Posts tonen met het label Geemert Ko van. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geemert Ko van. Alle posts tonen

zaterdag 8 maart 2014

Literaire middag in de Plantage in het teken van de Caribische letteren

Curaçao, Pontjesbrug. Foto @ Sanne Landvreugd

Op zaterdag 12 april is er een literaire middag in de Plantage, die in het teken van de Caribische letteren staat. Wanda Reisel en Walter Palm lezen niet alleen uit eigen werk voor, maar ook uit dat van Antilliaanse auteurs die zij bewonderen. Walter Palm reciteert onder meer zijn gedicht De mazurka en zal dat illustreren met CD-opnames van mazurka's van (zijn grootvader) Jacobo Palm en (zijn betovergrootvader) Jan Gerard Palm. Ko van Geemert vertelt over zijn net verschenen literaire, culturele gids Dushi Willemstad.

Walter Palm
Daarna kunt u kijken naar een aflevering van Literaire ontmoetingen, een televisie-uitzending uit 1963. Hierin ontmoet Hans Gomperts schrijvers en schrijfsters van de Nederlandse Antillen.

Datum: zaterdag 12 april 2014 
Tangosalon, Plantage Muidergracht 155, 14.30 uur.
Zaal open vanaf 14.00 uur. Toegang gratis voor leden van de Vrienden van de Plantage. Voor niet-leden  € 5. 

De boeken van de aanwezige (en van andere) auteurs zullen deze middag te koop zijn.

zondag 9 februari 2014

"Janny de Heer te verkiezen boven Cynthia Mc Leod"

Een tentboot. Uit Fermin

door Ko van Geemert

Janny de Heer (1955) debuteerde in 1999 met Landskinderen van Curaçao. Historische verhalen. Voor haar meest recente boek, Gentleman in slavernij, deed zij uitgebreid historisch onderzoek in Suriname, Nederland en Duitsland.

Hoofdpersoon is Johann Dieterich Horst, een jongeman uit een welgestelde Duitse familie, die in 1827 zijn geluk zoekt in Suriname. In de loop der jaren klimt hij op tot administrateur op diverse plantages. Als hij zeker weet dat hij in Suriname wil blijven, koopt hij zelf plantages. Het liefst zou hij de slaven willen behandelen zoals hij vroeger thuis op het landgoed van zijn vader geleerd heeft met het personeel om te gaan. Speciaal voelt hij zich betrokken bij het lot van de slavin Candasie en haar kinderen. Horst krijgt een zoon met haar, maar trouwt met haar dochter.

In het Woord Vooraf schrijft De Heer: ‘De levensloop van Johan Dieterich Horst is bijzonder en avontuurlijk geweest maar het is vooral de tijd waarin hij leefde die zijn geschiedenis interessant maakt. Hoe was het om in die maatschappij waarin slavernij een feit was te leven (te werken, te leren, te wonen)? En vooral hoe ging je om met de mensen uit de verschillende bevolkingsklassen? Hoe hield je je staande in een milieu waarin het alleen in het geniep werd geaccepteerd dat blanke mannen en zwarte vrouwen samen kinderen kregen en het andersom, zwarte man blanke vrouw, al helemaal niet werd getolereerd. Hoe stichtte je een gezin in die samenleving? Hoe konden vriendschappen bloeien terwijl er zoveel wetgeving tussenstond?’
 
Paramaribo. Grote Combéweg rond 1880. Foto Tropenmuseum
Elk hoofdstuk begint met een korte informatieve tekst over de ontwikkelingen van de slavernij in Suriname, achterin het boek is een foto van de hoofdpersonen geplaatst, samen met een stamboom en een bronnenlijst. Het zou helemaal mooi zijn geweest wanneer er ook een plattegrondje zou zijn afgedrukt van de in het boek genoemde plantages, waardoor je de reizen van Horst beter had kunnen volgen.

In het nawoord lees je hoe het de hoofdpersonen vergaan is; het maakt  nieuwsgierig naar de levens van de nakomelingen! Gentleman in slavernij is hier en daar wat wijdlopig en De Heer vervalt wel eens in herhalingen, maar voor degene die van familieromans houdt, is het een heerlijk boek om te lezen. Het zou wel eens kunnen dat dit boek meer  geapprecieerd wordt door vrouwen dan door mannen: het hoofdpersonage is weliswaar een man, maar de levens van de vrouwen worden, wellicht niet onbegrijpelijk, door de schrijfster wat meer uitgewerkt.

Natuurlijk dringt zich de vergelijking met Cynthia McLeod op. Gemeen hebben ze zeker het doorzettingsvermogen om grondige research te verrichten. Ik ben geneigd Janny de Heer te verkiezen boven Cynthia McLeod als het op stijl aankomt.


Het motto van dit boek is: ‘ik had me het pak van de christenen aangemeten / maar het zat zo slap aan het lichaam van een neger’, van de dichter Jozef Slagveer, in 1982 vermoord. Toen was Johann Dieterich Horst al 150 jaar dood.

Janny de Heer, Gentleman in slavernij. Uitgeverij In de Knipscheer, ISBN 978 90 6265 832 9  NUR 301
330 pagina’s, € 24,50


[uit Parbode, februari 2014,  jaargang 8 nr. 94]

zaterdag 21 december 2013

Literaire wandelingen in Punda en Otrobanda

Gesprokkelde herinneringen en heimwee

door Jeroen Heuvel

Dushi Willemstad is een boek anekdotes uit allerlei bronnen bijeengesprokkeld en aan elkaar geschreven door Ko van Geemert, een passant die van Curaçao houdt. Het boek van 270 bladzijden bestaat voor de helft uit twee literaire wandelingen door de stad, een in Punda en een door Otrobanda. Dan volgen 70 bladzijden Curaçaose thema’s, zoals Campo Alegre, carnaval, landhuizen, loterij, Papiamentu, Sinterklaas en Kerst, Peter Stuyvesant en Tula. Daarnaast hebben Nic Møller, Jan Brokken, Lucille Berry Haseth, Carel de Haseth en Wim Rutgers bijdragen geleverd variërend van 3 tot 13 bladzijden, over verschillende letterkundige of aan literatuur gelieerde onderwerpen.

Tijdens de wandelingen worden veel prozafragmenten en gedichten aangehaald. ‘Daarbij is zeker geen volledigheid nagestreefd; het geheel vormt geen literatuurgeschiedenis, maar moet worden gezien als een toegankelijke introductie tot de literatuur die op en over Curaçao is geschreven,’ schrijft Van Geemert in zijn inleiding. Deze verzamelaar heeft met zoveel interesse gegrasduind en gespit rond de Annabaai en in de door Aart Broek en Wim Rutgers drooggelegde bronnen, dat de slotzin van de inleiding waarin hij schrijft dat hij hoopt dat de lezer in de gaten krijgt dat Willemstad en het hele eiland er omheen meer te bieden heeft dan de lezer vermoedt, niet alleen voor de toerist maar ook voor de inwoner is bedoeld.

Miss Curaçao Monalisa Jansen voor het Riffort

Dushi Willemstad is een boek uit de Het Oog in ’t Zeil Stedenreeks van uitgeverij Bas Lubberhuizen, een reeks over literaire steden, met inmiddels 17 titels waaronder O Lissabon, mijn huis, Oxbridge blues, Gent, de dubbelzinnige, Ongenaakbaar Madrid, Ascon, bezield paradijs en Paramaribo brasa! Het eclectische karakter van dit boek, met veel zwart-wit foto’s, maakt het onmogelijk om een fragment te kiezen dat een treffende indruk van het geheel geeft. Omdat de auteur onmogelijk kritisch alle bronnen kan beoordelen, neemt hij af en toe halve waarheden, hardnekkige onwaarheden en omstreden oorsprongen over. In steekproeven kom ik tegen dat de slavenhandel pas in 1863 verboden werd (p 8) terwijl Nederland de slavenhandel in 1814 heeft afgeschaft, en de slavernij in 1863. Op dezelfde bladzijde staat over de olieraffinaderij ‘in sommige delen van Willemstad waait je een onaangename geur tegemoet, vooral als de wind verkeerd staat,’ zonder te vermelden dat in Wishi, Marchena, Habaai, Sta Helena, Charo en Domi en bij alle scholen aan de voet van de brug in Otrobanda constant roet, fijnstof en dergelijke raffinagetroep wordt uitgestrooid. Hardnekkig blijft de fout herhaald dat de reeks artikelen van Henri E. Marquand over John Brown, die in het Papiaments in de Civilisadó van 1873 en 1874 zijn gepubliceerd, uit het Engels vertaald zou zijn, terwijl die uit het Frans zijn vertaald en naar mijn weten nooit in het Engels zijn gepubliceerd. Er staat dat er een Papiaments woordenboek geschreven zou zijn door Marta Dijkhoff. Deze taalkundige heeft weliswaar gepubliceerd onder andere over de grammatica van het Papiaments, maar het bedoelde woordenboek is door Mario Dijkhoff, een neef van haar, gemaakt. Het is een beetje verwarrend om in de Otrobandaroute van de wandelingen een gedicht op te nemen dat zich afspeelt op het Wilhelminaplein (Alameda), dat in Punda ligt, en de volksetymologie van de term Kabe’i boto (en niet zoals in het boek staat Kabe’i di boto) is in ieder geval door een kenner van het Papiaments als Antoine Maduro bestreden.

