Posts tonen met het label Leeuwen Boeli van. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Leeuwen Boeli van. Alle posts tonen

woensdag 21 mei 2014

Onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen

Boeli van Leeuwen
door B. Jos de Roo

Een verrassende vondst die ik deed in het draaiboekenarchief van de Wereldomroep is die van een onbekend gedicht van Boeli van Leeuwen. Van Leeuwen was een van de vele Antillianen en Surinamers die in de jaren 1947 tot 1958 op verzoek van de Wereldomroep verhalen schreef voor de West-Indische uitzending en die ook zelf voor de microfoon voordroeg. Met 36 bijdragen was hij zelfs de meest gevraagde. Curieus is dat zijn bijdragen vaak werden aangekondigd als “Praatje voor de West”, wat me op de titel van mijn dissertatie bracht: Praatjes voor de West. Hierin onderzoek ik de betekenis van de Wereldomroep voor de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur in de jaren 1947 tot 1985. In dat kader paste het niet om het gedicht volledig te publiceren. In Caraïbisch Uitzicht schreef  Klaas de Groot een aantal artikelen over alle tot dan toe gekende gedichten van Boeli van Leeuwen; hij kon natuurlijk niet weten dat er nog eentje was.

Het gevonden gedicht was de laatste bijdrage aan de Wereldomroep van Van Leeuwen. De opname ervan vond plaats op 31 mei 1954 en het werd uitgezonden op 23 juli van dat jaar. De titel is ‘Masroig’, een plaats in Catalonië tussen rotsige bergen. Het gedicht heeft een chronologische opbouw: van de ochtend naar de avond. Het begint met een boer die ontwaakt; zijn vingers zijn verstijfd van het wroeten tussen de stenen om olijven en druiven te planten. In de ochtend gaat de boer met zijn muilezel het land ploegen. Daar vertelt de boer over de Spaanse burgeroorlog, die hij als een gevolg van de erfzonde ziet. ’s Avonds is er een processie, waar de mensen die de ik-figuur ’s morgens in de bergen had gezien in meelopen.

In geen ander Wereldomroepverhaal heeft Van Leeuwen het zo nadrukkelijk en uitgebreid over de aangeboren slechtheid van de mens. Tegelijkertijd besluit hij met te wijzen op de grootsheid van diezelfde mens. Zo drukt het gedicht uit: het leven is een groots en vreselijk mysterie.

Kennelijke tikfouten uit het typoscript heb ik verbeterd; zo werd onder andere boord  brood en steem steen. Een analyse van het gedicht geef ik hier niet. Mijn bedoeling is dat iedereen over de tekst ervan kan beschikken.

