Posts tonen met het label onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderwijs. Alle posts tonen

zaterdag 10 mei 2014

Clark Accord Foundation Para-tour 2014

Jerry Dewnarain
Foto © Michiel van Kempen
door Jerry Dewnarain

Op 16 april 2014 is de Clark Accord Para-tour gehouden met ruim 30 studenten van  verschillende  middelbare scholen. Er werden diverse activiteiten ontplooid met de studenten. In dit artikel wordt de nadruk gelegd op de literaire activiteit van de Para-tour. Deze tour werd georganiseerd door de Clark Accord Foundation Suriname. Het doel van deze tour was onder andere literatuur op een ‘andere’ manier te beleven dan die in het traditionele onderwijs wordt ervaren. In de klas worden studenten doodgegooid met literaire begrippen zoals thema’s, motieven, verteltijd, vertelde tijd, flashbacks, leidmotief, vooruitverwijzing etcetera. Stukjes fragmenten uit boeken worden door de docent gekozen en voorgelezen in de klas. Of de studenten de fragmenten werkelijk herkennen en zich er een beeld van kunnen vormen, is vaak moeilijk te bewijzen, omdat de beleving of herkenning niet aan de student zijn expressie te merken is. Ook kunnen zij tijdens de boekbesprekingen geen goede mening vormen over een boek, want – we komen weer op hetzelfde punt neer – zij herkennen de inhoud van het boek niet of ze beleven het verhaal niet rechtstreeks.

Bij de Para-tour werd niet de nadruk gelegd op de schoolse literaire mechanismen. Centraal stond de leeservaring (de beleving van het verhaal) en met name de herkenning van de inhoud van een van de literaire werken van Clark Accord. Tijdens de tour werd zijn laatste roman Plantage d’Amour die postuum is uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar (2011) belicht. De meeste studenten hadden deze roman gelezen en de ruimte, oftewel de plaatsen die in dit boek zijn beschreven, werden tijdens deze tour zoveel als mogelijk aangedaan.
Het verhaal speelt zich af, zoals de titel dat ook aangeeft, op plantage d’Amour in de Para. Deze plantage is echter niet aangedaan vanwege de slechte staat van de weg die leidt naar d’Amour. Maar plantage Berlijn is wel bezocht. Deze oude plantage vervult immers een belangrijke rol in het verhaal over Kenneth Campbell, de hoofdfiguur. Deze Campbell is al zevenentwintig jaar niet in Suriname geweest. Nadat zijn relatie een fiasco is geworden, omdat zijn vriendin geen kinderen van hem wil, vindt hij dat de tijd rijp is om terug te gaan naar zijn geboorteplaats. Back to the roots, naar plantage Berlijn. Hier leert hij de exotische Nadira kennen, die met hem de geheimen van zijn familie ontrafelt. Niet alleen Nadira’s schoonheid blijkt onweerstaanbaar, maar ook de drang zijn bloedlijn voort te zetten en het roemrijke plantageverleden van zijn familie herleeft in deze roman. En dit gevoel wilde de Clark Accord Foundation  met de jongeren delen. Hoe werd dat gedaan?
Clark Accord

Er werd een lesbrief ontwikkeld waarin het verhaal, de tekst, centraal stond. De tekst kwam tot leven door gebruik te maken van didactische werkvormen zoals muziek en drama! Vaak hebben volwassen geen flauw idee hoeveel kracht zit in deze twee expressievormen die jongeren leuk vinden. Zo was Clark Accord dol op de muziek van onder andere Papa Touwtjie. Toen de studenten de bus instapten draaide de muziek van Papa Touwtjie in de mooie grote bus. Voor sommigen was de muziekkeuze een verrassing, omdat deze zanger bekend staat om zijn opzwepend en vulgair taalgebruik in zijn liedjes. Maar Touwtjie heeft ook vele mooie ‘nette’ liederen gezongen. ‘Son ten’ is er een van en dit lied werd afgedraaid. De sfeer zat er goed in bij de jonge studenten. Iedereen werd wakker en enkelen zongen zelfs mee. Op Para werd een korte stop gemaakt bij de Coropinakreek. De kreek heeft een functie in het boek. Deze functie moesten de studenten zelf achterhalen! Het duurde niet lang en het antwoord werd gegeven, omdat zij de ruimte hadden herkend: ‘De kreek stroomt door naar plantage Berlijn waar je ook lekker kan zwemmen!’

De tweede stop werd gemaakt bij de internationale luchthaven te Zanderij. De bus stopte langs de weg pal naast de landingsbaan (richting Berlijn), omdat hoofdstuk 1 van het boek begint met de vliegreis die de hoofdfiguur maakt naar Suriname. Hij zit in het vliegtuig en Accord beschrijft de gevoelens van de Kenneth Campbell vlak voordat het vliegtuig landt. Er wordt een kort fragment gelezen over wat er allemaal in het vliegtuig gebeurt kort na de landing. De studenten zien naast zich de uitgestrekte landingsbaan en de Zanderij-savanne. Naast Campbell zit een mevrouw, een medepassagier die ietwat zenuwachtig is en aan de SLM-vliegramp denkt. Ze raken in gesprek, want opeens zwenkt het vliegtuig naar een kant. ‘De vrouw grijpt mijn hand. Waaai! Mi masra! Mi Jezus Mijn Heer, mijn Jezus’!, gilt ze. Het toestel is terug in de normale stand. “Ik vlieg niet graag”, verontschuldigt ze zich. Snel keer ik mijn gezicht naar het raam. De aarde is nu angstaanjagend dichtbij. Inheemse dorpen liggen kriskras door elkaar alsof zij door een enorme hand zijn uitgestrooid. We vliegen rakelings over de daken van gedroogde palmbladeren op houten palen. Uit het niets doemt de grens tussen de natuur en maakbaarheid op: glooiend witte zandvlakte vloeit over in strak grijs asfalt. Fel licht markeert de landingsbaan. Ondanks het tijdstip lonken de lampen langs de baan uitnodigend naar de hemel.’  De lezer van het fragment stopt met lezen van dit fragmentje en laat de tekst even tot de luisteraars doordringen, zodat zij de tekst kunnen verwerken door deze te herkennen! Niet ver van de stopplaats van de bus zien wij het inheemse dorp Hollandse Kamp… . wat is het nut geweest van het lezen van dit fragment? De studenten zaten vol aandacht te luisteren naar de tekst en keken ook naar buiten tijdens de wenkjes van de lezer. Voor een heel kort moment waren deze buspassagiers in de huid gekropen van Kenneth Campbell en beleefde heel kort een ‘fictieve’ landing! Een mooie manier om tekst dichter bij studenten te brengen waardoor zij die tot zich maken door deze te ervaren en te beleven! En zo ging het door : plaatsen waar gestopt werd, werden in contact gebracht met het verhaal.

Coropinakreek. Foto © Emielnl


Mening van vwo-studente Annenia Emanuels, 17 jaar
 De trip naar de Para voelde aan alsof het boek tot leven kwam. Het leek alsof het verhaal van het boek op een of ander manier werd gefilmd. Ik zag plantage Berlijn en de kreken. Bij de Coropinakreek bijvoorbeeld kon ik mij een duidelijke voorstelling maken hoe de hoofdfiguur Kenneth Campbell samen met zijn chauffeur zijn gezicht waste als teken van zijn komst naar Suriname. Op Berlijn zag je dat blauwe huis waar Clark zijn verhaal schreef, de kerk in het centrum van het dorp. Kortom alles wat Accord verteld heeft in het boek kon je je verbeelden. Ik kon zo Accords liefde voor zijn geboorteland ook voelen.


In Memoriam Carla Jessurun

door Cynthia Mc Leod

Carla Jessurun, de vrouw die het verhaal van Ko-jan-die –ban- da- kotjie bekend maakte.
Misschien zijn er niet veel mensen  meer in Suriname, die Carla Jessurun gekend hebben, maar iedereen die na 1955 in Suriname op de basisschool is geweest, kent het verhaal van Ko-jan-die –ban-da- kotjie, want Carla kende het en ze kon het zo kostelijk vertellen.

