Posts tonen met het label Schalkwijk Marten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Schalkwijk Marten. Alle posts tonen

woensdag 18 september 2013

Creool, Marron, Afro-Surinamer

Beeld: Edward Wong Loi Sing  

door Nikki Mulder

In Guyana is het gemakkelijk: iedereen met Afrikaanse roots is African/Black of gemengd. In Suriname is de volkstelling echter aanleiding voor behoorlijk wat discussies over zwart, zwarter, zwartst. Stadscreool, plantageneger, busnengre: het zijn allemaal woorden die uiteindelijk op hetzelfde neerkomen. Of toch niet?

"Carl Breeveld en Ronnie Brunswijk zijn gewoon twee negers, ongeacht of de één nou beter geschoold is dan de ander of er bepaalde tradities op nahoudt." In een ingezonden stuk inde Ware Tijd van 12 september stelt Irwin Maatrijk resoluut dat we moeten ophouden met het indelen van de Afro-Surinaamse bevolking. Volgens hem is het koloniaal om onderscheid te maken tussen Creolen en Marrons. Wat er toe doet, zijn je Afrikaanse wortels.
Foto @ John Taylor

Zijn opiniestuk is een stevig pleidooi voor het aanpassen van een gedateerde administratie. Maar 'Creool' en 'Marron' zijn hoewel niet onbetwist ingeburgerde identiteiten. "Etniciteit geeft aan hoe personen zichzelf zien en hoe ze zich voelen", zegt Iwan Sno, de directeur van het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS). Het heeft daarom minder te maken met vaststaande kenmerken en meer met cultuur, taal en de betekenis die je er zelf aan geeft. Dat maakt etniciteit veranderlijk en wankel, maar niet minder emotioneel beladen.

Blanke Creool
Sno herinnert zich bijvoorbeeld een voorval uit de vorige telling in 2004. "Een blanke man, een geboren en getogen Surinamer, gaf 'creool' op als etniciteit." Niet zo gek met de woordenboekdefinitie van 'creool' in het achterhoofd: een afstammeling van Europeanen in Latijns-Amerika of het Caribisch Gebied. "Maar die veldwerker dacht waarschijnlijk: 'Je bent niet goed snik' en kruiste Kaukasisch/blank aan." Dat schoot de man in het verkeerde keelgat; hij joeg de ABS-teller van zijn erf.

De Verenigde Naties schrijft het stellig in zijn richtlijnen voor volkstellingen: etnische identiteit is iets wat je zelf bepaalt. Overheden of veldwerkers mogen etniciteit dus niet opleggen. Dat zoiets niet altijd even gemakkelijk is in het etnisch meest diverse land van het Caribisch Gebied, weet Sno maar al te goed. Bij elke telling moet daarom kritisch gekeken worden naar de categorieën die het ABS gebruikt om de verschillende bevolkingsgroepen te benoemen. Ook is het nodig dat iedereen ongeveer hetzelfde verstaat onder die groepen. Vooral bij Afro-Surinamers leidt dat tot veel vragen en discussies.

Foto @ Nicolaas Porter


Evenwicht
Creolen zijn historisch gezien een groep waarbinnen veel mensen in elk geval een beetje van gemengde afkomst zijn. Vroeger werd de 'gemengde' bevolkingsgroep door het ABS altijd samengevoegd met Creolen. Dat had een sociaal-politiek voordeel. Deed het ABS dat niet, dan sloeg de demografische balans over naar de Hindostanen. Op papier was er zo een evenwicht tussen de twee groepen. Socioloog Marten Schalkwijk roemt de samenstelling van de Surinaamse bevolking, van wie de grootste groep toch niet groter is dan dertig procent van het totaal. "Dat betekent dat geen enkele groep dominant is en je gedwongen bent om sámen te leven en oplossingen te vinden voor problemen."
Hindostaanse meiden

Dat administratieve evenwicht tussen Creolen en Hindostanen is er inmiddels niet meer. Sinds de vijfde volkstelling in 1980 constateert het statistiekbureau een dalende trend bij de Creoolse bevolkingsgroep. Eerst waren er nog 119.000 Creolen, daarna ongeveer 87.202 en dit jaar telde ABS er nog maar 84.933. In het rapport speculeert de organisatie over een oorzaak: "Hoogstwaarschijnlijk classificeren vele 'Creolen' zich thans als gemengd."
Foto Lousika

Gemengd
Dat zou betekenen dat mensen die zichzelf eerst zagen als Creool, maar gemengde voorouders hadden, zich nu zien als 'gemengd'. Hebben die twee etnische identiteiten dan een andere betekenis gekregen in de tussentijd? Volgens antropoloog Salomon Emanuels is dat niet waarschijnlijk. "Mensen zijn wat ze zijn. Ik denk niet dat er mensen zijn die afstand doen van hun Creoolse identiteit."
Emanuels gelooft er "heilig" in dat de groep van gemengde afkomst alleen maar zal toenemen. "Jonge Surinamers hebben ontdekt dat het niet slecht is om met iemand van een andere groep een relatie te hebben." Maar dat mensen zich opeens anders identificeren, dat denkt hij niet. De antropoloog ziet wel dat er heel veel mensen zijn die vragen hebben over hun identiteit, vanwege opa's en oma's met verschillende huidstinten, haarstijlen en oogkleuren. "Maar dat is niet zodanig dat het aantal Creolen zoveel vermindert", concludeert hij.

Spectaculaire groei
Een andere beweging binnen de Afro-Surinaamse bevolking is de toename van het aantal Marrons, die het rapport zelfs "spectaculair" noemt. Die groei is volgens het ABS niet alleen te zoeken in de vele kinderen die Marronvrouwen krijgen. In 2004 bestond de grote groep mensen van wie de etniciteit niet bekend was omdat mensen dat niet hebben aangegeven vooral uit Marrons. Zij hebben bij de afgelopen telling hun etniciteit wel opgegeven.
Volgens parlementariër Marinus Bee komt dat andere doordat de negatieve bijklank van 'Marron' is afgezwakt. Veel Marrons zijn nu op een positieve manier zichtbaar zijn in onderwijs, sport en politiek. Dat zou betekenen dat de etnische identiteit 'Marron' is veranderd: van een gestigmatiseerde, onderontwikkelde groep naar een identiteit om trots op te zijn.
Foto @ Ingrid Moesan

Wetenschappers wijzen echter ook op een rij andere verklaringen. Emanuels ziet de meest voor de hand liggende reden in de gewenning van boslandbewoners aan onderzoekers. "Vroeger wilde men niet graag meewerken uit achterdocht. Tegenwoordig zijn er zoveel organisaties uit de stad actief, dat Marrons minder wantrouwig zijn." Dat de veldwerkers tegenwoordig niet allemaal alleen maar fotoman zijn, helpt volgens hem ook het cijfer omhoogduwen.

Emanuels gelooft wel dat de politieke participatie van Marrons een verschil maakt, maar op een andere wijze dan dat Bee aangeeft. Het is volgens hem ook zeer van invloed op het vertrouwen in de overheid: "Ze geloven nu dat de belangen overeenkomen. Help je de overheid, dan help je jezelf."

Schalkwijk kijkt iets anders naar de groei van de groep. "Mensen zijn heel trots om Marron te zijn, dus het lijkt me sterk dat ze dat eerder niet wilden aangeven." Als onderzoeker ervaart hij in het binnenland bovendien meer medewerking dan in de stad, waar het vaker voorkomt dat je de toegang tot een erf wordt geweigerd. De socioloog denkt dat het waarschijnlijk is dat men de vraag gewoon niet heeft begrepen in 2004. "Het is ook vreselijk duur om onderzoek te doen in het binnenland. Ik heb geen inzicht in de financiën van ABS, maar ik kan me voorstellen dat je niet drie keer teruggaat naar Kwamala als je budget dat niet toelaat."

