Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label filosofie. Alle posts tonen

maandag 12 augustus 2013

Bonobo

Frans de Waal, bonobo, empathie, moraal

door Stine Jensen
 
Michael Jackson, Berlijn, 19 november 2002. Foto © Melnie Jocini

Michael Jackson toonde in 2002 zijn kind aan het volk. De negen maanden oude baby bungelde van vierhoog naar beneden. Mensen gilden, en niet alleen maar omdat ze fan van Jackson waren: ze waren bezorgd om het jongetje.

Frans de Waal noemt het schandaal dat de wereldpers haalde in zijn laatste boek: De bonobo en de tien geboden. Hij vraagt zich niet af hoe Jackson het in zijn hoofd haalde om de baby met één arm zo te laten bungelen, maar wil weten hoe het kan dat de massa zich met het lot van een baby identificeerde, terwijl die baby niet van hen is. Zijn antwoord is simpel: empathie. We hebben een lijfelijk inlevingsvermogen waardoor we ons kunnen voorstellen hoe het is om die baby te zijn. Net als apen. De Waal memoreert een herinnering uit dierentuin Arnhem. Een gewonde chimpanseeman hobbelt op zijn polsen rond om zijn pijnlijke vingers te sparen. Binnen een mum van tijd heeft zich een rij gevormd van apen die lichamelijk synchroon achter hem aan lopen, allemaal op hun polsen.

Met zijn boek wil De Waal laten zien dat mensapen ook ‘moraal’ hebben – dat wil zeggen, in staat zijn tot empathie. Daarmee zet De Waal zijn levenswerk voort met opnieuw een boek waarin hij laat zien dat datgene waarvan wij denken dat het uniek menselijk is (taal, oorlog voeren, gebruik van werktuigen, cultuur), ook bij dieren voorkomt.

De bonobo en de tien geboden is een heerlijk boek, dat voor filosofen veel gedachtevoer biedt. We hebben geen ‘moraal’ bedacht, noch hebben we de geboden uit de religie nodig om de natuurlijke instincten eronder te houden, maar we zijn van nature óók in staat tot het goede. ‘Elke moraal zou overbodig zijn als we alleen maar aardig waren,’ aldus de Waal. De voor de hand liggende vraag is natuurlijk waarom we dan niet altijd aardig zijn. Maar eigenlijk is dat de Michael Jackson-vraag. Ik dacht met De Waal aan de massa en vroeg me af: waarom gaat De Waal er eigenlijk van uit dat ‘aardig’ of ‘empathie’ altijd samenvalt met ‘goed’? Kun je bijvoorbeeld ook een ‘teveel’ aan empathie hebben dat tot de verkeerde morele beslissing leidt? Wie zegt trouwens dat de massa echt ‘empathie’ heeft met het jongetje, en dat die mensen niet eerder als de apen achter elkaar aan hobbelen vanuit lichamelijke synchroniciteit: eentje gilt, dan de rest ook. Ik dacht aan de jongens die zich zo identificeren met de jihadistische strijd dat ze radicaliseren en naar Syrië gaan om hun lijf in de strijd te gooien.

Evenmin als de ‘rede’ je per se je op verstandige gedachten brengt, is empathie of aardigheid een garantie voor de juiste morele beslissing.

[van Filosofie.nl, 12 augustus 2013]

woensdag 15 mei 2013

Mea culpa (6)

Een zoektocht naar het geweten van het Rooms-Katholieke Spanje en Portugal in de eerste eeuwen na Columbus. Hij probeert het antwoord te vinden op de vraag hoe het Rooms-Katholicisme in het reine kon komen met wat ieder weldenkend mens, ook de mens van de 16e en 17e eeuw dus, moet hebben ervaren als een groot onrecht.

door Fred de Haas
Afrikaanse slaven in Columbia



Francisco de Jaca (geb. 1645) en Epiphane de Moirans (geb. 1644)
Francisco de Jaca, afkomstig uit Aragón, en Epiphane (Epifanio) de Moirans, afkomstig uit de Franche-Comté dat toen Spaans bezit was, betoogden dat Paus Urbanus VIII in zijn brief uit 1639 aan de Apostolische Kamer van Portugal niet alleen bedoeld had dat de Indianen niet tot slaaf gemaakt mochten worden, maar dat dit ook gold voor de Afrikanen.
Jaca en Moirans hebben ervoor gezorgd dat er enige vooruitgang werd geboekt in de vrijwording van de Afrikaanse slaven. Moirans viel de Jezuïeten aan die op sluwe wijze hadden proberen aan te tonen dat de ‘tweede slavenkoper’ geen schuld trof. Jaca en Moirans veegden de vloer aan met vroegere theologische rechtvaardigingen voor de slavernij die werd beschouwd als zijnde een gevolg van de ‘erfzonde’. Moirans zei dat de Christelijke koningen en vorsten, de Engelse, Portugese en Hollandse handelaren en slavenhouders de dood verdienden omdat ze indirect meewerkten aan het roven van Afrikanen (zie J.T. López García, Dos defensores de los esclavos negros en el siglo XVII, Caracas, 1982, p. 216).
Over de schuld van de ‘tweede koper’ heeft Fray Francisco de Jaca het volgende te zeggen:

‘La razón de excusa que me dan y yo no admito es que a ellos no les pertenece saber más que el comprarlos y que allá se las haya los cargadores, vendedores, etc. y asimismo que allá se las averigüen los holandeses herejes de Jamaica, Curazao y asentistas españoles así de esas tierras como de las más remotas de donde los dichos herejes o asentistas referidos los traen : como si dichas culpas mortales, que unos y otros cometen, no fuesen de participantes’.
(vert. Het argument dat ze aanvoeren als excuus en dat ik niet accepteer komt er op neer dat ze alleen maar zeggen weet te hebben van hun eigen aankoop. De vervoerders en de verkopers moesten zelf maar weten wat ze uitspookten en de Hollandse ketters (!) uit Curaçao en Jamaica en de Spaanse vergunninghouders moesten zelf maar uitzoeken of ze die slaven al of niet terecht kochten […] Alsof de doodzonden welke die mensen begaan ook geen betrekking hadden op degenen die aan die handel meedoen (García López, p.91).


Kortom, alle Afrikanen moesten worden vrijgelaten op straffe van eeuwige verdoemenis. Ook vond Jaca dat de slaven schadeloos gesteld moesten worden en verweet hij de slavenhouders dat ze hun slaven om opportunistische redenen niet wilden laten dopen. Anders zouden ze immers moreel verplicht zijn hun slaven vrij te laten.