In 1949 bij de oprichting van de Surinaamse Kweekschool was Carla Jessurun één van de eerste studenten en zij behaalde ook als één van de eersten de Onderwijzersakte. In 1955 werkte het Ministerie van Onderwijs aan de vernieuwing van het lees onderwijs op de Basisschool. Surinaamse kinderen zouden voortaan verhalen lezen die zich afspeelden in de eigen leefwereld en eigen belevingssfeer. Geen verhalen meer over Hollandse kinderen die ijsbloemen van de ramen veegden en een sneeuwman maakten. Na Loes en Mama in de eerste klas volgde een eigen Leesboekserie voor de hogere klassen.  In de vorm van een prijsvraag stimuleerde het Ministerie van Onderwijs  Surinaamse leerkrachten om verhalen, geschikt voor de leesboekjes, in te sturen. Carla schreef het verhaal van Ko -jan –die-ban-da-ko-tjie en het werd met de titel “Waarom  oude mensen gebogen gaan” gepubliceerd in het leesboekje voor het Derde Leerjaar in de Leesboekserie Wij en de Wereld, welke in 1956 in gebruik werd genomen.

Dertig jaar later, in 1986, was het Ministerie van Onderwijs opnieuw bezig met de vernieuwing van het leesonderwijs op de basisschool en de werkgroep besloot om de populairste verhalen uit Wij en de Wereld op te nemen in de nieuwe serie.  Uit de enquète bleek dat het verhaal van Carla Jessurun tot de top 10 behoorde en zo werd het wederom gepubliceerd in de nieuwe serie Van Hier en Daar en Overal.  Vanaf 1956 heeft in Suriname dus elk schoolkind dit verhaal gelezen.

Carla is er niet meer maar ze zal in onze herinnering blijven als de vrouw van het leuke verhaal Surinaamse verhaal van  “Ko-jan-die-ban-da-ko-tjie.” 



[Carla Gertrude Jessurun werd 81 jaar en werd op 19 april 2014 in Amsterdam gecremeerd - red. CU]

vrijdag 11 april 2014

“Ik wil als Dobru zijn, ik geloof dat ik als hem kan zijn”


First Lady opent tien mediatheken

door Shahida Hek

First Lady Ingrid Bouterse-Waldring heeft donderdag computers geschonken aan verschillende scholen op VOJ- en VOS-niveau. Deze computers zijn afkomstig van de Volksrepubliek China. President Desi Bouterse en zijn echtgenote hebben ervoor gekozen om de schenkingen te doen aan de scholen. De first lady heeft mediatheken geopend op Mulo Geyersvlijt, Lagere Technische School IV, Henri Dahlbergschool (Havo I), Marie Le Fevreschool, Berkenveldschool, VOJ La Solitude, Swami Shradhanandschool, Pandit R. Kalidinschool, VOS Scholen Gemeenschap Tamanredjo en Armand Saliminschool.

Extra aandacht voor jongens 
Ingrid Bouterse richtte zich voornamelijk tot de jongens, omdat er veel drop-outs onder hen zijn. Zij stelde dat de ouders in feite ook debet zijn hieraan, omdat zij hun dochters altijd hebben geleerd dat hun diploma hun eerste man is. Vandaar dat zij de jongens vertelde dat hun diploma hun eerste vrouw is en dat zij moeten studeren zodat vrouwen naar hun kijken. "Laat niets en niemand je tegenhouden om je diploma te behalen, omdat het de basis is van alles in je leven. De basis voor jouw ontwikkeling en voor ons land". Bouterse gaf aan dat het onderwijs een achterstand heeft, maar dat de regering er alles aan doet om de kinderen in de schoolbanken te krijgen. Daarom zijn er volgens haar scholen gebouwd, is de kinderbijslag verhoogd en is ervoor gezorgd dat kinderen geen schoolgeld hoeven te betalen.

Districtscommissaris Mohamad Kasto van Paramaribo Noordoost zei dat de leerlingen zich goed moeten ontwikkelen. Hiertoe moeten ze alle hulpbronnen gebruiken. Voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs in De Nationale Assemblee, Melvin Bouva (Mega Combinatie/NDP), gaf het belang van ict aan. “Als je niet kan omgaan met een computer zal je problemen krijgen”, benadrukte hij. Hij prees de missie van de first lady die kinderen stimuleert om hun best te doen op school. Er wordt voor gezorgd dat ze computeronderwijs kunnen volgen. Bouva is ervan overtuigd dat als iedereen - de schoolleiding, leerkrachten en ouders - de missie van de presidentsvrouw ondersteunen, dat veel meer kinderen goed onderwijs kunnen genieten.

Jean-Luc Josafath, leerling van de STS 4, droeg een gedicht voor dat zeer in de smaak viel. Hij kreeg de aanbieding om zijn gedicht te deponeren op het kabinet van de first lady. Jean-Luc die momenteel meedoet aan een talentencompetitie 'Mijn revolutie is...', zegt zijn inspiratie te halen van onder andere dingen die zijn hart breken. “Ik wil als Dobru zijn, ik geloof dat ik als hem kan zijn”, zei hij.

[van Starnieuws, 11 april 2014]

Hier het gedicht dat zeer in de smaak viel:


mijn zonnetje
ik zie door jouw nachtjaponnetje
twee tepeltjes en wat pubishaar
kom hier mijn bonbonnetje
jij bent voorwaar geen nonnetje
en ik geen onnozelaar

Bolo ta di pueblo (7 en slot)

Fred de Haas over Frantz Fanon

Geweld en ‘Nation Building’
Frantz Fanon was geen gewelddadig persoon, geen voorstander van geweld. De toon in Les damnés de la terre kan soms oorlogszuchtig klinken, maar we moeten begrijpen dat Fanon de eerste was die begreep dat een vorm van geweld genezend kan werken voor mensen die onderdrukt zijn.

De Franse filosoof Jean-Paul Sartre, die het Voorwoord schreef van  Les damnés de la Terre in de uitgave van 1961, drukte zich in dit opzicht wel heel fel uit:
‘Je moet doden: met het elimineren van een Europeaan sla je twee vliegen in één klap’.
Zo’n uitspraak is verontrustend. Fanon zelf maakte geen propaganda voor het gebruik van geweld en zag het hoogstens als een tussenstadium. Immers, Fanon leefde in een gekoloniseerde wereld waar mensen werden onderdrukt, vernederd, bedreigd, veracht, uitgebuit en dienstbaar gemaakt. De enige mogelijkheid die de gekoloniseerde had was in opstand te komen. Net zoals vroeger de slaven in opstand kwamen.

Tula - Edsel Selberie
Foto © Michiel van Kempen
Op Curaçao begon het met de opstand van Tula in 1795 en werd pas veel later voortgezet met de gewelddadigheden van 1969.

Ook de Curaçaose Partido Soberano heeft een periode gekend waarin gewelddadige taal aan de orde van de dag was. De leider van de partij, Helmin Magno Wiels, heeft dit soort taal vaak gebezigd, totdat hij, strateeg als hij was, besloot dat het genoeg was en tijd om zich meer als staatsman op te stellen. Het is zeker zijn bedoeling niet geweest dat zijn opvolgers weer hun toevlucht zouden nemen tot beledigende en bedreigende taal. Degenen die zich binnen de PS hier nog aan schuldig maken kunnen moeilijk worden beschouwd als waardige opvolgers van een leider die zijn leven heeft moeten geven in de strijd om zijn volk te verheffen en te bevrijden van kwalijke invloeden.

Curaçao is het stadium van politiek geweld voorbij. Ondanks allerlei misstanden is het land nog steeds democratisch en wordt er gestreden via het woord. En wie aperte leugens vertelt, kan er zeker van zijn dat hij/zij vandaag of morgen wordt ontmaskerd en aan de kant geschoven.

Fanon leefde in het door de Fransen gekoloniseerde Algerije en we weten allemaal dat de Fransen alleen met veel geweld uit de kolonie verdreven konden worden. Dat verklaart de felheid waarmee Sartre het kolonialisme met woorden bestreed en min of meer opriep tot het gebruik van geweld. Zo hebben Kaapverdië, Guinee-Bissau, Mozambique en Angola zich met geweld bevrijd van het Portugese kolonialisme dat van geen wijken wilde weten.

Obama ontvangt de Nobelprijs voor de Vrede.
Foto © Harry Wad
Toen de Amerikaanse President Obama in 2009 – een beetje vroeg -  de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, zei hij: ‘Het kwaad in de wereld bestaat. Een vredelievende beweging zou de legers van Hitler niet hebben kunnen tegenhouden. Geen enkele vorm van onderhandelen zou de leiders van Al-Qaida ervan kunnen overtuigen hun wapens neer te leggen. Zeggen dat oorlog noodzakelijk is, betekent nog niet dat je cynisch bent, maar het betekent veelal dat je inzicht hebt in de Geschiedenis, in de onvolmaaktheden van de mens en de grenzen van het verstand’. Zijn woorden zouden zonder meer ook van toepassing zijn geweest op het kolonialisme.

