Posts tonen met het label Ramdas Anil. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ramdas Anil. Alle posts tonen

maandag 3 maart 2014

Vlieg terug naar Afrika

Henk Vos - Vliegende man (brons)

door Hilde Neus

De meest indrukwekkende versie die ik ooit las van de slaaf die terugvliegt naar Afrika, is in de roman De hemelvaart van Solomon van de zwarte Amerikaanse auteur Toni Morrison. Het is het verhaal van Macon Dead, wiens zoon beweert dat zijn opa Solomon kon vliegen en als een adelaar weggezeild is naar Afrika. Het is jammer dat dit verhaal niet is opgenomen in De slaaf vliegt weg (samenstelling Lucia Nankoe & Jules Rijssen). Maar ook de vermelding van het motief in het verhaal over Tata Colin van Ruud Mungroo zou hier niet hebben misstaan. Dit motief van de titel van de bundel komt verder voor als afbeelding van Elis Juliana, met een kleine verklaring erbij. De kern wordt gevormd door lezingen, gepresenteerd op het internationale symposium over de relatie tussen historische romans en de beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Waar en wanneer deze bijeenkomst werd gehouden staat in een noot vermeld; in de Muiderkerk in 2009. De centrale vraag is of en welke historische romans een rol spelen in de beeldvorming over het slavernijverleden. En hoe ze doorwerken in de hedendaagse discussies en in de persoonlijke beleving van de nazaten. De samenstellers proberen deze vragen in de inleiding te beantwoorden. Ze slagen daar maar deels in, omdat er veel voorbeelden aangehaald worden die allerlei kunstvormen bevatten, maar geen historische romans zijn. Het artikel van Suzanne Diop, ‘Het Eerste Internationaal Congres van Zwarte Schrijvers en Kunstenaars’ (pp. 29-33) is zo’n voorbeeld dat niet over historische romans gaat. (Kijk ook naar het onterechte gebruik van hoofdletters in de titel!)

Mijns inziens betekent het begrip beeldvorming binnen het literaire kader het ontstaansproces van een beeld (in fictie) over een persoon of groep mensen dat niet noodzakelijkerwijs met de werkelijkheid of de feiten overeen hoeft te komen. Als de samenstellers bedoelen dat beeldvorming een visualisatie is die bestaat uit het vertalen van een gedachte naar een beeld of uitdrukkingsvorm, dan klopt de bundel wel. Dan is de opname van veel stukken in de bundel, zoals de verhouding tussen etnische groepen getoond in de film Wan Pipel, wel verantwoord. Er zijn natuurlijk allerlei gevoelige zaken die uitvloeiselen zijn van de slavernij, en zodra die gevisualiseerd worden heb je ook een bepaalde vorm van beeldvorming.
Michiel van Kempen. Foto © Sanne Landvreugd

De inhoud van de bundel werkt dus vervreemdend omdat je van de auteur, zelf literatuurwetenschapper, een andere insteek zou verwachten. En zeker als dan blijkt dat er allerlei stukken zijn opgenomen die niet op het symposium voorbij zijn gekomen, terwijl de bijdrage van M. van Kempen, die er wel bij was, vanwege een tekort aan beschikbare redactionele ruimte is teruggetrokken. Dan roept dit vragen op.
Bij zo een titel en inleiding waren mijn verwachtingen anders. Dat neemt niet weg dat de stukken bijna allemaal iets met de slavernij te maken hebben, maar het gevaar is dat de lezer met zo een gevarieerde waaier aan informatie toch blijft zitten met vragen over de context. Je kunt die dan op internet opzoeken, maar is dat de bedoeling van de bundel? Al in het eerste stuk, van Nankoe zelf (‘Reverence’) heeft ze het binnen vier pagina’s over Toussaint Louverture, Edwi[d]ge Danticat, de kunstenaar Basquiat, de zanger Maxwell en de Neville Brothers, auteur Simone Schwartz-Bart en de kunstenaar Frankétienne. Alles wordt even aangestipt en daardoor mist het stuk diepgang.

Cynthia Mc Leod vraagt zich in haar bijdrage af of het aan te bevelen is dat de lezer zich een beeld vormt van de geschiedenis via historische romans. Daar wil ze zich, ondanks de geweldige verkoopcijfers van bijvoorbeeld Hoe duur was de suiker?, niet over uitlaten. ‘Dat zou de uitkomst van het symposium moeten zijn’, is haar mening.

Ik denk dat een symposium over dit onderwerp ook geen uitsluitsel kan geven, daarvoor is het onderwerp te breed en te gecompliceerd. Wel is duidelijk dat historie in vele vormen verwerkt kan worden, letterlijk en figuurlijk. In literatuur, schilderijen, beelden, poëzie en zang, alle denkbare kunstvormen. En door over de slavernij na te denken en die uit te drukken in kunst, kunnen de nazaten van de slaven tevens aan een stukje rouwverwerking doen. En de nazaten van de slavenhouders kunnen zich plaatsvervangend schamen na zich verwonderd te hebben over de verschrikkingen die in die tijd plaats hebben gevonden. Eenieder doet dat op zijn eigen manier. Dat blijkt wél duidelijk uit de inhoud van deze bundel. Met bijdragen van onder meer Anil Ramdas, Rudy Bedacht, Remy Jungerman en Rihana Jamaludin, om maar wat Surinaamse auteurs in deze bundel te noemen.

Lucia Nankoe & Jules Rijssen (samenstelling): De slaaf vliegt weg. Beeldvorming over slavernij in de kunsten. Arnhem: LM Publishers, 2013. ISBN 978-94-6022-274-0

zondag 29 december 2013

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (6 en slot)

door Coen Verbraak


Familie Flodder


White trash

De hoofdfiguur in Badal is van plan een essay te schrijven over de politieke verwording van Nederland, en de verwildersing van normen en waarden. Dat ging evenzeer op voor Ramdas. Op de Belgische website De Buren schreef hij in september 2010 een fel epistel tegen wat hij white trash noemde. ‘Kijk nu eens naar het Nederland van vandaag. Lees de reacties van lezers bij artikelen in De Telegraaf. Zie het aanbod op de Nederlandse televisie, die wordt gedomineerd door de commerciëlen. En zie de aanhang van de PVV, die almaar groeit, en nu al staat op meer dan twee miljoen. Die Hollanders die in eigen huizen wonen en een eigen auto hebben en met vakantie kunnen, zijn voor een groot deel white trash. Het zijn tokkies, het zijn families Flodder, met achterlijke ideeën en onbeschofte omgangsvormen. Wat kun je anders zeggen van de meesteTelegraaf-lezers, SBS-6- en RTL-kijkers en PVV-stemmers, dan dat ze boers, onbehouwen, ruw, plat, vulgair, ordinair en ongemanierd zijn?'
Joost Zwagerman. Foto @ ANP

Vijf dagen later werd er op diezelfde site op het stuk gereageerd door Joost Zwagerman. ‘Anil Ramdas, die in de jaren negentig de gewoonte had achter iedere boom een fascist te ontwaren, bereikt in dit stuk nieuwe dieptepunten – zelfs voor zijn doen. Ramdas zet alle stemmers op Geert Wilders weg als “achterlijk” en inferieur. Natuurlijk. Dat zich links noemende intellectuelen de gemiddelde Jan Modaal als “achterlijk” wegzetten, gebeurt niet voor het eerst. Hoezo, opkomen voor de onderklasse? Maar zelden gebeurde het zo haatdragend als bij Ramdas. Wie maar lang genoeg door types als Ramdas voor achterlijk wordt uitgescholden, wendt zich uiteindelijk tot Wilders. Anil Ramdas is geen haar beter dan de man wiens ideeën hij wenst te bestrijden. Sterker: hij is erger. Verblind door withete haat jegens white trash meent hij dat anderen hem hierom vooruitstrevend zullen vinden. Die taxatiefout zal zelfs Wilders niet maken.’

Ramdas en Zwagerman hadden in 1997 al eens hard gebotst, nadat Ramdas in NRC Handelsblad kritiek uitte op de manier waarop Zwagerman in De Buitenvrouw een zwarte lerares neerzette: ‘Iemand met de mentaliteit, de denkwijze en het taalgebruik van een zwarte bediende of een zwarte hoer.’ ‘Een pijnlijk misverstand,’ aldus Joost Zwagerman. ‘De inzet van het boek was juist om de zelffelicitatie van mensen die beweren vrij te zijn van xenofobie aan de kaak te stellen. Ramdas stelde mij klakkeloos gelijk aan de hoofdpersoon. Alsof ík een racist zou zijn. Dat vond ik uitermate vervelend. Die white trash-column was in feite een herhaling van 1997. Ik vond het een zeer destructieve bijdrage aan een zinvolle discussie: hoe gaan we om met de PVV.’

Ramdas reageerde direct daarna: ‘Eerlijk gezegd had ik op Joost Zwagerman, een mastodont in kringen van White Trash, niet gerekend. Hij kwam als een geschenk uit de hemel.’ Zwager man schreef het voorjaar daarop, na het verschijnen van Badal, een vlammend opiniestuk in de Volkskrant. ‘Badal is het hele boek lang nijver bezig aan “een belangrijk essay over white trash”. Alleen al dit voornemen tot het schrijven van “een belangrijk essay” maakt Badal tot een potsierlijke hoofdfiguur en Ramdas tot een schertsfiguur. Hij is hoe dan ook geen echte schrijver. Hij imitéért er hoogstens een.’

Zwagerman is achteraf bepaald niet trots op de polemiek. ‘Door wat er nadien is gebeurd, komt alles in een heel ander, tragisch licht te staan. Natuurlijk zit het me dwars. Als ik had geweten hoe zijn geestestoestand toen was, dan had ik het laten rusten. Hij was niet meer de man met dezelfde wapenuitrusting als voorheen. De ironie wil dat ik de polemiek voerde op het moment dat het ook met mij niet goed ging. Daar zit toch een verontrustende parallel in.’