Moirans poneerde vijf stellingen (López García, p. 183):

1.       Niemand mocht slaven uit Afrika kopen of verkopen;
2.       Alle slavenhouders moesten hun slaven vrijlaten op straffe van eeuwige verdoemenis;
3.       De slaven moesten door hun meesters schadeloos worden gesteld;
4.       Slaven die in de kolonies op de suikerplantages werkten hadden het recht om te vluchten en zich ergens anders te vestigen;
5.       Omdat Kerkvorsten en Christelijke vorsten hadden meegewerkt aan het overbrengen van Afrikanen naar Amerika moesten ze uit hun gebieden worden verdreven. Ze konden er beter voor zorgen dat ze wegkwamen want ze zouden hun vervolging niet kunnen ontlopen.
 
Don Alonso Espino, een wereldpriester, gedood door de Chichimecas in 1586. D. Guillén de Lampart, La Inquisción y la independcia en el siglo XVII (México, 1908)
Het is te begrijpen dat de opvattingen van deze geestelijken bepaald niet bij de toenmalige kerkelijke en wereldlijke autoriteiten in Spanje in goede aarde vielen. De gouverneur van Havanna, waar de beide Kapucijnen grote moeilijkheden hadden gekregen, zorgde ervoor dat Jaca uit het klooster werd gezet en berecht door de vicaris. Jaca trok toen in bij Moirans die in een kluizenaarswoning in Cuba woonde. Beide geestelijken werden geëxcommuniceerd en op de boot naar Europa gezet. Jaca excommuniceerde op zijn beurt de kerkelijke provisor die volgens hem niet de bevoegdheid had gehad om hem, Jaca, te excommuniceren. In 1685 werden ze vrijgelaten. Het werd hen verboden om nog te preken.
 
Carlos II
Overgang van de 17e naar de 18e eeuw
In 1683 gaf Carlos II een verklaring uit waarin hij de opdracht gaf om de slaven goed te behandelen In 1685 stelde hij drie vragen aan de Raad van Indië (Consejo de Indias):

-          Was het geoorloofd om Afrikanen in de koloniën te hebben en wat zou de schade zijn als ze er niet waren?
-          Was er een vergadering geweest van theologen die zich had uitgesproken over de rechtmatigheid van het kopen en vestigen van slaven in de Spaanse koloniën?
-          Was er over het vraagstuk van de slavernij geschreven?

De Raad van Indië spelde Carlos wat op de mouw en voerden auteurs aan die de slavernij hadden goedgepraat (Molina c.s.).

Bovendien, zei de Raad, waren er geestelijken die zelf slaven hielden en werd er goed voor de slaven gezorgd (G. Scelle, La traite négrière aux Indes de Castille, Paris, 1906).


In 1686 deed de ‘Heilige’ Stoel uitspraak inzake een petitie van Jaca en Moirans: er mochten geen Afrikanen onder bedrieglijke voorwendsels tot slaaf worden gemaakt noch verkocht. Gebeurde dat toch dan moesten de slaven schadeloos worden gesteld en vrijgelaten. Toch ging de Curie er ook vanuit dat er ook redenen waren die slavernij zouden kunnen wettigen.

Aartsbisschop Cibo van ‘De Propaganda Fide’ (= Heilige Congregatie voor de Voortplanting van het Geloof) schreef naar aanleiding van deze uitspraak aan de bisschoppen en nuntius van Spanje en Portugal dat ze deze boodschap moesten overbrengen aan hun priesters en missionarissen. Zijn verzoek miste echter deels zijn doel omdat de Spaanse bisschoppen en de meeste Spaanse en Portugese priesters afhankelijk waren van de koning en niet van ‘De Propaganda Fide’.

Toen in 1701 het Huis Bourbon op de Spaanse troon kwam gaf Filips V het monopolie op de slavenhandel aan de Franse maatschappij waarin zijn grootvader Lodewijk XIV aandelen had.

De meeste Franse theologen en juristen hielden hun kaken stijf op elkaar. De Franse belangen waren groot in de West. De Franse koloniën waren het dichtstbevolkt met Afrikanen en die waren onmisbaar voor het werk op de winstgevende suikerrietvelden.
 
Blaise Pascal
 Maar, net als in de 17e eeuw Pascal de kronkelredeneringen van de Jezuïeten in zijn Lettres Provinciales (1656/57) aan de kaak had gesteld en belachelijk gemaakt, was er ook een grote geest in de 18e eeuw die zijn vlijmscherpe pijlen afschoot op de mentaliteit waarmee men slavenhandel bedreef: de Franse jurist en filosoof Montesquieu die in 1748 zijn grote werk De l’Esprit des Lois (over de zin van de wetten) in Genève het licht had doen zien.

Montesquieu en de Franse slavenhandel
In de 18e eeuw speelden de Fransen een grotere rol in de slavenhandel dan de Nederlanders. In die eeuw, de zogenaamde ‘Eeuw van de Verlichting’ waar menig filosoof zo nostalgisch over praat, nam ook de slavenhandel toe in omvang. De Europeanen genoten volop van de koffie, de suiker en de chocola die werd geproduceerd door de Afrikaanse slaven in de koloniën. Driekwart van de Europese behoefte aan koffie werd gedekt door de plantages in Martinique, Guadeloupe en Frans Guyana. Op die plantages werkte zwarte mensen aan wie in feite elke menselijkheid werd ontzegd uit vrees dat hun omstandigheden niet te rijmen zouden zijn met het Christelijke beginsel ‘hebt uw naasten lief gelijk uzelven’. In die fameuze eeuw van de Verlichting tierden de racistische vooroordelen welig.


Montesquieu was zich hiervan scherp bewust en verhief in boek XV, hoofdstuk 5 van De l’Esprit des Lois zijn stem tegen de slavenhandel. Hij gebruikte voor dit doel een stijlmiddel dat je het best zou kunnen omschrijven als absurde, zwarte humor. Montesquieu stelde zich in de plaats van een slavenhandelaar die hij allerlei redenen liet opnoemen ten gunste van de slavernij. Ik geef ze u in vertaling, maar u kunt de Franse tekst op het Internet vinden als u intikt ‘Montesquieu et l’esclavage’.