Er is moed voor nodig om af te rekenen met de resten van het kolonialisme. En niet alleen moed, maar ook verbeeldingskracht, overtuiging en zeker ook een grote mate van edelmoedigheid, een eigenschap waarvan de onlangs overleden Nelson Mandela de belichaming was. Hij heeft het voorbeeld gegeven hoe je op basis van gelijkwaardigheid met een oude kolonisator kon omgaan.

De politieke rol van ‘het volk’
We betreden nu een moeilijk terrein. We zijn het eens met Fanon als hij pleit voor een directe democratie waarbij de vertegenwoordigers van de politieke partij(en) – natuurlijk op basis van weldoordachte programma’s -  de uitvoerders zijn van de volkswil. Hoe beter een volk is opgeleid hoe beter het de consequenties van bepaalde beslissingen zou kunnen overzien. Hoe minder een volk is opgeleid des te vatbaarder is het voor politieke manipulatie en des te gevaarlijker is het om het volk beslissingen te laten nemen op belangrijke terreinen. De ene keer zal het een politieke partij goed uitkomen als er een referendum zou worden gehouden, maar een andere keer zou dat wel eens minder goed kunnen uitkomen, namelijk wanneer vermoed wordt dat de wens van het volk niet in overeenstemming is met wat een bepaalde politieke partij graag zou willen.

Voor Curaçao zou deze kwestie wel eens kunnen gaan spelen wanneer in 2015 de situatie van de afgelopen vijf jaar door de Rijksministerraad geëvalueerd gaat worden en er besluiten moeten worden genomen over de (consensus) Rijkswetten van het Koninkrijk. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de wensen van de Curaçaose politieke partijen, maar het minste wat ik hen tegen die tijd zou willen toewensen is wijsheid en onbaatzuchtigheid waarbij het welzijn van het volk voorop zou moeten staan. De rijkdom van het land - de taart - mag niet worden opgegeten door graaiende bestuurders, nee, de taart is van het volk. In andere - Papiamentse -  woorden die ik hoorde in een van de uitzendingen van de Partido Soberano: ‘Bolo ta di pueblo’.

En de leden van de PS die dit niet zouden hebben begrepen zou ik willen verwijzen naar hun eigen site en naar de uitzending van hun eigen Ingrid Sánchez van 27-06-2013 getiteld ‘Palabra’.

De oude globalisering
Mentaliteitsverandering
De mentaliteit van de mensen wordt nu in hoge mate beïnvloed door een ander soort vervreemding dan die welke werd gecreëerd door het kolonialisme. Die andersoortige  vervreemding wordt in de hand gewerkt door de invloed van de globalisering en het Internet. De jeugd ziet wat er allemaal te koop is in de wereld aan luxe, pornografie, spelletjes en wat al niet meer. Logisch dat de gedachte bij hen opkomt dat dit het ideaal is waarnaar moet worden gestreefd. Die gedachte wordt nog gevoed door het spook van de werkloosheid, functioneel analfabetisme, gebrek aan sociale controle, gebrek aan scholing, de aanwezigheid van armoedige leefomstandigheden enz. Afleiding en valse zekerheden worden gezocht bij de telenovelas, de Zuid-Amerikaanse soaps die ervoor zorgen dat de kritische geest afgestompt raakt en niet in de gaten heeft dat het land op een incompetente manier wordt bestuurd. En bij gebrek aan werk wordt er do0r sommigen geld verdiend door het uitoefenen van misdadige praktijken.

Samenwerking, geen imitatie
Fanon heeft duidelijk aangegeven hoe dekoloniserende landen een nieuwe maatschappij zouden moeten inrichten. Dat moet een maatschappij zijn met eigen waarden en met behoud van zaken die goed zijn en hun nut hebben bewezen. Van belang is het streven naar goede sociale omstandigheden, verdraagzaamheid, solidariteit en democratie. Voor het bouwen aan een nieuwe maatschappij is intelligentie nodig, vernieuwend denken en zelfvertrouwen.

Er moet vooral niet worden geprobeerd om Europa of Amerika na te doen of een pathologische bewondering te koesteren voor een Europa dat zijn succes mede te danken heeft aan de schoffering van de gewoonste menselijke waarden. Denk daarbij aan de uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking van de Amerika’s, de slavernij en de apartheid. Maar laten we, aldus Fanon, verder geen tijd daaraan besteden: ‘Kom op, broeders, we hebben veel te veel werk te doen om ons te amuseren met achterhoedespelletjes. Europa heeft gedaan wat het moest doen en achteraf beschouwd heeft Europa dat goed gedaan; laten we ophouden met Europa te beschuldigen maar wel duidelijk zeggen dat het moet stoppen met een grote mond op te zetten. We hoeven geen angst meer te hebben voor Europa en laten we ophouden met het te benijden (Les damnés de la terre, p. 231/232)’.

Stagiaire in het Surinaamse binnenland
Samenwerken met Europa c.q. Amerika kan altijd, maar dat mag nooit leiden tot neokolonialisme en het opdringen van Europese of Amerikaanse modellen. Het is beter om jezelf dwars door alle fouten en moeilijkheden heen te worstelen en te zoeken naar een eigen oplossing. Als je een Europese staat van je land wil maken kan je beter het lot van je land toevertrouwen aan Europeanen, want, zegt Fanon letterlijk: ‘die kunnen dat beter dan de meest begaafde onder jullie (Les damnés… p. 232)’. Natuurlijk mogen er best Europeanen in hun voormalige kolonie aanwezig zijn, maar wel op andere voorwaarden dan voorheen en zeker niet in de gedaante van superieure betweters.
Fanon laat overigens duidelijk merken dat er voor hem ook geen sprake kan zijn van het voortdurend terugkruipen en beschutting zoeken in een slachtofferrol of je terug te trekken  binnen de eigen – veilige – groep. Je moet de moed kunnen opbrengen om dat station achter je te laten en gewoon aan het werk te gaan.

Overigens moeten we wel een kanttekening maken bij de situatie van de mensen in de oude Afrikaanse koloniën. Als de bewoners van die arme landen zien hoe de eigen megalomane dictators en hun kliek zich verrijken ten koste van hun land, is het moeilijk voor hen om Europa niet te zien als het paradijs waar ze graag naartoe zouden gaan. Vandaar die al tientallen jaren durende  ‘illegale’ oversteek van Afrika naar Europa in wrakke bootjes, omgebouwde auto’s of zelfs achter het landingsgestel van een vliegtuig. Met de bekende, fatale gevolgen, waaronder het vluchtelingendrama van Lampedusa.

Afrikaanse vluchtelingen op een gammele boot voor de kust van Lampedusa.
Foto © Telegraph

Het is niet de bedoeling van Fanon dat de voormalige gekoloniseerde volken de Europeanen gaan haten: ‘Nee, de Derde Wereld verwacht dat ze de Derde Wereld helpen om de mens te rehabiliteren, om overal eens en voor al de mens te laten zegevieren (Les damnés… p. 230)’.

Laten we blijven luisteren naar Fanon. Aimé Césaire zei in een interview met Daniel Maximin in het tijdschrift Présence Africaine (no 126): ‘[…] teruggrijpen op Fanon is nuttig omdat dit uiteindelijk een teruggrijpen is naar de visie die veel verder ziet dan de gewone blik…’. Fanon was een humanist. Fanon was voor samenwerking en niet voor een zwart nationalisme of afrocentrisme. Het zou absurd zijn om onder de vlag van Fanon haatzaaiende redevoeringen te houden, oude wrokgevoelens op te poken of je terug te trekken op het gepasseerde station van een al te benauwde eigen identiteit. Dan zou je Fanon pas echt niet hebben begrepen.



Tenslotte
In bovenstaand betoog zijn genoeg elementen aanwezig die bouwstenen kunnen leveren voor het denken over een nieuwe samenleving voor de Benedenwindse eilanden. Er moet  in dit proces ook een belangrijke rol zijn weggelegd voor mensen die hebben gestudeerd en die in staat moeten worden geacht de vaardigheden die ze hebben verworven toe te passen in de praktijk. Ik heb het over de Curaçaose intellectuelen. Die zouden ervan moeten afzien hun kennis en kunde in dienst te stellen van regeringen die ondemocratisch zijn en voor een deel bestaan uit mensen die alleen hun eigen belang of een bepaald groepsbelang dienen in plaats van het landsbelang. Bursalen zouden moeten gaan studeren in het Caribisch gebied en door de regering van hun land verplicht worden om na hun studie voor vijf of tien jaar naar hun land terug te keren om mee te helpen aan de opbouw van de nieuwe samenleving.

IJsverkoper op Aruba
Niemand weet hoe de ABC (ei)landen er over 50 jaar uit zullen zien. Zal op Bonaire het eigen eilandsbestuur een doekje voor het bloeden zijn en zal het eiland (als het nog een bijzondere gemeente van Nederland is) alleen nog worden bestuurd door autochtone Nederlanders? Volgens Fanon zou dit laatste best het geval kunnen zijn. Als je van je eiland een Europees eiland wil maken kan je het bestuur volgens hem het beste aan Europeanen overlaten. Die weten hoe dat moet. En Aruba? Zal het nog zo hecht samenwerken met Nederland? Zal de Nederlandse taal nog zo worden beschermd en gecontinueerd omdat de Arubaanse jongeren in Nederland gaan studeren? Zullen er over 100 jaar nog wel Arubanen zijn? Als je de migrantenaantallen bekijkt en ziet hoeveel Latijns-Amerikanen er elk jaar definitief op het eiland achterblijven dan zouden er wel eens geen Arubanen meer kunnen zijn.

School op Curaçao
Curaçao zal, denk ik, een eigen koers gaan varen, in de geest van Fanon. Het land is gewikkeld in een langdurig proces dat zich uitstrekt over enkele decennia. Zolang duurt het voordat de kinderen van nu volwassen zijn. Drastische beslissingen lijken me in dit verband roekeloos en niet zinvol. Er is niets mis met het streven naar steeds grotere onafhankelijkheid van Nederland, maar daarvoor is het nodig om nog geruime tijd te werken aan de bewustwording van het volk, het inrichten van een op de mogelijkheden van het individu toegesneden onderwijssysteem met ruime aandacht voor het leren van een ambacht en de verbetering van de leef- en werkomstandigheden. Het land moet veilig zijn, een goedwerkend justitieel apparaat hebben met mensen die niet onder druk gezet kunnen worden of bedreigd, een politiekorps dat adequaat kan functioneren en een regering die bestaat uit intelligente, integere personen die door elke screening komen. Wanneer er op een gegeven ogenblik een voldoende groot aantal Curaçaoënaars te vinden is dat niet bang is om Procureur-Generaal of rechter te worden, is Curaçao al een stuk opgeschoten. Pas dan kan je echt spreken van een Dushi Kòrsou!

Het is ook van het grootste belang dat er definitief wordt gekozen voor een (wereld)taal waarin, behalve in de moedertaal, vervolgonderwijs moet worden gegeven.

Fanon is een moeilijke auteur, maar hij verdient het om gelezen en herlezen te worden door politici, leraren en elke geïnteresseerde. Hij was een jonge, briljante, non-conformistische denker die het welzijn van de mens centraal had staan en gekant was tegen elke vorm van duister nationalisme of weerzinwekkend blank of zwart racisme. Hij stond voor onderling respect, nadenken over jezelf in betrekking tot de Ander, solidariteit, het bestrijden van onderdrukking, manipulatie en anti-democratische krachten.

maandag 7 april 2014

Voorbereidingen huisvesting ADEK-studenten

Paramaribo - Het bestuur van de Anton de Kom Universiteit (ADEK) is drukdoende met de voorbereidingen voor het creëren van collegefaciliteiten waaronder de huisvesting van universiteitsstudenten. De huisvesting voor studenten wordt ter hand genomen, nadat door het studentenbestuur werd aangekaart dat er een grote vraag is naar huisvesting voor deze groep.

“De focus is dat wij nu onze studenten willen gaan faciliëren met een verblijf, ongeacht uit welke buurt de studenten afkomstig zijn. Het is de bedoeling dat wij het dan ook makkelijker willen maken voor de studenten en dat zij zodoende ook zelfstandig kunnen zijn,” zegt Ryan Sidin, voorzitter van het bestuur van ADEK, in een gesprek.

Dit gebouw is in 2011 gereedgekomen, maar heeft geen lift en geen verlichting.


Op de agenda van het ADEK-bestuur staan een nieuw gebouw voor studentenhuisvesting en de renovatie en het gebruiksgereed maken van het bestaande gebouw. Er is al een plan voor een nieuw gebouw, maar dat is nu in behandeling bij de architect. Na de voorbereidingsfase zal dit plan nog goedgekeurd en ondertekend moeten worden door de regering, aangezien ADEK afhankelijk is van de overheidssteun. De raming van de middelen die voor de nieuwbouw ter beschikking gesteld zullen moeten worden, is nog niet bekend.

Er bestaat overigens al een gebouw voor het onderbrengen van studenten, dat in 2011 is opgezet. Doordat dit gebouw evenwel niet aan alle eisen voldeed, hebben de studenten de ruimten tot dusverre niet in gebruik kunnen nemen. Het vier verdiepingen tellend gebouw is voorzien van een trappenhuis dat niet veilig is voor de studenten, wanneer ze omhoog moeten klimmen met hun spullen en hetzelfde geldt bij het afklimmen van het trappenhuis.

Daarom wordt overwogen een liftinstallatie aan te brengen. Ook heeft het gebouw nog geen verlichting. Sidin zegt verder dat voor het gebruiksgereed maken van het bestaand gebouw er ruim 150.000 euro nodig is. Het bestaande gebouw zal uitsluitend bestemd zijn voor ADEK-studenten. Wat het nieuwe pand betreft, zal er nog besproken moeten worden of studenten van andere opleidingen, zoals het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL), daarin ook geaccommodeerd zullen worden.

”Het streven is om 1000 kamers op te leveren. Wij willen het nu echt tot een campus maken,” benadrukt Sidin over het nieuwe project. “Wij zijn deze regering dankbaar voor de ondersteuning tot nu toe. Ons budget is verruimd naar SRD 60 miljoen in de afgelopen twee jaren. Maar dat is ook nog niet voldoende om de plannen uit te voeren”, voegt hij er aan. Hij vertelt voorts dat er contact is gelegd met een Caribische bank voor het sluiten van een lening, maar de regering moet nog een besluit nemen. “Ik spreek de wens uit dat er op welke wijze dan ook, meer geïnvesteerd wordt in onze universiteit,” zegt de voorzitter van het bestuur van ADEK tot slot.

[van nospang.com, maandag, 07 april 2014]


dinsdag 1 april 2014

Papiaments: ‘Blijven ontwikkelen en inzetten als onderwijstaal’

Een kop uit de Extra van 5 september 2007: VPCO verbiedt Papiamentu op de scholen

Dat schrijft Jamila Baaziz van het Caribisch Netwerk. Zij sprak onder meer met een van de aanwezigen tijdens het symposium, georganiseerd door Splika en de Sectie Papiaments van Levende Talen. Hoofdvraag van het symposium: “Wat is nu de positie van het Papiaments in Nederland en in Europa?” De taal is een van de vier erkende talen in het Koninkrijk, samen met Nederlands, Fries en Engels. Het Fries is echter beschermd via het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Een dergelijke bescherming is voor het Papiaments nog niet tot stand gekomen. Om deze stap te maken kan Splika wel de kennis gebruiken van de voorvechters van het Fries.

Een andere stap naar Europese erkenning, ligt volgens rechtshistoricus Bastiaan van der Velden, spreker tijdens het symposium, in de verankering van Papiaments in wetgeving. De taal is volgens hem nog niet voldoende juridisch vastgelegd in lokale en nationale wetgeving. Dat bescherming nodig is, zo blijkt tijdens het symposium, is duidelijk te zien op Bonaire. Dat zegt Gerladine Dammers van Akademia Papiamentu uit Bonaire, een van de hoofdsprekers van het congres. Sinds de inlijving van het eiland bij Nederland als bijzondere gemeente op 10-10-10, gaat het steeds minder goed met het Papiaments. Volgens Dammers wordt Nederlands in het dagelijks leven en op scholen belangrijker, waardoor Papiaments in de verdrukking komt. “Ook een gebrek aan voldoende leermiddelen, Nederlandse onderwijsinspecteurs die het Papiamentstalige onderwijs niet kunnen beoordelen en geld om lesmateriaal verder te ontwikkelen speelt hierbij een rol”, aldus Dammers.

Splika zet zich onder meer in voor de Antilliaanse cultuur, de officiële erkenning van het Papiaments en het gebruik van deze taal als instructietaal in het onderwijs. De stichting is sinds kort ook lid van het Europese Bureau voor Kleine Talen.