Misschien zitten er meer missers in dit uitgelezen boek. Maar dat neemt niet weg dat er een heleboel in staat dat wel de moeite van het weten waard is.

donderdag 19 december 2013

Dushi Willemstad van Ko van Geemert

door Eric de Brabander

Recent las ik een blog van de auteur van het boek Het Einde van de Antillen, van Freek van Beetz. Van Beetz was tot 2010 adviseur van de regering van de Nederlandse Antillen. De uitgever van het boek van van Beetz had een recensie-exemplaar gestuurd naar de Nederlandse kwaliteitskrant het NRC. Het boek werd door de redactie teruggestuurd met de vermelding dat de politieke geschiedenis die samenhing met de ontmanteling der Antillen niet direct het interessegebied was van de lezers van het NRC. De volgende dag stond er een uitgebreid en diepgaand artikel in het NRC over vermeende corruptie op Bonaire en de afluisterpraktijken van Nederland. Het artikel 'illegale spionage op Bonaire' verscheen in de editie van 21 november. Klaarblijkelijk lag deze corruptie wel binnen het genoemde interessegebied van de NRC-lezers, meende van Beetz.

Hij noemt de gedragslijn van de Nederlandse media wat betreft de voormalige Antillen hardnekkig. De interesse gaat niet verder dan moord, doodslag en corruptie op onze eilanden. Afstand nemen van ingesleten beeldvorming vraagt kennelijk teveel, zo gaat van Beetz door. Teveel tijd, teveel energie, teveel inlevingsvermogen. Het steekt de eilandbewoners terecht als van de eilanden afkomstige succesvolle sportlieden steevast als 'Nederlanders' worden geprezen en criminelen het etiket 'Antilliaan' krijgen opgespeld. Met de literatuur is het niet veel anders.

Tip Marugg
Zo kreeg een in Nederland wonend neefje van een patiënt van mij het idee om een scriptie te schrijven voor het VWO- eindexamen Nederlands over de schrijver Tip Marugg. De Nederlandse leraar reageerde geïrriteerd. De Antillen, daar komen toch alleen streekromans vandaan, zei hij. Het neefje zette door en de leraar was groots genoeg zijn gebrek aan kennis toe te geven en beloofde de boeken van onze grote schrijvers te gaan lezen. Voor mij behoren Tip Marugg en Boeli van Leeuwen tot de groten der Nederlandse literatuur. Zij horen thuis in het rijtje Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans, Louis Couperus, Karel van den Woestijne en Hugo Claus, om er maar een paar te noemen.

Frank Martinus Arion. Foto © Klaas Koppe
De enige die voor het Europees Nederlandse publiek doorgebroken is, is Frank Martinus Arion. En maar met een enkel boek, Dubbelspel. Dubbelspel heeft alle karakteristieken van een streekroman, een uiterst vernuftige streekroman. Het boek geeft de Europese Nederlander inzicht in het denken van de tropische koninkrijksgenoot, het lezen van het boek geeft de Hollander houvast in onze maatschappij. Denkt hij. Want Dubbelspel ontleent niet alleen de titel aan het op Curaçao populaire dominospel. Het is de dubbele gelaagdheid, die de niet ingewijde gemakkelijk mist. Zonder dat het deert want het ingenieuze van het boek is dat het op twee manieren leesbaar is. Het verhaal zelf is boeiend genoeg, ook als de intrinsieke boodschap niet begrepen wordt.

Jan Brokken schreef een aantal jaren geleden het boek Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin.Voor dit cultuurhistorische werk had Brokken tien jaar lang onderzoek gedaan. Op virtuoze wijze beschrijft hij in dit boek de historie van de Antilliaanse muziek. Muziekminnend Nederland was verbaasd. Antilliaanse muziek, dat was toch oorverdovend negergeroffel op olievaten, geblaas op koeienhoorns en gerinkel met hoefijzers. Daar hoorden folkloristische dansen bij, uitgevoerd door mannen gehuld in meelzakken en vrouwen in fleurige jurken.
Brokken legde het verband tussen de culturen, de smeltkroes, die Curaçao al vijf eeuwen is en de muziek die deze heeft voortgebracht. Hij zorgde ervoor dat de Hollanders aan de overkant van de oceaan een inkijkje hadden in de veelzijdige historie van de Antilliaanse muziek en haar componisten. Holland reageerde eerst verbaasd en direct daarna enthousiast. Klaarblijkelijk hebben we een Hollander nodig om aspecten van onze onderbelichte cultuur naar Europa te brengen.

En nu maken we kennis met Ko van Geemert. Het boek van Van Geemert is een wandeltocht door het Willemstad van vroeger. Al lopende door de straten van Punda en Otrobanda vertelt van Geemert over de geschiedenis van de Curaçaose literatuur en laat daarbij geen auteur, de bekende als ook de minder bekende, onbesproken. In het boek Dushi Willemstad wordt niet alleen Curaçaose literatuur besproken, maar komt ook de culturele en sociale structuur van het eiland aan bod, met al zijn dilemma’s en de voor de buitenstaander moeilijk te doorgronden verhoudingen. Het boek is een zeer uitgebreide feitenverzameling. Van Geemert is erin geslaagd dit materiaal zodanig samen te stellen dat het boek eenvoudig leesbaar is, en de verhaallijn voelbaar blijft, als ware het een roman. De uitgever Bas Lubberhuizen is samen met van Geemert en zijn echtgenote, en een aantal literatuurminnende Nederlanders afgereisd naar Curaçao om het boek te presenteren. Deze presentatie vond in Avila plaats, waar de geest van Boeli van Leeuwen nog voelbaar is. De eigenaar van Hotel Avila, de Deen Nic Moller, was een intieme vriend van Boeli van Leeuwen en heeft aan het boek Dushi Willemstad een bijdrage geleverd over Boeli. Anderen die aan het boek hebben bijgedragen zijn Lucille Berry, Carel de Haseth, Jan Brokken en Wim Rutgers.
Lucille Berry-Haseth. Foto © Aart G. Broek
Op de kaft prijkt een prachtige foto van het Avila van vroeger. Mijn goede vriend Chris Winkel herkende direct zijn opa Gungu Maal op de achtergrond, de zonderlinge oogarts die het gebouw in de Penstraat kocht om er een oogkliniek van te maken, maar die er na zijn pensionering een pier voor liet storten en het hoofdgebouw omtoverde tot een een guesthouse. Het boek zelf is geïllustreerd met talloze foto’s, van de auteurs waarvan velen allang op het kerkhof, van historische momenten, van gebouwen.

Caribisch-Nederlandse literatuur kreeg in Nederland zelf nooit de aandacht die ze verdiende, net zomin als Caribische muziek. Veel van het schrijfwerk is door de auteurs zelf uitgegeven daar het door onze kleinschaligheid vrijwel onmogelijk is om met een locale uitgeverij een boterham te verdienen. In Nederland zijn er maar enkele uitgeverijen die een fonds hebben voor Caribische literatuur. Uitgeverij Conserve in Amsterdam, In de Knipscheer in Haarlem, en nu dus de uitgever Bas Lubberhuizen die met eigen ogen heeft kunnen aanschouwen dat er op Curaçao meer is dan in de Nederlandse mist gezien wordt.
Van Geemert schreef eerder de literaire stedengids Paramaribo Brasa!. Ook publiceerde hij Amsterdam en zijn schrijvers, Het einde. Wandelen rond eindhaltes van de tram in Amsterdam, en Dum Vivimus Vivamus, over de gelijknamige serie schilderijen van zijn zwager Jeroen Krabbé, welke laatste ook geen onbekende op ons eiland is.
Het boek Dushi Willemstad van Ko van Geemert is naar mijn mening nu al een historisch document. Omdat het van Geemert gelukt is om in een enkel geschrift de geschiedenis vast te leggen van 150 jaar Curaçaose literatuurgeschiedenis. Ik mag hopen dat dit boek veelvuldig uit bibliotheken geleend zal worden, op scholen zijn weg vindt, gaat dienen als studiemateriaal voor scripties Nederlands maar ook dat u het onder de kerstboom gaat vinden.

[Ontleend aan Antilliaans Dagblad, 17 december 2013, pp. 14-5.]

maandag 2 december 2013

Boeli

V.l.n.r. Boeli van Leeuwen,.Chris Engels, Aletta Beaujon, W.F. Hermans, Cola Debrot, Elis Juliana.

door Ko van Geemert

Net las ik de ingezonden brief (25 november) van Rob van Buiren, onder de titel: ‘Nalatenschap Boeli niet naar Den Haag’. Hij schrijft: “Als een van de grote schrijvers van Curaçao, van de Nederlandse Antillen hoort de nalatenschap vanzelfsprekend op Curaçao thuis.” Zeker!

Er blijken ‘concrete stappen te worden ondernomen tot oprichting van een eigen Curaçaos literair museum’. In de afgelopen jaren waarin ik me verdiepte in de literatuur op en over het eiland stuitte ik niet op een dergelijk initiatief, maar blijkbaar heb ik iets gemist. Tot de komst van dit Curaçaos Literair Museum ben ik blij dat de nalatenschap van zo’n bijzondere, in het Nederlands schrijvende auteur in een mooi archief/museum terecht is gekomen, al is dat in Nederland.

Curaçao

[uit Amigoe, 26 november 2013]

woensdag 23 oktober 2013

Zoet Willemstad: Hoe smaken Punda en Otrobanda literair?

