Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

De dichter en het woord

door Jerry Dewnarain

Bij uitgeverij In de Knipscheer is Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord verschenen, een multimediaal eerbetoon aan drie Surinaamse dichters: Trefossa, Shrinivási en Dobru.
In een opstel ‘Over nationale letterkunde’, gepubliceerd in Sticusa-Journaal van 1974 ontvouwde Albert Helman zijn visie op de vijf ontwikkelingsfasen in het ontstaan van een eigen literaire productie in de dekoloniserende landen. In de derde fase kenmerkt Helman de Surinaamse poëzie als volgt: ‘Er ontstaan sterker op het lokale milieu betrokken gedichten en echte streekverhalen en streekromans, al dan niet in de algemeen gangbare cultuurtaal of in een van de “vernaculars”. Gemakshalve worden beide taalsoorten (het Nederlands en het Sranan) vaak dooreengemengd, of opzettelijk, terwille van de lokale kleur, incidenteel of exclusief gebruikt. De gedichten zijn meest van lyrisch-protesterende aard of illustreren populaire slogans.’ De derde fase is de periode van eind jaren ’50 en de jaren ’60: veel protestliteratuur, volop ontplooiing van de volkstalen, verdieping in de historische anekdotiek. Voorbeelden hiervan zijn: ‘gronmama’ (Trefossa), ‘Suriname’ of ‘De dichter en het woord’ (Shrinivási) en ‘Holi Phagwa 1973’ of ‘geen plaats’ (Dobru).

Buste van Trefossa op de hoek van het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo.
Foto © Michiel van Kempen

Met andere woorden de periode 1957-1975 stond in het teken van het engagement met het volk, de strijdliteratuur en de nationale of nationalistische literatuur. Daarbij moet ook worden aangetekend dat deze periode verrassend veel werk opleverde dat meer dan een kwart eeuw later als gecanoniseerd zou gelden. Trefossa, Shrinivási en Dobru maken zeker deel uit van de Surinaamse poëziecanon. Dat bewijst ook de keuze van de dichters. Maar deze drie ‘groten’ zijn niet de enige grote Surinaamse dichters... er zijn er veel meer in dit poëzieland. In de inleiding van Cynthia Abrahams staat: ‘De gedichten zijn gekozen uit het werk van de drie meest geliefde dichters van Suriname, Trefossa, Shrinivási en Dobru.’ (p. 12) En Mavis Noordwijk zegt in een interview: ‘De manier waarop Trefossa typische Sranan-woorden en uitdrukkingen in zijn poëzie gebruikt, geeft een meerwaarde aan het Sranan. Hij is voor Suriname van buitengewoon grote betekenis zowel voor de literatuur als voor de cultuur geweest. Trefossa gebruikte in zijn vertalingen vaak beelden die aansluiten bij de Surinaamse belevingswereld’. (p. 28)

Shrinivási, april 2014
Foto © Michiel van Kempen
Shrinivási is de dichter die tegenstellingen overbrugt of met elkaar verzoent: die tussen het district en de stad of die tussen religies (hindoeïsme en christendom). Maar hij brengt ook talen bijeen, want hij schrijft in het Nederlands, Hindi, Sarnámi, wat hij steeds vergezeld doet gaan van een eigen vertaling in het Nederlands. Shrini is eigenlijk ook de dichter van ballingschap en vervreemding. Een terugkerend thema is de pijn van ballingschap en vervreemding. Het gedicht ‘Deháti’ uit Anjali is zo een voorbeeld (p. 48). Dobru is het Sranan-woord voor dubbel en is afgeleid van zijn initialen R(obin) R(aveles). Terugkerende thema’s in zijn werk zijn: vaderlandsliefde, het bekritiseren van sociale wantoestanden, de eenwording van het Surinaamse volk, liefde en armoede. Al in 1965 schreef hij zijn gedicht ‘Wan’ of ‘Wan bon’, geïnspireerd door het nationaal jeugdcongres dat in Paramaribo werd gehouden. Dit gedicht is intussen uitgegroeid tot het nationale gedicht en neemt in de multiculturele Surinaamse maatschappij een centrale plaats in (p. 76). De boom staat symbool voor Suriname en de bladeren voor de diverse bevolkingsgroepen in het land, dat één moet worden.

Saxofoniste Sanne Landvreugd speelt mee op de cd.
Foto © Michiel van Kempen
Kortom Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een mooie, informatieve en zeer creatieve uitgave waarin poëzie van drie stonfutu Surinaamse dichters Trefossa (Henny de Ziel), Dobru (R. Raveles) en Shrinivási (Martinus Lutchman) is verwerkt tot prachtige muziek op dvd. Dave MacDonald (singer/songwriter) componeerde muzikale gedichten die worden vertolkt door een groep artiesten, onder wie Desiree Manders, Claudio Ritfeld, Julya Lo’ko, Martin Buitenhuis, Zanillya Farrell, Raj Mohan, Sim’Ran, Norman van Geerke, Sarah-Jane Wijdenbosch en Sanne Landvreugd. Er is gestreefd naar een harmonieus samengaan van woord en muziek, een ‘blend’ van literatuur en muziek; zo verwoordt Cynthia Abrahams het in haar inleiding (p. 12). Het is ongetwijfeld een bijzondere manier van documenteren van de rijkdom van gemeenschappelijk Surinaams cultureel erfgoed. Ieder van de drie dichters heeft zijn eigen prachtig vormgegeven deel van het boek gekregen, met veel foto’s, informatie over hun leven en werk door kenners en uiteraard een keuze uit hun gedichten.

De invloed van de drie behandelde dichters op de Surinaamse literatuur is bijzonder groot. Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een sieraad voor elke liefhebber van de Surinaamse literatuur. Ook jongeren kunnen op een moderne manier kennis maken met dit muzikaal bewerkte culturele erfgoed en zelfs aangespoord worden werken van Surinaamse dichters te gaan lezen en deze creatief te gebruiken.
Cynthia Abrahams

Cynthia Abrahams, Hein Eersel, Geert Koefoed (samenstelling en inleidingen): Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord. Dobru, Shrinivási, Trefossa. Drie Surinaamse dichters op muziek gezet. Boek en dvd. Haarlem: In de Knipscheer i.s.m. IKO Foundation, 2014. ISBN 978 90 6265 852 7


De ondernemer-auteur Clark Accord

Waarom schreef Clark Accord niet over
homoseksualiteit?
door Christine F. Samsom

Afgelopen zondag, elf mei, was het alweer drie jaar geleden dat Clark Accord, de schrijver van een aantal spraakmakende boeken, op vijftigjarige leeftijd overleed. De stichting met zijn naam, de Clark Accord Foundation (CAF), die ongeveer een jaar na zijn dood onder voorzitterschap van zijn zus Mavis Accord werd opgericht, heeft de herinnering aan Clark levend gehouden en in die korte tijd veel werk verzet. Dat kwam tot uiting tijdens de lezing die de neerlandicus Jerry Dewnarain onlangs hield tijdens de ondernemersavond van de KKF en tijdens de Clark Accord-lezing door de zakenvrouw Karin Refos vier dagen later in Tori Oso.

Elke dinsdagavond worden in het KKF-gebouw lezingen georganiseerd die interessant kunnen zijn voor ondernemers. Jerry Dewnarain, secretaris van de CAF, heeft op zes mei met een powerpoint-presentatie duidelijk gemaakt dat het schrijven en publiceren van een boek of het opzetten van een stichting als de CAF net zo’n onderneming kan zijn als het opzetten van een bedrijf. Hij noemt de doelstellingen van de CAF: aandacht geven aan de literaire erfenis van Clark Accord en jongeren stimuleren om te gaan schrijven. Via de Clark Accord-lezingen, werkt de CAF aan het eerste doel. Het tweede doel probeert de foundation te bereiken door het organiseren van workshops creatief schrijven, presentaties op scholen, lesbrieven, literaire tours voor leerlingen en het houden van de ‘Clark Accord Sori Yu Talenti’-schrijfwedstrijd voor jongeren tussen vijftien en dertig jaar. De eerste wedstrijd resulteerde in 2013 in de bundel Het geheim van Ston Oso en andere verhalen, de titel ontleend aan het winnende verhaal van Hetty Amatodja die onlangs met nieuwe publicaties uitkwam.

Jerry Dewnarain. Foto © Michiel van Kempen

Jerry Dewnarain laat dan het leven van Accord de revue passeren: Als Clark na de middelbare school naar Nederland vertrekt, gaat hij verpleegkunde studeren en daarna visagie, een vak dat zich bezighoudt ‘met het accentueren van de sterke kanten van een gezicht en het camoufleren of corrigeren van de minder sterke kanten’, zegt de vrije encyclopedie ‘Wikipedia’. Is dat niet wat hij ook als schrijver zal toepassen en waaruit zijn ondernemerszin al blijkt? Jarenlang maakt hij als visagist furore in Wenen, de charmante hoofdstad van Oostenrijk en komt de modewereld hem tegen in vooraanstaande bladen als Marie Claire, Elle en Vogue. De koningin van Paramaribo, intussen vertaald in het Engels, Duits, Spaans en Fins, waarvan in 2011 de 31ste druk verschijnt. Dewnarain legt de nadruk op de keuze van Accord voor taboedoorbrekende en maatschappijkritische thema’s in zijn boeken: prostitutie in een preutse, schijnheilige samenleving in zijn eerste roman, een onmogelijk liefdesverhaal in het bos in Tussen Apoera en Oreala (2005) en gokverslaving in Bingo!, zijn derde roman (2007). Het kiezen van herkenbare, boeiende, uit het leven gegrepen thema’s en het gebruik van een eenvoudige, beeldende schrijfstijl verhoogt volgens Dewnarain het leesplezier, het aantal lezers en daarmee de verkoopcijfers, en is dat niet waar het ondernemers om gaat? Blijft één vraag bij mij hangen: waarom schreef Clark Accord - zelf gay - niet over homoseksualiteit om een ander taboe in onze samenleving te noemen?
Terug in Amsterdam legt hij zich via cursussen toe op de schrijfkunst en na veel onderzoek komt hij in 1999 uit met zijn debuutroman die al snel een groot succes wordt:


Op vrijdag negen mei herinnert de voorzitter van de CAF in haar inleiding het vooral jonge gehoor aan de lijfspreuk van haar broertje: ‘Kan niet bestaat niet!’ Osje Braumuller, bigiman fu Tori Oso, geeft aan, hoe Clark, als liefhebber van een bourgondische levensstijl én als ondernemer, heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van het culinair toerisme in Suriname. De monoloog, De gevallen vrouw bestaat niet, door Clark zelf geschreven en ooit uitgevoerd door Helen Kamperveen, wordt in Tori Oso prachtig vertolkt door Renate Galdij onder regie van Michael Austin. Zelfverzekerd, zakelijk, verleidelijk, leidt zij het publiek naar de keynote speech van Karin Refos die onder de titel ‘Jong ondernemerschap in relatie tot vrouwelijk leiderschap’ de Clark Accord-lezing verzorgt (in een outfit die Clark zeker zou zijn bevallen, als hij erbij was geweest). Met verve brengt Karin drie uitgangspunten naar voren voor de jonge schrijvers-in-spe die in spanning de uitslag van de ‘Sori yu Talenti’-wedstrijd nog even moeten afwachten. Voor succesvol ondernemerschap, ... en schrijven is ondernemen..., moet je een aantal zaken goed in de gaten houden: je moet ambitie hebben, de juiste attitude in de omgang met mensen en een goed financieel beheer. Daarnaast moet je maatschappelijk betrokken zijn en je ondernemerschap kunnen combineren met creativiteit. Je moet vasthouden aan je droom, spaarzaam zijn, discipline hebben, je kennis willen vergroten en vooral’... je moet hard werken! KAN NIET BESTAAT NIET! 