[uit Amigoe, 31 maart 2014]


dinsdag 18 maart 2014

We schrijven ons eigen boek



Schrijversvakschool start specifiek schrijfprogramma voor kinderen

  
Kinderen in de leeftijd van 9-14 jaar kunnen eindelijk op structurele basis lessen in creatief schrijven volgen op de Schrijversvakschool Paramaribo. Dit programma is speciaal voor hen opgezet, omdat de vraag naar continuïteit bleef binnenkomen van ouders en kinderen zelf. Dit project, goedgekeurd door de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden, duurt 9 maanden en start eind augustus. In steeds drie termijnen zullen kinderen lessen krijgen in het schrijven van verschillende genres. Vooral getalenteerde kinderen krijgen nu de kans zich te ontplooien.


Opzet: We schrijven ons Eigen boek

Elke groep krijgt in totaal 12 lessen. Aan het eind van de drie maanden worden de verhalen gelezen door andere kinderen die vervolgens de illustraties maken. Deze groep wordt begeleid door een kunstenaar of tekenleraar. De nadruk wordt vooral erop gelegd om een eigen kinderboek in elkaar te zetten. Aan het eind van het project zal er een verhalenbundel worden samengesteld, die gepresenteerd zal worden tijdens het Kinderboekenfestival.

Het gaat bij de Schrijversvakschool vooral erom de expressieve en creatieve vaardigheden van kinderen te stimuleren en te vergroten. Er zijn genoeg kinderboeken die door volwassenen zijn en nog worden geschreven, maar te weinig of bijna geen boeken die door kinderen zelf zijn geschreven. De kunst van het ‘creatief schrijven’ wordt met dit project op vroege leeftijd geprikkeld. Zo zijn er al kinderen die hebben meegedaan met de in april jl. gehouden schrijftraining voor kinderen. Deze was een succes en de kinderen bleven in contact met de school om te informeren wanneer er een vervolgcursus zou starten. We willen hen vooral niet teleurstellen( de Schrijversvakschool is in eerste instantie een opleiding voor volwassenen), daarom gaan wij nu van start met deze cursus voor kinderen (jongeren).

De lessen

Kinderen hebben verrassende inzichten en zijn vooral origineel. De thema’s die aan de orde zullen komen, zijn vooral gebeurtenissen uit de eigen belevingswereld, maatschappelijk relevante onderwerpen: het internet, gedichten en versjes, de cultuur van een ander, interviews afnemen en dergelijke. De keuze van het onderwerp zal vooral gericht zijn op wat zij zelf willen. De lessen zijn interactief. Er zullen allerlei schrijftechnieken gebruikt worden om het beeldend vermogen van het kind te prikkelen. We blijven vooral in hun eigen wereld en denken aan rubrieken als techno-weetjes, de kinderen van een school of kindertehuis, toetsnieuws (ervaringen met de schooltoets), verkeersnieuws, lekker eten, de wereld buiten Suriname, dieren en ik, sport en minder leuke ervaringen daarbij, de cultuur van een ander, een boek- of verhaalbespreking en nog veel meer. Bij de trainingen zal erop worden gelet dat de spontaniteit gehandhaafd blijft: creativiteit is immers het best wanneer die spontaan is.

Start

Na de aanmelding en registratie, zullen we de laatste zaterdag van augustus beginnen en in de vakantie doorgaan. De lessen worden elke zaterdag gegeven en bij uitzondering op een andere dag. Wij vragen  aan ouders, vooral van kinderen met schrijftalent, dat deze zich aanmelden en laten registreren. Er zullen per groep 15 kinderen kunnen deelnemen. De schrijfbegeleiding is vooral individueel.

De Schrijversvakschool wil met deze cursus ook de leescultuur van de kinderen een push geven (wij adviseren de kinderen namelijk om veel verhalen (boeken) te lezen, want je leert veel van anderen die schrijven), het creatieve vermogen exploreren, de kunst vooral op vroege leeftijd stimuleren en met het schrijven de taalvaardigheid in het Nederlands vergroten.

De trainingsdata worden binnenkort op de agenda geplaatst.


[van de site van de Schrijversvakschool Paramaribo]


Alle foto's: © Schrijversvakschool Paramaribo

zondag 16 maart 2014

Stap naar Nederland groter dan je denkt

Lucia Martis. Foto's: © Mineke de Vries
door Mineke de Vries

Het is bijna haar levenswerk geworden: vanaf haar start in Nederland heeft Lucia Martis zich vanuit het welzijnswerk sterk gemaakt voor Antillianen en Arubanen in Nederland. “Veel mensen komen in de problemen door de taalbarrière, doordat ze geen huis of baan vinden of de weg kwijt zijn in de samenleving en komen als gevolg daarvan in de schulden, lopen onderwijsachterstand op, vervallen soms tot criminaliteit. Ik zie het als mijn persoonlijke missie dat mensen het goed hebben, dat iedereen die problemen heeft zijn weg weet te vinden en kan werken aan zijn toekomst.”


Alhoewel studenten worden opgevangen als ze naar Nederland komen, voor anderen die ‘’zomaar’’ komen, is er geen enkele opvang. Het is voor studenten al een hele klus hun weg te vinden, laat staan voor diegenen die zonder enige opvang op Amsterdam aankomen. Martis werkt vanuit ProFor - bureau voor samenlevingsopbouw - aan het opbouwen van de levens van mensen die zijn stukgelopen. Alhoewel het bureau toegankelijk is voor iedereen, blijkt zestig procent van Antilliaanse afkomst te zijn. “We hebben vanuit het verleden dan ook een enorme expertise opgebouwd met deze doelgroep.”

ProFor, wat betekent ‘voor kracht’, stelt zich ten doel vanuit die eigen kracht anderen te helpen, trainen en coachen. “Wij zijn laagdrempeliger dan het reguliere maatschappelijk werk, staan met onze voeten in de modder, helpen met alles wat er speelt rond die persoon en kijken niet op de klok. Aan de hand van de hulpvraag ontwikkelen we methodes en koppelen mensen zoveel mogelijk aan lopende projecten. We kijken dus naar het totale beeld van een cliënt en zijn of haar omgeving en pakken aan alle kanten aan, bieden de cliënt bijvoorbeeld ook nog taalles en sturen zijn kind naar onze huiswerkbegeleiding.”
 
Lucia Martis
Denk na voor je gaat
Het was anders toen Martis zelf in 1977 op 21-jarige leeftijd naar Nederland kwam en er opvangcentra voor Antillianen en Surinamers waren. “Je woonde daar de eerste tijd en werd met alles geholpen, je sofinummer aanvragen, beroepenoriëntatie, trainingen om te participeren in de samenleving, alles vanuit de opvang en het ministerie geregeld. Je werd snel zelfstandig gemaakt. Vanuit het opvangcentrum, dat bovendien banden had met de woningbouw werd naar een zelfstandige woonplek gezocht. Eigenlijk kwam iedereen goed terecht, dat is nu anders. Een fors aantal, dat komt om een nieuwe start te maken, komt terecht in een circuit van zwerven, soms stelen om te overleven.” Martis zegt niet genoeg te kunnen benadrukken dat mensen die de stap zetten om naar Nederland te komen zich vooraf uitgebreid moeten oriënteren: verdiepen in de samenleving, wetten en regels, websites bekijken. “Het is vechten om je doel te bereiken, zeker als je niemand hebt om je op te vangen en realiseer je dat het in Nederland crisis is, zo gemakkelijk kom je niet aan werk. En heb je geen werk en dus geen binding met een stad, kun je je er niet inschrijven. In de loop der jaren zijn de regels verscherpt, je komt niet zonder meer in de bijstand. Het is niet meer: ‘Nederland zorgt voor je vanaf je geboorte tot je dood’, je krijgt net voldoende om in leven te blijven. Zeker als je met kinderen komt, sleep je hen mee in een mogelijke mislukking. Want ook ten aanzien van kinderen zijn de regels verscherpt: zorg je niet goed voor ze, worden ze onder toezicht gesteld of soms uit huis geplaatst.” Nederland eist dat je participeert in de samenleving, een samenleving waarbij je op jezelf bent aangewezen. Martis: “Denk er serieus over na of je deze stap aankunt. Ondanks dat ik alle mensen een nieuw leven gun, is het soms beter in eigen land te blijven.”

