Valt Rita Marley samen
met het beeld dat van haar bestaat als inhalige weduwe die de Marley mythe tegen
elke prijs intact wenst te laten om het familiefortuin veilig te stellen? Of
wordt haar daarmee onrecht gedaan en moet zij worden beschouwd als een vrouw
die de erfenis van haar overleden man zo integer mogelijk probeert te beheren?
Deze vragen bestrijken het domein van Marley’s afterlife Daarover valt veel te zeggen. In zijn biografie Catch a Fire had Timothy White meer dan honderd
pagina’s nodig om de lezer een indruk te geven van de nalatenschap van zijn
hoofdpersoon, de vervolgcarrières van Tosh en Wailer en de conflicten en rechtszaken
waarin familieleden, componisten, managers en producers na Marley’s dood verwikkeld
waren. Rondwandelend op 56 Hope Road ontkwam ik niet aan de indruk dat de
erfgenamen uitstekend wisten hoe zij de naam en faam van Marley te gelde moesten
maken. In de rij voor de kassa reageerden bezoekers vóór mij geschrokken nadat
zij te horen hadden gekregen welk bedrag zij voor een toegangskaartje dienden
neer te tellen. Ook de prijzen van Marley memorabilia en van consumpties in het
Marley café logen er niet om.
Wie het Hope Road terrein
betreedt, stuit als eerste op een levensgroot standbeeld van de reggaester, gitaar
in de linkerhand, rechtervuist gebald in de lucht. Op het witgepleisterde
voetstuk zijn schilderingen aangebracht van de I-Threes (Marley’s
achtergrondzangeressen) en Haile Selassie. In hetzelfde omrasterde deel van het
erf draaien twee stenen leeuwen waakzaam cirkels rond een bloemperk. Voor Marley’s
lichtblauwe landrover is een plek onder een afdakje ingeruimd. Een bordje maant
bezoekers zich te realiseren dat de wagen uit 1976 afkomstig is. Na het
inspecteren van het terrein is het even wennen aan de jaren zeventig inrichting
van de villa. De fantasieloze geometrie, het weinig comfortabele meubilair, de
schrilheid van de kleuren, het straalt allemaal een ontnuchterende
alledaagsheid uit. De geest van Marley valt er wel bij te bedenken – in de
keuken, in de slaapkamer, in de opnamestudio – maar dat 56 Hope Road ooit een sprankelend
trefpunt is geweest voor musici, vrienden, kunstenaars, handelaren, profiteurs
en meelopers is wat lastiger voor te stellen. Bij het verlaten van het complex had
ik er geen spijt van het bedevaartsoord te hebben bezocht. Tegelijk kon ik het
niet uit mijn hoofd krijgen dat ik behalve mijzelf toch vooral de portemonnee van
de familie Marley een dienst had bewezen.
![]() |
| Muurschildering van Bob Marley en zijn zonen bij het museum |
Wat lag er precies ten grondslag
aan de breuk tussen Marley, Tosh en Wailer en hoe moet de rol van producer Chris
Blackwell daarbij worden geduid? De documentaire vertelt het volgende verhaal. Na
het maken van Catch a fire – het eerste album dat de Wailers met Blackwell
maakten – vertrok de groep naar Engeland en de VS om hun muziek te promoten. Na
verloop van tijd kwamen Marley, Tosh en Wailer erachter dat deze concerten de
groep geen inkomsten opleverden. Voor Bunny Wailer was daarmee de maat vol. Hij
hield niet van toeren en voelde zich slecht opgewassen tegen het Britse klimaat.
Nu zijn inspanningen bovendien financieel niet werden beloond, besloot hij na
beëindiging van de optredens in Engeland terug te keren naar Jamaica. Peter
Tosh verliet de band na de Amerikaanse tournee. In een interview waarin hij terugkeek
op het uiteenvallen van The Wailers stak hij de beschuldigende vinger uit naar
Blackwell. Naar zijn zeggen had Blackwell de groepsleden als amateurs behandeld
en geen recht gedaan aan hun talenten. Zij werden volgens Tosh de erkenning en
het respect onthouden waar zij recht op hadden. Op de achtergrond speelden ras-
en klassenverschillen. Blackwell was wit, kwam uit een welgestelde familie en
had de naam een gewiekst zakenman te zijn. Hem stond als eigenaar van Island
Records een commercieel doel voor ogen. Hij was ervan overtuigd dat wilde de
groep kunnen doorbreken in Engeland en de VS de muziek aan de smaak van het grote
publiek diende te worden aangepast. Om die reden bevatte Catch a fire veel
overdubs en was de assistentie ingeroepen van enkele sessiemuzikanten. Blackwell
en andere geïnterviewden in de documentaire stellen dat de breuk terug te
voeren is op verschillen in houding. Marley streefde succes na en stelde zich om
die reden tamelijk meegaand op. Wailer en Tosh waren militanter en veel minder
geneigd tot het sluiten van compromissen.
In het vorig jaar
verschenen The Natural Mystics biedt Colin
Grant aanvullende verklaringen voor het einde van de Wailers. In deze elegant
geschreven karakterstudie maakt Grant inzichtelijk dat Marley, Tosh en Wailer veel
met elkaar gemeen hadden. Opgegroeid in kommervolle omstandigheden op het
platteland – Marley en Tosh zonder vader en Wailer met een zeer autoritaire
vader – waren zij erop gebrand om in Kingston voor het grote succes te gaan.
