![]() |
| Eerste druk 1935 |
Op initiatief van Dutch Caribbean Book Club (DCBC) werd op 9
november 2013 in Den Haag voor de zoveelste keer aandacht besteed aan de
bekende novelle Mijn zuster de negerin van Cola Debrot. Spreker, de heer Walter
Palm, gaf daarvan wat hij zelf noemde ‘een andere visie’ dan de reeds bestaande. Hij deelde mee dat hij bij een herlezing van de novelle ‘tot zijn verrassing tot een andere kijk’ was gekomen, namelijk: ‘de labiele
geestestoestand van de hoofdpersoon trok mijn aandacht en niet zozeer de
rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat’. Hierna volgde een
samenvatting van het bewuste werk en kwam de spreker, na een vrij
onsamenhangende uiteenzetting over wat hij als de ‘vorm’ beschouwde, tot de
conclusie dat Mijn zuster de negerin een ‘magisch-realistische inslag’ heeft.
Opmerkelijk is dat het niet tot de spreker schijnt te zijn
doorgedrongen dat het hier gaat om een raciaal thema (Négritude). De
hoofdpersoon geeft – aldus Debrot - de voorkeur aan een negerin boven de blanke
vrouw in Europa. Tegen het einde van het verhaal, nadat de hoofdpersoon een
hele tijd gemijmerd heeft over het zwarte meisje uit zijn jeugd, voelde hij
‘onweerstaanbaar de drang in zich opkomen om naar de kamer van Maria [het
negermeisje uit zijn jeugd] te gaan’. Debrot heeft dit thema op een hoogst
eigen wijze behandeld.
![]() |
| Editie 1955 |
In plaats van de novelle aan een min of meer stilistische
benadering te onderwerpen en zoveel mogelijk binnen een passende historische
context, wijkt Palm daarvan af en gaat op zoek naar aspecten van psychologische
aard (hallucinaties, zelfmoordneigingen) en
veronderstelt dat daarmee reeds van een ‘magisch-realistische inslag’
sprake is. Hij gaat als volgt te werk.
Nadat hij (aan het begin) als een tweede ‘reden’ had gegeven waarom de
hoofdpersoon naar Curaçao teruggekeerd was, week hij af van het raciale thema
en probeerde elders voorbeelden te vinden (dus uit andere werken) om daarmee de
vermeende ‘magisch-realistische inslag’ van Mijn zuster de negerin te
signaleren. Dit is wat ik een ‘extra-literaire vlucht’ zou willen noemen. De spreker
verlaat immers de tekst, die hij zich voorgenomen had te bespreken. Zo verwijst
hij naar een kort verhaal van Daphne du Maurier (‘Don’t look now’) omdat
daarin sprake is van ‘het zien van een schim’. Meent hij misschien dat hij
zodoende het Magisch Realisme reeds gedefinieerd heeft? Ook deelt hij mee dat
het gedicht ‘Wie weet Malinda’ van Debrot ‘geen deel uitmaakt van de novelle’.
Desalniettemin stelt hij (zonder het aan te tonen!) dat de
‘magisch-realistische sfeer’ uit dat gedicht ook in de novelle aanwezig is.
![]() |
| Elfde druk |
De spreker meende
bovendien dat, aangezien Debrot bevriend was met de Nederlandse
magisch-realistische schilder Carel Willink, zijn novelle ook elementen moet
bevatten van het Magisch Realisme. Zonder deze literaire tendens te hebben
gedefinieerd of minstens aan te geven wat hij daaronder verstaat, gaat hij over
tot de volgende verkondiging: ‘Is Mijn zuster de negerin met zijn
magisch-realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman, zoals
die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien
años de soledad van de Colombiaanse auteur Gabriel García Márquez?’ (Palm noemt
ook La casa de los espíritus van Isabel Allende).
Uit Palms verhaal blijkt niet wat hij met ‘magisch
realistische inslag’ bedoelde. De ene keer gaat hij bij Du Maurier te rade
(wiens tekst uit 1971 dateert, terwijl die van Debrot uit 1935), een andere
keer baseert hij zich op de ‘sfeer’ uit een heel andere tekst van Debrot, in de
veronderstelling dat beide werken vanzelfsprekend dezelfde ‘sfeer’ moeten
ademen. Het toppunt van deze ‘amateuristische’ benadering wordt aan het eind
bereikt met de vrij groteske uitspraak: ‘García Márquez, maar ook (...) Isabel
Allende (...) zouden niet opkijken van de passage in Mijn zuster de negerin
waarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand of iets met gloeiende ogen” als hij in
Miraflores de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan’. Beide
Latijns-Amerikaanse auteurs zouden – volgens mij – juist in lachen uitbarsten
bij het constateren dat Ruprecht de schrik te pakken had (‘… Doodsbleek smeet
hij [Ruprecht] de deur weer dicht. Het angstzweet brak hem uit…’). In de werken
van García Márquez en Allende gaat het juist niet om het zich distanciëren van
de ‘mysterieuze’ verschijnselen, maar om een ‘zich daarin onderdompelen’ om die
op een min of meer indringende wijze te omschrijven. Dat gebeurt soms aan de
hand van sterk hyperbolische elementen.
![]() |
| Derde druk |
Fantastische verhalen hebben altijd bestaan. Het Magisch Realisme
is echter een postmodernistische stroming in de schilderkunst, die zich ook in
de literatuur manifesteerde en wel aan het eind van de jaren veertig met werken
als El Reino de este mundo van de Cubaan Alejo Carpentier. Men denke daarbij
ook aan werken als Kafka’s De Metamorfose. Mijn zuster de negerin willen
beschouwen als een novelle met een ‘magisch realistische inslag’ is louter een
wishfull thinking van de heer Palm.
Er kan gesteld worden dat deze bijeenkomst van de Dutch
Caribbean Book Club geslaagd was. Alleen was er niet voldoende gelegenheid om
te discussiëren. Vooral het gesproken ‘In memoriam Jules de Palm’ door de
bekende Arubaanse pianist Alwin Toppenberg omvatte veel interessante informatie
over de Curaçaose schrijver. De moderator, Darlène Westmaas, kweet zich goed
van haar taak. Er heerste een heel ontspannen sfeer onder het publiek. Het
succes was mede te danken aan de inspanningen van de actieve voorzitter van
Dutch Caribbean Book Club, Magda Lacroes.
















































