door Maggie Schmeitz
De prachtig verzorgde bundel in kleur
Kind aan de Ketting; Opgroeien in slavernij toen en nu. is onderdeel van een
groter project
Kind aan de Ketting met
een website, een reizende tentoonstelling en een educatief pakket voor het voortgezet
onderwijs.
Aspha Bijnaar geeft in de verantwoording aan dat het thema
opgroeien in slavernij niet alleen wetenschappelijk vernieuwend is, maar ook
maatschappelijk relevant. Het Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden
en erfenis (NiNsee) wil met dit project breed gedragen maatschappelijke
verontwaardiging oproepen over uitbuiting van kinderen toen en nu.
In de inleiding geeft de redacteur een helder overzicht van
de verschillende bijdrages, en laat zien hoe die met elkaar verweven zijn. Het
historische gedeelte wil enerzijds een beeld schetsen van de rol van kinderen
in de koloniale slavernij en anderzijds inzicht verschaffen in de gevolgen van
deze slavernij op de lange termijn. Het moderne gedeelte zoekt naar de
kenmerken en vormen van de hedendaagse kinderslavernij, en naar de verschillen
met de trans-Atlantische slavernij van toen.
De combinatie van artikelen geeft de lezer een algemeen en
een specifiek Antilliaans en Surinaams beeld van kinderen in de koloniale
slavernij. Dit een goede focus voor het Nederlands(talig) lezerspubliek en
biedt zowel informatie voor hen die al enigszins op de hoogte zijn als voor hen
die nog absoluut van niets weten. Een minpuntje van de ‘veelheid’ aan beelden
is dat er hier en daar herhaling en overlap optreden. Het inzicht in de
gevolgen van slavernij op de lange termijn komt minder goed uit de verf. Ik
krijg de indruk dat dit er door een aantal schrijvers in de laatste alinea nog
even bij is gegrabbeld; om te overtuigen was de verbinding tussen toen en nu
misschien beter tot zijn recht gekomen in een apart artikel. De combinatie
tussen een historisch gedeelte en een modern gedeelte over kinderslavernij is
wel goed gevonden; het staat de lezer niet toe om, na lezing van het historisch
gedeelte, een zucht van verlichting te slaken omdat ‘dat allemaal al voorbij
is’. Het drukt je met de neus op de feiten dat met de huidige economische orde
de verhoudingen niet echt veranderd zijn, alleen de vormen van uitbuiting zijn
dat wel.
 |
| Jongen uit Mariënburg. Foto © Nicolaas Porter |
Het eerste deel, Afrikaanse kinderen in de slavenhandel,
bestaat uit een bijdrage van Dienke Hondius die drie vragen centraal stelt en
beantwoordt: 1. Om hoeveel kindslaven ging het? 2. Wat meldden de bronnen
(Europese mannen) over kindslaven? 3. Hoe werkte de gevolgen van kindslavernij
door, ook na afschaffing van de slavernij? Hondius laat aan de hand van
verschillende bronnen zien dat het percentage Afrikaanse kinderen dat via de
transatlantische route werd gehaald in de loop der eeuwen stijgt van 18
procent aan het eind van de zeventiende eeuw tot 36 procent in de negentiende
eeuw. Bovendien was de meerderheid van de volwassenen jong. Hondius maakt dit
overtuigend duidelijk aan de hand van administratieve gegevens: kinderen van vier
tot zeven jaar telden als een halve arbeidskracht, tussen de acht en twaalf jaar
als tweederde arbeidskracht. Een volwassen gezonde slaaf tussen 15 en 35
jaar oud was de eenheid (pieza de India)
waarvan deze berekeningen werden afgeleid. In Suriname werden kinderen boven de 12 echter ook als volwassenen geteld. Als mogelijke beweegredenen van de
slavenhandelaren voor het steeds massaler invoeren van jonge kinderen worden
onder meer genoemd: kinderen waren goedkoper, makkelijker onder de duim te
houden, namen minder ruimte in, en gingen langer mee. Boven de 35 jaar werden
volwassenen als te oud en ongeschikt voor de verkoop en het werk beoordeeld.
Hondius geeft daarna de opinie van een aantal Europese
handelaren (1600-1700) weer over Afrikanen, die in hun ogen onbezorgd, seksueel
losbandig en onverschillig ten aanzien van hun (vele) kinderen zouden zijn.