Theo van Gogh

Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad: ‘Ik heb het altijd jammer gevonden dat deze twee generatiegenoten zo enorm met elkaar gebotst hebben. Als ik zijn columns las, dacht ik soms ook: kom, Anil, een beetje minder mag ook. We zitten toch nog niet helemáál in het land van de stampende laarzen. Hij leed aan de tijd, aan de keiharde polarisatie. Beschreef hij dat hij op de avond van de moord op Theo van Gogh op de Dam een klap van een omstander had gekregen, dan verscheen er meteen een stuk van Max Pam dat dat wel gelogen zou zijn. “Lompheid als morele deugd”, zoals Buruma dat noemde, was aan Anil niet besteed.’ 

En toch kan het belang dat Ramdas had voor jonge allochtonen nauwelijks overschat worden, vindt De Jong. ‘Voor veel Surinamers was Anil hét voorbeeld van een geslaagde landgenoot. Een man die iemand gewórden was.’Sheila Sitalsing: ‘Suriname is net een dorp; als een Surinamer elders in de wereld beroemd wordt, dan is dat een gebeurtenis. Maar er was ook inhoudelijke waardering voor zijn schrijverschap, voor het feit dat hij dingen zo goed kon verwoorden. Aan de andere kant kon Anil ook heel scherp zijn over Suriname. Hij wist feilloos bloot te leggen wat er allemaal niet aan het land deugde. Daar kunnen Surinamers niet zo goed tegen. Die directheid is vrij on-Surinaams. Dat leverde hem felle kritiek op. Maar hij bleef een grote zoon van het land, die het in het grote boze Nederland toch maar mooi had gemáákt.’’

Dat tinkelende

Ramdas’ gezondheidstoestand verergerde in het najaar van 2011. Hij was al meermalen gedotterd wegens hartklachten, en zijn conditie was nadien steeds verder verslechterd. De laatste keer dat Stephan Sanders hem zag, was op de begrafenis van Ramdas’ vader, in oktober 2011. Sanders schrok van het weerzien. ‘Anil zag er erg slecht uit: mager, ingevallen. De dag erna heb ik hem gebeld: “Je zag er zo verzenuwd uit. Was je soms dronken?’” Kort daarna belde hij op: “Stephan, we moeten Het blauwe licht weer gaan maken. Dan wordt het weer net als vroeger.” Een echte wanhoopskreet: laten we doen alsof er niets gebeurd is en teruggaan naar toen het nog goed was. Ik zei: “Nee, Anil, dat kan niet meer. Dat is geweest.”’

Zijn programma ZOZ werd ondertussen nog wel steeds uitgezonden. Ramdas schreef begin februari 2012 aan VPRO-directeur Karen de Bok dat hij zelfs nieuwe televisieplannen had: ‘Een prachtige brief, eigenlijk heel optimistisch. Ik had toen helemaal niet in de gaten dat het zo slecht met hem ging.’ Al vond ze het wel raar dat Ramdas de afspraak die ze met hem maakte om over het nieuwe programma te praten op het allerlaatste moment afzegde. Zijn moeder lag in het ziekenhuis. Vandaar. ‘Maar het werd pas echt vreemd toen ik hoorde dat hij op de redactie had verteld dat ík de afspraak had afgezegd, omdat míjn moeder ziek was.’

Suzanne Holtzer van De Bezige Bij zag wel dat Ramdas het moeilijk had. ‘Hij schreef me kort voor zijn dood hoe zwaar de opkomst van Wilders en de slechte ontvangst van zijn boek op hem drukten. Ik zag dat hij onthecht raakte. Dat tinkelende wat hij ooit had, was weg. Hij was een angstige man geworden. De emoties hadden zijn ratio overgenomen. Maar ik bleef hopen dat hij zichzelf kon herpakken.’ Holtzer maakte zich grote zorgen toen Ramdas begin februari 2012 op de nieuwjaarsreceptie van De Bezige Bij verstek liet gaan. Al hield ze met het allerergste toch geen rekening. ‘Dat einde van Badal die de zee inloopt en verdrinkt, vond ik juist nog zo prachtig. Ik heb werkelijk geen seconde gedacht dat hij dat ook zo zou doen.’

Anil Ramdas in De Balie

‘Wóédend. Ik was wóédend op hem,’ zegt Stephan Sanders, op een manier waarbij de ontzetting nog altijd voelbaar is. ‘Ik dacht: mijn God, Anil, hoe is het mogelijk dat jij, uitgerekend jij, een punt achter alles hebt gezet. Je wist zo goed wat de fuiken zijn voor de Hindoestaanse man. En je loopt er godverdómme zelf in. Ik had er verschrikkelijk last van. Hij spookte in mijn kop. Twee, drie maanden na zijn dood had ik zelfs het idee dat ik ’m hóórde: “broertje, broertje…” Als ik in de supermarkt een biefstuk kocht, hoorde ik Anil zeggen hoe ik ’m het beste klaar kon maken. Toen ben ik over hem gaan schrijven. Om het te bezweren.’ Inmiddels is de boosheid bij Sanders geweken. ‘Zijn dood leek alle mooie herinneringen bezoedeld te hebben. Nu is er vooral verdriet om het gemis. Inmiddels ben ik onze vriendschap weer aan het opdelven. Ik probeer me weer dat daverende begin te herinneren. Ik ben meer dan ooit doordrongen van het besef dat ik een heel, heel bijzondere man gekend heb.'

zaterdag 28 december 2013

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (5)

door Coen Verbraak

Ramdas bij een AT5-opname
Neurotische man

Pieter Hilhorst logeerde een paar weken bij Ramdas in Delhi. De herinneringen aan dat verblijf vindt hij dik tien jaar na dato nog steeds beklemmend. ‘Ik voelde daar zijn eenzaamheid zo enorm. Het ritme van zijn dag werd door het drinken bepaald. ’s Ochtends was hij chagrijnig omdat hij nog niet gedronken had. Dan gingen de flessen open en kwam hij ’s middags langzaam tot leven. Dan filosofeerde hij over de wereld, zoals ik hem kende. En later op de dag was hij voornamelijk onvoorspelbaar, vanwege de drank. Onze vriendschap is daar echt veranderd. Ik ging na afloop heel verdrietig naar huis.’

In India kwam Ramdas bovendien tot een pijnlijke vaststelling: hij hoorde daar niet thuis. Net zomin als in Nederland of in Suriname. Stephan Sanders: ‘Hij ging van Suriname via moederland Nederland naar het nog grotere moederland India. Daar ontdekte hij dat hij toch vooral Nederlander was. En in Nederland zagen ze hem juist weer als een Surinamer. Terwijl ze hem in Suriname als Nederlander zagen. De conclusie was dat hij nergens bij hoorde.’

‘Wat is de beste plek om te wonen?’ werd hem bij zijn terugkeer door HP/De Tijdgevraagd. Ramdas: ‘Niet op deze aarde. Ik ben zo’n beetje overal geweest en voel me nergens thuis.’

India is in retrospectief een kantelpunt in Ramdas’ leven. ‘Toen hij terugkwam, zag ik een andere man,’ omschrijft Stephan Sanders de verandering. ‘Dat jongetje met die aanstekelijke bravoure was verdwenen. Er was een aan zichzelf twijfelende neurotische man voor in de plaats gekomen.’

Terwijl Ramdas in India zat, veranderde in Nederland het politieke landschap drastisch. Na de moord op Pim Fortuyn was ‘links’ niet langer en vogue. ‘Politiek correct’ was een scheldwoord geworden. Maar waar de krantenlezer in Nederland langzaamaan wende aan de felle toon van het maatschappelijk debat, had Ramdas op dat vlak in Delhi een aanzienlijke informatie- en ervaringsachterstand opgebouwd. Bij terugkomst op Schiphol, in 2003, was Nederland onherkenbaar veranderd. Ze waren het hem alleen vergeten te vertellen.

Pim Fortuyn bekogeld


De eerste dag na terugkomst uit India had Ramdas een ontmoeting met Suzanne Holtzer, zijn vaste redacteur bij De Bezige Bij. De jetlag hing nog als een klamme deken om hem heen, herinnert Holtzer zich. ‘Het was net alsof hij niet helemaal teruggekomen was, alsof hij ergens halverwege was blijven hangen tussen droom en werkelijkheid. Ik denk ook dat hij daar het meest thuis was. In zijn verbeelding was hij het dichtst bij zijn dromen.’


Diep gekrenkt

In 2003 werd Ramdas directeur van De Balie in Amsterdam. Tot verbazing van de mensen om hem heen. ‘Anil hoorde daar op het podium te staan, maar was totaal geen man om er directeur te zijn.’ Het ging al snel mis. De Balie leed grote verliezen. Bovendien werd Ramdas’ drankprobleem ook voor de buitenwereld steeds meer zichtbaar. In december 2003 leidde Ramdas een debat met Edward Said. Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad was erbij en zag met eigen ogen hoe de avond pijnlijk uit de hand liep. ‘De zaal was bomvol. Anil was duidelijk aangeschoten. Hij kwam het toneel op met flessen wijn, waar hij als enige van dronk. Je zág het fout gaan. Er bouwde zich in die zaal voelbare agressie op tegen Anil. Opeens sprong er een jongen op de vloer die riep: “Wie zijn geld terug wil, moet mij maar volgen naar de kassa.” Echt een rebellie tegen Ramdas. Er zat ook iets in van: “We zullen die modelallochtoon nu eens even goed aanpakken! We geven hem een koekje van eigen deeg.”’ Ramdas erkende achteraf schuldbewust zijn fout. Maar van terugbetaling van het entreegeld kon geen sprake zijn: ‘Het is hier geen no cure, no pay.’


De Balie in Amsterdam

Achteraf symboliseerde die avond schril dat Ramdas zijn publiek was kwijtgeraakt, denkt Sjoerd de Jong. ‘Hij was heel lang een intellectuele voorloper geweest. Maar Anil begreep Nederland niet meer. En Nederland begreep hém niet meer. Hij was in de ogen van anderen opeens een vertegenwoordiger van het ancien régime geworden, een achterhaalde politiek correcte betweter. Niet langer de progressieve denker, maar de aangenomen zoon van Ad Melkert.’