Maisrog

In deze bergen is de aarde rood en slaapt het steen van
                                                                          vele eeuwen.
en met zijn blote handen
heeft de mens de korst der aarde uit elkaar gerukt
en rots tot vruchtbaarheid gedwongen.
hij bouwt zijn huizen bloksgewijs gestapeld op elkaar
met schuwe ramen in de hardheid van het steen
en houdt zijn deur gesloten.
als de morgen in de bergen openbarst
en wind de blaa’ren der olijven zilverwit doet ritselen
ontwaken eerst de dieren van het huis.
de geiten met hun gele ogen schrappen in de grond en
                              schommelen hun zware uier
en wekken al de andere dieren in de doffe kelder van
                                                                          het huis
waarboven mensen weerloos van vermoeidheid in hun slaap
                                                                          gevangen zijn.
En zelfs in ’t grauwe laken kan een kromgetrokken hand
                                                                          niet opengaan;
de vingers zijn verstijfd van het wroeten in de rotsen
en blijven als de wortels van olijven bij elkander.
het voorhoofd is verweerd, verdord; de haren zijn ver-
                                                                verschroeid als gras
dat in de hete zomer is verbrand
als de man terug-valt in het leven uit zijn slaap
dan ligt hij eenzaam zonder te bewegen
en hoort de adem van zijn vrouw en het vlugge hijgen van
                                                                          zijn kinderen.
hij voelt de donkere ruimte tastbaar om zich heen
en om de bergen in de verte.
om wijn te planten en olijven
haalt deze man eerst stenen uit de grond;
dan legt hij steen op steen tot kolossale muren 
waar de rode aarde in gevangen wordt
en de schaarse regen in kan zinken.
een kathedraal is niet zo groots als zo een muur
die het brood voor mensen af moet dwingen aan een gierige
                                                                                                       natuur.
vele uren van zijn leven en de zorgen van zijn hart
zijn steen geworden in die rode muren.
de mens wacht op de zon en op het snel besluit om op te staan
éérst, vóór alles, krijgt de mula voer
de mula met zijn ezelsoren en zijn harde nek.
sterker dan zijn moeder, het paard,
en taaier dan zijn vader, de ezel,
zwoegt hij met zijn stugge pezen in de stroeve grond.
als een gems kan hij klimmen en dalen
en met liefdeloos fatalisme meet hij zijn pas
in de rotsige glooiing der bergen. 
hij kent niet de eerzucht der paarden, noch de weerstand der
                                                                                                       ezels
en met gevaarlijk geblaas en platgetrokken oren
bijt hij de hand die hem voedt en de hand die hem slaat.
zonder zweep staat hij stil, met de zweep loopt hij traag
maar onweerstaanbaar gespierd scheurt hij de grond
stap na stap na stap
altijd vermoeid maar nimmer verslagen.
in de schemerige straat
dof-bruin en blauwig van schijnsel
begint de processie van mensen en mula’s de tocht naar de bergen
“bon dia, tingi”, en dan wordt er gezwegen.
want de slaap hangt nog zwaar in de straat en de harten
                                                                          der mensen.
nergens scherpt de morgen een geweldiger ruimte
dan hier in de rollende heuvels
in de verte gevangen door paarsige bergen.
alle kleuren ontstaan hier in het komende licht
van een korrelig rood tot het oker van vincent van gogh.
het is een fantastische ruimte,
de vierde dimensie
de genesis van een gloed-nieuw gebeuren.
de ploeg is van hout
en de mula trekt loom en verbeten
een spoor in de stenige grond der terrassen.
een olijf wordt gesnoeid
door een zwijgzame man te paard in de takken,
tot de grond is bedekt met de fluisterende blaa’ren.
de zepa
en dat is de plant van de wijn wordt gesnoeid en geënt
door mensen wier armen lijken te groeien tot lijdzame slierten
van bukken en werken, werken en bukken.
de boer is een benige man
met een blos van de wijn op zijn wangen
en de lichtblauwe ogen uit noordelijker streken.
hij vervloekt het gezag met een bittere mond.
“al het water van de ebro daar”
en hij wijst met zijn hoornige hand
“heeft het bloed niet kunnen wassen waarmee deze grond is
                                                                                                       bevlekt.
wij hebben elkaar hier gekeeld en geslacht
mijn oom was een schoft en ik heb hem vermoord
want hij heeft mijn vader verraden”
opeens blijft hij, staan
en met zijn hand in de lucht
zegt hij zachtjes en triest in de morgen:
“het is de herhaling van abel en kaïn, van blinde verdwazing
dat het bloed der naasten aan onze handen kleeft
verguenza, verguenza”
en het vocht van zijn mond schijnt hem bitter te smaken.
en hij spuwt op de grond en vervloekt het gezag
en ieder der mannen heeft een verhaal
van de strijd in de bergen
hoe sommigen jaren waren gevangen in de bergen van het eigen
                                                                                                       land
en anderen weer zijn gevlucht naar den vreemde.
één nam mij mee naar een grot
in het binnenste der aarde
waarin hij een tijd was verborgen;
in een smalle gang
leek het gewicht van de rotsen mijn borstkas te kraken.
hier lag hij weken als een levende begraven
terwijl hem de haren vergrijsden van angst.
nu bewerkten zij samen de grond
maar hun ogen verraden de schaamte en pijn van de gruwelijke
                                                                                                       jaren
die in de bergen door de mens is beleefd.
een karavaan van zigeuners komt nu langs de weg
donkerbruine vorstelijke schooiers in het rood en in het geel
wie niets bezit, dat is hun spreuk, is heerser van de wereld
zij stelen druiven op de bergen
en wasgoed uit de tuin.
zij leggen zangerig de toekomst aan uw voeten
terwijl het kostelijk zoontje
op zijn tenen naar uw zakken tast.
hun handen pakken, tasten, kruipen, stelen
alles waar een ander zorgelijk voor heeft gezwoegd.
in het heetst van de namiddag
wordt het eten hun gebracht
en stroomt de wijn uit een zak in de klokkende kelen.
de bergen
die blazen in de trilling van het warme licht
en de mula’s
staan onder narcose in de schaduw der bomen.
kijk naar de slapende mens door vermoeidheid gebroken
als marionetten van hout
met armen en benen toevallig gespreid in de buurt van een
                                                                          zielloze romp
zo sliepen de boeren van breughel
verzadigd van eten en verdoofd door de wijn.
als de schaduw der bergen
de kleur der olijven doet stollen tot brons
en de zon als een schijf op de punt van een rots balanceert
dan schreeuwt de boer door zijn hand met een zingend geluid
dat de dag is volbracht.
die avond
een heilige avond
zou christus, begeleid door zijn moeder, de maagd
in processie worden gedragen.
lampionnen worden in de ramen ontstoken
en met takken van palmen gesierd.
de jassen der mannen zijn zwart en versleten
en te kort bij de benige pols
gelijk de jas van een jongen die opeens is gegroeid.
het kruis is zeer zwaar en heel moeilijk te dragen
want de stervende christus is groot en de mens is maar zwak.
de sterkste der mannen had amper kracht
om het wankelend kruis op zijn schouder te nemen.
hij heette ramon
een kinderlijk mens met verwonderde ogen
die voor gek werd versleten omdat hij nog nooit had bedrogen
toen werd het stil
en niemand bewoog in de grijzende schemer
en de mensen zij wachten (als leden ze pijn)
op de stem van de klok in de toren-
de christus van gips
was bedekt met karmijnrode wonden:
de kleur van een bloem die nauwelijks maar hevig bestaat.
zo wil de mens hier het lijden verstaan
zonder schaamte voor wonden die nimmer genezen
en het bloed dat altijd nog stroomt.
ramon droeg het kruis
en zijn lendenen leken te kraken bij iedere stap die hij deed
en het zweet lag als een dauw om zijn mond
en zijn verwonderde ogen.
hoe schoon droeg hier een mens de mensenzoon
op zijn afgewerkte schouders
naar het licht van lampions en walmende flambouwen.
en achter hem kwamen de meisjes gekleed in het zwart
met een ketting geboeid
en het gezicht in een masker verscholen.
daarna maria
ten troon in armen van oudere mannen
keek neer op een wonderlijk kindje van gips.
en achter haar kwamen, stug en gesloten
versleten als hun zwarte jas
de mensen die ik ’s ochtends op de bergen had gezien.
en ik was bewogen
om het wonder van de mens die wordt geboren en die sterft
die op de bergen in het zweet van zijn aangezicht
voor zijn kinderen het brood en de wijn uit de stenen perst
die oorlog heeft gekend
van broeder tot broeder
en vader tegen zoon;
die honger heeft geleden toen een pest de wijnplant had ge-
                                                                                                       dood
en het loon naar werken uit zijn handen sloeg.
toen ik wegtrok uit de catalaanse bergen
stond ik lang nog op de stoffige weg
tot dit beeld in mijn hart was gekomen                
              


Rotstekening (Aruba)

maandag 10 februari 2014

Coco Rais - There, for the grace of God …

Gedichten voor Boeli van Leeuwen

Boeli van Leeuwen
Op 17 mei 2013 verschenen op Caraïbisch uitzicht voor het eerst gedichten die geïnspireerd waren op Boeli van Leeuwen, van de hand van Helen Lashley en Coco Rais. Later zijn er nog twee hommages bij gekomen. Shrinivási en Hans Vaders schreven er elk één .

Coco Rais voegt daar nu een gedicht aan toe. Aanzetten tot dit gedicht werden al eerder geschreven, maar deze versie ontstond recent. Zijn herinneringen aan gesprekken met Van Leeuwen en de lezing van diens werk blijven leven voor Rais. De dichter laat zien hoe het mede – lijden, het tegelijkertijd lijden ontstaat. En ook hoe de ‘hij’ zijn werk doet ‘tot hij kan gaan’. Tot het moment van zelfstandigheid is aangebroken. Alhoewel deze  versregel in het licht van het overlijden van Van Leeuwen ook anders gelezen kan worden. In de derde strofe wordt duidelijk dat de schrijver Boeli van Leeuwen zijn mensen voor altijd laat bestaan.
(kdg)
  

               
Van onder
zijn heel grote hoed
ziet hij
zijn mensen aan.
Hoe daar
zo velen van
onderste boven gaan.

Hij volgt
ze op de voet
en brengt ze
steeds opnieuw
tot staan.
Houdt ze
heel voorzichtig
bij de hand
tot hij kan gaan.

Of zij nu
vallen of staan,
vanuit
zijn woorden
kijken zij
ons aan.