Hondius verbindt het beeld dat deze Europeanen in Afrika opdoen met het in
Nederland wijdverbreide beeld van zwarten, dat al heerste voor er een
noemenswaardige groep zwarte mensen in Nederland was. Dit beeld van Afrikanen
als kinderlijk en dierlijk wordt in de negentiende eeuw versterkt door aanhangers
van de rassenkunde die Afrikanen consequent als kinderlijk en onderontwikkeld
bleven neerzetten. Deze veronderstelde blanke, Europese superioriteit zette
zich ook in de twintigste eeuw voort en beperkte zich niet alleen tot
conservatieve of koloniale kringen. In de twintigste eeuw blijven de contrasten
tussen ‘wild’ en ‘beschaafd’, ook vanuit bevoogdend humanitair activisme, het
superieure zelfbeeld en het inferieure beeld van de Afrikaan in stand houden.
Hondius maakt vervolgens een sprongetje naar de groep
antropologen onder leiding van Franz Boas die een totale ommezwaai maakten van
rassenkunde naar anti-racistisch onderzoek. Zij maakt hierbij vooral gebruik
van Herskovits die stelt dat raciaal vooroordeel is gebaseerd op de mythe van
de neger als kinderlijk, en gemakkelijk in staat zich aan te passen aan de
moeilijkste omstandigheden. Deze mythe rationaliseert discriminatie en beïnvloedt
zowel het beleid als onderzoekstrends. Hondius trekt deze lijn door naar de
etnische en raciale verhoudingen in Nederland heden ten dage.
 |
| Gravure uit Stedman |
Het tweede deel van het boek, ‘Surinaamse kinderen in
slavernij’, opent met een analyse van tien afbeeldingen uit de slavernijtijd
door Aspha Bijnaar. Deze analyse is om meerdere redenen interessant: de uitleg
van de schrijver prikkelt de lezer/kijker tot een eigen interpretatie van het
beeld, terwijl het beeld de interpretatie toont die de schilder/tekenaar geeft
aan de werkelijkheid. Bijnaar geeft aan dat de interpretatie van de kunstenaar
vaak te rooskleurig is. Zo beschrijft zij een prent van Stedman uit 1796 van
slaven die van een slavenschip komen als dubbelzinnig. Aan de ene kant wordt
een bedreigende situatie uitgebeeld waar de slaven, voornamelijk vrouwen en
kinderen, door een slavendrijver met stok en agressieve hond worden opgejaagd.
Aan de andere kant lopen de slaven er zo te zien vrolijk, en zelfs bevallig
bij. Alle vrouwen zijn afgebeeld met strakke borsten en volle heupen. In de
tekst verbaast Stedman zich weliswaar over hun levenslust, maar het tafereel
dat hij in woorden beschrijft wijkt verder sterk af van de afbeelding: ‘Men and
women, and a few children were such a resurrection of skin and bones, as justly
put me in mind of the last trumphet; seeming that moment to be rose from the
grave…(p. 38).’
Bijnaar gebruikt vervolgens een prent van Benoit uit 1839 om
de praktijken rond de veiling en verkoop van slaven(kinderen) te belichten. De
daarna volgende afbeeldingen hebben allemaal te doen met het leven op de
plantage en de serie eindigt met een afbeelding van een begrafenisceremonie.
Hiermee is de cyclus van het slavenleven mooi verbeeld. Bijnaar koppelt de
beelden aan bestaande informatie, en gebruikt ze om de lezer/kijker zich in te
laten leven in de afgebeelde Afrikaanse mensen.
Alex van Stipriaan concentreert zich in zijn bijdrage over
de demografische ontwikkelingen op de Surinaamse plantage gedurende de laatste
eeuw van slavernij op de oorzaken van de hoge kindersterfte en de condities
waarin kinderen ter wereld kwamen. Weinig verrassend constateert hij dat de
fertiliteit toeneemt naarmate de leefomstandigheden verbeteren en de hoop op
vrijheid toeneemt.
 |
| Foto © Djehudi Manhattan |
Elise Verhey tracht in haar bijdrage, ‘Opgroeien tussen
slaven en meesters’, meerdere gezichtspunten daarover te laten zien. Zij slaagt
er mijns inziens niet echt in het belang van Afrikaanse kinderen als
belangrijke schakel tussen slavenhouders en ouders aan te tonen, ook de stem
van de slaven komt niet echt tot uiting.