Foto: Sylvana Karsters

Wat de teller ziet
Eén manier om er zeker van te zijn dat mensen de 'juiste' etnische identiteit opgeven, is door de veldwerker te laten noteren wat hij of zij ziet. Schalkwijk noemt dat 'dubbele identificatie'. "Het is niet ideaal, maar je hebt wel gegevens." Hij erkent wel dat zoiets bij een 'gewoon' wetenschappelijk onderzoek gemakkelijker is dan bij een volkstelling. Je komt namelijk heel dicht bij het schenden van die heilige VN-regel: etniciteit leg je niet op.
Toch voelt ABS-directeur Sno wel iets voor zo'n controlemechanisme. "Iemand die er in alle opzichten uitziet als een Creool, maar een Chinese naam draagt, heeft natuurlijk het recht om te zeggen dat hij Chinees is. Maar wat ziet de enquêteur?" Het antwoord van de veldwerker zal niet opgenomen worden in de werkelijke telling, maar moet dienen als een test achteraf: hoeveel mensen lijken op de etnische groep die ze opgeven bij de census?
Welke mix? Foto @ Zacharias Jung

Afro-Surinamer
Een andere manier om de lastige invulling van etnische identiteit bij deze groepen op te vangen, is door hetzelfde te doen als Guyana. We nemen gewoon één overkoepelende categorie: Afro-Surinamers. Rudi Bottse, de voorzitter van de Stichting 1 juli Keti Koti, heeft bij het ABS gepleit voor deze paraplugroep. "Dat is de beste benaming voor iedereen van wie de voorouders uit Afrika kwamen. 'Creool' is een nietszeggend, achterhaald begrip", stelt hij. De benaming moet volgens Bottse Afrikaans bewustzijn stimuleren. Wel zou hij graag zien dat er binnen de groep onderscheid gemaakt wordt tussen stads-, plantage- en boslandcreool.
Bottse kreeg zijn zin, maar niet helemaal hoe hij het voor ogen had. 'Afro-Surinamer' is als aparte categorie opgenomen in de volkstelling. "De bedoeling was, lijkt me, om de verschillen tussen Creolen en Marrons weg te werken", zegt Sno, "maar nu is het gewoon een derde groep." Socioloog Marten Schalkwijk noemt die beslissing "een beetje stom". Zoals het nu is opgenomen, overlapt het met andere categorieën en snoept het aantallen van andere groepen.
Emanuels moet lachen om het initiatief. Hoewel hij ook de manier waarop het in het rapport is opgenomen in twijfel trekt, ziet hij er wel potentie in. "Voorstanders zeggen dat Creool en Marron eigenlijk hetzelfde zijn, met dezelfde Afrikaanse cultuur-historische achtergrond. Dat bewustzijn groeit, dus het zal me niet verbazen als deze groep bij de volgende telling zal groeien."
Martha Koenders

De discussies over de namen van etnische groepen onderstrepen hoe uitdagend het is om in zo'n diverse samenleving te werken met statistische categorieën. Sno heeft echter het volste vertrouwen in de statistiek: "Het wordt pas een probleem wanneer de groep 'overige/andere' te groot wordt." Intussen wacht hij op een aanvraag voor een nieuwe etnische categorie "wel met genoeg steun natuurlijk": Surinamer.

[uit de Ware Tijd, 14/09/2013]



zaterdag 8 juni 2013

Eigen helden identificeren voor herschrijving geschiedenis

door Audry Wajwakana

Paramaribo - Mindset is nodig om de eigen geschiedenis van een voormalig kolonie te herschrijven. Geschiedenis gaat niet alleen over het verleden. Zij gaat ook over de juiste informatie geven aan de volgende generatie. Dit gaven de inleiders Stephen Small en Sandew Hira het publiek mee bij de lezing ‘Public memory and indentured labour’, donderdagavond in het Lalla Rookh gebouw, waar het nieuwe museum over de geschiedenis van Hindostaanse contractarbeiders komt te staan.

Sandew Hira geeft tijdens zijn inleiding bij de lezing 'Public Memory and indentured labour' aan dat belangrijk is om te kijken naar de vele manieren waarop de geschiedenis tot nu toe is beschreven. (Foto: Stefano Tull)

Stephen Small van de Universiteit van Amsterdam, die vanwege de Internationale conferentie van de Anton de Kom Universiteit in Suriname is, beschreef zijn onderzoekingen naar slavenmusea in Amerika. Hierbij stelde hij enkele vragen over de totstandkoming van de geschiedenis zoals beschreven in verschillende Europese en Amerikaanse boeken en musea. "Meestal worden de verworvenheden van de Europese landen aangehaald. Men beschrijft en romantiseert over de architectuur, mooie huizen, mooie tuinen en kandelaars. Maar hoe die werkelijk tot stand zijn gekomen, daar schrijven de Europeanen liever niet over", stelt hij. Tal van deze vormen zijn opgenomen in de geschiedenis, waardoor voormalige koloniën door de geschiedschrijving opnieuw zijn gekoloniseerd.


Volgens Hira zijn enkele Surinaamse wetenschappers in de afgelopen zes jaren bezig geweest met onderzoekingen en documentaires om de geschiedenis te herschrijven. Hierbij noemde hij Maarten Schalkwijk en Armand Zunder. "Het publiceren hierover maakt dat mensen hun eigen geschiedenis leren kennen. Maar, eenieder heeft de rol om die te veranderen", zegt Hira. De helden uit de geschiedenis moeten geïdentificeerd worden en opgenomen worden in de geschiedenisboeken.

De lezing werd georganiseerd door de Nationale Stichting Hindostaanse Immigratie in verband met het jubileumjaar 140 jaar Hindostaanse Immigratie. Na de lezing mocht het publiek een kijkje nemen in het toekomstige museum. Stichtingsvoorzitter Farid Ketwaru, zegt voor een grotere uitdaging te staan om het museum met oude spullen van de immigranten te vullen. Het opzetten van het gebouw heeft zes jaar in beslag genomen. "En dit zonder overheidsmiddelen", zegt Ketwaru trots bij de rondleiding.

[uit de Ware Tijd, 08/06/2013]

maandag 13 mei 2013

Restant Verdragsmiddelen geslonken naar 700.000 euro

door Eric Mahabier


Paramaribo - Per 31 december 2012 was er nog 700.000 euro over uit de Verdragsmiddelen. Dat blijkt uit het evaluatierapport 2012 van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken.
In april vorig jaar berichtte Buza-minister Frank Timmermans de Tweede Kamer nog dat er twintig miljoen euro aan resterende Verdragsmiddelen zou zijn.
Bij zijn onafhankelijkheid in 1975 kreeg Suriname van Nederland ruim 1,6 miljard euro (3,5 miljard Nederlandse gulden) aan Verdragsmiddelen als schenking. Uit het evaluatierapport blijkt dat Suriname sinds 1975 ruim 1 miljard euro aan schenkingen heeft gekregen. Met de aanname van de Amnestiewet in april vorig jaar schortte Nederland de besteding van de resterende Verdragsmiddelen op en zou er volgens Timmermans nog twintig miljoen zijn, die reeds gealloceerd zou zijn.
De recente rapportage geeft echter niet aan of er toch geld richting Suriname is gegaan en ook is het resterende bedrag van zeven ton euro niet gespecificeerd. Wel wordt in het jaarverslag het volgende opgemerkt: "Gezien de bijzondere situatie rond het stopzetten van de verdragsmiddelen, wordt per geval besloten of een sanctiemaatregel kan worden toegepast of tot tijdelijke ontheffing van de sanctie kan worden overgegaan."