De slavenhandelaar spreekt:

-          Omdat de Europese volken de volken van Amerika hebben uitgeroeid, moesten ze de Afrikaanse volken tot slaaf maken om zich van hen te kunnen bedienen ten einde die grote hoeveelheden land te ontginnen;
-          De suiker zou te duur worden als we geen slaven zouden hebben om het suikerriet te verwerken;
-          De mensen over wie het gaat zijn zwart van hoofd tot voeten; hun neus is zo plat dat het hierdoor bijna onmogelijk is hen te beklagen;
Montesquieu

-          Het is echt niet voor te stellen dat zo’n wijs wezen als God een ziel (met name een goede ziel) in een lichaam zou hebben gezet dat helemaal zwart is;
-          Het is zo natuurlijk om te denken dat kleur het wezen van de mensheid bepaalt dat de Aziatische volken die eunuchen maken er altijd op een niet te miskennen manier een stokje voor steken dat zwarten met ons betrekkingen onderhouden;
-          Je kan het oordeel over de kleur van de huid gelijkstellen met het oordeel over de haarkleur bij de Egyptenaren - de beste filosofen van de wereld – die bij hen zo zwaar woog dat ze alle mensen met rood haar die ze te pakken kregen doodden;
-          Het bewijs dat zwarten niet over gezond verstand beschikken is dat ze een kralenketting meer waarderen dan een ketting van goud die in beschaafde landen van zo’n grote waarde is;
-          Het is onmogelijk om ook maar te veronderstellen dat die lieden mensen zijn, omdat, als we zouden veronderstellen dat dit zo was, we zouden gaan denken dat we zelf geen christenen waren;
-          Het zijn kleine geesten die het onrecht dat we Afrikanen aandoen overdrijven. Immers, als dat onrecht zo groot is als ze beweren, zou het dan niet in het hoofd van de Europese vorsten, die onderling zoveel zinloze verdragen afsluiten, opkomen om een algemeen bindende overeenkomst af te sluiten ten gunste van de barmhartigheid en het medelijden?

De absurditeit van bovenstaande redeneringen is zo dodelijk dat je zou veronderstellen dat het, na kennisname hiervan, meteen zou zijn afgelopen met de infame slavenhandel. Niets was minder waar. Men is nog rustig een eeuw doorgegaan.
Wel is het boek van Montesquieu van invloed geweest op de idealen van de Franse Revolutie van 1789 die de aanzet is geweest voor een langzame kentering in het denken.
Lang voordat door de Franse regering de slavernij werd erkend als een misdaad tegen de menselijkheid schreef Montesquieu: ‘[…] als ik kennis had van iets dat van nut zou kunnen zijn voor mijn vaderland maar schadelijk voor Europa en de mensheid, dan zou ik het beschouwen als een misdaad’.

[vervolg en slot klik hier]

zaterdag 16 maart 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (16)

Vrouwen in Kabele, Oeganda, 2007


door Willem van Lit

In deel 16 het onderhoud van de dynamiek van het vermogen verdraagzaam te zijn; hert verlaten van het monopolie van de waarheid, het fanatisme en dogmatisme of de onverschilligheid. De cruciale rol van leiderschap.


Ontwikkeling van het vermogen tot tolerantie is steeds een menselijk, dus redelijk proces, dat in de staat van onderhoud steeds matigheid nodig heeft. Men kan zich niet afwenden van het ongeluk van anderen, zoals Spinoza dat bedoelde, omdat dit de kern van de menselijke conditie is. Bij het redelijk of rationeel handelen hoort dat men dit enkel kan doen als men de eigen positie goed in de gaten heeft. Anderen moeten dit kunnen zien en ervaren door hun eigen positie te waarderen. Het is wederzijds, nadrukkelijk wederzijds en nooit eenzijdig waarbij men de andere wang toekeert als men op de ene klappen krijgt. Tolerantie komt niet voort uit eenzijdig gepreekte naastenliefde maar uit het op gang brengen van de dialectiek, de wederzijdse bejegening, die niet zómaar ontstaat door er maar enerzijds veel in te pompen. Dit laatste werkt beledigend de apathie en lethargie in de hand waarbij het geweld van de beschaming op de loer ligt. De belerende tolerantiecampagne van de Nederlandse overheid eind 2012 op de tv, waarbij men zogenaamd ‘vrijblijvend’ witte pakjes ‘TOLERANTIE’ ronddeelde, is als mislukt van de zenders gehaald. Men maakt zich belachelijk door juist het benadrukken van die eenzijdigheid.
Charles Darwin

Het begrip rationeel is onder druk van de meritocratie van het neoliberalistische waanidee steevast verkeerd uitgelegd en gehanteerd, waarbij men voortdurend mensen de hoek in heeft gedreven, de hoek van het zogenaamd gebrek aan vermogen of onwil te groeien. Het neoliberalistische idee van rationalisme is een sociaaldarwinistische belediging voor de hele mensheid. Het ontkent het beginsel dat men zich niet mag afwenden van het ongeluk van anderen. Door ongebreidelde arrogantie en schraapzucht is het neoliberaal rationalisme een klap in het gezicht, het uitgangspunt van hernieuwde beschaming die tot meer geweld zal leiden en hierdoor wordt civilisatie ontkend. Ook hier lost het zeker niets op de andere wang toe te keren omdat ze je daar dan net zo vrolijk en nog harder zullen treffen. Zonder scrupules.

Maar ook door socialistisch-christelijk politiek correct dwingen staat de rede onder druk. Sommigen gaan zó ver dat men de eigen door de verlichting verworven democratische beginselen en stelsel ter discussie zou willen stellen. Er zijn mensen die er bijvoorbeeld voor pleiten de sharia in bepaalde sectoren van onze samenleving toe te laten. Men realiseert zich niet meer dat ons systeem van scheiding van kerk en staat en trias politica  uit de bloedige brij van religieuze wanorde en fanatisme naar boven is gesleurd: de desastreuze godsdienstoorlogen uit vroeger eeuwen in Europa. De tolerantie van het laisser-faire of ‘Weg met ons Cultuur’, zoals Ida Lamers dat noemt geeft dit soort verstikkend en bloederig dogmatisme weer een kans tot vernietiging. Het was hetzelfde religieus fanatisme dat – geautoriseerd – als ideologie werd gebruikt om inheemse gemeenschappen en culturen in Amerika om zeep te helpen.

Bescherming en bewaking van ons democratisch stelsel en gedachtegoed vergen voortdurende inzet van de redelijkheid. De balans tussen sociaal-, christen-, en liberaal-democratische krachten met alle mankementen en in allerlei varianten verdient ver de voorkeur boven razend fanatisme en dogmatisme van het eigen gelijk of boven een schijnbare onverschilligheid van tirannie waarin bloedvergieten en knechting als ‘schone’ methoden voor handhaving van evenwicht worden gepropageerd. Het verdient tevens ver de voorkeur boven het absurd beschamend nihilisme van neoliberalistische onverschilligen.

Laisser-faire verdraagzaamheid laat binnen het Koninkrijk toe dat de cultuur van verzet en woede, de patronage, fraude en eenzijdige begunstiging op de Caribische eilanden kan doorgaan. Sterker nog, dit zelfde politiek correcte idee van eenzijdige tolerantie staat patronage toe, doet mee aan de beschamende kracht van het kolonialisme van de gunst: eenzijdig, waarbij de bruisende kracht van woede wordt uitgelokt.