Ronald Donk relateert de droge historische feiten aan wat
dit voor een willekeurig slavenkind betekend zou hebben. Dit maakt zijn betoog,
dat feitelijk gericht is op de rol van de koloniale overheid en de katholieke
kerk, een stuk persoonlijker. Donks analyse van het onderwijs toont pijnlijk
aan dat het verlichte denken van de negentiende eeuw geenszins van toepassing
was op slavenkinderen; hij trekt de verschillen in omvang en kwaliteit van het aangeboden
onderwijs op Curaçao door tot 1954 en verbindt de huidige onderwijsproblematiek
met dit verleden.
Rose Mary Allen tracht het leven van slavenkinderen op Curaçao
te reconstrueren aan de hand van interviews uit de jaren tachtig met ouderen,
die werden gevraagd wat hun voorouders vertelden over de slavernij. De methode
van oral history brengt het verleden dichterbij; het relateren van de manier waarop
ouders nu nog fysieke straf toepassen aan de manier waarop er vroeger zodanig
werd gestraft, lijkt daardoor helemaal niet vergezocht.
 |
| Schooljeugd op Aruba; jaren '50 |
Luc Alofs belicht in de vaak verzwegen slavernij op Aruba de
manier waarop slavenkinderen letterlijk het kind van de rekening waren. De
eigenaren verhaalden de armoede die hen trof uiteindelijk op de slaven; door
hen te verkopen dan wel door op hun levensonderhoud te bezuinigen en ze in de
praktijk dus te verhongeren.
De artikelen van Wim Rutgers en met name van Jaimie Mcintyre
vallen nogal uit de toon; hun speurtochten in Antilliaanse literatuur en
Nederlandse schilderkunst leveren helaas weinig inzicht op die bij kunnen
dragen aan de opzet van deze bundel.
 |
| Foto © Stephen Murdoch |
Mercita Coronel opent het deel over hedendaagse kinderslavernij
met een kritische beschouwing van het debat over de cacao-industrie in
West-Afrika. Zij plaatst vier onderzoeken (twee westerse en twee Afrikaanse) uit
de periode 2002-2007 over mogelijke kinderarbeid in de cacao-industrie in een
complexe context van onder andere kolonialisme, corruptie, migratie, cliëntelisme,
tarieven en vrijhandel. Met name het Afrikaans onderzoek in Ghana en Ivoorkust
wijst uit dat 97 procent van de kinderen deel uitmaakt van het huishouden
waarin de cacao wordt geproduceerd. Coronel plaatst deze situatie dan ook
eerder onder de term kinderwerk dan kinderslavernij, of zelfs kinderarbeid. Aan
de hand van gedegen literatuurstudie waarschuwt zij tegen het gebruik van
emotioneel beladen termen als kinderslavernij en cacaoplantages, waar in
werkelijkheid sprake is van keuterboeren die met hulp van hun gezin en andere
arbeidskrachten proberen te overleven. Zij waarschuwt verder voor de
consequenties van het zwart-witte cacaoverhaal: als door westerse betutteling
en culturele misverstanden de Afrikaanse cacaoproductie in gevaar wordt
gebracht, zijn de kinderen van de Afrikaanse cacaoboer het kind van de
rekening.
 |
| Foto © Jeffry Surianto |
Kristoffel Lieten en Sarah de Vos schetsen aan de hand van ilo
conventies en unicef protocollen een deprimerend overzicht van moderne
kinderslavernij wereldwijd: het aantrekken van goedkope kinderarbeid op de
vrije markt zonder dat daar enige regulering tegenover staat. Als alleen de
onvoorwaardelijk ergste vormen van kinderarbeid worden geteld (slavernij en
gebonden arbeid, kindsoldaten, kinderprostitutie en pornografie, kinderen in
illegale praktijken), praten we over 8 miljoen; tellen we de kinderen mee die
om te overleven zo hard en zo lang moeten werken dat hun gezonde en normale
ontwikkeling geschaad wordt, dan praten we over 100 tot 170 miljoen. De
casestudie van Berendra Raj Giri over gebonden kinderarbeid in Nepal sluit hier
goed bij aan; zij laat de kinderen zelf aan het woord over de uitzichtloosheid
van hun bestaan.
Kind aan de Ketting plaatst moderne kinderslavernij hiermee
op het bord van eenieder die zich sociaal geëngageerd wenst te noemen. De
bundel biedt wat het belooft: de wetenschappelijke onderbouwing voor die
maatschappelijke verontwaardiging.
Aspha Bijnaar (red.), Kind aan de Ketting; Opgroeien in slavernij toen en nu. Amsterdam: KIT Publishers, 2010. 215 p., isbn 978 94 6022 061 6, prijs € 26,50.
[uit Oso 2012.1]