Effecten
Maarten Schalkwijk, hoogleraar Sociale Veranderingen en Ontwikkeling aan de Anton de Kom Universiteit, pleit voor een grondige evaluatie van de besteding en de effecten van de Verdragsmiddelen op Suriname. Die evaluatie moet van Surinaamse zijde komen. En moet onder andere worden aangegeven of Suriname met de ruim 1 miljard euro, al dan niet verder zou moeten zijn met haar ontwikkeling.
Schalkwijk maakt wel een ruwe balans van de effecten van de besteding Verdragsmiddelen. Hij praat over een "gemengd resultaat". Immers moet er per project beoordeeld worden. Er zijn projecten die hun doel en nut duidelijk hebben bewezen, zoals de bouw van vele scholen. Het West Surinameproject dat vele miljoenen heeft gekost is een duidelijke misser.

Schalkwijk vindt het niet vreemd dat er slechts 700.000 euro over is uit de Verdragsmiddelen. Bij het aangaan van de Verdrags-middelen werd van Surinaamse zijde uitgegaan dat de 1,6 miljard euro in tien jaar tijd (ultimo 1985) besteed zou zijn. Nederland had echter een tijdspad van vijftien jaar. Maar in 1982 vond de opschorting plaats van de ontwikkelingshulp. Hierdoor is de besteding verder verschoven. Volgens Schalkwijk is in allerlei rapporten duidelijk vastgesteld waaraan het geld allemaal besteed is en dat er niet zomaar geld is gegeven. "Het is altijd naar projecten en zaken gegaan die verantwoord zijn. Anders was het allang gestopt."

Ex-minister Ronald Assem van Planning en Ontwikkelingssamenwerking (1993-1996) zei eerder tegen de krant dat Nederland de ontwikkelingshulp ondermijnd en flink gefrustreerd heeft, waardoor de ontwikkelingsdoelen niet gehaald zijn. "Suriname had met het geld inderdaad veel verder moeten zijn, maar het is steeds Nederland geweest die zaken heeft getraineerd", zei Assen.

[uit de Ware Tijd, 13/05/2013]

donderdag 24 mei 2012

9de Caribbean-Latin American Encounter

Brownsberg

Caribbean Reality Studies Center (Aruba) o.l.v. Dr. Glenn Sankatsing, Stichting Wetenschappelijke Informatie (Suriname) o.l.v. Prof. Jack Menke en Institute for Graduate Studies & Research of the University of Suriname o.l.v. Prof. Marten Schalkwijk organiseren van 4-8 augustus in Brownsberg Suriname de negende Caribbean-Latin American Encounter. Intellectuelen en activisten uit verschillende landen komen in Browsberg bij elkaar om een kritisch alternatief te ontwikkelen voor de Eurocentrische benadering in de wetenschap. Uitgebreide informatie is hier te vinden.

zondag 31 juli 2011

Historie voor hem en voor haar: uitgave tweede editie van His/her Tori

door Cobi Pengel

Het Instituut voor Maatschappij Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO) van de Anton de Kom Universiteit van Suriname heeft met de uitgave van het tweede nummer (juni 2011) van het op jaarbasis te verschijnen tijdschrift His/her Tori, tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, opnieuw een belangrijke bijdrage geleverd aan de informatievoorziening op het gebied van de twee genoemde disciplines. De ‘prominente historicus’ die suggereerde dat ‘bij verschijning van slechts één nummer per jaar de lezers het tijdschrift misschien al vergeten zijn wanneer de volgende uitgave verschijnt’ (zie ‘Ten geleide'), krijgt ongelijk: een tijdschrift op dit niveau wordt uitsluitend gekocht door de werkelijk geïnteresseerden, die het na lezing zorgvuldig bewaren en uitzien naar het volgende nummer.

Ook de tweede His/her Tori biedt de lezers deskundig geschreven artikelen met een scala aan interessante informatie. Het tijdschrift ziet er verzorgd uit, heeft een smaakvolle, stevige omslag, leest prettig door de lettergrootte en de indeling in twee kolommen en is voorzien van functionele illustraties.

Veel aandacht wordt er besteed aan de proclamatie van de masteropleiding geschiedenis van het Institute for Graduate Study and Research (IGSR) van de Anton de Kom Universiteit op 15 maart 2011. Dit gebeurt in de introductie van Hilde Neus, in het integraal weergegeven openingscollege van directeur Marten Schalkwijk (foto rechts) en het daaropvolgende artikel van Maurits Hassankhan. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat de tweede uitgave van His/herTori dan wel niet geheel, maar wel voor een deel in het teken staat van deze mijlpaal van de Anton de Kom Universiteit. Na het college van Schalkwijk en het artikel van Hassankhan volgen er nog zeven artikelen. Aan elk artikel kan helaas vanwege de beperkte ruimte slechts beknopt aandacht worden besteed.

Het openingscollege IGSR master geschiedenis, 15 maart 2011: ‘Uitdagingen en valkuilen in de geschiedenis van Suriname’ is de titel van Schalkwijks tekst. Een boeiend artikel over onder andere het grote belang van het (her)schrijven van de geschiedenis van Suriname vanuit het eigen, Surinaams perspectief en het verzamelen van feiten en verhalen uit verschillende bronnen in het belang van de betrouwbaarheid. Ook noemt Schalkwijk Wij slaven van Suriname van Anton de Kom ‘een geschiedkundige eye-opener voor vele Surinamers, omdat De Kom ‘op indringende wijze de sociaal-economische geschiedenis van het koloniale Suriname beschrijft en daarbij expliciet kiest voor het perspectief van de onderdrukten.’

Ook Maurits Hassankhan (foto rechts) benadrukt in zijn artikel ‘Een masteropleiding geschiedenis in Suriname; Een stap op weg naar versurinamisering van de geschiedschrijving van Suriname’, het eigen perspectief van waaruit de Surinaamse geschiedenis geschreven en/of herschreven moet worden en dus: het grote belang van ‘eigen’ historici. Hassankhans artikel leert ons dat de masteropleiding geschiedenis een eenmalige opleiding zal zijn, waarbij ‘zal worden samengewerkt met bevriende instituten en wetenschappers in het buitenland’ (p. 15).

In de tot artikel bewerkte mo-b-scriptie van Helga Banks (foto links), ‘Integratie van Suriname in de Caricom in historisch perspectief, 1973-2008 een moeizaam maar positief proces’, wordt de toetreding van Suriname tot de Caricom behandeld. Wie alles weten wil over de diverse door Suriname doorlopen stadia in de loop der jaren en de rol die Suriname speelde en speelt in de Caricom, leze dit bol van informatie staande maar toch goed leesbare artikel.

‘Het nieuwe zelfbeeld van de Marronvrouw anno 2011 de traditiegetrouwe tegenover de geïntegreerde en de ontwortelde vrouw vrouw’ is de bijdrage van Martina Amoksi aan deze His/her Tori. Na het lezen van Amoksi’s artikel ben ik de mening toegedaan dat zij in een volgende uitgave niet mag ontbreken. Aandachtig en met plezier heb ik haar boeiende, op een prettige manier geschreven informatie over dit onderwerp gelezen. Amoksi belicht expliciet de ontwikkelingen van de afgelopen
50-60 jaar binnen de Marrongemeenschappen die het zelfbeeld van de hedendaagse Marronvrouw beïnvloedden en veranderden. Het is jammer dat ik door ruimtegebrek niet dieper op dit artikel kan ingaan.