(30-01-2014)

Rembrandt - Moeder

 


zondag 19 januari 2014

Boeli van Leeuwen: Ook reuzen hebben recht op rust

Dit stuk verscheen als 'In memoriam' kort na het overlijden van Boeli van Leeuwen in 2007 in het Antilliaans Dagblad.
Boeli van Leeuwen

door Henry Habibe

Een vreemd gevoel bekroop mij bij het bericht dat Boeli van Leeuwen overleden was. Nauwelijks twee maanden geleden schreef ik een bijdrage voor het Antilliaans Dagblad ter gelegenheid van zijn 85ste verjaardag (‘Een oor als een roos’). Je bent dan op zo’n moment bezig met zijn geestelijk werk en  ook enigszins met de auteur zelf. En dan word je even later plotseling geconfronteerd met het bericht:’Boeli overleden!’ De dood kent geen pardon. Hij is onverschillig en onberekenbaar. Hij doet je dan ineens denken aan wat de overleden persoon betekend heeft. Voor mij persoonlijk was Boeli een toonbeeld van menselijkheid. Ik moest ook onwillekeurig denken aan het begin van de jaren zestig. Een stukje van mijn jeugd in Nijmegen. Daar was het dat ik De rots der struikeling voor het eerst in mijn handen hield.  Boeli was in die tijd nog niet zo lang als romancier ten tonele verschenen. Dat was ongeveer in dezelfde tijd waarin ook Tip Marugg debuteerde. In die tijd hoorde je op school weinig over literatuur uit de West. Slechts Cola Debrot en Albert Helman hadden toen enige naam gemaakt. Dus ik dacht: ‘Ha, het blijft dus op de Antillen en Suriname (de West) qua literatuur kennelijk niet beperkt tot Debrot en Helman. Ik voelde een zekere trots omdat met de eerste romans van Boeli en Tip de Nederlandstalige literatuur wezenlijk verrijkt werd. Ik was een stille bewonderaar van Boeli’s geestesproducten.


Maar mijn bewondering hield niet op bij zijn romans. Hij was doctor in juridische wetenschappen, werkte als hoofd Algemene en Juridische Zaken, fungeerde als secretaris van het Eilandgebied. Toen hij in 1970 bezig was met zijn “Verslag” omtrent de toekomstige staatkundige structuur van de Nederlandse Antillen schreef hij me een brief omdat hij in een nummer van het tijdschrift Watapana, dat helemaal in het Spaans was verschenen, iets zag dat hem interesseerde. Hij wilde graag weten uit welk werk van Nicolás Guillén (Cubaanse dichter) ik bepaalde versregels had overgenomen. Hij liet niet na enige lovende woorden te spreken over het tijdschrift en zei dat hij blij was dat de jeugd de ‘dingen des geestes’ niet uit het oog had verloren. De bewuste versregels van Guillén nam hij over en ze prijken op bladzijde 10 van zijn “Verslag”. Kort daarop ontmoetten wij elkaar voor het eerst op Aruba, waar hij van overheidswege voor een jaar verbleef. Mijn bewondering nam toe en hij had als homo intellectualis een inspirerende invloed op mij.


Later, toen ik in 1983 vanuit Nederland naar Curaçao verhuisde, ontmoetten wij elkaar weer. Het is me duidelijk voor de geest blijven staan hoe behulpzaam hij was. Een mens heeft soms behoefte aan morele steun en Boeli was goed in het geven daarvan. Wij kwamen op een dag bijeen op zijn kantoor in Scharloo, waar hij hulpbehoevende mensen uit die probleemwijk placht te ontvangen. Hierover schreef hij later (of was hij al aan het schrijven?) in zijn Schilden van leem. Na het gesprek werd hij, buiten aangekomen, geconfronteerd met een politieagent die bezig was een proces-verbaal op te maken vanwege het feit dat Boeli zijn auto verkeerd geparkeerd had. Hij was net op tijd om de man ervan te overtuigen dat hij ‘alleen maar eventjes’ daar had geparkeerd omdat hij iemand uit de nood moest redden. De agent werd stil voor de stroom van woorden van de ‘professor’ en marcheerde af als een hond met zijn staart tussen de benen. Wat later in de tijd hield Boeli eens een lezing (op de UNA) en zat er iemand in het publiek luidop te praten. Boeli hield even op met spreken en riep de man tot de orde door zijn naam te noemen. Het klonk dreigend en  vriendelijk tegelijk: ‘Meneer ..…, don’t I please you?’


Boeli was een toonbeeld van een ‘ad remme’ geleerde. Maar ook een van de beste romanschijvers van Curaçao. Na Tip Marugg in 2006 is nu met Boeli nóg een literaire reus  heengegaan. Ook reuzen hebben recht op rust. Boeli, sosegá na pas.

Boeli van Leeuwen in De Parelduiker

Foto omslag: Rineke Dijkstra
De nieuwe Parelduiker verscheen nog net voor de jaarwisseling. Hieronder een deel van de beschrijving van de uitgever over dit nummer.

Ongepubliceerd werk uit de nalatenschap van Boeli van Leeuwen. Bezorgers Aart G. Broek en Klaas de Groot stelden een bloemlezing uit Van Leeuwens krantenstukken samen. Over de taak, de plicht en de liefde van de schrijver, over de Curaçaoënaars, de verhouding tot Nederland en de paspoortkwestie (ook toen al).

In december 2013 is de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen aan het Letterkundig Museum in Den Haag overhandigd.



dinsdag 17 december 2013

Nalatenschap Boeli van Leeuwen in Letterkundig Museum


De literaire nalatenschap van mr. dr. W.C.J. (Boeli) van Leeuwen (1922–2007) is toevertrouwd aan het Letterkundig Museum (LM) in Den Haag. Op zondag 15 december werd door het LM de zorg voor deze bijzondere aanwinst publiekelijk onderstreept met de opening van een kleine expositie uit de nalatenschap. Bij die gelegenheid hielden de bezorgers van de nalatenschap, Aart G. Broek en Klaas de Groot, elk een praatje, dat hierbij wordt opgenomen.
De jurist Van Leeuwen kreeg op zijn geboorte-eiland Curaçao en in Nederland vooral bekendheid als auteur. Zijn boeken worden nog steeds herdrukt door uitgeverij In de Knipscheer, zoals de romans De rots der struikeling (1959), Schilden van leem (1985) en Het teken van Jona (1988), essays als in De taal van de aarde (1997) en de verzameling columns Geniale anarchie (1990).
 