De periode bij De Balie duurde amper twee jaar. Uiteindelijk richtten Felix Rottenberg, Chris Keulemans en Pieter Hilhorst een comité op om De Balie financieel te redden. Hilhorst denkt met afgrijzen terug aan die ochtend bij Felix Rottenberg thuis, waarop Ramdas werd meegedeeld dat hij zijn baan kwijt was. Hilhorst en de zijnen dachten nog dat ze een mooie oplossing hadden bedacht: Ramdas zou vertrekken, maar zou wel een opdracht meekrijgen. Hij mocht een groot essay schrijven, in combinatie met een thema-avond in De Balie. Maar Ramdas was geschokt. ‘Anil ontplófte. Hij was echt diep gekrenkt. We hebben het nadien wel bijgelegd, maar dat nam niet weg hoe pijnlijk het op dat moment was.’

Heel statusgevoelig

‘Na De Balie was wel duidelijk wat Demon Alcohol bij Anil aan het aanrichten was,’ constateert VPRO-regisseur Fred van Dijk, merkbaar aangedaan. ‘De gesprekken met Anil werden stroever. We kregen mot, over de kleinste dingen. De laatste keer dat ik hem thuis bezocht, was in 2006. We kregen een discussie over Arnon Grunberg. Hij vond Grunberg geweldig, ik niet. Uiteindelijk riep hij fel: “Ach man, wat weet jij er nou vanaf? Jij kunt helemaal niet lezen!” Toen ik in mineur naar huis reed, kon ik de hele weg alleen maar denken: hoe moet het nou toch verder met deze jongen? Vervolgens heb ik Stephan Sanders gebeld. Die zei: “Je kunt er maar beter verder geen energie meer in steken.” Het is inderdaad de laatste keer geweest dat Anil en ik elkaar gesproken hebben.’


Ramdas begon ondertussen steeds meer aan zichzelf te twijfelen. Hij was zijn baan kwijt, werkte niet meer voor de VPRO en had geen vaste column meer in NRC Handelsblad. Stephan Sanders: ‘Die bravoure van hem was altijd al schijn. Hij is de eerste jaren verbijsterd geweest over hoe goed het met hem ging. Altijd was er het gevoel dat hij balanceerde op ijsschotsen. Hij voelde continu de angst om ontmaskerd te worden. Wat zou er ontmaskerd kunnen worden? Hij kón heel veel. Maar ergens zeurde altijd die gedachte dat het succes hem eigenlijk niet toekwam. Tegelijk was Anil heel statusgevoelig. Toen hij niet meer voor de VPRO werkte en zijn NRC-columns onder druk stonden, ervoer hij dat als een ernstige aantasting van zijn eer en status. Dat-ie niet genoeg meer meetelde. Maar ja, je kunt niet je hele leven veelbelovend blijven.’

Fred van Dijk: ‘Hij was zich gaandeweg ook gaan afvragen of hij eigenlijk wel zijn eigen bron was. Alles wat hij te vertellen had, kwam altijd van anderen. Mijn vrouw en ik noemden hem “onze kleine professor” omdat hij ongelofelijk belezen was. Ik heb hem er altijd om bewonderd. Maar in die tijd vroeg hij zich af of hij vanuit zichzelf eigenlijk wel iets te melden had. Hij vreesde dat dit niet het geval was. We spraken er ooit over of hij niet eens een roman moest schrijven. Maar dat durfde hij niet. Die fundamentele onzekerheid begon steeds meer te knagen.’

Een keerpunt

Die roman kwam er uiteindelijk toch. In 2011 publiceerde Ramdas Badal. Een verhaal over een ooit succesvolle essayist/ programmamaker die uiteindelijk teloorgaat door drank, angsten en depressies. Een man die zich maar niet kan neerleggen bij een politiek klimaat waarin de standpunten van iemand als Geert Wilders breed geaccepteerd zijn geraakt. ‘Hij droomde ervan om nog een aantal meesterwerken te schrijven,’ zegt Suzanne Holtzer. ‘Het liefst iets in de trant van Naipal of Rushdie.’ Ramdas nam het project uiterst serieus. Hij stopte met drinken en huurde een appartement in Zandvoort om in alle rust te kunnen schrijven. ‘Dat boek was voor hem een enorm belangrijke ambitie, hij hoopte dat het een keerpunt in zijn bestaan zou worden.’


Badal verscheen in het voorjaar van 2011. De recensies waren bijna over de hele linie negatief. ‘Meer ambitie dan talent,’ luidde de kop in NRC Handelsblad. Bovendien werd het verhaal van Badal in alle besprekingen één op één geprojecteerd op de schrijver zelf. ‘Met niets en vooral zichzelf niet ontziende eerlijkheid portretteert Ramdas in de persoon van Harry Badal vooral zijn eigen persoon,’ schreef John Jansen van Galen in De Groene Amsterdammer. ‘Rest de vraag wat hem bezielt om zo’n ontluisterend zelfbeeld te publiceren. Het is alleen te verklaren uit de neiging tot zelfdestructie die alcoholisten eigen is.’

Suzanne Holtzer kan er nóg kwaad om worden. ‘Badal gaat over de neergang van iemand die ooit succesvol was. Dat werd uitgelegd als de neergang van Anil zelf. Dat is volgens mij echt de ziekte van deze tijd. Het boek werd niet gelezen als kunstwerk maar als de autobiografie van Anil Ramdas. Zeer ten onrechte. Want hoe kan iemand met wie het kennelijk net zo slecht gaat als met Badal anders zo’n sterk boek schrijven?’ Toch zijn de overeenkomsten tussen Badal en Ramdas treffend: Badal heeft óók een drankprobleem, heeft eveneens een Den Uyl-lezing gehouden, en is net als Ramdas ooit Zomergast geweest. Ramdas sprak de overeenkomsten in interviews ook niet tegen. ‘Alleen heb ik natuurlijk nooit zelfmoord gepleegd, zoals Badal.’

[wordt vervolgd]



Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (4)

door Coen Verbraak

Nieuw-Nickerie. Foto © Bram T.
Ramdas ging voor de VPRO ook documentaires maken. Samen met regisseur Fred van Dijk reisde hij naar Suriname. Ze namen hun intrek in hotel Torarica, het duurste hotel van Paramaribo. Want reizen met Ramdas betekent per definitie: logeren in luxehotels. Van Dijk was er aanvankelijk stomverbaasd over. ‘Ik vroeg me af hoe hij dat toch voor elkaar kreeg. Maar hij zei gewoon tegen de VPRO: “Luister, dat is het enige hotel in Suriname waar ze altijd stroom hebben. Dus dáár gaan wij zitten.” Prinsjesgedrag was hem niet vreemd. Voor de research liet hij alle mensen die hij wilde spreken een voor een naar het terras van het hotel komen.’

De tocht door Suriname resulteerde in de vierdelige documentaire Een Surinaamse ballade. Van Dijk: ‘In Nickerie filmden we een oud schoolvriendje van hem. Die man was boer geworden en leefde nog precies zoals dertig jaar daarvoor. Op dat moment realiseerde Anil zich hoe enorm hij zichzelf eigenlijk ontwikkeld had.’ Het mooiste moment was volgens Van Dijk een scène die hij draaide in een bibliotheek. Ramdas was er op dat moment even niet bij. Van Dijk filmde een jongetje dat boeken uitzocht. ‘Hij draaide zich heel even om, keek in de camera en ging weer verder. Toen ik dat in de montage aan Anil liet zien, raakte hij diep ontroerd. Hij herkende dertig jaar later exact de situatie. ‘Zo zat ik daar ook ooit. Je hebt eigenlijk mij gefilmd.’

Perskaart van Ramdas als jong journalist


Stevig alcoholgebruik

Tussen 1997 en 2000 maakte Ramdas met Stephan Sanders het mediaprogramma Het blauwe licht. De samenwerking tussen Sanders en Ramdas was ongewoon intens. ‘We leefden met elkaar, woonden met elkaar,’ zegt Sanders. ‘Onze vriendschap werd daar gesublimeerd. Alsof de televisie het hogepriesterschap van onze vriendschap was. We vierden ’m en offerden ’m.’ Dat ging na afloop van de uitzendingen gepaard met stevig alcoholgebruik. Met name Ramdas had al snel de naam dat hij op dat vlak mateloos was. Het liep soms zodanig uit de hand dat studio De Plantage het programma de toegang dreigde te ontzeggen.

‘Die drank was ook onderdeel van hoe zij hun vriendschap beleefden,’ zegt Pieter Hilhorst, destijds redacteur van Het blauwe licht (en sinds kort wethouder in Amsterdam). ‘Alles was daar nou eenmaal heftig aan.’ Hilhorst bewaart ‘ongelofelijk goede herinneringen’ aan Het blauwe licht. ‘Anil en Stephan leerden je kijken naar de wereld. Op een heel persoonlijke manier analyseerden ze televisiebeelden, die daardoor nieuwe zeggingskracht kregen. Anil was gespreksleider, Stephan bracht de dingen in die we als redactie hadden bedacht. Dat was een ongekend goede combinatie. Ik was jaloers op hun vriendschap.’

Ellen Jens: ‘Die vriendschap was onvoorwaardelijk. Iets waar romans over geschreven worden. Ze hielden van elkaar, maar ze waren ook voortdurend in heftige competitie verwikkeld. Tijdens het afscheidsetentje na de laatste uitzending kregen ze slaande ruzie. Daarna hebben ze elkaar ook heel lang niet gezien.’

Anil Ramdas in India. Foto ©Fred van Dijk


Een fuik van eenzaamheid

Na Het blauwe licht bood NRC Handelsblad Ramdas de baan aan waar hij altijd van had gedroomd: een correspondentschap in India. Hij vertrok in 2000 voor drie jaar naar New Delhi. Maar het verblijf in India viel hem niet mee. In 2003 zei hij in Vrij Nederland: ‘Ik dacht: als je eenmaal in India woont, heb je het land zo in je vingers. Vergeet het maar. Dat grote verhaal waarin ik even een allesomvattend oordeel zou vellen waar heel Nederland van achterover zou slaan, kwam maar niet. Toen ik over mijn eerste hyperventilerende opwinding heen was, realiseerde ik me: maar je bent ook geen Jan Romein of Huizinga. Pas na een half jaar ontdekte ik dat je ook zijdelings kunt kijken, via kleine dingen grote zaken aan kunt kaarten.’