‘Religieus erfgoed onder de mahoniebomen in Paramaribo, de congregatie Dochters van Maria Onbevlekt Ontvangen’ is geschreven door Mildred Caprino (foto links). De rode draad is de geschiedenis (sinds 1817) van de RK missie in Suriname en het materiële en immateriële erfgoed dat in de loop der jaren werd opgebouwd. Interessant zijn de informatie over de ‘inlandse zusters’ en de conclusies over nieuwe bestemmingen voor de religieuze gebouwen met grote cultuurhistorische waarde in de buurt van de kathedraal.

Ook het artikel van Michel Jubithana ‘Soemberredjo in historisch perspectief. Een Javaans dorp in het district Coronie’ is een tot artikel bewerkte scriptie (mo-a). Waarschijnlijk weten velen niet hoe het gekomen is dat zich in Coronie een Javaanse gemeenschap vestigde. Van de trek van Javaanse immigranten uit Nickerie naar Coronie tussen de jaren 1930 en 1960 beschrijft Jubithana enkele uiteenlopende oorzaken. Eén daarvan was de werkloosheid die in Nickerie ontstond toen in 1934 de rijstbouw werd gemechaniseerd, terwijl in Coronie in 1933 een machinale oliepers in gebruik was genomen, wat juist arbeidsplaatsen opleverde.

‘ "Vreemd" en "eigen" met het oog op globalisering: Kwamalasamutu':
Voor dit artikel, geschreven door Els Moor (foto rechts), geldt hetzelfde als voor dat van Martina Amoksi: het zou een langere bespreking verdienen dan de ruimte hier toelaat. Weet Martina Amoksi alles over de Marronvrouw, Els Moor is ‘thuis’ in het inheemse dorp Kwamalasamutu. Zij bezocht het dorp drie jaar lang maandelijks in het kader van het onderwijsproject ‘Change for Children’ en verpandde in die tijd haar hart aan ‘haar Kwamala’. Zij vertelt niet alleen over het onderwijsgebeuren, maar ook over de totale leefgemeenschap. Zoals de titel vermeldt, heeft zij zich in haar artikel toegelegd op dat wat ‘vreemd’ is voor de dorpsbewoners en op dat wat ‘eigen’ is, maar zij vestigt ook de aandacht op de zaken die ‘vreemd’ waren maar steeds meer ‘eigen’ worden. Interessant is de vermelding van de ‘cultuurschool’ voor de oudere leerlingen, naast de ‘gewone’ openbare lagere school van het Ministerie van Onderwijs, waarmee het behoud van tenminste een deel van de eigen cultuur wordt beoogd.

Met ‘Richard Korsten en Heinrich Helstone: twee amateurhistorici’ heeft Jerome Egger behalve een gedegen geschreven artikel, de lezer een goede kijk geboden op het fenomeen ‘amateurhistoricus’. Egger benadrukt het grote belang van ‘historici die geen formele opleiding hebben genoten’ (p. 65) in het algemeen en in het bijzonder de amateurhistorici Korsten en Helstone die waardevolle bijdragen hebben geleverd aan onze Surinaamse geschiedschrijving, elk op een verschillende wijze. De verdiensten van Korsten zijn vooral zijn interviews met voor de historie van Suriname belangrijke persoonlijkheden in het personeelsblad van DSB, Bank Notes. Helstone daarentegen was een onderzoeker, die in zijn vrije tijd in archieven naar materiaal over vooral het Surinaamse slavernijverleden zocht. Samen met Joop Vernooij publiceerde hij Documentatie: Afschaffing van de slavernij in Suriname (Paramaribo, Eigen beheer, 2000) Egger biedt met dit artikel de lezer meer dan alleen informatie: het is tevens een eerbetoon aan de vorig jaar kort na elkaar overleden Richard Korsten en Heinrich Helstone.

Het laatste artikel van deze His/her Tori is een bijdrage van Carlo Jadnanansing (foto rechts, samen met Miss Hindustani 2007). Het is een recensie over het boek Kahe Gaile Bides, wat betekent ‘Why did you go overseas’ of ‘Waarom men wegging’. Het boek is een studie over de hindostanen die uit India zijn weggetrokken, maar er toch in zijn geslaagd generaties lang zekere aspecten van hun cultuur in ere te houden.

Aanbeveling: His/her Tori moet niet alleen in de boekhandel liggen. Dat het ook op de universiteit te verkrijgen is, mag ik zonder meer aannemen, maar ik hoop dat het ook op de middelbare scholen terecht zal komen. De meeste artikelen zijn bijzonder geschikt voor bespreking tijdens een les en voor het voeren van discussies. Het redactieteam, aangevuld met Jan Bongers en Ton Wolf, heeft goed werk verricht. Slechts één opmerking: op p.5 (‘Formele start masteropleiding geschiedenis’) wordt aangekondigd dat de thesis van Marten Schalkwijk ‘integraal in deze editie zal worden afgedrukt’, hetgeen blijkbaar een vergissing is. Zijn openingscollege - eveneens aangekondigd - is wèl afgedrukt.

maandag 18 juli 2011

Hoe sterk was de koloniale staat tegenover de kolonisator?

door Marcel Leune

The Colonial state in the Caribbean, Structural analysis and changing elite networks in Suriname 1650-1920 van J. Marten W. Schalkwijk, uitgegeven in 2011, is geschreven als een dissertatie in 1992/1993. Dit betekent dat het hier niet handelt om een roman, maar om een wetenschappelijk geschrift. Verder is het geschreven en uitgegeven in het Engels. Marten Schalkwijk (foto rechts) behandelt de geschiedenis van de zogenaamde plantagesamenlevingen in het Caraïbisch gebied en doet dit aan de hand van een case study van Suriname. De manier waarop hij dit doet is echter niet alledaags. Ook beperkt hij de informatie in het boek niet tot Suriname, maar wijdt ook uit over andere koloniën. De focus blijft wel Suriname als goed voorbeeld van een plantagesamenleving.

Als eerste poneert hij de stelling dat er zoiets als een koloniale staat heeft bestaan, dat een kolonie niet zomaar klakkeloos de opdrachten vanuit de kolonisator opvolgde, maar haar eigen dynamiek en haar eigen structuren had die haar eigen ideeën had over de koers die de kolonie moest varen. Om van een koloniale staat te spreken moeten de structuren die een staat uitmaken, zoals onder andere bureaucratie, militaire macht en politieke instituties niet, of in ieder geval niet volledig, in handen van de kolonisator zijn geweest. Hoe meer de genoemde structuren in handen zijn van lokale groepen, hoe meer van een koloniale staat kan worden gesproken. Deze vragen worden geanalyseerd in het boek.

Nu komt de nieuwe aanpak van Schalkwijk naar voren. In het boek analyseert hij de elites van de Surinaamse samenleving op 5 momenten gedurende de koloniale overheersing: 1795, 1830, 1860, 1890 en 1920. De verklaring voor het kiezen van elites als focus is dat voor een groot deel van de tijd, in ieder geval gedurende de gekozen tijdsmomenten, de Surinaamse gemeenschap een elitegemeenschap was. Dit betekent dat in de gemeenschap elites uit verschillende groepen de dienst uitmaakten.


Sluis van een plantage in het district Commewijne

De uitgangspunten en de kaders voor de analyse worden in de eerste drie hoofdstukken neergezet. Met behulp van veel theorie en voorbeelden geeft de schrijver aan dat hij de Surinaamse koloniale staat zal analyseren aan de hand van een vijftal elitegroepen. Deze groepen zijn de elites van de planters, de militairen/milities, de bureaucratie, de sociale/religieuze elite en de politici. Het is belangrijk te onthouden dat het om de elites uit de groepen gaat en niet om de groep in het geheel; dus slechts een klein deel van de groepen en samen slechts een klein deel van de Surinaamse samenleving.

