De jonge Nederlandse journalist Rudie Kagie vertrekt
naar Suriname op een ogenblik dat geen enkele Nederlandse krant zit te
wachten op een correspondent in de West. Dat was net voor de militaire coup
van 25 februari 1980 waardoor 16 sergeanten onder leiding van een zekere Desi
Bouterse de macht overnamen. Vanaf toen ging de aandacht van de wereld, en
zeker van Nederland, uit naar dat landje waar nooit iets gebeurde en toch
zeker geen staatsgreep. Kagie krijgt een opdracht van NRC-Handelsblad en beschrijft wat er gebeurt in dat gewezen
wingewest van Nederland.
![]() |
| Fred Ormskerk in TRIS-uniform met echtgenote Silvy (l.) in de haven van Paramaribo, 1962. Privébezit Henk Doorn |
Een gewezen
wingewest, Suriname voor en na de staatsgreep is ook de titel
van het werk dat hij in 1980 schreef op basis van zijn dagbladreportages. Het
is een goed geschreven boek van een journalist - hij bedankt de linkse
Surinamer Sandew Hira voor zijn speurwerk en kritische zin - die niet
onsympathiek stond ten aanzien van ‘onze jongens’ die op dat ogenblik van
velen het voordeel van de twijfel kregen. Zijn verhouding met de militairen
krijgt echter een heel andere wending wanneer hij verneemt dat Fred Ormskerk,
een oud-militair van Surinaamse origine die net terug was in het land, in
zeer verdachte omstandigheden om het leven was gekomen in de grootste kazerne
van Paramaribo. Op een nacht in 1980 wordt hij onzacht van zijn bed geplukt
en voor ondervraging overgebracht naar de Memre Boekoe-kazerne waar hij door
leden van de Nationale Militaire Raad (Desi Bouterse, Chas Mijnals, Roy Horb
en Stanley Joeman) aan een zeer hardhandig kruisverhoor wordt onderworpen. De militairen verwijten hem
een handlanger te zijn van het koloniale Nederland en verbieden hem, op
gevaar van erger, om nog over het geval-Ormskerk te publiceren. Na die
dreigementen pakt de Nederlandse journalist zijn koffer en verlaat via een
sluipweg het land.
![]() |
| Fred Ormskerk op patrouille met het 3de Peloton A-compagnie in 1971. Foto Ger Loeffen |
De dood van Fred Ormskerk werd afgedaan als een
‘incident’, ook door een voorzichtig Nederland dat het voordeel van de
twijfel gaf aan de militairen. Door de Surinaamse ziekenhuisarts Albert
Vrede die als patholoog-anatoom optrad werd een hersenoedeem als gevolg van
inwerking van stomp geweld geconstateerd. Het stoffelijk overschot werd naar
Nederland overgebracht, waar het op 19 mei 1980 opnieuw werd onderzocht, nu
door dr. Jan Zeldenrust. Deze constateerde onderhuidse bloeduitstortingen en
diverse versplinterde ribben. Ormskerk was Nederlands staatsburger, maar het toenmalige
kabinet-Van Agt reageerde zeer omzichtig. In zijn antwoord op schriftelijke
vragen van PvdA-kamerleden verzweeg minister van Justitie Job De Ruiter het
door Vrede geconstateerde hersenoedeem en meldde hij slechts dat door
Zeldenrust de doodsoorzaak niet definitief kon worden vastgesteld omdat deze
nog op het sectierapport van Vrede wachtte, dat uiteindelijk slechts een zeer
summier A4’tje bleek te zijn.
Als op 8 december 1982 vijftien prominente
Surinamers worden doodgeschoten in het militaire cellencomplex van Fort
Zeelandia, verliest het Bouterse-regime echter heel veel krediet en vervalt
het voordeel van de twijfel ten aanzien van het militaire bewind in Suriname voor
Nederland. ‘Op de vlucht neergeschoten,’ luidde het officieel en weinig
vindingrijk. De toedracht van de zogenaamde decembermoorden werd gedurende
vijf jaar diepgaand door de Surinaamse justitie onderzocht, maar nadat de hoofdverdachte
Desi Bouterse Surinaams president is geworden, werd een amnestiewet uitgevaardigd waardoor hij en
de andere verdachten waarschijnlijk verder buiten schot zullen blijven. Ook
de daders van de moord op Fred Ormskerk werden nooit opgespoord.