Ik pleit in dit boek voor een samenleving waar er plaats is voor tolerantie op basis van ruilinteractie, de dialectiek van wederzijdse bejegening. Hetzelfde idee moet eveneens toepassing vinden in het Koninkrijk der Nederlanden. We weten dat de verhoudingen tussen het Europese en het Caribische deel in macht en kracht ongelijk is; het Europese deel voert de boventoon. Juist door dit besef is de ontwikkeling van tolerantie op basis van deze ruilinteractie van groot belang. Het is de noodzakelijke voorwaarde waardoor de pathetische omhelzing en de strikken van schuld en schaamte los kunnen komen.

Met behoud en toepassing van de dynamiek van de rede. De mens heeft allereerst de kunst moeten leren met elkaar te leven. Eerder in dit boek (hoofdstuk 1 en 3) heb ik geschreven dat ik Popper volg als hij zegt dat “de mens, of zijn voorouder, eerst een sociaal en daarna pas een menselijk wezen was”. Eveneens was er eerst de gemeenschap en daaruit is taal ontstaan. “Maar dat betekent dat sociale instellingen, en daarmee ook typisch sociale regelmatigheid of sociologische wetten al bestonden voordat er sprake was van zoiets als wat sommigen graag ‘de menselijke natuur’ en de menselijke psychologie noemen”. Hij zegt verder dat het menselijk bewustzijn, zijn noden, verwachtingen, angsten, de hoop, motieven en zijn ambities hoe dan ook het product zijn van de samenleving zelf en niet de scheppers ervan. De structuur van de sociale betrekkingen zijn mensenwerk en niet het werk van God of van de natuur. De mens heeft zijn eigen omgeving ontworpen en ontwikkeld op basis van eigen menselijk handelen en besluiten en deze structuren kunnen alleen worden gewijzigd door datzelfde menselijk handelen en zijn besluiten. De mens is ingenieur van zijn eigen sociale realiteit. Het bewustzijn is ontstaan uit en is samen met de ontwikkeling van die sociale structuren en culturen gevormd. Op deze manier ontwikkelt zich de rede, die eveneens samen met de voortdurende ontwikkeling van diezelfde sociale realiteit en betrekkingen is ontstaan. En dat is de reden dat de redelijkheid constant onderhoud vergt.[1]
Bertrand 1969

Identiteit en authenticiteit zijn dan dynamisch sociaal gedefinieerd, waarbij men zich wel bewust is van de vorming van cultuur in een eigen maatschappelijke en historische context, maar waarbij men zich actief bewust veranderbaar opstelt. Dit vergt voortdurende oefening van eerbied, aandacht voor het ongeluk van anderen. Gemeenschapszin waaraan iedereen meedoet, is onvoorwaardelijk noodzaak. Strikt wederzijds. De basisvoorwaarde is dat men álle groepen bevrijdt uit het geweld van de armoede, waarbij waardigheid en besef van vrijheid loskomt van de gunst van de gift, de cultus van patronage, de woede, afgunst en fanatisme. Zelfredzaamheid is een pijler voor het onderhoud van de redelijkheid, slachtofferisme vernietigt dit. En dit alles vergt leiderschap, als organisator van de menselijke betrekkingen.

In mijn boek De Caribische eilanden, het alternatief[2] heb ik gezegd dat het bij de Nederlands Caribische eilanden om drie fundamentele problemen draait: de armoede, de zorg voor de jeugd en het leiderschap. Dit is nog steeds zo. Het probleem met leiderschap liep toen als een rode draad door het boek. Nu kom ik er weer bij uit. Het ontwikkelen van tolerantie, zoals het hier bedoeld is, gaat niet vanzelf. Leiderschap is van enorm belang bij het op gang krijgen en houden van het vermogen tot verdraagzaamheid. De kenmerken van het leiderschap dat hierbij naar voren moet komen, zal ik in het kort hieronder herhalen.

1)      In een Caribische omgeving past het een uitgesproken en tot de verbeelding sprekende vrouw of man in een voortrekkersrol te hebben. Zij of hij moet charisma hebben.
2)      Hij of zij moet integriteit waarborgen en uitstralen: onkreukbaar zijn.
3)      De leider moet een helder en uitgesproken idee hebben over de toekomst: hij/zij moet een duidelijke visie hebben.
4)      Hij of zij moet voor mensen ruimte scheppen en ook grenzen trekken waar nodig, maar zeker niet afrekenen. Hij/zij moet mensen in geest en mogelijkheden vrijheid kunnen bieden tot ontplooiing te komen: positief mensgericht leiderschap.
5)      De grondslag voor goed leiderschap is optimisme. Men moet in staat zijn boven de geest en sfeer van voortdurende crisis en teloorgang uit te groeien en niet steeds verwijzen naar anderen.
6)      De leider moet bruggen slaan tussen uiteenlopende groepen, segmenten, sociale lagen, rassen, enz. Hij/zij moet deze kunnen verzamelen en afstemmen rond één idee met afstemming van belangen.
7)      Leiderschap vergt verstandige oriëntatie op alle relevante maatschappelijke functies (sociaaleconomie, gezondheid, jeugdzorg, wetenschap, veiligheid, ecologie, enz.) en de leider moet in staat zijn deze te groeperen rondom de idee voor de toekomst.
8)      De Caribische stijl van leidinggeven vergt voorts een positief constructieve manier van knutselen: bestuurlijk manoeuvreren van dag tot dag met het oog op de toekomst.
9)      Zijn of haar gezagsbasis is de democratie (niet patronage), de legitieme grondslag voor integer en geciviliseerd bestuur.

(slot volgt)

...stevige identiteit...




[1] Popper, De open samenleving en haar vijanden, pag. 333. Als in mijn eerste hoofdstuk heb ik dit in een voetnoot toegelicht onder de subtitel ‘Smeulende herinneringen’. Deze redenering is de basis voor het verklaren van de (ontwikkeling van de) menselijke rede, die als beginsel van matigheid in denken en handelen tevens de basis vormt voor het vermogen tot tolerantie.
[2] Van Lit De Caribische eilanden, het alternatief, pag. 135 – 141.

maandag 11 maart 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (14)

Foto © Jeffry Surianto


door Willem van Lit

In deel 14 wordt het programma voor de ontwikkeling van het vermogen tot verdraagzaamheid in één aflevering voorgesteld.

Een programma voor tolerantie
Op basis van voorgaande uitgangspunten en het idee van de retorica heb ik een programma ontworpen om het vermogen van de tolerantie tot ontwikkeling te brengen[1]. Het is een programma van tien punten waarin stellingen zijn opgenomen die voor debat vatbaar zijn. Dat het een programma van een mooi rond geheel van tien punten is, berust op toeval; ik heb er niet doelbewust naar toe geredeneerd. De punten kunnen in de volgorde zoals ik ze hier presenteer, gelezen en ontwikkeld worden. Dit is geen noodzaak. Sommige punten zijn eventuele activiteiten die gelijktijdig of in omgekeerde volgorde kunnen plaatsvinden. Het is echter wel zo dat hun kracht alleen gevoeld zal worden, als ze in een zekere samenhang tot uitvoering komen. Kortweg zijn de stellingen voor het debat de volgende:

1.       Welvaart democratiseert en schept voorwaarden voor de basis voor tolerantie.
2.       Vrijheid en waardigheid krijgen een kans als men los komt van de gunst van de gift.
3.       Tolerantie kan pas ontstaan als men het eigenbelang kan onderkennen en als uitgangspunt kiest.
4.       De zogeheten statische ‘wortelidentiteit’ maakt plaats voor de dynamische ‘relatie-identiteit’.
5.       Eigenwaarde kan men gaan ervaren als men zich verbijzondert tegenover anderen vanuit het idee: ‘Ken u zelf’.
6.       Ontwikkelen van zelfredzaamheid is een voorname morele plicht.
7.       Het doorbreken van de barrière van schuld en schaamte gaat op basis van een gemeenschappelijk plan, waarbij het belang van de een nadrukkelijk is verbonden met – ja zelfs voortkomt uit – het belang van de ander.
8.       Men wordt uitgenodigd te ontsnappen aan de eigen leugen door de waarheid niet te monopoliseren.
9.       Het vermogen tot empathie vormt de kern van trots en bevlogenheid in een sociale context.
10.   Het dynamiseren van cultuur ontwikkelt het geestelijke en morele vermogen en daardoor de verdraagzaamheid in de menselijke betrekkingen.

Deze stellingen staan hierna een voor een uitgewerkt en zij vormen de context voor het debat dat hierbij kan worden gevoerd.

Welvaart democratiseert. Als we ervan uitgaan dat welvaart daadwerkelijk democratiseert, dan ligt hier de basis voor het ontwikkelen van de voorwaarden tot tolerantie. Tolerantie kan naar voren komen binnen de context van democratie. Aangezien op de eilanden het geweld van de armoede nog veel huishoudens treft, zijn mensen daardoor niet in staat op een goede manier deel te nemen aan het openbare leven. Zelfs het naar school gaan van kinderen is hierbij in gevaar. Op deze manier ontbreekt een belangrijke conditie om het vermogen tot tolerantie op gang te brengen. De ruilinteractie en het debat moeten eerst op gang komen door het stoppen van het geweld van de armoede. In die zin had Marx gelijk: eerst het vreten en dan de moraal.
Albert Roessingh - Meisjes met baby

Herkennen van de blokkade door de gunst van de gift. Hierbij gebruik ik het voorbeeld van de schoolgang van (jonge) kinderen. Laten we ervan uitgaan dat moeders in een normale situatie willen dat hun kinderen naar school gaan. Op de eilanden wonen veel alleenstaande vrouwen die op jonge leeftijd al kinderen hebben gekregen. Een groot aantal van hen leeft sociaal geïsoleerd door armoede getroffen. Uit schaamte houden ze hun kinderen thuis van school: ze moeten uit geldgebrek dikwijls het ontbijt missen en voor behoorlijke kleding is geen geld. De vraag is hoe men deze moeders met behoud van hun waardigheid de schaamte kan laten overwinnen, zodat ze de kinderen uit eigen beweging steeds naar school brengen of laten komen. De ruilinteractie bestaat er uit dat men van hen heel gericht verlangt de kinderen naar school te sturen in ruil voor materiële voorwaarden, die de reden voor het niet-sturen ongedaan maken. Men beweegt de moeders hun schaamte te overwinnen.

Een dergelijke basis is wat anders dan het ongericht cadeautjes uitdelen in de wijken gedurende verkiezingstijd, zoals een aantal politieke partijen doet. Hiermee koopt men stemmen; het aannemen van ongerichte presentjes is niet vrijblijvend. Het is een vorm van patronage waarmee verplichtingen worden geschapen en dus verlies van eigen vrije keuze in algemene zin wordt verkocht, een vrije keuze die aan de basis ligt van het behoud van eigenwaarde.
Foto © Placeholder

Onderkennen van eigenbelang. Het los komen uit de gunst van de gift kan ontstaan uit het besef van eigenbelang. Ik blijf nog bij het voorbeeld van de alleenstaande moeders. Dit is niet echt willekeurig gekozen. Het basisprobleem op veel Caribische eilanden is verwaarlozing van kinderen, waardoor de brandstof voor beschaming in generaties wordt opgeslagen met alle gewelddadige gevolgen van dien. Het bestuur van de eilanden moet zich bewust zijn van de sleutel van deze situatie. Kinderen zijn de investering voor de toekomst. Men moet de moeders het besef geven dat zij met hun kinderen een waardevol bezit hebben: het belang van de ontwikkeling voor komende generaties. Een bestuur (overheid, regering en betrokken instanties uit het maatschappelijk middenveld) moet de waarde hiervan bevestigen en erkennen. Doordat de moeders hun kinderen gaan ervaren als eigenbelang, ontstaat er een basis voor het tot stand brengen van de ruilinteractie op dit vlak. Het is het startpunt voor het scheppen van ruimte in onderlinge relaties, waardoor dienst met wederdienst kan worden vergolden. Een belangrijk middel om het besef van eigenbelang te ontwikkelen, is het onderwijs. De kwaliteit hiervan moet op de eilanden drastisch omhoog en dit wil onder andere zeggen dat de kinderen op Papiamentssprekende eilanden meertalig moeten worden opgeleid. Naast het Papiamentu moeten zij zeker nog twee tot drie talen leren beheersen: Engels, Spaans en/of Nederlands. Verheffing van het volk, zoals dat deftig heet, is niet meer dan het op gang brengen van de werking van de ruilinteractie. Dit kan door investering in eigen kennis, kunde en competentie met een daaraan gekoppeld bewustzijn van de waarde daarvan. Meertalig opvoeden, zelfs in meer dan twee talen, hoeft voor kinderen geen probleem te zijn. Er zijn op de wereld verschillende voorbeelden te geven van plaatsen waar kinderen zich moeiteloos meerdere talen tegelijkertijd eigen maken. Juist dit bevordert de dialoog en de kunst van het debat.
Antillianité

De dynamiek van identiteit. Doordat mensen de werking van de ruilinteractie leren waarbij ze eigenwaarde en eigenbelang gaan ervaren, onderkennen ze ook de dynamiek van de eigen identiteit. De uitwisseling van dienst en wederdienst is een sociaal evenement; het zijn gebeurtenissen die de relaties tussen mensen in beweging zetten. Men ervaart de dynamiek van de wisselende posities, de inspanning die het kost om in de dagelijkse omgang vooruit te komen. Dit betekent dat de ‘wortelidentiteit’ zijn belang langzaamaan verliest. Men hoeft dan niet meer zo nodig op zoek naar de statische en onwrikbare hoedanigheid van afkomst (daar waarin men denkt geworteld te zijn), geschiedenis, stam of ras om te begrijpen hoe men kan functioneren. Het gaat om de dagelijkse beweeglijkheid van menselijke betrekkingen: de plek, omstandigheid en houding waarin men elkaar ontmoet in vertrouwen, waardering, nabuurschap en dan als kennis, kameraad, vriend, collega of zakenrelatie. De identiteit die hier wordt bedoeld, is de dynamische relatie-identiteit. Dit is een gedachte die onder andere door de Antillanité-beweging op de Frans-Caribische eilanden is ontwikkeld, zoals ik eerder in dit hoofdstuk heb besproken. Het ligt voor de hand dat meertaligheid – zeker op de Papiamentssprekende eilanden – dit type identiteit kan bevorderen.
Foto: Zuleika Coffie

Zichzelf ervaren als bijzonder: ken uzelf. Mensen zullen zichzelf positioneren in het beweeglijke veld van de sociale relaties doordat zij eigenwaarde, eigenbelang en een dynamische identiteit kunnen ontwikkelen. Op deze manier zullen ze zichzelf verbijzonderen, als uniek beleven ten opzichte van anderen in de omgeving. Het is een vergroot besef van het functioneren in de betrekking tot anderen: wat is mijn invloed en wat verandert er doordat ík iets zeg of doe? Wat betekent het voor familie, kennissen, collega’s, klanten, buren en andere relaties? Door de ontwikkeling van het besef van die interacties, is het ook gemakkelijker geworden keuzes te maken: het vertrouwen in eigen kunnen, weten en ervaren is groter geworden (zonder gebruik te hoeven maken van inktzwarte ironie of grof cynisme, het dodelijk nihilisme). Men ziet de effecten van de eigen acties. Hierdoor is de bereidheid tot veranderen van de eigen identiteit ook toegenomen en is de behoefte aan erkenning van (de statische) afkomst steeds minder. De dynamiek van actieve uitwisseling komt sterker op gang. Het zelfvertrouwen neemt in gezonde twijfel toe.
...zelfredzaamheid...

Zelfredzaam zijn. Zoals al eerder gezegd in dit boek kan de reddende waarheid door niemand buiten jezelf worden geboden. Het is dus van levensbelang dat je jezelf veranderbaar opstelt om je eigenheid in de sociale werkelijkheid van elke dag tot uitdrukking te brengen. Zelfredzaamheid wil zeggen dat je loskomt uit de zwijgende rol van het slachtoffer dat vol verzet en passief ontladen een voortdurend appel doet op het latente schuldgevoel van de “daders”. Hierdoor wordt het gevoel van medelijden in stand gehouden samen met de vernederende gunst van de gift, die de afhankelijkheid alleen maar versterkt en de apathie verdiept. Het laat tevens toe dat patronage in bestuur in stand blijft. Zelfredzaamheid betekent dat men actief de uitwisseling met anderen zoekt. Dit onderdeel van de dynamisering van de tolerantie is cruciaal. Het kan uiteraard niet los worden gezien van de voorgaande punten en het vormt een belangrijke sleutel voor verdere ontwikkeling. Op dit punt komt namelijk een eerste omslag in de thymotische energie tot stand. Het onverzettelijke scherm van wrok trilt van zijn plaats en men gaat, gesteund door het gevoel van eigenwaarde én de vrijheid die men ervaart in beweeglijkheid van de relatie-identiteit, zichzelf overtuigen van eigen kracht tot handelen, kennen en kunnen. Als men ontdekt dat het lukt, ontstaat er enthousiasme.
...stekelige verhouding met het 'Moederland'...

Doorbreken van de barrière van schuld en schaamte. Dit punt vereist een aanpak in een breder verband en op een ander niveau. Het is nog wel het meest intrigerende punt van de reeks. Uiteraard staat het niet los van alle andere. Het ligt in het verlengde ervan. Hebben we eerst gekeken naar de werking van de ruilinteractie in de eerste ring (directe omgeving van individuen), bij dit punt moet er een structurele aanpak worden besproken. De sleutel van de oplossing komt uit de hand van bestuurders en hierbij is de houding van de Europese partner in het Koninkrijk van groot belang. Dit hangt samen met het besef dat we in het Koninkrijk van (rijks)délen wonen.

Eerder in dit hoofdstuk heb ik de houding van Nederland als volgt getypeerd: onverschilligheid, die bestaat uit een combinatie van desinteresse, niet-willen en niet-durven. Het is de houding van neerbuigendheid vanuit een zelfgenoegzame fatsoenscode in samenhang met gêne, het schuldgevoel om het verleden. Hierdoor wordt een cultuur van vermijding in stand gehouden en die wordt verward met tolerantie. Dit is heden ten dage nog steeds de kern van de opstelling van waaruit politiek wordt gevoerd binnen het Koninkrijk der delen Nederlanden. Het is een merkwaardig soort conformisme waaraan niemand zich wil onttrekken, maar het leidt tot een halfslachtige vorm van ruilinteractie [2]. Hierdoor onderhoudt men vanuit het Europese deel van het Koninkrijk de aard en de werking van patronage, de nepotisme-economie, zoals Signer dat noemde (hoofdstuk 5 onder “Bestuurlijk knutselen”). Zo is de patstelling van de ziekmakende omhelzing op politiek gebied geschetst: de effecten van een voortdurend uitgesteld leven, die de verhoudingen in het Koninkrijk der delen steeds meer verzieken. Ook de opsplitsing van het land Antillen op 10 oktober 2010 heeft hieraan bijgedragen. Het bood en biedt geen oplossing. Het was de oplossing van opportunisten en halfslachtige onverschilligen die tot een nieuw uitstel met voortgaande stagnatie en verdere teloorgang leidt. Wat ontbreekt, is een integraal inhoudelijk plan binnen de totale context van het Koninkrijk met een substantiële bijdrage van het Europese deel. In zo’n plan moet de Europese partner zich de vraag stellen: “Wat zit er voor ons in of wat heb ik er aan”? Deze vraag moet komen vanuit de intentie wat we gezamenlijk écht willen met het koninkrijk en wat ieders idee en voorstellen zijn voor het geheel. Voor de Caribische Nederlanders is een directe en open lijn met Europa van groot belang, maar hoe die er precies moet uitzien en wat exact de voordelen daarvan zijn, moet helder gemaakt worden. Iedere bewoner van de eilanden moet dat kunnen zien en ervaren. Het Europese Nederland moet een actieve rol vervullen in het ontwikkelen van de relatie tussen het Caribische deel en Europa. Zo kan Europa via de eilanden de voordelen gaan ervaren van de treeplank naar opkomende economieën in Zuid- en Midden-Amerika. De Caribische eilanden hebben een strategische positie in die lijn.