De opbouw van de hoofdstukken over de eerste vier groepen is erg duidelijk. Het begint met de omschrijving wat en wie de groep omvat en daarna wordt gekeken wie en hoeveel personen de elite uitmaakt per tijdsmoment. Het vijfde hoofdstuk over de politici is onduidelijker in zijn opbouw. Het is niet duidelijk waarom wordt afgeweken van de opbouw van de andere vier hoofdstukken. Het goede en slechte van de vijf hoofdstukken over de elitegroepen is de hoeveelheid data. De analyse en de achterliggende data zijn overweldigend. Een lastig onderdeel in de tekst, naast de hoeveelheid details, zijn de voetnoten. Deze voetnoten zijn zodanig vol van informatie dat ze niet over te slaan zijn en dit maakt het vloeiend lezen van de tekst moeilijk. Soms worden de voetnoten ook gebruikt om een methodologie uit te leggen; dit leest niet prettig.

Het hoofdstuk dat volgt op de analyse van de afzonderlijke elites, hoofdstuk 9, voegt de analyses samen in matrices van samenhang tussen verschillende groepen. Dit is een zeer interessant hoofdstuk, waarin wordt aangetoond hoe de structuur van de elites veranderde door de tijd. Jammer was dat voor mij niet direct duidelijk werd hoe de schrijver tot een verdeling van de elite over 8 groepen is gekomen. Deze groepen bleken samengesteld uit personen uit verschillende elites met banden. Heel kort wordt aangegeven dat over de banden die tussen de groepen 1 tot en met 8 bestonden en over de betekenis van de letters in de tabellen in appendix 3 uitleg kon worden verkregen. Naar mijn mening had appendix 3 opgenomen moeten worden als een paragraaf in het hoofdstuk, zodat gedurende het lezen direct duidelijk zou zijn hoe de uiteindelijke tabellen per tijdsmoment tot stand waren gekomen. Hoofdstuk 9 sluit mooi af met conclusies over de opbouw van en samenwerking tussen elitegroepen. De enige figuur in het boek die ik nog steeds niet begrijp staat helaas ook in hoofdstuk 9, figuur 9.1. Voor mij is volledig onduidelijk hoe de gegevens in tabel 9.1 overgaan in figuur 9.1.

Het laatste hoofdstuk van het boek komt Schalkwijk terug op de hoofdthema’s van de studie: hoe sterk was de koloniale staat tegenover de kolonisator, onafhankelijkheid van de koloniale staat van de koloniale samenleving, validiteit van de benadering van de koloniale tijd via elites.
De conclusie van Schalkwijk is dat kolonies niet een logisch verlengstuk van de kolonisator waren, maar een eigen politieke en sociale structuur hadden.

Samenvattend is de studie en het boek van Marten Schalkwijk een zeer interessante en uitgebreide analyse en beschrijving van de Caraïbische koloniën, met een sterke nadruk op Suriname. De hoeveelheid detail, de hoeveelheid data, de hoeveelheid theorie en de grondige analyses maken van het boek een goede dissertatie. Dezelfde feiten gecombineerd met een niet erg aantrekkelijke lay-out, zoals lange stukken tekst en veel voetnoten, en soms een tekort aan uitleg over methodologie maken het een boek dat niet gemakkelijk als leesboek zal worden gebruikt, maar vooral als waardevol naslagwerk over de koloniale tijd van Suriname en, in mindere mate, van alle plantagesamenlevingen in het Caraïbisch gebied, dienst zal doen.

The Colonial state in the Caribbean, Structural analysis and changing elite networks in Suriname 1650-1920, door J. Marten W. Schalkwijk, 465 pagina’s.

dinsdag 14 juni 2011

Presentatie boek Jan Schalkwijk in Suriname

Janki, ca. 1900
Op 14 juni organiseren de Nationale Stichting Hindostaanse Immigratie (NSHI) en uitgeverij Amrit in Suriname een presentatie van het boek van Jan Schalkwijk: Ontwikkeling van de zending in het Zuid-Caraibisch gebied in het bijzonder onder de Hindostanen 1850-1980. Prof. Dr. Marten Schalkwijk zal het boek van zijn vader presenteren.

Datum: dinsdag 14 juni 2011
Plaats: Lalla Rookh Complex
Adres: Lalla Rookhweg 54, Paramaribo
Tijd: 19.00 uur
Toegang: gratis


maandag 13 juni 2011

Hoogleraren

Het lopen gaat niet zo soepel meer. Af en toe laat zijn gehoor hem in de steek. Maar de geest is nog springlevend en de monterheid waarmee hij het leven tegemoet treedt aanstekelijk als altijd. Edward Dew is niet zomaar naar de conferentie van de Caribbean Studies Association (CSA) gekomen. Nog één keer wil hij zijn genegenheid betuigen aan het land dat hem een aantal decennia zo onvoorwaardelijk voor zich heeft opgeëist. Waar hij zich als politicoloog met zoveel overgave in heeft verdiept en dat hem behalve een reeks artikelen ook de stof voor twee boeken leverde: The Difficult Flowering of Surinam (1978), een klassieker over politiek en etniciteit in Suriname, en The Trouble in Suriname, 1975-1993 (1994), het vervolg op dit standaardwerk.


Edward Dew en Peter Meel. Foto: @ Maya Singh.

Met Suriname is het op wetenschappelijke conferenties doorgaans zorgelijk gesteld. Als er al vertegenwoordigers uit het land aanwezig zijn, dan gaat het in de meeste gevallen om een handjevol onderzoekers dat panels bijwoont, deelneemt aan debatten en eigen werk presenteert. Het kenmerkt het wetenschappelijk isolement van het land. In de regio bestaat er onder academici aantoonbare belangstelling voor het maatschappelijke wel en wee van de republiek, maar Surinaamse collega’s kunnen maar in bescheiden mate aan de vraag naar wetenschappelijke informatie hierover voldoen. Edward Dew is er de man niet naar om zich domweg bij deze situatie neer te leggen. Om Suriname wetenschappelijk nadrukkelijker voor het voetlicht te brengen, besloot hij een panel over hedendaagse ontwikkelingen in het land te organiseren met hoogleraren van de Anton de Kom Universiteit. Een lofwaardig initiatief dat niet helemaal uitpakte zoals de 76-jarige emeritus hoogleraar zich had voorgesteld.

Om te beginnen was er maar één hoogleraar van deze universiteit op het congres aanwezig: Marten Schalkwijk. Hij deed wat er van hem verwacht mocht worden. Niet allen presenteerde hij een interessante beschouwing over coalitieregeringen in Suriname, ook nam hij de gelegenheid te baat om Dew eer te bewijzen voor zijn invloedrijke bijdragen op het terrein van de consociational democracy. De andere deelnemers aan het panel waren anders dan CSA-lid Schalkwijk niet op eigen gelegenheid naar Curaçao gekomen, maar door president Bouterse naar de bijeenkomst afgevaardigd. Nu is wetenschap nooit waardevrij en kunnen academici zich onmogelijk loszingen van de samenleving waarvan zij als burger deel uitmaken, maar deze directe inmenging van de politiek in wat een ongedwongen academische uitwisseling beoogde te zijn, leidde bij menig congresganger tot gefronste wenkbrauwen.

Henry Ori, Jennifer Van Dijk-Silos, Richard Kalloe, Edward Dew en Marten Schalkwijk. Foto: @ Maya Singh.

