Posts tonen met het label Kranten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kranten. Alle posts tonen

donderdag 16 augustus 2012

Nieuw ochtendblad Aruba Awe verschijnt maandag

De hoofdredacteuren van de andere Arubaanse kranten wachten rustig af


door Alex Laclé

Oranjestad — Aruba Awe, een nieuwe Papiamentstalige ochtendkrant, verschijnt volgende week maandag voor het eerst. Het is een krant die ‘anders is, met diepgang en kritisch, zoals Amigoe’, vertelt hoofdredacteur Julia Renfro. “Dus niet alleen maar persberichten kopiëren en plakken, maar vooral vragen stellen en dingen uitzoeken.” Bijzonder is dat er in deze krant ook een selectie artikelen in het Chinees wordt geplaatst.

Renfro legt uit dat een gedeelte van de investeerders Chinees zijn en dat zij graag een nieuwsselectie in het Chinees willen. Het doel hiervan is om de Chinese doelgroep op het eiland te informeren en hen ook een plek in de media te geven waar ze zich kunnen uiten. De om en nabij 350 Chinese supermarkten op Aruba vormen voor deze krant dan ook belangrijke verkooppunten, vertelt Renfro. Net als andere kranten zullen ze ook bij diverse kiosken en andere supermarkten verkrijgbaar zijn. Ook hebben ze al een groeiend aantal abonnees, zegt Renfro. “Mensen die gewoon binnenlopen op kantoor en een abonnement willen hebben.” De prijs ligt op het niveau van de andere Papiamentstalige kranten, laat ze desgevraagd weten.

Een hippe Chinees nabij Palm Beach


De hoofdredacteur laat verder weten dat educatie een speerpunt is van de krant. “We willen het eiland informeren, opvoeden. Bovendien hebben we hiervoor een dreamteam met gezamenlijk meer dan 200 jaar ervaring.” Ze vertelt dat niemand zich realiseert hoe moeilijk het is om nieuws te brengen. “Maar je doet het ook uit passie, om iets bij te brengen. Wij willen een serieuze krant zijn die zaken uitzoekt.” Gisteravond was de eerste proofrun, vertelt Renfro. “De rest van de week wordt getest en maandag gaan we officieel van start.”

Renfro is op het eiland vooral bekend als hoofdredacteur voor dagblad Aruba Today/Bon Dia. Jarenlang was zij het gezicht naar de buitenwereld. Ze verwierf wereldwijde bekendheid tijdens de Natalee Holloway-zaak toen ze door diverse Amerikaanse media werd geïnterviewd. Sinds vorige week werkt ze dus als hoofdredacteur voor het nieuwe dagblad. Directeur van Aruba Awe is Grace Mary Maduro, ook afkomstig van ochtendkrant Bon Dia, waar ze lange tijd in het management zat. Volgens Renfro werken er momenteel dertien werknemers bij de nieuwe krant, waarvan veel voormalige medewerkers van Bon Dia.

[uit Amigoe, 15 augustus 2012]

maandag 6 augustus 2012

Suriname krijgt overduidelijk de kranten die het verdient

door Joshua Taytelbaum
Wat een ellende als je beroepsmatig elke goddelijke dag opnieuw alle Surinaamse kranten van voor tot achter moet doornemen, zoals ik genoodzaakt ben te doen. Op de voorpagina van de Times of Suriname staat, het kon niet missen, prominent in kleur (de geur ontbreekt vooralsnog gelukkig) de te Weg aan Zee gedode man, die wordt afgevoerd naar de lijkenauto: nóg mooier dan de gebruikelijke verkeersongelukken. Die zelfde man prijkt ook groot op de voorpagina van Dagblad Suriname, zij het hier zonder foto. Ter compensatie, alhoewel uiteraard niet als zodanig bedoeld, staat er op de voorpagina van de Ware Tijd een ware ‘tear-jerker’: twee als engelen vermomde danseressen die “de magische liefde van een moeder” vertolken. Wat moet de Surinamer hiermee aan?
...de magische liefde van een moeder...

De meesten zullen, zeker bij Times of Suriname en Dagblad Suriname onmiddellijk overschakelen naar het tweede katern, want dat schijnt voor veel mensen pas echt interessant te zijn: “Ellen Page met de dood bedreigd”, “Ashton Kutcher smeekt Mila Kunis om baby”, George Clooney boos op vriendin om aankoop zonnebank”, “Is Isha Sharvani beter dan andere contestanten in Jhalak Dikhla Jaa?”, “Priyanka Chopra heeft een nieuwe tattoo”, “Kangana voor honeymoon naar Parijs”, en ga zo maar door. Ik heb zo’n vaag vermoeden dat het hier allemaal om film(half)goden en -godinnen handelt, but I couldn’t care less! Bovendien zijn het ‘nieuwtjes’ die echte belangstellenden al lang op het internet hebben gelezen. Waarom in het Engels en niet in het Sranan? Om het wezenlijke nieuws te vinden is altijd een speurtocht nodig: staat het in het Nederlands- of in het Engelstalige deel?

Wat verstaan deze toeristen?

Ja, laten we het daar eens over hebben, waar is dat Engelstalige deel nu helemaal voor nodig? Ik begrijp daar helemaal niets van. Als men delen van de krant naar het Sranan zou vertalen zou ik het begrijpen, tenslotte spreekt zo’n 70% van onze bevolking Sranan, maar Engels? Natuurlijk spreken veel Surinamers ook Engels, maar voor hén is het niet nodig! Maar voor wie dan wel? Waarom zoveel kosten voor elke ontbrekende output? Okay, die verloren – niet-Nederlandse – toerist die eens op een blauwe maandag een Surinaamse krant koopt heeft er misschien profijt van, maar dat kan nooit opwegen tegen de zeer aanzienlijke kosten die zo’n vertaling met zich mee brengt. Waarom wordt dat budget niet aangewend om tot een beter product te komen, want is het nog nodig om te zeggen dat dat product nergens op lijkt?

Allesbehalve perfecte taalbeheersing

Want wat moeten we er nu van denken dat op de voorpagina van de Ware Tijd van vandaag een artikel staat met als kop: “’Taal Politie’ in de fout”. De inhoud luidt:

Taalpolitie

 “Een nieuwe Surinaamse Facebook-groep heeft zich aangemeld: ‘Taal Politie Suriname’. Een mooi initiatief, want jammer genoeg zijn er nog heel wat spelfouten terug te vinden binnen de Surinaamse media. En dan zijn wij, de journalisten en eindredactie van de Ware Tijd, niet bang om onze hand in eigen boezem te steken. Ook wij maken fouten. En wij willen ons daar oprecht voor verontschuldigen. Maar terug naar de ‘Taal Politie Suriname’. Wie zo’n groep opricht, wordt zelf op het kleinste foutje afgerekend en dus moet de Nederlandse taal perfect beheersen.”

 De fouten die vervolgens worden aangewezen, zal ik u besparen, maar ik geef de journalisten en de eindredactie van de Ware Tijd ernstig in overweging het Engelstalige deel gewoon af te schaffen. Van de besparing kunnen zij makkelijk een paar correctoren in dienst nemen en dan houden zo nog geld over. Nog mooier ware het als zij het Engelstalige deel zouden vervangen door een Sranan-deel: de verkoopcijfers zullen ongetwijfeld met sprongen omhoog gaan, zodat zelfs die correctoren nog kunnen worden betaald.

dinsdag 31 juli 2012

De column in de Surinaamse media


De column is een zeer specifieke journalistieke uitingsvorm, die in alle media een bijzondere plaats inneemt. Maar zijn alle columns die als zodanig worden aangeduid wel columns? Helaas niet, moet ik mij haasten om te zeggen! Maar waarom, waaraan ligt dat? Ik heb een aantal definities van het begrip column opgezocht, en uit de talloos vele heb ik gekozen voor de definitie die CREA, de Culturele Organisatie van de Universiteit van Amsterdam en van de Hogeschool van Amsterdam, hanteert: “Een column heeft amper spelregels, het is een vrijplaats. Maar een goede column is altijd persoonlijk van aard en ieder woord, iedere komma staat op de juiste plaats. Daarnaast moet een column kort zijn en aanzetten tot nadenken, een discussie uitlokken of eenvoudigweg vermaken.”