Souvenir van een verleden

Poelepantjebrug Paramaribo
door Jerry Dewnarain

‘Ik probeer zo waarheidsgetrouw mogelijk te zijn, zodat de historische waarde ervan niet verloren raakt’, schrijft Tjait Ganga in de inleiding (episode 1) van zijn boek dat eind april 2014 uitkwam. Ganga’s boek Souvenir van een verleden. Autobiografische verhalen omvat persoonlijke herinneringen vanaf de vooroorlogse jaren tot het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw. Het is belangrijk dat Ganga zich bewust is van de noodzaak om zijn herinneringen juist weer te geven, want levensverhalen zijn wetenschappelijk ‘lastig’, ze zijn subjectief en gekleurd. Ter voorkoming van de valkuilen ‘subjectiviteit’ en ‘gekleurde bril’, dienen deze altijd gecheckt te worden. Bovendien moeten ze in een context geplaatst worden. Verifiëren en vergelijken kan dus door middel van ‘harde middelen’, zoals kranten, archieven en internet. Bovendien zullen de oudere lezers van dit boek vaak Ganga’s herinneringen herbeleven. Mijn moeder is zo een voorbeeld. Ze is ongeveer tien jaar jonger dan Ganga en heeft het boek met plezier gelezen. Zij vindt de herinneringen van Ganga herkenbaar en deze zijn nostalgisch. Als meisje van de Koningstraat en zelf ook ex-onderwijzeres herkent zij vele episodes die in het boek zijn beschreven.

Souvenir van een verleden is een egodocument. Egodocumenten zijn documenten over persoonlijke gebeurtenissen en levenservaringen. Het begrip is een verzamelterm om autobiografieën, memoires, dagboeken, persoonlijke brieven en dergelijke teksten mee aan te duiden, kortom, alle teksten waarin de auteur schrijft over eigen handelen en gevoelens. De nadruk wordt gelegd op het ego, het ik, dat de kern van het egodocument uitmaakt. Deze definitie maakt ook duidelijk dat de auteur het egodocument bewust creëert met een welbepaald motief. Dit motief is het overbrengen van zijn verhaal om anderen zowel te informeren als te beïnvloeden. Wat is het historische belang van Ganga’s persoonlijke herinneringen oftewel het documenteren van gewone mensen in het recente verleden?
Houten woningen van Brits-Indische contractarbeiders

Er zijn weinig schriftelijke bronnen over gewone mensen. In archieven is materiaal te vinden ‘over’, maar nooit ‘door’ de gewone man. Levensverhalen bieden een menselijke maat om processen, die het verstand vaak te boven gaan, te kunnen begrijpen. Ze bieden ook mogelijkheden om grote zwart-wit tegenstellingen te nuanceren, zoals de horrorverhalen uit de dertiger en veertiger jaren te Baka Crepy (episode 3) of over liefde en huwelijk (episode 14), enzovoort. Via levensverhalen kom je dichter bij de ‘grote geschiedenis’. Herkenning en empathie daarvoor kunnen daardoor tot stand komen. In het onderwijs kun je jongeren hiermee sneller bij de officiële historie betrekken. Een voorbeeld: ‘De toenmalige minister van Onderwijs de heer drs. Ronald R. Venetiaan heeft tijdens zijn twee ambtsperioden alles in het werk gesteld om dat nobele doel [van onderwijsvernieuwing] te bereiken... het is goed om deze [en andere] namen te vermelden, aangezien deze schoolbegeleiders van het eerste uur, het land hebben doorkruist om de nieuwe curricula op alle basisscholen te implementeren. Het model van de Didaktische Analyse heeft zeker het didaktisch handelen van leerkrachten verbeterd!’ schrijft Ganga. (pp. 193-194)

Van mijn vader hoorde ik zo vaak de verhalen over de ‘Poerpangie-broki’ waar mijn grootvader uit Saramacca aan het begin van de vorige eeuw landbouwproducten verkocht. Ganga schrijft het volgende over deze brug: ‘De Poelpantje brug was de belangrijkste verbinding tussen Paramaribo en Para pasie, Domburg, Paranam, en de rest van het binnenland. Deze brug was een ijzeren ophaalbrug die, zo ver mij bekend, door de Amerikanen was gebouwd. Deze brug over de Domineekreek is in de historie bekend als “Poerpangi-broki”.’ (pp. 106-107) Een foto van deze brug staat op pagina 107. Het is jammer dat Ganga niet over de economische activiteiten rondom de Poerpangi-broki vertelt. Hindostaanse landbouwers uit Saramacca voeren enkele dagen over de Saramaccarivier en het Saramaccakanaal om uiteindelijk hun producten op ‘Poerpangi’ (Domineekreek) te verkopen. Zij raakten bevriend met hun creoolse klanten en vaak genoeg overnachtte mijn grootvader ook bij deze creoolse broeders totdat hij zijn producten had verkocht. Toen al begon de verbroedering en samenwerking tussen de hindostanen uit de districten en de stadscreolen!

Souvenir van een verleden is onderverdeeld in 29 episoden. Bij het lezen van het boek snap ik waarom Ganga niet kiest voor hoofdstukken maar voor episoden. Elke episode staat op zichzelf en zou als het ware een aflevering van een soap- of tv-serie kunnen zijn. De foto’s verduidelijken het verhaal en sommige zijn waardevol voor de Surinaamse geschiedenis, zoals de foto van de brug over de Domineekreek (zie ook omslag van het boek). Het boek leest prettig en is zeker een aanwinst die onder meer het leven schetst van personen en een beeld geeft van bepaalde delen van Paramaribo en districten, met name ook Nickerie en de zeereis ernaartoe, enkele decennia lang van de vorige eeuw, bekeken vanuit het vertelperspectief van Tjait Ganga.

Tjait Ganga: Souvenir van een verleden. Autobiografische verhalen, 244 pp. Paramaribo, 2014. ISBN 978-99914-7-287-4


De slaaf met de stem

Tessa Leuwsha
 door Tessa Leuwsha

De vrouw die mijn Surinaamse oma opvoedde heette Angelica Louisa Brouwn. Ze was tot haar twaalfde jaar slavin, haar slavennaam was Beckie. Solomon Northup die het boek 12 jaar slaaf naar zijn eigen ervaringen liet opstellen, overkwam in 1841 in Amerika hetzelfde. Toen Northup in slavernij verviel, kreeg hij een andere naam, Platt Epps. Epps, naar een latere eigenaar. Slavernij draaide om het ontnemen van iemands eigenheid. Slaven waren naamloze wezens zonder stem. Met Solomon Northup lag dat anders. Northup was als vrij man geboren. Hij kon lezen en schrijven, speelde viool en beschouwde zich niet minder intelligent dan de blanken die hij had ontmoet en voor wie hij later kwam te werken.

Northups verslag over zijn periode doorgebracht in slavernij was al bij publicatie in 1853 bijzonder. Het verscheen een jaar na Uncle Tom’s Cabin/ De negerhut van oom Tom van Harriët Beecher Stowe, dat handelde over de lotgevallen van slaven die vluchten. De negerhut van oom Tom was de eerste Amerikaanse roman met een zwart persoon in de hoofdrol. Het boek sloeg in Amerika een diepe kloof tussen voor- en tegenstanders van slavernij. Verzon Beecher Stowe, een blanke dochter van een predikant, haar roman, Northup ondervond zijn relaas aan den lijve. Toen Northup in 1841 tot slaaf werd gemaakt, was in het Noorden van Amerika slavernij al afgeschaft. In het Zuiden bestond die nog volop. Aanvoer van verse slaven voor de zuidelijke katoenplantages vormde een probleem. Het kidnappen van vrije zwarten door slavenhandelaren gebeurde regelmatig. Dit overkomt ook Solomon Northup uit de noordelijke staat New York. Northup is gehuwd en heeft twee kinderen, maar hij belandt duizenden kilometers van huis op een slavenmarkt. Daar moet hij helder uit de ogen kijken en zijn mond openen, zodat kopers ook zijn gebit kunnen keuren. Gelukkig voor zijn verkopers heeft Northup aan de zweep in het slavendepot niet al te veel littekens overgehouden. Die zouden blijk geven van een rebelse, weerspannige inborst: geen goed verkoopmateriaal. Toch behoudt Northup, nu Platt, in zijn vreselijke omstandigheid oog voor detail. Hij ruikt de schimmellucht in het ondergrondse vertrek waar hij gevangen wordt gehouden, hoort het kraaien van een haan die de ochtend aankondigt en het ratelen van een koets. Die precisie in waarneming en Platts talent zijn situatie haarscherp te beoordelen maken zijn verslag zo waardevol. Uit een monddood gemaakte, anonieme groep is daar opeens een slaaf die zijn ervaringen voor anderen invoelbaar maakt. Northup bevond zich als slaaf in hetzelfde gebied, waarin Beecher Stowe haar roman situeerde. Hij werkte op verschillende plantages aan de Red River. Een warme, vochtige streek, vergeven van moerassen en van bomen waar een grimmig baardmos uit hangt. Ontsnappen is een illusie die Platt twaalf jaar zal koesteren. In die twaalf lange jaren wandelen mensen in en uit zijn leven. De slavenhouder William Ford, die zijn slaven goed behandelt, maar die opgroeide met de overtuiging dat de ene mens het recht heeft de andere te onderdrukken. ‘Massa’ Ford noemen zijn slaven hem, meester Ford; masra in het Surinaams. Fords tegenhanger is John Tibeats, de gemene blanke, ‘white trash’. Tibeats jaagt op weggelopen slaven om te verkopen. Als Platt het met hem aan de stok krijgt, moet die het bijna ontgelden. ‘Waar zullen we die nikker ophangen’, vraagt een van Tibeats metgezellen. Massa Ford schiet te hulp. Platt is ten slotte een goede nikker, hij werkt hard en is intelligent. In Platts leven spelen ook medeslaven een rol. Niet anders dan een slavenhouder beschouwt Platt zijn lotgenoten, die in slavernij zijn geboren, als los van zichzelf: ongeschoold maar doordrongen van een sterk besef van wat vrijheid moet inhouden. Eliza wordt gescheiden van haar kinderen en verkommert van verdriet. De jonge, opgewekte Patsey trekt de aandacht van haar eigenaar Epps, aan wie ook Platt is doorverkocht. Epps misbruikt haar. Slavernij verdedigt hij met de bijbel: het aan het blanke ras door ‘God’ gegeven recht een ander volk te knechten. Dat Epps seks heeft met zijn slavin is zelfs voor hem moeilijk verkoopbaar. Epps’ vrouw, die de situatie door heeft, zint op wraak: Epps moet Patsey afranselen. Epps besteedt dit uit aan Platt, die gehoorzaamt. ‘Het is nauwelijks te bevatten hoe onderdanig een slaaf die in angst en onwetendheid is grootgebracht geneigd is te kruipen onder de blikken van een blanke’, zegt Northup in zijn verslag. Die opmerking blijkt ook voor Northup zelf te gelden, al was hij ooit een vrij man; hij slaat zich niet als held op de borst.

