door Eric C. de BrabanderAls dit universum in zijn miljoenvoudige orde en precisie het resultaat van blind toeval zou zijn, dan is dat net zo geloofwaardig als wanneer een drukkerij explodeert en alle drukletters weer op de grond terechtkomen in de voltooide en foutloze vorm van het woordenboek.
Met dit citaat van Albert Einstein begint de roman
Devah van de Arubaans-Limburgse auteur Jacques Thönissen die de afgelopen maand in de Arubaanse Bibliotheek werd gepresenteerd. En hiermee legt Thönissen direct de essentie van zijn roman vast. Het toeval bestaat niet.
Gelijk op de eerste bladzijden laat de auteur ons kennismaken met het alter ego van zijn hoofdpersoon, dat hij Sirene noemt. Zijn zielsverwante en kwelgeest die hem in de nachtelijke uren meevoert tot ver in het universum en die hem bijstaat en begeleidt in het ontdekken van verbanden tussen gebeurtenissen in het heden en het verleden.
De roman is in de ik-vorm g

eschreven. De naamloze hoofdpersoon is een pas afgestudeerde kunstenaar die op een rommelmarkt een tekening aantreft van een meisje, gesigneerd door zijn vader.
Als hij zijn vader de tekening laat zien raakt deze heftig geëmotioneerd, stamelt ‘Devah’, en valt dood neer.
De ik-figuur besluit op zoek te gaan naar het door zijn vader geportretteerde meisje en wordt daarbij door verschillende landen in het Oostblok gevoerd. In Roemenië ontmoet hij professor Yuri Koslov, neuroloog, psychiater en verwoed amateurentomoloog die voor de behandeling van zijn patiënten nogal wat alternatieve methodes hanteert, zoals het tijdelijk onderbrengen van zijn patiënten in een vlindertuin. Yuri Koslov brengt de hoofdpersoon nader tot Devah, het geheimzinnige meisje dat door zijn vader geportretteerd is, ten tijde dat deze archeologisch werk deed naar een middeleeuws klooster in Roemenië. Devah is een patiënte van Koslov. Langzaam wordt duidelijk dat er een relatie tussen Devah en de hoofdpersoon bestaat die zowel horizontaal als verticaal de tijd doorklieft. Zijn vader moet daarvan op de hoogte geweest zijn, zoveel is hem duidelijk. Gecompliceerder wordt het verhaal wanneer de ik-figuur een relatie ontwikkelt met een medewerkster van Yuri Koslov, Ljubmilja. Ljubmilja is de enige vrouw, buiten zijn moeder en zus, tot wie de hoofdpersoon zich zichtbaar voor anderen relateert.
In een lijvig hoofdstuk voert de schrijver ons mee naar het Roemenië ten tijde van de kruistochten. Rond het klooster, waarvan de ruïnes door de vader van de hoofdpersoon wetenschappelijk onderzocht zijn, lijken de karaktereigenschappen van Gregorio, een boerenknaap die novice wordt en kruisvaarder, overeen te komen met die van onze hoofdpersoon, terwijl een meisje dat hem bekoort doet denken aan Devah, maar ook aan Sirene, zijn alter ego.
De roman bereikt zijn climax op het eiland Nias vlak voor de kust van Sumatra, waar het de lezer duidelijk wordt wat de verbanden zijn tussen de ik-figuur, de vrouwen die hem gevangen houden en de gebeurtenissen in het verleden.
Wat onmiddellijk opvalt aan deze bijzonder knap geschreven roman, is de heldere, no nonsens stijl. Geen zichzelf eindeloos herhalende metaforen, waar dit verhaal zich overigens wel voor geleend zou hebben, maar een korte en bondige schrijfstijl. In de roman gaat het niet om de landen en de beschrijvingen van die landen, maar om de mensen en hun verhoudingen. Het gaat om de intriges die zonder uitzondering ingewikkeld te noemen zijn. Ik zou me kunnen voorstellen dat een Europees-Nederlandse recensent deze roman direct zou vergelijken met het werk van de grote Zuid-Amerikaanse magisch realistische auteurs, ware het niet dat het Zuid-Amerikaanse continent in 'Devah' niet aangedaan wordt. Maar Thönissen overstijgt een dergelijke vergelijking. Hij heeft het magisch realisme van de twintigste eeuw in een nieuw jasje gestoken. Sterker nog, hij heeft een nieuw soort magie uitgevonden. Voor zover Harry Mulisch dat nog niet gedaan had in ‘De ontdekking van de hemel,’ want daar doet ‘Devah’ hier en daar aan denken.
De karakters die ogenschijnlijk los van elkaar staan, verbindt Thönissen naarmate het verhaal vordert met fijn spinrag; karakters waarvan niet altijd duidelijk is of ze werkelijk bestaan of alleen maar in de belevingswereld van de ik-figuur.
Dwars door het verhaal heen loopt een platvloers familiedrama dat zo op het eerste gezicht niet in deze roman thuishoort. Louise, de moeder van de ik-figuur is uit frustratie een buitenechtelijke verhouding aangegaan met een huisvriend. Leo, de vader, had dit voor zijn dood geaccepteerd voor wat het was, omdat hij zijn vrouw niet kon duidelijk maken welke spoken hem tot de daden dwongen die haar van hem deden vervreemden. Een van de vele voorbeelden waar het surrealisme aanleiding was tot onomkeerbare realiteit. Toeval bestaat niet.
Devah is Jacques Thönissens vierde roman. Eerder publiceerde hij
Tranen om de ara,
Eilandzigeuner, en
De roep van de troepiaal. Deze drie romans hadden Aruba als basis, hoewel
Eilandzigeuner zich deels in Roemenië afspeelt. In de vierde roman is het element ‘Cariben’ totaal afwezig en dat zal voor velen reden zijn om de roman niet te scharen onder de noemer Caribische literatuur. Terecht of onterecht, ik meen in
Devah toch duidelijk Caribische trekjes te herkennen. In de onwesterse, gevoelsmatige en respectvolle manier waarop de hoofdpersonen met elkaar omgaan. In de dingen die ongezegd blijven maar als gekleurde wolken boven het decor hangen.
Toeval bestaat niet. Dat impliceert dat alle gebeurtenissen in het verleden, heden en de toekomst onveranderbaar opgeschreven staan.
Ik heb daar wat moeite mee. Maar dat neemt niet weg dat Jacques Thönissen een geweldige roman geschreven heeft, die een verdiende plaats behoort te krijgen in de grote verzameling niet-Europese Nederlandstalige literatuur.
Jacques Thönissen,
Devah . Haarlem: In de Knipscheer, 2010.