De drie afgevaardigden spraken over het beleidsterrein waarop zij momenteel werkzaam zijn. Richard Kalloe boog zich over het sociaal-economische klimaat in Suriname, Jennifer van Dijk-Silos over de noodzaak tot versterking van de rechtstaat en Henry Ori over het belang van duurzame ontwikkeling. De laatste twee hielden het zakelijk en kwamen met voorbeelden die illustreerden hoezeer een reversal of the downward development op zijn plaats is. Volgens Van Dijk-Silos diende het accent tijdens deze regeerperiode te liggen op de instelling van een onafhankelijke verkiezingsautoriteit, uitbreiding en versteviging van de rechterlijke macht en het creëren van een constitutioneel hof. Ori meende dat prioriteit diende te worden gegeven aan het hervormen van de onderwijssector, het herijken van de rol van de media en het gericht stimuleren van sociale mobiliteit.

Kalloe’s verhaal riep in de zaal de meeste weerstand op. Zijn kritiek op de tribal level of consciousness reserveerde hij voor alle politieke partijen in Suriname, uitgezonderd de NDP. Het panacee voor het in zijn ogen visieloze en corrupte politieke leiderschap in zijn land was volgens hem multicultural intelligence en a multicultural flexible approach. Bij navraag bleken deze hoogdravende termen synoniem voor multi-etniciteit volgens het NDP-recept. Kalloe’s overtuiging dat de regering zitting diende te nemen in the driver’s seat of development omdat het particulier bedrijfsleven natuurlijke hulpbronnen niet zou kunnen aanwenden voor productieve doeleinden klonk zo gedateerd dat het de aanwezigen de lust benam om er met de spreker over in debat te gaan. Even dreigde de discussie te ontsporen toen het gesprek op de decembermoorden kwam. Kalloe verhief zijn stem om met lukrake verwijzingen de ernst en uitzonderlijkheid van de moorden te relativeren. Voorzitter Dew wist de dreigende chaos te bezweren door de gedachtewisseling ijlings naar een ander onderwerp te verleggen.

Voor Dew betekende dit optreden zijn laatste bijdrage in CSA-verband. Hij is vanaf 1975 – toen het allereerste congres in Puerto Rico plaatsvond – lid van de organisatie en geeft het stokje nu graag over aan een jongere generatie onderzoekers. Hoewel het panel bij insiders gemengde gevoelens achterliet, gingen er tegelijk stemmen op om als follow-up van het initiatief van Dew een van de eerstvolgende CSA-conferenties in Suriname te organiseren. Dat de hoogleraren van de Anton de Kom Universiteit dan op volle sterkte aanwezig mogen zijn en de politiek zich zoveel mogelijk van onwelkome interventies onthoudt.

donderdag 26 mei 2011

Hindostaanse Zending in Suriname en de regio

door Joop Vernooij

Jan Schalkwijk (1923-2002) kwam in 1952 in Suriname voor pastoraal werk binnen de Hindostaanse Zending van de Evangelische Broedergemeente. Hij werkte ook als docent op Jamaica. Het werk heeft zijn leven bepaald en hij wilde zijn ervaringen over de ontwikkelingen van de zending in het Zuid-Caraïbisch gebied, Gyuana, Trinidad en Suriname, samenbundelen in een proefschrift aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij ging zo uitbundig aan de slag dat hij een 1.000 bladzijden tekst bij elkaar had geschreven. Door omstandigheden (zijn 2 promotoren overleden) moest hij een nieuwe promotor zoeken. Die vond hij wel maar die bepaalde dat een 300 bladzijden wel genoeg zou zijn. Jan Schalkwijk is er niet meer aan toe gekomen. Zijn zoon Marten heeft zich over het materiaal ontfermd en heeft de tekst gereduceerd tot een publicatie van 703 bladzijden. Er is dus het een en ander weggelaten. Maar dan nog is het een hele pil.

Twee meisjes uit het kindertehuis van de Evangelische Broedergemeente in Alkmaar aan de Commewijne. Uit P.M. Legêne, Suriname, land mijner dromen.


In 2001, toen de Hindostaanse Zending in Suriname van de Evangelische Broedergemeente 100 jaar bestond heeft Jan Schalkwijk een jubileumuitgave verzorgd over die honderd jaren Hindostaanse Zending in Suriname. Deze Hindostaanse Zending 1901-2001 werd uitgegeven in de serie van het Theologisch Seminarie van de Evangelische Broedergemeente Suriname te Paramaribo, nummer 8, 70 bladzijden en met enkele foto’s.

Er wordt een beetje gesjoemeld met het woord hindoestaan en hindostaan. Actueel is het gebruik van het woord hindostaan aan te bevelen omdat hindoestaan zou suggereren dat het gaat om hindoes. Maar Hindostanen zijn niet alleen hindoe, maar ook islamiet, christen, anders of niks wat religie betreft.

Een tweede opmerking willen we maken. Zending is hetzelfde woord als missie, maar dat is katholiek. De Hindostaanse missie had van doen met Rajpur, Giryapur (Kilometer 25 aan het Pad van Wanica), Ranipur en andere katholieke instellingen voor Hindostanen.

Jan Schalkwijk had zijn materiaal voor zijn dissertatie bepaald van 1850 tot 1980. Begrijpelijk en in 1980 actueel. Het probleem is nu dat we 30 jaren verder zijn en statistieken, die Schalkwijk graag gebruikt, niet meer actueel zijn. Bovendien zijn er in de Hindostaanse zending in Suriname in die afgelopen 30 jaren interessante zaken gebeurd. Het materiaal is dus niet actueel gedateerd, maar is wel goed bruikbaar. Dus daar moeten we het mee doen: niet erg want er is een heleboel te vinden in deze publicatie.

Schalkwijk kiest voor de geschiedenis van de zending (kerk) in de regio en heeft veel te melden. Hij doet dat min of meer chronologisch, gebruikt perioden en fasen. Deze geschiedenis zou ook thematisch behandeld kunnen worden, zoals lidmaatschap en alles er omheen, kerkkeuze en alles er omheen, kerkorde en alles er omheen en andere belangrijke zaken in kerk en wereld. Er zou nog wel een discussie mogelijk zijn over zijn methode van (historisch) kritisch onderzoek.

Schalkwijk heeft drie grote delen: de zendingsgeschiedenis in de regio, de hindostaanse zending, christenen en gemeenten en de Noord-Atlantische voortzetting (in Europa), conclusies en perspectieven. Vele mensen van de Caribbean zijn verhuisd naar Europa, naar de voormalige moederlanden. Daar zijn groepen tot leven gekomen of hebben onderdak gevonden bij bestaande religieuze instituties. Er zijn migrantenkerken ontstaan. In elk geval de moeite waard er aandacht aan te geven. Schalkwijk zelf was later betrokken bij het werk van de Evangelische Broedergemeente in Nederland, ook al doordat hij studieleider was van het Broedergemeente-seminarie te Zeist.

Kader

Schalkwijk plaatst zijn onderwerp in het vereiste kader, in de historie van de Caribbean en Southern Caribbean, toegespitst op Trinidad, Guyana en Suriname. Er is natuurlijk heel wat te melden vanuit de koloniale tijd en de tijd van de slavernij in die landen en over de christelijke kerken die meekwamen met de overheersers. Ook kwam mee de verscheidenheid aan talen en religieuze richtingen. De regio werd gefragmenteerd, gesegmenteerd, door de Europese machten en de aanmaak van de diverse gebieden (die nog al eens van eigenaar verwisselden). De regio werd een religieuze lappendeken (mamyo) en de nieuwe lokale volken moesten het daar dan maar mee doen. De onderlinge verbindingen via cultuur, talen en arbeid leverden contacten, ondersteuning en uitwisseling in de regio op.

