![]() |
| Beeld: Edward Wong Loi Sing |
![]() |
| Foto @ John Taylor |
![]() |
| Foto @ Nicolaas Porter |
![]() |
| Hindostaanse meiden |
![]() |
| Foto Lousika |
![]() |
| Foto @ Ingrid Moesan |
![]() |
| Foto: Sylvana Karsters |
![]() |
| Welke mix? Foto @ Zacharias Jung |
![]() |
| Martha Koenders |
Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
![]() |
| Beeld: Edward Wong Loi Sing |
![]() |
| Foto @ John Taylor |
![]() |
| Foto @ Nicolaas Porter |
![]() |
| Hindostaanse meiden |
![]() |
| Foto Lousika |
![]() |
| Foto @ Ingrid Moesan |
![]() |
| Foto: Sylvana Karsters |
![]() |
| Welke mix? Foto @ Zacharias Jung |
![]() |
| Martha Koenders |
![]() |
| Brownsberg |
(IMWO) van de Anton de Kom Universiteit van Suriname heeft met de uitgave van het tweede nummer (juni 2011) van het op jaarbasis te verschijnen tijdschrift His/her Tori, tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, opnieuw een belangrijke bijdrage geleverd aan de informatievoorziening op het gebied van de twee genoemde disciplines. De ‘prominente historicus’ die suggereerde dat ‘bij verschijning van slechts één nummer per jaar de lezers het tijdschrift misschien al vergeten zijn wanneer de volgende uitgave verschijnt’ (zie ‘Ten geleide'), krijgt ongelijk: een tijdschrift op dit niveau wordt uitsluitend gekocht door de werkelijk geïnteresseerden, die het na lezing zorgvuldig bewaren en uitzien naar het volgende nummer.
benadrukt in zijn artikel ‘Een masteropleiding geschiedenis in Suriname; Een stap op weg naar versurinamisering van de geschiedschrijving van Suriname’, het eigen perspectief van waaruit de Surinaamse geschiedenis geschreven en/of herschreven moet worden en dus: het grote belang van ‘eigen’ historici. Hassankhans artikel leert ons dat de masteropleiding geschiedenis een eenmalige opleiding zal zijn, waarbij ‘zal worden samengewerkt met bevriende instituten en wetenschappers in het buitenland’ (p. 15).
In de tot artikel bewerkte mo-b-scriptie van Helga Banks (foto links), ‘Integratie van Suriname in de Caricom in historisch perspectief, 1973-2008 een moeizaam maar positief proces’, wordt de toetreding van Suriname tot de Caricom behandeld. Wie alles weten wil over de diverse door Suriname doorlopen stadia in de loop der jaren en de rol die Suriname speelde en speelt in de Caricom, leze dit bol van informatie staande maar toch goed leesbare artikel.
Het is een recensie over het boek Kahe Gaile Bides, wat betekent ‘Why did you go overseas’ of ‘Waarom men wegging’. Het boek is een studie over de hindostanen die uit India zijn weggetrokken, maar er toch in zijn geslaagd generaties lang zekere aspecten van hun cultuur in ere te houden.