Daarom trekt Rudie Kagie, meer dan dertig jaar na
de feiten en nu werkzaam voor Vrij
Nederland - volop in het Bouterse-tijdperk -, opnieuw naar Suriname om
meer te vernemen over wat hij in de ondertitel van zijn boek als de eerste
politieke moord van het Bouterse-regime bestempeld.
Bikkel is het journalistieke
onderzoek naar de dood van Fred Ormskerk, naar de omstandigheden van zijn
overlijden, maar ook naar zijn drijfveren om in het Suriname na de militaire
staatsgreep op te duiken en tevens naar de persoonlijkheid van deze
bikkelharde militair, die vandaar de roepnaam ‘bikkel’ kreeg.
Ormskerk
wordt omschreven als ijzervreter, driftkop, bloedfanatiek, streng maar
rechtvaardig, keihard voor zichzelf (en zijn negen kinderen...), Spartaans,
militair in het kwadraat en bovendien uitzonderlijk sterk. Iedereen, zo merkt
Kagie op, sprak met veel respect over deze volbloed militair. Na het vertrek
van de TRIS (Troepenmacht in Suriname) in 1975 treedt Ormskerk in dienst van
de gloednieuwe Surinaamse KrijgsMacht (SKM), maar hij vindt dat de
bevelhebber, kolonel Elstak, er een potje van maakt. En hij is niet de enige.
Dat vinden Bouterse en zijn kompanen ook. Elstak wordt door velen een verwaande
grappenmaker genoemd. De verhouding tussen Elstak en de (onder)officieren
verslechtert al snel en is zeker een van de belangrijke redenen geweest die
geleid hebben tot de militaire coup van 25 februari 1980. Op
dat ogenblik was Ormskerk al uit dienst. Om persoonlijke redenen vertrekt hij in 1979 -
hij is dan 56 jaar - met pensioen naar zijn gezin in Nederland. Maar deze
militair-in-hart-en-nieren kan niet wennen in een keurige rijtjeswoning en
zijn opvoedingsmethoden worden hem door zijn vrouw ook niet in dank
afgenomen. Zij noemt hem 'totaal verslaafd' aan het leger en zó streng voor
de kinderen dat die blij waren als hij er niet was (p. 54).
In
Nederland hoort de gepensioneerde militair dat er een coup heeft
plaatsgevonden in Suriname. Hij is in het geheel niet verbaasd, want al sinds
1979 circuleerden er verschillende initiatieven voor een staatsgreep. Ormskerk
is integendeel zeer enthousiast. Zijn ‘jongens’ hebben het toch maar voor
elkaar gekregen! En is hij niet een god voor die ‘jongens’? Hij belt met
Suriname in de veronderstelling dat ze hem daar goed kunnen gebruiken, maar
Bouterse zit niet op hem te wachten. Volgens auteur Kagie moet er toen iets
in Ormskerk geknapt zijn en wordt hij van medestander tegenstander. Als hij
na een aantal geheimzinnige besprekingen met andere tegenstanders van de NMR
in Nederland plotseling zijn gezin meldt dat hij er even 'tussenuit' moet
naar Parijs, is zijn vrouw blij. Ze heeft hem niet meer levend gezien. Een paar dagen later duikt hij op
in Frans-Guyana, reist via Albina naar Paramaribo en wordt gearresteerd met
al zijn coupplannen in zijn bagage.
Ormskerk wordt tijdens zijn verhoor op 1 mei geslagen en zodanig mishandeld dat hij
overlijdt. De volgende ochtend wordt hij dood in zijn cel
aangetroffen, waarna het militaire regime van Suriname meldde dat Ormskerk
was omgekomen bij een vluchtpoging. Van een feitelijke couppoging is later
niets gebleken.
![]() |
| Begrafenis Ormskerk; zijn weduw strooit bloemen over de kist |
Rudie
Kagie probeert aan de hand van zeer vele gesprekken met betrokkenen, zowel in
Suriname als in Nederland, de gebeurtenissen van toen te reconstrueren –
waarschijnlijk wilden de militairen hun vroegere instructeur niet doden en is
de hardhandige ondervraging waaraan hij onderworpen werd uit de hand gelopen.