Nederlands basis
Eén van de allerbelangrijkste criteria is in de ogen van Martis de taal. Beheers je het Nederlands niet, kom je in grote problemen in de samenleving, maar ook in je studie. Zelfs goede studenten worden drop-outs doordat ze hun lessen niet goed kunnen volgen. “Ik zou het tegen alle mensen en in het bijzonder tegen de beleidsmakers op Curaçao, de mensen in het onderwijs willen zeggen dat de beheersing van het Nederlands een voorwaarde is te slagen in de toch al zo gecompliceerde samenleving. Tegen ouders wil ik zeggen: praat en lees met je kinderen in die taal. Als inmiddels ervaringsdeskundige kan ik zeggen dat mijn generatie enorm veel voordeel heeft gehad van het feit dat Nederlandse de voertaal was, zowel op school en vaak ook thuis.”
Het belang van goed taalonderwijs werd in 2008 nog eens onderstreept toen ProFor samen met het alfabetiseringsproject van Pro Alfa op Curaçao het Appeltje van Oranje kreeg, een prijs van het Oranjefonds die wordt uitgereikt aan organisaties die zich inzetten voor een betere samenleving. Met taalcursussen biedt Fundashon Pro Alfa mensen een tweede kans om beroeps- en taalvaardigheden te leren.

Antillianen grootste groep
Martis, geboren uit een Antilliaanse moeder en Surinaamse vader doorliep het Maria Immaculata Lyceum om daarna allerlei baantjes aan te pakken om te sparen voor haar ticket naar Nederland. “Ik wilde mijn vleugels uitslaan en Nederland leren kennen. Ik maakte een langzame start wat mij geholpen heeft nu in deze positie te zitten. Naast mijn werk via uitzendbureaus deed ik cursussen en behaalde uiteindelijk de HBO-management.”

In 1986 begon ze ‘onderaan’ in het welzijnswerk, wat haar zo greep dat ze zich ging specialiseren en er nooit meer wegging. “Met mijn werk bij het eerste Platform voor Antillianen en Arubanen (POAA) is de liefde voor het welzijnswerk geboren.” Vanuit dat platform ontstonden nieuwe organisaties, waaronder het huidige ProFor. Toen de overheid wilde gaan decentraliseren werd POAA afgebouwd en de gedecentraliseerde organisatie Forsa met dependances in het hele land gestart, gesubsidieerd vanuit de provincie. “Ik ging als vanzelf mee en klom op van coördinator naar manager naar lid van de Raad van Bestuur.” Toen de provincie in 1997 afwilde van uitsluitend categoriaal werken werd naast Forsa - die zich nu richt op medische zorg voor alle doelgroepen - dochter Profor opgericht, die alle welzijnstaken in alle doelgroepen verzorgt. “Van een puur Antilliaans/Arubaanse organisatie zijn we in een multiculturele organisatie veranderd. Ondanks dat we openstaan voor alle doelgroepen ligt onze kennis vanuit het verleden bij de Antillianen die zoals gezegd het merendeel van onze klantengroep vormen. Bovendien blijven er steeds nieuwe stromen komen, het is een migratievolk en heb je de ene groep op de rails, dient de volgende zich aan.”
Martis zat overigens ook in het oprichtingsbestuur van NiNsee, was actief in de landelijke Arubaanse vrouwenbeweging en bij Fostin, de Surinaamse organisatie voor 50-plussers.

Lucia Martis
Projecten
ProFor - die in en rond Amsterdam haar werkgebied heeft, maar ook van ver daarbuiten hulpvragen krijgt - heeft diverse projecten in huis. Eén daarvan is het maatjesproject. “We koppelen kinderen en jongeren met een hulpvraag aan een jongere van zijn eigen leeftijd om hem mee te trekken en te stimuleren. Ze trekken  een heel jaar met elkaar op, zowel thuis, op school, met sporten. Dit kan zowel op sociaal/emotioneel als op gezondheidsgebied zijn (bijvoorbeeld bij obesitas).” Binnen dit onderwijsproject Future Kids worden per jaar zo’n 150 kinderen begeleid, kinderen die op school een achterstand hebben als gevolg van taalproblemen, cultuurverschillen, armoede en onvoldoende stimulerende thuissituaties. Soms is er sprake van gedragsproblemen. Ouders worden op de hoogte gehouden door oudermiddagen, nieuwsbrieven en individuele gesprekken. 

Vaderrol
“Een prachtig project is het Family Coach project, waarin we gezinnen, ook eenoudergezinnen coachen op alle gebied. Meegaan naar artsen, maar ook begeleiding bij huiselijk geweld behoort daartoe. Een belangrijk speerpunt is de vaderrol. “We hebben de laatste jaren veel voor vrouwen gedaan, het is nu de beurt om vaders te empoweren hun vaderrol op te pakken. Vanuit de Antilliaanse achtergrond is dat een probleem, maar wij willen vaders wijzen op hun essentiële rol in de opvoeding. Daarnaast hebben we nog een seksualiteitproject. Door middel van theater bespreken we met jongeren en hun ouders thema’s als grenzen stellen, homoseksualiteit en acceptatie. Tot slot hebben we een blinden- en slechtziendenproject. Met een denktank willen we zicht krijgen op de situatie en de problemen van deze groep blinden en slechtzienden met een andere etnische achtergrond.” Overigens werkt ProFor bij elk project met een doelstelling, die aan het einde wordt getoetst en vergeleken met de nulmeting aan het begin.

Bij alle projecten biedt PorFor individuele begeleiding maar ook adviestrajecten en trainingen voor vrijwilligers, zelforganisaties, professionals uit  zorg/welzijn/onderwijs, instellingen en bedrijven, alles in het kader van diversiteit. “We zijn bruggenbouwers die werken aan betere communicatie en beter begrip.”
Ook op Curaçao, Bonaire en in Suriname werden in samenwerking met slachtofferhulp trainingen huiselijk geweld verzorgd. “Altijd als ik daar kom, zoek ik contact met sleutelfiguren om ook daar een bijdrage te leveren.”

Tienermoeders in Kas Broeder Pius
Foto © Catrien Ariëns
Samenwerking
Het was voor PorFor dramatisch dat per 2013 de subsidie werd stopgezet. Van een organisatie die bestond uit 35 betaalde krachten krompen ze in tot twee betaalde krachten en twintig vrijwilligers, want stoppen wilden ze niet. “We hebben veel professie in huis, er liggen trainingen op de plank die we in de loop der jaren hebben ontwikkeld, qua materiaal hebben we voldoende.” Er wordt aandacht besteed aan het trainen van vrijwilligers om professioneel te werken en daarbij werken ze met zo’n vijftig HBO-studenten van de Hogeschool van Amsterdam en de Sportacademie. “Het mes snijdt aan twee kanten: zij lopen bij ons stage en wij helpen met hun specialisaties, die wij op onze beurt weer gebruiken voor verdere specialisatie. Onlangs werd bijvoorbeeld door studenten een project over tienermoeders gedaan. Sommige tienermoeders willen graag een eigen baby’tje, maar hebben geen idee wat er bij komt kijken, sommige meiden durven gewoon niet voor zichzelf te kiezen. Dit soort grote sociale problemen moeten van huis uit worden opgepakt.” Overigens bleek uit het studentenonderzoek ook dat het aantal abortussen onder autochtonen veel hoger ligt dan onder allochtonen, een bijkomende verklaring voor de hoge aantallen tienerzwangerschappen onder Antilliaanse meisjes.”Wij stimuleren de meisjes na de bevalling overigens weer te gaan werken of naar school te gaan.” Naast de studenten probeert ProFor als leerbedrijf via incidentele projecten haar voortbestaan zeker te stellen.
 
Lucia Martis
Om de problematiek van geldgebrek, sociaal economische problemen te doorbreken, moet je de cirkel zien te doorbreken. “De basis zijn de ouders, hen moet je informeren over opvoeding, over de noodzaak van betrokkenheid van zowel moeder als vader. Deze betrokkenheid uit zich in meegaan naar ouderavonden, het blijven praten met je kind zodat je weet wat er in zijn hoofd omgaat, maar ook belangstelling voor de vrienden van je kind. Daarnaast is goed onderwijs onontbeerlijk. Wij blijven onverminderd werken aan opbouw, of het nu gaat om het terugdringen van criminaliteit, tienerzwangerschappen of huiselijk geweld. Heel soms raden we mensen aan om terug te gaan als het niet gaat. Gezinnen die geen plek vinden, zijn beter af om terug te gaan.”