Als de werking van de interactie van dienst en wederdienst niet van de grond komt, moet het Europese Nederland zich realiseren dat men geconfronteerd blijft met de slepende stagnatie, gevangen in het mechanisme van het voortdurende uitgestelde leven en de ziekmakende omstrengeling van schuld en schaamte. Dit is onontkoombaar. Guépin noemde dit de talio van de wraak, de ruilinteractie van de wraak waarbij wandaad met wandaad wordt vergolden en meer dan dat, omdat in de wraakneming het “dubbel en dikke” er nog bovenop komt. Dit kan alleen maar ongedaan gemaakt worden als men het kan “ontveinzen door edele motieven”, zoals hij dat noemt. Omgekeerd geformuleerd wil dat zeggen dat men vertrouwen moet winnen door oprechtheid van intentie. Dat is al moeilijk genoeg en dit kan alleen maar komen vanuit een werkelijke interesse in een gezamenlijke oplossing, een federaal getint plan voor het hele Koninkrijk. In mijn eerdere boek De Caribische eilanden, het alternatief heb ik een uitgebreid voorstel gedaan tot de ontwikkeling van een dergelijk plan. Hiervoor is momenteel nog een restauratie nodig van het land Antillen, waarbij men in de relatie tot Europa eindelijk eens aan de federale staatsvorm kan gaan werken. Dát het Koninkrijk der Nederlanden een federatie is, zal ik later in dit hoofdstuk aan de hand van de ideeën van Michiel Bijkerk toelichten.

De waarheid niet monopoliseren. En ontsnappen aan de eigen leugens. Het Europese Nederland kan niet los gezien worden van het gehele Koninkrijk. Indien men tracht te ontkomen aan deze werkelijkheid, zal men er telkens weer (eventueel met misbaar) bij gesleept worden. De wederzijdse huidige houding en relaties hebben heel duidelijk een invloed op de interne verhoudingen binnen de eilanden zelf. Deze situatie trekt opportunisten, fanatici en nationalistische populisten aan die de verhoudingen steeds op scherp zetten. Ze hameren zonder oponthoud op de brandende complexen van schuld en schaamte. Men zegt daarbij dat de interne verhoudingen polariseren en dat dit in ernst lijkt toe te nemen. Gepolariseerd wil zeggen dat de spelregels van dialectiek en retoriek geweld aan worden gedaan: de zelfbeheersing bij opvattingen en in taalgebruik raakt steeds verder zoek. Het dreigt te ontsnappen aan de redelijkheid. Op het ogenblik dat ik dit schrijf, is er (wederom) een politieke crisis op Curaçao waarbij de tegenstanders op zekere momenten met elkaar op de vuist gaan [3] .

Loskomen van fanatisme en opportunisme is geen gemakkelijke opgave. Het hangt samen met de opvatting de beste te zijn of in elk geval het idee dat je opponent minder gelijk heeft en het je op grond daarvan geoorloofd is elke gelegenheid te baat te nemen de ander dwars te zitten om er zelf beter van te worden, zelfs als je daarvoor (tijdelijk) vrienden zou moeten worden. Fanatisme gaat daarbij soms gepaard met veel thymotische energie, die latent aanwezig is en die laaiend tot uiting komt bij confrontaties. Fanatici zoeken veelal de randen op van de democratische spelregels of gaan er overheen, terwijl ze hun tegenstanders zelf heftige verwijten maken als deze gebruikmaken van middelen om de democratie te verdedigen. Om verdraagzaamheid te ontwikkelen – als vermogen – is de gecombineerde werking van de voorafgaande middelen, methoden en manieren nodig. Men moet los komen van de gunst van de gift, het patronagesysteem, zowel binnen de eigen eilandverhoudingen als in de relaties binnen het Koninkrijk zelf (punten 3 en 7). Daarnaast – en tegelijkertijd – is het noodzakelijk de dynamiek van de eigen identiteit te gaan ervaren (mentaal los komen van de zogeheten wortelidentiteit) (punten 4 en 5). Hierdoor leren we onszelf te verbijzonderen ten opzichte van anderen in een sociaal krachtenveld. We leren ook een beweeglijke positie in te nemen vanuit het besef het eigenbelang te dienen als we dat van de ander in de gaten houden. Tegelijkertijd zal zelfredzaamheid tot ontwikkeling komen (punt 6). Doordat in deze combinatie de eigenwaarde beter tot ontwikkeling komt, zal het minder nodig zijn vast te blijven houden aan het eigen gelijk. De ruilinteractie is van levensbelang om de verdraagzaamheid te kweken.
Uit The New Yorker

Empathie als bron voor trots en bevlogenheid. Zichzelf bevrijden van de kleefwand die apathie en lethargie heet. Dit kan gebeuren als men de eigen dynamiek in menselijke betrekkingen als energiegevend gaat ervaren: de interactie tussen mensen komt op gang op basis van eigenwaarde. Dit is het noodzakelijk vermogen tot empathie en het brengt een ander thymotisch karakter: die van trots en bevlogenheid. Trots ontstaat als men zichzelf als waardevol gaat ervaren bij menselijke betrekkingen. Bevlogenheid ontstaat als men zichzelf voelt groeien binnen die verbanden: men kan iets betekenen voor de ander. Ruilinteractie krijgt de vorm van genegenheid, constructieve dienstverlening en genoegdoening door uitwisseling van welgemeende waardering: gemeenschapszin die de sociale cohesie versterkt. Dit is geen naastenliefde maar ervaring van kracht die ertoe doet: men kan zichzelf via de ander als waardevol gaan ervaren waarbij men de eigenheid herkent: het principe van ken uzelf.
Sofie Hollander - Schoenrelatie

Dynamiseren van cultuur. Dit is het laatste punt. In het voorgaande ben ik voortdurend uitgegaan van de redelijkheid als beginsel van het menselijk handelen en denken. Het gaat er hierbij voortdurend om weg te blijven uit de valstrikken van de paradoxen van vrijheid, tolerantie en dogmatisme. Hiertoe moeten we ons voortdurend oefenen in eerbied door het onderhouden van het besef van eigenwaarde en het belang van de ander. Het is de verzameling van wegen die mensen in vrijheid moeten bewandelen in de constante zoektocht naar waarheid over zichzelf en de dagelijkse werkelijkheid. Beschaving. Zo heet dat. Met het idee dat dit de sociale werkelijkheid is waar geweld geen rol meer mag en kan spelen. Cultuur als Bildung.

Zelfredzaamheid: Barbados
Om het wederzijdse karakter van de oefeningen in beschaving te typeren, hebben we het begrip gemeenschapszin[4]. Hierin zit uitdrukkelijk besloten dat alle groepen in de samenleving de noodzaak moeten ervaren hieraan deel te nemen. Het oefenen van verdraagzaamheid in een dynamische cultuur vergt de bijdrage van elke deelnemer, individueel en in groepsverband. Zelfredzaamheid is hierbij een belangrijk element.