Surinaamse dagbladen





Het aantrekkelijke van deze definitie is, dat je even het idee krijgt dat alles mag, waarna die vrijheid echter onmiddellijk wordt ingesnoerd, zodat snel en zonder omhaal van woorden duidelijk wordt gemaakt wat onder een column moet worden verstaan. Een prachtige matrix om columns de maat te nemen. Nu hebben wij in Suriname columnisten te kust en te keur, laat ik –zonder de pretentie van volledigheid– het rijtje eens nagaan en een (persoonlijk) oordeel geven. Het snelst klaar ben ik met de columns van Times of Suriname, Dagblad Suriname en De West: ToS heeft er geen, DS en DW hebben respectievelijk Wilfred Molly en Henry E. Cameron, die de naam columnist niet verdienen, het zijn allebei ‘chroniqueurs’, die ons graag voorhouden dat vroeger alles beter was. de Ware Tijd is rijk gezegend met columnisten, liefst zeven, een voor elke dag van de week. Toch zou ik ze niet allemaal columnist willen noemen, met name Nina Jurna, Milly van Leeuwarde en Joan Marques verdienen mijns inziens die titel niet. Jurna beschrijft haar lezenswaardige belevingen in Brazilië, Van Leeuwarde beschrijft (meestal) gezellige alledaagse verhalen, en Joan Marques kijkt van buitenaf naar ons land en houdt ons dikwijls een spiegel voor, columns zijn het echter niet.
Maar Carbière Falls, Ganga, Rahan en Zeggen verdienen de naam columnist volledig. Zij geven invulling aan de boven gegeven definitie van een column en zij vormen practisch altijd een plezier om te lezen. Van deze vier columnisten heeft Sharda Ganga echter mijn duidelijke voorkeur, ik zal haar column nooit overslaan en er gaat practisch geen week voorbij zonder met vrienden in discussie te gaan over Ganga’s stellingname, waarbij “ieder woord, iedere komma op de juiste plaats staat”, en die meer nog dan de drie anderen “aanzet tot nadenken, een discussie uitlokt of eenvoudigweg vermaakt”. Parbode vermeldt als columnisten Theo Para, Rappa en Saamaka. Para is beslist geen columnist, maar een essayist die ik steeds opnieuw met plezier lees. Rappa voldoet volgens mij niet aan bovengenoemde norm voor een column. Alhoewel hij hier leesbaar is, dit in tegenstelling tot zijn columns op StarNieuws, columns zijn het niet. Ook Saamaka schrijft geen columns, maar hij weet wel steeds weer te boeien met zijn ervaringen in het binnenland. Het is jammer dat Iwan Brave, nu hoofdredacteur van Parbode, geen columns meer schrijft, iets dat hij tot voor kort met verve
– en dikwijls op het scherp van de snede – deed in de Ware Tijd. Jammer genoeg moeten we die nu missen. Van de virtuele media heeft GFC-Nieuws slechts één columnist, die echter absoluut geen columnist is: Hubert Rampersad. Het is voor mij volledig onbegrijpelijk dat deze ‘column’ nog steeds geplaatst wordt, want het is puur en alleen reclame voor Prof. Dr. Ir. Ing. Hubert Rampersad, die op deze manier zijn (afstotende) lesstof aan de man probeert te brengen. Antireclame voor GFC en voor Rampersad!
De twee meest prominente, wekelijks publicerende columnisten van StarNieuws zijn Sandew Hira en Rappa. Twee veelschrijvers, maar allerminst columnisten. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze veel te wijdlopig zijn, geen van twee is zich bewust van het adagium dat nog altijd opgaat: “In der Beschränkung zeigt sich der Meister”, zeker wanneer we praten over de column. Ook dat ze de lezer daarmee van zich verwijderen, hebben ze niet door. Daarbij is Rappa’s column “Politieke borrelpraat” satirisch en humoristisch bedoeld, maar de satire en de humor worden gesmoord in Rappa’s woordenbrei. Blijven van StarNieuws nog over Nita Ramcharan en Diederik Samwel, die evenmin het predikaat columnist verdienen. De columns van Ramcharan kan ze voortaan maar beter hoofdredactioneel commentaar noemen, want dat zijn ze meestal. Samwel houdt het doorgaans op het hem vertrouwde beschuitgras, dat echter evenmin iets met de column te maken heeft.

Het zou de moeite waard zijn als de Schrijversvakschool, die tenslotte ook “de column” in zijn lespakket heeft, hierover zijn licht laat schijnen, opdat onze media leren wat onder een column moet worden verstaan, want dat beeld is kennelijk niet helemaal duidelijk.

woensdag 13 juni 2012

Angelie Sens verlaat Persmuseum

[uit interview in BladSpiegel, de nieuwe, digitaleuitgave voor vrienden van het Persmuseum:]
Angelie Sens. Foto © Henk Schaaf.

Angelie Sens is van huis uit historica, gespecialiseerd in de achttiende eeuw – geen kunsthistorica dus. “Maar bij mijn onderzoek naar de achttiende eeuw kwam ik al regelmatig pershistorische onderwerpen tegen. De persgeschiedenis en de koloniën en slavernij, dat waren de zaken waar ik al het meest in geïnteresseerd was.”

Als onderzoeker bij het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis kwam zij in 1998 op projectbasis bij het Persmuseum. Daar werd zij al snel de rechterhand van toenmalig directeur Mariëtte Wolf. Toen Wolf in 2002 opstapte, werd Sens gevraagd als interim haar plaats in te nemen; per 1 januari 2003 werd zij defi nitief directeur.


Geen plan
“Het was wel meteen een uitdagend begin,” weet Sens nog. “We zaten net in deze nieuwe vestiging in het IISG. Van een staf was nog geen sprake. Er was een medewerker voor educatie, maar die was ernstig ziek. Er was geen educatief programma en geen tentoonstellingsplan.

Ik moest daar iets van maken, met heel weinig fi nanciële armslag.” “Maar we konden een nieuwe medewerker voor de collecties aantrekken, Niels Beugeling, en een voor educatie en publiciteit, Anouk Custers. Dat team heeft bijna tien jaar hard gewerkt om dit Persmuseum met prachtige programma’s en tentoonstellingen op te bouwen. Anouk is vorig jaar weggegaan, Niels is er nog steeds.” “Ja,” blikt Angelie Sens tevreden terug, “de naam van het Persmuseum vestigen, dat is wel gelukt.” Haar belangrijkste persoonlijk inbreng was het koppelen van de koloniale en slavernijgeschiedenis aan de persgeschiedenis – altijd haar hartstocht gebleven. Het documenteren van de Surinaamse pers was daar een belangrijk onderdeel van.

[Lees hier het hele interview.]

maandag 13 februari 2012

Surinaamse kranten in de Idos-peiling

Om maar met het meest aansprekende en saillante detail te beginnen, de favoriet van de Surinaamse kranten volgens het in januari van dit jaar gehouden Idos-Omnibusonderzoek is Times of Suriname (52,5%), gevolgd door de Ware Tijd (29,5%), Dagblad Suriname (9,8%), De West (0,5%), Chinese krant (0,2%). 7½ van de respondenten leest geen krant. Voor dit onderzoek werden 1.000 personen geïnterviewd in de leeftijd van 18 jaar en ouder, foutenmarge ± 3%. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de districten Paramaribo, Wanica, Commewijne en Nickerie.

Foto rechts: John Krishnadath

Ter verduidelijking geef ik u eerst een uitleg van wat wát is. Het Instituut voor dienstverlening, onderzoek en studiebegeleiding (Idos) is een enquête- en onderzoeksbureau dat verbonden is aan de Academie voor Hoger Kunst- en Cultuur Onderwijs (AHKCO), dat wordt geleid door John Krishnadath. Bij een omnibus-onderzoek als het onderhavige, ook wel multi-cliënt-onderzoek genoemd, worden de respondenten in een en hetzelfde onderzoek bevraagd over zaken van verschillende opdrachtgevers. Dealniettemin werd het onderzoek onmiddellijk aangevallen door Julian S. With, de man die het altijd beter weet, die vraagtekens plaatst bij de representativiteit van het onderzoek en de validiteit van de vraagstelling. Over dat eerste kan ik niet oordelen, maar met zijn twijfels over de validiteit van de vraagstelling heeft hij zeker een punt.

Times of Suriname is zonder meer te complimenteren met haar ‘by far’ onomstreden positie op de eerste plaats, zeker tegen de achtergrond van haar slechts 7-jarig bestaan. Toen ToF begon was het het vierde dagblad naast de Ware Tijd, De West en Dagblad Suriname. De belangrijkste twee redenen van deze spectaculaire start zijn ongetwijfeld a) de aandacht die ToS heeft besteed aan de distributie van haar krant, dat blijkt duidelijk uit de cijfers van het onderzoek naar district, en b) wat ik gemaks- en duidelijkheidshalve wil noemen haar ‘Telegraaf’-aanpak, met daarbij als vaste prik op de voorpagina veelal gruwelijke foto’s van ongelukken die schaamteloos worden afgedrukt. Dat spreekt –helaas– nu eenmaal tot de verbeelding.

Foto rechts: Leo Morpurgo

Voor de inmiddels 55-jarige de Ware Tijd betekent deze peiling een ware afgang van de krant die onder hoofdredacteur Leo Mopurgo onbetwistbaar tot dé Surinaamse kwaliteitskrant was uitgegroeid. Na pensionering van Morpurgo in het midden van de jaren ’90 is het blad echter in de versukkeling geraakt, mijn inziens te wijten aan mismanagement binnen dit familiebedrijf, dat onvermijdelijk ook verantwoordelijk is voor het veel te grote aantal wisselingen van hoofdredacteur sindsdien. Men is op zijn lauweren gaan rusten, waarschijnlijk in de veronderstelling dat de eigen positie ongenaakbaar was. Ook de komst van Times of Suriname en Dagblad Suriname heeft in die houding geen verandering gebracht en daarvoor moet de Ware Tijd nu het gelag betalen.

de Ware Tijd heeft onvoldoende beseft dat zij a) het kwaliteitsimago koste wat het kost in stand moest zien te houden, en b) dat zij moest investeren in de nog altijd amateuristische distributie van de krant. Daarentegen heeft de krant gemeend om in navolging van Times of Suriname en Dagblad Suriname te moeten investeren in een uitbreiding van de krant door het nieuws deels ook in het Engels op te nemen, hetgeen helemaal niets toevoegt, maar enkel geld kost. En naar het distributiesysteem is absoluut niet gekeken.

Helaas, de Ware wás het, maar ís het niet meer!

zondag 29 januari 2012

Nieuws

Volgens Rolf Dobelli is nieuws voor de hersenen wat suiker is voor het lichaam. Het verteert snel, maar verzadigt niet. Vooral de overvloed aan nieuws baart hem zorgen. Daarvoor bestaat naar zijn zeggen maar één remedie: een informatiedieet. Dat klinkt redelijk, maar pas op. Dobelli houdt niet van halve maatregelen. Hij pleit voor een radicale oplossing. Sluit je af van nieuws. Ontgiften is alleen mogelijk via cold turkey. Dobelli serveert de positieve effecten van deze methode royaal uit. Geen nieuws meer toelaten betekent meer tijd overhouden, minder last hebben van chaos en stress, en een grotere kans op het verwerven van inzichten die de waan van de dag overstijgen.



In zijn essay ‘Avoid News’ wordt Dobelli niet moe om uit te leggen dat nieuws ons uit onze concentratie haalt, ons evenwicht en ritme verstoort en ons misleidt. Hij stelt dat nieuws per saldo nauwelijks invloed heeft op het nemen van belangrijke beslissingen. Nieuws beperkt namelijk ons begripsvermogen, want de gepresenteerde feiten mogen doorgaans juist zijn, de draden die de feiten bij elkaar houden, blijven even zo vaak aan het zicht onttrokken. De onderliggende processen en ‘het grote verhaal’ worden ons onthouden, waardoor ons denken wordt afgevlakt en ons geheugen ondermijnd.

Het is een verleidelijke gedachte: geen kranten meer, geen radio en televisie, geen internet, geen e-mail, geen sociale media. De mogelijkheid om in alle rust over grote vraagstukken na te denken en de kwesties van deze tijd diepgaand te beschouwen, bezit onbetwist een zekere aantrekkingskracht en charme. Ons met toewijding overgeven aan weidse bespiegelingen beantwoordt aan ons verlangen naar onthaasting en onze behoefte om door te dringen in de mysteries van het leven.

Behalve iets filosofisch – zo men wil romantisch – bezit Dobelli’s pleidooi ook iets onwerkelijks. De menselijke geest op afstand houden van zijn directe omgeving om diezelfde omgeving beter te kunnen doorgronden, lijkt het paard achter de wagen spannen. Het ligt immers meer voor de hand dat je een samenleving pas kunt begrijpen als je voeling houdt met verwikkelingen en gebeurtenissen waarover leden van die samenleving met elkaar in gesprek zijn en waarvan media verslag doen.

Zou je zonder kranten te raadplegen en het internet te gebruiken je een goed beeld kunnen vormen van de hedendaagse Surinaamse samenleving? Sommige mensen zullen die vraag bevestigend beantwoorden. Zij zullen het niveau van de journalistiek laken, de betrouwbaarheid van het internet in twijfel trekken en de informatievoorziening als gebrekkig afdoen. Nieuws is in de ogen van deze sceptici altijd partijdig, onderhevig aan manipulatie en ten diepste een werktuig van machthebbers die eerzame burgers zand in de ogen willen strooien om zelf het heft in handen te kunnen houden. Aan mensen die deze opvattingen zijn toegedaan, is de oproep van Dobelli welbesteed.

Ik kan mij geen dag voorstellen dat ik niet het internet afschuim op zoek naar actuele informatie over Suriname. De tijd dat ik mij moest behelpen met pakketjes kranten die mensen per post aan mij opstuurden of na een verblijf in Suriname voor mij meenamen, ligt inmiddels ver achter ons. Het verkrijgen van inlichtingen over een afstand van 7500 kilometer verloopt tegenwoordig vele malen minder omslachtig en kostbaar vergeleken bij twintig jaar geleden. Surinaamse kranten en Surinaamse radio- en televisiestations zijn thans 24/7 via het internet toegankelijk. Ook dankzij andere informatiekanalen worden wij deelgenoot gemaakt van ontwikkelingen die zich momenteel in Suriname voltrekken en waar wij dagelijks kennis en inzichten aan kunnen ontlenen.


Niet alleen journalisten en wetenschappers laven zich aan nieuwsbronnen en maken er dankbaar gebruik van. Ook in de letterkunde en de kunst is nieuws een bron van inspiratie en een vertrekpunt voor reflectie. Veel Surinaamse schrijvers – essayisten, romanschrijvers en dichters – bestaan bij de gratie van hun antenne voor nieuws. Anil Ramdas is een bekend voorbeeld van dit type schrijver. Zijn Badal was in 2011 de roman die mij stilistisch het meest bekoorde en mij inhoudelijk het vaakst tot tegenspraak uitnodigde. Dat er romantechnisch het nodige aan het werk schort, doet er hier even niet toe. Het boek ademt nieuws, wordt bevolkt door personages die leven van nieuws en is geschreven door een auteur die een voorliefde heeft om creatief te abstraheren van nieuws.

Natuurlijk heeft Dobelli een punt als hij zich afzet tegen de informatie-industrie die ons tot willoze consumenten probeert te degraderen en ons in slaap tracht te sussen met zielloos vermaak en nutteloze weetjes. Het kost weinig moeite om een paar Surinaamse media te bedenken die hun publiek op deze wijze wensen te benaderen. Maar Dobelli heeft wel erg weinig vertrouwen in het menselijk vermogen tot selectie, analyse en duiding. Anders dan hij ons wil doen geloven, weten veel mensen wel degelijk hun weg te vinden in de wirwar van berichten en berichtjes waarmee wij dagelijks worden overspoeld. Bovendien vergeet hij dat aandacht voor nieuws aandacht voor het ‘grote verhaal’ achter dat nieuws niet uitsluit. Sterker, serieuze journalisten en kritische nieuwsconsumenten beschouwen deze lagen als onderdeel van hetzelfde verhaal en staan erop dat de media het geheel tegen het licht houden. Dobelli ziet ten slotte nog iets anders over het hoofd. Goed geïnformeerde burgers zijn de kruipolie van een soepel functionerende samenleving. En van een levende democratie. Laten we nog even wachten met ontgiften.

Het essay van Dobelli is hier te vinden

zondag 4 december 2011

Het Surinaams krantenuniversum



door Joshua Taytelbaum

Sinds zijn lancering nu zes jaar geleden plaatst Times of Suriname op één of meerdere pagina’s een Engelstalige versie van de ‘highlights’ van de dag. In navolging daarvan is naar schatting nu twee jaar geleden Dagblad Suriname dit voorbeeld gaan volgen. Het blijft giswerk voor mij uit welke overwegingen dit is geschied, maar eerlijk gezegd ben ik ook niet zo geïnteresseerd in die motieven. Opnieuw moet ik mij die vraag stellen nu de Ware Tijd ‘out of the blue’ en zonder waarschuwing vooraf vandaag twee Engelstalige pagina’s tevoorschijn tovert, geen énkele verwijzing, niet in het hoofdredactioneel commentaar, noch als terzijde bij genoemde pagina’s, de lezer mag het constateren en moet er maar blij mee zijn. Communicatie met zijn lezers is niet bepaald een sterk punt van de Ware Tijd.

Dat de Ware Tijd zich nu opeens een slaafse volger betoont van eerder genoemde nieuwelingen in de krantenwereld, heeft mij met stomheid geslagen. En ik zal u zeggen waar mijn stomheid vandaan komt, heel recht toe recht aan: het is de op één na oudste krant van Suriname en was lange tijd ook de meest vooraanstaande krant. Maar díe tijd is helaas alweer lang voorbij. Ik durf de stelling aan dat de neergaande kwaliteitsspiraal van dWT de komst van nieuwe kranten als het ware heeft uitgelokt en een (ruime) kans heeft gegeven. Maar ToS en DS zijn er nu eenmaal en ze zullen ook nog wel even blijven, want er is niet wat je noemt concurrentie. De West sukkelt z’n eigen(wijze) gangetje en zal mét de Findlay’s verdwijnen, waarna er alleen nog maar een grauwe middelmaat overblijft. En Suriname zit met de gebakken peren.

Wat is er fout bij dWT?
Dit klakkeloos ‘nabouwen’ van de concurrentie is een teken aan de wand voor het verval van dWT. Als de krant geen andere wegen ziet om ‘met de tijd mee’ te gaan, is het droef gesteld. In plaats van tegenwicht te bieden aan de nieuwkomers, gaan ze deze naäpen en tekent de krant zijn eigen doodvonnis. In Nederland laat NRC Handelsblad zich niet alleen het predicaat ‘kwaliteitskrant’ aanleunen, nee, het is hun uiterst actieve en effectieve wapen in het dagelijks gevecht om de markt. Met andere woorden, deze krant ‘verbijzondert’ zich van de andere kranten om zijn eigen vaste plek te behouden en te vergroten. Wat doet de Ware Tijd? Niks bijzonders, integendeel méér van hetzelfde en dat werkt dus niet!

de Ware Tijd had het in zich om uit te groeien tot de Surinaamse kwaliteitskrant, Leo Mopurgo heeft tenslotte een indrukwekkende voorzet gegeven, maar helaas was er na diens pensionering niemand die de bal kon inkoppen. Hoofd- redacteurs wisselden elkaar af, redacteurs liepen elkaar voor de voeten en de krant kachelde en kachelt hard achteruit. Kennelijk is er niemand die het geheel overziet, niemand die een vinger aan de pols houdt van de kwaliteit en nog minder iemand die zich verdiept in de plaats van het eigen product in de markt. Kwaliteits- en gezichtsverlies alom.
Op 10 augustus 1774 verschijnt de eerste Surinaamse krant: De Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant, waarvan de voorpagina geheel in beslag wordt genomen door de ‘Opdragt van den Uitgever’, Mr. Wolphert Jacob Beeldsnyder Matroos.

Het is naïef, om niet te zeggen onnozel van de redactie van dWT om te denken dat ze met wat Engelstalige pagina’s de opgelopen averij kunnen herstellen, daar is veel meer voor nodig. Ik wil dringend aanbevelen om die Engelse editie onmiddellijk te stoppen en om van het geld dat daarvoor is gebudgetteerd onder dwingende deskundige leiding een grondige analyse te maken van het eigen bedrijf en de plaats in de markt, en om aan de hand daarvan strategieën uit te zetten die het mogelijk maakt de verkwanselde positie in de markt te herwinnen. Het sleutelwoord daarbij moet zijn: kwaliteit, want dat hebben die andere kranten allerminst.


[Eerder gepubliceerd op Suriname Stemt.]

vrijdag 18 november 2011

De Ware Tijd ongenadig

De Ware Tijd van vandaag, 18 november 2011, maakt er melding van dat gisteren 'prominenten uit de Surinaamse samenleving' deel namen aan het eerste Sranantongo dictee, georganiseerd onder auspiciën van de Surinaamse Televisie Stichting (STVS). De krant noemt niet enkel wie de minste fouten haalden: Paul Tjon Kiem Sang, Carl Breeveld en Hanifa van Riessen, maar ook wie de grootste domoor was: Irma Valk. Foei toch, Irma!

Foto: dWT/Cedric Cooman.

dinsdag 27 september 2011

Suriname, South America’s Hidden Treasure



Sunrise on the Suriname River, near the Anaula Nature Resort. Foto: Thomas Munita





by Simon Romero

The road to Atjoni got more interesting as the wind grew stronger, making the surrounding ceiba trees of the Surinamese jungle murmur with whispers of an impending storm. We were hours into the country’s interior when we came across a solitary hunter. He had a shotgun slung from his shoulder and a machete sheathed at his waist. We stopped to talk. After brief introductions, things became complicated.
Suriname’s jungles. Sensing our inability to get by in Saramaka, he switched to Dutch, pointing at a nearby tree where he had just spotted some movement, laughed again and said, “boom kip,” which literally means “tree chicken.” Our blank stares prompted him to switch languages yet again, this time to Sranan Tongo, the extraordinarily playful Creole language that borrows from English, Dutch and Portuguese and is Suriname’s lingua franca. “Legwana,” he said, and finally we understood that he meant iguana. He then explained that he was after something a bit more satisfying, some “pingo” (wild boar), perhaps, or “hei,” a coveted forest rodent called paca in English. With a broad smile, he waved us on our way down that jungle road to Atjoni, a crossing at a bend of the Suriname River.

Just 500,000 people live in Suriname, a country on South America’s northeastern shoulder about the size of Florida, but the variety of cultures they represent rivals those of much larger countries. The official language is Dutch, in a nod to Suriname’s past as a colony of the Netherlands, but on the streets of Paramaribo, the capital, one hears, in addition to Sranan Tongo, languages like Hindi and Javanese. Chinese characters decorate signs on casinos and corner stores. Motorized rickshaws called tuk-tuks speed past mosques and Hindu temples, giving Suriname a vaguely Asian feel. (With a name that rhymes with Vietnam, Hollywood seems to prefer it this way: the movie “The Silence of the Lambs” seems to suggest that Suriname is in Asia.) Suriname’s obscurity and charm, in an age in which frontiers seem to melt away at the click of a mouse, proves that there are still corners of the world that can provide surprise and adventure, even a bit of awe.

Indeed, when I told friends where my wife, Carolina, and I were headed for a brief vacation, I received the oddest reactions. One related a tale from a London newsroom in which an esteemed news organization’s South America correspondent called his editor upon arriving in Paramaribo, only to hear a voice bark from the other end of the line, “What the hell are you doing in Africa?” Another recommended a book in preparation for my trip, “Bush Master: Into the Jungles of Dutch Guiana,” by the adventurer Nicol Smith (as if the title was not enough, the book’s preposterous jacket description reads, “An authentic hair-raising account of voodooism, wild adventure, three-fingered men and tropical terrors.”) Perhaps the best reaction came from Boris Muñoz, a friend from Caracas with a highly cultivated sense of irony who is one of Venezuela’s most respected journalists. “Does Suriname actually exist?” he asked me. “I know of only one other person who has said he has been there.”

I can now safely report back that Suriname, splendid in its isolation, does indeed exist. For now, at least, the only foreign travelers who visit this remote corner of South America in big numbers are the Dutch. A direct flight from Amsterdam to the Paramaribo-Zanderij airport shuttles thousands of them into the country every year. But Suriname’s appeal should be broadening now that it has distanced itself from a wrenching civil war in the late 1980s and can capitalize on the allure of its huge tracts of rain forest. The opening of new guest houses and hotels suggests that perhaps it is ready.

Of course, neither Suriname nor its capital is a destination for celebrity sightings or thread-count hounds. Its hotels are more Graham Greene than Ian Schrager. The country’s appeal lies in its friendly, affordable and accessible exoticism, along with the novel sense one gets there of being in a place just recently shed of its colonial past. It also happens to have phenomenal food.
The obvious place to begin any visit to Suriname is in Paramaribo, a sleepy city between jungle and sea. With its white clapboard mansions and colonial brick buildings, it seems to belong to another continent, if not another era; it ranks as one of South America’s safest and tidiest capitals.
With only about 250,000 people, the city is small and accessible, and pleasantly good for walking and bicycling. We started our exploration at the markets along the elegant Waterkant, or Waterfront, where dozens of stalls offer a window into Suriname’s astonishing diversity. Maroons and Arawaks, one of the country’s indigenous tribes, sell nearly everything under the sun from the country’s interior at the Freedom Market — from bush meat to live monkeys and bottles of casiri, a brew made from cassava.

At the adjacent Central Market, there are a variety of stalls selling knickknacks, fresh produce and ready-made delights like curry egg and sardines with onions and peppers. At another stall, specializing in Javanese cuisine, we tried rice cubes stewed in coconut, brown sugar and spicy pepper and served in a banana leaf. Items picked up during a casual stroll could feed you for the day on pennies. The meal we assembled cost all of 3 Suriname dollars apiece, less than one American dollar.

Other vendors sold pirated Bollywood movies, and Rastafarians offered reggae CDs and tapestries of the Ethiopian emperor Haile Selassie.
While many Surinamese happily speak English, I took the opportunity to try to learn a few words in Sranan Tongo while wading through the markets; the language’s flexibility and playfulness never failed to surprise me. “Faya,” I learned, sounds like fire but can mean electricity or lightning, and “dagadaga” sounds like “dagger dagger” but means “machine gun.” (An appreciation of Sranan Tongo is provided in the writer John Gimlette’s excellent new travel book, “Wild Coast,” about Suriname, Guyana and French Guiana.) “Lobiwan,” literally “loved one,” is a commonly used term of address. Ordering a ginger beer from a market stall involved pronouncing the word, “dyindyabiri,” and to say many thanks, simply utter “Grantangi!”
Understanding how this cultural mash-up came to be in a remote part of the world with tongue-twisting street names like Noorderkerkstraat and Jaggernath Lachmonstraat curiously has to do with an island called Manhattan. I learned this on a short road trip out of Paramaribo with a friend, Ranu Abhelakh, a Surinamese writer and journalist, to some ruins at the confluence of the Suriname and Commewijne Rivers near the Atlantic coast — specifically at Fort Nieuw Amsterdam, built by the Dutch in the 18th century now housing a museum.

Exhibits at the complex, still surrounded by a dike to prevent flooding, explain how the Dutch traded New York for Suriname to the English in the 17th century.

For decades, it seemed as if the Dutch had gotten the better end of the deal. Soon, though, they were under attack from escaped slaves who had organized into a formidable opposition, mounting raids on plantations. The conflict resulted in a siege mentality that survives to this day in the language; Maroons still call Paramaribo “Foto,” or Fort. Built as a bastion to ward off Maroon attacks, Fort Nieuw Amsterdam now stands as testament to the resilience of the rebellious slaves and their descendants, with whom the Dutch were ultimately forced to sign peace treaties. After slavery was abolished in the 19th century, the Dutch brought in laborers from IndiaChina and Indonesia, producing the unusual mix of cultures that now defines Suriname.
Back in Paramaribo, we decided to spend an evening exploring Blauwgrond, an ethnically mixed district famed for its great restaurants, and for the most part calmer than other areas favored by Dutch travelers. Starting out on foot, we slipped into a Hindu temple called Shri Radha Krishna Mandir. It was our good fortune to arrive at the start of Holi, a Hindu spring religious festival. Outside, a bonfire of bamboo shoots was set aflame in the humid night air, sounding like hundreds of firecrackers going off at once. Attendees at the ceremony warmly asked us where we were from. Together, we watched the flames dance and crackle. Then it was time to eat.

Blauwgrond is renowned for its Javanese restaurants called warungs. We wandered through the area’s narrow streets before finding one called Warung Felicia. A waitress handed us a delicious drink made of lemon grass, milk and coconut. The restaurant was Muslim-owned and did not serve alcohol, but when we asked about getting a tall bottle of locally brewed Parbo beer, the owner waved us across the street toward a Chinese food shop. After we returned, Parbo in hand, the owners gave us glasses. Then the real treat: saoto, a soup of fried potato, bean sprouts, egg, chicken and spices that astounded me with its potency.

A few days later, it was time to explore the interior. While Suriname has an Atlantic coastline, the country lacks the kind of beaches that lure travelers to the Caribbean. Instead, visitors often head inland for swimming, fishinghiking and bird-watching, traveling along relatively well-maintained roads equipped with drempels (speed bumps). My aim was to go piranha fishing at a lodge called Anaula while getting a taste for the interior before flying back over the rain forest in a small Cessna. Tours are offered throughout hinterlands, as are private guides. An English-speaking driver with a Toyota with four-wheel drive, provided by a jungle outfitter recommended by a friend in Paramaribo, picked us up in the capital.

We soon found ourselves on that road cutting through Suriname’s vast interior. A few hours into the drive, I realized we were in gold rush country. Shops along the road were selling everything from spare parts for backhoes to salted beef and cases of Red Bull; inside, we could hear conversations among other customers in Portuguese, the language of Brazilian garimpeiros, or miners. They were on the hunt for Suriname’s gold in small mines carved out of the surrounding forest.

Once we arrived in Atjoni, a busy river crossing and departure point for canoe trips along the river was our first glimpse into Suriname’s wild frontier. A cellphone tower underscored this as a place of important commerce, as did a store in which a Chinese merchant sold unlocked BlackBerrys and bottles of Borgoe 82 rum.

A guide met us there in a motorized canoe for the short trip on the river to Anaula, a lodge replete with cabanas, bats flying in and out of the canteen and a swimming pool, where we dropped off our backpacks and immediately cast our lines for piranha. Our boat driver, Angelo Amimba, 21, proved the luckiest fisherman, catching several over a few minutes as we flailed around with our poles catching nothing.

Dinner that evening was a mellow affair in an open-air dining room frequented by Dutch travelers. A barman served Parbo and Cuba Libres. Civilization, or what passed for it, seemed to have gained a toehold in the forest. The magnificent rain that fell later that night over Anaula’s spartan cabins drowned out the symphony of sounds coming from insects and birds.

The next day we took a canoe to Nieuw Aurora, a Maroon village across the river. On one side of the village, a clinic and a church illustrated its links with other parts of Suriname and the outside world. Even cellphones worked. But exploring the dirt paths where Nieuw Aurora merged with another community, Tjaikondre, it was clear that this was a community that had won its independence from the Dutch long ago (indeed, Maroons have long called their lands kondres, a word reminiscent of countries) and felt at ease interacting with outsiders as equals. As the hot sun beat down on Nieuw Aurora, it dawned on me that its residents have much to teach those of us from so-called developed countries about rebellion, resilience, pacing life according to one’s surroundings and self-sufficiency.

Nieuw Aurora’s relaxed pace of life made Paramaribo seem like a bustling metropolis. Old men played checkers in the shade. Some villagers collected firewood or tended nearby farming plots. Others waited for the sun’s heat to abate before venturing to hunt in the forest. We found one such dreadlocked group sitting on the porch of a wooden store, sipping Parbo and strumming reggae tunes on a guitar. I asked one young man what he did for a living. “I’m a gunman and farmer,” he responded, explaining that by the former he meant to say that he was a skilled hunter. Then he and his friends invited us to stay in their village, in an empty hut reserved for travelers, and go on a hunt in the forest with them for pingos. “It will be the adventure of your life,” he said, as I tried to politely decline since a Cessna was to pick us up at the dirt airstrip that afternoon.
Though I had been in the country only a few days, I felt as if I had traversed several continents and only now — drinking beer, shaking hands and striking up conversation with these men — was I getting a taste of Suriname’s frontier.

But it was time to leave. As storm clouds threatened a downpour that never arrived, I realized there was just one thing I’d like to have changed on our trip. Next time, I promised myself, I would stay on this side of the river. 


, with direct air connections to a few places, including AmsterdamAruba and Belém, Brazil, is splendidly isolated. Expect a stopover in one exotic locale or another. A recent online search found round-trip flights between Kennedy International Airport and Paramaribo starting at $790 on Caribbean Airlines, with a layover in Port of Spain, Trinidad.
To the Jungle and Beyond
WHERE TO EAT
Central Market on Paramaribo’s Waterkant (Waterfront) has dozens of stalls from which delicious meals can be assembled for about $1, at 3.29 Suriname dollars to the U.S. dollar.
Warung Felicia (J. Samson Greenstraat, Paramaribo; 597-453-257) has excellent Javanese food. Figure about 30 dollars a person for dinner.
Joke’s Crab House (108 Verlengde Gemenelandsweg, Paramaribo; 597-532-024) is a great place to hear live jazz. About 40 dollars for a meal of chicken roti and a Parbo beer.
Spice Quest (107 Nassylaan, Paramaribo; 597-520-747) serves excellent Surinamese fusion cuisine and Japanese food under the direction of the chef and owner Patrick Woei. A meal for two costs about 198 dollars.

Where to go
Access Suriname (37 Prinsessenstraat, Paramaribo; 597-424-533; surinametravel.com) arranges rain forest excursions largely for Dutch travelers into Suriname’s interior. The five-hour drive from Paramaribo to the river crossing at Atjoni, on paved and dirt roads cutting through the jungle in a chauffeured four-wheel drive, is an adventure in itself (343 Suriname dollars). From there, a guide takes visitors by canoe to the resort of Anaula on the Suriname River (doubles are about 360 dollars), replete with piranha fishing, a swimming pool and trails leading into the forest.

Where to stay
The Royal Torarica (10 KleineWaterstraat, Paramaribo; 597-473-500; royaltorarica.com) may be Suriname’s most comfortable hotel, and its location, within walking distance of the beer garden at ’t Vat and the colonial buildings of Independence Square, is excellent. Amenities include a pool and a casino. Doubles start at about 575 Suriname dollars.
Hotel Krasnapolsky (39 Domineestraat, Paramaribo; 597-475-050; krasnapolsky.sr) is located in the middle of the capital’s bustle with 84 guest rooms. It would be stretch to call the Kras, as it’s known to locals, luxurious, but with its circa-’70s décor, the hotel would be a fine candidate for the setting of a James Bond film. Doubles start at about 390 dollars. 


Simon Romero is a correspondent for The Times based in Rio de Janeiro.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in de New York Times op 18 september 2011

woensdag 6 juli 2011

Carry-Ann Tjong-Ayong - Zomaar een tropenochtend

Woman on Wheels en Wim zitten heerlijk op het terras onder de knippaboom met veel trossen vruchtjes, die nu zo rijp zijn, dat ze steeds op het zinken dak vallen. De huisbaas heeft een flinke tak beloofd aan een arm vrouwtje dat met Ketikoti langs de weg gaat zitten.

Er zijn hier veel vogeltjes, hadden we maar een kijker, de kolibrie is zo klein, de blauwtjie’s, grikibi, roodborstjes, en talloze anderen, ook een papegaaienpaartje, een ara en soms apen, leguanen (heerlijk gebraden, mmmm) en vleermuizen, die allemaal, net als ik, dol zijn op knippa!
Dus hoor je aldoor tik tik tik - tegenover ons appartement - van een grikibi, die steeds haar naam roept, en die de knippa-pitten openbreekt, door ze steeds op het dak te tikken. Slim beestje. Af en toe gaat zij rechtop zitten en kijkt ons uitdagend aan!

Dat is de romantiek van de tropen, plus nog de zwoele avonden op ons donker terras bij olielamp of tl-buis, voor elk wat wils. Wij kiezen voor het eerste, behalve als wij de krant willen lezen, wat we overigens liever ‘s-morgens doen. Wim fietst dan naar het krantenvrouwtje dat onder een parasol op de Wilhelminalaan zit, vlak bij Texaco en De Ware plus The Surinam Times verkoopt. Voor De West moet je op de hoek van de Lim Apostraat zijn. of bij de Waterkant.

Het heeft al twee dagen niet geregend, felblauwe lucht met wollig witte wolken, de zon is behoorlijk fel, dus iedereen loopt met een paraplu/parasol. Wim moest uit de taxi springen om er een voor mij te kopen, een lelijke blauw geruite, die in de wind meteen binnenstebuiten sloeg. maar wat wil je voor 6 Srd.

We liepen van Zus & Zo naar huis, niet ver, 10 minuten, maar levensgevaarlijk met auto's die rakelings langs je scheuren en Wim kon niets zien vanwege die plu, dus die klapte ik weer in. Terug bij af. Zon die schijnt op mijn bolletje.

Ik heb zin in die lekkere bami of nasi van Tini, dus Wim slentert naar de hoek en komt terug met een heerlijke portie plus baka bana. We brunchen voortreffelijk. Er is nog een blikje Parbo en een fles lekker heet gemberbier in de ijskast. Dat haalt hij altijd bij ouma op de Tourtonnelaan, op zondag. Dan is er zondagsmarkt op straat, waar je van alles en nog wat kunt krijgen. Ook lekkere birambi op zuur met rode uien, of zoute lemmetje. Ik hou van zuurgoed bij mijn eten.

Zo gaat de ochtend lekker relaxed voorbij in ons trage Surinaamse tempo. Een beetje eten, een beetje babbelen, een beetje lezen. Heerlijk.....

cat 30/6 2011

Foto van de auteur

woensdag 15 juni 2011

Eerste studenten MEd Papiamentu ooit geslaagd

Voor het eerst in de wereldgeschiedenis zijn er Masters of Education in Papiamentu geslaagd. Dit is gebeurd aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen. Op 30 juni is de pregraduation day, daarna verschijnt er een officieel persbericht. Hieronder volgt de samenvatting in het Nederlands van de scriptie van een van de verse M(s)Ed.

Lo no papia nunka basta di John Brown

Samenvatting van de scriptie van Jeroen Heuvel voor het behalen van de titel Master of Education in het Papiamentu, waarvan de titel in vertaling luidt: ‘We kunnen het niet vaak genoeg over John Brown hebben, het eerste feuilleton over abolitionisme in het Papiamentu.’


The Last Moments of John Brown (ca. 1884)
door Thomas Hovenden.

Geïdealiseerde voorstelling van John Brown die de Charles Town Jail verlaat en een zwarte baby kust, gebaseerd op een gedicht van John Greenleaf Whittier.
Fine Arts Museum of San Francisco, Gift of Mr. and Mrs. John D. Rockefeller 3rd, 1979.7.60.

In de Civilisadó, de eerste Curaçaose krant met veel artikelen in het Papiamentu, is van 10 mei 1873 tot en met 30 mei 1874 een vertaling van ene ‘P’ verschenen van het door Henri E. Marquand in het Frans geschreven John Brown.

John Brown (9 mei 1800 – 2 december 1859) was een charismatische Amerikaanse blanke abolitionist die slavernij beschouwde als een doodzonde. Hij vond president Washington hypocriet, omdat die wel voor blanken, niet voor zwarten vrijheid nastreefde. In zijn levenslange strijd voor de bevrijding van alle slaven in de zuidelijke staten van Amerika, leidde hij zijn manschappen, waaronder zich twee van zijn (twintig) kinderen bevonden, bestaande uit 17 blanken en 5 gevluchte slaven uiteindelijk naar een wapendepot in Harper’s Ferry, Virginia om zich meester te maken van de wapens zodat alle slaven zich op hun weg naar de definitieve vrijheid in Canada, konden beschermen tegen jagers van de slaveneigenaars. Bij deze actie zijn Brown en de zijnen gevangen genomen en zijn de kopstukken veroordeeld tot de dood door ophanging.

Henri E. Marquand, uitgever van La Gazette de Guernsey, heeft tijdens het proces en direct na de dood van John Brown veel eigen artikelen en die van anderen, zoals van zijn vriend Victor Hugo, gepubliceerd over deze zaak en heeft in 1860 een boek laten verschijnen, waarin hij John Brown verafgoodt.
Marquand staat in geen enkele encyclopedie vermeld, er is geen biografie van hem verschenen, historici hebben hem nog niet op een foto (h)erkend. Hij wordt dus niet als auteur beschouwd. Dankzij Wim Rutgers (foto rechts) die hem hier en daar heeft genoemd als vertaalde schrijver in de Civilisadó, ben ik me gaan verdiepen in John Brown.

Hoofdvraag
Wat is de praktische bijdrage van onderzoek naar in de vergetelheid geraakte literair-historische teksten aan onze kennis van hedendaagse literair-theoretische onderzoeksmethoden? Hoe kunnen we in ons onderwijs dat wat we hebben ontdekt toepassen om ons onderwijs op deze manier eigentijds te maken?

Secundaire vragen
Wie was John Brown; wie Henri E. Marquand; wie gaat er schuil achter het initiaal ‘P’, de medewerker van de Civilisadó; in hoeverre wijkt de Papiamentu vertaling af van de oorspronkelijke, Franse, versie; van wie zijn de voetnoten, van Marquand of van ‘P’; wie las de Civilisadó en hoe werd deze volkskrant ontvangen; is John Brown het enige feuilleton in de Civilisadó?

De geschiedenis van Curaçao vanaf 1499 is een en al kolonialisme en slavernij en het verzet hiertegen. De huidige maatschappij is daar een gevolg van. Iedereen ging en gaat hier op zijn eigen manier mee om, en met zijn unieke gedachten. Om te kunnen denken moeten we praten, ons uiten in beelden. Om een beeld te vormen moeten we het uitspreken. In deze scriptie analyseer en interpreteer ik de eerste roman in het Papiamentu, John Brown, in zijn literair- en cultureel-historische context en hoop hiermee een bijdrage te leveren aan de theoretische en praktische kennis en toepassing van literaire begrippen als literaire verwerking en imagologie.

Imagologie is een wetenschappelijk specialisme dat culturele representaties analyseert op hun beeldvorming over volkeren, culturen en samenlevingen; het bestudeert de diep ingesleten gewoonte om samenlevingen en personen te karakteriseren aan de hand van hun nationaliteit en volksaard. De werkwijze van de imagologie is tekstueel, contextueel en intertekstueel.

Conclusie
In deze scriptie laat ik zien dat Henri E. Marquand een reportageroman - avant la lettre - heeft geschreven over een abolitionist die bereid was zijn leven op te geven voor zijn zaak. Een zaak die nog heel belangrijk was in het Curaçao van 1873, tien jaar na de afschaffing van de slavernij; dat zelfs tot op de dag van vandaag is, omdat slavernij nog niet overal is afgeschaft.
Ook ben ik tijdens het schrijven van deze scriptie op andere titels van Marquand gestuit die het bestuderen meer dan waard zijn vanwege hun literair- en cultureel-historische inhoud betreffende de Caraïbische maatschappijen rond 1840. Daarom kunnen we het niet vaak genoeg over John Brown en Henri E. Marquand hebben.

Foto rechts: Wim Rutgers; links: Jeroen Heuvel,
@ Michiel van Kempen

donderdag 26 mei 2011

Afscheid Gerard Termorshuizen

Gerard Termorshuizen (rechts) met een van de sprekers, Olf Praamstra

Met een colloquium over het amusement in de koloniale pers en de presentatie van het tweede deel van zijn Indische persgeschiedenis neemt dr Gerard Termorshuizen morgen, vrijdag 27 mei, afscheid van het KITLV. Op het colloquium wordt ook door verschillende sprekers het Caraïbisch gebied onder de loep genomen.

Het volledige programma: klik hier.

Foto: @ Hans Kleijn

dinsdag 24 mei 2011

De Surinaamse taalproblematiek (6)

door mr dr W.R.W. Donner

Nuttige eigenschappen

Grote ondernemingen zoals de KLM laten hun boekhouding via internet in India verzorgen terwijl dat toch eenvoudiger in Suriname had kunnen geschieden, in het Nederlands dan wel. Terwijl de Nederlanders bliksemsgoed weten dat wij prima voetballers voortbrengen (geen enkel volk heeft zoveel talentvolle voetballers voortgebracht per hoofd van de bevolking als het Surinaamse volk) financieren ze voetbalscholen in Zuid Afrika, Nigeria en Ghana. Ze hebben meer landbouwarealen in Kenia in exploitatie dan heel Suriname bij elkaar. Het Nederlands dat wij toch zo koesteren schijnt ons blijkbaar alleen maar windeieren op te leveren.
Vermoedelijk hebben zij verzuimd ons, naast de introductie van het Nederlands, die blijkbaar ten doel had ons om te toveren tot donkere Hollanders, andere nuttige eigenschappen bij te brengen zoals op tijd komen, niet steeds tegenspreken, niet steeds alles beter denken te weten etc.

Schijnbaar geletterd

Surinamers plegen vaak denigrerend te spreken over de Antillianen die slecht Nederlands zouden spreken. Maar wonderlijk genoeg heeft Curaçao belangrijkere schrijvers voortgebracht dan Suriname, in het Nederlands dan wel. Ik noem slechts de namen van Frank Martinus Arion, Cola Debrot, Boeli van Leeuwen, Tip Marugg en Pierre Lauffer. Op de middelbare school keken de examinatoren verbaasd op, toen ik met de naam van Albert Helman op de proppen kwam voor mijn boekenlijst. Hadden ze nooit van gehoord. Van Cola Debrot wel. Kortgeleden werd een boek van Frank Martinus Arion waardig bevonden om in een oplage van bijna een miljoen exemplaren uitgedeeld te worden.
Ik heb zowel op Curaçao als in Suriname secretaresses gehad. Maar ik kan met mijn hand op mijn hart verklaren dat de Curaçaose secretaresses met kop en schouders uitstaken boven hun Surinaamse collega’s in de beheersing van het Nederlands. Ze spreken het armoedig, maar op papier beheersen ze het beter dan wij.

Kennisniveau

Het zou interessant zijn een onderzoek in te stellen naar de mate van kennis van Curaçaoënaars en Surinamers van dezelfde maatschappelijke klasse. Ik heb de indruk dat die van de Curaçaoënaar hoger ligt omdat de Curaçaoënaar, hoe vreemd dit ook mag klinken, meer leest dan de Surinamer. In het Papiamentu dan wel. Suriname telt vier dagbladen: de Ware Tijd, Dagblad Suriname, Times of Suriname en De West. Op een bevolking van 500 000 zielen is dat gemiddeld 1 dagblad per 125 000 zielen. Curaçao heeft 8 dagbladen op 135 000 inwoners.(Twee Nederlandstalige Amigoe di Curaçao en Algemeen Dagblad en maar liefst zes dagbladen die in het Papiamentu verschijnen namelijk, La Prensa, Vigilante, Nobo, Ultimo Noticia, Bala Korant en Extra. Dat is circa 17 000 inwoners per dagblad.
De Centrale bibliotheek van Curaçao is vijf keer zo groot als onze CCS bibliotheek en wordt door meer mensen bezocht dan CCS. Elke week is er een boekbespreking op de t.v.in het Papiamentu dan wel. In Suriname: never. Daar zit geen mens op te wachten.

Volksschrijvers

In dit verband wijs ik op het instituut van de volksschrijvers. Ik weet niet hoe de toestand nu is, maar in mijn Antilliaanse tijd (1957-1960) had je er talrijke volksschrijvers rondlopen: Willem Kroon, Guillermo Rosario, Elis Juliana om enkele namen te noemen die mij te binnen schieten. Deze mensen maakten gewoon een living van het schrijven van verhalen in het Papiamentu, novela’s geheten, en deze in dunne boekjes aan de man te brengen. Ze werden gretig gelezen door de eenvoudigste mensen. Een gerichte cultuurpolitiek met het doel de algemene ontwikkeling van het volk te vergroten, zou daardoor, naar het mij voorkomt, op de Antillen effectiever zijn dan in Suriname. Men zou slechts de novela’s behoeven te gebruiken als vehikel om kennis over te dragen. Dit zou in Suriname dacht ik, weinig effect sorteren. Ondanks het feit dat Surinamers niet als analfabeten mogen worden beschouwd, schijnen ze toch niet in staat via het geschreven woord met elkaar te communiceren en zijn verder nauwelijks geïnteresseerd in het geschreven woord. Ook hier blijkt dat het Nederlands eigenlijk verlammend werkt op de geestelijke vorming van de Surinaamse mens.
Ook het volgende feit verdient vermelding. Moesje op de Antillen heeft een zoon in Nederland. Ze schrijft de zoon een brief in het Papiamentu precies zoals ze het uitspreekt. Zoonlief begrijpt alles en schrijft terug in het Papiamentu en moesje begrijpt alles. Moesje in Suriname, als ze nou Hindoestaanse is of Javaanse of creoolse, is niet in staat zoonlief in het Hindi, Javaans of Sranantongo te schrijven. Om maar niet van het Nederlands te spreken.
Men neme eens de proef op de som. Stuur eens als schrijver een presentexemplaar van je boek naar de president of een minister in Suriname. Je kunt er donder op zeggen dat je nimmer een bedankbriefje terugkrijgt. Onbeschoftheid of vrees voor het maken van taalfouten? Doe hetzelfde met koningin Beatrix of een minister in Nederland of de Antillen en kijk naar het resultaat. Daar kan ik echt van meepraten. Ik geloof dat hier de schoen wringt. De vrees om te schrijven, uit vrees fouten te maken. Daar zal ik later uitvoerig op terugkomen.

[vervolg klik hier]

donderdag 3 maart 2011

Nieuwe krant voor Marrons en toeristen

Jungletoerisme, polygamie, grondrechten. Het zijn zomaar wat thema's waarover je kunt lezen in de Marronkrant. Deze nieuwe krant, die in Nederland wordt uitgegeven, is bedoeld voor Marrons, maar ook voor andere Surinamers en Nederlanders die het Surinaamse binnenland willen bezoeken. Het eerste nummer is pas verschenen, voorlopig alleen in het Nederlands.

Directeur Robert Misiedjan noemt de Nederlandse krant het begin. Maar er wonen ook Marrons in Frans Guyana, Frankrijk en Amerika. Dus op termijn hoopt hij een meertalige krant te maken. Nu heeft de krant een oplage van 10.000 exemplaren in Nederland. Misiedjan hoopt ook op dat gebied uit te breiden. De directeur heeft het over een verdubbeling. Die andere 10.000 worden dan in Suriname verspreid.

Broodnodig
Veel kranten in Nederland hebben het moeilijk. Het heeft Misiedjan niet van zijn initiatief weerhouden. Hij is ervan overtuigd dat de Marronkrant broodnodig is. Onder meer omdat kinderen op de basisschool in het binnenland geen krant lezen.

Maar Misiedjan noemt ook als reden dat Marrons elkaar vroeger op de hoogte hielden via mond-tot-mondoverlevering. Dat gebeurt nu minder. En bovendien maakt het feit dat er nu zes vertegenwoordigers van de Marrons in het kabinet Bouterse zitten, dat er behoefte is aan goede berichtgeving over Marrons.

[RNW]

dinsdag 8 februari 2011

Het amusement in de koloniale pers

Op vrijdag 27 mei 2011 vindt in Leiden de presentatie plaats van Realisten en reactionairen; De geschiedenis van de Indisch-Nederlandse pers, 1905-1942 van Gerard Termorshuizen, met medewerking van Anneke Scholte. Aan die presentatie gaat een symposium vooraf, gewijd aan het amusement in de koloniale pers (Indië, Suriname, Antillen en Zuid-Afrika). Het symposium wordt georganiseerd door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, Leiden en de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde, Leiden. Het programma is als volgt:

10.00 uur Ontvangst met koffie
10.30 uur Opening door Peter van Zonneveld
10.40 uur Gerard Termorshuizen: De Indischgast ‘zóó belust op schandaaltjes en personaliteiten’
11.00 uur René Vos: Hoezo tropenstijl, histoire intime en personaliteiten??? Verspreiding en receptie van Indisch krantennieuws in Nederland, ca. 1865-1930
11.20 uur Peter van Zonneveld: intermezzo
11.35 uur Harry Poeze: Veel ernst en weinig verstrooiing; Een Indonesische krant in Medan uit 1933
11.55 uur Huub de Jonge: Spot en provocatie. De strijd van het tijdschrift Aliran Baroe tegen misstanden in de Arabische gemeenschap in Indië
12.15 uur Thom Hoffman (acteur): intermezzo

12.45 uur Lunch

14.00 uur Olf Praamstra: ‘Kaatje Kekkelbek’, de Zuid-Afrikaanse pers en de literatuur
14.20 uur Wim Rutgers: Dicht en ondicht in en op de pers. Hoe Curaçaose periodieken hun lezers amuseerden

14.40 uur Theepauze

15.10 uur Michiel van Kempen: De Wirtenbergsche olyphant en het schriftje van Orlando. Amusement in tweeëneenhalve eeuw Surinaamse kranten
15.30 uur Angelie Sens: ‘Zonder Tom Poes zijn we onverkoopbaar!’ Getekende beelden in de Nederlandstalige Indische/Indonesische pers, ca. 1920-1957
16.00 uur Vragen en discussie
16.30 uur Sluiting

ca. 17.00 uur Presentatie Realisten en reactionairen; De geschiedenis van de Indisch-Nederlandse pers, 1905-1942. Sprekers o.a. Gert Oostindie en Vic van de Reijt

Plaats: Kamerlingh Onnes Gebouw (Lorentzzaal), Steenschuur 25. De Steenschuur (het verlengde van het Rapenburg) ligt op een kwartier loopafstand van het station. Parkeren is o.a. mogelijk op het parkeerterrein Haagweg. Daarvandaan rijdt een gratis busje naar de Steenschuur. De loopafstand is tien minuten.

Toegangsprijs voor symposium en presentatie: 25 euro inclusief lunch, koffie, thee en borrel. U kunt zich inschrijven op het bijgevoegde formulier.

De toegang tot de presentatie (omstreeks 17.00 uur), met afsluitende borrel, is gratis. Nadere informatie: tel. 0172-416272 (e-mail: secr.indletteren@12move.nl) of tel. 071-5272372 (e-mail: sitinjak@kitlv.nl)

vrijdag 9 juli 2010

Nieuw Suriname-onderzoek

Twee nieuwe promovendi beginnen binnenkort aan de Universiteit van Amsterdam te werken aan een proefschrift met een aan Suriname gerelateerd onderwerp. Ellen de Vries begint een promotietraject met als onderwerp: 'Strijd is er te voeren' - de rol van media in de postkoloniale verhouding tussen Suriname en Nederland (1975-2000). Promotoren zijn prof. dr Frank van Vree, hoogleraar Journalistiek, Afdeling Mediastudies, en prof. dr Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren. Suzanne Zijlstra pakt een onderwerp uit de slaventijd aan: Domination or Collaboration: The Development of Power Relations between Ethnic Groups in the Seventeenth-Century Plantation Colony Suriname. Promotor is prof. dr Henk van Nierop, hoogleraar Vroegmoderne Geschiedenis en hoofd van de Vakgroep Geschiedenis, Archeologie en Regio Studies; dit project zal worden ondergebracht in het programma Gouden Eeuw.


Op de foto: Ronnie Brunswijk, @ Berry Stokvis HH

donderdag 17 juni 2010

Armand Snijders mishandeld

De Nederlandse journalist Armand Snijders, hoofdredacteur van het Surinaamse maandblad Parbode is afgelopen weekeinde in Paramaribo ernstig mishandeld. Dat heeft Snijders gezegd tegen de Wereldomroep.

Hij werd door een auto van zijn bromfiets gereden, en vervolgens geslagen en geschopt. Met gebroken ribben, een op drie plaatsen gebroken sleutelbeen en schaafwonden belandde hij in het ziekenhuis, waaruit hij dinsdag werd ontslagen. 'Die rotzooi in Parbode!', hadden de daders hem toegebeten.

Zorgelijk
Snijders is al vaker mishandeld vanwege zijn journalistieke werk in Suriname. De laatste keer was in oktober vorig jaar. Hij heeft geen idee wie er achter zit. Snijders heeft geen aangifte gedaan; hij gelooft niet dat de daders kunnen worden opgepakt.

Snijders staat in Suriname bekend als een kritische journalist die geen politiek kopstuk spaart.
De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) noemt de mishandeling van Snijders een zorgelijke ontwikkeling. 'Hier is geen sprake van een incident, maar een doelgerichte mishandeling die ook nog terugkerend is', aldus Thomas Bruning, algemeen secretaris van de NVJ.

[Ontleend aan Waterkant.net]


Vor de website van de Parbode, klik hier

Ook de Werkgroep Caraïbische Letteren verwerpt met kracht elke poging tot kneveling van de persvrijheid, en wenst Armand Snijders sterkte.

zaterdag 1 mei 2010

De periodieke pers in (post)koloniale samenlevingen

Op vrijdag 21 mei 2010 organiseert de redactie van TS. Tijdschrift voor Tijdschriftstudies in Utrecht een symposium over (post)koloniale kranten en tijdschriften. Uit recente publicaties over de Indische en Surinaamse pers is gebleken dat de journalistiek in de Nederlandse koloniën een heel eigen dynamiek en problematiek kende. Kranten en tijdschriften vormen niet alleen een belangrijke bron van informatie over de koloniale geschiedenis; het medium van de (post)koloniale periodieke pers vormt in zichzelf een belangwekkend onderzoeksobject. Tijdens het symposium worden lezingen over de Nederlandse koloniën afgewisseld met bijdragen over andere (met name Franstalige) gebieden.

Programma:

* 9.30 uur: Registratie en welkom

* Sessie 1 (10.00-11:15 uur)
Keynote: Angelie Sens (directeur Persmuseum): 'Tijdschriften van onder de Kankantri en Klapperboom. De periodieke pers in Suriname en Nederlands-Indië/Indonesië.'
Désirée Schyns (Hogeschool Gent): 'Geschiedenis voor een groot publiek. De Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962) in Historia Magazine (1971-1974)'

* Sessie 2 (11.30-12:30 uur)
Adrienne Zuiderweg (Universiteit van Amsterdam): 'Nieuwsgaring in Batavia tijdens de VOC.'
Gerard Termorshuizen (KITLV): ‘"Indië is eigenlijk Europa geworden"; Over Indische kranten en tijdschriften (1900-1942).'

V.l.n.r. Pamela Pattynama, Inge Dharmowijono, Adrienne Zuiderweg

Lunchpauze

* Sessie 3 (13.30-14:45 uur)
Keynote: Ieme van der Poel (Universiteit van Amsterdam): 'Op zoek naar 20.000 doden: de vergeten geschiedenis van de Congo-Océan (1921-1934) door de ogen van de Franse koloniale pers.'
Emmanuelle Radar (Universiteit Utrecht): 'Louis Roubaud en Le Petit parisien: kritiek op het Franse kolonialisme begin jaren 1930.'

* Sessie 4 (15.00-16.00 uur)
Yasmina el Haddad (Universiteit van Amsterdam): 'Het literaire tijdschrift Al-Môtamid: eenheid in verscheidenheid.'
Fouad Laroui (Universiteit van Amsterdam): 'Souffles, een postkoloniaal tijdschrift met een grote blinde vlek.'

Plaats: Universiteit Utrecht, Drift 21, Sweelinckzaal.
Kosten voor deelname (i.v.m. lunch en koffie/thee) bedragen 10 euro, ter plaatse te betalen. Aanmelden kan tot 7 mei via redactie@tijdschriftstudies.nl.