Plaatselijk

Na 1838 als in de Engelse gebieden mensen uit Brits-Indië op de plantages komen werken, begint de evangelisatie of de zending van de kerken. Dat wil zeggen: waar komen deze contractarbeiders religieus aan bod? Welke kerken laten zich met hen in? De contractarbeiders brachten vormen van hindoeïsme mee, vertegenwoordigden diverse richtingen van de islam en een enkeling was christen. Schalkwijk gaat dan haarfijn na waar de nieuwelingen terecht gekomen zijn en welk soort kerken zich op hen gericht hebben/ zich ervoor ingezet hebben. En dat waren allereerst niet de traditionele koloniale kerken, maar zendingsgroepen uit bij voorbeeld Canada, India, de Verenigde Staten van Amerika en Europa. Ook weer een lappendeken. Soms zijn de gegevens van Schalkwijk erg gedetailleerd en een beetje overbodig: niettemin weet hij het een en ander als geen ander te melden. Van de andere kant is hij juist te snel omdat hij dan wel wijst op conflicten en fricties (tussen zendelingen en zendingsbesturen), maar daar hoor je het fijne niet van. Ook niet wat de Hindostaanse Zending in Suriname betreft, waar zich ook wel ernstige tegenstellingen voordeden, naar ik me heb laten vertellen en ook nog een beetje heb meegemaakt. Daar hoor je dan juist weer te weinig over.

Hij behandelt in het zevende hoofdstuk de historie van de Hindostaanze Zending in Suriname. Dat is eigenlijk al gepubliceerd in het bovenvermelde gedenkboek over 100 jaar Hindostaanse Zending 1901-2001. In dit hoofdstuk behandelt Schalkwijk ook de Hindostaanse missie van de katholieken en de activiteiten van andere christelijke kerkgenootschappen of geloofszendingen.

Dit uitgebreide blok sluit Schalkwijk af met de behandeling van inter-Caribische zending en zendingssamenwerking. Een leuk thema omdat er op kleine schaal veel uitwisseling en ondersteuning plaatsvond. Dat was het voordeel omdat men bijna op elkaars schoot zat met de vele nabije eilanden.

Stand

Het geheel overziend komt Schalkwijk tot conclusies en perspectieven. Hij is daarin niet kinderachtig en schetst enkele grootse perspectieven. Althans hij wijst op fundamentele karakteristieken, zoals de positie van de Zuid-Caribische mens te midden van andere volken en groepen, of de Afro-Caribische zending tussen culten en kerken, tussen tempel en moskee, tussen volksreligies en ideologieën.

Het geheel vat hij samen in de twee begrippen micro-kosmos en macro-kosmos. De Hindostanen die christen werden, waren onderdeel van een groter verband, hun etnische verbondenheid en identiteit. De kleine groepen binnen kleine groepen en binnen etnische minderheden schiepen aparte problemen maar ook aparte handvatten om te strijden voor identiteit en grotere verbanden. In het gedachtegoed van de Evangelische Broedergemeente is zending iets anders dan kerk: zo bestond de Hindostaanse zending binnen de creoolse kerk (van de creolen). Om te ontsnappen aan het enge van de zending op weg naar het grootse van kerk liggen vele valkuilen maar ook mogelijkheden om van gesloten groep tot een open groep te groeien of van exclusief naar inclusief.

Dat levert processen van behoud en verandering op, ook bij kerkelijk leidinggevenden die echter nog wel eens bekrompen konden omgaan met deze veranderingsprocessen, te midden van de diaconie, het onderwijs, de media, de opleidingen en de toerusting.

Momenteel – na 1980 – staan eveneens belangrijke thema’s op de agenda: de Surinaamse Broedergemeente als een kerk, de aandacht voor mensenrechten en vrijheid, de positie van vrouwen en kinderen, de dialoog van de godsdiensten. Intussen is het Surinaams religieus panorama veranderd (nogal wat nationale religieuze feesten) met gunstige en minder gunstige effecten. Dat is uitdagend.

Tenslotte wil deze studie een bijdrage leveren aan de groei van de universele zendingswetenschappen. Natuurlijk is een van de grootste kwesties die in het boek naar voren komen, hoe het nu eigenlijk zit met bekering (collectief of individueel), kerklidmaatschap, de moraal en de kerkelijke of religieuze tucht.

Er is ook heel wat veranderd in groepen van hindoes en moslims (ook in Suriname en India) en in groepen die volksreligieuze zaken aanhangen (inderdaad, winti). Het is goed dat onderzoek en discussie naar aanleiding hiervan, goed voortgaan. Het kan de zaak van rol en betekenis van religie alleen maar verhelderen en uitzuiveren.

Project

Deze studie heeft een uitgebreide literatuuropgave (bronnen, tijdschriften archieven), een lijst van gebruikte afkortingen en een lijst van hindostaanse woorden. Jammer genoeg is er geen index op plaatsen en personen aan toegevoegd. Enige slordigheden zijner natuurlijk ingeslopen: bijvoorbeeld soms kom je nog het woord hindoestaan tegen, maar ook toevallig Vernooy en Vernooij. Austermoller moet Austermöller zijn (487). Erné in plaats van Erne (213)..

Vorig jaar heeft Kirtie Algoe in Suriname een masterscriptie gemaakt over de institutionalisering van hindoeïsme in Suriname en Trinidad en Eric Roosken in Rotterdam over Caught between Christianization, assimilation and religious independency bij de Hindostanen in Suriname. De kwestie blijft gelukkig aandacht trekken.

Jan Schalkwijk heeft zijn onderzoek niet voor niets gedaan en het is goed dat zijn zoon er werk van gemaakt heeft (en er veel werk aan gehad heeft). Het vele is ook goed.


Jan Schalkwijk
Ontwikkeling van de zending in het Zuid-Caraïbisch gebied - in het bijzonder onder de Hindostanen 1850-1980
Aantal pagina's: 700
Prijs: 25.00 euro
ISBN: 978-90-74897-61-7
Bestellen: 06-41.28.37.86 of per email info@amcon.nl

dinsdag 5 april 2011

Dialoogbijeenkomst over kerk, mandir en masdjid


Naar aanleiding van de verschijning van het boek van Jan Schalkwijk over de Hindostaanse zending (zie het bericht hieronder van vandaag) wordt er op zaterdag 16 april in Den Haag een dialoogbijeenkomst gehouden over kerk, mandir en masdjid. Daar komen vragen aan de orde als;

Hoe beleven Hindostaanse Christenen hun godsdienst in de Hindostaanse gemeenschap?
Hoe kijken Hindostaanse Christenen naar het Hindoeïsme en de Islam?
Hoe kijken Hindoes en Moslims naar het Christendom?
Hoe willen de verschillende geloofsgemeenschappen met elkaar omgaan. Welke uitgangspunten kunnen daarbij gehanteerd worden?

IISR, SIN en de EBG organiseren deze dialoogbijeenkomst over de relatie tussen Christendom, Hindoeisme en Islam naar aanleiding van het verschijnen van het boek van Jan Schalkwijk over de geschiedenis van de EBG, en met name de Hindostaanse christenen.