Northup verdicht de tijd in zijn levensverhaal, zodat de meest kernachtige gebeurtenissen eruit springen (het gros van die twaalf jaren waren ongetwijfeld een eentonige dreun). Daarnaast maken zijn detaillistische observaties dat het relaas leest als een roman, maar dan waar gebeurd. Bijzonder zijn ook de beschrijvingen van het werk en leven op de plantage. Iedere dag maïskoek en spek, slapen op een plank met een stuk hout als kussen, voortdurend angst voor van alles: voor te laat opstaan, voor zweepslagen wanneer er niet genoeg katoen is geplukt, voor ’s nachts bij volle maan te moeten doorwerken. En toch kan Northup haast poëtisch zijn: ‘Er is bijna geen uitzicht zo aangenaam als dat op een uitgestrekt katoenveld dat in bloei staat. Het biedt een aanblik van zuiverheid, als een smetteloze vlakte met lichte, vers gevallen sneeuw.’ Ook is hij in staat begrip op te brengen voor de andere kant. Epps’ zoon van tien rijdt al parmantig rond op zijn pony met een zweep in de hand. Aangeleerd, niet aangeboren, volgens Northup. Het kroost van de doorsnee slaveneigenaar weet niet beter dan dat slavenruggen er zijn om af te ranselen. Dat Northup kan lezen en schrijven, kennis die hij angstvallig voor zijn eigenaren verborgen houdt, blijkt zijn wapen. Na twaalf jaar gevangenschap weet hij zich er zijn vrijheid mee terug te veroveren. Pas dan wordt Platt Epps weer een individu: Solomon Northup.

De Nederlandse historica en journaliste Bianca Stigter herontdekte het in vergetelheid geraakte boek, toen haar partner, filmregisseur Steve Mc Queen, op zoek was naar een verhaal over slavernij. Northups relaas draagt alle elementen voor een succesvol script: schurken die slaven stelen, goede en slechte meesters, de liefde die Solomon Northup blijft koesteren voor zijn vrouw en kinderen. Steve Mc Queen maakte er een verfilming van die hem de Oscar voor beste film opleverde. In de Nederlandse vertaling van Northups levensverhaal, gebracht door uitgeverij Atlas Contact, is een voorwoord opgenomen van Steve Mc Queen en een inleiding van Bianca Stigter.


Solomon Northup: 12 jaar slaaf; Nederlandse vertaling: Leen Van Den Broucke, Inge Kok, Arjaan van Nimwegen, Thijs van Nimwegen; voorwoord Steve Mc Queen, inleiding Bianca Stigter. Uitgeverij Atlas Contact, 2014. ISBN 9789025443603. Oorspronkelijke titel: Twelve Years a Slave. Uitgave van Derby and Miller, 1853

22 meter aan rood haar


door Hilde Neus

Gabriel García Márquez was een groot deel van zijn leven journalist, en heeft dat beroep nooit afgeschud, het was zelfs de basis van zijn literatuur. Het motto van de roman Over liefde en andere duivels (1994) is een stelling van de roomse kerkgeleerde Thomas van Aquino, die schrijft over ‘de gaafheid van herrezen lichamen’: ‘Het schijnt dat de haren veel minder goed herrijzen dan de andere delen van het lichaam.’
In 1949 wordt de journalist Márquez gevraagd de ruiming van de grafkelders van het klooster van Sint-Clara te verslaan, omdat er een nieuw hotel zal worden gebouwd (nu een sofitel). Hij gaat ernaar toe en kijkt de werkzaamheden met verbazing aan. Maar wat de werkelijkheid tart, is het nieuws: ‘Al bij de eerste slag van de pikhouweel sprong de deksteen in stukken, en kwam uit de crypte een levendige haardos met een diepe koperkleur naar buiten golven ... die nog vastzat aan een meisjesschedel. Uitgerold mat het haar 22 meter en 11 centimeter.’

Hier toont zich de meester in Márquez. Hij maakt gebruik van een verlichtingsfoefje, een redactiestukje om datgene wat erna komt, vast te ankeren in de werkelijkheid. Dat erna is de roman: het verhaal over de prachtige Sierva Maria de Todos los Angeles, de verwaarloosde dochter van een markies en een creoolse handelaarster in slaven. Het twaalfjarige meisje wordt gebeten door een dolle grijze hond met een witte vlek op zijn kop. Ze heeft aanvankelijk geen ziekteverschijnselen, maar haar vader laat haar op bevel van de bisschop in het klooster van Sint-Clara opnemen om de duivel in haar uit te drijven. Dit wordt het werk van Cayetano Delaura, een knappe jonge pater met zwart haar en een witte pluk op zijn voorhoofd. Zijn doel bereikt hij niet, omdat de twee waanzinnig verliefd worden op elkaar. In de tragedie die volgt schetst Márquez vooral de hypocrisie van de kerk en stelt hij het celibaat aan de kaak. De slavernij speelt een belangrijke rol in dit verhaal dat zich ruim twee eeuwen geleden afspeelde in de Columbiaanse stad Cartagena. Voor mij is dit het ultieme Márquez-boek, vanwege de barokke taal in buitengewone samenhang met de materie.

Misschien heeft de auteur voor een andere roman een prachtige openingsregel geschreven. Maar ik vind dit wel het allermooiste slot ooit: ‘De bewaakster die haar kwam voorbereiden op de zesde sessie van de duiveluitdrijving trof haar gestorven van liefde aan in bed, met stralende ogen en de huid van een pasgeborene. De stekeltjes van haar haren verrezen als bruisende belletjes uit haar kale schedel, men zag ze groeien.’

Gabriel García Márquez: Over de liefde en andere duivels, oorspronkelijke titel: Del amor y otros demonios, Nederlandse vertaling: Adri Boon. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1994


Cholera en Liefde: dezelfde symptomen

door Christine F. Samsom

Voor wie niet weet, wat voor vreselijke ziekte cholera is, wat de oorzaak is, wat de verschijnselen zijn, hoe de ziekte in de negentiende en twintigste eeuw tot epidemieën leidde met tienduizenden doden en hoe de ziekte werd bestreden, is ‘Liefde in tijden van cholera’ van Gabriel García Márquez gedeeltelijk een soort medisch handboek. Voor wie niet weet, wat echte, eeuwige liefde is, al duurt het drieënvijftig jaar, zeven maanden en elf dagen en nachten voordat die liefde echt wordt beleefd, is de roman een meesterlijk handboek over de liefde, waarin dezelfde symptomen als bij cholera moeten worden bestreden (p. 95).
De stralende ogen van een stervende geliefde uit ‘Liefde en andere duivels’ vinden we terug in ‘Liefde in tijden van cholera’. Op een nogal hilarische manier sterft dokter Juvenal Urbino, bejubeld bestrijder van de gevreesde cholera, terwijl hij zijn vrouw Fermina Daza ‘voor het allerlaatst [aankeek] met de stralendste, treurigste en dankbaarste ogen die zij ooit had gezien in een halve eeuw gemeenschappelijk leven’ (p. 69). 

De tijdelijke hoofdpersoon Urbino in het eerste hoofdstuk van het boek maakt plaats voor Florentino Arizo. Die wisseling naar de werkelijke hoofdpersoon blijkt functioneel te zijn in het geheel van de roman. Florentino blijkt al als jongeman ongeneeslijk verliefd te zijn op de toen dertienjarige, beeldschone Fermina. Alhoewel niet moeders mooiste, ongezond, miezerig, hulpeloos, met zijn brilletje, is Florentino Arizo toch populair bij de jonge vrouwen door zijn romantische vioolspel, zijn danskunst en zijn meeslepende liefdesgedichten, die allemaal alleen maar bestemd zijn voor Fermina. Haar vader ziet niets in die liefde, stuurt haar voor een paar jaar naar een tante en overtuigt er haar tenslotte van om te trouwen met dokter Juvenal Urbino. Florentino kan zijn geliefde niet vergeten, hij heeft wel ‘622’ affaires, maar blijft Fermina trouw. Weduwe geworden, wordt Fermina uiteindelijk toch veroverd door Florentino. Op het schip waar dat gebeurt, wappert de choleravlag, zodat ze ongestoord kunnen doorvaren, voor de rest van hun leven...
Het graf van de 'melaatsenpater' Petrus Donders in de
kathedraal van Paramaribo. Foto © Michiel van Kempen

Intussen laat de meesterverteller ons niet alleen weten hoe het zit met cholera en met de liefde, wij beleven met hem in zijn beeldende taal het leven in het Columbia van toen, in Parijs en het Caraïbisch Gebied. Zelfs Paramaribo wordt genoemd als plek waar de geliefde, veel talen sprekende papegaai van Urbino vandaan komt. Het is zo’n boek dat je in één adem uitleest en waarvan je daarna met moeite afscheid neemt, waaruit je allerlei wijsheid haalt, wijsheid die volgens de schrijver ‘pas komt als ze nergens meer goed voor is’! (p. 44)


Gabriel García Márquez: Liefde in tijden van cholera. Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu. Amsterdam: Meulenhoff, 10de druk, 1989. ISBN 90 290 2851 3

De grote Márquez-roman


door Jerry Egger

De openingszin van de Engelse vertaling van Honderd jaar eenzaamheid luidt: ‘Many years later, as he faced the firing squad, colonel Aureliano Buendía was to remember that distant afternoon when his father took him to discover ice’. Ik had de bekende Penguin-paperback van het boek in mijn hand toen ik deze zin las. Schitterend vond ik het. Een jongen die door zijn vader wordt meegenomen om ijs ‘te ontdekken’. Terwijl Buendía voor het vuurpeloton staat, denkt hij juist aan dat moment. Later las ik de Nederlandse vertaling die ik minder spannend vond, de jongen wordt meegenomen ‘om kennis te maken met het ijs’. Dat was toch iets anders dan ‘te ontdekken’. Vanaf die dag heb ik wel geprobeerd alles van Márquez te bemachtigen. Of het nou de Nederlandse of Engelse vertaling was, als deze naam op het omslag voorkwam, wilde ik het kopen en lezen. Hij heeft me zelden teleurgesteld. Toch bleven de familie Buendía en het plaatsje Macondo (dat in meerdere romans en verhalen voorkomt) mijn grote favorieten. In die eerste zin leek het alsof Márquez verklapte wat er met een van de romanfiguren zou gebeuren. Toch vond ik het niet erg, want de ene fantastische zin volgde de andere op. Het is verleidelijk om nog meer te citeren, maar daar is geen ruimte voor. Later toen ik geschiedenis ging studeren, begreep ik ook waarom deze roman veel meer lagen heeft dan alleen maar gebeurtenissen rondom een familie en een plaats. Hij verwerkte een belangrijk stuk historie en wist duidelijk te maken waarom in eerste instantie zoveel fout is gegaan in Zuid-Amerika. Het continent mocht dan al in de eerste helft van de 19de eeuw onafhankelijk zijn geworden, maar de effecten van de Spaanse aanwezigheid en de structuren die na 1492 zijn ontwikkeld, bleven nog heel lang bestaan. Zelfs in de eenentwintigste eeuw zijn die niet verdwenen. Vooral de meedogenloze oorlogen soms binnen de grenzen van één land of tussen twee of meerdere buurlanden zijn kenmerkend geweest, en helaas vaak nog steeds. Het is begrijpelijk waarom juist deze roman de literatuur van Zuid-Amerika op de kaart heeft geplaatst. Natuurlijk waren er al andere schrijvers van het continent die bekendheid genoten, maar Márquez pakte groots uit, liet dingen gebeuren die eigenlijk helemaal niet konden gebeuren, liet ontdekkingen doen die dat helemaal niet waren. Alles werd heel overtuigend neergepend in de ene na de andere soms lange zin. Zo een roman kan geen enkele serieuze lezer ooit vergeten.


Márquez heeft eveneens belangrijke reportages geschreven waar de Latijns-Amerikaanse werkelijkheid niet in romanfiguren werd gevangen. Een daarvan is News of a kidnapping, de Engelse vertaling van zijn boek over de terreurdaden en de uiteindelijke dood van een van de bekendste Columbiaanse drugsdealers Pablo Escobar. Het is een indrukwekkend boek, waarin de door Escobar ontvoerde mannen en vrouwen aan het woord komen. Hij deed dit om de Columbiaanse regering onder druk te zetten, hem niet uit te leveren aan de Verenigde Staten. Een heel land was in de houdgreep van een man, die met zijn drugsnetwerk waarschijnlijk meer dan 3 miljard Amerikaanse dollars bij elkaar wist te vergaren. Het heeft niet geholpen want uiteindelijk werd hij opgejaagd en in december 1993 doodgeschoten door een elite-eenheid van de politie van Columbia. Márquez registreerde op sobere, maar indrukwekkende wijze de verhalen van onschuldige mensen die heel bewust waren geselecteerd en ontvoerd door de drugsmaffia om hun eigen hachje te redden. Het heeft gelukkig niet geholpen.


zondag 18 mei 2014

Mag het een onsje milder zijn?

Innerlijke criticus of zelfbevlekking?
door Wim Berends

‘De stinkende hypocrisie bij veel stadscreolen in Suriname’. ‘Wat maalde er door je door cocaïne verlamde neuronale cellen toen je deze rotzooi opschreef?’ ‘De dwangneurotische leugenaar Guillermo Samson’. ‘Mijn leven is een prachtig voorbeeld van succes’. Dit zijn vier - geheel uit hun verband gehaalde - uitspraken van drs. Julian S. With in zijn nieuwste boek. Hier is een polemist aan het woord, zoveel is duidelijk. Eentje die er niet op uit is om vrienden te maken met zijn kritieken.

Je tegenstander wegzetten met een neerbuigende of zelfs beledigende kwalificatie en jezelf bewieroken als een deskundig en geslaagd mens is bepaald niet nieuw in de polemiek. Maar of dat wel effectief is om je eigen inzichten bij anderen aanvaard te krijgen, lijkt iets te zijn waaraan Julian With geen al te hoge waarde hecht. In het eerste deel van zijn 436 pagina’s tellende boek, ‘Correspondentie met intieme vrienden’ geheten, gaat With de pennenstrijd aan met journalisten, recensenten en andere publicisten die zijn verbazing of gramschap hebben gewekt en dat gaat er hard aan toe. Stukken worden niet alleen inhoudelijk maar ook taalkundig gefileerd en de opstellers krijgen scheldwoorden toegevoegd waarvan je je afvraagt of die nu wel nodig zijn om je argument kracht bij te zetten.



In ‘Opiniepeilingen en andere wetenschappelijke onderzoeken in Suriname’ legt With inderdaad opmerkelijke domheden en blunders bloot in onderzoeken van IDOS en het Algemeen Bureau voor de Statistiek. Dus krijgen John Krishnadath en Iwan Sno ervan langs. Of die dat persoonlijk kan worden aangerekend, al zijn ze verantwoordelijk voor de publicaties, is voor mij een vraag maar voor With blijkbaar een vaststaand gegeven. Het is wel leuk ‘leesvoer’, net als ‘Stommiteiten en merkwaardigheden in de media’, waarvan de titel de inhoud uitstekend dekt. Wat With daar ten tonele voert moet menig krantenlezer of radioluisteraar toch ook hebben verbaasd, zou je denken. Of ten minste hopen.

Het hoofdstuk ‘De anti-With-kliek’ speelt zich voornamelijk in de Amsterdams-Surinaamse kringen af. Onder andere wordt een vete met ‘Mart Radio’ uitgevochten. Meer iets voor de insiders.
 
Foto © Annette Lamothe Ramos
Weer leuk worden de ‘Persberichten’, waarvan With er een aantal heeft gevonden die zowel lachwekkend als tenenkrommend zijn. ‘De man is anders gebouwd dan de vrouw’, staat er in zo’n bericht, blijkbaar in de veronderstelling dat men daarmee interessant nieuws brengt.

In ‘De slavernijklucht’ is With geheel op dreef, net als in ‘Inzake de Marrons’. Beide onderwerpen liggen With na aan het hart en hoewel hijzelf in het binnenland is geboren, spaart hij marron-politici geenszins. Hij legt de vinger op zere plekken in het onderwijs en hij gaat uiteraard in op de typering ‘djoeka’.

Zijn laatste hoofdstukken vormen een bonte verzameling van misstanden, merkwaardige opvattingen die hij scherpzinnig analyseert en mensen die hij inzake hun uitspraken of handelingen nog even over de hekel wil halen. Op zichzelf wel een boeiend tijdsbeeld.

Het is opmerkelijk hoe fel With wordt aangevallen door degenen die hij eerder heeft bekritiseerd. Hij neemt hun stukken vaak integraal op alvorens erop te reageren. Vervolgens maakt hij er qua inhoud en taalbeheersing gehakt van. Dit is zowel vermakelijk als leerzaam, hoewel ik vermoed dat de betrokkenen er niet werkelijk iets van zullen (willen) leren.

Julian With: 'Mijn leven is een prachtig voorbeeld van succes.'


En daarin zie ik de tragiek van de criticus en polemist Julian With. Hij kan wel degelijk argumenteren. Zijn analyses en zijn argumenten kloppen, hoewel je het met zijn standpunten uiteraard niet altijd eens hoeft te zijn. In zijn argumentatiestrategie gebruikt hij vrijwel alleen ‘ethos’. Hij valt de tegenstander zowel persoonlijk (ad hominem) als op hun inhoud aan en hij schermt graag met zijn eigen kwaliteiten als psycholoog en taalbeheersingsdeskundige. Dat mág overigens in de polemiek als dat zinnig is voor het debat. Op ‘logos’-drogredenen zul je Julian With niet betrappen. Misschien wel op de ‘autoriteitsdrogreden’, al zal With onmiddellijk aanvoeren dat je dan moet bewijzen dat hij zijn uitspraken (waar, niet waar?) ten onrechte koppelt aan zijn deskundigheid. Nee, de kern zit ’m meer in het gebrek aan ‘pathos’ bij de schrijver. With spreekt zowel de tegenstander als de lezer voornamelijk aan op het ‘verstand’ en niet of nauwelijks op het ‘gevoel’. Tenzij je daarbij het opwekken van haatgevoelens meerekent, daarin slaagt Julian With helaas uitstekend.



Het is menselijk om een warm gevoel te willen hebben bij de spreker of schrijver, zelfs al brengt die een boodschap waar je niet blij mee bent. Denk aan de ‘strenge doch rechtvaardige’ leraar die je misschien niet direct, maar later wel dankbaar bent voor de opbouwende kritiek. Of aan de politicus die je vertelt dat je nu de broekriem moet aanhalen, maar ook uitlegt wat jij en je kinderen daar te zijner tijd voor terugkrijgen.

De academicus en criticus Julian With wordt echter door eigen toedoen weggezet als een polemist die het meer om de strijd dan om de overwinning of het inzicht gaat. Op de eerste pagina’s van zijn boek verdedigt hij zijn stijl door te wijzen op schrijvers van polemische literatuur die ook niet mals waren, zoals Willem Frederik Hermans, Hugo Brandt Corstius en Gerrit Komrij. With geeft expliciet noch impliciet aan in dat rijtje thuis te horen, maar breekt een lans voor schrijvers die domheid, onkunde, hoogmoed en vileine intenties aan de kaak stellen en er daarbij geen been in zien, man en paard te noemen. Dus ook voor Julian With zelf.

Maar wat is dan de tragiek? Ten eerste dat Julian With wel degelijk zinnige dingen te zeggen heeft. En dat die dingen vaak nog onderhoudend en leerzaam zijn ook. Ten tweede dat zijn boek, hoewel wat intellectualistisch van toon, heel goed leesbaar is. Ten derde dat zijn boek een heel aardige kroniek vormt van wat er zoal speelt onder de Surinamers van deze tijd. Alleen al daarom vind ik het boek een aanrader. De weerzin die With weet op te wekken bij zijn tegenstanders en ook bij (een deel van) het publiek zou overigens heel wat minder kunnen zijn als hij een wat mildere toon zou aanslaan en wat meer sympathie zou proberen op te wekken voor zowel zijn standpunten als zijn persoon. Vandaar mijn vraag: ‘Mag het een onsje milder zijn?’

Drs. Julian S. With: Kritieken, het schoonmaakmiddel van de geest. Utrecht: eigen beheer, 2014. ISBN 978 90 817585 1 2


zaterdag 17 mei 2014

Clyde Lo-A-Njoe: Echolood

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor teksten die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag eerder al een gedicht van Clyde Lo A Njoe en nu zijn bundel Echolood.


Wim Rutgers toen
door Wim Rutgers
 
Clyde Lo-A-Njoe - Caresa
Clyde Lo-A-Njoe (Aruba 1948) volgde een opleiding als tekenaar-schilder en exposeerde zijn werk in Nederland, Duitsland en in het Caraïbische gebied. Naast beeldend kunste­naar is Clyde Lo-A-Njoe eveneens dichter. In 1982 gaf hij de tweetalige bundel Dansen / Baliamentu uit, waarin vierentwintig gedichten die alle een dans als uitgangspunt hebben en acht litho's werden samengebracht. De oorspronkelijk Nederlands­talige gedichten werden door Luis H. Daal in het Papiaments vertaald. Lo-A-Njoe reisde veel, waar in zijn werk de neerslag van te vinden is. De thema's van zijn poëzie, waarin hij persoon­lijke en mondiale noties verbindt, zijn het eigen verleden en zijn reiser­va­ringen, het verleden van de Caraïbische regio daarvan speci­fiek Aruba, maar ook de gevolgen van de atoombom op Hiroshi­ma aan het eind van de Tweede Wereld­oorlog en actuele Derde Wereld­proble­matiek. In het gedicht 'Merengue in mijmering' luidt het:

"Aruba, speldepunt waar mijn wereld om draait, / Refrésqueria en Latijnse melancholie, / je kromme bomen, / waardoor het spel van de / eeuwigdurende wind schiet. / Stil denk ik aan je overzoute lucht / en je verdwaalde blanken op de 'waaf'." (Dansen / Baliamentu, p. 43)
Clyde Lo-A-Njoe behoort tot die moderne Caraïbische dichters die zowel ge­nspi­reerd worden door het eigene als door de wereld buiten het eigen eiland, waarnaartoe de vensters wijd worden opengezet. (Skol y Komunidat XV-7, 1984: 10-13)
 
Aruba, jaren '60
Na jaren verscheen in 1989 de bundel Echolood, een doorgeconstrueerde bundel in drie delen met respectievelijk twintig, drie en zeven gedichten, waarin de dichter opnieuw een persoonlijke positiebepaling van zijn persoon en kunstenaarschap onderneemt - dat wat een echolood doet: het peilen van de diepte of de hoogte.
Echolood bevat een drievoudige zoektocht en ontdekkingstocht naar het zelf: naar de innerlijke wereld van de eigen persoonlijkheid, vervolgens naar het eiland en de wereld daarbuiten en tenslotte naar het dichterschap dat deze positiebepaling ver­woordt.
De eigen identiteit wordt beschreven in enkele gedichten waarin de spiegel als middel tot zelfont­dekking een grote rol speelt, omdat de dichter er zichzelf in tegenkomt. De derde afdeling draagt zelfs de titel 'aan de keerzijde van de Ebonieten spiegel'. In het gedicht 'Voedingsbodem' heet het daarom

"Ik vond / in deze spiegel­salon mijn voedings­bodem, / waarin ik helemaal hem werd, die ik / ooit was, en altijd wilde / zijn. / En daarom juist vooral mezelf. Ik ben / tegelijk pode-antipo­de, maar hoe / dan ook: alleen en / één met mezelf." (p. 10)

In 'Echolied' blijkt dat de uitkomst van deze innerlijke zoektocht niet zonder meer direct positief is:

"Ik ken de geur van mijn eigen bloed, / het kruipen van mijn angst, / de kadans van mijn hulpeloze adem. / Er is geen steen der Wijzen." (p. 19)

Maar naar het einde toe is het uiteindelij­ke resultaat van de zoektocht positief:

"Ik reisde niet meer vermomd... maar trof mezelf in het midden aan. Ik was er." (p. 37)

De reismetafoor wordt ook gebruikt om de positie ten opzichte van het eiland te bepalen. Enkele stadia van die zoektocht zijn met de volgende ci­taten weer te geven. In het begin luidt het nog "het eenzame tropenkind .. ergens in het land Grenze­loos" (p. 8) Het eiland is "Zomaar een plek. Het is wel mijn plek." (p. 22) Buiten het eiland is de dichter op weg naar Niemands­land (p. 24). Maar hij komt thuis zoals we al zagen, als hij zich in een positie bevindt van harmonie met de Umwelt, die pregnant gekarakte­ri­seerd wordt met het beeld van de ibis en de merel, kortom het Caraïbische gebied en Europa. Hij heeft zichzelf gevonden in een dubbele culturele ervaring.

De bundel Echolood opent met het derde motief, de geboorte en de macht van het woord dat schept. Vóór het woord was er niets, dóór het woord ontstaat alles - deze allusie op de schepping wordt ver­sterkt in het tweede gedicht dat om licht vraagt: "Ik schreeuwde om licht... licht... licht... Ik was blind op zoek naar mezelf." (p. 6) Het titelgedicht 'echolood' dat direct daarna komt, beschrijft een nog prenataal stadium. De moeder wordt aanvan­ke­lijk verbonden met het eiland, later met het beeld van Moeder Aarde zelf. 'Mijn inktschip', de titel van het tweede centrale deel van de bundel, voert de dichter op zijn tocht naar het zelf naar de uiteindelijke vrijheid die in het slotgedicht van de bundel, waarin Moeder Aarde haar wieken als een condor uitslaat naar de vrijheid, verbeeld wordt met de vier oerelemen­ten die het - dit - dichterschap beheersen. Clyde Lo-A-Njoe's aardse dichterschap verwoordt zo de vier oer-elementen. In Moeder Aarde "spiegel­den zich vuur / en lucht. Beneden haar ont­sproot / een bron van puur helder water." (p. 39) Toch wordt de vraag niet beantwoord, het raadsel niet ontdekt, wordt het geheim van de creativiteit niet ontsluierd, klinkt het verlossende woord niet, want de uiteinde­lijke waarheid is niet blijvend vast te leggen, hooguit soms benaderd gedurende 'een eindelo­ze afgewo­gen seconde' in de woorden van een dichter.

Clyde Lo-A-Njoe schrijft hermetische en doorgeconstrueerde poëzie waarin de aardse menselijke existentie resoneert. In de eerste bundel kwamen nogal wat aan de Bijbel ontleende beelden voor; de poëzie in deze bundel is weliswaar onaards in die zin dat ze de aarde ontstijgt, maar desondanks volstrekt geseculari­seerd.

vrijdag 16 mei 2014

De slaaf is weggevlogen, maar…

Beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis

door Jeroen Heuvel

Wat is de waarheid? Abel zal op deze vraag iets anders antwoorden dan Kaïn of dan Eva. Wat in het politiebericht staat, zal voor dader en slachtoffer feitelijk zijn, maar wat de een heeft bewogen en wat de ander heeft beleefd, en of de dader zich misschien eigenlijk als slachtoffer ziet en het slachtoffer als dader – “ja, maar hij is begonnen” – zal discutabel zijn want wie spreekt de waarheid? Omdat de beleving in de ziel voor iedereen anders is, omdat het verhaal van ieder individu een andere kleur heeft, omdat helden schurken kunnen zijn, lijkt het onmogelijk dat iedereen het eens is over de motieven van gebeurtenissen. Ook zijn er mensen die de gebeurtenis betwijfelen.
De slaaf vliegt weg, verbeelding van Elis Juliana, 
siert de kaft van het boek


In december 2013 is er bij LM Publishers in Nederland een boek gepubliceerd, De slaaf vliegt weg, beeldvorming over slavernij in de kunsten. Het is een bundeling van tot essays bewerkte lezingen van een in 2009 gehouden internationaal symposium over de verhouding tussen historische romans en de beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis en enkele (fragmenten van) literaire teksten die gerelateerd zijn aan de slavernij in het Caraïbisch gebied. Het betreft een inleiding plus elf essays, zeven literaire teksten – van bijvoorbeeld Ini Statia, Ina Césaire en Fausten Charles – en verschillende afbeeldingen van kunstwerken, van Remy Jungerman, Ras Ishi Butcher, Letitia Brunst en anderen. Het boek is samengesteld door Lucia Nankoe en Jules Rijssen.

Het onderwerp van het symposium is erg belangrijk en interessant. Het bewustzijn over het gezamenlijk verleden is nog veel te sluimerend en moet, willen we vooruit komen, door ons worden gewekt; het gesprek over de slavernij, de rassendiscriminatie, de koloniale uitbuiting, blijft nodig zolang er niet een geschiedenisboek kan worden geschreven waarover partijen het allemaal eens zijn. Met andere woorden moeten we achteruit blijven kijken totdat het duidelijk is waar we naar toe willen, want uiteindelijk moeten we toch vooruit.

In de inleiding stellen de redacteuren dat romanschrijvers en verhalenvertellers met collega-schrijvers, vakwetenschappers en lezers debatteerden over het bovengenoemde thema. De vraag kan gesteld worden of historische romans een rol vervullen in de beeldvorming over het slavernijverleden, en zo ja welke. “Juist omdat het om een mentaal proces gaat, is het moeilijk precies aan te geven hoe het ons gedrag beïnvloedt. Maar die beïnvloeding vindt wel plaats.”

Sprekers waren naast de redacteuren onder meer Michiel van Kempen, Ernest Pépin, Quito Nicolaas, Cynthia Mc Leod, Rihana Jamaludin en Fausten Charles. De lezing van Michiel van Kempen moest van de redactie zo drastisch worden ingekort, dat de auteur zijn inhoud op onaanvaardbare manier zag worden aangetast en hij trok zijn stuk in.

In het essay van mederedacteur Jules Rijssen worden enige redeneerpatronen uit de debatten over de slavernij geanalyseerd. Als informatiebron golden artikelen uit vier kranten: de VolkskrantHet ParoolTrouw en NRC Handelsblad. Kranten uit de Nederlandse maatschappij en dus, op het gevaar af me op glad ijs te gaan begeven, bastions van witte bolwerken, “De interesse voor de redeneerpatronen kwam toen uit de analyse bleek dat journalisten vaak kozen voor het model om nazaten aan het woord te laten in combinatie met citaten en interviews met witte deskundigen uit voornamelijk de (internationale) universitaire en de museale kringen en de schrijverswereld.” Ik denk dat het interessanter zou zijn geweest om tijdschriften en dergelijke te hebben genomen bestierd door mensen die bewust station Huidskleur achter zich hebben gelaten. Rijssen noemt de worstelingredenering, die vooral de nazaten van de slaven gebruiken, de ‘slechte maatschappelijke positie’-redenering om de schuld van de huidige zwakke maatschappelijke positie aan het verleden te wijten, al dan niet met de eis om financiële genoegdoening. Witte mensen gebruiken de ‘het is al lang geleden’-redenering al dan niet met de ‘ver weg of ik was er niet bij’-variant of die van de ‘ontwikkelingshulp als compensatie’.

Schwarzkopf van Natasja Kensmil

De titel van de bundel is gebaseerd op een afbeelding van Elis Juliana, geïnspireerd op het verhaal, de overtuiging, dat een in Afrika geboren mens, tot slaaf gemaakt, naar Curaçao getransporteerd, terug kon vliegen naar zijn moederland, mits hij geen zout had aangeraakt. Afgezien van de vraag of iemand kan vliegen, hetzij fysiek, hetzij mentaal, moet worden stilgestaan bij het woord ‘slaaf’.
‘Slaaf’ is een label, niet een kwaliteit; het is een door de maatschappij, ofwel door de medemens gemaakte definitie, niet inherent aan het wezenlijke van de mens die zo genoemd wordt. – Dat de mens zich wel kan gedragen naar die definitie wordt hier niet betwist. – Het is een label zoals er zoveel anderen bestaan, zonder het te willen bagatelliseren, president, boef, loverboy, professor. Mandela, bijvoorbeeld, is in de eerste plaats de mens die voor gelijke rechten en respect heeft gestreden, de maatschappij heeft hem tot gevangene gemaakt, tot president, maar die labels zijn toestanden.

Het verhaal Twelve years a slave laat zien hoe een mens, een vrij mens, Solomon Northup, door anderen tot slaaf wordt gelabeld. En hoewel de tijd die de mens Nortup – wat een afgrijselijke ironie, die naam – in slavernij heeft moeten overleven schier onbeschrijfelijk onmenselijk is geweest en vernederend en van onuitwisbare invloed op de rest van zijn vrije leven en dat van zijn naasten, net als het leven van iedere slaaf, voor hem of haar dat op zijn of haar leven is of is geweest, op het moment dat je slaaf af of president af bent, ben je in wezen geen slaaf meer op filosofisch en spiritueel gebied, hoezeer psychologen en artiesten terecht kunnen verdedigen dat een ex-president nog heel veel invloed kan ondervinden van diens voormalige toestand, omdat de maatschappij die ex als dusdanig beschouwt en behandelt.

In hoeverre kan een label verlammend werken. In hoeverre is een gevangene nog een gevangene als hij zijn straf heeft uitgezeten en vrij is? De kans is groot dat hij niet gemakkelijk een werkgever gaat vinden, als die naar zijn cv vraagt. De kans is groot dat de maatschappij hem met de nek aankijkt. Maar misschien wordt hij een zelfstandige ondernemer, of gaat hij ergens wonen waar niemand van zijn verleden op de hoogte is. En in hoeverre ondergaan (klein)kinderen van een vrij verklaarde gevangene de invloed van diens gevangenschap? Geen mens kan zijn verleden veranderen, maar een ieder kan wel invloed hebben op zijn toekomst. Deze zienswijze spreekt niet uit de hier besproken bundel.
Guillermo Rosario - Mi nigrita

 “Sinds de slavernij wordt de zwarte mens beoordeeld op zijn huidskleur”, zo luidt de titel van de bijdrage van Glenn Helberg. Waarom wordt deze zwarte (no offence, geen ironie bedoeld) bladzijde uit de geschiedenis, of liever gezegd dit zwarte hoofdstuk, nog steeds aan huidskleur gerelateerd? Maakt die huidskleur ook uit in een land waar geen witte, rode of gele mensen wonen, maar alleen bruine? Is er in zo’n land geen onrecht, uitbuiting of enige vorm van moderne slavernij? Ik denk van wel, net zoals er in een land waar slechts witte mensen wonen veel misdaad tegen de mensheid is en onrecht onuitroeibaar lijkt te zijn. Wie huidskleur of ras als motief of reden gebruikt, is, van welke kant je het ook bekijkt, feitelijk een racist.
Ons slavernijverleden is een heel gevoelig thema, dat was in de discussie over de historische betrouwbaarheid in de film Tula, the revolt duidelijk. De makers hadden de objectieve waarheid geweld aangedaan door als uitgangspunt in de film te veronderstellen dat het niet mogelijk is geweest om van het kleine eiland Curaçao te ontsnappen of te vluchten, terwijl het een feit is dat er bijvoorbeeld in Coro mensen, tot slaaf gemaakte mensen, gevlucht uit Curaçao waren die daar leiders van opstanden zijn geweest. En het subjectieve beeld dat regisseur Jeroen Leinders en producent Dolph van Stapele van Tula hebben gegeven werd door de kijkers heel verschillend beoordeeld. Door de ogen van de auteurs Pierre Lauffer, Elis Juliana en Guillermo Rosario en toneelschrijver en regisseur Pacheco Domacassé lijkt het wel alsof er meerdere Tula’s zijn geweest, zo verschillend heeft iedereen deze nationale held verbeeld. Andere voorbeelden van controversiële films zijn Django, unchained en Lincoln. In de Verenigde Staten lopen de gemoederen meer dan 150 jaar na dato nog steeds hoog op als het over John Brown gaat, abolitionist en held volgens de een maar terrorist en verrader volgens de ander.

In De slaaf vliegt weg zijn de bijdragen nogal voorspelbaar van karakter. Het had beter “De slavernij is niet gevlogen” als titel meegekregen.

dinsdag 13 mei 2014

Zijn mannen bezitterig en vrouwen goedgelovig?

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Kuis uit 2011 van Rihana Jamaludin.




door Jos de Roo

De belangrijkste verhaallijn van de roman Kuis is een van de vreemdste die ik ooit ben tegengekomen. Hierin gaat het over een kuisheidsgordel. Je zou verwachten dat het verhaal zich dan afspeelt in de duistere middeleeuwen, maar nee, het gebeurt allemaal in het hedendaagse multi-culturele Amsterdam. De gordel is bestemd voor de mooie Turks-Nederlandse Ashmana, een moderne jonge vrouw, opgevoed door haar gescheiden Nederlandse moeder die haar heeft ingeprent niet afhankelijk te raken van een man. Ze krijgt de gouden kuisheidsgordel niet omdat haar wulpsheid de spuigaten uitloopt, maar als teken van de band die ze met haar vriend Bennie heeft. Althans, zo ziet zij het: “Met Bennie werd het beter, alles werd anders. Ik kreeg een nieuwe familie, een plaats waarin ik me om mezelf gewaardeerd voel. Wat kan de gordel anders zijn dan het symbool van mijn nieuwe band? Die gordel is een spel, zo serieus als je hem zelf nemen wil, en toch tastbaar…”(p. 149)

De Zuidafrikaanse juwelier Uwe Koetter 
vervaardigde in 2002 een kuisheidsgordel voor een
 rijke klant in Londen. De naam van de klant
 mag niet onthuld worden. De gordel werd door de bruid
 van de klant gedragen op haar huwelijksdag.
 De roman Kuis was reeds geschreven toen dit
 nieuws bekend werd. (Van Jamaludins website.)
In werkelijkheid wil haar vriend, de hindostaanse Bennie, dat Ashmana een kuisheidsgordel draagt om haar aan zich te binden voordat ze zelf zou ontdekken dat ze iedere man kan krijgen die ze maar hebben wil. Hij is van plan haar snel zwanger te maken, want als ze eenmaal moeder is, zal ze niet gauw gaan scheiden. Zo is Benny het vleesgeworden cliché van de bezitterige macho en Ashmana van de volgzame goedgelovige vrouw, ondanks haar opvoeding en opleiding.

De centrale figuur in de verhaallijn over de kuisheidsgordel is de Hindostaanse goudsmid Ramesh. Bennie en Ashmana kiezen hem uit om de gordel aan te meten en te smeden, omdat hij een kluizenaar is, die de faam heeft dat hij een kuis leven leidt. Maar zodra Ashmana over de drempel van zijn winkel stapt, is hij smoorverliefd. Dat wordt nog erger als hij bij het opmeten van haar kruis de zoete geur ervan opsnuift. Hij staat voor een dilemma: hij is het niet eens met het idee van de kuisheidsgordel omdat deze Ashmana tot bezit maakt, maar als hij de opdracht weigert, zal hij haar niet meer zien. Het vlees is sterker dan de geest en hij gaat de opdracht uitvoeren, waarbij een voor het oog zuiver geestelijke vriendschap ontstaat tussen goudsmid Ramesh en mooie Ashmana.

Knipsels van een Caraïbisch model.
Pagina uit een plakschrift dat Rihana Jamaludin
bijhield voor het ontwerp van haar roman De zwarte Lord
De werkelijkheid is echter dat Ramesh zijn liefde voor haar niet durft te zeggen, omdat hij beseft dat hij dan het contact met haar verliest. Hij komt tot halfslachtige oplossingen van dit probleem. Hij weet Ashmana ervan te overtuigen dat ze zelf een tweede sleutel van de kuisheidsgordel moet hebben. Hij verzint ook iets waarmee hij zijn eigen stempel op de gordel zet en zo symbolisch op de intiemste plek van Ashmana aanwezig is: hij ponst gladde knoppen van bloemenranken in de vorm van zijn initialen “op een plek die zo intiem was, dat alleen de draagster ze moest bemerken.” (212) En Ashmana merkt inderdaad dat er wat zit, want als ze beweegt, raakt ze opgewonden: “Het was of ze onder het lopen voortdurend gekust werd, en dan wel op een zeer intieme plek.”(208) Ze besluit haar eigen sleutel te gebruiken en bemerkt dan wat Ramesh heeft gedaan. Ze is woedend op hem, wat het einde van de vriendschap is. Ook biecht ze het geheim van de eigen sleutel op aan haar vriend Bennie, die door zijn boosheid erover zijn ware aard van bezitter toont, wat ook het einde van de liefde betekent. Zo worden de boosdoeners Bennie en Ramesh gestraft en leeft Ashmana sadder and wiser verder.

Mahafsoun: traditioneel
De tweede verhaallijn is die van de vriendschap tussen de hindoe Ramesh en de Surinaamse moslim Hassan. Deze lijn gaat over de religieuze raakvlakken tussen beiden. Ze streven elk op eigen wijze onthechting van het aardse na door te mediteren. Hassan doet dit door zich te concentreren op een eindeloze rij namen voor het goddelijke en Ramesh door te mediteren over de godin Parvati, waarbij hij in trance raakt en de godin aan hem verschijnt. In feite weerspiegelt Parvati het onderbewuste van Ramesh.

Ook Hassan verlaat het pad van de absolute kuisheid, als hij verliefd wordt op de vrouw aan wie zijn familie hem wil uithuwelijken. Hij wil sinds dat ogenblik dienstbaar zijn aan de mensheid door imam te worden. Zijn religieuze opvatting klinkt in de oren van andere moslims als een ketterij: geen enkele godsdienst heeft de complete waarheid, de waarheid is relatief, en de heilige boeken zijn niet betrouwbaar, want ze zijn pas eeuwen later van horen zeggen opgesteld. Hassan en Ramesh benadrukken het complementaire aspect van het leven: zij zijn in hun streven naar kuisheid “de aanvulling op de potpourri van bandeloosheid.”(50)

Schrijfater Rihana Jamaludin. Foto © Michiel van Kempen
Schrijfster Rihana Jamaludin beperkt dit complementaire aspect niet tot een tegenstelling tussen deze twee individuen en de maatschappij. Ze laat zien dat de tegenstelling overal voorkomt: in de religies en in de romanfiguren zelf. Hassan zegt: “De waarheid is misschien wel te groot voor ons kleine bewustzijn. Hoeveel zouden we kunnen bevatten, van iets dat onmetelijk is? Wat. Als elk van de vier grote godsdiensten nu een déél van de waarheid bevat? En… bovendien tegen zichzelf moet strijden, zoals het in een wereld van dualiteit betaamt? Daar hebben we de dualiteit alweer. Mijn vriend, de mens is een wezen dat faalt, maar hij streeft naar perfectie.” (105)

De religieuze verhaallijn moet het onverklaarbare in de lijn over de kuisheidsgordel verklaren: de goedgelovigheid van Ashama en de abrupte verliefdheden van Ramesh en Hassan. Maar het is een onbevredigende verklaring. De figuren stappen zomaar af van iets wat ze een leven lang hebben nagestreefd. Bij mij blijft de indruk achter dat je zo in feite alles kunt doen wat je wilt en alles kunt goedpraten. Die indruk wordt versterkt door de ingevoegde soefti-verhalen die Hassan en Ramesh gebruiken als ze iets duidelijk willen maken. Je kunt met die verhalen alle kanten op.