Dekolonisatie van de geschiedschrijving, een poging tot een evenwichtige benadering

door Eric R. Jagdew

Al enkele jaren discussieert men over dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. Deze discussie is na 2010 toegenomen, nadat Dew Baboeram door Nederlandse en Surinaamse historici beschuldigd werd van het bedrijven van wetenschappelijk kolonialisme. Vanwege de nogal eenzijdige beïnvloeding van de publieke opinie is onterecht een indruk ontstaan alsof de afgelopen 40 jaar niets is gedaan aan het surinamiseren van de Surinaamse geschiedenis. Dit is dan ook de reden waarom ik in de pen ben geklommen en deze reactie heb geschreven. Het doel hiervan is de Surinamers, maar vooral de politici en beleidsmakers erop attent te maken dat dekolonisatie een lang proces is en in dit proces zij geloof moeten hebben in hun eigen mensen en vooral zichzelf goed moeten laten informeren. In feite moeten wij als volk veel meer gaan lezen en niet klakkeloos aannemen wat anderen zeggen, dus kritisch denken en handelen; maar vooral eerlijk zijn, hetgeen ik enigszins mis in deze discussie.

Voor de duidelijkheid moet worden vermeld dat het proces van surinamisering van het onderwijs en de geschiedschrijving lang vóór de onafhankelijkheid, met name na de Tweede Wereldoorlog met de zogenoemde ‘Baas in Eigen Huis’-beweging op gang is gekomen. Met de onafhankelijkheid in 1975 en de staatsgreep van 1980 kwam de dekolonisatie van de geschiedschrijving beter op gang: er werden nieuwe leerdoelen en methoden ontwikkeld voor het basisonderwijs en deels voor het voortgezet onderwijs. Zie hiervoor onder meer Doelstellingen voor het geschiedenisonderwijs bij het LO en VOJ (Jagdew, 2010). Zo werd ook de naam van de universiteit van Suriname veranderd in de Anton de Kom Universiteit van Suriname (Jagdew, 2011), mede door het dekolonisatieproces in de regio en de ‘Derde Wereld’-gedachte. Vanaf deze periode begonnen de in Suriname woonachtige academici ook westerse theorieën te toetsen door meer naar de regio te kijken en door meer aan geïntegreerde wetenschapsbeoefening te doen. Voorbeelden hiervan zijn Jack Menke, Glenn Sankatsing, Marten Schalkwijk en anderen. (Menke, 2011).

Waldo Heilbron
In een artikel uit het derde nummer van His/her Tori. Tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, heb ik (Jagdew, 2012) aangegeven waarom er na een periode van vernieuwingen een vertraging optrad in het proces van surinamisering. De realiteit is dat wij het Surinaamse onderwijs enigszins hebben kunnen surinamiseren, maar de daadwerkelijke dekolonisatie van de geschiedschrijving in Suriname is uitgebleven. Dit komt omdat het Surinaams kader in de jaren ’80 en ’90 moest hosselen om te overleven en daardoor geen tijd had om zich bezig te houden met vernieuwingen. Zo is er ook verzuimd al die tijd genoeg eigen academisch geschoolde historici op te leiden en hen die tools aan te reiken, opdat zij het proces van surinamisering konden voortzetten (Hassankhan, 2013). Hiermee zeg ik niet dat (Surinaamse) academici in het buitenland en dus ook in Nederland geen bijdrage hebben geleverd aan dit proces. Integendeel, er is een bijdrage geleverd door onder anderen Waldo Heilbron, Glenn Willemsen, Ruben Gowricharn en Sandew Hira. Laatstgenoemde, beïnvloed door het marxisme, schreef de Surinaamse geschiedenis vanuit een socialistische bril.


Als deeltijdse medewerker op de afdeling curriculumontwikkeling kreeg ik aan het begin van deze eeuw het doelstellingenboekje voor het geschiedenisonderwijs in handen en mocht op basis hiervan de geschiedenisboekjes van de vierde en vijfde klas van de lagere school herschrijven. Gaandeweg het proces werd onder leiding van Linda Sairras-Rozenblad, Ewald Joemratie en Fariel Izaak ook een nieuw leerplan ontwikkeld voor het basisonderwijs, met name voor het geschiedenisonderwijs. Op basis van dit leerplan, dat toen breedvoerig is besproken met nagenoeg alle stakeholders binnen het Surinaamse onderwijs, hebben Eric Jagdew, Joyce Playfair en later Roekminie Sewradj-Debipersad de geschiedenisleerboekjes van klasse vier en vijf van het gewoon lager onderwijs herschreven. Degenen die achterbleven op CO/MINOV hebben vervolgens na 2007 aan boekje zes gewerkt.

Ik wil in deze reactie expliciet het geschiedenisboekje van leerjaar vijf van het basisonderwijs behandelen, omdat critici bij de discussie over herschrijving van de Surinaamse geschiedenis, hun afkeuring uitspreken over de gehele geschiedenismethode van het lager onderwijs zonder vooraf dit boekje grondig te hebben doorgenomen. Met onderstaande passages uit boekje vijf wil ik aantonen dat de situatie anders is.
De Gazon Matodja Award

Op de bladzijden 8, 50 en 52 wordt onder meer de leerling geleerd over het ware karakter van het kolonialisme, namelijk onderdrukking en uitbuiting. Pagina 8: ‘Ons land is van 1667 tot 1975 een kolonie geweest van Nederland en is daardoor eeuwenlang uitgebuit. De rijkdommen van Suriname werden door Nederland weggedragen en niet gebruikt om ons land tot ontwikkeling (bloei) te brengen.’ Pagina 50: ‘De Spanjaarden veroverden en onderdrukten de Indianen omdat ze betere wapens hadden. Uit hebzucht stalen de Spanjaarden de rijkdommen van de Indianen. Daarnaast beroofden zij de Indianen van hun vruchtbare gronden en hun vrijheid.’ Pagina 52: ‘Deze (wereld)handel was echter oneerlijk en ongelijk, want alleen Europa verdiende eraan. Europa maakte grote winsten ten koste van de andere werelddelen. Europa werd rijker en rijker en Afrika, Azië en Amerika werden alleen maar armer.
Hernán Cortez

De leerlingen worden in dit boekje ook doelbewust aan het denken gezet over het onrechtvaardig handelen van de blanke kolonisten in Suriname. Hiertoe wordt op bladzijde 60 in vraag 4 gesteld: ‘In 1593 liet de Spaanse koning Filips II Guyana in bezit nemen door Domingo de Vera. Vind je dat de Spanjaarden het recht hadden om dat te doen? Waarom zeg je ja of nee?’ En op de bladzijde 66 wordt de volgende vraag gesteld: ‘In 1662 gaf de koning van Engeland Suriname als eigendom aan Willoughby en Laurens Hide. Mocht de koning dat wel doen?’

Bij het ontwikkelen van boekje vijf vonden we, dat de kinderen naast vaderlandsliefde ook de wreedheid van slavenhandel en slavernij bijgebracht moest worden, en dat de Nederlandse slavenhandelaren wrede slavendrijvers waren. In dit kader staat er op bladzijde 82: ‘Deze reis (van Afrika naar Suriname) was voor de slaven een echte marteling. In de kleine scheepsruimten waren zij gedurende de hele reis aan elkaar vastgebonden’, en op pagina 93: ‘Als hij (de meester) vond dat de slaven niet hard genoeg werkten of brutaal waren, kregen zij zeer wrede straffen. Als straf kon de slaaf zweepslagen krijgen of de Spaanse bok, maar hij kon ook worden verminkt’. Natuurlijk waren onze voorouders heldhaftige mensen die in verzet kwamen tegen de onderdrukking en uitbuiting. Hierover staat er respectievelijk op de bladzijden 70, 103 en 112 letterlijk: ‘De blanke soldaten konden de dappere Indianen en Marrons niet verslaan. Daarom sloot de gouverneur vrede met hen’; ‘De slaven in de stad en op de plantages keurden de slavernij af. Zij waren niet bereid in deze slechte situatie te leven. Daarom leverden zij strijd om vrije mensen te zijn’, en ‘De Marrons beschikten over weinig wapens, maar wel veel moed om te strijden. Zij voerden een soort guerrillaoorlog tegen de blanken’.
Dit zijn slechts enkele opsommingen, maar er zullen in het boekje hier en daar nog wat zinnen en woorden voorkomen die herschreven moeten worden. Echter, laten wij als wij onszelf willen ‘promoten’ niet halve waarheden en leugens verspreiden, maar aan een evenwichtige benadering van zaken doen.
Maagdenstraat Paramaribo, ca. 1940