Aad Meinderts, directeur Letterkundig Museum, overhandigt etsen met de beeltenis van Antilliaanse auteurs aan Boeli's kleindochter Eva Koert. Foto @ Nico van der Ven

Terug naar de bron

door Aart G. Broek
Boeli van Leeuwen

‘Met een enkele lezer ben ik niet tevreden,’ liet Boeli van Leeuwen mij eens weten in een gesprek en hij vervolgde: ‘Hoe meer mensen mij lezen hoe liever het mij is.’ Op woensdag 28 november 2007 overleed Willem Cornelis Jacobus (Boeli) van Leeuwen, vijfentachtig jaar oud. In maart 2012 overleed ook zijn vrouw, Dorothy Debrot, drieëntachtig jaar oud. Van hun dochters – Elisabeth en Ana – kreeg ik enkele maanden later het verzoek om mij over de literaire nalatenschap van hun vader te ontfermen. Meer in het bijzonder ging het om de archivalia die in de mahoniehouten ‘kast van Boeli’ lagen opgeborgen. De gelukkige omstandigheid deed zich voor, dat ik dit verzoek kon oppakken samen met Klaas de Groot. We ordenden de inhoud. Geselecteerde stukken mochten we meenemen voor nadere bestudering en, zo was het verzoek, onderbrengen in een geëigend openbaar archief voor duurzaam beheer. Dat werd het Letterkundig Museum in Den Haag. Juist omdat Van Leeuwen niet tevreden was met ‘een enkele lezer’.

In de tweede helft van de twintigste eeuw wortelde het Nederlands in de eilandelijke samenleving van Aruba, Bonaire en Curaçao. Er ontstond een gewaardeerde literaire productie. Hieraan zijn vooral de namen verbonden van Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus, Cola Debrot en Jules de Palm. Hoewel er nog steeds in het Nederlands wordt geschreven, krijgt de literaire productie in het Papiaments steeds meer gewicht. De Nederlandstalige literatuur op de eilanden zou langzaam maar zeker tot een historische periode kunnen gaan behoren.
 
Oorkonde bij de Vijverbergprijs, 1961
Waardering
Voor Van Leeuwen was de waardering vanuit Nederland voor zijn werk van cruciaal belang. Niet alleen huisde in Nederland zijn uitgever, eerst Van Kampen (Amsterdam), vervolgens Flamboyant (Rotterdam), daarna en tot nu toe - inmiddels meer dan dertig jaar! - In de Knipscheer (Haarlem). In Nederland werkten de critici die zijn romans, essays en columns lovend bespraken. In Nederland woonde het grote aantal lezers waarnaar hij op zoek was. De gunstige ontvangst aan de Noordzeezijde van het Koninkrijjk was voor hem een levensbron. Die voedde hem en inspireerde hem tot nieuw werk. Van Leeuwen was dan ook bijzonder geroerd door de toekenning van een ‘eregeld’ van de zijde van het Nederlands Letterenfonds kort voor zijn overlijden: een overrompelend gebaar van moederlandse waardering. Hoe eigenzinnig hij zich ook opstelde bínnen de Nederlandstalige letteren, Van Leeuwen wilde er vooral deel van uitmaken.
In lijn hiermee wordt de nalatenschap ondergebracht in het Letterkundig Museum: het mausoleum bij uitstek voor Nederlandstalige literaire nalatenschap. Natuurlijk is hiermee niet aangegeven, dat de kracht van Van Leeuwen en van zijn werk exclusief afhankelijk was van het ‘moederland’. Zeker niet, hij was een yu di tera: een Curaçaoënaar in hart en ziel. Van Leeuwen heeft dikwijls en op uiteenlopende wijzen zijn verbondenheid met het eiland onderschreven en beschreven. Ook in zijn nalatenschap komt die verbondenheid weer prachtig in beeld.

Schrijven
Hoe het ook zij, de Nederlandse taal kwam níet van zijn geboorte-eiland: die taal is eigenlijk wezensvreemd aan de eilandelijke samenleving. ‘Papiamentu is mijn moedertaal,’ benadrukte Boeli me in het eerder aangehaalde gesprek. ‘Wij spraken thuis altijd Papiamentu, ook toen ik van 1936 tot in 1946 met mijn moeder in Nederland woonde. In het Papiamentu SCHRÍJVEN is echter een heel andere zaak!’ Voor het schrijven verkoos Van Leeuwen het Nederlands.
                We brengen zijn Nederlandstalige nalatenschap naar de bron waaruit Boeli dronk - gulzig dronk. Het Letterkundig Museum maakt een eerste kennismaking met de nalatenschap mogelijk in een bescheiden expositie. Hoe meer mensen er kennis van nemen hoe liever het Boeli zou zijn geweest! Weer en weder dienende vinden we een manier om ook zijn eilandgenoten ermee te laten kennismaken.

De presentatie was in handen van - v.l.n.r.- Ernst Hirsch Ballin, Aart G. Broek, Eva Koert, Bert Kienjet, Aad Meinderts, Klaas de Groot, Alwin Toppenberg. Foto @ Nico van der Ven




Een machtig schrijverschap

door Klaas de Groot


In de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen trof mij in het bijzonder de aanwezigheid van een exemplaar van het poëtisch debuut van Van Leeuwen. Tempels in woestijnen heet die bundel, gepubliceerd in 1947. Zoals vele, meer of minder bekende auteurs bekeerde Van Leeuwen zich na een poëtische start tot het proza. Maar gelukkig niet geheel.
In de eerste roman De Rots der Struikeling, bijvoorbeeld, duikt op een gegeven moment een gedicht op. Het heet ‘In dit licht’ en het is zijn bekendste gedicht geworden. Het komt ook terug in een fotoboek dat Van Leeuwen maakte met de Curaçaose fotograaf Carlos Tramm. Misschien interessant is het feit dat Tramm en Van Leeuwen doende waren om tot nog zo’n boek te komen, waarin fotografie en poëzie samenkomen. Hierin zouden gedichten uit Tempels in Woestijnen worden verwerkt.
In Een vreemdeling op aarde, de tweede roman, staan twee gedichten die binnen de prozatekst duidelijk te onderscheiden zijn. Een, alleen in de krant gepubliceerd, gedicht is ‘Patriarch met trio’. Dat is een ode aan de muziekfamilie van Curaçao: de familie Palm. Deze gedichten zijn, samen met een licht scabreus gedicht te vinden op de blog Caraïbisch Uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Daar staan ook gedichten gemaakt door bewonderaars van Van Leeuwen.
 
Manuscript van Boeli van Leeuwen
Verhaal
De drukgeschiedenis van de bundel Tempels in woestijnen heeft een prachtig verhaal opgeleverd. Dat verhaal heet ‘Onkel Patrice’, het staat in Geniale Anarchie. Een hilarisch detail in dat verhaal is het feit dat Van Leeuwen sommige gedichten moest herzien, omdat er niet genoeg loden letters op het eiland voorradig waren. Een treffend voorbeeld van de macht van de techniek over de kunst. Of dit gegeven waar is, doet er niet toe. Het past bij alle andere verhaalelementen waarmee de auteur zijn verslag lardeert. Het Letterkundig Museum mag trouwens erg blij zijn met het geëxposeerde exemplaar. De oplage bedroeg vijftig exemplaren, waarvan er tien mislukten. Van de resterende veertig verkocht Van Leeuwen er acht. Tien gingen er naar vrienden en de overige verdwenen ten gevolge van aanvallen door tropisch ongedierte. Dit vertelt Van Leeuwen ook. U zult begrijpen dat anderen weer iets anders vertellen.
                In het tijdschrift De Parelduiker (2013 / 5) zijn nu twee gedichten uit de bundel opgenomen, waaronder het sonnet ‘Moeder van mijn moeder’. Hierin de majesteitelijke zin: ‘Een vorstin wordt niet gedwongen maar zij gaat’. Waarmee de moeder zich toch de meerdere toont van de dood die haar komt halen. Hier zijn wij bij de eschatologie, een geliefd onderwerp voor Van Leeuwen: het einde der tijden.
 
Portret van Boeli door Bert Kienjet
Krachtig
Opvallend in Tempels is het epische gedicht ‘Isla di Makuaku’. Ooit verklaarde Van Leeuwen dat hij dit gedicht als zijn beste beschouwde. Dat gedicht gaat over een louterend bad in zee en over bepaalde mythische elementen die in verband met dat eilandje met fregatvogels in de Sint Jorisbaai verteld worden. In de bundel staat het als één geheel. Toen ik het eens anders wilde lezen, zette ik spaties tussen de veertig zinnen waaruit het bestaat en het gedicht leek overzichtelijker te worden. Het lag als een Caribisch rif, zo mooi, uiteen.
Hoe Van Leeuwen al meteen in zijn vroegste werk aanwezig is, blijkt uit het gedicht ‘Soldaten’. Aan het eind van het eerste kwatrijn staat: ‘en mijn droom verschijnt’. Dan volgt er een visioen. Deze werkwijze is Boeliaans. Dat weten we nu, na al zijn romans. Tekenend in dit verband is het feit dat de eerste vijf woorden van het eerste gedicht al helemaal Van Leeuwen zijn. Ik ben die ik ben, was een adagium. Het luidt: ‘Ik ben zoals ik ben, nauwelijks denkend aan de duizend wonden, / En soms onnoemelijk bezeerd om één verloren traan. / Ik zie de pijn niet in het verborgen zwoegen der gezonden, / Maar de hand die brak het broodgeworden graan.’
Een krachtig begin van een machtig schrijverschap.

maandag 2 december 2013

Boeli

V.l.n.r. Boeli van Leeuwen,.Chris Engels, Aletta Beaujon, W.F. Hermans, Cola Debrot, Elis Juliana.

door Ko van Geemert

Net las ik de ingezonden brief (25 november) van Rob van Buiren, onder de titel: ‘Nalatenschap Boeli niet naar Den Haag’. Hij schrijft: “Als een van de grote schrijvers van Curaçao, van de Nederlandse Antillen hoort de nalatenschap vanzelfsprekend op Curaçao thuis.” Zeker!

Er blijken ‘concrete stappen te worden ondernomen tot oprichting van een eigen Curaçaos literair museum’. In de afgelopen jaren waarin ik me verdiepte in de literatuur op en over het eiland stuitte ik niet op een dergelijk initiatief, maar blijkbaar heb ik iets gemist. Tot de komst van dit Curaçaos Literair Museum ben ik blij dat de nalatenschap van zo’n bijzondere, in het Nederlands schrijvende auteur in een mooi archief/museum terecht is gekomen, al is dat in Nederland.

Curaçao

[uit Amigoe, 26 november 2013]

Boeli (3)

Trudi Guda. Foto © Michiel van Kempen
door Trudi Martinus-Guda

Hierbij steun ik graag het initiatief van de heer Van Buiren en anderen om te komen tot een Letterkundig museum op Curaçao, waar de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen geheel of gedeeltelijk kan worden ondergebracht. Uiteraard als zijn erfgenamen het hiermee eens zijn. Ik hoop wel dat de oprichting van een dergelijk museum een eind zal maken aan de bestaande literaire ‘apartheid’. Ik bedoel hiermee het onderscheid in bejegening tussen schrijvers wier werk een vermeend pro-Nederlands (Europees) karakter zou hebben en die men beschouwt als representanten van de Nederlandse groep c.q. Nederland op Curaçao, en diegenen wier werk een vermeend anti-Nederlands (Europees, what about Curaçaos?) uitgangspunt zou hebben, die beschouwd worden als representanten van een eigenzinnige niet-Nederlandse bevolking, en om die reden met negatieve reserve tegemoet worden getreden. Hiertoe behoren overigens ook niet-Nederlandse schrijvers wier werk wel binnen het gewenste perspectief valt, of wier werk bruikbaar is voor de Nederlandse politiek van het moment, hetgeen de bejegening toch positief kan beïnvloeden.

Met name Aart Broek die kennelijk bezig is, geheel volgens bovengenoemde gedachtelijn, de onverdeelde literaire nalatenschap van Van Leeuwen in het Nederlands Letterkundig Museum onder te brengen, houdt zich al jaren bezig met Nederlands-nationalistische verdeel-en-heers activiteiten binnen het Curaçaose literaire domein. Al dan niet aangestuurd/gesubsidieerd door politiek Den Haag.
Het huwelijk van Boeli van Leeuwen met
 Dorothy Debrot in 1947, ingezegend door
 ds Eldermans.
 Uit Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud.

Ik hoop daarom van harte dat het initiatief om te komen tot een Curaçaos Letterkundig museum zal slagen. We hebben immers al musea voor postzegels en munten! Wat de schrijvers zelf betreft is een dergelijke onderneming, denk ik, zeker oké. Als echtgenote van Frank Martinus Arion moet ik helaas melden dat het kopje koffie waar Boeli van Leeuwen Frank voor uitnodigde, niet is doorgegaan vanwege Boeli’s overlijden. Ik herinner me verder dat, nadat hij zich weer op Curaçao vestigde (begin jaren tachtig) Frank, om de Curaçaose schrijvers bij elkaar te brengen, een barbecue organiseerde bij ‘kluizenaar’ Tip Marugg thuis op Pannekoek. Deze ontmoeting werd het begin van regelmatig contact, voorheen niet bestaand, tussen Tip en Boeli van Leeuwen. Volgens mij zouden/zullen de schrijvers zelf het wel eens zijn met de oprichting van een neutraal, bonafide Letterkundig museum waar zowel werk van Boeli als van andere schrijvers, alsook informatie over hun literaire activiteiten, een permanent thuis zullen kunnen vinden. In het belang van Curaçao en van de literatuur.