ijk geschrift. Verder is het geschreven en uitgegeven in het Engels. Marten Schalkwijk (foto rechts) behandelt de geschiedenis van de zogenaamde plantagesamenlevingen in het Caraïbisch gebied en doet dit aan de hand van een case study van Suriname. De manier waarop hij dit doet is echter niet alledaags. Ook beperkt hij de informatie in het boek niet tot Suriname, maar wijdt ook uit over andere koloniën. De focus blijft wel Suriname als goed voorbeeld van een plantagesamenleving.![]() |
| Janki, ca. 1900 |

Henry Ori, Jennifer Van Dijk-Silos, Richard Kalloe, Edward Dew en Marten Schalkwijk. Foto: @ Maya Singh.door Joop Vernooij
Jan Schalkwijk (1923-2002) kwam in 1952 in Suriname voor pastoraal werk binnen de Hindostaanse Zending van de Evangelische Broedergemeente. Hij werkte ook als docent op Jamaica. Het werk heeft zijn leven bepaald en hij wilde zijn ervaringen over de ontwikkelingen van de zending in het Zuid-Caraïbisch gebied, Gyuana, Trinidad en Suriname, samenbundelen in een proefschrift aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij ging zo uitbundig aan de slag dat hij een 1.000 bladzijden tekst bij elkaar had geschreven. Door omstandigheden (zijn 2 promotoren overleden) moest hij een nieuwe promotor zoeken. Die vond hij wel maar die bepaalde dat een 300 bladzijden wel genoeg zou zijn. Jan Schalkwijk is er niet meer aan toe gekomen. Zijn zoon Marten heeft zich over het materiaal ontfermd en heeft de tekst gereduceerd tot een publicatie van 703 bladzijden. Er is dus het een en ander weggelaten. Maar dan nog is het een hele pil.
Twee meisjes uit het kindertehuis van de Evangelische Broedergemeente in Alkmaar aan de Commewijne. Uit P.M. Legêne, Suriname, land mijner dromen.
In 2001, toen de Hindostaanse Zending in Suriname van de Evangelische Broedergemeente 100 jaar bestond heeft Jan Schalkwijk een jubileumuitgave verzorgd over die honderd jaren Hindostaanse Zending in Suriname. Deze Hindostaanse Zending 1901-2001 werd uitgegeven in de serie van het Theologisch Seminarie van de Evangelische Broedergemeente Suriname te Paramaribo, nummer 8, 70 bladzijden en met enkele foto’s.
Er wordt een beetje gesjoemeld met het woord hindoestaan en hindostaan. Actueel is het gebruik van het woord hindostaan aan te bevelen omdat hindoestaan zou suggereren dat het gaat om hindoes. Maar Hindostanen zijn niet alleen hindoe, maar ook islamiet, christen, anders of niks wat religie betreft.
Een tweede opmerking willen we maken. Zending is hetzelfde woord als missie, maar dat is katholiek. De Hindostaanse missie had van doen met Rajpur, Giryapur (Kilometer 25 aan het Pad van Wanica), Ranipur en andere katholieke instellingen voor Hindostanen.
Jan Schalkwijk had zijn materiaal voor zijn dissertatie bepaald van 1850 tot 1980. Begrijpelijk en in 1980 actueel. Het probleem is nu dat we 30 jaren verder zijn en statistieken, die Schalkwijk graag gebruikt, niet meer actueel zijn. Bovendien zijn er in de Hindostaanse zending in Suriname in die afgelopen 30 jaren interessante zaken gebeurd. Het materiaal is dus niet actueel gedateerd, maar is wel goed bruikbaar. Dus daar moeten we het mee doen: niet erg want er is een heleboel te vinden in deze publicatie.
Schalkwijk kiest voor de geschiedenis van de zending (kerk) in de regio en heeft veel te melden. Hij doet dat min of meer chronologisch, gebruikt perioden en fasen. Deze geschiedenis zou ook thematisch behandeld kunnen worden, zoals lidmaatschap en alles er omheen, kerkkeuze en alles er omheen, kerkorde en alles er omheen en andere belangrijke zaken in kerk en wereld. Er zou nog wel een discussie mogelijk zijn over zijn methode van (historisch) kritisch onderzoek.
Schalkwijk heeft drie grote delen: de zendingsgeschiedenis in de regio, de hindostaanse zending, christenen en gemeenten en de Noord-Atlantische voortzetting (in Europa), conclusies en perspectieven. Vele mensen van de Caribbean zijn verhuisd naar Europa, naar de voormalige moederlanden. Daar zijn groepen tot leven gekomen of hebben onderdak gevonden bij bestaande religieuze instituties. Er zijn migrantenkerken ontstaan. In elk geval de moeite waard er aandacht aan te geven. Schalkwijk zelf was later betrokken bij het werk van de Evangelische Broedergemeente in Nederland, ook al doordat hij studieleider was van het Broedergemeente-seminarie te Zeist.