‘Over de invulling van zijn correspondentschap werd op de redactie verschillend gedacht,’ zegt Juurd Eijsvoogel, destijds lid van de hoofdredactie van NRC. ‘Anil was niet primair op nieuws gericht. Een directe reportage, zonder extra laag, was niet aan hem besteed. Je moest hem echt porren om verslag te doen van eengewone aardbevingsramp. Uiteindelijk was hij meer essayist dan journalist.’
Dat jongetje met die aanstekelijke bravoure was verdwenen
Pieter Hilhorst: ‘Voor een deel betekent een correspondentschap: op dingen afgaan. Dat vond hij eigenlijk vreselijk. Daar kwam bij dat hij in India zijn vertrouwde omgeving miste. De erkenning die hij zo nodig had, kreeg hij in India veel minder. Hij had daar geen werkelijke aansluiting met anderen. Dat zorgde ervoor dat hij zich eenzaam begon te voelen.’



‘Ik zag India als een ontsnapping, maar verkeek me op de doem van totale onbekendheid,’ zei Ramdas in 2003 in Vrij Nederland. ‘Delhi bleek een fuik van eenzaamheid. Ik kreeg rare angsten die steeds groter werden, bijna veranderden in wat men levensangst noemt. Wakker worden met de gedachte: is alles wel veilig, waar is de dichtstbijzijnde dokter, waar is het ziekenhuis, zal mijn bankpasje het wel blijven doen? Mijn angsten werden steeds groter, en mijn alcoholisme ook.’

VPRO-regisseur Fred van Dijk bezocht hem in 2002 in India.Van Dijk schrok toen hij merkte hoe ernstig het drankprobleem van zijn vriend was geworden. ‘Als hij ’s morgens in zijn kamerjas rondliep, zei ik wel eens: “Man, als je uitademt en je doet er een fles omheen, dan heb je zo weer een fles whisky.”’ 


[wordt vervolgd]

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (3)

Sanders en Ramdas
door Coen Verbraak

De ster van Anil Ramdas raakte helemaal de randen van de hemel toen hij in 1992 Zomergast was bij de VPRO. De meeste kijkers hadden voordien nooit van hem gehoord, maar raakten onder de indruk van die tengere, welbespraakte Hindoestaanse jongeman van vierendertig. Wat was die man belezen, beschaafd en erudiet. Zo leuk konden ‘ze’ dus óók zijn! Na Zomergasten werd Ramdas als vanzelf door de linkse elite omarmd als favoriete modelallochtoon.

‘Ineens was hij een Bekende Nederlander geworden,’ zegt Stephan Sanders. ‘Dat was voor Anil enorm belangrijk. Vergeet niet: hij is opgegroeid in Nickerie. Een boerengemeenschap in Suriname waar he-le-maal niks te doen is. ’s Avonds gaan de barretjes open, en gaan de mannen zuipen en uiteindelijk op een vrouw liggen. En als het je op een dag te gortig wordt, dan neem je pesticide in. Als je daar vandaan komt, dan is Paramaribo al gigantisch. In Paramaribo zag hij voor het eerst in zijn leven een roltrap. Vervolgens kwam hij in Nederland, dat was nog weer twee stappen hoger. En om dan dáár omarmd te worden als een opvallende intellectueel… ja, dan gaat de hemel voor je open.’

Zijn tv-optreden werd ook onder Surinaamse Nederlanders als een openbaring beschouwd. Volkskrant-columniste Sheila Sitalsing was in die dagen nog student. Ze herinnert zich de opwinding nog goed. ‘We gingen elkaar opbellen: “Heb je het gezien? Er is een Surinamer op tv.” En niet omdat hij goed kon dansen of voetballen, maar omdat hij iets te vertéllen had. Dat was voor Surinamers iets heel groots. Kennelijk kon je dat als Surinamer bereiken. Anil werd daardoor een nieuw rolmodel.’
 
Kirpalani Paramaribo: warenhuis met een roltrap
Xandra Schutte: ‘Na Zomergasten werd hij opeens ook een mooie man gevonden. Hij ging heel bewust modieuze witte hemden dragen. Anil genoot ontzettend van die ongelofelijke erkenning. Hij wás al zelfbewust, maar werd dat na Zomergasten nog veel sterker. Daardoor werd hij al snel te groot voor De Groene. De Groene werd “een van de bezigheden” van de BV Ramdas.’

Het duurste hotel

Zijn optreden in Zomergasten smaakte ook volgens Hilversum naar meer. VPRO-directeur Roelof Kiers vroeg aan regisseur Ellen Jens of zij eens met ‘die begaafde jongen’ wilde praten. Misschien had hij wel goede ideeën voor andere televisieprogramma’s. Daar hoefde Ramdas geen seconde over na te denken, merkte Jens. Hij wilde iets met ‘denkers’ doen. Het werd In mijn vaders huis, een serie interviews met onder anderen Stuart Hall en Edward Said. Jens raakte al snel van Ramdas onder de indruk. ‘Zijn enthousiasme was meeslepend. Die tomeloze drang om mensen te overtuigen van de talenten van anderen. Hij sprak over mannen waar ik nog nooit van gehoord had alsof het wereldwonderen waren. “O Ellen, als we díé toch kunnen krijgen…” Je kon zo veel van die jongen leren.’


De tegenkant was dat Ramdas wel erg overtuigd leek van zichzelf. Jens: ‘Hij had niet veel gevoel voor zelfrelativering. Hij kwam altijd met taxi’s. Afspraken maakte hij het liefst in het Amstel Hotel. Er zat iets in van: het duurste is niet goed genoeg voor mij. Al komt zoiets vaak voort uit onzekerheid.’

[wordt vervolgd]

vrijdag 27 december 2013

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (2)

door Coen Verbraak


Anil Jaiprakash Sadaphal Ramdas werd geboren in 1958, in Suriname, als zoon van een onderwijzer. Anil was een vrolijke en leergierige jongen, herinnert zijn jongere zus Kawita zich. Voortdurend bezig om de wereld om hem heen te verkennen. ‘Hij heeft een keer enorm op zijn donder gekregen omdat hij de tulband van onze grootvader helemaal uiteen had gepulkt. Hij wilde als jongen van vijf graag weten hoe zo’n ding precies werd opgevouwen.’ Hij las veel, was vanaf zijn tiende bijna dagelijks in de bibliotheek te vinden. De Vijf, De Kameleon, De Scheepsjongens van Bontekoe… Anil verslond ze: ‘Die Scheepsjongens heeft hij later ook voorgelezen aan zijn zoon.’ Nederlandse kinderboeken, want Suriname was in die dagen nog volledig een dependance van Nederland. ‘Ik zie het nog zo voor me,’ schreef Ramdas later in De beroepsherinneraar en andere verhalen. ‘Al die magere Hindoestaanse kindertjes, op blote voeten, de bruine lijfjes weldadig ingevet met kokosolie, die luidkeels “Sinter klaas kapoentje, gooi wat in mijn schoentje” zongen.’

In 1970, Anil was twaalf, scheidden zijn ouders. Zijn vader verhuisde naar Nederland met Anils oudere broer en zus, Kawita en hij bleven bij hun moeder in Suriname. Een cruciaal moment in zijn bestaan, denkt zijn zus, omdat Anil vanaf dat moment de man in huis werd. ‘Anil werd de kruipolie binnen het gezin. Hij zorgde ervoor dat het huishouden draaide en dat mijn moeder zich staande hield.’

Gek op Bollywoodfilms: Sherlyn Chopra
Ramdas was zich sterk bewust van zijn Hindoestaanse afkomst. Hij was geïnteresseerd in India, was gek op Bollywoodfilms en raakte vanaf zijn zestiende in de ban van Gandhi. Op zijn zeventiende vroeg hij zelfs een beurs aan om in India te kunnen studeren. Maar de ontmoeting met zijn buurmeisje Chandra veranderde zijn plannen: ‘India werd weggeconcurreerd door een beeldschoon meisje.’ Op de dag dat Suriname onafhankelijk werd, 25 november 1975, kregen ze een relatie. Na hun vertrek naar Nederland trouwden ze. Ze kregen een dochter, Nezjma (‘avondster’) en een zoon, Mrinal (‘stam van de lotusbloem’).


Ook bruin
Ramdas in 1992. Foto @ Willem Diepraam


In 1987 schreef hij zijn eerste stuk voor De Groene Amsterdammer, drie jaar later werd hij redacteur. Gelijktijdig met Xandra Schutte. Hoewel ze allebei nieuw waren, keek Schutte tegen Ramdas op. ‘Anil maakte veel meer indruk dan ik. Ik was verlegen, kon Martin van Amerongen maar nauwelijks verstaan. Anil was welbespraakt en kon het met iedereen goed vinden.’ Al was zijn verschijning weinig imponerend, herinnert Schutte zich. ‘Als hij binnenkwam, viel hij niet op. Hij was klein, droeg bepaald geen stadse kleren. Hij had in die tijd nog een vlassig snorretje. Er is een redactiefoto waarop hij er echt uitziet als een soort allochtoontje. Maar zodra hij sprák, viel hij wel op: zo welbespraakt en erudiet als Anil waren de meesten niet.’ En Ramdas maakte grote indruk met zijn stukken. Schutte: ‘Hij kon direct het hele kapitaal van zijn jeugd glorieus inzetten. De dingen die hij wist van muziek, van Bollywoodfilms, leidden tot prachtige verhalen over werelden die wij niet kenden.’