[uit Amigoe, 27 november 2013]


Literaire nalatenschap Boeli van Leeuwen: 'Teruggeven aan de bron'

door Elodie Voorbraak

Willemstad - De overdracht van de literaire nalatenschap van de Curaçaose auteur Boeli van Leeuwen aan het Letterkundig Museum is een besluit dat in onderling overleg en met instemming van de verantwoordelijke nabestaanden werd genomen. Dat laat onderzoeker en auteur Aart G. Broek desgevraagd weten. Sterker nog: Van Leeuwen zelf stond achter de idee zijn werk op deze wijze te bewaren.

Boeli van Leeuwen. Foto @ Klaas de Groot
"Van Leeuwen was een Curaçaoënaar in hart en ziel, maar hij prees zich ook gelukkig met de rol die hij in de Nederlandstalige literatuur speelde. Die verbondenheid wordt onderstreept door de overdracht van zijn nalatenschap naar Den Haag." Broek reageert hiermee op de ophef die is ontstaan sinds hij en zijn collega Klaas de Groot wereldkundig maakten dat de literaire nalatenschap van Van Leeuwen aan het Letterkundig Museum zal worden toevertrouwd. Op 15 december zal die overdracht officieel worden gemaakt. Navraag door de Amigoe eerder deze week hieromtrent leverde de enigszins verontrustende informatie op dat de nabestaanden van Van Leeuwen niet volledig op de hoogte leken te zijn van deze feiten.
Volgens Broek echter gingen aan dit feit jaren van overleg en praten vooraf. Met de nabestaanden van de in 2007 overleden auteur maar ook met de auteur Van Leeuwen zelf, toen die nog in leven was.
"Natuurlijk is hierover gesproken. Zeker toen Van Leeuwen al op hoge leeftijd was. De vraag drong zich op. Dit zijn dingen waarover je na gaat denken wanneer je beseft dat je in de nadagen van het leven rondstruint en er iets te bewaren is."

 Typoscript. Foto @ Aart G. Broek
Taal

Broek benadrukt dat de auteur Van Leeuwen niet alleen voor Curaçao een belangrijk auteur was, maar vooral ook voor de Nederlandse taal en daarmee van belang is in het literaire landschap van die taal.
"Van Leeuwen schreef in het Nederlands, was die taal machtig op een zeer hoog niveau en was daar ook erkentelijk voor. Het was zijn wens om zijn werk uiteindelijk terug te geven aan de bron waar die taal vandaan komt."
Het nadenken en besluiten over de uiteindelijke 'rustplaats' van Van Leeuwens nalatenschap heeft volgens Broek weinig te maken met de vraag 'van wie de auteur Van Leeuwen is.' "Dit gaat niet over een keuze tussen Curaçao of Nederland. Dit gaat over de taal. En daarin heeft Van Leeuwen een bijzondere plaats verworven. Dat overstijgt de discussie. Dit gaat over een nalatenschap van creatief intellectuele waarde voor de Nederlandse taal met daarin gevat het geraamte en de ziel van Curaçao zoals Van Leeuwen dat zag."

De onderzoeker wijst dan ook enige verwijzing naar het op Curaçao niet kunnen vinden van een deugdelijke 'bewaarplaats' van de hand. "Daar gaat het niet om. Er zijn wel degelijk instellingen op Curaçao die deze nalatenschap goed zouden kunnen conserveren. Instellingen zoals het Archivo Nashonal, de Universiteit, de Biblioteka Públiko Kòrsou en de bibliotheek van S.A.L. ‘Mongui’ Maduro. Dat heeft echter niets met deze beslissing te maken gehad. Dit gaat over de betekenis van Van Leeuwen voor de Nederlandse taal."

Familie
Broek laat ook weten dat de familie van begin af aan bij dit moeilijke proces betrokken is geweest. En dat zijzelf om de bemiddeling van Broek heeft verzocht. "Vanzelfsprekend heb ik mij ingespannen om alle betrokkenen zo goed mogelijk te informeren en geïnformeerd te houden. Dit heb ik trachten te doen vanaf het moment dat ik gevraagd ben door de familie om ervoor te zorgen dat de nalatenschap op een Boeli-waardige plaats duurzaam wordt bewaard." De onderzoeker benadrukt verder dat er niets van Van Leeuwens nalatenschap is meegenomen zonder toestemming van de familie en dat hij en De Groot steeds zo zorgvuldig mogelijk hebben geprobeerd te zijn.
"Het is niet gemakkelijk om de eindigheid van een leven, van wie dan ook, in materiële zin onder ogen te zien. Er komt niets nieuws meer. Wat er is, is wat er is. Het is moeilijk te beseffen dat er echt niets meer bij komt. Leden van de familie zijn bij het uitzoeken van het materiaal steeds aanwezig geweest. Heel moedig vond ik dat."

Typoscript. Foto @ Aart G. Broek
Wel instemming
Broek laat ter onderschrijving van het bovenstaande ook weten dat het Letterkundig Museum maanden terug al zijn erkentelijkheid voor het vertrouwen kenbaar heeft gemaakt in een brief aan de familie. "Inmiddels heb ik naar aanleiding van het bericht in de Amigoe natuurlijk contact gehad met de familie. Er is geen dagelijks contact hierover geweest en wellicht dat het persbericht dat wij hebben doen uitgaan hen heeft overvallen. Dat is ongelukkig. Ik meen echter gerustgesteld te mogen zijn. Dit lijkt mij te worden onderstreept door het gegeven dat bij de presentatie van 15 december aanstaande Eva, de kleindochter van Boeli van Leeuwen, aanwezig zal kunnen zijn als vertegenwoordigster van de familie. Hiermee zijn we natuurlijk bijzonder gelukkig."

De familie zelf heeft inmiddels ook laten weten wel achter het besluit te staan om de nalatenschap van de schrijver Boeli van Leeuwen bij het Letterkundig Museum te conserveren. En dat zij graag zouden zien dat de ophef hierover tot rust komt.

zondag 1 december 2013

Archief Boeli van Leeuwen

door Brede Kristensen
  
Kortgeleden stelde Robert van Buiren in een ingezonden stuk dat de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen ‘vanzelfsprekend op Curaçao thuishoort’. Dat lijkt mij ook. Deze dagen heb ik gemerkt (mijn mailadres werd erbij vermeld) dat een onverwacht groot aantal mensen hierop instemmend via mail, telefoon en ingezonden stukken heeft gereageerd. 

Geboortehuis van Boeli van Leeuwen, Casa Blanca, op Curaçao.
Foto C.H.A. Uit: Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud.

Kennelijk leeft dit onder de mensen. Natuurlijk heeft de familie het volste recht ermee te doen wat ze wil en adviseurs en bemiddelaars in de arm te nemen die haar daarin willen bijstaan. Inmiddels begrijp ik dat ook Boeli zelf het geen slecht idee vond dat zijn literaire nalatenschap in het Letterkundig Museum van Den Haag zou worden gedeponeerd. Dat betekent echter niet dat het publiek er verder niets mee te maken heeft.
Ooit heeft Boeli besloten met zijn literaire werk naar buiten te treden. Zijn romans werden gepubliceerd, gelezen en gewaardeerd. Zo is hij een publieke figuur geworden, deel van de Curaçaose culturele en literaire historie. Een persoon waar Curaçao terecht trots op is. Zijn romans zijn tot op de dag van vandaag een bron van inspiratie, reflectie en bewustwording voor zeer veel mensen hier. Tegen die achtergrond is het ongewenst dat het archief van een zo belangrijk schrijver naar het buitenland verdwijnt.

Nota bene is Curaçao bezig iets aan 'natievorming' te doen. Curaçao moet alles in het werk stellen hier een eigen Letterkundig Museum op te richten dat aandacht schenkt aan de uitzonderlijk grote letterkundige productie van Curaçao met zijn 130.000 inwoners (Cola Debrot, Pierre Lauffer, Charles Corsen, Louis Daal, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen, Elis Juliana en dan de vele schrijvers en dichters nog in leven) Dat bij gebrek aan een goed onderkomen het archief van Boeli van Leeuwen in bruikleen wordt gegeven aan een museum in Den Haag, is als tijdelijke oplossing oké.
Maar het is in het Curaçaose publieke belang dat duidelijke afspraken worden gemaakt dat het archief teruggaat naar Curaçao zodra het hier beheerd kan worden. Indien de familie en hun adviseurs het daarmee niet eens zijn, dan zij het zo. Op zijn beurt heeft het publiek het volste recht te laten weten dit zeer te betreuren en de familie te verzoeken het besluit nog eens kritisch onder de loep te nemen. Het argument van de adviseurs dat het archief in Nederland voor meer mensen toegankelijk is, slaat nergens op. 

Klein Kwartier, Curaçao, 1929. Uiterst rechts in matrozenpakje Boeli.
Foto Japa Beaujon

Ook op Curaçao wonen mensen die het archief willen inzien en van Nederlanders, die massaal naar Curaçao reizen voor een straaltje zonlicht, mag verwacht worden dat ze die reis ook willen maken om zich door dit archief te laten voorlichten. Dan de vraag of alle archieven van in het Nederlands schrijvende auteurs in Nederland thuishoren. Dit argument riekt naar inhaligheid. Wat is het meest wezenlijk van waarde? Het werk en de persoon inhoudelijk gezien, of de taal waarin de persoon zich uitdrukt? Mij dunkt het eerste. 

In Nederland is Boeli vrijwel onbekend. Hier is hij een begrip. Daarbij komt dat de geschiedenis van Curaçao moeilijk kan worden los gezien van het Nederlands dat eeuwenlang als belangrijke taal werd gesproken. Overigens denk ik dat het Letterkundig Museum in Den Haag begrip ervoor heeft dat de nalatenschap van een Curaçaos schrijver op Curaçao thuishoort. In Nederland wordt alles gedaan om archieven van bekende schilders en schrijvers vanuit het buitenland naar Nederland terug te halen. Ik neem aan dat niet met twee maten wordt gemeten.

[uit Antilliaans Dagblad, 29 november 2013]


zaterdag 30 november 2013

«Van Leeuwen is één van de beste schrijvers die het koninkrijk heeft voortgebracht»

Over o.a. Boeli van Leeuwen schrijft Sheila Sitalsing in een column, getiteld ‘Rijksgenoten’, in de Volkskrant van 20 november 2013:

Boeli van Leeuwen
‘Het koninkrijk bestaat niet’, kopte de Volkskrant dit weekend boven een artikel over wederzijdse wrevel en desinteresse. […] Stuitend gebrek aan belangstelling in elkaar. Zo veroorzaakte de moord op Helmin Wiels – vergelijkbaar met die op Pim Fortuyn – aan de Noordzeezijde van Willem-Alexanders rijk amper een rimpeling. Mediacategorie aardbeving in Italië zonder Nederlandse slachtoffers. […] Binnenkort belegt de Volkskrant een debat onder de zorgelijke titel ‘Kan het koninkrijk nog 200 jaar zo doorgaan?’
O jawel hoor, zou Boeli van Leeuwen opgewekt zeggen als hij nog zou leven. Van Leeuwen is één van de beste schrijvers die het koninkrijk heeft voortgebracht, en aan de Noordzeezijde schandalig onbekend. […] Eigenlijk, schreef Van Leeuwen, zijn de ex-Antillen sinds 1634, ‘toen Johan van Walbeeck met merkbare tegenzin op Curaçao aan wal stapte, onafgebroken bezig ten onder te gaan’. Dat zullen ze vrolijk blijven doen, in rijksverband. Een kwarteeuw geleden voorspelde Van Leeuwen het al: ‘Je kunt die roteilanden eenvoudigweg niet meer kwijt. Wij hebben de onafhankelijkheid gezien op Haïti, wij krijgen dagelijks onafhankelijke hoeren uit Santo Domingo, die daar van de honger creperen, dank u zeer.’

Lees hier de hele column

woensdag 27 november 2013

Ongepaste actie

door Jos de Roo
 
Boeli van Leeuwen als gymnasiumleerling,
maart 1940
De theoloog Rob van Buiren geeft zijn zegen er niet aan dat de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen naar het Literair Museum in Den Haag gaat. (Amigoe 25-11-’13, klik hier) Waar bemoeit hij zich mee, zo vraag ik me af. De enigen die over die nalatenschap gaan, zijn de erfgenamen. Of, als hij zich er bij leven over heeft uitgelaten, Boeli zelf. Het is niet kies tegenover de familie over een nalatenschap in het openbaar te twisten, of dacht Van Buiren dat hij als gesprekspartner van Boeli er een beetje bij hoort? Dan hebben honderden anderen dat recht ook. De enige reden dat de buitenwereld er zich mee zou kunnen bemoeien is als de nalatenschap aantoonbaar op een plek terecht zou komen waar er niet goed voor gezorgd zou worden. Dat is niet het geval. De actie van Van Buiren is dus bizar, ongepast en ongewenst. Wilt u uw instemming betonen met de mening dat alleen erfgenamen over een nalatenschap gaan, doet u dat per e-mail: josderoo@hotmail.com.

maandag 25 november 2013

Nalatenschap Boeli niet naar Den Haag

door Rob van Buiren
                                 
Geschokt door het artikel ‘Nalatenschap Boelie naar Den Haag’ in de Amigoe van afgelopen zaterdag [klik hier op CU] wil ik reageren op het bizarre idee om Boelie’s manuscripten, typoscripten en dergelijke in Den Haag op te slaan.
Beeld van Boeli van Leeuwen door Cornelis Zitman

Mijn reactie is die van een bewonderaar en genieter van Boelie’s boeken en essays. Maar tegelijkertijd die van een gesprekspartner van Boelie begin jaren tachtig en eind jaren negentig en begin jaren 2000.