Kader
Schalkwijk plaatst zijn onderwerp in het vereiste kader, in de historie van de Caribbean en Southern Caribbean, toegespitst op Trinidad, Guyana en Suriname. Er is natuurlijk heel wat te melden vanuit de koloniale tijd en de tijd van de slavernij in die landen en over de christelijke kerken die meekwamen met de overheersers. Ook kwam mee de verscheidenheid aan talen en religieuze richtingen. De regio werd gefragmenteerd, gesegmenteerd, door de Europese machten en de aanmaak van de diverse gebieden (die nog al eens van eigenaar verwisselden). De regio werd een religieuze lappendeken (mamyo) en de nieuwe lokale volken moesten het daar dan maar mee doen. De onderlinge verbindingen via cultuur, talen en arbeid leverden contacten, ondersteuning en uitwisseling in de regio op.
Plaatselijk
Na 1838 als in de Engelse gebieden mensen uit Brits-Indië op de plantages komen werken, begint de evangelisatie of de zending van de kerken. Dat wil zeggen: waar komen deze contractarbeiders religieus aan bod? Welke kerken laten zich met hen in? De contractarbeiders brachten vormen van hindoeïsme mee, vertegenwoordigden diverse richtingen van de islam en een enkeling was christen. Schalkwijk gaat dan haarfijn na waar de nieuwelingen terecht gekomen zijn en welk soort kerken zich op hen gericht hebben/ zich ervoor ingezet hebben. En dat waren allereerst niet de traditionele koloniale kerken, maar zendingsgroepen uit bij voorbeeld Canada, India, de Verenigde Staten van Amerika en Europa. Ook weer een lappendeken. Soms zijn de gegevens van Schalkwijk erg gedetailleerd en een beetje overbodig: niettemin weet hij het een en ander als geen ander te melden. Van de andere kant is hij juist te snel omdat hij dan wel wijst op conflicten en fricties (tussen zendelingen en zendingsbesturen), maar daar hoor je het fijne niet van. Ook niet wat de Hindostaanse Zending in Suriname betreft, waar zich ook wel ernstige tegenstellingen voordeden, naar ik me heb laten vertellen en ook nog een beetje heb meegemaakt. Daar hoor je dan juist weer te weinig over.
Hij behandelt in het zevende hoofdstuk de historie van de Hindostaanze Zending in Suriname. Dat is eigenlijk al gepubliceerd in het bovenvermelde gedenkboek over 100 jaar Hindostaanse Zending 1901-2001. In dit hoofdstuk behandelt Schalkwijk ook de Hindostaanse missie van de katholieken en de activiteiten van andere christelijke kerkgenootschappen of geloofszendingen.
Dit uitgebreide blok sluit Schalkwijk af met de behandeling van inter-Caribische zending en zendingssamenwerking. Een leuk thema omdat er op kleine schaal veel uitwisseling en ondersteuning plaatsvond. Dat was het voordeel omdat men bijna op elkaars schoot zat met de vele nabije eilanden.
Stand
Het geheel overziend komt Schalkwijk tot conclusies en perspectieven. Hij is daarin niet kinderachtig en schetst enkele grootse perspectieven. Althans hij wijst op fundamentele karakteristieken, zoals de positie van de Zuid-Caribische mens te midden van andere volken en groepen, of de Afro-Caribische zending tussen culten en kerken, tussen tempel en moskee, tussen volksreligies en ideologieën.