Op de bijeenkomst zal een panel ingaan op deze vragen.
Het panel van de dialoog-bijeenkomst bestaat uit:
- Erik-Jan Stam, predikant van de EBG onder de Hindostanen in Nederland.
- Pandit Attry Ramdhani, voorzitter van de Rammandir in Den Haag.
- Hikmat Mahawatkhan, oud-voorzitter van de Ahmadiyya moskee in Den Haag.
- Joop Vernooij, priester en theoloog.
De bijeenkomst begint met een presentatie van Prof. Dr. Marten Schalkwijk over de studie van zijn vader en van Usha Schalkwijk-Doerga over de persoon van Jan Schalkwijk. Beide sprekers nemen deel aan het panel.
Meer informatie over het boek en de bijeenkomst vindt u hier
De flyer voor de bijeenkomst kunt u hier downloaden.
U kunt zich hier aanmelden voor de bijeenkomst.

Datum: zaterdag 16 april
Aanvang: 19.00 uur (inloop 18.30)
Locatie: Theater Concordia
Adres: Hoge Zand 42, 2512 EM Den Haag
Informatie: 06-41.28.37.85

vrijdag 25 februari 2011

Netwerken in koloniale tijd

Prof. dr Marten Schalkwijk heeft een sociologisch-historische studie geschreven. Zijn monumentale boek (500 pagina’s) - al jaren geleden verdedigd als proefschrift - is de eerste studie van Suriname die persoonlijke netwerken gedurende drie eeuwen in kaart brengt. Niemand heeft eerder geprobeerd om de netwerken van planters, militairen, ambtenaren en anderen over zo’n lange periode met elkaar in verband te brengen.

Schalkwijk past methoden uit de wiskundige sociologie toe om te illustreren hoe de verdeling van de macht in de koloniale samenleving plaatsvindt in de positie van individuele personen in sociale netwerken gebouwd op basis van ras, huidskleur en klasse. Hij laat ook zien hoe deze netwerken in de loop van de tijd veranderen.

Waar veel historische studies over Suriname erg beschrijvend zijn, heeft Schalkwijk een theoretisch kader geconstrueerd over de koloniale staat om de evolutie van de Surinaamse samenleving te begrijpen. Hij laat zien hoe de Joodse en marrongemeenschappen als een staat binnen een staat functioneren en hoe de koloniale staat werkt.

In zijn gedetailleerde studie koppelt hij sociale gegevens over de bevolking, etniciteit, religie, en onderwijs met economische gegevens over producten, prijzen, invoer en uitvoer, belastingen, de overheidsbudgetten, het type van de aanplantingen en brengt ze samen met gegevens over instellingen, verenigingen en persoonlijke netwerken de aard van de koloniale staat te begrijpen.

Prof. Dr. M. Schalkwijk is directeur van het Institute for Graduate Studies & Research aan de Anton de Kom Universiteit in Suriname.

Marten Schalkwijk, The Colonial State in the Caribbean; Structural analysis and changing elite networks in Suriname 1650-1920
Uitgeverij Amrit/ NiNsee, NiNsee-reeks 7.
Aantal pagina’s: 500
Prijs: € 25,00 (SRD 100 bij de boekpresentatie in het Nationaal Archief in Suriname op dinsdag 1 maart 2011)
ISBN: 978-90-74897-60-0


Foto van Schalkwijk: @ Bert Reinders

dinsdag 18 januari 2011

Nieuwjaarsreceptie NiNsee

Het is weer de tijd van de nieuwjaarsrecepties. Op zaterdag15 januari hield het NiNsee in de Muiderkerk zijn ontvangst.

Suriname kan dit jaar nieuwe onderzoeken naar het slavernijverleden en de erfenis daarvan verwachten. Als het aan slavernij-kennisinstituut Ninsee ligt tenminste. Het eerste concrete samenwerkingsproject met de Anton de Kom Universiteit werd tijdens de receptie gepresenteerd in Amsterdam. Het is het proefschrift van hoogleraar Marten Schalkwijk, dat gaat over sociale netwerken in Suriname van 1650 tot 1920. Schalkwijk heeft het bijna twintig jaar geleden geschreven, maar het werk is nooit op de markt gebracht. Ninsee-directeur Artwell Cain was in oktober samen met bijzonder hoogleraar slavernijverleden Stephen Small in Suriname. Tijdens een gesprek met Schalkwijk raakten ze enthousiast over de studie.

Twee projecten
In het voorjaar keren Artwell Cain en Stephen Small terug naar Suriname om de samenwerking met de Anton de Kom Universiteit verder uit te bouwen. Artwell Cain vertelt dat het Ninsee aan twee projecten werkt, die met het slavernijverleden en de erfenis te maken hebben. Wat die projecten precies inhouden, kan hij nu nog niet zeggen.

Subsidie
Of het Ninsee ook na 2012 subsidie krijgt om dit werk voort te zetten, is nog onzeker, maar Artwell Cain is optimistisch. De directeur zorgt dat de boekhouding in orde is en hij vertrouwt er bovendien op dat de Nederlandse overheid ook inziet dat de invloed van dit slavernijverleden op de Nederlandse identiteit essentieel is.


Een fotoreportage van de receptie door Bert Reinders.














dinsdag 6 oktober 2009

75 jaar Wij slaven van Suriname

Op 7 november a.s. staat het Colloquium van het Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek in het teken van Anton de Kom:

75 jaar Wij slaven van Suriname: de turbulente biografie van een boek.

OCHTENDPROGRAMMA
Voorzitter: Aspha Bijnaar
10.15 - 10.45 uur: Ontvangst en koffie
10.45 uur: Opening door Peter Sanches, voorzitter IBS
11.00 - 11.20 uur: Antoine de Kom: Doe iets
11.20 - 12.00 uur: Ida Does: Inleiding en film Vandaag schijnt de zon
12.00 - 12.20 uur: Rob Woortman & Alice Boots: De geschiedenis van een manuscript
12.20 - 12.40 uur: Michiel van Kempen: Mensen zijn er nauwelijks om van deze schoonheid te genieten
12.40 - 13.10 uur: Vragenronde

13.10 - 14.10 uur: Lunchpauze


MIDDAGPROGRAMMA
Voorzitter: Maayke Botman
14.10 - 14.30 uur: Edwin Marshall: Wie Eegie Sani en de nalatenschap van Anton De Kom
14.30 - 14.50 uur: Marten Schalkwijk: Wij slaven en de intellectuelen in Suriname
14.50 - 15.10 uur: René Zwaap: Anton de Kom als vijand van de staat: hoe de Nederlandse geheime dienst de uitgave van ‘Wij slaven van Suriname’ trachtte te saboteren
15.10 - 15.30 uur: Theo Para: Anton de Kom en de menselijke waardigheid
15.30 - 16.00 uur: Vragenronde

16.00 uur: Afsluiting
16.00 - 17.00 uur: Informeel samenzijn

Reservering vooraf is niet mogelijk.
Kaartverkoop is op zaterdag 7 november aan de kassa van het Tropentheater:
Linnaeusstraat 2, Amsterdam.
Bereikbaarheid:
Openbaar vervoer
Vanaf Centraal Station: tram 9 of bus 22. Of metro naar halte Weesperplein, dan tram 10 (richting Azartplein), of ongeveer een kwartier lopen
Vanaf het Amstelstation: metro naar halte Wibautstraat, dan tram 3 (richting Muiderpoort)
Vanaf het Muiderpoortstation: tram 3, 7 of 14, of enkele minuten lopen
Vanaf de Dam: tram 9 of 14
Vanaf het Leidseplein: tram 7 of 10
Vanaf het Museumplein: tram 3

De Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek stelt zich ten doel de studie op het gebied van de Surinaamse taal, letterkunde, cultuur en geschiedenis te initiëren, te bevorderen en in stand te houden. Jaarlijks organiseert IBS een colloquium over een actueel thema binnen de Surinamistiek.