![]() |
| Annika Ockhorst |
Lachen, huilen, bevrijden is de titel van het onlangs verschenen boek met als ondertitel: De weerspiegeling van de Surinaamse samenleving in het werk van het Doe-theater, 1970-1983, geschreven door Annika Ockhorst met medewerking van Thea Doelwijt.
Annika had als studente geschiedenis aan de universiteit dit
onderwerp voor haar afstudeerscriptie en bij haar onderzoek mocht ze gebruik
maken van het persoonlijk archief van Thea Doelwijt. Van het een komt het
ander: een aantrekkelijk boek dat naast de geschiedenis van het Doe-theater en
de bespreking van alle voorstellingen veel foto’s bevat en teksten en liederen
uit de verschillende cabarets, musicals en toneelstukken voor de jeugd die het
Doe-theater in de loop van die dertien jaren in Suriname en andere landen op de
planken zette.
Thea Doelwijt en Henk Tjon waren de oprichters van het
Doe-theater. Zij ontmoetten elkaar via regisseur Hans Caprino die, door de
Sticusa uitgezonden naar Suriname eind jaren zestig, een brug wilde slaan
tussen het Surinaamse theater en de nog jonge generatie nationalistische
schrijvers. Hij trainde leden van de schrijversgroep ‘Moetete’, onder hen Thea
Doelwijt. Toen zij bezig was met het schrijven van haar eerste cabaret,
Frrrek, bracht Caprino haar in contact met Henk Tjon. Het klikte meteen
tussen de twee nog jonge theatermensen, creatieve geesten die samen iets nieuws
van de grond tilden, op het juiste moment, het Doe-theater!
![]() |
Thea Doelwijt en Henk Tjon. Foto: Maria Austria/MAI. Collectie TIN.
|
Het boek Lachen, huilen, bevrijden zit goed in elkaar. De
lezers krijgen een duidelijk beeld van de Surinaamse maatschappij en politiek
in de besproken jaren en hoe het Doe-theater daarop reageert met
voorstellingen, positief, maar ook kritisch, met veel humor en vanuit de
multiculturele werkelijkheid van Suriname. De stukken zijn niet alleen in het
Nederlands; vele zijn een ‘moksi patu’ van Sranantongo, Nederlands en Engels.
Dat hoort bij de taalsituatie van Suriname, maar er kwam ook wel kritiek op. Heel
goed is het dat in het boek positieve zowel als negatieve reacties op de
voorstellingen worden weergegeven!
De indeling: eerst een algemeen hoofdstuk over het
Doe-theater, dan vier hoofdstukken over de verschillende periodes. Die hebben eerst
een historisch overzichtje van die jaren en dan de bespreking van de voorstellingen
die in die periode gebracht zijn, met aan het begin een overzicht van alle
gegevens, dan de inhoudelijke bespreking van het stuk met bijzonderheden en
reacties en ten slotte een aantal liederen uit de producties. De vier periodes
zijn: ‘Het begin van het Doe-theater, 1970-1974’, ‘Onafhankelijkheid in zicht,
1974-1975’, ‘De falende opbouw, 1975-1980’ (duidelijke titel!) en ‘Het
Doe-theater en de militaire staatsgreep, 1980-1983’.
De naam ‘Doe’ heeft betrekking op heden en toekomst: wat
moeten we ‘doen’ om Suriname op te bouwen tot een werkelijk zelfstandig en goed
leefbaar land in de nabije toekomst. Maar ook op het verleden, de 18de eeuw,
toen toneelstukken werden opgevoerd met muziek, dans en spel door
‘Doe-gezelschappen’, waarin naast eigenaren van plantages ook slaven een rol
speelden in stukken die toestanden hekelden en soms ook een middel waren om
ruzies tussen verschillende plantage-eigenaren uit te vechten.
Belangrijke doelstellingen voor Thea en Henk waren dat er in
Suriname toneel zou komen dat van professioneel hoge kwaliteit was, maar wel vanuit
de Surinaamse werkelijkheid en culturen. Ze zetten zich af tegen de Nederlands
georiënteerde werkwijze van bijvoorbeeld Sticusa. Het is interessant dat bij de
bespreking van de verschillende voorstellingen in het boek ook kritiek
weergegeven wordt, vanuit de Surinaamse media, maar ook vanuit Nederlandse critici,
als er voorstellingen in Nederland waren. Daardoor wordt een verschil in
perspectief duidelijk. Surinaamse journalisten die van binnenuit kijken, vanuit
hun eigenheid en Nederlandse die verschillende keren vrij fel negatief reageren
met woorden als ‘clichématig’, ‘ouderwets’, ‘te weinig kritisch’ en vooral
‘primitief’. Dit zegt veel over de manier waarop buitenlandse deskundigen, ook
nu nog, vaak aankijken tegen Suriname en andere landen die in een ander
ontwikkelingsstadium verkeren dan hun eigen land. Het succes dat de meeste
stukken van het Doe-theater hier hadden, in de stad, maar ook in de districten
en het binnenland, laat zien dat de stukken het publiek aanspraken vanuit de
eigen leefwereld en hopelijk heeft het op een creatieve manier aangezet tot
kritisch denken over de realiteit van het eigen land.
![]() |
| Mariëtte Moestakim. Foto © Usha Marhé |
Bij de bespreking van ieder stuk worden ook de medewerkers
genoemd. Die hadden het vaak niet makkelijk als er weer eens financiële
problemen waren. Er werd veel steun geboden aan het Doe-theater, maar soms zat
het financieel aan de grond, ook doordat de entreeprijzen heel redelijk waren
om zoveel mogelijk Surinamers naar Thalia, het ‘huis’ van het Doe-theater, te
laten komen. Er zijn vaste medewerkers, vanaf het begin, zoals René Recappé in
de eerste jaren en Mariëtte Moestakim, Rieke Eersel en Mildred van Eer vanaf
1977. De drie dames bleven tot het eind van Doe-theater actief. Kijken we naar de
cast van de verschillende producties, dan zien we soms ineens veel namen van bekende
Surinamers. Aan Libi span ini na ati fu Sranan, een soort ode aan de
verschillende Surinaamse culturen uit 1979, namen bijvoorbeeld ook Ilse-Marie Hajary
en Marlène Lie A Ling deel. Ook Nardo Aluman en André Cirino, beiden uit de
cultuur van de inheemsen. In latere stukken zien we ook Wilgo Baarn optreden,
Chandra van Binnendijk, Hans en Borger Breeveld en Alida Neslo. Het Doe-theater
was dus een echt Surinaamse onderneming waarbij zoveel mogelijk getalenteerden
betrokken werden, ook op het gebied van het uiterlijk van de voorstellingen,
zoals decors, kostuums en grime. Henk Tjon was verbonden aan het Doe-theater
tot na de productie van Linkse Lucie, eind juli 1982, die hij regisseerde. Een
stuk vol kritiek op de politieke situatie toen, enkele maanden voor de Decembermoorden.
Er ontstond een verwijdering tussen hem en Thea en hij vertrok. In 2009 is hij
overleden. Het is wel gek dat dat niet in het boek staat, dat van 2012 is.
![]() |
| Henk Tjon |
Thea Doelwijt kreeg in 1983 van een relatie van de
machthebbers te horen dat ze het land beter kon verlaten. Ze was toen bezig met
een nieuw stuk, Beestachtig. De titel zegt al veel, maar van een opvoering is
het nooit meer gekomen. Thea woont nog steeds in Nederland en is actief met
theaterproducties gebleven, waarvan er vele in de afgelopen jaren hier zijn
gebracht, in Thalia, het ‘huis’ van het Doe-theater dat toen helaas niet meer
bestond. Thea kon de ‘Du’ niet loslaten. Met het Prépré-theater uit Amsterdam
maakte ze voorstellingen van Na Gowtu Du en Na Dyamanti Du, die ook naar
Suriname kwamen. Ook werd ter gelegenheid van 173 jaar Thalia Spokendansen / Land
te koop vroeger en nu opgevoerd. En Stop je hoofd nooit in een Spinnenweb (naar een jeugdboek van Thea), een cabaretmusical met muziek van Eldridge
Zaandam kwam tot stand in samenwerking met het Kinderboekenfestival Suriname
2007 en werd daar ook opgevoerd.
Het is niet mogelijk hier alle stukken van het Doe-theater
de revue te laten passeren. Ik beperk me tot één per periode. Hopelijk zet dat onze
lezers aan om het boek zo snel mogelijk in bezit te krijgen. Land te koop is
uit 1973, de eerste periode dus. Het stuk bestaat uit liedjes en sketches. Op
een van de foto’s zien we dat ook Helen Kamperveen meewerkte. De thematiek
heeft steeds weer te maken met de onzelfstandigheid van Suriname. In het lied
‘The land nobody knows’ wordt de gebrekkige kennis van Surinamers van hun eigen
land belicht. Het onderwijs is immers op Nederlandse leest geschoeid! De titel
van het volgende lied, ‘Dit is de tijd voor een nieuw geluid’ zegt al veel hierover.
Het geringe vertrouwen in eigen land doet een grote drang tot emigratie
ontstaan. Ook dat speelt een rol in Land te koop.
![]() |
| Scène uit Land te koop |
Libi span ini na ati fu Sranan is uit de tweede periode.
Uiteraard speelt het thema ‘onafhankelijkheid’ een grote rol erin, maar het
stuk is ook een duidelijke ode aan de verschillende Surinaamse culturen die een
rol erin spelen. Daardoor heeft het veel weg van een ‘kulturu neti’.
En dan de derde periode, ‘De falende opbouw’ van 1976-1980'.
Wie deze periode bewust meegemaakt heeft, herinnert zich de politieke blunders,
de ruzies tussen politici en vooral het ontbreken van een gemeenschappelijke
visie op een positieve ontwikkeling van de jonge republiek. In deze periode
wordt er onder andere een stuk over Anansi gespeeld, Anansi kontra masra Bobo,
Masra babari, Misi Fes’koki, Misi Sabiman nanga Masra Konflaw. De
verschillende karakters worden zichtbaar door sprekende maskers die door de
kunstenaars Ron Flu en Paul Woei zijn gemaakt. Vooral slechte
arbeidsverhoudingen worden gemanifesteerd, vol geweld van de kant van de
‘Masra’. Het lijkt werkelijk op de tijd van slavernij en contractarbeid.
Ba Uzi is hét stuk van de periode 1980 -1983. Het laat
verschillende emoties zien die de coup van 25 februari 1980 oproept bij het
publiek: enerzijds hoop op betere tijden en anderzijds vertwijfeling en angst.
De ‘falende opbouw’ is voorbij, maar hoe zal het verder gaan na de ingreep van
de sergeanten? Die vraag geeft veel onzekerheid. In het slotlied wordt de
thematiek nog een keer samengevat:
‘heb je kans, mijn land / om een bloem te worden / een bloem
die bloeit / uit de loop van een geweer / heb je kans mijn land?’
Marijke van Geest heeft het ‘Nawoord’ geschreven. Zij
verzorgde lessen in dramaturgie aan de Doe-theateropleiding met het doel de
medewerkers van de groep inzicht te geven in de achtergrond van theater, de
geschiedenis, de theorie en de analyse van bekende stukken. Zij eindigt met de
constatering dat het boek van Annika Ockhorst een belangrijke aanwinst is voor
de theaterwereld in Suriname, maar ook in Nederland waar een theaterinstituut
zich onder andere bezighoudt met het Doe-theater. Ik sluit me hierbij van harte
aan, maar wil eraan toevoegen dat het boek niet alleen is voor
theaterliefhebbers en -werkers, maar hier vooral ook voor lezers die de
situatie in de verschillende Doe-periodes meegemaakt hebben en ‘last but not
least’ voor jongeren hier die bijzonder weinig tot ‘neks’ weten van die tijd
tussen 1970 en 1983. Op een leuke manier krijgen ze inzicht in essentiële zaken
uit het nabije verleden, waar veel ouderen liever over zwijgen. Angst? Maar je
moet wel inzicht hebben in het verleden om de huidige maatschappij te kunnen beoordelen!
Annika Ockhorst met medewerking van Thea Doelwijt: Lachen,
huilen, bevrijden. De weerspiegeling van de Surinaamse samenleving in het werk
van het Doe-theater, 1970-1983. Leiden: Brill, 2012, met steun van KITLV. ISBN
978-90-04-24881-6
Documentaire op dvd: Er is nog een extraatje voor de lezer
bij het boek gevoegd: een dvd met een documentaire van Jan Venema van de Nederlandse
televisie over het Doe-theater uit 1980, Libispan ini na ati fu Sranan. Een
vrolijke documentaire die ook ernstige zaken over de toestand in het land aan
de orde stelt. De documentaire bevat fragmenten uit de producties van het Doe-theater
en veel gesprekken met en liederen door acteurs. Veel is opgenomen in de stad
Paramaribo. Dat geeft vrolijke beelden, ook door de expressieve en beweeglijke
manier waarop de acteurs communiceren, wan tru Sranan sani!