Ondergaande zon op Curaçao. Foto © Stephen Kennedy

door Klaas de Groot

De Nederlandse wandelaar met veel literatuur in het hoofd kan nu weer naar Schiphol. In 2010  wilde Ko van Geemert met zijn literaire stedengids Paramaribo Brasa! dit type lezer door Paramaribo loodsen, nu is Willemstad op Curaçao aan de beurt. Op 26 september presenteerde uitgeverij Bas Lubberhuizen namelijk de tweede tropische wandelgids van Van Geemert:  Dushi Willemstad. Het  is een flink boek geworden, omdat de auteur behalve twee forse wandelingen ook een lange rij cultureel-maatschappelijke “Curaçaose thema’s” wilde beschrijven. Vijf “Curaçaokenners” komen daarenboven in een eigen bijdrage aan het woord.

Hanchi Warda (Wachthuissteeg). Foto © Klaas de Groot

Het boek is duidelijk voor de Nederlandse toerist geschreven. Het feitenmateriaal, de toelichting op die feiten, bijvoorbeeld de introductie tot genoemde auteurs en andere personen is zeer uitgebreid. De samensteller heeft zo nieuwsgierig om zich heen gekeken en is zo gegrepen door het eiland dat hij na thuiskomst onmiddellijk terug wilde. Zijn inleiding heet dan ook ‘Heimwee naar Curaçao’. De heimwee is met name te zien op p. 6. Daar is een nostalgische tekening van Jo Spier afgebeeld uit 1948. Ook de omslag van het boek getuigt van weemoed. Op die omslag staat een oude ansicht met twee keurige echtparen die genieten van zon en zee op het terras van…Hotel Avila. Het hotel dat in 2013 nog steeds één van de grote toeristische trekpleisters is. Dit laatste ook omdat de geest van de schrijver Boeli van Leeuwen er voelbaar rondwaart. De belustheid op het eiland heeft ook een keerzijde: soms is het materiaal overweldigend. Vooral in de afdeling ‘Curaçaose thema’s'.

Beeld bisschop Niewindt. Foto © Michiel van Kempen

Het zal een hele toer zijn om met deze lijvige gids de Curaçaose zon te trotseren. Waarschijnlijk is de beste methode om voor of na een wandeling in de schaduw, onder een fan, de “Curaçaose thema’s” te bestuderen die eventueel zullen opduiken of al opgedoemd zijn. Het stukje over ‘De snèk’ kan het beste voor de wandeling doorgenomen worden. De opmerkingen over ‘Hato’ eigenlijk alvast in het vliegtuig. Stel nu dat je als Nederlander tijdens de wandeling misschien een keer het woord makamba hebt opgevangen, dan wordt het tijd om de opmerkingen over dat woord te verwerken. Het deel dat “Papiamentu” heet, dus over de taal gaat die het meest op Curaçao gesproken wordt, had beter “Papiaments” kunnen heten om vervolgens uitleg te geven over de benamingen ‘Papiamentu’ en het Papiamento. Het is jammer dat in het boek alle drie deze termen door elkaar gebruikt worden. Dit verheldert de toelichting niet. Waarschijnlijk heeft het te maken met het feit dat Van Geemert af en toe wel erg veel hooi op zijn vork neemt, dit zorgt dan voor scheurtjes in de steel van die vork.  

Twee wandelingen door Willemstad vormen de hoofdmoot van het boek. De eerste leidt door Punda, het stadsdeel achter Fort Amsterdam. Opvallend is dat deze wandeling veelal in de buurt van water blijft. Dat komt natuurlijk doordat het binnenvaren van de Annabaai heel wat keren door schrijvers wordt gereleveerd, laat staan bezongen. De kleine zijbaai het Waaigat ligt vlakbij de Scharlooweg, die voor een groot deel in de route is opgenomen. Een heel stuk Pietermaai wordt overgeslagen, maar gaande naar de Penstraat, loopt de wandelaar toch weer met het zout van de zee in zijn neus. De Penstraat wordt vaak genoemd door auteurs, maar eigenlijk zijn die allemaal op weg naar het Octagon en het veelbezongen Avilahotel. Voordat de wandeling terugkeert naar de stad, noemt Van Geemert nog de plek waar de Penstraat eindigt, namelijk Marie Pompoen. Hierbij had hij wel het gedicht van Frits van der Molen mogen noemen. Die schreef in De Stoep ooit het gedicht ‘Marie Pompoen’:  “Op de vlakte van Marie Pompoen / strooien de meisjes haar fatsoen / als bloemen op een vuilnisbelt / en elke lichaamsruil vraagt geld.” Zo luidt de eerste strofe van dit lange gedicht over het openluchtbordeel op die plek. In het stuk over Campo Alegre, één van “Curaçaose thema’s” wordt beschreven hoe het in 2013 gesteld is met de vervanging van Marie Pompoen. En Campo Alegre ligt tenslotte veel verder weg van Willemstad. De toerist komt daar waarschijnlijk alleen als hij de weg kwijt is.

Willemstad: Pietermaai en Punda


De Otrobandaroute is veel meer dan de Pundaroute een wandeling in de stad. De wandelaar loopt dichter bij de huizen, lijkt het. De stegen van deze wijk hebben heel wat literatuur opgeroepen. “Steegjes overschaduwd door ruïnes”, schrijft Walter Palm. Ook de verhalen van de recent overleden Jules de Palm werpen hun licht op deze bijzondere wijk. Van Geemert besteedt hier nogal wat aandacht aan de populaire bisschop Niewindt uit de negentiende eeuw. Hij vermijdt het echter de gedichten te noemen die Cornelis Ch. Goslinga schreef. Goslinga (genoemd in het persoonsnamenregister) dichtte het bundeltje Martinus Joannes Niewindt in vierentwintig sonnetten (uitgegeven in 1987 door De Schans, Werkendam). Na weer een stukje lopen krijgt het  huis Stroomzigt vanzelfsprekend heel wat aandacht, dat was immers het woonhuis van dichter-dokter Chris Engels. Van Geemert meandert zeer gedetailleerd door Otrobanda. Gelukkig kan de wandelaar even bijkomen in de legedarische Nettobar in de Breedestraat, vereeuwigd bijvoorbeeld door auteur Hans Vaders.
Belvederestraat 43/45. Foto © Klaas de Groot

Daarna had Van Geemert nog wel een paar bochten mogen maken teneinde in de Belvederestraat te komen. Daar woonde  op nr 11 en 43/45 de dichteres Aletta Beaujon in haar jeugd. Van haar verscheen in 2009 de Verzamelde gedichten: De schoonheid van blauw ~The Beauty of Blue (Haarlem, In de Knipscheer). In die bundel staat het gedicht

Piscadera bay – Scardana bay

Music near the sea
reminds me of the bay of Piscadera
soft music near the sea
reminds me of the soothing sea of Piscadera
Smooth music makes me lonely
far from all my childhood moods
All alone in a grown up world
I cry for the music of yesterday
and I want to swim again
at Piscadera bay
I want to float again
on the tunes of long ago
I want to be all alone
at Piscadera bay
to think again my childhood thoughts

Na het maken van de wandelingen en het ter harte nemen van alle gegevens zal het de literaire toerist waarschijnlijk duizelen. Daarom is het goed te weten dat niet ver van Willemstad, aan de Otrobandakant een kleine baai ligt waar het goed zwemmen is: de Piscaderabaai. De omgeving aldaar is inmiddels erg toeristisch geworden, maar er is een tijd geweest dat veel Curaçaoënaars in die baai leerden zwemmen. En daar moeten ook eilandbewoners tussen gezeten hebben, die zich later in de literatuur bekwaamd hebben. 

Carel de Haseth bij Boka Tabla. Foto © Michiel van Kempen

De “Curaçaokenners” die aan het woord komen, verschillen gelukkig nogal van invalshoek. Wim Rutgers doet de literair-historische kant met erg veel aandacht voor het proza en erg weinig voor de poëzie. Lucille Berry-Haseth heeft het over het vertalen in het Papiaments, een prima onderwerp in dit verband, met name voor deze vertaalster van heel wat gedichten en van de bekendste roman van Frank Martinus Arion: Dubbelspel. Een groot vriend van Boeli van Leeuwen, Nic Møller, tevens de man van het Avilahotel, schrijft een mooi stuk over Van Leeuwen. De Penstraat komt terug in een anekdotisch relaas van Jan Brokken. De anekdote is een kleurrijke verpakking van een boodschap voor de literaire wandelaar. Die luidt: Curaçao is geen Nederland, want zegt Brokken: ‘Want hoe Nederlands Curaçao van de buitenkant ook oogt, in de ziel van de eilanders meandert de Congo onverstoorbaar verder door het schimmenrijk van de voorvaderen.’
In hoeverre deze waarneming tot begrip of onbegrip leidt, is natuurlijk de vraag. Maar waarom zouden we alles moeten begrijpen, vraagt Carel de Haseth zich af in zijn veelzeggende bijdrage over de vermeende overzichtelijkheid van Curaçao. Ervaar het eiland, dat is beter dan het voortdurend willen begrijpen. Hij vertelt een jeugdherinnering over een haai die hij iedere middag, om ongeveer vier uur, de Annabaai zag binnenzwemmen, een rondje maken om vervolgens weer naar volle zee te verdwijnen. De Haseth eindigt dan met: ‘Wat het dier kwam doen, wat hem dreef, blijft een raadsel. Maar hij hoefde het eiland niet te begrijpen: hij ervoer het zoals het is en beleefde er ongetwijfeld plezier aan. Anders zou hij niet steeds weer terugkomen.’


Ik denk dat  Dushi Willemstad het ervaren van Punda en Otrobanda heel goed kan bevorderen. Niet bij haaien, wel bij (literaire) toeristen, ook van het eiland.

Ko van Geemert, Dushi Willemtad
Amsterdam 2013, Uitgeverij Bas Lubberhuizen
272 p. € 22.50



donderdag 26 september 2013

Dushi Willemstad

door Aart G. Broek

Welkomstwoord’ bij gelegenheid van de presentatie van Ko van Geemert, Dushi Willemstad (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2013) in het MC Theater, Westergasfabriekterrein Amsterdam, donderdag 26 september, 17 uur.

Het verzoek van de redacteur/auteur Ko van Geemert om u toe te spreken heb ik enigszins misnoegd ontvangen. Het artikel dat ik wilde bijdragen aan het boek dat wordt gelanceerd, Dushi Willemstad, was terzijde geschoven door Van Geemert. Voor mijn beschrijving van een bezoek aan Tip Marugg - die jarenlang woonachtig was op de vroegere plantage Pannekoek, ver buiten Willemstad – was geen plaats. Zo had Van Geemert gemeend, mogelijk op goede maar voor mij minder plezierige gronden. Een kort welkomstwoord voor Dushi Willemstad vond ik dan ook weinig aanlokkelijk. Ik dacht: ‘Zoek het verder ook maar uit zonder mij!’ Of, wat vriendelijker geformuleerd, de publicatie kan uitstekend zonder een tekst van mij ín de uitgave, dan kan de publicatie ook uitstekend zonder een tekst van mij ter ondersteuning van de lancering ervan.

Het verzoek van Van Geemert bereikte mij echter toen ik in ‘dushi Willemstad’ verbleef. Dat stemt mild, al was het maar door de verzengende hitte in augustus/september. Bovendien zat ik ook enkele malen op het terras van het hotel Avila dat op het omslag van het boek staat en werd daar door de vriendelijke ambiance, een witte wijn en een verkoelende passaatwind ontdaan van mijn twijfel. Natuurlijk mocht ik niet kleinzielig zijn, moest ik het boek welkom heten en diende ik uw belangstelling ervoor te voeden. Vooruit!

Ik weet dus van één tekst dat die er níét in staat, maar welke teksten er wél in staan, weet ik niet. Dat blijft nog even een verrassing, al doen het omslag en een aangekondigde bijdrage van de hand van Nic Møller – eigenaar van voornoemd hotel – vermoeden dat persoon en werk van Boeli van Leeuwen ter sprake komen. Het terras van Avila had Van Leeuwen tot ‘a home away from home’ gemaakt, hij hield er audiëntie, tekende exemplaren van zijn boeken, charmeerde er dames en schoffeerde er politieke, artistieke en intellectuele zwaargewichten.

Boeli van Leeuwen, ets, Bert Kienjet, 2009


Hoort Avila eigenlijk wel tot Willemstad? In de negentiende eeuw lag het indrukwekkende gebouw dat nu onder meer de lobby en kantoorruimtes van het hotel omvat, buiten de stad, buiten Willemstad. Het vormde ooit zelfs het ‘landelijke’ buitenverblijf van de gouverneurs die bestuurlijk huisden in het paleis dat in het fort in de Punda ligt. Willemstad omvatte: de Punda, Otrobanda, Scharloo en Pietermaai. De wijk waar Boeli van Leeuwen woonde – Van Engelen – was ooit een plantage, ver weg van Willemstad. Het maakt in ieder geval nieuwsgierig waar Van Geemert de grenzen van Willemstad legt. Het valt niet te ontkennen dat, ondanks de groei van Willemstad in de afgelopen honderd jaar, de plantage Pannekoek, waar Tip een woning huurde, nog steeds niet bij Willemstad hoort. Een bijdrage over een tocht naar Marugg schiet voorbij het doel van de uitgave – begrip gloort.

Havenmonding Willemstad, brugverbinding Punda / Otrobanda


In die stad heeft ooit één wijk niet alleen de belangrijkste personages voor romans maar ook de meeste lezers ervan opgeleverd: Otrobanda. Tussen ca. 1920 en 1935 werden ruim een dozijn Papiamentstalige romans geschreven, die de rooms-katholieke moraal verdedigde. Wie zich daar niet aan wist te houden, zou kommerlijk ten ondergaan, zo wilde de nadrukkelijke boodschap. Deze tendensromans – van de hand van Willem Kroon, Manuel Fray en Miguel Suriel – waren vooral bedoeld voor mannen met een ambachtelijke achtergrond, hun vrouwen en jong volwassen kinderen. Die woonden in Otrobanda en liepen gevaar om te worden ‘opgeslokt’ door de westerse genoegens die de uitdijende raffinaderij met zich meebracht. Deze romans waren grotendeels gesitueerd in Otrobanda.

Molenplein, Otrobanda, Willemstad.


Het zal niet meevallen een kwalitatief interessant fragment in de Papiamentstalige romans te vinden, dat zou kunnen tippen aan de beschrijving die Tip Marugg ons achterliet van Otrobanda, de wijk waar hij werd geboren en opgroeide. Dat fragment verscheen in het Curaçaose tijdschrift Kristòf en werd natuurlijk ook opgenomen in zijn verzameld werk (De hemel is van korte duur [2009]). Hoe het ook zij, enige kennis van de Curaçaose letteren maakt in ieder geval nieuwsgierig naar wat Van Geemert binnen de grenzen van Willemstad de moeite waard vindt om onze aandacht op te vestigen. Die Papiamentstalige romans wel of juist niet?

Pasfoto van Tip Marugg


Wandelend door ‘dushi Willemstad’ in de hitte van eind augustus/begin september werd ik alleen maar meer nieuwsgierig naar het gelijknamige boek van Van Geemert. Hoe hadden schrijvers van eilandelijke bodem eigenlijk naar hun stad gekeken? Zij niet alleen. Doen literaire passanten ook mee of worden die buiten het literaire Willemstad gelaten? Hoe hadden die passanten erop gereageerd, er zich door laten inspireren? Door de stegen, pleintjes, forten, het waaigat, de grote stadshuizen, de erven, de markten, de bars, winkels, de begraafplaatsen, de openluchtbordelen in de mondi aan de stadsrand, de kust, de haven, binnenwateren met mangroven ... en bovenal door de mensen van zo een divers pluimage. Wandelend door ‘dushi Willemstad’ wist ik Van Geemert te vergeven, dat hij mij buiten het boek had gelaten. En straks, wanneer ik door de bladzijden van Dushi Willemstad struin, zullen de laatste kruimels aan wrevel ongetwijfeld worden weggeveegd.

Gouverneurspaleis, Punda, Willemstad


Want ... voor wie zich aan ‘dushi Willemstad’ overgeeft, merkt hoe louterend de stad werkt. Het zal met het gelijknamige boek niet anders zijn. Kortom, mijn welgemeende felicitaties voor de uitgever, Bas Lubberhuizen, voor Hein Aalders, de redactionele steun achter de coulissen, en bovenal voor Ko van Geemert, auteur en redacteur, met deze verleiding om zich langdurig in dushi Willemstad te verpozen.

[foto's © Aart G. Broek, tenzij anders vermeld]

zaterdag 14 september 2013

Dushi Willemstad

Op donderdag 26 september om 17 uur wordt Dushi Willemstad, samengesteld door Ko van Geemert, gepresenteerd in het MCTheater op het Westergasfabriekterrein in Amsterdam.

Heimwee naar Curaçao. Niet de minsten hebben er last van. Neem Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez, over wie de Curaçaose auteur Boeli van Leeuwen schreef: ‘In vrijwel al zijn boeken wordt het schone eiland Curaçao genoemd.’ In Dushi Willemstad wordt duidelijk waarom Curaçao zo fascinerend is. We maken twee verrassende wandelingen door Willemstad, routes voorzien van vele citaten uit het werk van talloze auteurs. We dompelen ons onder in Antilliaanse thema’s als de loterij, de snèk, Campo Alegre en 30 mei 1969. En vijf kenners van de Curaçaose cultuur en literatuur leveren hun bijdrage: Lucille Berry-Haseth, Wim Rutgers, Carel de Haseth, Nic Møller en Jan Brokken.

Ko van Geemert (1950) publiceerde onder meer Amsterdam & zijn schrijvers. Literatuur op locatie  en Paramaribo Brasa! Recente uitgaven: Het Einde Wandelen rond eindhaltes van de tram in Amsterdam en Dum Vivimus Vivamus, over de gelijknamige serie schilderijen van Jeroen Krabbé.