De zwart-witte militaire logica waarvan Fred Ormskerk de vertolker was, is
door zijn ‘jongens’ zeer goed toegepast en heeft hem zelf - o ironie - het
leven gekost.
Rudie
Kagie stond voor een zeer moeilijke opdracht. Hij geeft trouwens zeer eerlijk
toe dat hij zich details van dertig jaar geleden niet goed meer herinnert. En
er is niet alleen de slijtage van het geheugen, maar ook de ‘blinde muren’
waartegen je in Suriname als onderzoeker voortdurend aanbotst, zeker dan als
je Nederlander bent. Het zou echter zeer onheus zijn om het werk van Kagie af
te doen als het zoveelste betweterige boek van de zoveelste Nederlandse
journalist die zijn licht laat schijnen over Suriname. Rudie Kagie is
trouwens ook zeer kritisch voor het Nederlandse beleid dat om staatsredenen
het vieze potje van de affaire-Ormskerk liever niet wilde openen. “Nederland
had op zijn minst bij Suriname moeten aandringen op een grondiger onderzoek
dan het simpele A4’tje waarmee de zaak werd afgedaan.” (p. 199)
Bikkel is een
boeiend boek en tevens een uitzonderlijk document omdat in een land als
Suriname onderzoeksjournalistiek nog steeds als een vies woord beschouwd. Het
is een van de weinige publicaties over de zwarte bladzijden van de recente
Surinaamse geschiedenis. “De zwartste bladzijden uit de geschiedenis zijn
meestal de leerzaamste,” besluit Kagie. Kan een boek als Bikkel ook nu nog een maatschappelijk effect hebben, wetende dat de
zaak uit 1980 is verjaard en dat het te laat is om de vermoedelijke daders
nog voor het gerecht te slepen? In Nederland stelde het Kamerlid Harry van
Bommel van de Socialistische Partij naar aanleiding van het boek
schriftelijke vragen over onder andere de betrokkenheid van Hardjoprajitno.
In Bikkel verklaren drie getuigen
dat John Hardjoprajitno, één van de zestien onderofficieren van de militaire coup,
betrokken was bij de dood op Ormskerk. Paul Bhagwandas en Roy Horb, allebei
intussen overleden, zouden ook betrokken geweest zijn bij het verhoor dat
Ormskerk fataal werd.
En in Suriname onder president Bouterse? Hoe werd daar het
boek onthaald? Kagie trok in april 2013 naar Paramaribo om het boek te
promoten. Er verscheen onder meer een positieve bespreking in de
toonaangevende krant de Ware Tijd
en de auteur werd ook geïnterviewd door Apintie-televisie en gaf diezelfde avond
ook een lezing in literair café Tori Oso. Een lezing over een van die zwarte
bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis waarbij de huidige president
betrokken was. Zou ze indruk gemaakt hebben in het nieuwe Bouterse-tijdperk?
Ik weet het niet, maar ik hoop dat het boek kringen maakt en dat het meer in
Suriname dan in Nederland zal worden gelezen. “Alles gaat voorbij, behalve
het verleden,” schreef de socioloog Luc Huyse in een boek over omgaan met een
traumatisch verleden van geweld en burgeroorlog, zoals in Zuid-Afrika en
Rwanda. “Het verleden
temmen, daar gaat het steeds weer om. En, als het kan, rust brengen in het
hoofd en hart van wie vandaag en morgen leeft. Maar wat voorbij lijkt, wijkt
niet.” Dat gaat ook op voor Suriname, ook al probeert de huidige
regering-Bouterse alle sporen van dat verleden uit te wissen.
Bikkel is de
zeer lovenswaardige poging van een betrokken en zoekende einzelgänger om een
stukje onverwerkt Surinaams verleden te helpen temmen en daarnaast is het ook
nog een spannend boek geworden.
Rudie Kagie,
Bikkel, Het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime, Bert
Bakker, Amsterdam, 2012, 216 blz. ISBN 9789035137561
