(wordt vervolgd)




[1] Volgens Guépin is dialectica een vraag- en antwoordspel waarin de vrager door het stellen van vragen die de antwoorder wel moet beamen, de antwoorden dwingt zijn uitgangsstelling (principium) te herzien en dit staat tegenover de retorica, dat een debat is tussen twee of meerdere personen. Guépin, De Beschaving, pag. 50 en 149.
[2] Guépin heeft de werking van de ruilinteractie op politiek terrein beschreven in situaties waarbij in de oudheid grote rijken door veroveringen en kolonisatie ontstonden, zoals in het val van het Perzische rijk (o.l.v. Cyrus) of bij Alexander de Grote. De heersers toen begrepen dat het veel verstandiger zou zijn als men de veroverde volkeren in hun waarde liet en “ieder naar waarde en specialisatie, te laten bijdragen tot de algemene welvaart, en daarmee die van de heersende dynastie”. Men begreep – met andere woorden – dat men gebruik moest maken van ieders potentieel en ambities om tot een gezamenlijk voordeel te komen en dat men daarbij ieder moest stimuleren aan die gezamenlijke inspanning deel te nemen, zonder elkaar uit te sluiten, te vernederen of te verketteren. Op deze manier zou ieder er beter van worden. Guépin noemt dit: inzien van het nut van tolerantie. Guépin, De Beschaving, pag. 241.
[3] Op internet verschijnt een fictief krantenartikel, waarbij een scenario wordt geschetst bij een Curaçao dat ongeveer een half jaar onafhankelijk is. De noodtoestand is uitgeroepen; er zijn mensen op politieke gronden gearresteerd en er lopen knokploegen door de straten. De fanatici en misdadigers hebben de macht gegrepen. Nederland roept: “Da’s dan jammer. We hebben het nog zó gezegd”. 13 september 2012 ‘Golf van arrestaties na noodtoestand’.
[4] “Gemeenschapszin, oikeosis, societas, als ‘wenkend perspectief’, een universeel Idee dat eenieder ‘begiftigd met rede en geweten’ motiveert zich in de geest van broederschap te gedragen”. Ida Lamers – Versteeg, pag. 2.

Choreografe Farida Nabibaks: Leed achter ons laten




Farida Nabibaks is een choreograaf en filosoof die de kunstacademie in Suriname deed en de Scapino Dansacademie in Nederland. Ze speelde in 1995 naast Stanley Burleson de vrouwelijke hoofdrol in de musical Faya en is initiatiefneemster van de muziektheatervoorstelling Bewogen weerspiegeling, waaraan onder andere Raj Mohan en Denise Jannah meewerken. Reden genoeg voor Sarnámihuis om Farida Nabibaks 5 vragen te stellen. 

1. Wat is je eerste herinnering als het gaat om dans? 
Mijn eerste herinnering is dat ik een balletdanseres op tv zag, naar haar keek en dacht: ‘dat kan ik ook’. Ballet was niet per se wat ik toen om me heen zag. Waar haalt een kind dat soort gedachten vandaan? Waarschijnlijk omdat het je toch aantrekt. Ook de Hindostaanse films die ik als kind zag, en, ik weet geen titels meer, maar wel dat de sfeer me enorm aansprak. Voor mijn gevoel kwam het leven in zijn geheel langs. De ernst van het leven, een lach, een traan, dans, zang. Grappig dat het stuk waar ik nu mee bezig ben al deze elementen in zich heeft.

2. Wat is voor jou je grootste mijlpaal tot nu toe?
Dat zijn er een paar. Het feit dat ik uiteindelijk een dansopleiding heb kunnen doen, was al een droom die uitkwam. Dat ik kon werken als danseres en dat ik ooit een rol kreeg in Faya, de Surinaamse musical, dat laatste was echt een mijlpaal! De nieuwe uitdaging is ook een mijlpaal: muziektheatervoorstelling Bewogen weerspiegeling. Dit stuk vraagt aandacht voor hoe we tegenwoordig in Nederland met het koloniaal verleden omgaan. Dit is voor mij, als kind van afstammelingen van mensen die uit slavernij komen en van mensen die onder contractarbeid hebben moeten werken, heel belangrijk. Maar eigenlijk is het voor heel Nederland waardevol!



3. Met welke andere Hindostaanse artiest in Nederland zou je wel eens willen samenwerken? 
Die droom komt binnenkort al uit: ik zie er erg naar uit om met Raj Mohan samen te werken tijdens Bewogen weerspiegeling. Ik kan nu al niet wachten om het resultaat van onze samenwerking mee te maken. Ik vind hem door de popmuziek in Sarnami die hij brengt, een groot vertolker van moderne Surinaamse muziek. Hij heeft kennis van zaken en is iemand die nieuwe wegen inslaat en verschillende stijlen opzoekt en bij elkaar brengt. Verder zou ik ooit ook aan projecten willen meewerken waar een combinatie van nieuwe talenten en ervaren mensen uit verschillende disciplines naar een geheel werken. Denk dat de uitkomst zeer verrassend zal zijn.

4. Hoe combineer je familieleven met je dans? Welke rol speelt je familie in jouw danscarrière?
Mijn familie heeft me vroeger de mogelijkheid gegeven om mijn dromen achterna te gaan. Daar ben ik ontzettend dankbaar voor. Mijn eigen familie nu is ook heel belangrijk voor me. De combinatie van dansen en kinderen hebben is best lastig geweest, maar ik heb het er voor over gehad. Onze dochters zijn nu mooie mensen geworden, die me steunen in alles wat ik doe, zoals ik hen steun in dat wat belangrijk voor ze is. 

...bewogen weerspiegeling...


5. Wat wil je aan de lezers van Sarnámihuis.nl meegeven?
Zoals gezegd laten we in onze productie Bewogen weerspiegeling via een moderne familie - waarin ik de moeder speel - toch zien dat de sporen van het koloniale verleden nog aanwezig zijn tegenwoordig. Het verleden is zwaar geweest, maar ik zou graag zien dat we nu dat leed écht achter ons laten en als de lotus, die alleen uit modder groeit, op zullen bloeien. Mijn wens is dat die hoop ook uit dit stuk zal spreken.

Ga voor meer informatie naar www.bewogenweerspiegeling.nl.
‘Bewogen weerspiegeling’ is opgenomen bij voordekunst.nl, waarmee middels crowdfunding kunstprojecten worden ondersteund. Ga voor een donatie naar: http://www.voordekunst.nl/vdk/project/view/872-bewogen-weerspiegeling.

[naar Sarnamihuis.nl]