Het leven in Trenchtown maakte hen streetwise
en leerde hen behalve hun mond ook hun vuisten te gebruiken wanneer dit nodig
was. De band die het drietal formeerde, kende geen leider. Wederzijds
vertrouwen en gedeelde ambities waren het fundament waarop hun activiteiten
rustten. Na een flirt met een rude boy-achtige
leef- en muziekstijl zouden Marley, Tosh en Wailer vanaf de middenjaren zestig
geleidelijk overgaan tot het Rastafari geloof. Aanvankelijk voelden zij zich
vooral aangetrokken door de ermee verbonden vrijheid en gemakkelijke toegang
tot ganja. Geleidelijk gaven meer levensbeschouwelijke redenen de doorslag. Dat
zij alle drie sterke persoonlijkheden waren die, als het erop aankwam, niet
voor elkaar wilden onder doen, bleek toen zij, naast hun werk voor de band, ieder
afzonderlijk een platenlabel begonnen.
![]() |
| Marley brengt de handen van twee politieke rivalen samen: Michael Manley (PNP) en Edward Seaga (JLP) tijdens het One Love Peace Concert in 1978 |
Vanaf het moment dat The
Wailers met de muziekindustrie in aanraking kwamen, stonden de verhoudingen
binnen de groep onder spanning. Marley werd door studiobazen en producenten niet
alleen gezien als frontman, maar ook als natuurlijke leider van de groep, tot
ongenoegen van de twee anderen. Die weigerden te erkennen dat Marley van de
drie de beste zanger was, de meest aansprekende liedjes schreef, de meest
innemende uitstraling had en het gemakkelijkst communiceerde met de pers. Hij
was geen koekje en in zelfbewustzijn en assertiviteit zeker de gelijke van de
anderen, maar in de omgang minder uitgesproken en rebels dan Tosh en minder
introvert en ontvlambaar dan Wailer. Tosh deed in 1968 in de voorste linies mee
aan de Walter Rodney rellen en zou in 1978 tijdens het One Love Peace concert
niet als Marley politieke tegenstanders met elkaar proberen te verzoenen. In plaats
daarvan blies hij de aanwezige Michael Manley en diens politieke rivaal, JLP-leider
Edward Seaga, provocerend marihuanarook in hun gezicht en pleitte hij met
kracht voor het legaliseren van cannabis. Hoezo vrede? ‘Peace is the diploma you get at the cemetery.’ Wanneer
het hem teveel werd, liet ook Wailer zich niet onbetuigd. Het gebruik van fysiek
geweld tegen malafide producenten was volgens hem onder bepaalde omstandigheden
geoorloofd. Wailer ontstak in woede toen Marley een relatie begon met de
lichtgekleurde actrice, fotografe en model Esther Anderson, een daad die hij
beschouwde als verraad aan de zwarte onderklasse waartoe het drietal naar zijn
zeggen behoorde. Naarmate hij ouder werd, trok Wailer zich voor steeds langere
perioden terug in zijn eenvoudige buitenverblijf, waar hij trouw aan de
Rastafari filosofie en in harmonie met de hem omringende natuur probeerde te
leven.
Zoals Grant overtuigend laat
zien, was Marley behalve de meest getalenteerde en sociaal vaardige ook de
meest gedisciplineerde van de drie. Hij was geconcentreerd bezig met
componeren, opnemen en spelen, sliep weinig en liet zich in alles kennen als een
competitief ingesteld man. Het maakt eens te meer begrijpelijk waarom Blackwell
zijn kaarten op Marley zette. Na het verschijnen van het Burnin’ album veranderde
Blackwell de bandnaam in Bob Marley and the Wailers. Daarmee speelde hij de
vrienden definitief uit elkaar. Volgens Tosh koos Blackwell voor Marley vanwege
diens lichte huidskleur met de bedoeling hem als cross-over-artiest bij een
mainstream publiek in de smaak te laten vallen. Zijn conclusie: Marley liet zich
door een gehaaide kapitalist uit Babylon overhalen om zijn zwarte broeders in
de steek te laten voor eigen gewin. Met bitterheid herinnerde Tosh zich dat
uitgerekend híj Marley gitaar had leren spelen. Hij stelde vast dat zijn
inspanningen hem uiteindelijk alleen maar van zijn vriend hadden vervreemd.
![]() |
| Jasmin Karma, een van de vele door Marley beïnvloede artiesten |
Met Tosh zou het niet
lang na Marley’s overlijden dramatisch aflopen. In 1987 werd hij in zijn huis
bij een gewapende overval bruut om het leven gebracht. Wailer treedt sporadisch
nog op, maar mijdt de publiciteit. De betekenis van beide musici wordt alom
erkend, maar hun reputatie wordt nog altijd overschaduwd door die van Marley.
Zíjn liedjes spreken onverminderd een breed publiek aan, zijn onderwerp van
studie en worden bij uiteenlopende gelegenheden gespeeld. Als global brand laat Marley in termen van
omzet en impact vele artiesten achter zich. Een documentaire over het naleven
van Marley, kan Kevin Macdonald het op zich nemen die ook te maken?