Mahafsoun: modern
Qua stijl zijn die verhalen een verademing door de concreetheid die eruit spreekt. Jamaludin is in de rest van de roman heel wat minder concreet. Ze houdt van clichés: “Met sierlijke bewegingen serveerde zij de gerechten, en schonk de klanten haar innemende glimlach.” Dat combineert ze soms met sociologentaal: “Er was niet zoveel waarover ze samen konden praten – het verschil in scholing tussen hen, en de kloof die dit in hun kijk op cultuur veroorzaakte, stond een gelijkgestemde beleving van de wereld in de weg. Maar dat deerde hen niet. Moeder en zoon waren elkaar volkomen toegewijd”. (19) Beschrijvingen worden soms bijna lachwekkend door de abstracties waaruit blijkt dat niet echt is waargenomen: “Tussen het geflikker van de discolampen door, onderscheidde hij in de deinende massa chique avondkleding en glinsterende sieraden. Om hem heen vonden hartelijke ontmoetingen plaats en schoof men bij vrienden aan. Toekomstplannen werden aan de tafeltjes uiteengezet en carrièremogelijkheden besproken.” (43)

Het enige dat opvalt in Kuis is het vreemde gegeven van de kuisheidsgordel. Het maakt duidelijk dat mannen bezitterig zijn en vrouwen goedgelovig. Of mag ik dat niet zomaar veralgemenen? Zo word je als lezer toch opgescheept met de ambivalentie ofwel de dualiteit van het leven dat de roman van Jamaludin verkondigt.

Rihana Jamaludin: Kuis, Amsterdam, KIT Publishers, 2011, 222 blz.

[eerder verschenen in Oso]

vrijdag 9 mei 2014

De zwarte Lord herlezen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De zwarte Lord uit 2009 van Rihana Jamaludin.


door Egmond Codfried

Een zeer verdienstelijke debuutroman van Rihana Jamaludin (Paramaribo 1959) van 525 bladzijden, inclusief bijlage en verklarende woorden- en begrippenlijst. Deze uitbundige historische roman die zich deels in Nederland en voor de rest in Suriname voltrekt, speelt rond het revolutionaire jaar van 1848. Door zijn benadering vormt dit werk een aanzet tot een vernieuwende en eigen postkoloniale, Surinaamse historische roman. Ondanks de titel gaat het boek over Regina Winter, een Brabantse gouvernante die naar Suriname gaat om een jonge plantage eigenaar, die als bijnaam heeft De Zwarte Lord, onderricht te geven. In een jaar maakt Regina zoveel mee, ze is deel van of getuige van zoveel bewegingen en incidenten die verbonden zijn met de Surinaamse geschiedenis, dat zij totaal veranderd is. Van een wat nuffig, kleurloos en benepen Nederlandse is ze een warmbloedige, levenslustige Surinaamse geworden. Ze heeft in zekere zin haar roots gevonden, of eerder bevochten, om de persoon te worden die ze moest zijn. Dit is een heel goed doordacht werk want op een metaniveau personifieert Regina Winter Suriname.

Het betreft ook een veelomvattend werk, Jamaludin heeft veel over te dragen. Ze richt zich, als product van de diaspora, niet tot de Surinaamse lezer, maar tracht de Nederlanders een beeld te geven van de Surinaamse geschiedenis, de overweldigende natuur, de Surinaamse beschaving, de kleurrijke cultuur, de vele talen, religies en de vele etniciteiten die samen met elkaar Suriname vormen. Misschien dat Nederlanders kunnen begrijpen hoe vreemd en uiterst negatief en nutteloos hun huidige xenofobische campagne op Surinamers overkomt. Hoewel Nederland als koloniserende entiteit en geoliede veroveringsmachine niet met Suriname te vergelijken is. Het boek vormt daartoe een mix van reisgids, geschiedenis boek, filosofische gesprekken, een verhandeling over flora en fauna, een liefdesverhaal en een aanklacht tegen koloniale onderdrukking en exploitatie van slaven en arbeiders. De revolutionaire gebeurtenissen, de neergang van de adel en de volksopstanden in het roerige Europa vinden hoe dan ook hun weerslag in Suriname, wat zeer tegen de wensen van de koloniale overheerser ingaat volgens Jamaludin’s gepresenteerde visie op Suriname. Deze benadering is in mijn persoonlijke beleving, als historische onderzoeker en schrijver, de grootste verdienste van Jamaludin en schept een band met een leeftijdsgenoot. Ze gebruikt veel verhaallijnen met veel bijpersonages die op het eind krachtig en dynamisch samenkomen in een toneelstuk en een rechtszaak tegen de toneelgroep. Het einde van de roman is pure virtuositeit van de schrijfster en deed mij denken aan de ademloos spannende boeken over solidariteit ondanks levensgevaar, onderduiken en vluchten tijdens de periode 1940-1945 die ik las als bronnen voor mijn essay Komt er weer een Holocaust? (2010).

Jan Vos

Ik moest dit boek lezen, dus dwong ik mezelf door het kleurloze begin te ploeteren, welke op geen enkele manier een voorspelling inhield van het mooie wat zou komen. Intensieve research maakt een Surinaamse nog niet tot een Nederlandse, dus is Jamaludin in het begin niet erg overtuigend, maar geforceerd. Pas in Suriname is zij in haar element en krijgt zij vleugels en raakt duidelijk opgewonden door haar materiaal, waar door er een functioneel contrast optreedt met de koudheid, de benepen ambities, het obsessieve standsbewustzijn, de verstikkende seksuele moraal en berekening van Regina in Nederland. Helaas is de schrijfster te vaak aan het vertellen, in plaats van door handeling haar verhaal door de lezer zelf te laten verbeelden. Show, don’t tell of ‘t doen gaat voor het zeggen, zoals de 17e eeuwse zwarte schouwburg regent Jan Vos (1610-1667) de gouden regel verwoordde. Verder gebruikt ze te veel abstracties die de vertelling als een beoogde continue droom in de gedachte van de lezer verstoren. Hierdoor blijkt dat ze zich soms onvoldoende in details of teveel in de onnodige details heeft ingeleefd. Details die daarom verder ook niet ter zake doen en even goed geschrapt kunnen worden omdat er ook weinig bruikbare informatie uit volgt. Enkele clichés zoals weerbarstige krullen, hoewel deze soms verkiesbaar zijn boven vreemde vondsten die door hun geforceerdheid weer kunnen afleiden. Regina is de verteller, maar ze weet dingen die de eerste persoon verteller niet kan weten, waardoor de verteller soms als een geschiedenisboek en toeristische gids klinkt. Deze informatie, zoals een uitgebreid verslag over de zeeschildpadden van Galibi, is vaak losgekoppeld van de handeling en draagt niet bij aan de plot. Verder stoor ik mij altijd aan schrijfsters die wat ik de vrouwelijke seksuele mystiekdoctrine noem, aanhangen. Ook omdat ik vermoed dat de schrijfsters zich teveel zorgen maken om hun eigen seksuele reputatie. Alsof zij, ondanks hun intellectualiteit zich niet hebben vrijgemaakt van hun tweederangspositie als vrouw en dus kuis moeten zijn. Zij lijken juist hun lezers te bevestigen in de algemene sociale hypocrisie en de onderworpenheid van vrouwen aan de dubbele moraal propageren. Wat ik wel erg mooi vond is de verandering in stijl als andere personages hun eigen verhaal in monoloogvorm afsteken, waardoor het perspectief voor even verandert en monotonie wordt vermeden. Ook de theaterteksten vind ik prachtig in hun subtiliteit en zeer effectief toegepast.
...seksuele mystiekdoctrine...
Foto Annette Lamothe Ramos

De plot is opgehangen aan de mysterieuze zwarte lord, maar de intrige rond deze zwarte slavenhouder is niet altijd geloofwaardig of doorleefd en soms zelf potsierlijk. Ook omdat de echte belangrijke gebeurtenissen die het verhaal voortjagen spelen rond de bijpersonages en niet de hoofdfiguren. Die blijven toeschouwers die de keus hebben om weg te lopen. Dit ervaar ik als het grootste gebrek aan dit zeer waardevol werk. Het is erg jammer dat het politieke verzet en het experimenteren met nieuwe sociale en politieke verhoudingen niet centraal staan in de ontwikkelingen van het hoofdpersonage. Regina Winters spuit revolutionaire ideeën, maar leeft ze niet uit. Ze kan zich zodoende steeds onttrekken aan de gevolgen, claimt soms dronkenschap als verklaring voor een uitspatting, waardoor haar uiteindelijke marginale verandering voor de kritische lezer onbevredigend is. Ze heeft zich aangepast aan een ongewenste situatie en een ongewenst economisch systeem van slavernij. Dus in feite een pessimistische boodschap, omdat ze zover heeft gereisd en zoveel meemaakt en zoveel tranen vergoten zonder een wezenlijke verandering te ondergaan. Regina als de personificatie van de geschiedenis van Suriname?

Koloniaal Suriname. Foto © Michiel van Kempen

Wij kijken echter naar een aanzet tot een nieuwe soort van Surinaamse roman die zich minder houdt aan de smalle kaders van de opgelegde, kolonialistische historiografie en laat zien dat Suriname minder geïsoleerd en ongeïnformeerd zou zijn als de vroegere schrijvers beweren. Een feit dat mijn historische onderzoeken bevestigen. Ook de Nederlandse commentaren op dit werk illustreren dat de Nederlanders een remmende werking uitoefenen op de ontwikkeling van de Surinaamse literatuur. Zij zijn nog steeds Suriname aan het ontdekken en zijn zich nog steeds aan het verwonderen over de zaken over zichzelf die Surinamers alle in geuren en kleuren kennen of dat Surinamers ook zelf romans schrijven. De nieuwe Surinaamse auteur gebruikt het verleden om iets over vandaag, iets dat Surinamers aangaat, te verklaren. En als een virtueel laboratorium om een gewenste verandering te visualiseren. Waarom Surinaamse schrijvers en schrijvers in het verleden en heden gehaat worden door plaatselijke en buitenlandse politieke elites.

Rihana Jamaludin
De historische romanvorm leent zich meer voor ongebreidelde, realistische politieke fantasie dan een verhaal dat zich in het heden afspeelt. Het heden is beter bekend bij de lezer, dus is de schrijver beperkt in zijn uitwerking van ideeën. Een historische evaluatie kan pas achteraf, maar kan ook als een vorm van een kritiek of een satire opgevat worden van wat vandaag gebeurt. De onderdrukkende staat houdt daarom graag een monopoly op de historiografie en behoudende krachten haasten zich om het publiek te waarschuwen voor fictie. Een roman is per definitie fictie, maar vaak onmisbaar om de lacunes tussen de historische bronnen te vullen om historische personen tot leven te brengen, om hun innerlijke motieven te kunnen onderzoeken. Zelf autobiografieën kunnen een vervalst beeld geven van deze personen.

Bij Jamaludin bespeur ik toch een tweestrijd om twee meesters te dienen, in plaats van onbevreesd te kiezen voor een helemaal vrije en anti-kolonialistische benadering. Omdat ik mij verdiept heb in de eerste, oorspronkelijke Cabale, wat in feite een RepublikeinseSurinaamse beweging was die tussen 1743-1753 Suriname onafhankelijk probeerde te maken, en er een studie, een romanmanuscript en een toneelstuk over schreef, begrijp ik niet waarom de auteur de Cabale als iets afzonderlijks en iets negatiefs beschreef. Ik herken een bron die zij letterlijk citeert wanneer Regina stelt dat latere, opeenvolgende gouverneurs ook geconfronteerd werden met een Cabale. Dat betreft overigens één van de beweringen waar de ik-verteller, correct toegepast, geen weet van kon hebben zonder een glazen bol. De protestbewegingen in haar boek zouden de Cabale moeten vormen, een beweging binnen de rijkste en gesurinamiseerde families, in plaats als een korte verwijzing naar een negatieve beweging. Hiermee speelt zij in tegenstelling tot haar eerdere stellingneming juist de koloniale beeldvorming onterecht in de kaart.

Plantagedirecteur
Tekening van Théodore Bray

Storend vond ik het verkeerde gebruik van de titel Gran Masra, Grootmeester voor een nederige directeur, terwijl dit de grandioze aanspreektitel was van de schatrijke Administrateurs, de machtige politici die naast hun eigen extensief plantagebezit, ook meerdere plantages en slavenmachten beheerden. Ik had graag meer details over 19e-eeuwse kleding en gebruiksvoorwerpen of meubels gezien, omdat ‘vroeger’ voor veel Surinamers slechts één brei is zonder kennis van ideeën, stijlen en neostijlen. Dat Jamaludin zich nationalistisch toont maar de slaven geen stem geeft, is conform de kolonialistische geschiedvervalsing. Terwijl ze wel een stem hadden. Arme, ongeletterde mensen kunnen hun situatie heel goed verwoorden, hoewel niet altijd gehoord door hun onderdrukkers. Alsof de schrijfster zich opnieuw niet voldoende heeft ingeleefd. Dit is extra pijnlijk omdat tot vandaag Surinamers, de afstammelingen van slaven en contractarbeiders, in Nederland nog steeds geen stem hebben. Surinaamse schrijvers worden op neokolonialistische wijze door Nederland geselecteerd, kostenbesparend uitgegeven, besproken en beperkt gepromoot als tweederangs literatuur. Daarom zijn Marokkaanse en Pakistaanse auteurs in Nederland vrijwel alleen die jonge, knappe vrouwen die schrijven hoe verschrikkelijk de Marokkaanse of Pakistaanse cultuur is. Precies wat de Nederlanders over moslims willen horen.

Het bedenken van een plot en intrige zijn moeilijke dingen en men moet soms zijn toevlucht nemen tot haast onmogelijke zaken. Dat geef ik toe en ik bewonder Jamaludins prestaties. Maar om een kleurlinge op te voeren die niet te onderscheiden zou zijn van andere witten, gaat mij toch te ver. Het klinkt als de rechtszaken rond de overtreding van Amerikaanse one-drop-rule waar zwarten zich uitgeven voor witten en trouwen met witten waar hen dat expliciet is verboden. Waar rechtsjury’s zich moesten buigen over het probleem of deze persoon zwart is, en of de ‘bedrogen’ partner dat had kunnen weten, of een schadevergoeding verdient. Een veronderstelde zwarte wetsovertreder moest zelf haar geslachtsdelen aan de jury tonen, want daar blijft bij gemengde zwarten de zwarte kleur het langst. Dat soort drama’s zijn allang ontmaskerd als pogingen om zwarten en witten in het gareel te houden en zwartheid als een ernstige besmettelijke aandoening te presenteren. Wat mij daarom ook erg stoort in deze roman is de suggestie dat zwarten pas mooi zijn als ze gemengd zijn en witte voorouders hebben. Tegelijk praat de schrijfster ook een beetje over Black History, dat zwarten wel degelijk een hoge beschaving hadden vóór de Europeanen Afrika aandeden. Het lijkt mij dat het vooral over Black History zou moeten gaan, als wij een eigen, postkoloniale Surinaamse literatuur nastreven.

Blackamoor. Frans schilderij


De actrice die in 2000 in mijn historisch toneelstuk speelde was een blonde, witte Nederlandse. Intussen beschouw ik het personage van Maria Susanna Du Plessis (1739-1795) als een zwarte Surinaams Europese. Ook vanwege een portret van haar neefje met sterke Afrikaanse gelaatstrekken en het feit dat haar tweede echtgenoot gekleurd was. Het betrof kolonisten die vanwege hun zwarte en gekleurde etniciteit tot de Europese elite behoorden. Blauw bloed is zwart bloed (1500-1789), en was de identiteit van de Europeanen die afstamden van de oorspronkelijke Europeanen, die uit Afrika kwamen en onderling huwden, ter behoud van kleur. In 1500-1789 heerste het Ancien Régime, welke zich identificeerde met de Moor, een klassieke Afrikaan, op adellijke portretten, in familiewapens, familie- en geografische namen. Ze waren ook in hun uiterlijk herkenbaar als afstammelingen van de blauwe mannen, de benaming van Europese zwarten in de middeleeuwen. De adel ontstond aan het eind van de Middeleeuwen en introduceerde afbeeldingen van de centrale zwarte koning bij de geboorte van Jezus rond 1100-1200. Rond 1500 was dit motief in heel Europa aangenomen, en markeert het begin van de Renaissance. Europa zoals wij haar vandaag kennen is het resultaat van de Renaissance. De Franse Revolutie (1789-1795) was het einde van de zwarte overheersing welke de vorm had van Omgekeerde Apartheid. Er is dus wel degelijk een oorzaak van racisme tegen zwarten aan te wijzen en een datum te noemen. Nadien waren er verschillende restoraties, maar vanaf 1848 was het voorgoed gedaan met de macht van de zwarte en gekleurde adel. Eurocentrisme en rassenleer zijn bedacht om deze episode te verbergen, en daarom lijkt het alsof zwarten, de eerste Mens, geen deel van de geschiedenis vormen. Dat vanwege de revisionistische mythe van witte superioriteit alle ontdekkingen en beschaving van witte mensen komt, terwijl witten albino’s zijn, afgeleide van zwarten. Dus niet superieur aan zwarten.

Racisme kan daarom gedefinieerd worden als een overdreven bevrijdingsideologie om witten te bevrijden van zwarte adel en koningen, welke in de aanloop naar de Franse Revolutie werd bedacht. Hoewel de Franse Revolutie in de eerste plaats het werk was van de hogere, gestudeerde burgerij als Hume, Voltaire en Rousseau en progressieve adel die zwart en gekleurd was. Slavernij van Afrikanen ontstond onder deze gekleurde Europeanen en is geen uiting van racisme, maar van hebzucht en ongenadige uitbuiting. Het woord blanke moet opgevat worden als een Europeaan en niet dat deze personen perse ook wit waren. Mogelijk lichter dan sommige Afrikanen, maar vaak zal er geen verschil in kleur en trekken zijn geweest. De gekleurde Europeanen oogden als een gefixeerd mulattenras, waarvan sommigen meer Afrikaans, Aziatisch of wit oogden. Hun hoge status hing samen met hun gekleurde uiterlijk, wat de reden was om uitsluitend onderling te huwen.

De Surinaamse planters waren tot in de 19e eeuw zwarte en gekleurde mensen, even als de gouverneurs. Dat is de reden waarom wij hen zelden te zien krijgen. De kleindochter van gouverneur Cornelis van Aerssen wordt door haar neef James Boswell beschreven als zwart als een schoorsteen en haar man, Aarnoud Joos van der Duyn, een baron van de oudste en hoogste adellijke familie als schoorsteenveger. Boswell, een Schotse baron met een Nederlandse grootmoeder, beschrijft zichzelf als zwart. Hij beschrijft Rousseau als een zwarte man. Rousseau beschrijft zijn weldoener Pierre-Alexander Du Peyrou, een Surinamer, schrijver en rijke plantagehouder als donkerbruin. Componist Van Beethoven werd De zwarte Spanjaard genoemd en zijn leermeester Haydn The Blackemoor. Charles II Stuart (1633-1685) was de Engelse koning die Willoughby een vergunning verleende om in Suriname een kolonie te beginnen, stond bekend als The Black Boy vanwege zijn zwart uiterlijk. Deze feiten worden voor ons verborgen doordat men ons uitsluitend de gewitte, propagandistische portretten toont. Er was blijkbaar een traditie bij de zwarte elite om zich als witten af te laten beelden, maar ook als zwarten. De witte portretten vormden een soort legitimatie en deferentie aan de witte ondergeschikten. Echter bestaan er kostbare boeken uit adellijke collecties die met mensenhuid zijn gekaft, wat een betere indicatie vormt van de waardering van de adellijke elite voor hun witte onderdanen. Nederland bracht de archieven tot 1795, van het zwarte Ancien Régime naar Nederland, zodat Surinamers een zwarte en gekleurde natie, deze feiten niet zouden kennen. Noch dat de Surinaamse planters beschaafde en gestudeerde mensen waren die al twintig jaar vóór de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd in opstand tegen Nederland waren gekomen.

Veel Surinaamse bronnen zijn openbaar, maar een deel is nog in privé bezit en dient door zwarte en gekleurde onderzoekers nageplozen te worden. Nicolaas Beets bijvoorbeeld schrijft over een koloniale familie met een ‘West Indisch’ uiterlijk. De naam Beets komt ook voor in 18e-eeuws Suriname, een schoonzuster van Maria Susanna Du Plessis. Verder correspondeerde Beets met nakomelingen van gouverneur Crommelin. Een kleindochter van de gouverneur was getrouwd met een zoon van de schilder Jean-Etienne Liotard, die heel afrocentrische zelfportretten van zichzelf maakte. Dit is dus het dilemma welke speelt bij het schrijven van mijn roman Maria Susanna Du Plessis welke uitsluitend zwarte en gekleurde Europese en Afrikaanse personen betreft. Daarom moet ik de historische visie van Jamaludin en haar zorgvuldig uitgewerkt kleurschema ook op dit punt afwijzen en besef tegelijk dat mijn werk daarom nooit door een Nederlandse uitgever zal worden uitgegeven.

Den Haag, 28 maart 2010

[van freethinker.nl]