niet vreemd. Hij keerde  zijn blik ook vaak naar de oostelijke rijksdelen van het Nederlandse koloniale rijk, met name Nederlands-Indië en Papoea Nieuw-Guinea.
Op het einde van zijn journalistieke carrière gaat John Jansen van Galen nogmaals de wetenschappelijke toer op en begint aan een dissertatie over de dekolonisatieprocessen bij de verschillende Nederlandse koloniën als guest researcher bij het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies verbonden met de Universiteit van Amsterdam. In 2011 komt het manuscript klaar, wordt na herwerkingen door de promotiecommissie goedgekeurd, maar ten slotte besluit de auteur er toch niet op te promoveren. Dat vermeldt Jansen van Galen terloops in zijn verantwoording achteraan, maar hij gaat niet dieper in op zijn beweegredenen. Dat is ook niet ter zake voor de geïnteresseerde lezer die met deze journalistieke benadering een zeer leesbare en unieke publicatie voorgeschoteld krijgt. Zijn uitgangsvragen voor het schrijven van dit boek waren legio: “Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West (Suriname) een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit land aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de toekomst van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?” (p.18)  Het boek is een zoektocht om de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid te verklaren en vooral naar de hamvraag: deed Nederland het zo slecht? 


Drie lijvige delen

Afscheid van de koloniën is een beschrijving van het Nederlandse kolonisatiebeleid tussen 1942 en 2012 en bestaat uit drie lijvige delen die chronologisch zijn opgebouwd. Om te weten hoe Nederland zijn koloniën is kwijtgeraakt, moeten we eerst weten hoe de Nederlanders er aan gekomen zijn. Dat doet Van Galen in deel I ‘Het ontstaan van het Nederlands wereldrijk’. Zoals ook in de twee volgende delen maakt de auteur een zeer brede schets van de ontwikkelingen zowel in de oostelijke als westelijke Nederlandse rijksdelen, wat hem in staat stelt de grote verschillen tussen die twee werelden te duiden. In de Oost hadden de Nederlanders te maken met hoogontwikkelde culturen waar in de jaren dertig van vorige eeuw al zestig miljoen mensen woonden. De Caraïbische eilanden en Suriname aan ‘de wilde kust’ daarentegen waren zeer dun bevolkte gebieden - minder dan een half miljoen inwoners - waar ook veel minder kolonialen woonden. In de Oost volgde Nederland een beleid van associatie, terwijl in de West-Indische kolonies assimilatie van de bevolking nagestreefd werd. “Het zou te arbeidsintensief en kostbaar zijn om de bevolking van Nederlands-Indië – bijna dertig miljoen zielen – in de westerse geest te scholen. De massa wordt daarom in haar eigen, traditionele levenssfeer gelaten. Jansen van Galen: “Zo wordt het idee van associatie geboren uit praktische overwegingen, maar ook ligt er waardering, respect een soms ontzag voor inheemse cultuur en religie aan ten grondslag.” (p. 142) Ook op het vlak van taalgebruik is de aanpak anders. Terwijl in de Oost het Maleis, ontstaan als mengvorm van lokale talen, de lingua franca wordt, is dat in Suriname het Nederlands. Nederlands-Indië was ‘de kurk waarop Nederland dreef’ terwijl de Nederlanders de kwijnende gebieden in de West liever kwijt dan rijk waren. “Dat kan voor een deel verklaren waarom Nederlanders zo moeilijk en met zoveel pijn afscheid namen van Indië en zo gemakkelijk, zonder wroeging, van Suriname, en waarom zij ook vandaag nog maar al te graag afscheid zouden nemen van de Antilliaanse eilanden,” besluit de auteur.

Kruithuis Nieuw Amsterdam. Foto H. Sevenoaks

In deel II beschrijft Jansen van Galen de ondergang van het Nederlandse imperium. De Tweede Wereldoorlog heeft, zoals overal ter wereld, ook het dekolonisatieproces van het Nederlandse imperium versneld. Daarvan was zich ook koningin Wilhelmina bewust en daarvoor verwijst Jansen van Galen naar haar historische radioredevoering vanuit Londen op 7 december 1942.  De koningin verklaarde in haar toespraak dat het in de bedoeling lag van de Nederlandse regering om na de bevrijding een rondetafelconferentie bijeen te roepen voor ‘gezamenlijk overleg over een voor de veranderende omstandigheden passende bouw van het koninkrijk’. Intentioneel wilde Nederland een geleidelijk dekolonisatiebeleid doorvoeren voor de oost, maar Soekarno stak daar een stokje voor door in 1945 eenzijdig de onafhankelijkheid af te roepen. Van Galen gaat uitvoerig in op de twee ‘politionele acties’ die in de jaren daarop volgden waarbij het Nederlandse leger geen geweld schuwde tegen de Indonesiërs. In Suriname liep het heel anders. De toenmalige regering-Den Uyl wilde na de afgang in Indonesië een voorbeeldige dekolonisatie realiseren en op de manier waarop dat in 1975 is gebeurd, valt volgens hem weinig af te dingen.

Sint Eustatius

In het derde deel van dit boek onder de titel “De ongewilde vestiging van een postkoloniaal koninkrijk” gaat Jansen van Galen uitvoerig in op de zes koloniën in de West - in feite gaat het om kleine eilanden in de Caraïben - die ofwel een status aparte hebben ofwel als een gewone Nederlandse gemeente worden beschouwd. Hoe moet het verder daar? Hoe moet het verder met de aanzienlijke groep postkoloniale immigranten die zich in Nederland hebben gevestigd? Naar schatting wonen er ongeveer 450.000 Indische Nederlanders, 330.000 Surinamers, 130.000 Antillianen en ruim 40.000 Molukkers in Nederland.

Geen eenduidige conclusie

Op het einde van zijn lange rit benadrukt Jansen van Galen dat hij niets voelt voor een moralistische benadering van schuldbelijdenis en zelfbeschuldiging. “Geschiedenis,” zo eindigt hij, “is nooit eenduidig.” En dat gaat volgens hem ook op voor het Nederlandse dekolonisatiebeleid: “Het is in Indonesië ontspoord in laakbare gewelddaden, heeft de Papoea’s achtergelaten met teleurgestelde verwachtingen en in Suriname, ondanks de beste bedoelingen, een begin van chaos geschapen. Maar ook heeft het geprobeerd in Indonesië een toekomstbestendige vorm van federalisme ingang te doen vinden, met het Statuut voor het Koninkrijk een postkoloniaal rijk op basis van gelijkwaardigheid geschapen en het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s tegen de klippen op verdedigd.” (p. 577)


Afscheid van de koloniën is een rijk boek en dat maakt het een recensent niet gemakkelijk.  Meer dan veertig jaar kennis én journalistieke ervaring op het terrein laten zich niet in enkele regels samenvatten. Het dekolonisatieproces dat hij beschrijft is niet alleen het resultaat van veel studie maar ook van veel persoonlijk beleven. Voor dat laatste putte hij uitvoerig uit eerder werk, dat hij naadloos weet in te passen in het groter historisch geheel. Afscheid van de koloniën is een ambitieuze onderneming van een gedreven journalist die naar mijn smaak cum laude in zijn opzet is geslaagd. Daarom is het jammer dat er een schoonheidsfoutje is blijven staan: de Parijse Commune dateert immers niet van 1891 (zie p. 98) maar van 1871, maar dat doet natuurlijk niets af aan de waarde van dit werk dat misschien gelukkig niet in de academische sfeer is blijven hangen, want door de zeer goede journalistieke pen van de auteur zal dit werk veel meer lezers aantrekken. Dat hoop ik althans.

John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen,2013, 606 blz, ISBN 9789025435301, prijs: € 44,95. 

donderdag 6 juni 2013

Impuls voor onderzoek en educatie Caraïbisch Nederland

Sint Eustatius. Foto @ Meonsxm


Kenniscentrum op St. Eustatius in ontwikkeling

De oprichting van een kenniscentrum op St. Eustatius is met de keuze van een naam en locatie enkele stappen dichterbij gekomen. Het Caribbean Netherlands Science Institute at St. Eustatius (CNSI) gaat dienen als basis voor onderzoek en monitoring in de regio en zal een educatieve rol voor de lokale gemeenschap vervullen.

Het Ministerie van OCW heeft in 2012 2,5 miljoen beschikbaar gesteld aan NWO voor het opzetten van het kenniscentrum. Daarnaast wees OCW 10 miljoen toe aan NWO voor de ontwikkeling van een onderzoeksprogramma gericht op de Caraïben. Dit initiatief biedt unieke kansen voor de Nederlandse wetenschap om zich op terreinen zoals mariene tropische ecologie en biodiversiteit, vulkanologie en tsunami-onderzoek en Caraïbische archeologie verder te profileren.
Het NWO-instituut Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) zet het nieuwe kenniscentrum CNSI op. Later dit jaar kunnen onderzoekers bij NWO voorstellen indienen voor het Caraïbisch onderzoeksprogramma. Het onderzoeksprogramma en het kenniscentrum zijn gericht op aard- en levenswetenschappelijk onderzoek, en onderwerpen uit de geesteswetenschappen en de sociale wetenschappen.


Sleepboot Statia Express. Foto @ David Reed

Kenniscentrum
Het CNSI zal worden gevestigd in een voormalig politiegebouw. Het biedt faciliteiten voor onderzoek en ruimte voor tentoonstellingen en educatie. Wetenschappers en studenten zullen er kunnen verblijven. Een van de overwegingen voor vestiging op St. Eustatius (Statia) is de ligging van het eiland en het feit dat het gevarieerde landschap en de rijke geschiedenis van het eiland meerdere disciplines kan bedienen. Het eilandbestuur zelf draagt ook bij aan de realisatie van het CNSI.

Het ministerie wil met deze impuls voor de Caraïben wetenschappelijk onderzoek stimuleren en de samenwerking binnen de verschillenden onderdelen van het Koninkrijk versterken. Lokale instellingen worden bij het onderzoeksprogramma betrokken en dragen zo bij aan de opbouw van een wetenschappelijk netwerk op de Caraïben. NWO ziet binnen dit programma goede mogelijkheden en kansen voor wetenschappelijk hoogwaardig en maatschappelijk relevant onderzoek.

vrijdag 3 mei 2013

Antillianen in de Tweede Wereldoorlog

Een soldaat op wacht bij de olieraffinaderij
Eerste kranslegging voor (ex-) rijksgenoten
Zaterdag 4 mei 2013 vindt de eerste kranslegging speciaal voor gesneuvelde (ex-)rijksgenoten plaats op het Ereveld in Loenen (bij Apeldoorn). OCAN, SIO, BUAT en 4/5 Meicomité Amsterdam Zuidoost leggen namens de Antilliaanse/Arubaanse, Surinaamse, Molukse en Indische rijksgenoten een krans. Namens OCAN zullen onder meer aanwezig zijn Glenn O. Helberg en de Curacaose sergeant-majoor Elvis Manuela.
De aanvang is 14.00h. Job Cohen is hoofdspreker, zie de website van de stichting Oorlogsgraven: www.ogs.nl. Eenieder is van harte welkom de plechtigheid bij te wonen.
De geboren Curaçaoënaar Stephanus Thodé (1889 - 1942) ligt begraven op Ereveld Loenen. De matroos van een koopvaardijschip verongelukte in 1942 bij Colón, Panama.  

Curaçaose en Arubaanse slachtoffers
52 Curaçaose slachtoffers die erkend zijn door het OGS kwamen om in verschillende delen van de wereld, zoals Edgar Alvares Corea in Auschwitz, Petrus Anastasia in Osaka (Japan), Jan Frederik Haayen in de Zuid-Chinese Zee, George Maduro in Dachau, Arturo Elizabeth in Palembang en Gabriel Manuela in de Atlantische oceaan. Charles Debrot was nog maar net 20 jaar toen hij sneuvelde bij Loosduinen.
In het slachtofferregister van OGS treffen we zeven Arubaanse gesneuvelden, onder wie Elias Laclé, Jacob Rasmijn en Boy Ecury.

Dodenherdemking Curaçao 2012. Foto © Geha


Slachtoffers uit Saba, Sint-Eustatius, Bonaire en Sint-Maarten
Op 16 februari 1942 kwamen onder meer de Sabanen James Cornet, John Dembrooke en de Statiaan William Rosaria om het leven bij een beschieting van een Duitse U-boot op de Britse Lago tanker s.s. Pedernales. Twee minuten later werd het vuur geopend op een andere tanker, waarbij vijf Bonairianen het leven lieten, onder wie Luis Emerenciana, Juan Domingo Goeloe en Alberto Pieter, alsmede vier Sabanen en één Curaçaoënaar. Zij allen kregen een zeemansgraf. Diezelfde dag worden nog twee tankers beschoten door Duitse U-boten, waarbij onder meer drie Sabanen, één Statiaan en vijf Bonairianen, onder wie Oliveiro Martijn, John Dunlock en James Clarence van Putten.
In het slachtofferregister van OGS staan twee Sint-Maartenaren vermeld: Esau Laveist (1942) en George Richardson (1944). Beide kregen eveneens een zeemansgraf in de Caribische zee.

Erkenning van Oorlogsgravenstichting (OGS)
De meeste Antilliaanse gesneuvelden zijn erkend door de OGS en er liggen er meer dan 20 op verschillende erevelden van de OGS. Op de Militaire Begraafplaats in Willemstad liggen 8 graven van de OGS.
De OGS onderhoudt graven in meer dan 50 landen wereldwijd van militairen van de Nederlandse krijgsmacht die na 9 mei 1940 zijn gevallen en Nederlandse burgers die, hetzij metterdaad de vijand bestrijdende dan wel ten gevolge van hun handelingen of houding tegenover de vijand, het leven hebben verloren.