Wij spraken af en toe over literatuur, over de Bijbel, over theologische vragen en over de diepste levensvragen waarmee je in Boelie’s boeken wordt geconfronteerd. Op literair gebied was Boelie zeker mijn meerdere; over theologische vragen kon ik met hem spreken als ware ook hij – zoals ik – theoloog. Voor mij waren die gesprekken altijd verrassend en uitdagend.

Als één van de grote schrijvers van Curaçao, van de Nederlandse Antillen hoort de nalatenschap van Boelie vanzelfsprekend op Curaçao thuis. In dit verband is het goed om te zeggen dat er op Curaçao ideeën/plannen bestaan voor de stichting van een bescheiden letterkundig museum. Zo’n museum zou gemakkelijk gevuld kunnen worden met veel waardevol materiaal. Ik hoop van harte dat binnen afzienbare tijd deze plannen gerealiseerd kunnen worden.

‘Nalatenschap Boelie naar Den Haag’: het artikel maakt niet goed helder welke afspraken met de familie van Boelie gemaakt zijn. Wel wordt duidelijk dat er door de familie niet gedacht is aan permanente overheveling van Boelie’s nalatenschap naar Den Haag. Evenmin blijkt de familie op de hoogte te zijn van het ‘heugelijke’ feit van de viering op 15 december in Den Haag, voor welke viering de familie ook niet blijkt uitgenodigd te zijn.

Hoe het ook gegaan is in de contacten tussen de familie en de heren Aart Broek en Klaas de Groot: van beide heren mag verwacht worden dat zijzelf de overheveling van Boelie’s nalatenschap naar Den Haag als ongewenst en bizar hadden onderkend. Wie kan er van mening zijn dat de nalatenschap van Curaçaose en/of Antilliaanse schrijvers niet op Curaçao en/of de Antillen thuis horen?

Aart Broek en Klaas de Groot
Deze reactie – waar meerdere mensen op Curaçao reeds achter staan – is dan ook bedoeld om beide heren ervan te overtuigen dat hun plan van overheveling bizar en absoluut ongewenst is: “Heren, laat dit ongepaste plan vallen en gun Curaçao de nalatenschap van eigen schrijvers!”
Velen in onze Curaçaose gemeenschap zullen de aangekondigde overheveling zeker niet wensen.
Het zou goed zijn als meerdere mensen op Curaçao bekend zouden maken dat ook zij willen dat er van dit bizarre, ongepaste plan wordt afgezien en dat er concrete stappen worden ondernomen tot oprichting van een eigen Curaçaos literair museum. Mocht u uw instemming met deze reactie kenbaar willen maken, doet u dat dan alstublieft per e-mail aan de volgende adressen: buiren39@gmail.com en bredekristensen@yahoo.com.

[uit Amigoe, 25 november 2013]

Het valt de redactie van dit blog op dat de heer Van Buiren de naam van de door hem bewonderde Boeli van Leeuwen consequent fout schrijft 

zaterdag 23 november 2013

Nalatenschap Boeli van Leeuwen naar Letterkundig Museum

Boeli van Leeuwen (Beurs- en Nieuwsberichten 1960)
De literaire nalatenschap van  mr. dr. W.C.J. (Boeli) van Leeuwen (1922–2007) wordt toevertrouwd aan het Letterkundig Museum in Den Haag. Op 15 december a.s. zal het Letterkundig Museum de zorg voor deze bijzondere aanwinst onderstrepen met de opening van een expositie uit de nalatenschap. De jurist Van Leeuwen kreeg op zijn geboorte-eiland Curaçao en in Nederland vooral bekendheid als auteur. Zijn boeken worden nog steeds herdrukt, zoals de romans De rots der struikeling (1959), Schilden van leem (1985) en Het teken van Jona (1988), essays als in De taal van de aarde (1997) en de verzameling columns Geniale anarchie (1990).

De nalatenschap bestaat uit diverse manuscripten en typoscripten van de romans en essays waarmee hij bekendheid verwierf. Die tonen het vakkundig bewerken van zijn teksten tot het bewonderde eindresultaat. De nalatenschap bevat ook het nodige werk-in-uitvoering, waarvan fragmenten alsnog gepubliceerd zullen worden.
De opening van de expositie op 15 december wordt begeleid door een toelichting van onder meer de onderzoekers van de nalatenschap, Aart G. Broek en Klaas de Groot, en de cineast Sherman de Jesus. De opening wordt muzikaal ondersteund door de pianovertolking van Antilliaanse muziek, waaronder de wals ‘E yobida di ayera’ die Wim Statius Muller componeerde voor Boeli van Leeuwen.
Boeli van Leeuwen. Ets van Bert Kienjet

In een bijdrage aan het  tijdschrift De Parelduiker, dat in december verschijnt, wordt een deel van de nalatenschap van Van Leeuwen toegelicht. Dat artikel vormt een handzame begeleiding van de expositie. De beeldend kunstenaar Bert Kienjet maakte voor de gelegenheid een serie etsen van de belangrijkste Antilliaanse auteurs die het Nederlands kozen voor hun literaire werk: Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus Arion en Jules de Palm. Ook die set wordt gepresenteerd.

U bent uitgenodigd om aanwezig te zijn bij deze veelzijdige presentatie op zondagmiddag 15 december van 14.30 – 16.00. Maak nader kennis met een belangrijke representant van de Nederlandstalige literatuur van de Caribische eilanden en geniet van de muziek, een hapje en een drankje. Ook zal het mogelijk zijn werk van Van Leeuwen, een ets van Kienjet en het nummer van De Parelduiker aan te schaffen.
Typoscript van Van Leeuwens De eerste Adam


De entree is gratis voor museumkaarthouders en abonnees van De Parelduiker. Voor anderen gelden de reguliere museumentreetarieven. Niet bekend met het Letterkundig Museum? Kom dan minstens een uur eerder en neem de tijd voor de vaste tentoonstelling.

Laat het museum even weten of u aanwezig bent, bel 070 – 333 96 66

Tempels in woestijnen van Boeli van Leeuwen, uitgegeven in eigen beheer in 1947