Bij De Groene werkte Ramdas samen met Stephan Sanders. Sanders was al jaren daarvoor door Ramdas benaderd. Rond 1987 ontving hij een dringende brief: ‘Ik lees je stukken altijd en ben het er heel vaak mee eens. Zou je mijn boek De dans en de dansers willen lezen?’ Sanders: ‘Daarna belde hij op: waarom ik maar niks van me liet horen. We spraken af in een café. Het eerste wat hij zei toen hij me ontmoette, was: “Hé, jij bent óók bruin!” We bleken er allebei gekleurd op te staan.’ De ontmoeting verliep allerhartelijkst. Sanders had niet eerder iemand ontmoet die zich zo in zijn werk had verdiept. ‘Hij had echt alles van me gelezen en kon bij elke zin kanttekeningen plaatsen. Het was een enorm warm bad. Bijna eng.’ Hij zocht Ramdas vervolgens thuis op, in de Bijlmer. ‘Terwijl ik eigenlijk niemand kende die in de Bijlmer woonde. Hij leefde in een totaal andere wereld. Hij was getrouwd, had al een kind. Hij liet me vervolgens met iedereen kennismaken. Vanaf dat moment maakte ik deel uit van de familie. Ik was zijn broertje. Hij dacht niet in vriendschap, maar in familie.’ 

Een column van Anil Ramdas


Modelallochtoon

Ramdas’ stukken in De Groene vielen op. Juurd Eijsvoogel was begin jaren negentig plaatsvervangend chef opinie bij NRC Handelsblad. Hij zag in Ramdas een ideale toevoeging aan wat zijn krant te bieden had. ‘Toen er op het Museum plein een grote multiculturele demonstratie zou komen, heb ik Anil gevraagd of hij daar voor ons een reportage over wilde schrijven. Het mooie was, dat hij dan niet met een voorspelbaar “racisme is slecht en gemeen”-stuk terugkwam, maar met een verhaal waarin hij de demonstratie zélf hekelde. Die tegendraadsheid tekende hem.’

Eijsvoogel is nog steeds te spreken over de stukken die Ramdas voor zijn krant schreef. ‘Zijn blik was zo interessant, gekoppeld aan een goed gevoel voor taal. De NRC was bovendien bij uitstek een wit bolwerk. Anil kon ons een andere wereld binnenvoeren, die wij geen van allen kenden.’ 

[wordt vervolgd]


Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (1)

Het verhaal van de man die nergens bij hoorde

door Coen Verbraak
Anil Ramdas; foto @ Fred van Dijk

Op woensdag 15 februari 2012 neemt Anil Ramdas een aflevering op van ZOZ, het televisieprogramma dat hij voor de migrantenomroep MTNL en de VPRO maakt. Zo op het oog is het een gewone uitzending. Goed, Ramdas oogt grauw en vermoeid, maar dat is eigenlijk het hele seizoen al het geval. Het gesprek met hiphopper Blaxtar, muzikant/acteur Akwasi Owusu Ansah en filmmaakster Neske Beks verloopt redelijk soepel. Aan het einde kondigt Ramdas de uitzending af. ‘Dit was ZOZ. Volgende week zijn we er weer. Graag tot dan.’ Hij is op dat moment de enige aan tafel die weet dat er geen ‘volgende week’ meer zal komen.

De dag daarna, 16 februari, is hij jarig. Maar hij kan op zijn verjaardag geen mensen ontvangen, zegt hij tegen een collega: ‘Morgen moet ik een goede vriend begraven.’ De volgende dag wordt hij gevonden, in de badkuip van zijn huis in Loenen aan de Vecht. Gestorven op zijn vierenvijftigste verjaardag.

Echt groot nieuws wordt zijn dood niet. Op de dag van de bekendmaking van zijn dood krijgt prins Friso een ski-ongeluk. Anil Ramdas wás al geen grote naam meer, maar nu raakt zelfs zijn dood nog ondergesneeuwd door de lawine van een ander. 


Ingevet met kokosolie

Hij was hartelijk en zachtaardig, zeggen mensen die met hem te maken hadden. ‘Alles tinkelde aan hem,’ typeert Suzanne Holtzer van De Bezige Bij hem. Opvallend scherpzinnig en eloquent. ‘Hij kon op een prachtige manier westerse filosofie verbinden met dingen die wij niet kenden,’ zegt Xandra Schutte. ‘Daardoor werd hij omhelsd door iedereen. Hij was degene op wie iedereen gewacht had.’ Maar Ramdas was ook een mateloze man, verslaafd aan alcohol, die aan het eind van zijn leven steeds meer ten prooi viel aan angsten en uiteindelijk de grip op de tijd kwijtraakte. 

[wordt vervolgd]

[uit Vrij Nederland, 18-2-2013]


vrijdag 1 november 2013

De vrouw van meer… en steeds beter

Karin Amatmoekrim. Foto © Willem van den Heuvel

door Alan Tijseling

Vorige week zaterdag presenteerde Karin Amatmoekrim haar onlangs verschenen roman, De man van meer, in Suriname. Een roman over het leven van Anton de Kom. Iemand voor wie ze een grote bewondering heeft en wiens verhaal volgens haar niet vaak genoeg kan worden verteld. Ondertussen is haar eigen verhaal ook de moeite van het vertellen waard. Een hele roman is nu nog wat overdreven, maar dat zou er in de toekomst best eens van kunnen komen.
De vader van Karin Amatmoekrim

Ze was vier toen ze met haar moeder en twee broertjes vanuit het warme Suriname in IJmuiden terecht kwam. Een duffe stad aan de Noordzee waar het altijd lijkt te waaien. Voornamelijk bekend om de hoogovens en de visafslag. Op een flatje in een achterstandswijk. Een flat in Nederland is iets anders dan een flat in Suriname. Is er hier sprake van een leuke gelijkvloerse woning met een tuin, daar is het een betonnen doos in een hoog gebouw, laag op laag. Lange galerijen met anonieme bewoners. Geen fijne omgeving voor een alleenstaande moeder met drie kleine kinderen die geen cent te makken heeft. Van jongs af heeft Karin dan ook het besef dat het beter kan en beter moet. Niet dat ze een ongelukkige jeugd heeft gehad, maar wel eentje met veel armoede en de bijbehorende zorgen. Met zijn vieren hebben ze de schouders eronder gezet en zijn ze er uitgekomen. Tot de dag van vandaag is het een goede en harde les; dat nooit meer.

Studie
Terwijl haar moeder aan een eigen carrière werkte om haar kinderen betere tijden te kunnen bieden doorliep Karin het Gymnasium Felisenum in Velsen Zuid. Daarna begon ze aan een studie Psychologie. Van schrijven was nog geen sprake, van lezen wel, veel lezen. Na een tijdje kwam ze er achter dat de gekozen studie haar ding niet was en besloot ze ermee te stoppen. Uiteraard moest er brood op de plank komen en ze kwam terecht bij een marketingbedrijf dat zich specialiseerde in entertainment. Grote merken zochten grote namen uit de muziekwereld om hun producten te promoten en het bedrijf waar Karin voor werkte, bracht die twee bij elkaar en zorgde dat de bedachte campagnes werden uitgevoerd. Al snel begreep ze dat dit werk niet heel erg moeilijk was en financieel een stuk lucratiever om het voor eigen rekening te doen dan in opdracht van iemand anders en begon ze haar eigen bedrijf. Met succes, geld verdienen ging haar erg makkelijk af in een hippe, trendy scene. Alleen knaagde het, een studie die niet afgerond was. "Studeer, dan kom je vooruit", zo had ze het van huis uit meegekregen. Dus besloot ze een studie naast haar werk te gaan doen, alleen welke studie. Een vriend adviseerde haar om Letterkunde te gaan studeren. "Waarom", vroeg ze. "Omdat je altijd met je neus in de boeken zit, je bent gek op letters." Hij had gelijk.

Karin Amatmoekrim tijdens Writers Unlimited met rechts Anil Ramdas, links Sheila Sitalsingh en geheel links Noraly Beyer

Ze schreef zich in voor de studie Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en bleef ondertussen gewoon hard doorwerken. Al snel kwam ze er achter dat ze het heerlijk vond om tijdens haar werk heel actief en alert te zijn en zich met haar studie juist helemaal onder te dompelen in een andere wereld. Een wereld van letters, zinnen, boeken, literatuur. Telefoon uit en alleen met taal bezig zijn. Of stil zitten en om je heen kijken, observeren. Wat zie je en welke verhalen kunnen daar bij horen. Gaandeweg groeide het besef dat ze een boek zou willen schrijven, alleen vroeg ze zich af of ze daar goed in zou zijn. Als je ergens niet goed in bent, echt goed, dan moet je er ook niet aan beginnen, zo dacht ze er toen over en nu nog steeds.
Geld verdienen was geen uitdaging meer, een studie afmaken en een echt goed boek schrijven wel. Dat zou het plaatje aanmerkelijk beter maken. Bovendien bleef de liefde voor letters groeien, zou het niet veel leuker zijn om daar in de toekomst van te kunnen leven? Met een idee voor een boek op papier benaderde ze een uitgever en lukte het haar om een contract te krijgen. Nu zullen er mensen zijn die vinden dat hun missie op dat moment al is geslaagd maar Karin dacht daar anders over, heel anders.

Karin Amatmoekrim

Schrijven
"Ik ben ontzettend kritisch op mezelf en van nature ook erg somber," zo vertelt ze aan de rand van het zwembad van het Torarica. "Ik moet altijd eerst de schaduw van alle kanten bekeken hebben, voordat ik misschien ergens een zonnestraaltje kan ontdekken." Op het moment dat ze na het verschijnen van haar debuutroman Het Knipperleven allerlei juichende kritieken en lovende recensies ontving was ze zelf dan ook nog niet onder de indruk van haar prestatie. "Natuurlijk vond ik het leuk om positieve reacties te ontvangen, maar ik was voor mezelf niet overtuigd. Van iemand die Letterkunde heeft gestudeerd mag je verwachten dat die voldoende techniek heeft om een goed boek te schrijven. Dus dat mensen dat dan ook vinden is ergens wel logisch, maar ik vond mezelf daarmee nog niet automatisch ook een goede schrijfster." Na het verschijnen van haar tweede boek, Wanneer wij samen zijn, een generatieroman gebaseerd op haar eigen familiegeschiedenis, bleef de situatie ongewijzigd. Enthousiaste reacties, een twijfelende schrijfster. Pas na het schrijven en uitkomen van haar derde roman, Titus, waarvoor ze in 2006 als eerste de Black Woman Literatuurprijs ontving, was ze er zelf van overtuigd dat ze kon schrijven, echt goed schrijven.
"Toen durfde ik op te houden met mijn marketingbedrijf en fulltime schrijfster te worden. Iets wat ik heerlijk vind, ik begon ook te schrijven voor bladen als de Groene Amsterdammer en Vrij Nederland en schreef columns voor nrc.next. Ook begon ik met lezingen door het land te geven en werkte ik tussen de bedrijven door aan mijn vierde boek." Deze roman, Het Gym, vertelt Karins eigen verhaal van een 'moksi meiti' uit een achterstandswijk tussen de witte hockeymeisjes uit de nette buurten op het oh zo keurige Gymnasium in Velsen Zuid. Het Gym is ook de definitieve bevestiging van haar naam als schrijfster, zowel een goede als een succesvolle schrijfster. Het boek ontving het hoogste aantal sterren in alle literatuurrecensies en wordt nog steeds erg goed verkocht. 
Karin Amatmoekrim

Inmiddels zijn we al weer toe aan roman nummer vijf, De man van veel. Haar moeilijkste boek om te schrijven tot nu toe, zo vind ze zelf, maar wel een boek dat uiteindelijk erg goed gelukt is. Natuurlijk is er kritiek van mensen die vinden dat het levensverhaal van Anton de Kom te beladen is voor een roman. Karin geeft er een diplomatiek antwoord op terwijl ik denk aan alle romans die er geschreven zijn over andere historsiche personen. Kardinale vraag is dan steeds of de roman in kwestie is geschreven door een goede schrijver. In deze is dat zeker het geval.
Ik kijk haar na, terwijl ze richting de Pier verdwijnt voor haar presentatie. Ze vertelde dat ze zich een beetje zorgen maakt. Ze heeft nog geen onderwerp voor een volgende roman en geheel conform haar sombere natuur bevalt haar dat niet. Ik denk dat het wel meevalt en dat er nog veel meer romans van haar gaan verschijnen. Elke nieuwe weer beter dan de voorgaande, ook dat zit in haar karakter. De roman van Amatmoekrims eigen schrijfstersbestaan is nog lang niet volgeschreven.

[uit de Ware Tijd, 27/10/2013]


zaterdag 24 augustus 2013

De grootsheid van een kleine man

Knipbaai Curaçao. Foto @ Feika

door Tessa Leuwsha

Ze gingen samen op vakantie naar Curaçao, Stephan Sanders en Anil Ramdas. Ze waren vrienden, meer dan vrienden, soul brothers, zo had Ramdas dat bepaald. In de Knipbaai lag Ramdas op z’n Surinaams steevast in de schaduw. Sanders (half blank, Nederlander) liet zijn lichtbruine bast bruinen in de zon. Ze maakten plannen voor later. Nadat hun ambitieuze dromen waren uitgekomen, zouden ze zich vestigen op Curaçao, gevoelsmatig lag het eiland tussen Nederland en Suriname in. In een voormalig koloniaal landhuis zouden ze in groot familie- en vriendenverband hun dagen slijten. Voor Ramdas droeg dat huis symboliek: aan het einde van zijn loop- en levensbaan zou hij van underdog topdog zijn geworden: geen inwoner meer uit de periferie van het Nederlandse koninkrijk. Hij zou zelf de koloniaal uithangen.

Anil Ramdas. Fotoportret door Nicolaas Porter

Het liep anders. In dat droomhuis van Ramdas school in overdrachtelijke zin het breekpunt tussen de twee schrijvers/journalisten. Een eigen plek op de wereld, een huis en tuin, alles ordelijk: het is een bekend Surinaams streven dat Ramdas weerspiegeld zag in A House for Mr. Biswas, de bekende roman van de Trinidadiaanse schrijver V.S. Naipaul, Ramdas’ rolmodel. Met die wensdroom belandde Ramdas in een spagaat: leven als een burgerman met gezin, zonder zelf middelmatig te zijn. Sanders, opgegroeid in de provincie Twente-Nederland, een jeugd vol rust en regelmaat, beïnvloedde Ramdas in het najagen van die opwinding.
Behendig maakt Sanders in zijn ‘memoir’ een vergelijking tussen zijn tijdelijk verblijf in de polderstad Almere en Ramdas zelf: de stadverhuizer van Amsterdam naar Almere tegenover de landverhuizer. Ramdas maakte zijn niet-Nederlandse achtergrond - the black experience - tot zijn professionele unique selling point, in Nederland een overwegend gemarginaliseerd onderwerp. In latere jaren (Ramdas is dan aan de drank, zijn carrière glijdt bergafwaarts) leverde hem dat een verkokerde visie op over ‘white trash’: de blanke middelmaat van rechtse PVV-stemmers, de partij die Nederland vooral voor de Nederlanders wil. In Almere behaalde die partij een meerderheid van de stemmen. Ramdas, die graag burgerlijk woont maar die anderen hun burgerlijkheid verwijt: er spreekt net zo weinig inleving uit als de Amsterdammer Sanders die zich ingraaft in de in zijn ogen superieure, intellectuele Amsterdamse elite. En toch deelt Sanders de zwart-witmening van Ramdas niet, hij zoekt eerder de nuance. Het is niet het begin van hun verwijdering, maar een voortzetting daarvan. De barsten waren al eerder zichtbaar, de grenzeloze dadendrang van Ramdas viel voor Sanders niet bij te benen. Ze presenteerden samen een tv-programma, Sanders gooide na drie jaar uitgeput de handdoek in de ring. Voor Ramdas was the sky the limit. De Nobelprijs minstens, zoals voor V.S. Naipaul, de schrijver die Ramdas ook in leefstijl imiteerde: arrogant, megalomaan, en uiterst kritisch ten aanzien van zijn Caraïbische achtergrond. Ramdas’ journalistieke opdrachtgevers zagen die eigen nestbevuiling graag; het leverde Ramdas verwijdering op van zijn natuurlijke achterban. Kon Naipaul zich in het grote Engelse taalgebied zijn verwaandheid permitteren, voor Ramdas werd Nederland te krap. Doe maar gewoon. Anil wist niet meer wat gewoon was.
Foto Realworld


Eenzaamheid. Sanders hoort Ramdas dat doemwoord maar één keer uitspreken. In die periode staat Ramdas droog. Zonder drank, hun natuurlijke spraakwater, verwatert hun contact tot ongemakkelijke beleefdheid. Onder die plichtpleging suddert een broedertwist als een Griekse tragedie, met alle kenmerkende ingrediënten: concurrentie, jaloezie, eergevoel. Had Sanders zijn soul brother kunnen redden van diens zelfverkozen dood? Met meer aandacht, liefde en begrip? Had hij zich niet moeten afkeren van het pedante mannetje (Ramdas was klein van stuk) dat zijn vriend was geworden? Dat zijn de schrijnende vragen die Sanders zich aan het eind van zijn ‘memoir’ stelt. Ramdas’ persoonlijkheid overschaduwde ook zijn werk. In zijn enige en laatste roman, Badal, beschrijft hij via een alter ego haarscherp de mechanismen van zijn eigen val, tegelijk krijgt hij het voor elkaar door die persoonlijke tragiek een gelaagde sociaal-maatschappelijke studie te verweven. Een oordeel vellen over het werk bood echter de mogelijkheid ongelimiteerd gal te spuien over Ramdas zelf, die zo nadrukkelijk op iedere pagina aanwezig is. Ook Sanders kreeg het niet voor elkaar Ramdas opzij te schuiven. Zoals hij geen verweer had tegen hun symbiotische vriendschap, zo gelaten staat hij tegenover de drukte omtrent Ramdas’ roman. Totdat ook die aan hem voorbij trekt. Sanders’ stille weigering langer een trouwe volgeling van Ramdas te zijn, leverde hem na diens dood slapeloze nachten op. En woede: hoe durf je nota bene op je verjaardag uit het leven te stappen? Hoe narcistisch kan iemand zijn?


De tijd schoot de idealen van wereldverbeteraar Ramdas voorbij. De tijd heelt ook wonden. Sanders leert de stad Almere te zien zoals die is, zonder de voortdurende behoefte er iets aan te willen veranderen. Die berusting geldt ook voor Ramdas’ keuze uit het leven te stappen. Een reden: Ramdas’ deceptie in het ooit door hem bewonderde Nederland. Maar meer nog: de teleurstelling in zichzelf. Zonder drank restte Ramdas een angstaanjagende middelmaat. Daarvoor kan Sanders geen begrip opbrengen.

Stephan Sanders: Iets meer dan een seizoen, memoir. Amsterdam: De Bezige Bij, 2013. ISBN 978 90 234 7741 9

Stephan Sanders
Sanders bij Ons Suriname

Op zondag 8 september a.s. signeert Stephan Sanders zijn boek bij de Vereniging Ons Suriname in Amsterdam. Meer informatie over de dag, klik hier.


donderdag 4 juli 2013

Om al die redenen, en vast nog veel meer

door Ezra de Haan

(Over: Stephan Sanders - Iets meer dan een seizoen)


Stephan Sanders en Anil Ramdas. Foto ANP Archief

Anil is dood

Al enige tijd speelt de dood, en daardoor de rouw, een belangrijker rol in onze samenleving dan voorheen. Waarschijnlijk begon het met de (inter)nationale rouw na het sterven van Lady Di. In Nederland denk ik meteen aan de groteske taferelen rond het eerbetoon aan Pim Fortuyn of André Hazes. Dit jaar is er een nieuwe fenomeen bijgekomen, dat van de beste vriend die een eerbetoon schrijft.  En ik begreep meteen dat het moed vereiste. Want hoe blijf je zelf buiten schot? En hoe eerlijk kun en wil je zijn in je schrijven?

Dirk van Weelden was de eerste die de droevige taak op zich nam over een overleden vriend te schrijven en deed dat zoals we dat van hem gewend zijn. Het laatste jaar werd een boek over een vriendschap met randjes. Helaas koos de auteur voor een vorm die zo prominent was dat het verhaal eronder leed. En daarmee kwam, weer, het verschil tussen Martin Bril en Dirk van Weelden tevoorschijn. Het korte, heldere van de columns van Bril tegenover de zeer doorwrochte, elitaire romans van de ander. Het succes van de een en de zucht erna van de ander. Toch kun je Van Weelden van alles verwijten, maar niet dat hij bijzonder eerlijk was geweest.
 
Anil Ramdas: jong en veelbelovend
Stephan Sanders koos voor een heel bijzondere vorm in zijn boekje over Anil Ramdas. Het woord boekje klinkt negatief maar is niet zo bedoeld. Het zijn weliswaar slechts 126 pagina’s en boekje zou dus op zijn plaats zijn, maar ik moest ook aan de woorden: een boekje opendoen, denken. De titel van het boek doet aan die van Van Weelden denken. Iets meer dan een seizoen. Waar de een het over het laatste jaar heeft in de titel, het jaar waarin de vriendschap weer even werd als voorheen, durft Sanders aan te geven dat zijn vriendschap ‘iets meer dan een seizoen’ duurde. Tegelijkertijd refereert de titel aan Sanders’ kortstondige verblijf in Almere. Seizoenswerk noemt Sanders cynisch de periode van februari tot en met juni 2010 die hij als schrijver op verzoek van de Almeerse gemeenteraad in de polderstad doorbracht.

Toch is de periode in Almere cruciaal voor het boek over Ramdas geweest. Sanders wilde over zijn door eigen hand gestorven vriend schrijven, maar hoe? Overmand als hij was door woede en verdriet diende zich niet direct een vorm aan. Frits Huis, een Almeers politicus, gaf hem een goede raad toen ze over het schrijven over Almere spraken. ‘Je moet helemaal niet over Almere schrijven. Hoe lang heeft Gerard Reve in Greonterp gewoond? Geen woord over dat gehucht, alleen zeer indirect. Je moet niet schrijven over de mensen waar je tussen leeft.’ Het zijn de woorden van Huis die doorklinken als Sanders over zijn beste vriend schrijft. De truc lukt, Ramdas wordt Almere en de tekst staat als een huis.

In het begin van Iets meer dan een seizoen merk je dat die omtrekkende beweging nog niet wordt gebruikt. Blijkbaar is die er later, al schrijvende, ingekomen. Het begint dus met voorspelbare nostalgie naar de mooie, ambitieuze jongens die ze ooit waren. Stephan Sanders, toen nog redacteur bij de Groene Amsterdammer, Anil Ramdas, de schrijver van De strijd van de dansers die Sanders met brieven en telefonades bestookte omdat hij door hem besproken wilde worden. Kleur speelt in hun denken een rol. Sanders schrijft over het portret achter op Ramdas’ boek: ‘Een jonge, Surinaamse man. Geen neger - veel beter was ik toen niet ingevoerd in de Surinaamse verhoudingen.’ Over hun eerste ontmoeting schrijft hij: ‘Hij riep bijvoorbeeld meteen: “Maar jij bent ook bruin”, en dat was niet minder dan een hartenkreet, een constatering die alles verklaarde, maar die mij enkel deed blozen.’ Sanders wordt Ramdas’ Caribische broeder en Anil geeft hem meteen de houding die daarbij hoort. ‘Een bruine houding moest het zijn.’ Het is het begin van een intensieve samenwerking, veel gezamenlijke buitenlandse reizen  en een eeuwige zielsverwantschap. Althans dat was de bedoeling en daar leek het in het begin ook op. Maar al snel blijken ze totaal anders in het leven te staan. De negatieve kijk en houding van Ramdas staat haaks op die van Sanders die naar een verklaring voor dit gedrag begint te zoeken. ‘De wraak van een linkse Hindoestaanse jongeman op het Suriname uit zijn jeugd, de vernederende verhalen van zijn grootouders, de contractarbeiders?’ Het zelf de koloniaal uit willen hangen? Sanders probeerde vaak de situatie te redden, na onmogelijk gedrag van Ramdas. Iets wat niet in dank ontvangen werd. ‘Dat was behoorlijk bourgeois van mij, en typisch Eerste Wereld Gedrag.’ Sanders schetst voorbeeldig hoe deze houding bij Ramdas tot stand moet zijn gekomen. Gruwelijk is de scène waarin Ramdas iets te drinken wil bestellen en door zijn kleur wordt genegeerd. Omdat hij zwart is en dat, nota bene, op Curaçao. De situatie maakt de cowboy in Sanders los. Hij geeft een klap op de bar en beveelt: ‘Woman, give that man a beer!’ Jarenlang blijft het een anekdote die Ramdas keer op keer blijft vertellen. Het wordt de metafoor voor hun broederschap. ‘Nieltje’ mag altijd drinken van Sanders.

Almere


En dan krijgt het boek een draai. We belanden met Sanders in Almere, de gedroomde stad voor sommigen, de vermaledijde stad voor anderen. Zeker nadat de PVV daar een grote verkiezingsoverwinning heeft gehaald. Sanders schrijft eerst met de nodige reserves over de stad, begint er dan aan te wennen en krijgt dan langzaam meer oog voor dat, waar hij eerst aan voorbij ging. Tegelijkertijd lardeert hij zijn verhaal met flarden van momenten met Ramdas. Zijn politiek denken en zijn angst voor het ‘Bruine gevaar’. Zijn problemen met alcohol. Ook sluipt de verwatering van de vriendschap het boek binnen. Sanders gebruikt de woorden jaloezie, verraad, concurrentie, broedertwist en verwijst, heel terecht, naar de Griekse tragedie. ‘Vroeger konden we eroverheen drinken. Vroeger dronken we zoiets weg.’

Stephan was, en is, een te scherpe observator om aan de waarheid voorbij te gaan. Zijn woorden over Anil Ramdas mogen misschien niet vriendelijk zijn, ze zijn wel pijnlijk waar.

‘Anil was een achterblijver, de beheerder van een failliete boedel, die ziet dat zijn levenswerk toen hij even niet oplette een andere richting heeft genomen dan hem oorspronkelijk voor ogen stond. De man die zichzelf en zijn idealen ‘overleefd’ heeft en dus ‘overbodig’ dreigt te worden.’

‘Anil Ramdas werd niet meer serieus genomen, althans, niet zo serieus als behoorlijk zou zijn. Hij was zijn veelbelovendheid kwijtgeraakt – dat gebeurt met elk talent dat geen eendagsvlieg blijkt te zijn. Maar erger nog: hij was ‘verwaarloosbaar’ geworden.’

Het is een situatie die niemand ambieert en zeker iemand als Ramdas niet. Die had zijn portie al gehad. Het verhaal dat Sanders over Ramdas’ jeugd ophaalt, liegt er niet om. Die tienerjaren waren niet makkelijk in Paramaribo. Samen met zijn moeder probeerde hij, voor de buitenwereld, een bepaalde klasse voor te stellen. Maar de middelen daartoe ontbraken.  Het huis was ruim, maar leeg. Niemand kon op bezoek komen. Er werd bezuinigd op het eten en de jonge Anil kende ‘vlagen van honger’. Hij stal soms wat blikjes bij zijn vader. Belangrijk was: ‘Geen woord tegen niemand, we laten ons niet te schande maken.’ Zo ontstond Anil Ramdas ‘een jongeman, met een bijzonder talent bovendien: voor verhalen, voor fabuleren, voor keeping face en grootspraak.’

Ondertussen schrijft Sanders door over Almere, de stad die zoveel verwachtingen waar moest maken en uiteindelijk een tochthol werd voor vluchtende Amsterdammers. Dat Almere wordt een metafoor voor Anil Ramdas. Veelbelovend en toch… Sanders gebruikt de metafoor met verve.

‘Kan een stad mislukken? Ik geloof het niet, een plan kan mislukken maar een stad niet.
Net zomin als een leven - dat kan anders lopen dan verwacht, gehoopt, voorzien, gewild en nog zo wat. Het kan stranden in middelmaat, verworden tot sleur, uitlopen op een deceptie. Maar mislukken kan een leven niet.’


Moedig zijn Stephan Sanders woorden als hij naar zijn eigen rol in de teloorgang van Anil Ramdas kijkt. Hij weet waar en wanneer hij een nieuwe samenwerking uit de weg ging, geeft zichzelf mede de schuld als hij het over de drankproblemen van zijn vriend heeft. Was hij niet degene die Ramdas op een andere manier van leven wees, waarin alcohol hem wat losser kon maken? En ook dat de vriendschap op zo’n laag pitje stond dat hij Ramdas' zuster vaker dan hemzelf zag. Zelfs zijn verjaardag, de dag van zijn zelfverkozen dood, had hem niet de impuls van een telefoontje of bezoek gegeven…

Iets meer dan een seizoen is een voorbeeldig boek. Ondanks dat op vrijwel iedere pagina het woord ‘maar’ voorkomt. Het gaat over afscheid nemen en vriendschap. Het is een pijnlijk boek, door zijn eerlijkheid en door zijn formaat. Want waar in hun jonge jaren Ramdas meerdere pagina’s nodig had voor zijn commentaar op Sanders stukjes, blijkt nu Iets meer dan een seizoen zoveel meer te bieden dan Ramdas laatste schrijven. Eigenlijk zet dit veel dunnere boekje Ramdas’ Badal in de schaduw. Soms is minder meer.