Een pamflet van de NSB tegen de Engelse en Amerikaanse bezetting van Curaçao en Suriname

‘De Antillen in de Tweede Wereldoorlog’
Jos Rozenburg heeft een zeven jaar lang onderzoek gedaan naar Arubaanse en Antilliaanse oorlogsslachtoffers en de rol van de Antillen in de Tweede Wereldoorlog. Over een jaar (mei 2014) publiceert hij zijn boeiend geschreven boek De Antillen in de Tweede Wereldoorlog.
Op 4 mei 2013 om 06.00h Antilliaanse tijd gaat de Engelstalige websitewww.antillesatwar.com online. Doel is de toegankelijkheid tot informatie over de Tweede Wereldoorlog en zijn ‘Antilliaanse offers’ voor de bevolking van de zes eilanden te vergroten.
Het is de wens van Jos Rozenburg om de ‘vergeten’ 129 Antilliaanse oorlogsslachtoffers een gezicht te geven.

Ereveld Loenen. Foto © P.J.L. Laurens


Oproep: ‘Antillianen: vertel je oorlogsverhaal’
Het verzoek van de onderzoeker aan de Antilliaanse en Arubaanse burgers en nabestaanden is om persoonlijke verhalen, foto’s en dergelijke over slachtoffers die in het boek te mailen, zo gauw de website online is. Jos Rozenburg wil graag in contact komen met Antillianen die meer kunnen vertellen over de oorlog, met als doel deze verhalen vast te leggen, voordat deze generatie zijn stem verliest. U kunt hiervoor bellen naar +31 (0)6 - 131.571.73, of mailen:  jrozenburg@hotmail.com.  

woensdag 1 mei 2013

Miljoenen voor natuurbehoud Cariben

Saba

Het Nederlandse kabinet stelt eenmalig 7,5 miljoen euro beschikbaar voor het behoud van de natuur op Saba, Sint Eustatius en Bonaire. Het geld wordt onder meer besteed aan het behoud van het koraal en toegankelijker maken van de natuurgebieden.

Dat schrijft staatssecretaris van Economische Zaken Sharon Dijksma (PvdA) vandaag aan de Tweede Kamer. De bewindsvrouw verwacht dat dit duikers en wandelaars aantrekt, wat goed is voor de economie.

Onderzeewereld Bonaire


Natuurbeleidsplan
De plannen voor het natuurbehoud staan in het natuurbeleidsplan Caribisch Nederland 2013 – 2017. Dijksma wil dat de natuur op de eilanden duurzaam gebruikt blijft worden, zodat eilandbewoners er ook in de toekomst van kunnen blijven profiteren. Saba, Sint Eustatius en Bonaire zijn biologisch zeer divers en herbergen honderden soorten, waarvan een deel is bedreigd. Ook is een verscheidenheid aan wereldwijd bedreigde ecosystemen te vinden op de eilanden, aldus het beleidsplan.

[© Novum]

dinsdag 18 september 2012

De Antillen anders bekeken




Op donderdag 19 september vindt in Café de Monde (voorheen Café Globaal/Mondiaal) in Haarlem een debatmiddag plaats over de positie van de voormalige Nederlandse Antillen. Gastspreker is John Leerdam.
De Nederlandse Antillen: meer dan 300 jaar waren de 6 eilanden in de Caribische Zee een Nederlandse kolonie Na jarenlange onderhandelingen horen de Antillen nog steeds bij Nederland; hetzij als onafhankelijk land binnen het koninkrijk, hetzij als ‘speciale gemeente’. Wie verder kijkt dan de tropische palmenstranden ziet politieke onrust, gesloten olieraffinaderijen en een grote emigratie naar Nederland. En een toenemende anti-Nederlandse houding van de Antillianen. Papiamento en Engels verdringen de Nederlandse taal. Is het vooral bemoeizucht van het oude ‘moederland’, en wanneer is de schuld van de kolonisator afbetaald?


John Leerdam is geboren op Curaçao, en was als Tweede Kamerlid voor de PvdA woordvoerder voor Antilliaanse zaken. Daarnaast is hij theatermaker, die o.a. bekendheid verwierf door het regisseren van het toneelstuk De tranen van Den Uyl, ter gelegenheid van 30 jaar onafhankelijkheid van Suriname. John Leerdam is een kleurrijke persoonlijkheid en een boeiend verteller.


Gesproken column door Jeanette Bos

Fotograaf Jeanette Bos sinds 1996 met regelmaat op Sint Eustatius en werkt aan een fotoboek over dit op één na kleinste eiland van de voormalige Nederlandse Antillen. Voorafgaand aan het hoofddebat schetst zij kort de 'Statiaanse' ambivalenties ten aanzien van de Nederlandse betrokkenheid.

Aanvang 19.30 uur Toegang: € 3,00,
Plat du Jour en Café du Monde samen € 10,00.