Geraadpleegde literatuur:
- Hassankhan, M.S.: ‘Dekolonisatie van de geschiedschrijving van Suriname. Een utopie?’ In: M.S. Hassankhan, J.L. Egger & E.R. Jagdew: Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk, deel 1. Paramaribo: AdeKUS, 2013: pp. 47-89;
- Jagdew, E.R.: ‘The Development of the History Education in Suriname, 1667-present day. From Dutchifying to Surinamising’. In: Report Policy Dialogue Workshop, pp. 14-38. (UWI St. Augustine, december 2009): pp. 14-38;
- Jagdew, E.R.: ‘Anton de Kom en de februari opstand van 1933 in Suriname. Een historiografische beschrijving, 1929-heden’. In: Universiteitsblad AdeKUS: Interactie, 2011, nr. 09, pp. 19-41;
- Jagdew, E.R.: ‘Dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. Waarom is die uitgebleven?’ In: His/her Tori (juli 2012), pp. 5-15;
- Menke, Jack: Het spanningsveld tussen methodologie en diversiteit in de samenleving’, inaugurele rede (...) bij aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de Sociale Wetenschappen (...), 2009;
- Wij en ons verleden: De geschiedenis van ons volk voor de vijfde klas van het basisonderwijs. Leerlingenboek leerjaar 5. Paramaribo: MINOV/Afdeling Curriculumontwikkeling, 2007.


Zwarte magie in Tori Oso op 26 maart


Voor het vak Moderne Letteren doen studenten van de Opleiding Nederlands bij het Instituut voor de Opleiding van Leraren in Paramaribo een project rond de Nederlandse schrijver Louis Couperus uit de 19de eeuw. Hij heeft een grote rol gespeeld in de Nederlandse (koloniale) literatuur. Ook herdenkt men dit jaar zijn 150ste geboortedag. Op de S’77-Tori Oso-avond van maart (26 maart) zullen de studenten fragmenten uit zijn oeuvre uitbeelden op verschillende manieren: dans, drama, poëzie, vertelkunst etc.
De beroemdste scène uit De stille kracht: Leonie van
Oudijck (Pleuni Touw) wordt bespuwd met  rode sirih

Uit de fragmenten zal duidelijk worden dat literatuur universeel is, want veel zal ook voor ons herkenbaar zijn. Zo zal het thema zwarte magie/goena goena/bonu/voodoo een belangrijke rol deze avond vervullen. De studenten beloven een spetterende presentatie onder leiding van hun docent, tevens literatuurcriticus bij De Ware Tijd Literair, Jerry Dewnarain.

woensdag 12 maart 2014

ING noemt student 'boef uit Curaçao'

Reedie krijgt per ongeluk discriminerende mail

door Barbara de Jong 

Reedie heeft aangifte gedaan bij de politie en het
 antidiscriminatiebureau © Sanne Donders.

De Rotterdamse student Reedie voelt zich zwaar gediscrimineerd door een medewerker van ING. Hij wilde dolgraag stage lopen bij de bank, maar kreeg per ongeluk een interne mail onder ogen waarin hij 'die boef uit Curaçao' wordt genoemd. Hij heeft aangifte gedaan.

De 23-jarige student bedrijfseconomie zou eind januari een sollicitatiegesprek hebben bij de ING-afdeling lease. Na wat heen en weer mailen kreeg hij per ongeluk een e-mail, waarin stond 'Die boef uit Curaçao wil misschien vanmiddag komen om 15.00 uur. Ben je dan in the house?'

'Ik heb die mail meerdere keren gelezen en kon werkelijk mijn ogen niet geloven,' zegt Reedie verbijsterd. 'Dit heb ik echt nog nooit eerder meegemaakt.'

Hij trok naar de balie van het Rotterdamse hoofdkantoor van ING om de kwestie te bespreken. Maar na een tijdje te hebben gewacht, was voor de student de maat vol en stapte hij naar de politie om aangifte te doen.


'Een grapje'
Onderweg naar het bureau kreeg hij een telefoontje van de betreffende medewerker die stelde dat het 'een grapje' was. Maar Reedie laat het er niet bij zitten. 'Discriminatie is echt onacceptabel. Ik ken deze man niet, hij heeft mij nog nooit gezien en toch noemt hij mij 'die boef uit Curaçao'. Waar slaat dat op?' De student heeft naar eigen zeggen een blanco strafblad.

Hij wil 'eenmalig naar buiten treden' met zijn verhaal. 'Het is belangrijk mensen bewust te maken dat dit soort dingen blijkbaar gebeurt. Maar allochtonen hebben hetzelfde recht als anderen op een stageplek.' Behalve aangifte bij de politie heeft Reedie de kwestie ook gemeld bij anti-discriminatiebureau RADAR.

De Hogeschool Rotterdam neemt de zaak hoog op en noemt de kwestie ongehoord en onacceptabel. Per brief is opheldering gevraagd aan ING. 'Dit is een hele botte vorm van racisme,' zegt voorzitter Ron Bormans van de Hogeschool Rotterdam. 'Wij veroordelen dit ten zeerste. Het is zorgelijk dat gevoelens die blijkbaar in de samenleving voorkomen, op deze wijze bij onze studenten terechtkomen. Een stageplek moet een veilige plek voor onze studenten zijn.'

'Onbehoorlijk'
ING laat weten de zaak 'ten zeerste te betreuren' en passende maatregelen tegen de medewerker, een autochtone productspecialist, te hebben genomen. 'De woordkeuze van deze medewerker was onbehoorlijk en druist in tegen al onze principes. We hebben de Hogeschool Rotterdam en de student onze oprechte excuses aangeboden.'

De ING heeft een nieuwe stageplek aangeboden, maar die heeft Reedie geweigerd. Met de excuses is voor de Hogeschool Rotterdam de zaak afgedaan.

De Sociaal Economische Raad komt binnenkort met een advies om discriminatie op de werkvloer aan te pakken.



[uit AD, 12-3-14]

zondag 9 maart 2014

Peneux wil af van 'schaarsgeklede' leerkrachten

Paramaribo - Leerkrachten moeten ook in uniform op het werk verschijnen. Binnen het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (Minov) wordt er momenteel gewerkt aan regelgeving met betrekking tot kledingvoorschriften voor leerkrachten, schoolleiders en leerlingen. Er zal voornamelijk gelet worden op leerkrachten die schaars gekleed voor de klas staan. Volgens directeur ...

Robert Peneux van Onderwijs zal het zogeheten 'code of conductsysteem' worden toegepast. Het 'code of conduct' systeem geeft alle voorschriften en regels aan binnen het onderwijs, waarin het inspectieapparaat, leerkrachten en schoolleiders zich bewegen en hoe hoger beroepszaken plaatsvinden.

Een belangrijk aspect van dit systeem is voornamelijk kledingvoorschriften voor leerkrachten, schoolleiders en leerlingen. Er is een speciale commissie geïnstalleerd die het voor elkaar moet krijgen dat alle beperkingen op het vlak van kledingvoorschriften tot het verleden zullen behoren.

Peneux: "Neen!"
Leerkrachten moeten volgens Peneux weten wat de kleding is die voorgeschreven is, voor het staan voor de klas en binnen de kledingvoorschriften moet hun duidelijk aangewezen worden wat het ministerie zegt, omdat zij pedagogisch-didactisch bezig zijn om kinderen op te voeden.

Thans merkt hij in de modewereld een heel vervelend verschijnsel, waarbij bijvoorbeeld jongens met een halve broek over straat lopen. "Het zijn dingen die niet kunnen binnen onze onderwijsregelgeving. Ik bedoel, je moet netjes en keurig gekleed komen, dus daarvoor zijn er ook duidelijke regels", legt de directeur uit.

Volgens Peneux zijn er natuurlijk een heleboel leerkrachten in het veld die weten hoe het hoort. "Er zijn regels waaraan men zich dient te houden. De bond is ook op de hoogte van de spelregels en daardoor kunnen we uiteindelijk maatregelen treffen, indien een betrokken leerkracht of schoolleider schaars gekleed loopt", zegt de onderwijsdirecteur.
Peneux: "Ieja! "

Ook gaf hij aan dat als de schoolleiders en leerkrachten weten wat de regels zijn en de bonden op de hoogte zijn van de kledingvoorschriften, examen- en ordereglementen, hoe examens worden afgenomen, toezicht op examens worden gehouden, klankborden, hoger beroepsregels, dan denkt hij dat al deze problemen tot het verleden gaan behoren.

[van Nospang.com, zondag 9 maart 2014]