Dushi Willemstad
Ko van Geemert (samenstelling) 
Het Oog in 't Zeil Stedenreeks
Uitgeverij Bas Lubberhuizen
ISBN 9789059373594
 22,50
272 pagina's
geïllustreerd
paperback
verschijnt 27 september 2013

woensdag 2 november 2011

Ik ben zachtjes gelukkig

De laatste parade van Ruth San A Jong

door Ko van Geemert

In deze bundel met negen korte verhalen, waarmee de in Paramaribo wonende Ruth San A Jong (1970) debuteert, speelt de dood een hoofdrol. In het titelverhaal gaat het om de dood van Hugo, ‘de man van het dubbelleven’. Hugo’s credo is: ‘Mi no wani no wan babari’, mocht ik ooit sterven dan geen schandaal aan mijn oren, maar wel vrolijkheid en plezier. Duidelijk wordt voor welke problemen een bijvrouw komt te staan als haar geliefde overlijdt en wat ze moet doen om ervoor te zorgen dat zijn geest haar ’s avonds niet komt kwellen. Het tweede verhaal vertelt over een achtjarig meisje van wie de moeder overlijdt. De derde geschiedenis betreft een moeder die aanvankelijk moordneigingen heeft bij het zien van haar dochtertje dat uit een verkrachting is geboren; later vindt zij nota bene werk in het huis van haar verkrachter. In het volgende verhaal krijgt een jonge man inzicht in de homoseksuele gevoelens van zijn net overleden vriend: ‘De waarheid kwam tot mij in een veel te laat visioen’. Vervolgens ontmoeten we een vrouw die het lijk moet wassen van haar vermoorde, geliefde buurjongetje. In verhaal zes treffen we een buitenvrouw die volgens de traditie een onderbroekje in de kist van de dode minnaar moet gaan leggen: ‘De vrouw wachtte tot mijn gesnik een beetje minder werd en vroeg plots met een verwijtende blik naar de onderbroek.’ Verhaal zeven gaat over een groepje jongeren dat alles samen doet, zoals ‘samen naar Republiek’ gaan. Het loopt voor een van hen niet goed af. Hierna volgen we een stervensproces: ‘Ze hebben champagne geschonken, op mijn verzoek, de stekker gaat eruit. Ik ben zachtjes gelukkig’. En in het laatste, aangrijpende, verhaal ‘Inferno’, lezen we hoe een dochter haar zieke moeder tot de dood verzorgt. Schrijnend zijn de toestanden die patiënten en familie moeten doormaken als iemand in de isoleerkamer van een gesticht belandt. Het eindigt zo: ‘Op het lint van mijn grafruiker: VLIEG LIEFJE, VLIEG, JE GEEST IS NU VRIJ’.
Het zijn vrijwel allemaal boeiende verhalen, waarin facetten van het Surinaamse leven worden beschreven die lang niet bij elke lezer bekend zullen zijn. Daarbij springen twee dingen naar voren: San A Jong heeft een vlotte pen, en ze schrijft zonder opsmuk of sentimentaliteit – en vooral dat laatste ligt constant op de loer bij een onderwerp als dit. Eerder was werk van haar te lezen in de bloemlezingen Waarover we niet moeten praten (2007, Vereniging Ons Suriname) en Voor mij ben je hier (2011), samengesteld door Michiel van Kempen.
De laatste parade is een mooie verhalenbundel, een debuut dat naar meer smaakt.


De laatste parade, Ruth San A Jong, 2011, Uitgeverij In De Knipscheer, ISBN 9789062656721

Foto: @ Cofani Funebri

donderdag 1 september 2011

Suriname op een tweesprong

door Jeroen Dewulf

Is Suriname een Caraïbisch of een Zuid-Amerikaans land? Vanuit Nederlands perspectief wordt het land traditioneel tot de Caraïben gerekend. De tijd dat een minister het voorstel deed om een brug te laten bouwen tussen Suriname en Curaçao is dan wel voorbij, maar in Nederland bestaat nog altijd de neiging om vanuit Paramaribo de blik naar het noorden te richten, naar de oceaan. Zo bezien is het geen verrassing dat het postkoloniale Suriname de ogen steeds duidelijker naar het zuiden richt, naar Zuid-Amerika. Het grote voorbeeld is daarbij het land dat in zijn geschiedenis nog nooit zo zelfverzekerd is geweest als nu: Brazilië. Niet zonder reden voorspelt Guus Pengel (foto links) in Suriname en ik dat het Surinaams-Nederlands in de niet zo verre toekomst wellicht zal worden uitgebreid naar Surinaams-Braziliaans-Nederlands. Jean and Kathleen Ferrier beginnen hun visie op de toekomst van Suriname zelfs met een lied van de Braziliaanse zanger Chico Buarque. Dat lied is weliswaar een hommage aan Tom Jobim, de “vader van de Bossa Nova”, en niet aan de Braziliaanse mens, maar de foutieve interpretatie van de wat al te enthousiaste zusjes Ferrier is veelzeggend: Surinamers zien in hun machtige Braziliaanse zuiderbuur een nieuw rolmodel.

Vaak wordt vergeten dat ook Brazilië een, weliswaar kortstondig, Nederlands verleden heeft. De zanger Chico Buarque – eigenlijk Francisco Buarque de Hollanda – is een van de vele Brazilianen met Nederlandse roots. Dit Nederlandse hoofdstuk uit hun geschiedenis is de reden waarom Braziliaanse intellectuelen regelmatig naar Suriname verwijzen in discussies over de vraag hoe Brazilië er had uitgezien als de Portugezen de Nederlandse “bezetters” in 1649 niet hadden verdreven. Veel beter, zo verklaarde ooit de invloedrijke politicus Joaquim Nabuco en velen zeiden het hem na. Want wat is het achtergebleven Portugal in vergelijking tot het welvarende Nederland? En waren de Nederlanders niet de eersten die met Frans Post en Albert Eckhout het Braziliaanse landschap en de bevolking schilderden en er met Georg Markgraf en Willem Piso de fauna en flora bestudeerden? Tegenstanders van deze theorie hebben echter aan één woord genoeg om de discussie in hun voordeel te beslechten: Suriname. Tegen zo’n intellectuele uppercut valt niets meer in te brengen. Suriname staat immers symbool voor alles wat Brazilianen niet willen: politieke chaos, economische malaise, corruptie. Bovendien heeft het land niet eens een fatsoenlijk strand.

Wie de serie boeken leest die onlangs in Nederland over Suriname zijn verschenen – Paramaribo Brasa!, Voor mij ben je hier, Suriname en ik – krijgt een heel andere indruk van het land. Hier proef je heimwee, trots, liefde, zelfs passie voor de sfeer, de muziek, het eten en de omgangsvormen van een land dat je in vergelijking tot het grijze en chagrijnige Nederland in alle kleuren van de regenboog lijkt toe te lachen. Het is opvallend dat die boeken net op een moment verschijnen dat Suriname een koers is gaan varen die niet meer op Amsterdam is gericht. Het lijkt wel alsof Nederlanders pas dan massaal van iets durven te gaan houden, als ze het definitief kwijt zijn. Nu de Indische nostalgie wat is weggeëbd lijkt plots een golf van heimwee naar de West op komst.

Met Paramaribo Brasa! biedt Ko van Geemert een vlot geschreven en informatief boekje over de Surinaamse hoofdstad voor de intellectuele toerist uit Nederland. Interessanter is de bundel Voor mij ben je hier, waarin Michiel van Kempen een reeks verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers presenteert. Afgezien van een storende neiging tot prekerigheid is de kwaliteit van de meeste bijdragen in deze bundel hoog. De grote ontdekking is zonder meer Herman Hennink Monkau (foto links), al is het begrip “jongste generatie” bij iemand met jaargang 1935 wel heel ruim opgevat. Monkau is hoe dan ook een groot verteller die alleen nog een strenge lector nodig heeft om zijn vele overbodige bijzinnen te schrappen. Indrukwekkend is ook het literaire talent van Rihana Jamaludin. Vooral in haar beschrijving van Amsterdam door de ogen van een orthodoxe Hindoestaanse moslim maakt deze schrijfster een sterke indruk. Mala Kishoendajal levert in haar verhaal over de eerste generatie Hindoestanen in Suriname eveneens een verrijkend perspectief op de complexiteit van een gemeenschap die lang gesloten bleef voor de Nederlandstalige lezer.

Suriname en ik is een bundel met reflecties over Surinaamse identiteit en over de toekomst van een land op een tweesprong. Het is een boek vol heimwee van in Nederland woonachtige Surinamers en van Nederlanders die Suriname een warm hart toedragen, samengesteld door John Leerdam en Noraly Beyer. Naast een reeks uitbundige liefdesverklaringen aan switi Sranan valt er in verschillende bijdragen ook verdriet te bespeuren, het meest pakkend wellicht in de prachtige tekst van de Hindoestaanse politicus Rabin Baldewsingh (foto rechts). Opvallend aan deze bundel is de calvinistische neiging om absolute rechtlijnigheid als een kwaliteit te beschouwen. Dit terwijl Suriname net een land is dat uitblinkt door ambivalentie. Een land waar de morele verontwaardiging hoog oploopt als het om slavernij gaat, maar waar men tegelijk een moordenaar en drugsbaron tot president kiest, een land waar men de nationale trots luidkeels verkondigt en tegelijk het culturele erfgoed laat verkommeren, een land waar de dictator zich aan marronhelden als Boni spiegelt en tegelijk een Marrondorp platbrandt, een land waar de schoonheid van het landschap in alle geuren en kleuren wordt bezongen terwijl de eigen natuur in de uitverkoop staat, een land ook dat zich profileert als een multicultureel model en tegelijk een partijsysteem op basis van etnische segregatie hanteert. Wellicht niet toevallig bevat deze bundel dan ook veel bijdragen van gefrustreerde Nederlanders die ooit met de beste bedoelingen naar Suriname zijn getrokken, maar in en over Sranankondre erg Nederlands bleven denken. Met als paradepaardje de bijdrage van Jan Pronk, de man die als geen ander past in het door John Jansen van Galens geschetste beeld van de ”koloniale apostel van het antikolonialisme”.

De interessantste bijdrage in deze bundel komt van trendwatcher Adjiedj Bakas (foto links) die specifiek ingaat op de ambivalentie van Suriname. Met behulp van het kernwoord “barok” slaagt Bakas erin om het uitbundige en tegelijk diep melancholische karakter van het land in een nieuw perspectief te plaatsen. Als één van de weinigen kijkt hij niet alleen naar het verleden, maar ook naar de toekomst en denkt hij na over de gevolgen van de toenadering tot Brazilië. De door hem voorspelde opkomst van Evangelicalen, waarbij Afrikaanse tradities zoals winti wellicht sterk onder druk zullen komen te staan, is inderdaad een weinig prettig maar helaas realistisch scenario.

Voortbordurend op de voorspelling van Bakas rijst de vraag wat Suriname in intellectueel opzicht van Brazilië kan verwachten. Een belangrijk verschil tussen beide landen is zeer zeker de omgang met het koloniale verleden. In tegenstelling tot Suriname heeft Brazilië een manier gevonden om dit pijnlijke verleden, inclusief slavernij, op een positieve manier te integreren binnen de eigen hybride identiteit. Alle retoriek over tolerantie ten spijt is Suriname sinds de onafhankelijkheid een land vol frustratie gebleven, vooral ten opzichte van Nederland. In hun kritiek op Nederland presenteren Surinamers hun eigen land graag als voorbeeld van multiculturaliteit door te verwijzen naar de moskee die in Paramaribo vlak naast de synagoge staat. De bewonderenswaardige tolerantie van de (kleine) joodse en islamitische minderheden in Suriname zou echter ook kunnen gelden als een oproep aan de Surinaamse meerheid om de rancune uit het verleden op een creatieve manier te overwinnen. Een Braziliaans identiteitsconcept, waarin ook de voormalige kolonisator een plaats heeft gekregen, kan Suriname daarbij zeker van pas komen.

Jeroen Dewulf werkt aan de University of California, Berkeley


[eerder verschene in Ons Erfdeel, 2011, nr. 3]

maandag 7 maart 2011

Toffee smaakt naar niks

over De smaak van toffee van Annitta Kortstam

door Ko van Geemert

Een vijftienjarige Nederlands meisje van Surinaamse afkomst, Lylie Mulcher, gaat op vakantie naar Suriname. Op een binnenlands tripje naar Palumeu ontmoet ze de steenrijke, bloedmooie, maar psychisch labiele Owen Di Roille, een onweerstaanbaar sexy topmodel en populair correspondent voor de Franse televisie. Ze wordt smoorverliefd op hem. Een probleem is wel dat hij getrouwd is. Na wat omtrekkende bewegingen (‘Ik voel opeens zijn tong en proef zijn tong. De smaak van toffee.’) gaan ze met elkaar naar bed en wordt ze ontmaagd: ‘Hij komt weer boven op mij liggen en ik voel opeens dat hij me begint te penetreren. Het doet best pijn.’ We zijn dan op pagina 60.

De verhouding loopt helaas fout, maar Lylie blijkt zwanger en krijgt een zoontje. Zonder vader opvoeden gaat moeilijk, dus na verloop van tijd besluit ze Owen te gaan zoeken. Hij is inmiddels verhuisd naar Miami en Lylie vindt hem daar op het bijzonder romantische strand, waar ze (uiteraard weer) seks hebben.
En ja hoor, u mag het raden Lylie is opnieuw zwanger, van een tweeling. Ze gaan wederom uit elkaar, maar dit keer gaat Owen, intussen gescheiden, op zoek naar Lylie.
Nadat hij haar gevonden heeft, vertrekken ze naar een privé-eiland.
Op haar kraambed trouwen ze.
We zijn dan inmiddels beland op pagina 197. Vijftien bladzijden verder blijkt Lylie al weer zwanger. De relatie gaat opnieuw stuk, ze scheiden. Maar al spoedig – op pagina 257 – liggen ze weer te rollebollen. En jawel, Lylie is voor de vierde keer zwanger van numero vijf. Volgt u dit alles nog, beste lezer?
Hoewel ze uit elkaar zijn, voelt Lylie, op bladzijde 278, Owens ‘blote stijve geslacht tegen de mijne’.
Een unieke prestatie en bijzondere prestatie! Laat ik het verder kort houden: ze trouwen voor de tweede keer – op pagina 316 – en Lylie raakt opnieuw in verwachting (pagina 325), het huwelijk verloopt turbulent, maar het boek eindigt (pagina 441) opgewekt: ‘Dan begint hij mij te zoenen als altijd en het voelt zo ontzettend goed. En zoals altijd proef ik nog steeds de smaak van toffee.’ De smaak van toffee is huilerig (op vrijwel elke pagina wordt een potje gejankt), clichématig, humorloos en geschreven in een onbeholpen en onaantrekkelijke stijl. Annitta Kortstam (Surinaams of in elk geval met Surinaamse roots) gaf dit debuut in eigen beheer uit, met hulp van het Nederlandse Kirjaboek. Het doet in veel opzichten denken aan de overbekende Bouquetreeks, de serie pockets die altijd volgens een vast stramien verlopen: een man en een vrouw ontmoeten elkaar, een relatie lijkt er niet in te zitten wegens een of ander misverstand, maar aan het eind komen zij wonder bovem wonder toch bij elkaar.
Gauw vergeten dit boek – of je moet van het genre houden.

Annitta Kortstam, De smaak van toffee, 2010, Kirjaboek, ISBN 9789460080951


[uit Parbode, 1 maart 2011]

maandag 24 januari 2011

Paramaribo literair ontdekken

door Margot Dijkgraaf

,,Ach schat", zegt Cynthia McLeod als ik haar bel, ,,ik ben net uit het ziekenhuis, de stadswandeling gaat dit jaar niet door". Jammer, de wandelingen die Suriname's beroemdste schrijfster geeft in het centrum van Paramaribo zijn vermaard. Je leert in één klap alles over de geschiedenis van het land en de hoofdstad, huizen en gebouwen die normaliter gesloten zijn, openen dan hun deuren.

Dan maar zelf op pad met Paramaribo brasa! in de hand, een literaire reisgids van Ko van Geemert, net verschenen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen. Het boek bevat een 'paramariboroute' aan de hand waarvan de hele stad wordt doorkruist. Nou ja, stad - Paramaribo lijkt bij nader inzien meer op een ongelofelijk uitgestrekt dorp. Hoger dan twee etages wordt er nergens gebouwd, niet in het centrum waar de witte, grotendeels houten ministeries zich bevinden (een afgebladderde gevel, een scheef weggezakt bord, een half open deur, een slapende man), en ook niet in de verderweg gelegen woonwijken. Niets dan witte, gele of anderszins pastelkleurige huizen, vrijstaand en vooral, opvallend genoeg, voorzien van hoge hekken en prikkeldraad. Na donker niet meer rondfietsen, adviseert men ons overal. Veel te gevaarlijk.
Ons hotel, Torarica, is toevallig het beginpunt van Van Geemerts route. Wij worden er uitgefoeterd door een taxichauffeur als we om een te kort ritje vragen, maar het hotel blijkt een rijke politieke en culturele geschiedenis te hebben. Menig hotshot heeft er aan het zwembad zitten vergaderen. Zelden zie je zoveel verschillende huidskleuren in één zwembad, de blanken duidelijk in de minderheid. Journalist Oltmans blijkt er in de lobby iemand te hebben uitgescholden, Wijdenbosch zat er in de bar en Leon de Winter beschreef het hotel in zijn roman Zionoco, schrijft Van Geemert. Lisette Lewin bewonderde er 'kolossale donkerbruine billen' en ook in thrillers blijkt Torarica een geliefd decor te zijn. Kunstenaars spreken er af voordat ze zich aan het befaamde Parbobier zetten in het even beroemde café 't Vat, dat schuine tegenover het hotel ligt.

.

Café is een groot woord voor de gammele terrasstoeltjes onder een rieten afdakje. Het blijkt, naast café/galerie/fietsenverhuur Zus & Zo, dé plek te zijn waar toeristen, Nederlandse stagiaires en Surinamers die zich voorbereiden op het knallende oudjaarsfeest elkaar treffen, een grote fles 'djogo', Parbo-bier, op tafel. Stagiaires blijken er bij bosjes rond te lopen in Paramaribo, veel medische opleidingen laten hun studenten een paar maanden in het St. Vincentius werken. 'Stagiaire' is in Suriname een begrip, een ras apart.

Het is een genot om aan de hand van Van Geemert Paramaribo te ontdekken. Voortdurend citeert hij Surinaamse en andere schrijvers, duikt in de geschiedenis zonder daarbij al te lang uit te wijden, en verschaft je precies die informatie die je wilt weten. Hij volgt sporen van de grote Surinaamse auteurs, R. Dobru, Edgar Cairo, signaleert werk van beeldend kunstenaars (Marcel Pinas), buitenlandse wetenschappers (Maria Sibylla Merian), refereert aan een boek van Anil Ramdas, bespreekt Albert Helman en Hugo Pos. Aan de oever van de Surinamerivier verwijst hij naar Sonny Boy van Annejet van der Zijl, blijkt Eva Gerlach daar een boottocht te zijn begonnen even later maken we kennis met Clark Accord en Karin Amatmoekrim. Bij de Waterkant citeert hij Ischa Meijer, die opgroeide in Paramaribo, en even later memoreert hij hoe de jonge Cees Nooteboom vanuit Amsterdam aanmonsterde op een schip van de Surinaamse Scheepvaart Maatschappij om in Paramaribo Albert Helman, de vader van Fanny Lichtveld, te vragen of hij met zijn dochter mocht trouwen.

Lezenswaardig is ook het hoofdstuk waarin Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren aan de UvA, het letterenlandschap bespreekt. In Suriname 'zijn de verhalen met een schuimspaan uit het parwagras te scheppen', schrijft hij. Die goed opschrijven is de kunst. De afgelopen jaren ziet hij een 'opleving van de literaire productie aan beide zijden van de oceaan'. Vooral vrouwelijke auteurs hebben in Nederland onderdak bij een uitgeverij gevonden. In de bekendste boekhandel van Paramaribo, Vaco in de Domineestraat, is er maar één literaire auteur die er een aparte tafel heeft, Cynthia McLeod. Haar bestseller Hoe duur was de suiker? ligt er in menige vertaling.


Ko van Geemert: Paramaribo brasa! Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 228 blz. Prijs € 22,50

[van blogspot Margot Dijkgraaf]

zondag 12 december 2010

Vandaag ben ik hier, morgen daar herboren

door Karin Amatmoekrim

Deze week wordt er een nieuw deel in de reeks ‘Literaire Steden’ gepresenteerd. Het gaat om Paramaribo brasa!, een reisgids die de lezer meeneemt op een stadswandeling door de Surinaamse hoofdstad aan de hand van Surinaamse romans en gedichten. Een literaire stadswandeling, dus. Door Paramaribo. Leuk, denkt de Nederlandse lezer. Wandelen, en meer te weten komen over de Surinaamse letteren. Gek, denkt de Surinaamse lezer. Want wie wil er nu in hemelsnaam vrijwillig door een snikhete stad als Paramaribo wandelen? De zon is moordend heet, en met het levensgevaarlijke stadsverkeer is veilig de straat oversteken op zich al een uitdaging. Geen normaal mens loopt in deze stad meer dan uiterst noodzakelijk is, dat is logisch.
Maar in het Paramaribo van tegenwoordig wankelen veel vanzelfsprekendheden. Ik heb het nu niet over de politieke situatie, maar over de invloed van de Nederlandse toerist. Zo ging ik zelf vorige maand nog naar Paramaribo om er een literair congres bij te wonen. Al aan boord van het vliegtuig viel het me op; minstens de helft van de passagiers was blank. Een paar jaar geleden was dat nog onvoorstelbaar. Immers, als je geen familie in Suriname had, wat had je er dan te zoeken?

Sinds een aantal jaar heeft Suriname echter ontdekt dat haar overweldigende natuur een sterke aantrekkingskracht heeft op westerlingen. Je vindt er tegenwoordig een keur aan ecotoeristische uitspanningen. En groen is tegenwoordig hip, dus boort Suriname zomaar een heel nieuwe markt aan. Daarnaast zijn er natuurlijk de Nederlandse stagiaires, die er een paar maanden zitten en die allemaal een gevolg van bezorgde of nieuwsgierige ouders naar het land slepen. Ouders die op hun beurt weer aan hun vriendengroep vertellen over deze oh zo exotische maar toch zo Nederlandse vakantiebestemming, uitermate geschikt voor de wat oudere reiziger die nog wel iets van de wereld wil zien maar geen puf meer heeft voor echt spannende reizen, of die zich het gehakkel in een exotische taal liever bespaart en lekker Nederlands wil praten. Niet dat daar iets mis mee is. Helemaal niet zelfs. Ik besef dat dankzij de aandacht van de Nederlandse burgers, ook de Surinaamse reiziger veel comfortabeler vliegt dan vroeger. Tot voor kort betaalde je niet alleen de allerhoogste prijs voor een retourtje Paramaribo (900 euro als je geluk had, met een beetje pech zat je al tegen de 1100 aan), maar dan zat je ook nog standaard in het alleroudste vliegtuig. Zo een waar de meeste headsets niet werkten en je niets anders te doen had dan staren naar de roestplekken op de muur. Een keer heb ik het grootste deel van mijn vlucht besteed aan het ontwijken van koude druppels water die uit een van de kieren in het baggagerek in mijn nek vielen. Volgens de stewardess was het niets om me zorgen over te maken. Het was maar condensatie.

De KLM weet natuurlijk dat je Surinamers met heimwee wel de hoofdprijs voor een slechte plek kan laten betalen, die tickets verkoop je toch wel, maar dat een béétje Hollander zich dat niet laat gebeuren. Dus was ik vorige maand niet eens echt verbaasd om te constateren dat met al dat witte publiek in het vliegtuig, we ook meteen een mooier, nieuwer toestel hadden. En hoe nauwkeurig ik ook de wanden en de naden boven mij bestudeerde; er was geen vochtplek te bekennen. Wie had dát ooit gedacht!

Eenmaal in Paramaribo wordt de aanwezigheid van de Nederlander ook steeds vanzelfsprekender. Het is niet bijzonder meer om een voltallig wit gezinnetje aan te zien schuiven in een warung, of groepjes stagiaires op de fiets door te stad te zien zwieren. Maar wat wel nog steeds opzien baart, vooral ook onder de autochtone Surinamers, is een wandelende toerist. Wie haalt het in zijn hoofd om in een gloeiend hete zon, drieëndertig graden in de schaduw, tussen het stinkende verkeer van een verstopte hoofdstad, eens even lekker te gaan wandelen? De Nederlander, natuurlijk.

Met Paramaribo brasa! is er nu dus zelfs een literaire wandelgids te koop. Samensteller Ko van Geemert laat zien hoe Paramaribo doorklinkt in verschillende romans en gedichten. Ik kreeg de gids bij toeval onder ogen, en het moet gezegd; nadat je je over het belachelijke idee hebt gezet van een wandeling door een zinderend heet Paramaribo, geeft de gids je een leuk inkijkje in het Surinaamse culturele leven. Het boek is hier en daar nogal rommelig van opzet, wat nogal verwarrend leest. Maar met een beetje goede wil kan je het ook zien als een toevoeging aan het sfeerbeeld. Want de Surinaamse literatuur is bij vlagen een wanordelijk zooitje, dat desalniettemin genoeg prachtige elementen voortbrengt. Bovendien is een wandeling door Paramaribo op zichzelf al geen opgeruimd werkje, dus dan maakt het verder vast ook niet uit dat de gids die u leidt ook voortdurend van de hak op de tak springt. Ook is het jammer dat de foto’s niet in kleur zijn afgedrukt; het zou een substantiële toevoeging aan het geheel zijn. Veel minpunten worden wel goed gemaakt door de ‘volheid’ van het boek. Van Geemert haalt in zijn enthousiasme om Paramaribo te schetsen aan de hand van de literatuur, van alles aan; boekfragmenten, interviews met politici, zelfs een dagboekverslag van een oud-museumdirecteur over een hengeluitje met Prins Bernard ontbreekt niet. Het resulteert in een fragmentarisch maar rijk beeld van wat er zoal gebeurt in het culturele leven van Suriname, of dat nou de cynische kijk is van essayist Anil Ramdas, of de liefdevolle omarming van Shrinivasi, een van de bekendste dichters van Suriname.

Dat het boek bedoeld is voor toeristen, wordt nog duidelijker door hoofdstukken als ‘Surinaamse kwesties’, waarin de achtergrond van het land en de bevolking nog eens wordt uitgelegd. Handig voor de Nederlandse toerist die zich afvraagt waar al die Javaanse en Hindostaanse mensen toch vandaan komen.

Een van de allerleukste toevoegingen, is het stuk van journalist Patrick Meershoek. Meershoek schrijft sinds jaar en dag over Surinaams-Amsterdamse zaken voor Het Parool, maar als hij schrijft over het echte Suriname, is toch duidelijk dat Paramaribo ook hem verrast. Hij schrijft over een ontmoeting met Michael Slory. Deze dichter is een dankbaar onderwerp voor elke journalist, want een groot schrijver, met een bijzonder en tragisch leven. Zijn werk en leven zijn op zichzelf al een boek waard. Dat Slory een eigen hoofdstuk krijgt binnen deze literaire wandeltocht is terecht. Het maakt mij, als Surinaamse, bovendien trots omdat hij op deze manier weer een beetje aan die zo verdiende bekendheid wint.

Aftands gedicht
hoe lang leven
is jou beschoren?

Zolang ze mij nog willen horen.

Vandaag ben ik hier
morgen ben ik daar herboren.


Eerlijk gezegd is dat eigenlijk wat mij betreft sowieso de meerwaarde van een bundel als deze. Misschien heeft u helemaal geen geld voor een ticket naar Paramaribo. Of heeft u, eenmaal daar, geen zin in een wandeling door die snikhete stad. Maar al lezend in Paramaribo brasa! wordt wel duidelijk dat de Surinaamse literatuur niet eenzijdig is, maar rijkgeschakeerd. En dan hoop ik maar dat het de nieuwsgierigheid een beetje prikkelt, zodat u eens een bundel van iemand als Shrinivasi, of Slory oppakt. Dat is een verrijking op zichzelf! Daar is geen wandeling voor nodig. Tenzij u zelf wilt, natuurlijk. Je weet het immers nooit met die gekke Hollanders.


Verschenen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam. 228 p., 22,50 euro.


Boven: Shrinivasi, onder: Michael Slory, foto's @ Michel Szulc-Krzyzanowski

donderdag 9 december 2010

Literaire route Paramaribo verdient dikkere pil

John Jansen van Galen over Paramaribo, brasa! Klik op de afbeelding voor een groter formaat.

woensdag 1 december 2010

Presentatie literaire reisgids Paramaribo


Paramaribo brasa! [Ik omhels je, Paramaribo] is een bijzondere reisgids, die laat zien wat de Surinaamse hoofdstad betekent voor het werk van schrijvers en hoe de stad doorklinkt in de romans, verhalen en gedichten van Surinaamse en Nederlandse schrijvers. Kern van Paramaribo brasa! is een literaire stadswandeling, waarbij de belangrijkste schrijvers van vroeger en nu worden besproken en geciteerd, van Albert Helman tot Cynthia Mc Leod, van Bea Vianen tot Clark Accord, van Ischa Meijer tot Anil Ramdas. Met bijdragen van John Jansen van Galen, Nancy de Randamie, Michiel van Kempen, Patrick Meershoek en Els Moor. Zij gaan in op typische Surinaamse kwesties, zoals de Decembermoorden van 1982 en de verwerking daarvan in de Surinaamse literatuur.