[Bron: Literatuurplein]



zaterdag 18 mei 2013

Openbaar werkcollege over laatste boek van Anil Ramdas

Op vrijdagmiddag 24 mei a.s. vindt er een openbaar werkcollege plaats over Caraïbische literatuur bij de Vereniging Ons Suriname in Amsterdam. In het werkcollege wordt het laatste boek van Anil Ramdas behandeld: de roman Badal, uitgekomen in 2012. Het college wordt geleid door prof. Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam. Het is het slotcollege van zijn reeks Caraïbische Dromen, van het academisch jaar 2012-2013. In de reeks traden verschillende gastauteurs en gastdocenten op: Gharietje Choenni, Jos de Roo, Robert Vuijsje en Wim Rutgers.
Het werkcollege is publiek en gratis toegankelijk. Enige voorwaarde voor deelname is dat men de roman Badal heeft gelezen. Behalve de UvA-studenten worden ook alle andere geïnteresseerden nadrukkelijk uitgenodigd actief deel te nemen aan het werkcollege over de roman van Anil Ramdas.
 
Michiel van Kempen. Foto @ Seann Punci
Datum: vrijdag 24 mei 2013
Tijd: 14.30-16.00 uur.
Locatie: Vereniging Ons Suriname
Hugo Olijfveldhuis
Zeeburgerdijk 19-21
1093 SK  Amsterdam


zondag 17 februari 2013

‘De hoop om in een andere wereld aan te komen was ijdel’; Anil Ramdas 1958-2012 (IV en slot)

door Michiel van Kempen
De Balie in Amsterdam

Als hij in 2003 terugkeert naar Nederland, volgt stadium 2 van de intellectueel-tegen-het-plafond: Anil Ramdas wordt directeur van het cultureel centrum De Balie in Amsterdam. Het staat hem geheel vrij invulling te geven aan een nieuw, internationaal georiënteerd programma: een droombaan. Maar Ramdas heeft een erfenis uit India meegebracht die hem lelijk zal opbreken: de whiskeyfles. Na anderhalf jaar, wanneer het personeel van De Balie hem weer eens gewillig van de trappen moet dragen, valt het doek. Hij weet zelf maar al te goed dat hij speelt met vuur. Maar wie heeft door dat de volgende zet die hij doet, hem nog verder van huis brengt: hij wordt een jaar lang writer-in-residence in zijn geboorteland.

Café 't Vat in Paramaribo

Hoe komt het dat de scherpzinnige analyticus en begaafde stilist Anil Ramdas zich praktisch nergens vertoont in Paramaribo; de vrolijkste stad van de jungle (2009)? Dat komt omdat Anil Ramdas totaal niet geïnteresseerd was in het Paramaribo van de eenentwintigste eeuw. Wie de uitgestrekte stad een beetje kent, ziet dat hij zich bewogen heeft op een as van hooguit 500 meter lengte: Combé – waar zijn logeeradres was, waar het terras van café ’t Vat ligt en waar zich het luxe hotel-casino Torarica bevindt. Boose, hoeren en vreten te over op die 500 meter, al is voor Anil de boose afdoende. Alle Nederlandse kakelende stagiaires dalen ‘op Combé’ neer vanaf hun damesfietsen, de toeristen, de zwetsers, de gokkers, de nitwits, de nouveau riches in hun suv’s: je vindt ze allemaal ‘op Combé’ en je kunt ze allemaal missen als je echt wil peilen hoe Paramaribo er voor staat.

Het boek opent zoals alle clichéreisverslagen over de Derde Wereld openen: aankomst in het hotel, ergernis dat de laptop het niet doet. Waar hadden we het voorbeeld ook weer gelezen, natuurlijk: W.F. Hermans, 1969, De laatste resten tropisch Nederland: aankomst in het hotel, de douche doet het niet. En daar gaan we dan op de grote klaagtrein: de elektriciteit valt uit, de ambtenaren zijn lui of corrupt, creolen verstaan zich niet met hindostanen, het enige wat Surinamers goed kunnen is dansen, het terras is slecht betegeld, de Sommelsdijcksekreek stinkt. V.S. Naipaul zag het ook allemaal al in het begin van de jaren ’60, maar het verschil is: Naipaul was wél betrokken bij de mensen, hij sprak uitvoerig met iedereen. De negers irriteerden hem of amuseerden hem, maar in irritatie en amusement zit toch minstens een bepaalde mate van betrokkenheid. Maar de mensen verveelden Ramdas. Dat hij bij de mensen betrokken was – behalve bij zijn vaste taxichauffeur –, blijkt nergens uit. Wat hij van zijn goeroe Naipaul had overgehouden was de ergernis over wat hij zag als gebrek aan ontwikkeling, beschaving en moderniteit.
Foto Korps Politie Suriname

Geloof me, Paramaribo was na dertig jaar enorm veranderd toen Ramdas in zijn geboorteland terugkeerde, zeker demografisch. Maar van de nieuwe stadsbevolking – de indianen, de marrons, de Brazilianen – zien we niets in het boek. De enige ‘boslandcreool’ die hij ontmoet is een verkoopster van napie (een wortelsoort), hij wil haar kostgrondje zien, maar de pret is al na een pagina over, het is te warm: ‘Terug naar de auto en de airco aan, dacht ik, ik wilde al niets meer weten van napies en van het leven van een boslandcreoolse vrouw.’ Creolen dansen wel links en rechts door het boek, en zij hebben natuurlijk ‘woeste ogen en agressieve houdingen’, precies als in negentiende-eeuwse Nederlandse jeugdboeken. De enigen die uitvoerig in beeld komen zijn de hindostanen, en dat geeft exact het perspectief van Ramdas aan: het beeld is gefixeerd op het jaar 1976, toen hij Suriname verliet. Hij drinkt met hindostanen, op wat kortgerokte dellen na allemaal mannen. Ze nemen hem mee naar hun eigen hoerengelegenheden die er vroeger niet speciaal voor hen waren (toch ontwikkeling dus), hij krijgt mensen viavia te spreken omdat ze hindostaan zijn enz. enz. Dat hij op zijn eigen etnische schreden terugkeerde, ware hem vergeven, als dat dan maar had geleid tot een enigszins dansante analyse van het eigen verdwaald-zijn tussen nostalgie en ergernis. Niettemin houdt Ramdas iets van zijn napie-expeditie over: als hij thuis onder de koele douche staat (de tijden blijken toch veranderd sinds W.F. Hermans), ontdekt hij vreemde korstjes op zijn hoofdhuid: een aanval van psoriasis. En net als Dennis Potter, de schrijver van The Singing Detective, gaat hij er scherper door schrijven, en laat hij zelfs nuances toe in de grimmige plattegrond van Paramaribo waarin hij op een of andere manier ook zelf een plaats heeft: ‘Soms was ik bitter, soms geamuseerd, soms vertederd, maar altijd had ik het gevoel dat het land er uiteindelijk toe deed.’
Foto @ Mikey Stephens

Terug in Nederland stelde Ramdas zich twee grote opgaven: het onder controle krijgen van zijn drankprobleem, en het schrijven van de grote roman die geen enkele Nederlandse schrijver ooit had geschreven. Zoals hij al eerder in een fel debat met Joost Zwagerman had betoogd: de roman over multicultureel Nederland, waarin migranten niet als exotische uithangbordjes werden opgespijkerd, maar waarin ze volwaardige karakters van vlees en bloed zouden zijn. De roman Badal uit 2010 werd met zijn meer dan 400 pagina’s een grote multiculti-roman, maar al na een pagina of twintig grijnst de drakenmuil van de verveling de lezer toe. Daar begint de ik-figuur aan een vriendin omstandig te beargumenteren wat een goed onderwerp zou zijn voor een workshop over het thema Apartheid – de lezer mag hier enkele bladzijden aan elkaar lijmen want anders schiet het totaal niet op. Het had bij een uitglijder kunnen blijven, maar de omgevallen boekenkast die Ramdas ook in zijn conversaties kon zijn, manifesteert zich tot in alle uithoeken van het verhaal, dankzij de juxtapositie van een ouwehoerende hoofdpersoon, de hindostaan Badal, versus zijn vriendin S., type van de altijd luisterbereide moeke, die wel school heeft gegaan (want ze kent het woord ‘emancipatie’) maar die verder het liefst over het strand loopt, de haren conform alle Bollywoodfilms wapperend in het gezicht.
Xenofoob Nederland

Behalve alle denkbare multiculti-problemen van de voorafgaande twee decennia, moest Badal ook een analyse worden van wat Ramdas noemde white trash: het verschijnsel van de opkomst van de aanhang van xenofoob rechts, de PVV van Wilders. Maar Ramdas’ analyse faalde niet enkel door een gebrek aan lijn in het verhaal, ze miste overtuiging doordat zijn oude etniciteitsinstrumentarium faalde, én omdat hij geen oog had voor wat hij vroeger met zoveel mededogen kon neerzetten: de angsten van de kleinburger. In de definitieve roman over de multiculturele samenleving mag alles dooreen geklutst worden, waarbij dan de leidraad wordt gevormd door de klutswoede van de heer Badal, een journalist die het plafond van de journalistiek heeft bereikt, vervolgens zijn leven onderdompelt in de alcohol en daarmee zijn carrière en gezin op het spel zet.
Vele, vele draden hechten de figuur van Badal aan de persoon Anil Ramdas, en soms levert dat voortreffelijk geschreven passages op. Maar het spel van fictie en werkelijkheid mislukte, omdat het boek nog het meeste weg had van een autobiografie die in twee dagen tijd was omgebouwd tot een hij-roman. Badal was geen sleutelroman, het was geen ideeënroman, het was het relaas van een migrant die met een te klein elastiek tevergeefs probeert de grote weckpot van de samenleving vacuüm af te sluiten.
Het einde, wanneer Badal de zee inloopt, was er te nadrukkelijk aan vastgebreid. ‘Het treurige einde maakt ten overvloede duidelijk dat ik het niet zelf ben,’ zei Anil Ramdas in een interview in Vrij Nederland (14 mei 2011). Toen hij nog leefde, kon je dat verbijsterend simpel noemen. Nu, met de wetenschap van de vrijwillige keuze voor de dood die Ramdas maakte, is het een verbijsterend keurmerk geworden van de authenticiteit van een versnipperd migrantenleven, ogenschijnlijk zo succesvol, in wezen vol van een faalangst die angstwekkender proporties aannam naarmate Ramdas de lat hoger legde, zo hoog dat hij er zelf ook niet meer bij kon.

Foto CubaGallery