door Jerry Dewnarain
Het omslag van Diederik Samwels Jelaya doet denken aan een geschiedenisboek. De kleuren van de
Surinaamse vlag en de gele ster suggereren dat het boek een Surinaamse roman is
en dat is dan ook de ondertitel. Maar dit is niet waar. Het boek is geen
Surinaamse roman, maar een roman óver Suriname. De auteur schrijft vanuit verschillende
perspectieven, waardoor hij van buiten uit onze samenleving belicht. Via de
alwetende verteller of soms een ik-verteller komt de Surinaamse geschiedenis
tussen maart 1973 en februari 2012 aan de orde door middel van fictie.
 |
| Diederik Samwell |
Het begint met het perspectief van de chinese winkelier Li
Han. De lezer krijgt dan meteen al veel informatie over de huichelachtige Surinaamse
samenleving: over haar doen en denken. Op pagina 12 geeft Li Han een goed beeld
van situaties die plaatsvinden onder de bevolking: ‘En met een beetje
mensenkennis en logisch nadenken kom ik dan een heel eind. Waarom worden
bepaalde kinderen op een vast uur op een vaste dag in de week naar mij gestuurd
voor een paar boodschappen? Hoe valt te verklaren dat er alleen op die ene
middag of avond in de week dyogo’s worden ingekocht door de buurvrouw? Wat moet
ik ervan denken als meneer voor de zoveelste keer schone baddoeken bij mij komt
halen?’ De omu sneisi lijkt wel een socioloog of andragoog te zijn die enkele
sociale problemen van het land aankaart: ‘Waar ik ook op vrijwel elk uur van de
dag getuige van ben zijn die hoogst merkwaardige omgangsvormen. Alle kleuren en
bevolkingsgroepen zijn terug te vinden in deze buurt (Van Sypensteinstraat):
van zwart tot wit en alles wat daartussen zit. Maar om nou te zeggen dat die
kleuren ook echt verenigd zijn?’ Nee, zeker niet! De schrijver raakt hier een
gevoelige snaar. Hij laat weten dat de eenheid tussen de verschillende
bevolkingsgroepen, waar men zo prat op gaat, schijn is. Dit vind ik het mooiste
voorbeeld waarmee Samwel er in geslaagd is de Surinaamse samenleving met een
scherpe blik te beschrijven.
De belangrijkste personages zijn de (rijke) hindostaan Dew
Nanpersad en de (hosselende) creool Stan Simons. Zij zitten samen op dezelfde
school en worden later verliefd op hetzelfde meisje, de mooie en slimme Jelaya.
De structuur van het boek is boeiend en afwisselend. In acht hoofdstukken wordt
het verhaal van Stan en Dew chronologisch verteld. Ieder hoofdstuk wordt vanuit
een ander perspectief verteld, de ene keer is Dew de hoofdpersoon, de andere
keer Stan. In ieder hoofdstuk staat echter een bijfiguur centraal, waardoor je
als lezer informatie krijgt waar Stan en/of Dew geen weet van hebben, of die ze
voor je achterhouden. Stan en Dew kennen elkaar van school, maar goede vrienden
worden ze pas later. Dew is een geslaagde ondernemer en verdient in het begin
van het boek geld door feesten te organiseren in de Tuna. Als hij een keer
wordt overvallen, is het Stan die hem te hulp schiet. Zo ontstaat er een
vriendschap die lang zal duren.
Het verhaal zelf is niet bijzonder, wel zeer herkenbaar.
Suriname wordt onafhankelijk en er ontstaan emigratiegolven naar Nederland.
Vele Surinamers denken hun heil in Nederland te zoeken. Zo ook de vader van Dew.
Hij besluit met zijn gezin naar Nederland te emigreren. Dew mag in Suriname
blijven, maar wordt later toch aangemaand om naar Nederland te gaan. Hij begint
als bouwvakker in dat land de kost te verdienen en weet zich al heel snel op te
werken tot een geslaagde projectontwikkelaar. Door zijn ouders wordt hij
uitgehuwelijkt en het lijkt alsof Dew niets in het leven te kort heeft. Daarentegen
blijft Stan in Suriname achter; hij wil niet weggaan. ‘Hij keek wel uit om zich
in Nederland te vestigen. Behalve dat hij niets voelde voor een verblijf in “dat
koud kikkerlandje aan de overkant” had hij daar nog een andere reden voor.’ (p.
128) De reden was dat Stan bang was dat zijn ouders alleen in Suriname zouden
achterblijven. Dat kwam voor hem als een doemscenario. In dat geval zou zijn
veel dyogo’s soldaat makende vader zijn moeder gaan tiranniseren en dat was
voor Stan een onverteerbare situatie. In een later deel heeft Stan vaak ruzie
met de moeder van zijn kinderen. Hij werkt in het Diaconessenhuis en krijgt
problemen met het leger. Hij wordt opgepakt en gedwongen om als chauffeur voor
de militairen te werken. ‘Omdat hij bovendien van jongsaf aan had aangetoond
over “uitzonderlijke” rijvaardigheden te beschikken, handig was met apparaten
en motoren en angst voor hem een volslagen onbekend fenomeen scheen te zijn,
was hij de aangewezen figuur om “bij gelegenheid” leden van de Militaire Raad
te vervoeren.’ (p. 140) Stan Franklin Simons wil niet, maar hij heeft geen
keus. Vooral wanneer een groep gezaghebbende Surinamers op een nacht in
december wordt vermoord.
 |
| Paramaribo. Foto @ Ertugrul Kilic |
Eind jaren negentig wanneer de situatie in Suriname wat stabieler
is, remigreert Dew. Hij neemt zijn mati Stan in dienst en schrikt zich rot als
hij zijn jeugdliefde Jelaya tegen het lijf loopt. De drie sluiten een
bijzondere vriendschap en werken er hard aan om Suriname tot ontwikkeling te
brengen. Maar dan loopt alles opeens anders dan iedereen had kunnen
verwachten... . Het einde geeft knap aan hoe fictie en geschiedenis (Decembermoorden)
bij elkaar komen en de rol die Jelaya daarbij vervult, is verzoenend. ‘Dew liet
zijn vuisten zakken en slaakte een diepe zucht. Hij haalde diep adem en trok
zijn schouders weer naar achter. Het hoofd geheven, de borst vooruit. Eerst
keek hij naar Jelaya, daarna richtte hij zich tot Stan. Eindelijk deed Dew de
laatste pas in zijn richting, met gespreide armen ditmaal. Ook (Stan) knikte
naar Jelaya om vervolgens zijn baas en vriend als broer tegen zich aan te
drukken. (...) Jelaya stond op. Ze pakte een kaars uit een van de kandelaars op
het dressoir en stak hem aan met Stans lucifers. Daarna liep ze langzaam door
het vertrek om een voor een alle kaarsen te laten branden.’ (pp. 316/317)
Een liefde van twee mannen voor dezelfde vrouw, armoede, achteruitgang,
politiek drama, intriges tussen families en vriendschappen, dromen van een
beter Suriname zijn thema’s die ‘Jelaya’ een beeld van Suriname en ook van zijn
recente geschiedenis geven.
Neem bijfiguur Hendrik als voorbeeld. Hij werkt bij het CBB
en beschrijft op pagina 219 een gewone dag op zijn werkplek: ‘Neem nou deze
ochtend. Nadat ik drie gezinnen had behandeld, was het weer eens raak; in het
hele kantoor bleek geen velletje carbonpapier meer te vinden. De voorraad wordt
normaal gesproken op tijd aangevuld vanuit de loods op Nieuwe Haven maar
kennelijk had de chef inkoop zitten slapen. Geen mens die weet wanneer het
busje met kantoorspullen langs komt rijden. Niemand van het personeel achter de
balie die de tientallen wachtende mensen dan durft te zeggen dat ze de volgende
dag terug moeten komen’ (lees gedicht over het CBB). Fictie die wordt verweven
met een stukje geschiedenis waarover niet graag gesproken wordt.
Diederik Samwel schrijft beeldend. Als Surinamer zie je
alles voor je wat minder het geval zal zijn voor Nederlanders. Jelaya is een voorbeeld voor Suriname. Het boek is goed
uitgegeven. De taal is verzorgd, wat het lezen prettig maakt, maar ook vaak vol
herkenbare humor. Surinaamse schrijvers als Albert Helman en op het eind van
zijn leven ook Clark Accord hebben bij de uitgever Nijgh & Van Ditmar hun
werk uitgegeven.
Diederik Samwel: Jelaya.
Een Surinaamse roman. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2013. ISBN 978 90 388
9628 1