Clark Accord, foto @ Koos Breukel

Het boek wordt geïntroduceerd door Noraly Beyer, waarna zij samensteller Ko van Geemert en medewerkers aan het boek Michiel van Kempen en Patrick Meershoek zal interviewen. Na de pauze lezen Karin Amatmoekrim en Antoine de Kom voor uit eigen werk.

Datum: vrijdag 3 december 2010
Aanvang: 20.00 uur
Plaats: Vereniging Ons Suriname
Hugo Olijfveldhuis
Zeeburgerdijk 19-A
1093 SK Amsterdam
Tel: 020 - 693 50 57
Toegang gratis

zaterdag 13 november 2010

Paramaribo door het schrijversoog

Een veel beschreven stad


door Ko van Geemert


[De Paramariboroute, is een wandeling door de stad waarbij stilgestaan wordt bij de talloze schrijvers, dichters en journalisten die over Paramaribo geschreven hebben. Van Cynthia McLeod tot Tessa Leuwsha en van Bea Vianen tot Clark Accord. De wandeling vormt de kern van het boek Paramaribo, Brasa! onder redactie van Ko van Geemert, dat 13 november op de Pier van Torarica gepresenteerd werd. Een voorproefje.]

We lopen vanaf het Onafhankelijkheidsplein de Waterkant op. Aan de overkant van de Surinamerivier vertrekken de zwarte slaaf Abonni, zijn vrienden Axel, Mani en Tania richting de vrijheid in de ‘avonturenroman voor jongvolwassenen’ Naar de Barbiesjes van J.B. Charles: ‘In de zomer van het jaar 1849 wandelden twee jongens in stevig tempo langs de rechteroever van de Surinamerivier, in ongeveer zuidoostelijke richting, want de rivier maakte daar, net voorbij Paramaribo, een sterke bocht naar het zuiden. De stad – aan de overkant – lag al een eindje achter hen’.

De Surinamerivier speelt in diverse teksten een voorname rol. De aangrijpende roman van Annejet van der Zijl over Sonny Boy, begint zo: ‘Waldemar was een zwemmer. Nog niet eens vijftien jaar oud, en nu al zwom hij met gemak twintig kilometer langs verlaten plantages en drukke steigers, vanaf Domburg helemaal naar het grote huis van zijn moeder aan de Waterkant.’ Het vertelt het waargebeurde, wonderlijke verhaal van de twintigjarige, zwarte Waldemar en de getrouwde, bijna veertigjarige, blanke Rika die elkaar in 1928 ontmoeten en samen een kind krijgen.

‘Op de promenade, overhuifd door de tegenover de huizen in het gelid staande amandelbomen, zag het zwart van de mensen. Zelfs op de keurig bijgehouden strook gras tussen de bomen en de rivier, die gewoonlijk verboden was te betreden, verdrongen de mensen zich. Alle ogen waren gericht op de drie grijze Amerikaanse oorlogsschepen midden op de rivier’. Het is de Waterkant in november 1941, beschreven door Clark Accord in zijn succesvolle romandebuut De koningin van Paramaribo. Wilhelmina Rijburg (1902-1981), vooral bekend onder haar ‘werknaam’ Maxi Linder, was een van Surinames beroemdste prostituees. Door zeelieden en soldaten uit Nederland werd ze liefkozend de Koningin van de West genoemd.

Met de koningin in De groeten aan de koningin uit 2006 van Karin Anema wordt niet Maxi Linder maar Beatrix bedoeld. Anema reist van Paramaribo naar het diepe binnenland. Maar hoe ver ze ook reist, Nederland is nooit ver weg. Haar reis begint in Paramaribo, waar ze vanzelfsprekend de Waterkant bezoekt: ‘Aan de Waterkant staan auto’s slordig geparkeerd, portieren open, terwijl de bestuurders met hun benen door de open raampjes verveeld liggen te luisteren naar luide muziek uit de autoradio. De ogen half geloken, maar alert op langskomend wild. “Waar ga je?” “Wandelen? Alleen? Is dat niet eenzaam?... Ik ben wel eenzaam. Kom, stap in, rijden we ergens en maken het samen gezellig. Doe het dan voor mij.” Wandelen doet een Surinamer met de auto, de boot, de fiets, een liefje, zolang het maar om ontspanning gaat. Als ik niet reageer, roept hij met harde stem om niemand in het onzekere te laten over zijn oordeel: “Hé, u moet niet gaan discrimineren!” Zijn buurman laat zich niet weerhouden ook een gokje te wagen: “Ik heb een auto met airco!” ’

Sinds jaar en dag is de Waterkant een geliefd trefpunt. Het is een mooie plek om elkaar tori’s, verhalen, te vertellen. Tori’s schrijft ook Rappa (pseudoniem van Robbie Parabirsing), onder meer gebundeld in Nieuwe friktie tories uit 2006. In het verhaal 'Loketten-vrij' beschrijft hij hoe iemand letterlijk gek wordt van de bureaucratie en het feit dat hij voortdurend voor een loket belandt: ‘Alles kwam die laatste dag eruit. Ik gooide kaartenbakken omver, smeet die aftandse printer naar een van die onvriendelijke mensen daar, boi, als je zag hoeveel snelheid ze opeens konden ontwikkelen. Toen kwamen ze me halen. Ze waren in het wit gekleed, dat vond ik vreemd. Ze deden me in een dwangbuis, waarom? Ik was toch bezig orde op zaken te stellen?’

De journalist Ischa Meijer, die hier in zijn jeugd woonde, schreef ook over de Waterkant, die hij overigens Zeekant noemt. Uit Een rabbijn in de tropen (1977): ‘Hier heet de kade Zeekant, en het stadsbeeld is er bewaard gebleven zoals dat in de vorige eeuw al was. […] Daarachter vertoont de stad een steeds meer verworden karakter; het riekt er overwegend naar rottend afval, de straten zijn te nauw voor het immer toenemende verkeer, de armoede is wreed duidelijk’.

We passeren in gedachten Gerrit Barron, die hier in 1986 (Ik en mijn pen) langs de Waterkant slentert, richting hotel Torarica: ‘De Surinaamse trotse stromen wiegelden langs de waterkant in de lekkere drukte van half vijf. […] Tegen vijf uur gingen we gevuld van geest richting centrum om vervolgens in de buitenwijken te belanden. Wat ons onmiddellijk opviel was de invloed van het fort, fort Zeelandia op de totale bevolking vanaf de jaren zeventig en misschien versterkt na de coup. Overal zagen we gebarricadeerde huizen. Een ieder die meer verdient dan f 400,- netto, een kleuren tv of een stereo set in huis heeft, barricadeert zijn huis, niet tegen coupplegers maar tegen huisvredebrekers, inbrekers’. (Uit ‘Diefijzer’)

Anthonie Donker (pseudoniem van de Nederlandse letterkundige Nico Donkersloot) schrijft na zijn bezoek in 1956 enthousiast over Paramaribo: ‘Het straatbeeld is levendig, kleurig en bont, van de nakomelingschap van zo verschillende immigraties en importaties.’ Donker steekt de loftrompet over het werk van Albert Helman: ‘Met recht heeft Helman in Zuid-Zuid-West [1926] geschreven dat in dit land alle rassen ter wereld elkaar ontmoeten. Met de indrukken van dit land vervuld herlees ik Helmans boeken met een bewondering er voor groter nog dan toen ik ze zonder deze indrukken voor het eerst las’. (Westwaarts, 1956)

Voor de Waag ligt de steiger van de Surinaamse Scheepvaart Maatschappij (sms). In de jaren vijftig werd de schrijver Cees Nooteboom verliefd op Fanny Lichtveld, de dochter van de directeur van de sms, Frans Lichtveld, broer van Albert Helman. Hij besluit op een vrachtboot naar Suriname te gaan.
‘De tijd in Suriname herinner ik me als een groot feest’, schrijft Nooteboom in het voorwoord van De koning van Suriname. ‘Met mijn aanstaande schoonvader kon ik het uitstekend vinden, we gingen dansen en varen, hij leerde me Surinaams eten en nam me mee naar feesten in Sociëteit Het Park […] en moet intussen goed op me gelet hebben, want voor het huwelijk wilde hij zijn toestemming niet geven.’ Frans Lichtveld raakte na de coup van Bouterse c.s. alles kwijt en wilde naar Nederland. Omdat hij de Surinaamse nationaliteit had aangenomen, lukte dat niet erg.
Nooteboom: ‘Uiteindelijk is het met hulp van vrienden dan toch nog gelukt en ik herinner me zijn tachtigste verjaardag op een kleine flat in de Bijlmer, een hokje vergeleken bij de grote koloniale huizen waaraan hij gewend was, maar klagen daarover zou hij onwaardig gevonden hebben. […] Het huwelijk was ontbonden, wat dat betreft had hij gelijk gekregen, maar ook dat deed er op een gegeven moment niet meer toe. De vriendschap is gebleven, de familie heeft mij in haar grote omarming gehouden, een vloeiende en bestendige band met een gezelschap van gewone en uitzonderlijke mensen die allemaal een tik van de tropen hebben, keramisten en schrijvers, violisten en artsen, computerfreaks en advocaten, een narrenschip dat door de tijd vaart en dat mij ooit, in 1956, voorgoed aan boord heeft genomen. Hoe mijn leven verlopen zou zijn als ik ze niet had leren kennen, ik wil het me niet voorstellen’.

[overgenomen uit Parbode, 22 oktober 2010]