Het geheel vat hij samen in de twee begrippen micro-kosmos en macro-kosmos. De Hindostanen die christen werden, waren onderdeel van een groter verband, hun etnische verbondenheid en identiteit. De kleine groepen binnen kleine groepen en binnen etnische minderheden schiepen aparte problemen maar ook aparte handvatten om te strijden voor identiteit en grotere verbanden. In het gedachtegoed van de Evangelische Broedergemeente is zending iets anders dan kerk: zo bestond de Hindostaanse zending binnen de creoolse kerk (van de creolen). Om te ontsnappen aan het enge van de zending op weg naar het grootse van kerk liggen vele valkuilen maar ook mogelijkheden om van gesloten groep tot een open groep te groeien of van exclusief naar inclusief.
Dat levert processen van behoud en verandering op, ook bij kerkelijk leidinggevenden die echter nog wel eens bekrompen konden omgaan met deze veranderingsprocessen, te midden van de diaconie, het onderwijs, de media, de opleidingen en de toerusting.
Momenteel – na 1980 – staan eveneens belangrijke thema’s op de agenda: de Surinaamse Broedergemeente als een kerk, de aandacht voor mensenrechten en vrijheid, de positie van vrouwen en kinderen, de dialoog van de godsdiensten. Intussen is het Surinaams religieus panorama veranderd (nogal wat nationale religieuze feesten) met gunstige en minder gunstige effecten. Dat is uitdagend.
Tenslotte wil deze studie een bijdrage leveren aan de groei van de universele zendingswetenschappen. Natuurlijk is een van de grootste kwesties die in het boek naar voren komen, hoe het nu eigenlijk zit met bekering (collectief of individueel), kerklidmaatschap, de moraal en de kerkelijke of religieuze tucht.
Er is ook heel wat veranderd in groepen van hindoes en moslims (ook in Suriname en India) en in groepen die volksreligieuze zaken aanhangen (inderdaad, winti). Het is goed dat onderzoek en discussie naar aanleiding hiervan, goed voortgaan. Het kan de zaak van rol en betekenis van religie alleen maar verhelderen en uitzuiveren.
Project
Deze studie heeft een uitgebreide literatuuropgave (bronnen, tijdschriften archieven), een lijst van gebruikte afkortingen en een lijst van hindostaanse woorden. Jammer genoeg is er geen index op plaatsen en personen aan toegevoegd. Enige slordigheden zijner natuurlijk ingeslopen: bijvoorbeeld soms kom je nog het woord hindoestaan tegen, maar ook toevallig Vernooy en Vernooij. Austermoller moet Austermöller zijn (487). Erné in plaats van Erne (213)..
Vorig jaar heeft Kirtie Algoe in Suriname een masterscriptie gemaakt over de institutionalisering van hindoeïsme in Suriname en Trinidad en Eric Roosken in Rotterdam over Caught between Christianization, assimilation and religious independency bij de Hindostanen in Suriname. De kwestie blijft gelukkig aandacht trekken.
Jan Schalkwijk heeft zijn onderzoek niet voor niets gedaan en het is goed dat zijn zoon er werk van gemaakt heeft (en er veel werk aan gehad heeft). Het vele is ook goed.
Ontwikkeling van de zending in het Zuid-Caraïbisch gebied - in het bijzonder onder de Hindostanen 1850-1980
Marten Schalkwijk, The Colonial State in the Caribbean; Structural analysis and changing elite networks in Suriname 1650-1920 Twee projecten
In het voorjaar keren Artwell Cain en Stephen Small terug naar Suriname om de samenwerking met de Anton de Kom Universiteit verder uit te bouwen. Artwell Cain vertelt dat het Ninsee aan twee projecten werkt, die met het slavernijverleden en de erfenis te maken hebben. Wat die projecten precies inhouden, kan hij nu nog niet zeggen.
Subsidie
Of het Ninsee ook na 2012 subsidie krijgt om dit werk voort te zetten, is nog onzeker, maar Artwell Cain is optimistisch. De directeur zorgt dat de boekhouding in orde is en hij vertrouwt er bovendien op dat de Nederlandse overheid ook inziet dat de invloed van dit slavernijverleden op de Nederlandse identiteit essentieel is.

Op 7 november a.s. staat het Colloquium van het Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek in het teken van Anton de Kom: